zondag 17 juni 2012

Des romans français: Olivier Rolin, 'Bakou, derniers jours'


Gezocht: ontmoeting met de dood

‘Olivier Rolin, Boulogne-Billancourt 1947 - Bakou 2009’ stond op het omslag van zijn laatste boek, Suite á l’hôtel Chrystal (vertaald als Suite in het Crystal) uit 2004. Rolin was tijdens een eerder verblijf in Bakou op het idee gekomen om zijn eigen zelfmoord in scène te zetten. De schrijver Mathias Enard speelde het spel mee en beschreef twee jaar later hoe hij het lichaam van Olivier Rolin ging ophalen om het in de Kaspische Zee te water te laten. Je moet niet bijgelovig zijn om je eigen dood te voorspellen en dan ook nog eens in dat jaar naar Bakou af te reizen om te kijken of je misschien gelijk krijgt. Of zoals Rolin zegt: 'si la mort y a rendez-vous avec moi’. In tegenstelling tot de tuinman uit het beroemde gedicht van P.N. van Eyck slaat Rolin dus niet op de vlucht, maar daagt hij de dood uit. 
Een maand lang verblijft Rolin in Bakou, de hoofdstad van Azerbeidzjan. De stad ligt aan het grootste meer ter wereld, een plek waar veel olie wordt gewonnen en daardoor vol staat met boortorens die een naargeestige weerslag hebben op de omgeving. Hotel Aspheron, waar hij dacht om te komen door een 9mm Marakov-pistool, bestaat helaas niet meer, dus zoekt hij zijn toevlucht tot een klein hotel in de oude binnenstad.
Bakou, derniers jours is een aaneenschakeling anekdotes over de stad, de omgeving, haar inwoners en de beroemdheden die er verbleven. Zoals Iossif Djougachvili die in de jaren 1907 tot 1910 de drijvende kracht was achter de opstanden onder de arbeiders van de olie-industrie. Rolin voelt voor de jonge Iossif sympathie, maar verafschuwt wie hij wordt: de revolutionair blijkt zich later te ontpoppen tot de brute dictator Stalin.
Elke avond maakt Rolin een wandeling door de stad om haar beter te leren kennen en elke ochtend leert hij een les Russisch om zich ook in de taal thuis te voelen. Dat lukt maar half, het leren van losse woorden gaat prima, maar de syntaxis krijgt hij maar niet onder de knie. En aangekomen op het kerkhof mijmert hij over de dood. Want dat is ten slotte de reden van zijn verblijf. Daarom ook de stapel boeken die hij heeft meegenomen die alle handelen over de dood (La Mort d’Ivan Ilitch, Chronique d’une mort annoncée, La Mort du Vazir-Moukhtar).
De dood leent zich voor zwaarmoedigheid, maar dat is dit boek allerminst. De verhalen zijn beschouwend en luchtig. Hij relativeert met af en toe een melancholische ondertoon, vooral wanneer hij over zichzelf praat, maar treurig wordt het nooit. Halverwege vraagt hij zich af wat dit boek eigenlijk moet voorstellen. Een reisverslag, flarden onsamenhangende herinneringen, een testament?

C’est une promenade sur un fil. Un monologue à basse voix, pour des oreilles patientes, attentives. Une lettre à des amis, connus et inconnus.

Grappig is wanneer hij foto’s van zichzelf probeert te maken omdat hij jarig is en eigenlijk niets beters te doen heeft. De camera is niet zijn grootste vriend:

… je n’ai jamais possédé d’appareil, ni eu envie de prendre des photo’s. Cela m’empêcherait de voir, me semble-t-il: c’est-à-dire de trouver les mots pour dire ce que j’ai devant moi.

Maar hij krijgt er plezier in:

Happy birthday, mon vieux. Comment dit-on ça en Russe, déjà? Allons, de fais pas cette gueule-lá. Cependant, le Narcisse photographique s’éveille en moi. Quelques autres autoportraits, pourqoui pas?

Als de dood het laat afweten, verzint hij een aantal mogelijke scenario’s hoe hij had kunnen sterven. Door beroofd en neergestoken te worden door een stel zwervers of door een groot propagandabord met de president van Azerbeidjan erop op zijn hoofd te krijgen:

Baiser de la mort: je meurs aplati sous les dents éblouissantes de Hayder Aliyev. Le lendemain, l’agence de presse APA signale que, parmi les quatre morts relevés sur Nefchiler, il ya avit un touriste français, dont l’identité n’est pas révélée.

