Posts tonen met het label de literatuur in. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de literatuur in. Alle posts tonen

zondag 20 december 2020

De groeiende betekenis van festivals voor de literaire keten (Boekblad)

Literaire festivals transformeren steeds meer tot literaire productiehuizen. Een groot evenement staat nog altijd centraal, maar de activiteiten eromheen worden almaar gevarieerder en omvangrijker. Tilt verruilt zelfs het gezichtsbepalende jaarlijkse festival in Tilburg ten gunste van meerdere kleinschalige publieksactiviteiten in heel Noord-Brabant.
 
Giel van Strien weet nog goed hoe het bijna een kwart eeuw geleden begon. Het leek de redactie van het Rotterdamse literaire tijdschrift Passionate, waar hij hoofdredacteur van was, leuk om een avond te organiseren waarop de auteurs uit het blad en andere schrijvers uit eigen werk konden voorlezen. Zoiets bestond helemaal niet in de stad. Zo organiseerde Passionate Bulkboek, zoals de stichting tegenwoordig heet, in 1997 de eerste editie van het Geen Daden Maar Woorden Festival (GDMW) in het plaatselijke Bibliotheektheater. 'Het was een hartstikke leuke avond, met best veel publiek: zo'n 80 man.'
Maar: het festival was niets meer dan één lange voorleesavond. 'Geen Daden Maar Woorden voorzag in een behoefte in de regio', vertelt Van Strien. 'Dat is eigenlijk niet veranderd. Een tijdje had je ook het Lezersfeest, totdat de bibliotheek daar weer mee ophield. Maar na de eerste editie wisten we ook: het moet anders. Op zo'n avond gáát het maar door. De ene na de andere schrijver die het podium betreedt. Wie houdt het vol daar uren geconcentreerd naar te luisteren?'
GDMW koos voor een multidisciplinaire aanpak: literatuur werd gecombineerd met beeld, muziek en dans. Dat leidde tot nieuwe voorstellingen, die op het festival in première gingen. Zo maakte Scapino Ballet Rotterdam jaarlijks een nieuwe choreografie op basis van een gedicht. En de schrijvers werden zo veel mogelijk op aparte plekken geprogrammeerd, zoals het dak of de kleedkamer van de Rotterdamse Schouwburg. In die afwisselende context heeft het jonge publiek wél aandacht voor een kale literaire voordracht van twintig minuten. 
Sinds 2015 heeft het festival een nieuw format. 'Het publiek was geleidelijk een stuk ouder geworden: van gemiddeld 26 jaar tot tweede helft dertig. Omdat het onze missie is om jonge mensen met literatuur in aanraking te brengen, besloten we ons te richten op het presenteren van nieuw talent. Je moet kunnen zeggen: op Geen Daden Maar Woorden zag ik die schrijver voor het eerst. Dat past ook bij Rotterdam, een jonge stad met veel twintigers die zich echt openstellen voor ontdekkingen. Als zij op zaterdagavond uitgaan, willen ze geen bekende namen, maar een spannende avond.'
 
De ontwikkeling van GDMW is exemplarisch voor de veranderende rol van literaire festivals in Nederland. Het beeld bestaat nog altijd dat zij één keer per jaar een of meerdere dagen mensen bij elkaar brengen om naar schrijvers te luisteren. En verder niets. Dat is volkomen onterecht. Festivals hebben nu ook een rol als producent – door nieuwe teksten of voorstellingen te initiëren. Als motor van nieuw talent – door hen kansen of zelfs een opleiding te geven. Als leesbevorderaar – door nieuw publiek in aanraking te brengen met literatuur. En dat gebeurt zeker niet meer op één moment in het jaar, zoals op dit Rotterdamse festival.
Literaire festivals zijn daarmee een steeds belangrijkere schakel in de literaire keten. Iets wat het Nederlands Letterenfonds onderkent. 'Vroeger konden festivals bij ons een exploitatiesubsidie krijgen voor hun centrale evenement, nu voor al hun activiteiten', zegt beleidsmedewerker Pieter Jan van der Veen. 'Ze doen aan talentontwikkeling, maken nieuwe producties, gaan samenwerkingen aan met maatschappelijke organisaties, zetten participatieprojecten op. En dat grijpt vaak allemaal in elkaar. De adviescommissie literaire manifestaties wil dat graag honoreren, mede omdat er steeds meer literatuur buiten het boek is. Denk aan de groei van performances en verbindingen met andere kunstvormen.'
 
De organisatie die als eerste structureel voor een andere weg koos, is Wintertuin. Begonnen als organisator van een festival in Arnhem (eerste editie: 1991), vormde het zichzelf in 2005 formeel om tot productiehuis. De activiteiten daarvan omvatten een reeks festivals en evenementen in binnen- en buitenland, een uitgeverij (sinds 2009) en een agentschap (sinds 2014). Ook werd vanuit Wintertuin de opleiding Creative Writing aan de ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem opgezet en initieerden de organisatie het internationale Connecting Emerging Literary Artists­-netwerk voor talentontwikkeling.
'Het komt allemaal voort uit de veranderingen in de beroepspraktijk van de schrijver', zegt directeur Frank Tazelaar van Wintertuin. 'Halverwege de jaren nul zagen we veel schrijvers die net waren gedebuteerd of op het punt stonden dat te doen. Zij hadden in economische en artistieke zin behoefte om publiek te vinden. Wij vonden dat we hen daarin konden ondersteunen – via het festival, waar zij eigen dingen konden maken, zonder dat dat een boek hoeft te zijn. Schrijvers denken tegenwoordig veel breder dan alleen een boek als heilig einddoel. Een programma samenstellen hoort er bijvoorbeeld ook bij.'
Daarmee sprong Wintertuin in een gat dat uitgevers lieten vallen. 'Uitgevers investeerden vroeger duurzaam in een auteur. Eerst kreeg hij de kans om bij een literair tijdschrift te groeien, dat heel vaak was ingebed in een uitgeverij. En als daarna zijn debuut niet gigantisch verkocht, was er geen enkele reden om te twijfelen aan het uitgeven van een tweede boek. Uitgeverijen hebben gedwongen door een krimpende markt andere keuzes moeten maken. En dus zijn wij begonnen aan talentontwikkeling: via de opleiding, maar ook via onze chapbooks. Met die uitgaven kan een schrijver een eerste stap zetten in zijn carrière.'
Voor Tazelaar is het vanzelfsprekend dat uitgerekend een literair festival deze rollen van uitgevers overneemt. Wintertuin is een gesubsidieerde instelling. Met behulp daarvan voert de organisatie overheidsbeleid uit, in dit geval: literaire talentontwikkeling. 'Wij verdienen echt niet aan de chapbooks. De energie en kosten om het uit te geven staat in geen verhouding tot de inkomsten. Maar wij kunnen het dankzij de subsidies toch doen. En het heeft effect: steeds meer auteurs die de opleiding aan de ArtEZ hebben gevolgd en bij ons hebben uitgegeven, zitten nu bij een reguliere uitgeverij: van Simone Atangana Bekono tot Lisa Huissoon.'
 
