Posts tonen met het label recensie non-fictie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie non-fictie. Alle posts tonen

donderdag 24 december 2020

recensie: Gerrit Komrij, 'De ultieme vergaarbak' (Athenaeum)


Hoe langer Gerrit Komrij dood is, hoe meer er van zijn teksten alleen het taalplezier overblijft. Gelukkig blijkt uit De ultieme vergaarbak hoe fris dat nog altijd is.
 

'Van alle kwade sappen', schrijft Gerrit Komij, 'is de walging de ultieme vergaarbak'. De bloemlezing columns, essays en gedichten van de in 2012 overleden taalvirtuoos, die als zevende deel is verschenen in de fraaie reeks Gedundrukt door Van Oorschot, heet De ultieme vergaarbak. Je vraagt je daardoor onwillekeurig af: is walging de overheersende emotie waarmee al die stukken zijn geschreven? Zeker, Komrij had een pot vitriool op zijn bureau staan waarin hij dagelijks zijn pen doopte voor hij zijn afkeer van politici, koopmannen en andere kleingeestigen beleed. Maar walging? Ook na herlezing van deze hoogtepunten blijft je vooral het plezier bij waarmee hij iedereen tot de grond toe afbrandde.

 

Neem het gedicht 'De Kalverstraat' – Komrij's pastiche van J.C. Bloems 'De Dapperstraat', waarmee hij de cultuurhaat van de typische middenstander hekelt. Als je dat leest, krijg je toch geen van afschuw en aversie briesende auteur voor ogen, maar een sardonisch lachende schrijver die geniet van zijn eigen vondsten?

 

Cultuur is om m'n reet mee af te vegen.

En dan: wat is cultuur nog in dit land?

Een steekje los, een stukje in de krant,

Gekeuvel met wat prietpraatjes ertegen.

 

Achter de titel De ultieme vergaarbak moet je daarom niet meer zoeken dan wat er staat. De bloemlezing is een ruim driehonderd pagina's tellende 'vergaarbak' van ongelijksoortige stukken. En hij is 'ultiem' omdat de samenstellers – anonieme medewerkers van de uitgeverij – de pretentie hebben dat hierin het beste bij elkaar is gebracht. De titel heeft wel een ironische ondertoon, waarvan ik vermoed dat Komrij die had kunnen waarderen. Dat juist een bundeling in een reeks die 'kleine' auteurs als Simon Carmiggelt, Godfried Bomans en Annie M.G. Schmidt wil eren, als de 'ultieme' grafzerk op zijn oeuvre wordt beschouwd.

 

Of is de walging belangrijker dan ik denk? Omdat de bundel je dwingt om voorbij de aangesneden kwesties te kijken en je aandacht volledig te richten op Komrij's taalgenot? Veel stukken richten zich namelijk op thema's waar nog altijd iets zinnigs over te zeggen valt. Christelijke politiek, bijvoorbeeld. Maar ze zijn gedrenkt in een actualiteit die, wel, niet actueel meer is. In genoemd stuk vallen bijvoorbeeld namen als Erik Jurgens, bisschop Ernst, de KVP. Die zijn van het podium verdwenen, dood, opgeheven. Dat geeft Komrij's aanval iets tandeloos. Ook in zijn kraakrecensie van Huub Oosterhuis vallen direct namen als Martien Beversluis en Gabriël Smit. Eh... Wie? (Ik weet het wel, maar de namen roepen geen enkele associatie op.)

 

Zo blijft vanzelf de stilistische brille en het retorische meesterschap als enig criterium over. Het is zoals je in het Rijksmuseum naar 'De bedreigde zwaan' van Jan Asselijn kijkt. Het is bekend dat het een allegorie is op de politieke situatie rond 1650. Op verschillende plekken staan toelichtende teksten zoals 'de raad=pensionaris' onder de zwaan en 'holland' op een van de eieren in het nest. Maar je ziet vooral de emotie in de zwaan, het na 370 jaar nog altijd even fraai blinkende wit, de heldere compositie. De betekenis doet er in zijn geheel niet toe. Johan de Witt zal zich bedreigd voelen, nou, oké.

 

Gelukkig oogt het taalspel vaak nog even fris als bij de eerste druk in een krant of tijdschrift. De reikwijdte van zijn woordenschat, de puntigheid van formulering, de soepelheid van zijn zinnen, die tezamen een spervuur van speldenprikken en uithalen veroorzaken – het is nog steeds heerlijk om te lezen. Ook al kun je soms nauwelijks uit het stuk zelf afleiden waarom Komrij zich zo opwond, zoals in 'Waar zijn de Vijftigers gebleven?' (de dichters hadden een rechtszaak tegen zijn bloemlezing aangespannen), de manier waarop hij daar uiting aan geeft, doet je het stuk gerust twee of drie keer herlezen.

 

Als de Vijftigers eens met een stel tegelijk een lift zouden binnenstappen, hoefde er niemand op de knoppen te drukken. Door hun eigen winderigheid en ijlheid stegen ze als vanzelf omhoog. Ze zouden door het dak rechtstreeks de vergetelheid in schieten. Daarom dragen ze nu, om zichzelf gewicht te verlenen, medailles op hun borst, lauwerkransen op hun hoofd en staatsoorkondes onder hun arm. Ach, als ze zó een lift zouden binnenstappen, zakten ze prompt in het keldergat.

 

Toch is Komrij's spijtige maar onvermijdelijke metamorfose van spraakmakend essayist in icoon uit de laat-twintigste eeuwse literatuurgeschiedenis, nog niet voltooid. Dat blijkt bij een stuk als 'Eva in de frigidaire'. Het is erg pijnlijk om te lezen hoe Komrij het opneemt voor twee directeuren die zijn veroordeeld tot het betalen van smartengeld aan een voormalige typiste wegens ongewenste intimiteiten. Was het echt zo erg, hoont Komrij, dat ze hadden gesuggereerd dat het haar carrière ten goede zou komen als ze met hen naar bed was gegaan? Het is toch sympathiek dat ze lieten blijken graag haar te kijken en haar tot iets beters in staat achten dan wezenloos brieven tikken?

 

Op zulke momenten kun je maar het beste hopen dat het niet te lang meer duurt voor we naar als stukken als deze kijken met een historische blik. 'O ja, zo dacht men toen.' Maar ook dan is het te hopen dat er af en toe bloemlezingen verschijnen zoals De ultieme vergaarbak.

(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 21 dec)

woensdag 6 mei 2020

Paolo Giordano, 'In tijden van besmetting' (Bibliotheekblad)

De Italiaanse bestsellerauteur Paolo Giordano komt als eerste met een boek over het coronavirus. Te snel? In tijden van besmetting is een tijdloze oproep aan de mens om voorzichtig om te gaan met de planeet waarop hij woont.

Het tijdperk van besmetting is al decennia geleden begonnen

Als er een beroepsgroep gewend is om in afzondering te werken, zijn het wel schrijvers. Zij zullen zich wellicht het makkelijkst kunnen aanpassen aan de verplichte quarantaine waarin regeringen wereldwijd hun bevolking toe verplichten. Bovendien roept het coronavirus zo veel emoties op dat veel schrijvers het gevoel zullen hebben dat zij een panklaar onderwerp krijgen aangereikt.
Of zoals de Italiaanse romancier Paolo Giordano noteert: 'Ik heb besloten deze [onverwachte] leegte [in mijn agenda] te gebruiken om te schrijven. Om mijn bange voorgevoelens in bedwang te houden en een betere manier te vinden om over dit alles na te denken. Soms kan schrijven dienen als ballast om met beide benen op de grond te blijven staan.'