Op een van de laatste bladzijden telt hij hoe vaak de dood genoemd is: drieëntachtig keer (‘dont une et une qui en tout rigeur ne comptent pas’). Bij terugkomst in Parijs blijkt de dood het niet op hem gemunt te hebben, maar op twee vrienden, aan wie hij het boek opdraagt. Werd het toch nog melancholisch, en blijkt Van Eycks waarheid te kloppen: de dood is niet waar je hem verwacht. Bakou, derniers jours laat zich lezen als een vermakelijke reisgids van een onbekende streek door de ogen van scherp observerende en gelukkig nog springlevende Olivier Rolin.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 26 feb 2010)

zaterdag 16 juni 2012

Bloomsday: enter Ulixes


Bloomsday vandaag. En dus verschijnt eindelijk Ulixes – de niuwe vertaling van Ulysses door Henkes & Bindervoet, waarover ik maanden geleden al schreef. Verder moet ik er maar niet te veel bij stil staan. Ik heb de hoofdwerken van James Joyce nooit gelezen. Dubliners en Portrait of the Artist as a Young Man wel, in het Engels nota bene. Een citaat uit het laatste boek is me zelfs bijgebleven vanwege de rust en geluk die het uitstraalde (al heb ik het voor de gelegenheid wel opgezocht):

In the soft grey silence he could hear the bump of the balls: and from here and from there through the quiet air the sound of the cricket bats: pick, pack, pock, puck: like drops of water in a fountain falling softly in the brimming bowl.

Maar voor de werken daarna schrik ik terug. Boeken die je vooral kunt waarderen als je de allusies en associaties vat, zoals het vooroordeel over Ulysses en vooral Finnegan’s Wake luidt, dat is niet aan mij besteed. Ongetwijfeld is het ook de moeite waard als je Joyce op een oppervlakkig er niveau leest – het plot, het ritme, de schoonheid van de taal – maar deze schrijver is zo beroemd om de diepere betekenis van zijn taal dat je hoe dan ook tweederangs voelt als die diepere betekenis je ontgaat. Je hebt hoe dan ook het onbevredigde gevoel dat je het werkonvoldoende kan waarderen. Dat is het nadeel van Joyce’ reputatie, die staat in zijn geval onbevooroordeeld lezen zéér in de weg.
Toch hoop ik binnenkort aan Ulixes te beginnen. De nieuwe vertaling dus.

Zie ook:

vrijdag 15 juni 2012

Dertien Vlaamse boekhandels richten Roze Plank in (Boekblad)


Dertien Vlaamse boekhandels richten een Roze Plank in. Initiatiefnemers belangenvereniging Het Roze Huis en boekhandel/uitgeverij ’t Verschil hopen zo het homoseksuele en lesbische boek beter bij de doelgroep onder de aandacht te brengen.
De deelnemende boekhandels krijgen via distributeur EPO een basispakket van twintig titels uit het fonds van ’t Verschil. ‘Wij zijn een thema-uitgeverij, dus wij geven alle genres uit,’ zegt Johanna Pas. ‘We hebben romans, prentenboeken voor kleuters, thrillers, coming of age-romans. Heel divers. De bedoeling is dat de boekhandels dit aanbod naar eigen inzicht aanvullen. Omdat ze niet thuis zijn in de thematiek, lossen we dat op door de Facebookpagina die we gestart zijn, waarop we tips geven en hen attenderen op nieuwe titels.’ De boekhandels krijgen de boeken in consignatie en kunnen daarna tegen normale condities bijbestellen.
De Roze Plank is geen aparte display, maar een reguliere rubrieksaanduiding zoals geschiedenis, esoterie of jeugdboeken. Dat is voldoende om de doelgroep te attenderen op de boeken met homo’s en lesbiennes in de hoofdrol die anders moeilijk te vinden zijn in het totale aanbod. ‘Of ze durven er niet naar te vragen. Of ze durven het wel, maar dan weten ze de weg vaak wel te vinden naar gespecialiseerde winkels zoals de onze in Antwerpen,’ zegt Pas.
De Roze Plank moet ook tegenwicht bieden aan de trend die Pas waarneemt dat algemene uitgevers ‘vaker en vaker vager werden over de inhoud van holebi-boeken op de flaptekst’, zegt ze. ‘Daarom zijn wij acht jaar geleden zelf een uitgeverij gestart. Inmiddels vind ik onze boeken kwalitatief goed genoeg om zich te meten met andere boeken, maar ze worden vaak niet bijbesteld. Ze liggen wel in de boekhandel – in Vlaanderen; in Nederland hebben wij geen verdeling – maar raken verloren in het aanbod en bereiken zo niet de mensen voor wie ze gemaakt zijn.’
EPO heeft 39 zelfstandige algemene boekhandels gemaild en een deel daarna gebeld. De meeste winkels deden mee. Dat zijn Het Voorwoord (Heist-op-den-Berg), waar de Roze Plank op 23 juni officieel wordt gelanceerd, De Zondvloed (Mechelen / Roeselaere), De Groene Waterman (Antwerpen), Station Berlaar (Berlaar), Books & Co (Geel), Passa Porta (Brussel), Malpertuis (Genk), Letters & Co (Deinze), Corman (Oostende), Theoria (Kortrijk), De Reyghere (Brugge) en Beatrijs (Oudenaarde). Ketens zijn buiten beschouwing gelaten omdat ’t Verschil anders te veel boeken in één keer moet uitzetten.
Slechts twee boekverkopers reageerden volgens Tim Vermast van EPO negatief. Een daarvan is Bart van Aken van Het Paard van Troje (Gent) die dat ook op de Facebookpagina van de winkel liet weten: De Roze Plank zou mensen in hokjes stoppen. Hij verwierf daar in de Vlaamse pers veel aandacht mee, tot treurnis van Pas. ‘Wij zijn dit project begonnen vanuit een positieve houding. Het is jammer dat wij ons nu moeten verdedigen. Vooral in kleine steden is homoseksualiteit nog altijd een taboe. Daarom vind ik het ook knap en moedig dat boekwinkels in plaatsen als Kortrijk en Genk hier aan mee doen.’
In Nederland is onlangs op initiatief van het Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief (IHLIA) een vergelijkbare Roze Kast gelanceerd voor bibliotheken. In april werd de eerste gepresenteerd in de centrale vestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 13 mei 2012)