Maar het zijn niet alleen de veranderingen in de beroepspraktijk van schrijvers. Kijk naar Poetry International. Het is niet alleen het oudste bestaande literaire festival van Nederland, dat dit jaar – als het coronavirus het niet had verhinderd – zijn 51e editie zou hebben gevierd. Het is ook het festival met misschien wel het trouwste publiek, vermoedt directeur Inez Boogaarts: de helft van de bezoekers koopt ongezien een kaartje. Waar anders hoor je immers dichters uit de hele wereld? Bovendien is poëzie meer dan andere genres vanzelf geschikt voor het podium. En toch moet ook dit festival met zijn tijd meegaan.
'De afgelopen vijftien jaar is er zo veel gebeurd in de poëziewereld. Woordkunst, spoken word, poetry slams – daar moeten we ons toe verhouden. Tegelijk wordt het minder vanzelfsprekend dat mensen, nadat ze een liefde voor poëzie hebben opgevat, ons festival ontdekken. Het is belangrijker om hen actief te betrekken. Dat kan bijvoorbeeld door de verandering te omarmen dat steeds meer mensen komen voor het festival en de sfeer die daar heerst, en niet altijd in de eerste plaats voor de poëzie.'
Poetry International kiest daarom 'nog meer' voor een multidisciplinaire aanpak, zegt Boogaarts. 'We organiseerden al sinds 1988 de C. Buddingh'-prijs en laten al dertig jaar Rotterdamse vuilniswagens jaarlijks met nieuwe citaten van festivaldichters rondrijden. Dat breiden we steeds uit. Voor onze jubileumeditie in 2019 hadden we een samenwerking met de Last Poets en het Metropole Orkest. Om nieuw publiek te trekken proberen we andere programmavormen uit: van workshops poëzie lezen tot programma's samengesteld door buitenstaanders –mensen met een eigen achterban die we zo kunnen verbinden met Poetry. De komende jaren gaan we absoluut verder op deze weg.'
 
Een festival waar het sterk gegroeide belang om zelf te produceren goed zichtbaar wordt, is Explore the North, dat sinds 2011 jaarlijks plaatsvindt in Leeuwarden. Het werd op de agenda gezet door de lokale ambities om Culturele Hoofdstad van Europa te worden. 'Dan moest er een festival zijn met internationale uitstraling', zegt directeur Mark Hospers. De focus lag op muziek, passend bij de muziekcultuur van de Friese hoofdstad, maar literatuur was net zo belangrijk. Explore the North wilde vanaf het begin nadrukkelijk multidisciplinair zijn.
'Maar het eerste jaar presenteerden we vooral schrijvers op een podium: met voordrachten en interview', zegt Hospers. 'Binnen die context delfden de schrijvers het onderspit naast de muziek. Het was daarom belangrijk dat vanaf 2014 Marleen Nagtegaal en Joost Oomen de programmering deden. Zij organiseerden in Groningen spannende nieuwe dingen waar veel jonge mensen op af kwamen. Zij brachten die stijl mee. Zij bedachten bijvoorbeeld een middag over zelfmoord bovenop de Oldehove-toren. Of een project middenstandsproza, waar schrijvers teksten schreven naar aanleiding van gesprekken met middenstanders, die deze vervolgens zelf voorlazen. Dat gaf een prachtig theatraal effect.'
Eigen producties dus, die elk jaar een groter deel van het programma uitmaken – zoveel dat Explore the North óók een meerjarige subsidie heeft gekregen van het Fonds Podiumkunsten. Hospers: 'Dat zijn vaak experimentele producties, met een hoog gehalte aan spoken word en performance. Dat kan bij uitstek een plek krijgen in de setting van een literaire festival, omdat daar al een groot publiek op de been is. Zij komen voor een aantal blikvangers en kijken dan gretig: wat is er nog meer te zien? Het mooiste zou zijn als we zelfs die blikvangers niet meer nodig hebben en mensen blind een kaartje kopen omdat ze weten dat bij ons altijd iets interessants te ontdekken is. Daar groeien we geleidelijk aan naartoe.'
Vervolgens is het een kleine stap, vindt Hospers, om die producties ook elders te programmeren. Een literair festival trekt immers publiek tot enkele tientallen kilometers in de wijde omtrek. Daarbuiten is men al gauw niet bereid ervoor te reizen. 'Je stelt een keer 2000 euro beschikbaar voor een programma dat een keer bij ons te zien is. Waarom? Met een beetje extra van partners kun je het upgraden tot iets groters. Zeker nu de netwerken tussen literatuur en podiumkunst – de wereld waar ik zelf vandaan kom – nauwer verweven raken, is dat heel interessant. Het festival is zo niet alleen presentatie-, maar ook lanceerplek.'
 