Bibliotheken zullen dus na heropening snel een paar kasten kunnen reserveren voor een hausse aan boeken – romans, non-fictie, kinderboeken enzovoorts – over corona, die door de wereldwijde impact van het virus de golf aan boeken over bijvoorbeeld 9/11 ver zal overtreffen. Alleen de impact van de Tweede Wereldoorlog op de boekproductie zal wel altijd onovertroffen blijven.
Er kan er echter maar één de eerste zijn. En dat is Giordano, die het afgelopen decennium wereldwijde roem vergaarde met romans als De eenzaamheid van de priemgetallen, Het menselijk lichaam en De hemel verslinden. Begin april verscheen zijn korte beschouwing In tijden van besmetting, tachtig pagina's slechts, in Nederlandse vertaling bij De Bezige Bij.

De eerste vraag is natuurlijk: is dat niet te vroeg? De Italiaan schreef zijn essay, blijkens enkele zijdelingse opmerkingen, in de eerste week van maart. In die periode was Noord-Italië sinds kort een brandhaard, legde de Italiaanse regering de eerste beperkende maatregelen op en waren in Nederland slechts een handvol bevestigde gevallen bekend. De pandemie stond aan het zeer prille begin.
Het doet er niet toe, schrijft Giordano zelf. Het gaat hem om iets anders: de reden waarom een onzichtbaar virus juist nu toeslaat en waarom iets vergelijkbaars in de nabije toekomst vaker zal voorkomen. En wat dat van de samenleving vraagt – niet alleen in deze fase waarin iedereen met social distancing moet bijdragen aan het afremmen van virus, maar ook op de lange termijn.

Hij begint weliswaar met een korte uitleg van wat de meeste mensen inmiddels hebben bijgeleerd. Wat R0is bijvoorbeeld. Hoe belangrijk het is dat deze reproductieratio onder de één blijft om de verspreiding van het virus tot stilstand te brengen. Of het belang om zo veel mogelijk thuis te blijven. Ook uit de wiskundige modellen waarmee de auteur vertrouwd is, blijkt dat je daarmee de meeste mensen redt.
Maar al gauw maakt Giordano zijn centrale punt: deze pandemie is niet zo uniek als we geneigd zijn te denken. De mens, redeneert hij, heeft zo fundamenteel ingegrepen in de natuur dat nieuwe bacteriën, protozoën en schimmels veel sneller de kans krijgen om ziekte te veroorzaken. Dankzij het globale netwerk dat wij hebben opgericht, kunnen ze bovendien makkelijk met ons mee reizen.

Kijk ook verder dan alleen naar onszelf. Neem de olijfbomen in Apulië waar de auteur in zijn jeugd zo van hield. Twintig jaar later waren ze allemaal gedood door de Xylella fastidiosa, die zich dankzij de klimaatverandering steeds eenvoudiger over de wereld kan verspreiden. Ook dat is een pandemie die door de mens is veroorzaakt en even radicaal moeten worden bestreden als Covid-19.
Als Giordano een essay schrijft onder de titel In tijden van besmetting doelt hij dan ook niet op deze maanden waarin we verschanst in ons eigen huis wachten op de komst van het verlossende vaccin. Voor hem zijn deze tijden al decennia aan de gang. En zullen ze ook decennia blijven duren als we deze pandemie niet als wake up-call zien. Die boodschap is even tijdloos als helder verwoord.
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad apr 2020)

donderdag 5 maart 2020

Recensie: Matilda Gustavsson, 'Het bolwerk' (Athenaeum)

Het gesloten fort waarbinnen men zich onaantastbaar waant

Waarom kon Jean-Claude Arnault zo lang vrouwen misbruiken? En waarom sleepte de cultuurpaus bijna de Zweedse Academie mee in zijn val? In Het bolwerk zet Matilda Gustavsson helder en slim het gecompliceerde #MeToo-verhaal rond de Nobelprijs voor de literatuur uiteen.

Jean-Claude Arnault is – helaas – geen uitzondering. De artistiek leider van Forum, hét culturele podium van Stockholm, vergreep zich decennialang aan vrouwen. Jonge stagiaires, optredende artiesten of domweg bezoeksters op wie de geboren Fransman zijn oog had laten vallen. Hij zette alle manipulatietechnieken in om zijn seksuele lust door te drijven. Anders drogeerde hij zijn slachtoffers wel. Het is walgelijk en misdadig. Maar hij was niet slechter dan die andere mannen die zich onaantastbaar waanden en die in de nasleep van #MeToo ten val werden gebracht.
Dat deze verkrachter in een uithoek van Europa desondanks de wereldpers haalde, dankte hij aan zijn voornaamste subsidiegever: de Zweedse Academie, waar zijn echtgenote – de dichteres Katarina Frostenson – al een kwart eeuw lid van was. Omdat deze eerbiedwaardige instelling, in 1786 door koning Gustaaf III opgericht om 'de zuiverheid, kracht en verhevenheid van de Zweedse taal' te bewaken, de Nobelprijs voor literatuur toekent, zijn alle ogen van de wereld op de instelling gericht zodra er een schandaal uitbreekt.

De opgeschorte prijs

En schandaal was er. Toen Arnault in november 2017 publiekelijk werd beschuldigd, kon de Zweedse Academie – die Forum ook subsidies had verstrekt – niet anders dan bij zichzelf te rade gaan. Wat wisten wij? Zijn we de fout ingegaan? Wat betekent dit voor de toekomst? De discussie daarover leidde tot intern conflict. Een handvol leden, ooit voor het leven benoemd, stapte woedend op. En toen de Academie conclusies had getrokken, bleken die zo onbevredigend voor de Nobelstichting, dat die daarop besloot de uitreiking van 's werelds prestigieuste literaire prijs op te schorten.
 De affaire-Arnault kwam aan het licht dankzij de destijds 30-jarige journaliste Matilda Gustavsson, verbonden aan de cultuurredactie van Dagens Nyheter. Aangespoord door de berichtgeving over filmproducent Harvey Weinstein, waarmee seksueel geweld tegen vrouwen voor het eerst prominent op de journalistieke agenda belandde, besloot ze enkele geruchten uit de Zweedse culturele wereld na te trekken. Dat onderzoek nam al gauw ongekende proporties aan. Uiteindelijk vond ze achttien vrouwen bereid tegen Arnault te getuigen.

Niet voor niets

In Het bolwerk heeft Gustavsson nauwgezet verslag gedaan van haar onderzoek. Ze beschrijft hoe #MeToo haar aan het denken heeft gezet , het eerste contact met de slachtoffers, de gevoelens van ongemak om onbekenden zulke emotionele vragen te stellen, de angst als ze een vernissage bij Forum bezoekt. En zo door tot aan de publicatie, gevolgd door de opluchting als blijkt dat de vrouwen worden geloofd en het nieuws daadwerkelijk opschudding veroorzaakt. Het was allemaal niet voor niets geweest.
Gustavsson heeft dat verhaal buitengewoon goed verpakt. Ze bouwt haar verhaal zorgvuldig op, zonder het risico te lopen de lezer te vervelen met nog een keer een soortgelijk verhaal van het volgende slachtoffer. Ze reflecteert op de betekenis van de affaire en haar eigen rol daarin. Ze slaat nergens een veroordelende toon aan, maar blijft nuchter en helder – ook als ze aantoont dat Arnault en Frostenson subsidies verduisterden en kunstwerken stalen. En ze plaatst Arnault en zijn entourage in een duidelijk verband, zodat ook wie weinig afweet van de Zweedse literaire wereld hem goed kan plaatsen.

De club

Toch is het #MeToo-verhaal in wezen het minst interessante aspect van het boek, dat slechts enkele maanden na de publicatie in Zweden al in vertaling uitkomt. Zoals gezegd: het verhaal van Arnault onderscheidt zich op hoofdlijnen niet van dat van Weinstein, comedian Bill Cosby of tv-baas Roger Ailes. Hij was de zoveelste man die zijn macht, zijn invloed en het aura van de culturele wereld inzette om ambitieuze, vaak onzekere jongere vrouwen te misbruiken én daarna het stilzwijgen op te leggen.
Gustavsson lijkt zich daarvan bewust te zijn geweest. Kijk naar de titel: Het bolwerk verwijst niet naar Arnault als individuele misdadiger, maar direct naar de Zweedse Academie. Het zet de instelling neer als een gesloten fort waarbinnen iedereen kan doen waar hij zich gemachtigd toe voelt. In het Zweeds werkt het nog beter: Klubben – ofwel 'De club'. Die titel verwijst niet alleen naar de Academie, maar breder naar het informele netwerk van de culturele jetset die onderling sterk bevriend was en geneigd was af te geven op de buitenwereld. Ook die context verschafte Arnault een vrijbrief. Die 'clubcultuur' laten zien is het belangrijkste.