donderdag 14 juni 2012

Poetry International biedt dit jaar onvoltooide gedichten (Knack)


Gedichten, oeuvres, geschiedenis, taal – alles is in wezen onvoltooid, zo bleek op Poetry International dat gisteren weer van start ging.

Kan een thema breder? De 43e editie van Poetry International in Rotterdam is gewijd aan het onvoltooide. Maar is niet ieder gedicht – zeker in de moderne poëzie – per definitie onvoltooid als het aan de wereld wordt prijsgegeven? Pas als de associaties knetteren in het hoofd van de lezer maakt die een gedicht af. Gelukkig interpreteerden de twintig dichters uit achttien landen en vijf continenten het begrip op de openingsparade niet zó breed.
Voor K. Schippers was het onvoltooide de per definitie eindeloze lijst van ‘wat je maar kort hoeft te onthouden’. Van het gedicht bestaat dan ook alleen maar een fragment – waar dit weer een fragment uit is: ‘het gezicht van een taxichauffeur / hoeveel minuten je te laat kwam / schoenen die je niet meer draagt / voorbijgangers op een zebrapad / de stem van een vrouw die verkeerd is verbonden / wolken / het gewicht van een tas / adres van een opgeheven stomerij’.
De Amerikaanse L=A=N=G=U=A=G=E-dichter Ron Silliman ziet zijn hele oeuvre als onvoltooid. Sinds zijn debuut in 1974 werkt hij aan één gedicht, ‘Ketjak’ getiteld, waarvan hij af en toe passages ‘afstoot’ of ‘laat publiceren’ en dat nooit af zal zijn. Elke dag groeien er nieuwe regels aan. Zelfs tijdens de voordracht van de andere dichters schreef hij enkele regels, bekende hij toen hij zelf aan de beurt was om zijn uiterst klankrijke, maar moeilijk doordringbaar poëzie te laten horen.
De meeste dichters waren niet zo programmatisch. De Brits-Pakistaanse Sacha Aurora Akthar las simpelweg een onvoltooid gedicht voor. En de Duitse Ulrike Draesner had haar fraaie, zwaarmoedige gedicht over de littekens van de Poolse geschiedenis alleen maar ‘poem unfinished, final version’ genoemd in reactie op een misverstand met haar Nederlandse vertaler. Al kreeg die titel tóch betekenis: de wonden van de geschiedenis blijven bloeden, ook als de geschiedenis tot rust is gekomen.
De enige Belg in Rotterdam, VSB poëzieprijs-winnaar Jan Lauwereyns, filosofeerde over het verschil tussen onvoltooid en voltooid verleden tijd. Beide werkwoordsvormen duiden op iets wat achter ons ligt, maar met het eerste zijn we op een of andere manier nog bezig terwijl het tweede definitief voorbij is. Het bewijs voor die stelling lag in zijn vermogen om eigen werk te onthouden. Alleen het gedicht waar hij mee bezig is en dat dus nog niet af is, kan hij uit het hoofd opzeggen. 
Het – Japanse – gedicht voordragen lukte evenwel niet. Lauwereyns vervolgde daarom snel met ‘Forgetting takes place’, waarin hij het ondoorgrondelijke proces van de hersenen beschrijft die alle feiten van ‘een bittere dag’ vermalen waardoor er slechts ‘iets minimaals’ in je geheugen over blijft. ‘Foreign life events dip / in schools of issues such as these, // slashing forward, backward, // the squeaky wipers dancing / something minimal on your windshield.’
Poetry International duurt nog tot en met 17 juni in de Rotterdamse Schouwburg. Aanstaande vrijdag treden drie genodigde dichters in Antwerpen op in het kader van het Felix Poetry Festival. Behalve Lauwereyns en Silliman is dat Chus Pato uit Spanje.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 13 jun)