Bij het International Literature Festival Utrecht (ILFU) zie je goed hoe een festival actief nieuw publiek probeert te winnen voor literatuur. Voortgekomen uit een reeks Utrechtse organisaties met een geschiedenis van soms decennia, heeft het ILFU gekozen voor één centraal festival aan het einde van september, dat vanaf nu jaarlijks plaatsvindt. Analoog aan het befaamde Edinburgh Book Festival herbergt Utrecht gedurende twee weken een reeks uiteenlopende evenementen: van de Nacht van de Poëzie en het NK Poetry Slam tot Book Talks gericht op internationale literatuur. Er is nu zelfs ook een fringe programma.
Alle genres versterken elkaar door ze gecombineerd aan te bieden, zegt directeur Michaël Stoker. 'Alle genres, dus ook young adult en thrillers.' Wie voor het NK Poetry Slam kwam, wordt zo sneller verleid ook naar andere programmaonderdelen te kijken als het wordt geprogrammeerd onder de paraplu van het ILFU. 'Tegelijk biedt het ons de ruimte om breder te programmeren en crossover te stimuleren, tot over de grenzen van literatuur. Want verhalen vertellen: dat is ook Netflix; zijn ook podcasts; zijn ook liedjes. Vroeger hadden we het frustrerende gevoel dat we dingen moesten laten liggen.'
Maar er is meer. 'De literaire sector is een driehoek', legt Stoker uit. 'Op de punten heb je de schrijver die literatuur maakt, de uitgever die het publiceert en de boekhandel en bibliotheek die het distribueert. Het festival zit in het midden. En alle spelers in de punten hebben het festival nodig. De schrijver om op te treden en te experimenteren. Een uitgever om nieuwe titels te presenteren. En boekhandel en bibliotheek om hun klanten te vinden. Die behoefte is alleen maar groter geworden nu het boekenvak krimpt. Zo zijn optredens een steeds groter deel van het schrijversinkomen geworden.'
En dat schept een verantwoordelijkheid voor een festival om méér te zijn dan alleen mediator. Aan de ene kant door zelf werk te initiëren, aan de andere kant om ook het publiek aan de hand te nemen in de wereld van de literatur. 'Een van de redenen dat we inzetten op crossover is de ontlezing. Het publiek leest minder. Maar: het publiek consumeert nog wel volop literatuur in andere vormen. Door aan te sluiten bij die vormen, kun je de drempel naar literatuur minder hoog maken. Zo kan je via een hiphopplaylist op Spotify iemand naar spoken word krijgen.'
Een ander voorbeeld is de focus op vertaalde literatuur uit niet-westerse talen. Het ILFU zette in het verleden Chinese, Turkse en Syrische literatuur centraal, dit jaar zou de Marokkaanse literatuur het thema zijn. Stoker: 'Dan kun je niet volstaan met tien schrijvers op een podium zetten. Je moet het publiek ook wegwijs maken in de traditie waarin die auteurs staan, die soms totaal anders is dan wij gewend zijn. Dat doen we door een boek uit te geven en door cursussen te organiseren: een groepje duikt acht weken lang voorafgaand aan het festival in de taal. Voor anderen is er een masterclass – een soort crash course.'
 
In sommige gevallen zijn de activiteiten buiten het centrale evenement zo belangrijk geworden dat je je zelfs kunt afvragen: is dat uithangbord nog wel nodig? Voor Tilt niet meer. Een groep culturele organisaties en schrijvers zette in 2011 voor het eerst een festival in Tilburg neer, omdat zoiets ontbrak in Brabant. Met succes. Toen Tilt subsidie kreeg, werd het in staat gesteld om de werkzaamheden uit te breiden richting talentontwikkeling en residenties. Ook dat werd een succes. Maar nu de organisatie door bezuinigingen bij de provincie wordt gedwongen om keuzes te maken, kiest Tilt ervoor het festival in de huidige vorm te laten vallen – en dus niet de spin-offs ervan.
'Het festival is harstikke leuk,' vertelt directeur Bijke Aarts. 'Voor de ontmoetingen, voor het feestje. Maar eigenlijk is het zonde om zo veel tijd te steken in iets wat toch een relatief klein bereik heeft. Ook als het festival is uitverkocht, komen minder mensen in aanraking met literatuur dan met het Brabants Boek Present waar we in 2019 mee begonnen. De terugkeervan Jeroen Thijssen kende een oplage van meer 10.000 exemplaren en werd in september door 61 Brabantse boekhandels uitgereikt aan iedereen die voor 12,50 euro boeken kocht. Het festival is bovendien alleen in Tilburg, terwijl onze andere programma's de hele provincie bestrijken. Zo deed Dean Bowen een residentie op de Oude Buisse Hei, waar hij een podcast heeft gemaakt. We werkten daarin samen met Natuurmonumenten en bereikten zo heel veel mensen'
Bovendien kan Tilt meer betekenen als broedplaats voor regionaal talent dan als organisator van een evenement. Aarts: 'In Brabant zit sinds het vertrek van De Geus naar Amsterdam geen uitgeverij van betekenis meer. Schrijvers van hier hebben daarom moeite om de stap naar een uitgeverij te maken. Wij kunnen daarbij helpen. Dat bleek toen Bart Smout ons benaderde. De Tilburger was gedebuteerd bij Prometheus, maar kon daar geen tweede boek uitgeven. Hij benaderde ons: of hij bij ons iets kon doen. Wij hebben hem een podium gegeven en vorig jaar kwam zijn nieuwe roman uit – toevallig bij De Geus.'
Tilt biedt op verschillende niveaus talentontwikkeling. Voor jonge talenten is er het project WOLK, voor auteurs die al hun eerste stappen hebben gezet, worden ontmoetingen met redacteuren van uitgeverijen georganiseerd. En: er is nu een residentieproject. 'Vorig jaar hebben we vijf auteurs bij bedrijven ondergebracht. Dat heeft geresulteerd in een verhalenbundel. Het werkt zo twee kanten op: schrijvers krijgen niet alleen een kans, ze laten ook hun licht schijnen op Brabant. De provincie krijgt zo nieuwe literatuur. Die regionale functie is heel belangrijk geworden, zoals je dat ook bij andere organisaties steeds meer ziet.'
 