De burgerlijke buitenwereld

Zelf heeft Gustavsson weinig te maken gehad met de nasleep. Het follow up-nieuws werd verzorgd door collega's. Ze had alleen sporadisch contact met toenmalig permanent secretaris van de Zweedse Academie Sara Danius. Later heeft ze, vermoedelijk speciaal voor dit boek, enkele Academieleden geïnterviewd – zoals de schrijver Horace Engdahl, die vanwege zijn meer dan dertig jaar durende gevoelens van vriendschap voor Arnault en Frostenson tot in het absurde blijft geloven in hun onschuld. Het zou allemaal een complot zijn van de burgerlijke buitenwereld die het niet heeft op 'opvallende' mensen.
 Gustavsson heeft wel zo goed mogelijk het conflict binnen de Academie uit de doeken gedaan. En vooral: waarom de leden Arnault niet eensluidend veroordeelden. Daarin zit de grootste meerwaarde van Het bolwerk in de kleine hausse aan journalistieke #MeToo-boeken. Ze slaagt erin de kaders bloot te leggen die misbruik mogelijk maken. Niet alleen seksueel, ook financieel. De Zweedse Academie hoeft traditioneel als koninklijke instelling geen verantwoording af te leggen over de honderdduizenden kronen die het jaarlijkse uitdeelt. En dat in een sector waar, nog meer dan in Nederland, niemand geld heeft.
Dat zet je toch aan het denken.

(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl) 

dinsdag 24 december 2019

Recensie: 'Denkend aan Donner' – schrijven over hun boekhandel (Boekblad)

Ter gelegenheid van de heropening vroeg Donner schrijvers om een ode aan het lezen. Dankzij de brede opzet is Denkend aan Donner een ware schatkist geworden, waar iedere liefhebber van boekhandels van kan smullen.
  
Hoe komen wetenschappers aan hun boeken? Denk er eens een momentje over na. Je komt al snel tot de conclusie: via internet. Een academicus stelt een literatuurlijst van boeken rondom zijn thema samen, zet die online in zijn winkelmandje, afrekenen, klaar. Waarom zou hij naar de fysieke boekhandel gaan – anders dan om privéredenen: een cadeautje voor zijn partner, een boek voor op vakantie?
En toch begint iedere nieuwe studie van de filosoof Hans Achterhuis in de boekhandel. De kiem van zijn studie Met alle geweld (2008) lag bij de vondst van een fascinerend boek bij boekhandel Peeters in Leuven. En ook nadat hij besloot onderzoek te gaan doen naar het thema geweld, weigerde hij het systematisch aan te pakken. Nee, hij bleef boekhandels bezoeken – zoals de in filosofie gespecialiseerde Librairie Vrin te Parijs – om alles te kopen wat er toevallig over het onderwerp voorradig was.
Is dat efficiënt? Natuurlijk niet, Achterhuis geeft het onmiddellijk toe. Door zijn methode heeft hij boeken aangeschaft waar hij niets aan bleek te hebben. Maar 'de vreugde van de toevallige vondst' vergoedde veel, 'de verrassing van een onverwachte tekst die daar speciaal voor mij lag'. Sterker: zonder die ene vondst bij Peeters zou er niet zo'n persoonlijke betrokkenheid in Met alle geweld doorklinken, is zijn overtuiging.

Deze ontboezeming is een van de hoogtepunten uit Denkend aan Donner, dat eind oktober verscheen. Ter gelegenheid van de heropening van een jarenlange verbouwing vroeg de Rotterdamse winkel 52 auteurs om een 'ode aan het lezen', zoals de ondertitel van deze bundel luidt. Maar liefst 46 schrijvers, dichters en uiteenlopende wetenschappers gaven hieraan gehoor. 
Het eindresultaat is een bijzonder bont boeket. Je kunt een discussie lezen tussen Elvin Post en zijn dochter over papieren versus digitale boeken. De herinnering van uitgever jan Geurt Gaarlandt van Balans aan het bezoek van Bill Clinton aan Donner. De encyclopedische aanzet van planten en dieren wiens namen verwijzen naar papier of inkt, geschreven door bioloog Jelle Reumer. Een beschouwing van filosofe Marli Huijer over de kunst van het boekenschenken. En nog zo veel meer.
Het mooie is vooral dat het geen boek over Donner is geworden. Hoe voor de hand liggend zou het zijn geweest? Rotterdam is groot genoeg om voldoende schrijvers in het klantenbestand te vinden om over hun ervaringen met de winkel te schrijven – om nog maar te zwijgen van de honderden auteurs die er de afgelopen jaren werden geïnterviewd, lezingen gaven of signeersessies hielden.
Het zou een te particulier boek hebben opgeleverd, en door de herhalingen misschien een vermoeiend boek. Hoe interessant is het om steeds opnieuw te lezen over de pocketkelder, waarmee de winkel in de jaren zestig van de vorige eeuw transformeerde van een gereformeerde speciaalzaak tot een culturele ontmoetingsplaats, of de spijt om de teloorgang van het cultuurplein in de handen van Selexyz en Polare?
Nu wordt er precies genoeg aan de pocketkelder gerefereerd. Rien Vroegindeweij brengt een mooi gedicht over het afdalen naar de hemel. Awee Prins heeft een fraai stuk over de ontdekking van Jan Arends' Keefman, toen hij voor een spreekbeurt naar de pocketkelder werd gedreven. En Maria Heiden vertelt – als grappig tegengewicht – hoe ze destijds direct een collega op zolder belde om snel naar beneden te komen, zodra er een knappe klant de kelder had betreden.
Al deze herinneringen aan Donner blijven leuk om te lezen omdat je tussendoor steeds wordt verrast door een beschouwing die je aan het denken zet. Ik stipte al die van Post en Huijer aan. Maar ook de bijdrage van Arjen van Veelen is bijzonder prikkelend. Hij legt daarin uit waarom boeken een steeds kleinere rol in zijn leven zijn gaan spelen, en juist daarom belangrijker dan ooit lijken te zijn.
En laat ik natuurlijk de beschouwing van Achterhuis niet vergeten. De boekhandel als 'tempel van het toeval', zo had ik een op zich bekend verschijnsel tóch nooit eerder bekeken. 
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, nov 2019)

zaterdag 23 november 2019

(Bijna) alles wat je altijd wilde weten over vertalen maar nooit durfde te vragen (Boekblad)

Voor het eerst op de markt: een handboek dat helder en bondig alle aspecten van het literair vertalen uiteen zet. Alle? Alles verandert altijd, geschreven door een grote groep vertalers, lijkt één aspect over het hoofd te hebben gezien.

Een vertaler levert zijn tekst in bij de uitgeverij, bekijkt de correcties, later ook de drukproeven en dan is het lange wachten op de presentexemplaren. Is het een verstandige houding om zich verder niet te bemoeien met de strategieën van een uitgeverij? Niet volgens Janny Middelbeek-Oortgiesen, vertaalster Zweeds-Nederlands van Marianne Fredriksson, Henning Mankell en Barbara Voors. Vanaf het aanvaarden van de opdracht tot lang nadat het boek is verschenen, moet een vertaler zich zo betrokken mogelijk opstellen. Bijna alsof hij de auteur zelf is. Alleen de toon die een vertaler daarbij moet aanslaan, verschilt daarbij.
Ze heeft daarom tips voor haar (aankomende) collega's om ervoor te zorgen dat a) een uitgever het boek niet onzorgvuldig op de markt dumpt, en b) het boek kans maakt op maximale aandacht van pers en publiek. 'Je kunt ook aanbieden de tekst van de achterflap en de aankondiging op de website te lezen voordat deze openbaar worden gemaakt om te voorkomen dat er feitelijke onjuistheden in komen te staan of dat er misschien te veel van de clou van het verhaal wordt weggegeven', meent ze bijvoorbeeld. 'Zelf heb ik zo eens kunnen voorkomen dat op de achterflap van een thriller al vermeld stond wie de moordenaar was.'