Zie ook:

woensdag 13 juni 2012

Sipko Melissen - 'Een kamer in Rome'


Vijftien jaar bestaat de term ‘literaire thriller’. Uitgeverij Ambo|Anthos die de bekendste namen in het genre onder contract heeft – van Saskia Noort en Esther Verhoef tot Marion Pauw en Simone van der Vlugt – vierde onlangs nog een feestje ter gelegenheid daarvan. Vijftien jaar hoor je dan ook al dat er niets literairs aan die thrillers is (terecht). En wat wel een literaire thriller genoemd moet worden. Zelf overviel me die gedachte toen ik Een kamer in Rome van Sipko Melissen las. Het is een roman over literatuur opgeschreven als een thriller. Nou ja, als een zoektocht. Maar wel een zoektocht die mij meer verleidt om dóór te lezen dan een thriller over moord en doodslag kan.
Een kamer in Rome gaat over de student literatuurwetenschappen Daniël van Duren die van de moeder van zijn vriendin een volstrekt vergeten novelle uit 1984 te leen krijgt. Hij raakt daar zo door gefascineerd dathij in Toscane op zoek gaat naar de in de vergetelheid belandde auteur Alle Waterink. Hij vindt de man in het ziekenhuis van Siena. Hij is stervend aan leukemie, een gesprek is niet meer mogelijk. Maar misschien is dat ook niet meer nodig. Bij iedere ontmoeting met iemand uit Waterinks omgeving wordt de twijfel vergroot, bij Daniël en bij de lezer, of Waterink wel de auteur van de novelle is. Misschien heeft iemand anders hem geschreven. Misschien zelfs iemand over wie helemaal niets te achterhalen is. En misschien is het gebrek aan een kenbare auteur wel het hoogste wat literatuur kan bereiken, omdat de fictie – hoezeer ook gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen, personages en locaties – dan volledig op zichzelf kan staan.
Vanaf de eerste bladzijde zet Melissen het thema van zijn roman op scherp: de verhouding tussen werkelijkheid en literatuur. Daniëls vriendin verlaat hem omdat ze hem niet verbonden vindt met de werkelijkheid. De werkelijkheid. Logisch, Daniël leeft niet, hij leest. Vervolgens werkt Melissen steeds opnieuw dat contrast uit. Zijn hoofdpersoon vindt geen aansluiting bij de levendige groep vrienden van zijn voormalige schoonfamilie. Hij kan niet deelnemen aan het nachtleven van de Toscaanse jeugd. Hij kan – zo ontdekt hij – alleen maar de positie van de schrijver innemen: de schrijver die van een afstandje observeert. In dit verband vindt hij een toepasselijk citaat van John Keats, in wie Daniël steeds meer belangstelling stelt.
Ook in zijn vele verwijzingen benadrukt Melissen voortdurend het belang en de betekenis van literatuur. De vele lezers van literaire thrillers zullen dat ongetwijfeld vervelend vinden. Een onbelangrijke en overbodige afleiding van waar het hen uitsluitend om te doen is: het plot en een bevredigende ontknoping daarvan die geen vragen onbeantwoord laat. Zelf stimuleert de rijkdom aan invalshoeken me juist om na te denken over de raadsels die het boek biedt. Al moet ik eerlijk toegeven dat het essentiële thema van een roman mij doorgaans ook koud laat. Of Melissen betoogt dat literatuur belangrijker is dan werkelijkheid of andersom, is mij om het even. Structuur, taal, diepgang, ritme – dát maakt voor mij uit of een boek mijn waardering verdient. Niet de inhoud.
En toch stimuleert zo’n ingenieus boek me om dóór te denken.
Daarom, tot slot, een voorbeeld daarvan. De naam Alle Waterink. Toen ik die voor het eerst tegenkwam, dacht ik onmiddelijk: een naam met een betekenis. Later wordt Daniël precies die vraag voorgehouden: Alle Waterink, dat is toch geen gewone naam, die betekent toch van alles. Waarna zijn gesprekspartner enkele associaties geeft, onder meer met het panta rhei van Heracleitos, die ik ook had. En toen wilde ik erover door denken. Waarom Alle Waterink? Voor mij verwijst de naam nu naar het grafschrift van Keats (geciteerd in de roman): here lies one whose name was writ in water. Dus: Al het inkt is geschreven in water. Oftewel: alles wat geschreven is, is ongrijpbaar. En dat is het centrale thema van de roman.