En Passionate Bulkboek? Voor deze organisatie is Geen Daden Maar Woorden tegenwoordig één van de vele programma's. Sinds de overname van Bulkboek in 2008 heeft het zich volledig gefocust op literair-educatieve projecten – aanvankelijk alleen voor het voortgezet onderwijs, in de afgelopen jaren bereikte het duizenden leerlingen in het vmbo en het mbo, en pabo-studenten. 'We blijven GDMW, en de schrijfwedstrijd Write Now!, vooral organiseren om gevoel te houden met de taal en gewoontes van die generatie, zodat we weten dat onze projecten voor het onderwijs de juiste toon hebben', zegt Van Strien. 'Als wij als leesspecialist de plank misslaan, schieten we ons doel voorbij.'
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, okt 2020)

donderdag 27 februari 2020

Hoe zorgen we ervoor dat Nederlandstalige literatuur de wereld over reist? (Taalunie)

Ieder jaar verschijnen honderden Nederlandstalige boeken verspreid over de hele wereld in vertaling. Hoe krijgt bijvoorbeeld een Vlaamse roman een vertaling in het Tamil, de vijfde taal van India? Dat is te danken aan een collectieve inspanning van alle betrokkenen. Ook de inzet van de Taalunie voor de kwaliteit van vertalingen is essentieel. In dit artikel wordt uitgelegd hoe dat in zijn werk gaat.

Het omslag toont een dampend kopje koffie tegen een zwarte achtergrond. Zo veel is zeker. Maar hoe het boek heet? Wie het heeft geschreven? Het schrift is onmogelijk te ontcijferen voor iemand die behalve het Nederlands hooguit een paar Europese talen kent. Pas bij nadere bestudering blijkt het MisTar juulsuTan oru naaL te heten – de vertaling in het Tamil van De buitenkant van meneer Jules van Diane Broeckhoven, dat in 2014 verscheen bij de Indiase uitgeverij Kalachuvadu Publications.
Hoe komt dit boek in de bibliotheek van beleidsorganisatie Literatuur Vlaanderen terecht? Anders gezegd: Hoe krijgt een Vlaamse roman een vertaling in de vijfde taal van India?

Ieder jaar verschijnen er honderden boeken van Nederlandstalige auteurs in alle denkbare talen. In 2018 waren dat er, voor zover bekend bij het Nederlands Letterenfonds, maar liefst 543. Het gaat om alle mogelijke genres: romans van Arnon Grunberg, kinderboeken van Bart Moeyaert, klassiekers van Willem Elsschot, poëzie van Maria Barnas, theaterteksten van Jan Fabre, strips van Typex, literaire non-fictie van Midas Dekkers. Het gaat ook om 45 verschillende talen: van Afrikaans en Amhaars tot Vietnamees en Zweeds.
De aantallen zijn zo groot dat je zou denken dat al deze boeken vanzelf op nachtkastjes van lezers wereldwijd belanden. Dat is het niet. Het Nederlands is geen wereldtaal zoals Engels, Chinees of Spaans. Zelfs het Tamil kent al 3,5 keer zo veel sprekers. Dat maakt dat als een buitenlandse uitgever al een boek in het Nederlands in handen krijgt, hij onmogelijk de kwaliteit ervan kan beoordelen. Sterker: misschien kan hij niet eens uitvogelen of het een thriller, literaire roman of non-fictie is.

Buitenlandse nieuwsgierigheid naar Nederland en Vlaanderen is er wel, maar de actualiteiten in Washington, Moskou en Beijing zijn in de ogen van de buitenwereld belangrijker dan die in Den Haag of Antwerpen. Ook de gebeurtenissen in pak hem beet Rio de Janeiro of Ankara trekken meer belangstelling. Buitenlandse uitgevers zullen daarom eerder de literatuur uit die taalgebieden willen lezen.
In wetenschappelijke termen: het Nederlands is een perifere taal. De sprekers van het Engels – de meest centrale taal – lezen daarom relatief weinig boeken in vertaling, Nederlandstaligen relatief veel. Om boeken uit het Engels vertaald te krijgen, hoeft daarom geen moeite te worden gedaan. De gretige buitenlandse uitgeverijen kopen de vertaalrechten toch wel. Maar om onze literatuur over de wereld te verspreiden, anders dan via een enkele toevalstreffer, is gericht beleid nodig.

De taak om literatuur over de grens te krijgen, berust van oudsher bij uitgeverijen. Om commerciële redenen promoten zij hun eigen uitgaven bij collega's in het buitenland. Dit deden zij altijd op boekenbeurzen: van de bekendste in Frankfurt (oktober) en Londen (april) tot de kinderboekenbeurs in Bologna (maart). Ook vertalers uit het Nederlands fungeren vaak als handelsreiziger. Zij kennen de Nederlandstalige literatuur, houden er vaak van en willen die dolgraag bekend maken in hun eigen taalgebied.
De gespecialiseerde foreign rights agents, die uitgevers steeds vaker in dienst hebben, en vertalers proberen buitenlandse uitgeverijen te overtuigen met kwaliteit. Zij kennen ook het fonds van deze bedrijven en kunnen daarom inschatten of Herman Koch, Annie M.G. Schmidt of Leonard Nolens daarin past. Maar het is niet het enige argument. Ook hoge verkoopcijfers, gewonnen literaire prijzen en een lokale link wegen door. Kochs vaste Finse uitgever wil om die laatste reden maar wat graag diens Finse dagen hebben.

Het kan echter niet alleen aan de markt worden overgelaten. Nederland kent sinds 1954 de Stichting ter Bevordering van de Vertaling van Nederlands Letterkundig Werk – tegenwoordig opgegaan in het Nederlands Letterenfonds. Vlaanderen werkt het Vlaams Fonds voor de Letteren – tegenwoordig Literatuur Vlaanderen –na incidentele inspanningen sinds 2003 structureel aan buitenlandpromotie. Beide instellingen maken zich hard voor de promotie van de Nederlandstalige literatuur in de breedte. Dus óók klassiekers of moeilijke genres.
Hoe zou anders De Avonden van Gerard Reve vier jaar geleden in het Engels zijn verschenen? En rond dezelfde tijd in nog een handvol talen, zoals Deens, Hebreeuws en Turks? Uitgevers zouden commercieel interessantere titels voorrang geven. Ze zouden misschien ook hebben gedacht: deze roman is té typisch Nederlands. Alleen door een weloverwogen inzet voor deze titel, waagde het Londense Pushkin Press toch de gok. En wat bleek? Britse recensenten lazen in de vertaling van Sam Garrett een klassieker met universele zeggingskracht.