De suggesties zijn te vinden in Alles verandert altijd. Perspectieven op literaire vertalen. Dit boek, in oktober verschenen bij de Leuven University Press, is bedoeld als 'een onmisbaar instrument voor de literair vertaler in opleiding en de beginnende en gevorderde professional bij het vertalen in en uit het Nederlands', zoals het op de achterflap heet. Voor het eerst hebben de samenstellers Lieven D'hulst en Chris Van de Poel, beide verbonden aan de KU Leuven, alle aspecten van het literair vertalen in 23 hoofdstukken bij elkaar gebracht. Middelbeek-Oortgiesens stuk over de omgang met promotie, prijzen en recensies is er daar een van.
Het boek is een initiatief van het Expertisecentrum Literair Vertalen (ELV). Uiteraard, zou je bijna zeggen. Sinds het ELV in 2001 werd opgericht door de Taalunie, heeft het met steun van het Nederlands Letterenfonds, Literatuur Vlaanderen, Universiteit Utrecht en de KU Leuven tal van initiatieven genomen om – de naam zegt het al – de expertise van literair vertalers te vergroten. Denk aan het opzetten van cursussen en opleidingen, het uitwerken van een Europees referentiekader voor de competenties van deskundige vertalers, en het opzetten van een online kennisbank. Een handboek hoort daar gewoon bij.
In eerste instantie lijkt Alles verandert altijd vooral bedoeld te zijn voor studenten of anderen die van het literair vertalen hun beroep willen maken. Het valt immers moeilijk voor te stellen dat gelouterde vertalers iets opsteken van de uitleg over de zakelijke aspecten van het vak, de manier waarop je on- en offline naslagwerken gebruikt of de problemen bij het vertalen van realia (cultuurspecifieke begrippen). De opsomming van wat in een vertaalcontract hoort te staan is tamelijk basaal. Wel: een inleverdatum en het aantal gratis auteursexemplaren. Niet: verplichte afname of het verzorgen van gratis lezingen.
Aan de andere kant: door de brede scope en heldere indeling in vier overkoepelende categorieën kunnen sommige hoofdstukken een nuttige inleiding bieden. Dat geldt zeker voor de hoofdstukken over afzonderlijke genres. Wie – voor het eerst – de opdracht krijgt een kinderboek te vertalen, via via wordt benaderd om een toneelstuk om te zetten of voor de uitdaging staat om een ook in het Nederlands bekende klassieker opnieuw te vertalen, treft in dit boek goed uitgelegd wat die genres uniek maakt. Zulke teksten staan ook wel in vertalerstijdschrift Filter of de Kennisbank van het ELV. Maar vindt maar eens snel iets even algemeen en bondigs.
Ook voor buitenstaanders kan het boek interessant zijn. Dan denk ik niet zozeer aan mezelf, die het puur uit een brede liefde voor het boek en het boekenvak interessant vind om te weten dat je bij het vertalen van filosofische teksten stuit op allerlei begrippen die een vast Nederlands equivalent kennen en je dus wel moet begrijpen. Het is weer een dimensie waar ik na al die jaren nooit bij stil heb gestaan. Nee, ik denk eerder aan redacteuren en uitgevers die bijvoorbeeld in het stuk van Middelbeek-Oortgiesen op ideeën kunnen komen van het verdere nut dat vertalers voor hun kunnen hebben.

Alles verandert altijd is dus een compleet handboek voor de literair vertaler van alle rangen en standen? Dat ook niet. Er is één aspect waarvan ik het onbegrijpelijk vind dat D'hulst en Van de Poel daar geen apart hoofdstuk over hebben laten schrijven. Dat is een beschouwing over de relatie met de opdrachtgever, die in vrijwel alle gevallen een uitgeverij is – alleen wie toneelstukken vertaalt, heeft te maken met de wensen en verlangens van een theatergezelschap. Of kent die relatie zo veel dimensies dat de samenstellers hebben gedacht dat die onherroepelijk in ieder hoofdstuk vanuit een andere invalshoek zou worden belicht?
Want in de praktijk is dat gebeurd. Nicolette Hoekmeijer, vertaler Engels-Nederlands, schrijft over het contact met de auteur dat uitgevers 'steeds vaker' willen dat dat via hen en de agent verloopt: om te vaak mailende vertalers af te remmen, en zelf op de hoogte te zijn van eventuele fouten die de vertaler heeft ontdekt. Jeanne Holierhoek, vertaler Frans-Nederlands, stipt in haar stuk over het vertalen van filosofie aan dat haar uitgeverij doorgaans zorgt voor deskundige meelezers, die voor dit genre zo belangrijk zijn. Luk van Haute, vertaler Japans-Nederlands, verzucht dat een uitgever het laatste woord over de titel heeft.
En zo is er meer. Maar een overkoepelend hoofdstuk? Helaas. Twee hoofdstukken komen in de buurt. Dat is het al genoemde stuk van Middelbeek-Oortgiesen dat ondanks de bescheiden lengte een veel bredere invalshoek heeft dan de titel suggereert. En het artikel van Laura van Campenhout en Ine Willems, beide vertaler Engels-Nederlands, over (zelf)revisie. Daarin beschrijven beide het gehele redactieproces vanaf het moment dat de vertaler zijn tekst inlevert en deze zijn gang begint langs persklaarmaker, corrector en bureauredacteur, inclusief uitleg over hoeveel tijd iedere fase in beslag neemt.
Maar beide stukken schetsen in wezen een ideaalbeeld. Middelbeek-Oortgiesen door op te sommen wat een vertaler allemaal zou kúnnen doen om het resultaat van zijn arbeid optimaal de wereld in te helpen, Van Campenhout & Willems door het redactieproces te behandelen zonder rekening te houden met tijdsdruk als gevolg van te laat inleverende vertalers, blunderende persklaarmakers of de concurrentie van de oorspronkelijke Engelstalige uitgave die uitgevers dwingt de tekst nóg sneller op de markt brengen. In werkelijkheid is de relatie met uitgevers – bijna – net zo weerbarstig als die tussen auteur en uitgever.
De enige die daar een glimp van geeft is Goedele De Sterck, vertaler Nederlands-Spaans van voornamelijk kinder- en jeugdliteratuur, in haar bijdrage over het vertalen van dit genre. Zij wijst op de voortdurende strijd met uitgevers die ten onrechte denken dat kinderboeken makkelijker te vertalen zijn en de tarieven per woord dus lager kunnen zijn. Daarbij ontstaat, specifiek voor dit genre, regelmatig een spanning tussen de intentie van vertaler, die de (literaire) waarde van de tekst intact wil houden, en die van de uitgever, die soms andere, vaak educatieve doelen heeft met de vertaling. Ook dat staat garant voor op z'n minst discussie.
Het is dus maar goed dat Alles verandert altijd is bedoeld als een handboek. Zulke titels krijgen na verloop van tijd bij gebleken belangstelling of verplicht voorschrijven door een docent vaak een herziene uitgave. Laat dit hoofdstuk dan niet weer ontbreken.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, okt 2019)

maandag 3 juni 2019

Recensie: Ad ten Bosch - 'De IJssel stroomt feller dan de Amstel' (Boekblad)

Ad ten Bosch' memoires aan een heel leven tussen de boeken bevatten meer anekdotes dan essayistische bespiegelingen. Wel getuigt hij bijna dertig jaar na zijn vertrek bij Van Someren & ten Bosch van een onverwacht moderne manier om een assortimentsboekhandel overeind te houden.