Sipko Melissen, Een kamer in Rome, Van Oorschot, 2012

dinsdag 12 juni 2012

Een roos en een app voor Louis Couperus (Boekblad)


Exposities, theatervoorstellingen, herdenkingen, een roos, een app – het Louis Couperus jubileumjaar 2013 staat bol van de evenementen. En nog wil Petra Teunissen-Nijsse, voorzitter van het Louis Couperus Genootschap, méér organiseren.
Het Genootschap greep de 149e verjaardag van Louis Couperus (1863-1923) gisteren aan om de activiteiten voor volgend jaar bekend te maken. Althans: die vast staan. En die lijst is al zo groot dat het doet vermoeden dat het zeshonderd leden tellende genootschap ook in het jubileumjaar zelf willen uitdrukken dat de Haagse auteur wat hun betreft de grootste Nederlandse schrijver allertijden is.
Het jubileumjaar begint komend najaar al met een theaterbewerking van De kleine zielen van Ger Thijs en een expositie in het Louis Couperusmuseum over de jeugd en de familie van de schrijver. De festiviteiten barstten pas goed los na de officiële start van het jaar tijdens de Boekenweek met nog meer symposia, theatershows en tentoonstellingen (onder meer in het Haags Historisch Museum en het Rijksmuseum voor Oudheden).
Aan de vooravond van de geboortedag zelf vindt een officiële herdenking plaats, een dag later gevolgd door een digitale leesclubavond op Twitter. Een maand later, op 10 juli, wordt een krans gelegd op begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag waar de schrijver begraven ligt. In dezelfde periode is er een expositie aan Couperus gewijd in De Steeg, waar hij stierf. Daar wordt mogelijk ook een monument onthuld.
En dat is nog lang niet alles. Er is ook een scriptieprijs. De lancering van een collectie ansichtkaarten en de Rosa Louis Couperus. De opening van het wooncomplex ‘Couperus’ in de Haagse Vinex-wijk Ypenburg. De première van Paul Verhoevens film De stille kracht, als die op tijd af is. En – een van de hoogtepunten volgens Teunissen-Nijsse – ontwikkelt met het Letterkundig Museum een app. ‘Veel lezers kunnen daar plezier aan beleven. En wellicht is hij ook toepasbaar in het onderwijs.’
Niet alles staat al vast. Hoe bijvoorbeeld het jubileumjaar in de Boekenweek van start gaat moet nog worden ingevuld, vertelt Teunissen-Nijsse. ‘We vonden dat we dan moesten beginnen omdat er in het voorjaar al een aantal exposities te zien zijn. Tegelijk hopen we dan makers van een tv-programma rond de Boekenweek te bewegen ook aandacht aan Couperus te besteden.’
Het Genootschap is dan ook nog lang niet klaar met plannen. ‘We hopen dat we met het persbericht nog meer partners kunnen vinden. Zo ontbreekt nog een relatie met de Tong Tong-fair, om de Indische kant van Couperus tot uitdrukking te brengen. Couperus is zo’n veelzijdige auteur. Hij kan van zo veel invalshoeken worden benaderd, dat iedereen zijn eigen ding met Couperus kan doen, om het plat te zeggen. Als het kan, willen we ook aan al zijn kanten aandacht besteden.’
Tijdens het jubileumjaar verschijnen een aantal uitgaven: de wetenschappelijke editie van Couperus’ correspondentie (Athenaeum-Polak & Van Gennep), en een kookboek rond de gerechten uit zijn werk en de lievelingsrecepten die Couperus’ vrouw in een schriftje had genoteerd (Bas Lubberhuizen). ‘Ik heb ook Veen gevraagd, die de rechten op het werk beheert, of zij met heruitgaven willen komen. Als dat lukt,’ zegt Teunissen-Nijsse, ‘zou het mooi zijn als bijvoorbeeld Boekblad een etalagewedstrijd houdt in juni.’
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 11 juni 2012)

zaterdag 9 juni 2012

Interview Elvis Peeters over 'Wij' en 'Dinsdag' (BOEK)


Ook in zijn nieuwste roman Dinsdag houdt Elvis Peeters de lezer een spiegel voor. Wil hij een doorgedraaide individualist zijn die alleen rekening houdt met zijn eigen behoeften? Een gesprek over een maatschappij zonder moraal.