De twee fondsen hebben een scala aan beleidsmiddelen tot hun beschikking. Zij bezoeken beurzen, zoals die van Caïro (februari) en Guadalajara (november). Zij nodigen ook buitenlandse uitgeverijen uit op publishers tours om onze lokale uitgeverijen te leren kennen. Ze maken proefvertalingen (in de taal die de meeste mensen beheersen: het Engels), stellen brochures samen, verlenen prijzen aan vertalers, sturen Nederlandstalige auteurs naar festivals of op promotietour over de hele wereld, enzovoorts.
Het belangrijkste middel is natuurlijk: geld. Beide fondsen stellen translation grants ter beschikking om het economische risico te beperken te beperken om een vaak nog onbekende auteur te vertalen. De subsidie bedraagt maximaal 60% (Vlaanderen) of 70% (Nederland) van de vertaalkosten, maar kan oplopen tot 100% als het om een klassieker gaat. Daar wordt massaal gebruik van gemaakt. Een derde van de 543 vertalingen uit 2018 is gesubsidieerd. Ook Kalachuvadu kreeg destijds steun voor Broeckhoven: 435 euro.

Belangrijk is daarbij dat de vertaling kwaliteit heeft. Hierin speelt de Taalunie een essentiële rol. Dankzij een brede ondersteuning van opleidingen Nederlands wereldwijd draagt de organisatie er in de eerste plaats aan bij dat er overal steeds weer enthousiaste vertalers opstaan. Via het Expertisecentrum Literair Vertalen (ELV), mede door de Taalunie geïnitieerd, wordt geïnvesteerd in talentontwikkeling en deskundigheidsbevordering van deze vertalers. Het ELV organiseert daarvoor onder meer cursussen en studiedagen.
Om de kwaliteit te garanderen, krijgen uitgevers alleen translation grants voor vertalers die garant staan voor een hoog niveau. Een proefvertaling moet dan zijn goedgekeurd door experts. Of ze moet ze op de lijst geaccrediteerde vertalers staan. Eind 2018 ging dat om 690 vertalers, die vertalen naar 33 verschillende talen. Om erop te komen, moeten zij een proefvertaling indienen die – anoniem – wordt beoordeeld door professionele vertalers en/of docenten vertaalwetenschap. Valt de proefvertaling die een uitgever aandraagt tegen, dan dragen de fondsen een andere, wél goedgekeurde vertaler aan.

Anandh Krishna, vertaler van Diane Broeckhoven, staat overigens niet op deze lijst. Waarom? Hij beheerst helemaal geen Nederlands. Hij vertaalde de roman bij gebrek aan vertalers Nederlands-Tamil uit het Engels. En díé vertaling is wel degelijk beoordeeld op kwaliteit. De lezers in het Tamilsprekende deel van India kunnen daarom MisTar juulsuTan oru naaL ter hand nemen in de wetenschap dat ze een getrouwe indruk kunnen krijgen van deze parel van de Nederlandstalige literatuur.

(Eerder gepubliceerd op Taalunie.org, 30 jan en – in Engelse vertaling – op the-low-countries.com)

zaterdag 25 november 2017

Honger naar andermans leven - Waarom de (auto)biografie zo succesvol is

Kijk naar Mijn verhaal van Johan Cruijff – nr. 4 in de top 100 van best verkochte boeken in 2016. Of naar de verkoopcijfers Born to Run van Bruce Springsteen, Thomas Dekkers Mijn gevecht of de herziende editie van Diana. Haar verhaal. En hoe gretig wordt er niet uitgekeken naar de autobiografieën van de Obama's? De Amerikaanse uitgeverij Penguin Random House had maar liefst 65 miljoen dollar over voor de wereldrechten op beide boeken. En dat nadat Barack Obama's Dromen van mijn vader al zo'n hit was.
Levensverhalen worden steeds populairder. Voor een deel komt dat door een groeiende behoefte aan ‘echt gebeurd’ die je alle media terugziet, denkt Eric Palmen, hoofdredacteur van Biografieportaal.nl. “Het loopt gelijk op met de opkomst van bijvoorbeeld reality-tv. Er is een cultuur ontstaan waarin waargebeurde verhalen waardevoller lijken dan verzonnen verhalen. Hoewel dat eigenlijk onzin is: ook een biografie is geschreven vanuit een bepaalde visie en daarom een gefabriceerd verhaal.”
Tel daar de opkomst van een celebrity-cultuur bij op en je begrijpt waarom biografieën en autobiografieën zo'n succesvol genre zijn. Palmen: “Het is vanzelfsprekend geworden om beroemde mensen via sociale media te volgen. En de definitie van wie beroemd is, wordt steeds verder opgerekt. Sluit een groep mensen op in een huis, zet er een camera op en je hebt weer nieuwe beroemdheden naar wie velen nieuwsgierig zijn. De eerste Big Brother-deelnemers schreven trouwens al autobiografieën.”

Voetnoot in de geschiedenis
Ook op een andere manier profiteert de biografie van de toegenomen belangstelling voor non-fictie, zoals geschiedenisboeken. De lotgevallen van een enkel leven is een ideaal prisma om het verleden te begrijpen. Lees over Churchill – zoals het succesvolle De Churchill factor van Boris Johnson – en je snapt meer van de cultuur en veranderingen van het Groot-Brittannië in de eerste helft van de twintigste eeuw, dan welke analytisch boek over politieke afwegingen en maatschappelijke ontwikkelingen je zou kunnen leren.
Er worden dan ook steeds meer biografieën geschreven. Monica Soeting, bestuurslid van de International Auto/Biography Association en biografe van de meisjesboeken-schrijfster Cissy van Marxveldt, herinnert het zich nog goed. “Toen ik begin deze eeuw hoofdredacteur van Biografie Bulletin was, publiceerde dat tijdschrift achterin een lijst van verschenen en te verschijnen biografieën. Daar zijn we op een gegeven moment mee opgehouden. Het viel niet meer bij te benen.”
Vroeger, vertelt Soeting, bestond het idee dat iemand een biografie moest verdienen. Alleen wie echt beroemd of belangrijk was, kreeg een biografie. Dat is helemaal voorbij. Van iedereen over wie een interessant verhaal is te vertellen, wordt het leven geboekstaafd. Ook als die persoon niet meer dan voetnoot in de geschiedenis was. Een mooi voorbeeld is Allene Tew – hoofdpersoon van De Amerikaanse prinses van Annejet van der Zijl. Wie had voor dit boek ooit van deze peettante van prinses Beatrix gehoord?
Er heerst een vrolijke, maar uiterst creatieve anarchie in de wereld van biografen. Soeting: “Alles kan. Biografieën van een stad of familie, zoals de familie-Six. Biografieën die niet het hele leven van begin tot eind beschrijven.” Denk weer aan Annejet van der Zijl: haar biografie van Prins Bernhard houdt op na de Tweede Wereldoorlog. “Ook het idee dat iemand al is geweest, is passé. Over een al gebiografeerd leven kun je een heel ander, maar even interessant verhaal vertellen.”