Hoe James Salter te overtuigen om de uitgeefrechten voor zijn verhalenbundel Dusk te verkopen aan een onbekende uitgever van een onbekende uitgeverij uit Nederland? Telefonisch lukte het Ad ten Bosch niet. Omdat Salter geen goede ervaringen had met Nederlandse uitgeverijen, aldus zijn agent – Bruna bracht een titel in 1979, L.J. Veen een andere in 1980 – wilde de Amerikaanse schrijver de man van Athenaeum-Polak & Van Gennep eerst ontmoeten.
Dus toog Ten Bosch in april 1992 naar New York. Samen met de nieuwe medewerker Mark Pieters meldde hij zich bij Salters vaste restaurant. De schrijver was weinig toeschietelijk. Hij leek de avond te zien als een verplichting die hij tegen beter weten was aangegaan. Totdat er twee jonge vrouwen binnenstapten in zwarte cocktailjurkjes. Iedereen gaapte hen aan. Ten Bosch fluisterde de schrijver toe: 'Je moet er alleen niet mee getrouwd zijn.'
Toen was het ijs gebroken. Salter barstte in lachen uit, Ten Bosch vloog de volgende dag terug met de rechten voor Dusken vier andere titels.

Ad ten Bosch (1951) is zo'n beetje alles geweest wat je in het boekenvak kan zijn. Hij volgde de patroonsopleiding lithografie aan de grafische school in Utrecht en werkte enkele jaren voor een drukker in Canada. Hij verkocht vanaf 1977 boeken bij Van Someren & ten Bosch in Zutphen. Sinds 1994 publiceerde hij een handvol romans en een verhalenbundel. En hij was enkele jaren eigenaar van Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Het stemt daarom bijzonder nieuwsgierig als iemand met zo'n achtergrond zijn memoires publiceert – nota bene bij het Van Oorschot dat tegenwoordig wordt geleid door de genoemde Mark Pieters. Wat heeft hij geleerd over het boekenvak in een carrière die bijna zeventig jaar omspant, omdat hij er als zoon van een boekverkoper letterlijk vanaf zijn geboorte middenin zat? Welke essentiële ontwikkelingen nam hij waar?
Helaas is Ten Bosch geen man van bespiegelingen. De IJssel stroomt feller dan de Amstel bevat geen inzichtelijke essayistische passages over het boekenvak. Dat blijkt duidelijk als hij enkele alinea's wijdt aan het e-boek. 'Hoewel iedereen ervan overtuigd is dat het e-boek een belangrijke ontwikkeling is, waarvan we het belang nog niet overzien, is niet alles hosanna wat het e-boek betreft, noch het leren met een e-reader.' Tja.
Daar staat tegenover dat hij anekdotes zoals die over zijn succesvolle flirt met Salter smakelijk opdient. En daar heeft hij er nogal wat van. Over zijn jeugd en zijn jaren in Canada, waarheen hij wegvluchtte van het brave burgerlijk bestaan dat hem wachtte, maar vooral over de schrijvers die hij beroepshalve leerde kennen en met wie hij soms nauwe betrekkingen aanging – zoals Ida Gerhardt, over wie hij in 1999 al Gebroken lied publiceerde.
En natuurlijk schrijft hij over de boekenvakkers die zijn weg kruisten. Zoals Ary Langbroek, die Athenaeum-Polak & Van Gennep onder zijn hoede kreeg nadat Ten Bosch het bedrijf had verkocht aan WPG. Volgens de directeur van Querido, een 'breteldragende meneer met bijpassende kunstbril', deugde er niets van het fonds. Hoe kon hij ook vijf contracten 'met die Salter' afsluiten? De met zoveel moeite aangekochte titels zijn dan ook nooit verschenen.

Ten Bosch toont zich een man voor wie vriendschap het hoogste goed is. Hij laat voortdurend blijken dat hij met plezier een stapje extra zette voor zijn vrienden. Hij reed Gerhardt en haar geliefde wekelijks rond. Hij zakte na de koopavond af naar Jeroen Brouwers, die toen in Exel woonde, om de volgende dag knikkebollend in de zaak te staan. En als Harry Mulisch langs wipte, liet hij direct de boel aan zijn medewerkers over.
De relaties waren ook goed voor de boekwinkel, erkent hij. De schrijvers gingen in zíjn winkel signeren en niet in een van de vele concurrenten die Zutphen toen nog telde. In die jaren liep een stad nog uit om een handtekening van een schrijver te bemachtigen. Sterker: toen Gerhardt bij het verschijnen van De zomen van het licht zich voor het eerst in haar leven zette aan een signeersessie, kwam zelfs een Mulisch daarop af.
Al weet iedere boekverkoper: soms daagt niemand op. Dat overkwam Ten Bosch in 1982 met Jan Siebelink – een schrijver die géén vriend werd. In 'een smetteloos wit leren jack, zo smetteloos dat het pijn aan je ogen deed', schrijft hij, had hij 'het zorgvuldig gecreëerde imago van een levensgenieter'. Maar belangstellenden? Nee. Na afloop vroeg hij dronken de weg naar een bordeel. 'En passant memoreerde hij "grote memmen" op prijs te stellen.'

De opsomming van anekdotes neemt niet weg dat Ten Bosch wel degelijk behartigenswaardige lessen serveert in De IJssel stroomt feller dan de Amstel. Vooral uit zijn tijd als boekverkoper, wat hij een jaar of vijftien is geweest. Hij had nooit geambieerd de winkel over te nemen. Maar als hij zijn overleden vader uit een mengeling van plichtsbesef en eerbetoon toch opvolgt, blijkt hij het een bijzonder 'mooi bestaan' te vinden.
Ten Bosch bleek veertig jaar geleden al te hebben gedaan wat nu iedere boekverkoper wordt aangeraden. Hij gaf Van Someren & ten Bosch met zijn eigenzinnige keuzes met het interieur, het assortiment en zijn activiteiten een smoel, zodat het niet zomaar een winkel was waar je je boeken net zo goed níét kunt kopen (en je dus net zo goed online kan bestellen), maar een winkel waar je heen ging omdat je voelde dat het jouw winkel was.
Het was niet helemaal zijn idee, geeft hij toe. Zijn Deventer collega Praamstra had geadviseerd om 'een boekhandel te maken die bij je past, anders kun je net zo goed een filiaalhouder van een boekenketen worden'. Maar hij wist die wijsheid wel toe te passen. Daarom haalde hij de karakteristieken van zijn eeuwenoude pand naar voren in plaats van toe te geven aan de mode van verlaagde plafonds, luifels op de pui en neonverlichting.
Daarom ging ook vrijwel direct de stellage er uit waaraan zes prikborden met aan beide zijden kalenders hingen. Of zijn vader er nu jarenlang vaste klanten mee bediende of niet. Daarvoor in de plaats kwam bij de eerste verbouwing een twee keer zo grote boekhandel met alleen maar boeken. En goede ook. 'Van de bekende literaire en kinderboekenuitgeverijen was van elke titel minstens een exemplaar in huis', memoreert Ten Bosch.
Hij verzet zich dan ook, zij het impliciet, tegen boekverkopers die hun assortiment laten bepalen door de selectie die zij uit het aanbod maken – alles opdat de gemiddelde klant in de nabije omgeving een gerede kans van slagen heeft. Hij vindt daarentegen een theorie verdedigbaar dat de kwaliteit van een boekhandel wordt bepaald door wat er níét staat. Want in de segmenten waarin de winkel zich specialiseert staat alles wat er toe doet.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, apr 2019)

donderdag 30 mei 2019

Recensie: Arie Storm, 'Het horrortheater van de Nederlandse literatuur' (Athenaeum)

Je kijkt ervan op als Arie Storm in zijn nieuwe essayboek ook auteurs prijst. In zijn frontale aanval op alle bedreigingen van literatuur als serieuze kunst die Het horrortheater van de Nederlandse literatuur is, spaart hij niemand. Al is hij niet altijd overtuigend, Storm – ook een geestig auteur – zet je wel aan het nadenken.