Pakken wat je pakken kan

Het was een van de moralistische boeken van deze eeuw. Wij van Elvis Peeters, uit 2009. In precies 171 pagina’s schetste het Vlaamse schrijversduo Jos Verlooy en Nicole van Bael, die achter het pseudoniem schuilgaat, een messcherp portret van een groep losgeslagen jongeren. Hun ongebreideld hedonisme ontaardt in perverse seksspelletjes, prostitutie en moord. Juist omdat het plezier van de anonieme pubers de boventoon voerde, las Wij als een felle aanklacht tegen hun nihilistische amoraliteit.
‘We wilden de jongeren vooral gebruiken om dingen te zeggen over de vrije markt,’ zegt Peeters drie jaar na publicatie, in een typisch groezelig Vlaams café tegenover het station van Lier. ‘De jongeren jagen hun eigen genot na. Pakken wat je pakken kan, zonder rekening te houden met de rest van de wereld. Precies zoals de bankiers uit de financiële wereld, wiens eendimensionale drijfveer is om winst te maken – of beter: om de winst te maximaliseren.’
Nu ligt Dinsdag in de winkel. In opnieuw 171 pagina’s vertelt Peeters een dag uit het leven van een 76-jarige weduwnaar. Veel om handen heeft hij niet, behalve mijmeren over zijn verleden. Twee keer verloor hij een geliefde aan een ziekte. Maar al gauw blijkt hij niet de aandoenlijke oude man waarvoor je hem zou houden. Als tiener deed hij mee aan een groepsverkrachting. Toen hij daarna naar Congo werd gestuurd, pleegde hij gruwelijke oorlogsmisdaden.
Deze roman is te lezen als een prequel op Wij, erkent Peeters. ‘Het idee was om een roman te schrijven over de ouders van de jongeren uit Wij. Zij hebben hun kinderen opgevoed zonder moraal en principes. Zij zijn verantwoordelijk voor hun gedrag. Thuis hebben we drie, vier aanzetten liggen voor zo’n roman. Maar deze figuur, eigenlijk van nog een generatie ouder, drong zich op. Het beeld van een oude man die ‘s ochtends luistert naar een duif op het dak was zo sterk, dat we dat hebben uitgewerkt.’

De naamloze hoofdpersoon van Dinsdag is net zo amoreel als de jongeren uit Wij. ‘Hij heeft weinig ethiek,’ zegt Peeters. ‘Hij gebruikt wat op hem af komt. Het enige ijkpunt is hijzelf. Ook wanneer hij goed is. Voor zijn twee vrouwen is hij heel lief, maar dat doet hij omdat hij er genoeg voor terug krijgt. Bij de groepsverkrachting nam hij niet de leiding. Toen het eenmaal zo ver kwam, was hij wel zelfzuchtig: nu laat ik me die kans niet ontglippen. Dan gaat hij zelfs als eerste.’
Zijn enige moraal is een persoonlijke. ‘Hij staat in het krijt bij de priester die wordt overvallen door de militie waar hij zich in Congo bij heeft aangesloten. Hij heeft ooit benzine van hem gekregen. Daarom wil hij die priester helpen. Verder gaat zijn verantwoordelijkheidsgevoel niet. Hij heeft er geen bezwaar tegen om even later een non te verkrachten. Dan ziet hij zijn kans schoon om eindelijk weer eens van bil te gaan met een blanke.’
Spijt heeft hij daar nooit van gekregen – of preciezer geformuleerd: tot spijt heeft hij het nooit laten komen. Want wat zou hij daarmee opschieten? ‘De roman bevat genoeg hints dat hij spijt zou kunnen hebben. Maar hij zegt ook dat hij niet de richting van de geschiedenis wil bepalen, hij past zich dan wel aan aan de omstandigheden. Hij wil alleen de richting van de kogels bepalen: weg van mij. Als hij daarom aan de goede kant van het geweer staat, is het genoeg voor hem.’
Het enige verschil tussen hem en de jongeren van Wij is de tijd waarin hij leefde. ‘Hij had als jongere dezelfde losbandigheid en energie. Hij moet het alleen heimelijker uiten. Hij moet het inpassen in de processen die aan de gang zijn. Als hij niet naar Congo was gestuurd, was het waarschijnlijk nooit zover gekomen. Hij is ook niet zo zelfbewust als de jongeren. Vandaar ook de tegengestelde slotzinnen. “De wereld ligt aan onze voeten”, in Wij. “Niets staat de slaap nog in de weg”, in Dinsdag.’