Het waardevaste medium
Wie liever zijn eigen verhaal vertelt, doet dat steeds makkelijker. In een tijdperk waarin iedereen zich via Twitter en Facebook van zijn beste kant laat zien, wordt een autobiografie niet meer als ijdelheid gezien (al zijn er genoeg beroemdheden die om die reden een biografie afslaan). Gestimuleerd door uitgevers die willen profiteren van het succes van het genre, is het maar kleine stap om naar de pen te grijpen. Bovendien: juist in de kakofonie van sociale media wil iedereen zijn eigen verhaal voor eeuwig vastleggen. Dan is een boek hét waardevaste medium.
Lezers kunnen steeds vaker kiezen uit een biografie of autobiografie over dezelfde persoon, zoals bijvoorbeeld Johan Cruijff. Ze hebben allebei hun voordeel. Een autobiografie geeft de sensatie van nabijheid: de beroemdheid vertelt van binnenuit hoe hij het heeft gedaan of beleefd – al dan niet via een ghostwriter, vaak in het colofon aangeduid als de persoon die de 'redactie' verzorgde. Maar een biograaf kan mythe en waarheid scheiden door ook andere bronnen aan te halen.
Hetzelfde geldt voor geautoriseerde en niet-geautoriseerde biografieën. De eerste heeft als voordeel dat de biograaf beschikking krijgt tot uniek bronnenmateriaal. Hoe goed zou Cees Fasseurs biografie van Koningin Wilhelmina zijn geweest zonder toegang tot het Koninklijk Archief? Maar een niet-geautoriseerde biograaf kan zich makkelijker onafhankelijk opstellen. En die smeuïge biografie schrijven vol gruwelijke waarheden die de gebiografeerde het liefst geheim had gehouden. Zie Eva Roovers recente biografie van Boudewijn Büch, waarin ze de schrijver/presentator haarfijn ontmaskert.

Nooit te dik
Uiteindelijk maakt het niet uit wat voor soort (auto)biografie je het beste open kunt slaan, vinden Palmen en Soeting. In elk type geeft iemand een visie op het leven zelf. “Eigenlijk zijn er alleen goede en slechte biografieën”, zegt Palmen. “In een slechte biografie presenteert iemand alleen de bronnen of de feiten zonder die in een context te plaatsen. In een goede biografie doet de schrijver dat wél – of hij dat nu over zijn eigen leven of dat van een ander doet. Hij laat zien waarom Harry Mulisch een mythe van zichzelf maakte. Of hoe een tijdperk of locatie een leven heeft gevormd. Elke visie is goed, zolang de biograaf maar een verhaal wil vertellen.”
Daarom kan een biografie nooit te dik zijn – dé klacht die altijd terugkeert over biografieën, dit najaar ongetwijfeld ook over de langverwachte Wolkers-biografie van Onno Blom (1168 pagina's!). Soeting: “Over een roman zeg je toch ook nooit dat hij te dik is? Als er maar een heldere visie is, die doordacht wordt uitgewerkt. Alleen als je de feiten krijgt zonder enige interpretatie is een tekst al snel te lang. Niet voor niets leest niemand een Wikipedia-lemma van a tot z.”

De favoriete biografie van Eric Palmen
Andreas Burnier. Metselaar van de wereld van Elizabeth Lockhorn. “Het is geschreven uit bewondering voor deze schrijfster/criminologe, maar absoluut geen hagiografie. Je krijgt een fantastisch perspectief op een joods meisje dat de oorlog overleeft via zestien onderduikadressen om te ontdekken dat ze in een verkeerd lichaam zit, de jaren vijftig in kroegen verprutst om daarna een boegbeeld van de homo-emancipatie te worden.”

De favoriete biografie van Monica Soeting
De drie tegelijk verschenen biografieën van koningen Willem I, Willem II en Willem III. “Deze drie biografen plaatsen hun levens zo goed in een context dat het als een eyeopener werkt. Zo begrijp je heel goed dat de Nassau's functioneerde als Europese adellijke familie voor wie het niets uitmaakt wélk land ze hebben, Polen of Nederland, maar in de loop van de 19e eeuw gedwongen steeds nationaler worden. En alle drie geweldig geschreven.”

De bestverkochte (auto)biografieën van 2016
1. Mijn verhaal - Johan Cruijff
3. De Amerikaanse prinses - Annejet van der Zijl
4. Thomas Dekker. Mijn gevecht - Thijs Zonneveld
5. Juliana - Jolande Withuis
(Eerder verschenen in Present, het krantenmagazine van boekhandel Paagman in Den Haag)

donderdag 10 november 2016

Is een renaissance voor de Afrikaanse literatuur in Nederland mogelijk? (Boekblad)

De Afrikaanse literatuur heeft iets wat je in Nederlandse romans en verhalen zelden tegenkomt, vindt Rob van der Veer. Geen wonder dus dat de vertaler Engels er volledig door werd gegrepen toen hij besloot ook vertaler Afrikaans te worden en een tijd alleen nog literatuur in deze taal las. Hij noemt zich zelfs 'geobsedeerd'. Hij verslond alles wat het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam hem te bieden had. En dat is veel. De bibliotheek heeft de grootste collectie Afrikaanse literatuur in Europa.
'Het is een schitterend leeg land waarin de ruimte vaak een hoofdrol speelt', somt Van der Veer op. 'Zuid-Afrika heeft gezien zijn ligging ook lange tijd iets van een eiland gehad. Dat heeft geleid tot bijzondere literaire vormen en stijlen, zoals ook Nieuw-Zeeland als eiland een unieke flora en fauna heeft. En, ten derde, de talrijke conflictsituaties geven de literatuur veel dynamiek. Conflicten rond huidskleur, ook nu nog. Conflicten door de kloof tussen arm en rijk. De criminaliteit.'
Het zijn argumenten die ook andere liefhebbers van Afrikaanse literatuur noemen. 'Afrikaanse literatuur behandelt problemen als identiteit of het hebben van een dak boven je hoofd heel concreet. Nederlandse literatuur onderzoekt dat abstracter en filosofischer', zegt vertaalster en agente Ingrid Glorie. 'In een tijd van spanningen rond religie en immigratie is het verschrikkelijk relevant om te lezen hoe die onderwerpen leven in Zuid-Afrika,' meent uitgever Joost Nijsen van Podium.