In Het horrortheater van de Nederlandse literatuur heeft Arie Storm de kronieken verzameld die hij sinds mei vorig jaar schreef voor Propria Cures. Het boek ontbeert een verantwoording, helemaal zeker weet ik het daarom niet. En hij heeft zijn wekelijkse bijdragen van ongeveer 900 woorden achter elkaar geplakt zodat de afzonderlijke columns niet meer als zodanig herkenbaar zijn. Storm heeft er een schijnbaar doorlopend essay van gemaakt waarin hij, losjes hink-stap-springend over de letterkundige actualiteit van de afgelopen maanden, met een grote greep het hele literaire leven anno 2019 affakkelt.

Het studentenblad is in ieder geval het ideale podium voor de vijftiger Storm. Propria Cures heeft de reputatie om alles en iedereen zonder aanzien des persoons op de hak te nemen, bij voorkeur door tegelijk op een paar gevoelige tenen te trappen. En Storm geldt sinds zijn debuut als recensent voor Het Parool in 2001 als een enfant terrible van de literatuur. Het mag dan ook geen verrassing heten dat hij in de proloog bekent zich bevrijd te hebben gevoeld bij het schrijven van deze stukken. 'Ik had altijd al veel lak aan alles en iedereen tijdens het schrijven (...), maar toen ik [dit] schreef viel helemáál alles van me af.'

Dus nee, Het horrortheater van de Nederlandse literatuur is geen doordacht, kalm redenerend, zorgvuldig opgebouwd betoog. Het is een verzameling schimpscheuten die Storm van achter zijn computer met merkbaar plezier afvuurt op zijn favoriete vijanden: leesbevorderaars als de CPNB en Stichting Lezen, auteurs als Ilja Leonard Pfeijffer en Tommy Wieringa (alias 'de langharige en de kale schrijver met de grote mond'), en andere zeikerds als boekverkopers en vertalers die hun werk nooit goed doen. Je kijkt echt verbaasd op als Storm opeens de loftrompet afsteekt over een ouder boek van K. Schippers. Was hij die dag ziek?

Ondanks de springerige structuur van het essay heeft het wel degelijk een centrale gedachte. Storm hamert er herhaaldelijk op: de literatuur die er werkelijk toe doet, is verdwenen achter het gepoch, geschreeuw en gepromoot van iedereen die weliswaar zegt de letteren te zijn toegedaan, maar dat is om de verkeerde redenen. De literaire wereld is een horrortheater geworden 'waar blufferige mannen en vrouwen de macht hebben gegrepen'. Een wereld waarin niet langer de beste boeken aandacht krijgen van lezers, maar de boeken van de schrijvers die het beste de media weten te bespelen.

Daarom heeft hij ook zo'n hekel aan types als Tommy Wieringa. Hij is volgens Storm te narcistisch en te ijdel om een goede schrijver te kunnen zijn. Typerend is de beschrijving van Wieringa's toespraak bij de begrafenis van de dichter Menno Wigman. Die ging alleen maar over hoe híj het nieuws van diens dood hoorde en welke relatie híj met de betreurde dichter had. En dat alles gebracht als een professioneel acteur. 'Blijkbaar waren er ook talentenjagers van de CPNB bij (...) geweest, want een ruime maand later mocht Tommy deze show nog eens opvoeren, maar dan bij het Boekenbal.'

Het probleem is alleen: Storm maakt nooit hard dat Wieringa daarom geen echte literatuur schrijft. Hij somt in de loop van het boek de kenmerken op van fictie die hij waardeert. Teksten met 'energie, levendigheid en beweging'. Romans waarin de auteur 'tegelijk iets opbouwt en afbreekt'. Boeken die 'de chaos' laten zien, 'dat wat anders wordt verzwegen, het ongemakkelijke, het schurende, het malende brein, instincten'. Enzovoorts. Maar waarom voldoet Wieringa's werk daar niet aan? Dát schrijft hij niet. Het betoog lijkt daarom weinig meer dan een persoonlijke afrekening van een kleinzielige auteur die zich tekortgedaan voelt.

Zo rammelt er meer aan Storms tirades. Hij permitteert zichzelf in zijn opwinding bijvoorbeeld te veel tegenstrijdigheden. Eerst beweert hij zijn jeugdliefde Maarten 't Hart tegen de klippen op te blijven prijzen. Vervolgens roept hij dat iedere winnaar van de J.M. Biesheuvelprijs voor de beste verhalenbundel slechter was dan vorige – de prijs die 't Hart won in 2017. Eerst bestempelt hij Ali Smith tot een van zijn favoriete auteurs allertijden. Vervolgens klaagt hij dat er maar één goed boek op de longlist van de Europese Literatuurprijs staat. En dat blijkt dan niet Smiths Winterte zijn.

En toch. De kritiek die je op Het horrortheater van de Nederlandse literatuur kan hebben, neemt niet weg dat het lezen ervan je een paar heerlijke uren bezorgt. Want geestig is Storm wel. Ik barstte regelmatig in lachen uit. Het meest bij zijn stuk over de pr-medewerker van de CPNB (die ik – even terzijde – persoonlijk ken als een aardige, toeschietelijke jongen). Volgens Storm bestaat deze Job Jan Altena helemaal niet. 'Dat een machine [diens berichten op sociale media plaatst] kun je alleen al afleiden aan het feit dat in elke tweet die "Job Jan Altena" de wereld in stuurt minstens één taalfout zit.'

Storm voorkomt bovendien slim het verwijt van jaloezie door geen moreel superieure positie in te nemen. Hij geeft met zo veel woorden toe dat hij zelf ook niet zuiver is en wint daarom toch je sympathie. Ik noemde al Maarten 't Hart, die van hem wel een slordig stilist en ordinaire verteller mag zijn. Storm heeft hem evengoed vijf sterren gegeven voor zijn roman Verlovingstijd. Maar ook alle boeken die zijn vrouw – Josje Kraamer van Querido – redigeerde, gaf hij consequent de hoogste lof. Zoals zijn criticasters altijd al hadden vermoed, of hij deze bekentenis nu ironisch bedoelt of niet.

En ondertussen zet hij je ongemerkt aan tot nadenken. Storm verzet zich tegen de redenering dat literatuur lezen goed voor je is, omdat het je vermogen tot empathie vergroot of je kansen op werk vergroot – een redenering die je inderdaad steeds vaker tegenkomt. Hij denkt dat iemand alleen leest omdat een persoon daarmee zijn leven kan leiden op een manier die hij het prettigst vindt. Hij protesteert daarom ook tegen de wijze waarop de CPNB door de knieën gaat om mensen maar literatuur door de strot te drukken. Wat is de waarde nog van lezen als het niet meer uitmaakt wát je leest?

Inderdaad, dacht ik toen. Literatuur is een serieuze kunst, die het verdient om verdedigd te worden tegen alles wat daar afbreuk aan doet. Storm heeft met Het horrortheater van de Nederlandse literatuur daartoe een hartstochtelijke poging gedaan. Dat alleen al valt zeer te prijzen.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 23 mei)

dinsdag 28 mei 2019

Waardoor verdween Martinus Nijhoff NV? (Boekblad)

Oud-werknemer Bob Jongschaap publiceerde een bedrijfsgeschiedenis van wetenschappelijke boekhandel en uitgeverij Nijhoff, dat vanuit Den Haag de wereld veroverde. Die betrokkenheid heeft voor- en nadelen.