Het laatste wat Peeters wil zeggen is dat het vroeger beter was. ‘Ik hoop juist dat Dinsdag daar een weerwoord op is. Ook in de jeugd van de oude man hadden mensen geen diepgewortelde ethiek. En nog langer geleden evenmin. Lees Het recht van de sterkste van Cyriel Buysse uit 1893, waarin ook iemand wordt verkracht. Niet voor niets sprak Louis Paul Boon van de noodzaak de mens een geweten te schoppen. De moraal is helemaal niet diepgaand.’
De oude man uit Dinsdag leefde alleen in een maatschappij waarin individuen waren ingebed in structuren die hem enigszins in toom hielden. ‘In de jaren zestig begon dat groepsdenken af te brokkelen. De mens is in de jaren daarna steeds meer aangesproken als individu. Met zijn eigen spaarrekening en zijn gsm. Tegenwoordig is het middenveld afgebroken en telt van alles alleen nog de prijs – van de regering tot de huisvrouw. In dat klimaat wordt de jongeren uit Wij bewust de kans gegeven om te zijn wat ze zelf denken dat ze moeten zijn.’
Maar wat levert het op? ‘Zoals Hannah Arendt zei: de mens bestaat niet, de mens bestaat alleen onder andere mensen. Je moet weten dat je deel bent van het geheel. Je moet beseffen dat je niet alleen jezelf, maar ook de samenleving moet ontplooien. Anders eindig je als de oude man, die op het einde van zijn rit niet gelukkig is. Hij heeft niemand meer. Een meisje in het café, een meisje van de bakker en een meisje van de sociale dienst – meer contact heeft hij niet.’

Die moraal heeft Peeters niet expliciet in Dinsdag gestopt. Net als in Wij verleidt hij de lezer om sympathie te krijgen voor de hoofdpersoon in de hoop dat hij daar later vraagtekens bij zet. Voor wat voor iemand heb ik sympathie gekoesterd? Is dat wel terecht geweest? ‘Maar ook,’ vult Peeters aan, ‘er is na zijn grootste wandaden zo veel tijd overheen gegaan, in hoever moet je hem dat nog aanrekenen? Je wordt mild voor een oude man die al moe wordt als hij een paar tassen moet dragen.’
Het gaat er Peeters dan ook niet om dat de lezer koste wat kost zijn visie onderschrijft. ‘De hoofdpersoon is in eerste instantie een literaire personage. Dus moesten we hem niet onvoorwaardelijk goed of slecht maken. Oneerbiedig gezegd: hij moest voor zichzelf kunnen spreken. En zo de lezer aan het nadenken zetten. Onze boeken kun je snel uitlezen maar als het goed is, sla je ze na afloop niet zomaar dicht. Anders zouden we Dinsdag voor niets hebben geschreven.’
(Eerder gepubliceerd in BOEK 3, 2012)

Zie ook interviews met:
- Kees van Beijnum

Een vervolg op dit interview staat hier.

vrijdag 8 juni 2012

De Vlaamse boekhandel (4): zelfstandige boekverkopers in Brugge en Kortrijk (Boekblad)


Thomas Barbier (26)
In de vakanties werkte hij natuurlijk mee in de winkel van zijn moeder. Maar vast in dienst bij boekhandel de Reyghere? Liever ontplooide Barbier zich elders. Architectuur, management – hele andere dingen. ‘Tot mijn vriendin een analyse maakte van de jaarrekeningen van de boekhandel en op basis daarvan een aantal adviezen opstelde. Toen zag ik het potentieel en kwam de zin terug om in de boekhandel verder te gaan. Sinds 1 april ben ik assistent-zaakvoerder.’
Barbier besteedt zijn tijd vooral in het opzetten van verbeterplannen. De samenstelling van het aanbod kan beter. ‘De categorie natuur verkoopt niet goed genoeg om als aparte rubriek te handhaven. Persoonlijk vind ik dat wel jammer. Ook economie en politiek bieden onvoldoende meerwaarde. Beter is het om die te bundelen tot een rubriek actualiteit. Er zijn wel steeds thema’s die tijdelijk erg gevraagd zijn zoals nu over de crisis of over de Dexia-bank.’
Sexy zou hij het boekenvak niet willen noemen. ‘Maar het boek blijft een goed waar ik enorm veel van geniet, dan heeft het een grote aantrekkingskracht om ermee bezig te zijn en mijn enthousiasme over te dragen op de klant.’