Toch is de Afrikaanse literatuur weinig bekend in Nederland. André Brink, Ingrid Jonker, Elisabeth Eybers – slechts een paar grote namen uit het recente verleden doen een belletje rinkelen. Net als die van nog levende auteurs als Breyten Breytenbach, Etienne van Heerden, Marlene van Niekerk, Antjie Krog, Riana Schepers en natuurlijk thrillerauteur Deon Meyer. Maar verder? Er verschijnen hooguit tien titels in vertaling per jaar. Bestsellers zijn het zelden.
De tweejaarlijkse Week van de Afrikaanse roman moet daar verandering in brengen. Van 16 tot en met 25 september vindt de tweede editie plaats. Zes schrijvers treden in die periode op verschillende plaatsen in Nederland en Vlaanderen op. De grote ster is Marlene van Niekerk. De anderen zijn François Smith, Marita van der Vyver, Ena Jansen, Simon Bruinders en Lien Botha. Alleen de eerste twee zijn al vertaald in het Nederlands. Van Jansen en Bruinders verschijnt werk tijdens de Week.
Glorie is de motor achter het evenement. 'Het idee ontstond toen uitgeverij Mozaïek Irma Joubert naar Nederland haalde. Zij is ontzettend populair bij haar christelijke achterban. Zij is, zoals zo veel Afrikanen, een geweldige verteller en verkoopt tienduizenden exemplaren van haar werk. Alleen: buiten dat circuit heeft niemand ooit van haar gehoord. Mozaïek wilde graag een brug slaan naar de algemene boekhandel. Toen hebben we ook andere auteurs, als Van Heerden, uitgenodigd.'

Op het eerste gezicht lijkt het gebrek aan belangstelling voor de Afrikaanse literatuur vreemd. Nederland heeft toch veel nauwere banden met het land dan met, zeg, Bulgarije of IJsland? Sinds Jan van Riebeeck in 1652 een nederzetting stichtte in de Tafelbaai had Nederland anderhalve eeuw een kolonie in Zuid-Afrika. Ook daarna, tijdens de Boerenoorlogen (1880-1881 en 1899-1902) en het Apartheidsregime, werd het nieuws uit het land altijd op de voet gevolgd.
Het Afrikaans ontstond uit de taal die ooit op de VOC-schepen werd gesproken. Dat was al een verbasterd Nederlands, door de vele Duitsers en Scandinaviërs aan boord. Maar ook al is de taal sindsdien beïnvloed door de inheemse talen van de oorspronkelijke bewoners, het Maleis van slaven uit Nederlands-Indië en het Engels – de woordenschat van het Afrikaans komt nog altijd voor zeventig procent overeen met het Nederlands. Afrikaanssprekenden zijn daarom, met enige moeite, zonder tolken goed te volgen.
Glorie en Van der Veer ontkennen de banden niet. 'Maar in de praktijk is het een klein groepje dat zich door taal en geschiedenis laat leiden', zegt de laatste. 'Bovendien lees je geen literatuur om iets te leren, maar omdat de boeken je grijpen. Het moet gewoon goede literatuur zijn.' Alleen Nijsen denkt dat de taalkundige en historische verbindingen lezers prikkelen. Zeker bij poëzie. 'Bij Podium geven we tweetalige poëzie uit: Krog, Jonker, Ronelda Kamfer. Dat loopt goed omdat mensen het Nederlands met het Afrikaans kunnen en willen vergelijken.'
Daar komt bij dat promotoren van Afrikaanse literatuur de potentieel geïnteresseerden liever niet wijzen op de verwantschap. Ten tijde van de Boerenoorlogen voelde iedere Nederlander zich bloedbroeder van de voor hun eigen staat strijdende Boeren. Tegenwoordig beland je al snel in een nationalistisch kamp van iemand als PVV-politicus Martin Bosma, die zich omwille van de verwantschap al jaren inzet voor het Afrikaans. Glorie: 'In die sfeer willen we de Week niet trekken.'

In de jaren 1990 kende de Afrikaanse literatuur nog een hausse. De culturele boycot werd opgeheven, waardoor een gevoel ontstond: wat hebben we in Nederland allemaal gemist? Riet de Jong-Goossens werd na haar debuut als vertaalster in 1988 zeer actief. En ambassadeurs zetten zich in voor de taal: Gerrit Komrij met zijn bloemlezing en vertalingen van Afrikaanse poëzie, de in Zuid-Afrika opgegroeide Henk van Woerden als documentairemaker en adviseur van Winternachten.
'Alles zat mee', zegt Glorie. 'Het was ook de tijd van Nelson Mandela. Zijn regenboognatie riep heel veel positieve gevoelens op. Dat is allemaal verdwenen. Komrij en Van Woerden zijn overleden. Uitgevers die zich gretig op de markt stortten werden huiverig toen ze ontdekten dat de vertaalde romans niet zó goed verkochten. En Zuid-Afrika werd – met alle berichtgeving over criminaliteit en corruptie – langzaam een land als andere landen.'
Zo is de Afrikaanse literatuur afhankelijk geworden van een enkele uitgever 'die het weer eens probeert', zegt Van der Veer. Zoals Brevier, die kort na elkaar drie romans van Karel Schoeman uitgaf: Dit leven, Het uur van de engel en Verliesfontein – alle vertaald door Van der Veer. 'Ik vind het dapper van ze. En terecht: de magistrale Schoeman is niet voor niets Nobelprijskandidaat. Maar het risico is dat ook Brevier er snel mee ophoudt als blijkt dat het minder goed loopt dan gehoopt.'
Op steun van Zuid-Afrika hoeft niemand te rekenen. De tijd dat de overheid het Afrikaans grootschalig ondersteunde en promootte, omdat het de taal van een groot deel van de heersende blanke klasse was, is met het einde van de Apartheid voorbij. Het is nu een van de 11 officiële talen, gesproken door circa zeven miljoen mensen. Als de regering al zou overwegen vertaalsubsidies in te stellen, zou het in alle talen geld moeten steken. Alleen daarom al is het momenteel ondenkbaar dat het ooit gebeurt.