Het moet indertijd een ouderwets bedrijf zijn geweest, waar Bob Jongschaap – vers op de arbeidsmarkt – in 1960 in dienst trad. Het eerbiedwaardige Martinus Nijhoff aan het Lange Voorhout in Den Haag deed de dingen zoals ze altijd al werden gedaan in haar toen al meer dan een eeuw omspannende geschiedenis. Symbool daarvoor was de ruimte waar de jongste bediende op zijn eerste werkdag aan de slag ging, zoals hij die beschrijft in Martinus Nijhoff N.V. 1853-2002 dat deze maand is verschenen bij Vantilt.
Dat was de boekhandel ofwel 'het sortiment'. Het plafond was vuil. De nieuwe aanwinsten lagen op een grote negentiende eeuwse tafel die ooit nog door de oprichter van het bedrijf moet zijn aangeschaft. Vanwege plaatsgebrek werden de overige nieuw binnengekomen boeken op stapels op de grond langs de kasten neergelegd. 'Het maakte op mij een slordige indruk. Ik had dit totaal niet verwacht in zo'n chic bedrijf', aldus Jongschaap. En over de foto's uit 1923 merkt hij op: in mijn tijd zag het nog steeds zo uit.
Het toppunt was de kassa. Of beter gezegd: het ontbreken ervan. 'In al die jaren, tot de uiteindelijke sluiting, is er nooit sprake geweest van een kassa. Dus ik kreeg, net als mijn collega's, een bakje van gevlochten dun metaaldraad in de bovenste lade van mijn bureau, met daarin honderd gulden wisselgeld. De verkopen werden simpelweg op een velletje blanco papier genoteerd, tegen sluitingstijd opgeteld en de daaropvolgende morgen met de opbrengst van die dag afgegeven op de boekhoudafdeling.'

Toch schreef Jongschaap zijn bedrijfsgeschiedenis uit een mengeling van nostalgie en verontwaardiging. Hij betreurt het zeer dat het 'boekenimperium' in 1970 is verkocht aan Kluwer. In weerwil van de belofte de combinatie van boekhandel, export, uitgeverij en antiquariaat ten minste vijf jaar onaangetast te laten, werd al in 1972 een begin gemaakt met de ontvlechting. Boekhandel en antiquariaat sloten na enkele jaren. Uitgeverij en export verdwenen in het grotere geheel. Nijhoff was toen alleen nog een merknaam.
Nu ook dat al een tijd niet meer het geval is, vraagt de auteur zich af wie nog weet hoe glanzend de reputatie van het bedrijf was. En dat vanaf het begin. Direct nadat Martinus Nijhoff (1826-1894)  – telg uit een Arnhems boekhandelaarsgeslacht – het bedrijf in 1853 had opgericht, bezat het dankzij diens werkkracht, geheugen, betrouwbaarheid, en vermogen om relaties te onderhouden een spilfunctie als wetenschappelijke boekhandelaar. Binnen een jaar (!) was het pand waar hij was gevestigd te klein geworden.
De volgende generaties wisten het bedrijf daarna verder uit te bouwen: zoon Wouter Nijhoff (1866-1947) en kleinzoon Wouter Nijhoff Pzn (1895-1977). De eerste overtrof zijn vader in werklust en organisatietalent. Niet alleen leidde hij een zeer divers bedrijf dat inmiddels tientallen werknemers telde, ook in zijn zogenaamde vrije tijd was hij bijzonder actiever als bibliograaf of bestuurder. Zijn graf was daarom 'niet zijn laatste, maar zijn eerste rustplaats', zei later zijn zoon Martinus Nijhoff, de dichter.
Een van Wouters initiatieven was de ontginning van de Amerikaanse markt in 1901. Hij was niet de eerste Nederlander: Swets & Zeitlinger en Frederik Muller stuurden al boeken naar bibliotheken in de VS. Maar hij legde zo wel de basis voor het bedrijfsonderdeel dat door zijn neef Wouter Pzn., die in 1917 in de zaak kwam, werd uitgebouwd tot een omvangrijke afdeling. Zeker toen de studentenaantallen in Amerika drastische begonnen te stijgen, leek hun behoefte aan informatie onverzadigbaar.
Eigenlijk, suggereert Jongschaap, legden de Nijhoffs hiermee de basis voor de grote Nederlandse aanwezigheid in de wetenschappelijke uitgeverij die tegenwoordig gestalte krijgt in de concerns Wolters Kluwer en RELX. Het was dan ook de exportafdeling waarom de snelgroeiende grote uitgeverijen begerig hun handen naar Nijhoff uitstrekten. En die het langst is blijven voortbestaan: eerst als afdeling binnen Kluwer, na 1989 na een management buy-out als zelfstandig bedrijf, tot het in 2002 opging in Swets.

Dat is duidelijk. Maar waarom wilde de familie Nijhoff eind jaren zestig de boel verkopen? Daar begrijpt Jongschaap niets van. Het bedrijf had wereldwijd een uitstekend imago. De omzet steeg: van 15,4 miljoen gulden in 1966 naar 20,3 miljoen gulden in 1969. De winst na belastingen ook: van 950.000 gulden naar 1,6 miljoen gulden in dezelfde jaren. Wilden Wouters nakomelingen en hun partners, die in 1947 het leeuwendeel van de aandelen hadden geërfd, dan alleen maar cashen?
Hier wreekt zich het bekende probleem van iedere bedrijfsgeschiedenis: een gebrek aan goed archief. Jongschaap heeft zich heel aardig weten te redden, dankzij een aantal uitvoerige necrologieën en karakterbeschrijvingen, maar hij moet toch voor een deel gissen – voor de opbouw van het bedrijf net zo goed als voor de afloop. Daarbij is hij emotioneel betrokken én als historicus een amateur, die de anekdote verkiest boven een begrip van de bedrijfsgeschiedenis binnen de grotere economische geschiedenis.
Wie toch probeert Jongschaaps anekdotes te plaatsen binnen dit groter kader, zal inzien dat er wel degelijk iets te zeggen is pro verkoop. De ouderwetse aanpak, die uit alles blijkt, komt immers voort uit een onwil om te veranderen. In plaats van te experimenteren met automatisering verzette Nijhoff zich zelfs tegen de invoering van het ISBN. En ondanks de groei van de export, bleef alle post binnenkomen op één postbusnummer, waardoor het aantal klachten over trage levering in de jaren zestig exponentieel toenam.
Het kan daarom wel zijn dat de erven-Nijhoff weinig visie hadden op het bedrijf en het vervolgens maar inruilden voor 8.404.800 gulden en 35.519 aandelen-Kluwer. Maar het is ook moeilijk voor te stellen dat het met zo'n weinig open instelling voor nieuwe ontwikkelingen overeind had kunnen blijven in het tijdperk van automatisering en schaalvergroting. Op z'n minst had het zelf de concurrentie met Kluwer en Elsevier moeten aangaan om, met veel grotere omzetten, de investeringen in computers te kunnen dragen.

Het zij Jongschaap vergeven. Uit zijn beschrijving van zijn jaren bij Nijhoff blijkt zonneklaar met hoeveel liefde hij in het sortiment heeft gewerkt. De collegiale sfeer. De bijzondere klanten – tot aan president David Ben-Gurion van Israël. De wetenschap bij niet zomaar een bedrijf in dienst te zien. Zulke liefde maakt nu eenmaal een beetje blind. Maar als hij geen betrokkenheid had gevoeld, had hij ook nooit deze bedrijfsgeschiedenis geschreven. En omdat dat het lot is van verdwenen bedrijven: dan had niemand dat gedaan.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, mrt 2019)

zondag 17 maart 2019

Ook voor de literatuur gelden de mediawetten (Athenaeum)

De mediacultuur heeft ook gevolgen voor de literatuur. Voor de opstelling van schrijvers om aandacht te krijgen, maar ook voor hun werk zelf. Sander Bax laat zijn interessante studie De literatuur draait door zien hoe.