Annemie Bernaerts (40)
Samen met haar echtgenoot Pascal Vandenhende nam Bernaerts eind vorig jaar boekhandel Theoria in Kortrijk over. De eerste maanden zijn ‘heel goed’ geweest, vertelt ze. ‘De mond-tot-mondreclame werkt. Toen tijdens de Literaire lente Tom Lanoye te gast was, hadden we 120 man over de vloer. Alle dagen hebben we een mooie omzet. We zijn heel blij met deze start.’
Het assortiment is hetzelfde gebleven: veel kunst, architectuur en literatuur (‘met ruime kans voor Vlaamse debutanten’). Maar het winkelinterieur is helemaal opgefrist: alles is geschilderd en gepoetst. ‘In plaats van de uitstraling van een tweedehands boekhandel, heeft Theoria nu een strakke look. De winkel heeft veel licht en lucht gekregen. Ik merk dat we daardoor nu al een jonger publiek trekken, dat voorheen naar Standaard Boekhandel ging.’ Ook het automatiseringssysteem heeft een update gekregen.
Toch moet de echte vernieuwing nog beginnen: met behulp van partners de klantenkring uitbreiden. Bernaerts wil contacten leggen met de bibliotheek, de stad, plaatselijke leesclubs. Ze heeft met genoegen de workshop van de VVB voor West-Vlaamse boekverkopers bijgewoond. En ze hoopt nog dit jaar een stripwinkel in Kortrijk te openen, met wie Theoria een vruchtbare kruisbestuiving moet hebben.
[Deze kaders horen bij dit artikel over de Vlaamse boekhandel.]

donderdag 7 juni 2012

De Vlaamse boekhandel (3): Geert Schotte aan het roer bij Standaard Boekhandel (Boekblad)


Geert Schotte (38)
Na bijna dertig jaar aan het hoofd van Standaard Boekhandel droeg Frans Schotte op 1 mei de leiding over aan zijn zoon. Een groot feest was dat niet. Schotte wenste er alleen in kleine kring bij stil te staan. En zoon Geert denkt: ‘What’s in a name? Het is de formele, juridische overdracht. Feitelijk ben ik al gedelegeerd bestuurder sinds 1 januari. En die dag voelde ik mij niet anders dan op 31 december of op 2 januari. Dat zal West-Vlaamse nuchterheid zijn, zeker.’
Hij ziet het formele leiderschap ook niet als het beginpunt van een nieuw beleid voor de boekhandelsketen. ‘Het is nooit het verhaal van mijn vader geweest en het zal nooit het verhaal van mij worden, het is altijd het verhaal van Standaard Boekhandel geweest. De afgelopen zes jaar hebben we altijd veel in overleg gedaan met het hele team. Iedereen heeft een inbreng gehad in het beleid. Achteraf is dan niet meer duidelijk wie welk aandeel heeft gehad. Dat zal in de toekomst niet anders zijn.’
[Dit kader hoort bij dit artikel over de Vlaamse boekhandel.]

woensdag 6 juni 2012

De Vlaamse boekhandel (2): Het Paard van Troje in Gent (Boekblad)


Bart van Aken (38)
Twee anni horribili heeft Bart van Aken gehad. Eerst raakte de onderneming met vestigingen in Leuven en Gent in zwaar weer. Noodgedwongen ontsloeg hij zijn medevennoot en werknemers. Toen hij eindelijk een nieuwe investeerder had gevonden, wilden zij niet meer voor hem werken. Het filiaal in Leuven stond een tijd in de etalage, toen weer niet en werd uiteindelijk toch afgestoten.
‘En dan is eindelijk het tij gekeerd sinds we begin februari verhuisde naar een nieuwe winkel’, vertelt Van Aken. ‘Over de hele winkel behaalde ik in februari en maart een omzetstijging van 38 procent. Voor boeken alleen was dat 23 procent. Terwijl onze verwachting was om dezelfde omzet te halen als vorig jaar en de hele markt steen en been klaagt. Dat is een erg prettig gevoel.’
Hij dankt dat gevoel vooral aan de klant, zegt hij. ‘Je moet die klant iedere dag weer verdienen. Ik heb hen dan ook betrokken bij de nieuwe winkel. Ik heb een rondvraag gedaan: Wat willen jullie? Wat moeten we veranderen? Waar moeten we mee ophouden? Daar heb ik heel goed naar geluisterd, en dat heeft absoluut geholpen. Ik krijg van hen uitsluitend positieve reacties.’
[Dit kader hoort bij dit artikel over de Vlaamse boekhandel.]