Er is maar een uitgeverij die al langere tijd structureel Afrikaanse literatuur uitgeeft: Podium. Dankzij fondsauteur Henk van Woerden raakte Nijsen geïnteresseerd. 'Hij wees me op Ingrid Jonker. Dat heb ik lange tijd niet willen doen. Tot ik haar daadwerkelijk las en we Ik herhaal je uitgaven. Langzaam kom je dan in een netwerk terecht, waardoor je weer andere dingen krijgt aangeboden. Vanuit Zuid-Afrika ervaar ik veel dankbaarheid dat ik me zo serieus voor hun literatuur inzet.'
Hij geeft toe dat Afrikaanse literatuur mondjesmaat verkoopt – op Jonker en Krog na. Een Zuid-Afrikaanse bibliotheek moest hij om die reden na vier van de geplande tien delen staken. De recente briefwisseling tussen Jonker en Brink is tot Nijsens verbazing ondanks zeer lovende recensies niet aan herdruk toe. Het publiek voor Breytenbach, ooit een icoon van de anti-Apartheidstrijd, is sterk gekrompen. Maar Podium gaat door. In 2017 volgen vertalingen van poëzie van Kamfer en Breytenbach en een roman van Willem Anker.
Nijsen: 'Eigenlijk heb je een megaseller als Honderd jaar eenzaamheid nodig, die in de jaren zeventig en tachtig als een magneet werkte voor de Latijns-Amerikaanse literatuur. Hopelijk wordt Buys van Willem Anker, onze grote titel van volgend jaar, die bestseller. Het is een soort Wieringa – door de stijl – meets Rosenboom, omdat het een historische roman is over de zeer spraakmakende Coenraad de Buys. Karina van Santen en Rob van der Veer vertalen het voor ons.'

Maar ook zonder megaseller zijn de tekenen gunstig. De Jong-Goossens heeft niet langer het monopolie als vertaalster. Er zijn nieuwe namen bijgekomen, zoals ook Martine Vosmaer en Dorien de Vries. Er zijn nog altijd prominente ambassadeurs voor het Afrikaans zoals Adriaan van Dis en Tom Lanoye, die meewerken aan de Week van de Afrikaanse roman. En Bieke van Aggelen heeft zich als agent in Johannesburg gevestigd om Zuid-Afrikaanse literatuur in al haar officiële talen onder de aandacht van uitgevers te brengen.
Bovendien heeft het einde van de Apartheid gezorgd voor een nieuwe dynamiek in de literatuur. Er ontstond ruimte voor nieuwe thema's – al blijft de verwerking van het verleden een belangrijk thema. En belangrijker: er ontstond ruimte voor andere stemmen. Afrikaans wordt ook gesproken door arme, bruine mensen die een podium voor zich opeisen. Kamfer is tot nu toe de enige representant van deze groep die is vertaald, maar er zullen onherroepelijk meer volgen.

En dan is er nog de Week van de Afrikaanse roman – die volgens Nijsen, zeker gezien het gebrek aan middelen, 'heel belangrijk missiewerk verricht, vooral dankzij Ingrid Glorie, die onvermoeibaar knokt voor Afrikaanse literatuur'. De doelstellingen zijn misschien bescheiden, dankzij de week maken toch een aantal lezers voor het eerst kennis met deze literatuur. 'Alleen al de ontdekking dat je Afrikaans kunt verstaan, kan al zo'n eyeopener zijn om eens wat te gaan lezen', aldus Glorie.
(Eerder verschenen in Boekblad magazine sep 2016)

Zie ook:

woensdag 5 oktober 2016

Hanya Yanagihara: de lezer als 'zij'

Iedereen weet: de overweldigende meerderheid van lezers is vrouw. Toch is lezer een mannelijk woord. Je verwijst naar 'lezer' met 'hij'. Ook in het Engels. Maar Hanya Yanagihara – gisteren tijdens een openbaar interview op het onvolprezen Borderkitchen – sprak consequent over de lezer als 'zij'.
Waarom? De interviewer (die eerder zijn vragenlijstje afwerkte dan echt naar haar te luisteren) zei er niets over, daarom vroeg ik er na afloop van het gesprek zelf naar. Omdat ik zelf de lezer ben, zei ze. Maar had de schrijfster, gewend als ze is om de taal te modelleren naar haar wereldbeeld, zichzelf dan op enig punt moeten dwingen over te stappen van 'hij' naar 'zij'? Nee hoor, ze deed het altijd al. En de [Amerikaanse] president zou ze binnenkort ook een 'zij' noemen.
Het was een zelfverzekerde reactie die paste bij Yanagihara's sterke persoonlijkheid. Daar getuigde haar weigering van om voor te lezen uit haar roman. Voorlezen was niet haar talent. Maar dan kunnen we het ritme van de schrijver zelf horen, probeerde de interviewer nog. Nee, zij had geen ritme. Ze wilde niet, ze ging het niet doen.
Het sprak nog meer uit wat ze vertelde over het omslagbeeld. Ze had blijkbaar slechts een bescheiden voorschot gekregen van Doubleday. Maar in plaats van blij te zijn dat ten minste iemand haar boek wilde publiceren, dreigde ze maandenlang het terug te trekken als de foto van Peter Hujar niet op het omslag kwam. Net zo lang tot de uitgeverij toegaf. En daarna bij de vertaalrechten hetzelfde verhaal: alleen als de Orgasmic man op het omslag kwam, waren de rechten te koop.
Voor Yanagihara geeft de foto goed de sfeer van het boek weer, omdat je niet ziet of de man pijn lijdt of genot beleeft, maar hoe dan ook een intens moment doormaakt. Dat alle uitgevers het een vreselijke foto vinden die de verkoop bepaald niet zou bevorderen, kon haar niets schelen.