De media praten graag over zichzelf. Kijk maar hoe massaal er werd bericht over het stoppen van Twan Huys' Late Night Show op RTL 4. Deze 'mediawet' staat niet in De literatuur draait door. De schrijver in het mediatijdperk, maar het zou me verbazen als Sander Bax zich hier niet bewust van is. Het zal hem daarom niet verwonderen dat hij direct bij verschijning mocht opdraven in programma's als Kunststof en VPRO Boeken om over dit onderwerp met voor de media hoog sex appeal te praten. Ook Trouwinterviewde hem al.
En dat terwijl Bax' studie naar de veranderende rol van de schrijver in een cultuur waarin de wetten van de media steeds dominanter worden, op een doorgeleerd publiek mikt. De neerlandicus – in het dagelijks leven universitair hoofddocent aan de Universiteit van Tilburg – deinst niet terug voor termen als 'focaliseren'. Hij hanteert liever wollige, maar preciezere formuleringen als 'hij verbindt daaraan de conclusie' in plaats van simpelweg 'hij concludeert'. Zouden de consumenten van Kunststof, VPRO Boeken en Trouw niet terugschrikken voor zulk wetenschappelijk taalgebruik?
Laat ik hopen van niet. De literatuur draait door is een fascinerend boek dat een betrekkelijk nieuw terrein ontgint en door de heldere, onbevooroordeelde manier van analyseren op een fundamentele manier aan het nadenken zet over de toekomst van de literatuur. Laat ik daarom eerder hopen dat de aandacht voor het boek in de mainstream media zich vertaalt in een relatief groot lezerspubliek. Het is ondanks de academische toon wel degelijk soepel geschreven. Dus waarom zou het voor de uitgeverij niet mogelijk zijn om er een paar duizend exemplaren van weg te zetten?

Uitgangspunt voor Bax' studie zijn drie andere mediawetten. Radio en tv, maar net zo goed de geschreven pers hechten veel waarde aan succes, zeker als dat kan worden uitgedrukt in cijfers ('vertaald in 32 landen', '250.000 stuks verkocht een half jaar'). De media hengelen naar persoonlijke, intieme, echte verhalen ('gebaseerd op een waargebeurde geschiedenis'). En ze wensen polarisatie. Onderwerpen kunnen alleen worden aangesneden als er een glashelder onderscheid gemaakt kan worden ('discussie! een klimaatalarmist versus een klimaatveranderingontkenner').
Schrijvers die een rol willen spelen in de publieke ruimte, moeten zich hiernaar voegen. Oók auteurs met een uiterst literair imago. Als Herman Koch in de media komt, wordt zijn succes in binnen- en buitenland aangehaald als rechtvaardiging daarvoor. Als Van der Heijden mag vertellen over Tonio, gaat het uitsluitend om het leed dat hem trof – niet om hoe hij als schrijver het persoonlijk drama heeft verwerkt tot kunst. En als Tom Lanoye aan het woord word gelaten over bankiers, dankt hij dat aan het populistisch beeld dat hij van hen schetst in zijn roman Gelukkige slaven.
Bax laat aan de hand van zeer uiteenlopende casestudies zien hoe dit werkt. Een mooi voorbeeld is dat van Abdelkader Benali en Kristien Hemmerechts die een controversiële bekendheid tot hoofdpersoon van een roman maakten. De eerste kickbokser Badr Hari in Bad Boy, de tweede Dutroux-handlangster Michelle Martin in De vrouw die de honden eten gaf. Beiden gebruikte literatuur om iets te doen wat de journalistiek per definitie nooit kan: in de ziel van de personages kruipen, onverbloemd hun motieven en diepste gevoelens bloot te leggen, om zo een bepaald type mens te tonen.
Dat had een aantal gevolgen. Benali en Hemmerechts kregen dankzij hun keuze alle ruimte in de media. In het geval van Hemmerechts stak zelfs een ware mediastorm op. Maar hun roman werd vervolgens gereduceerd tot een één op één weergave van de werkelijkheid. Hun boeken werden gelezen alsof het non-fictie was. En daar hadden beide schrijvers niet altijd afdoende weerwoord tegen. Mede omdat het hun plaats in de publieke ruimte zou kunnen kosten, lieten ze zich aanleunen dat ze eerder Badr Hari- respectievelijk Michelle Martin-kenners waren dan kunstenaars.
Het vereist voor schrijvers daarom een zekere behendigheid, zo kun je uit deze studie afleiden, om het eigen werk zó in de media te positioneren dat er aandacht voor is zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan het literaire karakter ervan. Een auteur die dat volgens Bax goed kan, is Ilja Leonard Pfeijffer. Onder de veelzeggende titel 'Genua als marketingconcept' laat hij zien hoe de momenteel bestverkopende onder de literaire auteurs zijn exotische woonplaats voortdurend inzet, óók in zijn werk, om er aandacht voor te krijgen. En hoe hij die aandacht weer gebruikt om zijn punt te maken over migratie.

Bax verbindt aan deze analyse de conclusie (sorry, ik kon het niet laten) dat de literatuur zelf wordt veranderd door de almaar groeiende dominantie van de mediacultuur. Romans zullen bijvoorbeeld vaker het wereldbeeld van de lezer bevestigen dan bevragen. Literatuur neemt daarbij kenmerken van genrefictie over – ten koste van het experiment, waar immers steeds minder aandacht voor is. Schrijvers zullen ook nog vaker kiezen voor hun eigen autobiografische verhaal, om vervolgens op tv te vertellen over hun rouw (Connie Palmen) of transitie tot man (Maxim Februari).
Is dit waar? Wat ik mis in De literatuur draait door is de historische dimensie. Bax verwijst wel naar de generatie naoorlogse schrijvers als Gerard Reve en Hella Haasse die als eerste massamedia inzetten om een positie te verwerven als publieke figuur, zoals hij dat noemt. Hij schreef zelf vier jaar geleden De Mulisch mythe, waarin hij uiteenzet hoe deze schrijver dat deed. Maar verschilt hun literatuur fundamenteel van dat van de eerder genoemde Tom Lanoye en A.F.Th. van der Heijden? Gebruiken de laatste twee vaker elementen van genrefictie? Is hun werk autobiografischer?
Ook verlang ik naar statistisch bewijsmateriaal. Waarom besloot de Volkskrant in de jaren vijftig om een auteur te interviewen? Wat nu? Waarover gingen die schrijversinterviews? Hoe werd er destijds over boeken gesproken op televisie en hoe nu? En is het type boeken dat een bestseller werd veranderd? Hoeveel van de top 100 bestverkochte boeken van 1958 boden een inkijk in iemands persoonlijke leven? En hoeveel in 2018 – het jaar waarin het autobiografische Wees onzichtbaar van Murat Isik de bestverkochte oorspronkelijk Nederlandstalige roman was?
Dit is echter niet bedoeld als kritiek. Integendeel. Het verlangen om meer te weten dan wat Bax kan bieden, bewijst alleen maar dat de onderzoeker vruchtbare grond heeft aangeboord, waarin nog heel veel om te spitten is. Bovendien heeft hij mij nu al nieuwe handvatten gegeven om toekomstige literaire bestsellers, zoals het kakelverse Otmars zonenvan Peter Buwalda, te beoordelen, waardoor ik nog nieuwsgieriger naar deze romans ben dan ik toch al was. Dat is me ook wat waard. Hoeveel wetenschappelijke letterkundige studies zijn daar immers toe in staat?
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 14 mrt)

zondag 6 januari 2019

Geen enkele roman redt het met één gegeven. Over Connie Palmen (Septentrion)

Een populair idee wil dat de meeste auteurs iedere keer hetzelfde boek schrijven, maar dat uitsluitend echte schrijvers aan een oeuvre werken: een ingenieus, samenhangend bouwwerk waarin het kernthema in iedere roman, verhaal en essay – die natuurlijk voortdurend naar elkaar verwijzen – van een andere kant wordt belicht. Als dat waar zou zijn, geldt dat in extremis voor Connie Palmen, over wie de mythe gaat dat haar afstudeerscriptie de kiem bevat waaruit alle teksten zijn voortgekomen.
Die scriptie heette Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates (1992). Nadat Palmen (Sint Odiliënberg, 1955) al cum laude was afgestudeerd in de neerlandistiek, behaalde ze hiermee de graad van doctorandus in de filosofie. De kern van haar betoog is de theorie dat zelfs iemand als Socrates, die per se niets op schrift wilde vastleggen omdat hij dan verkeerd begrepen kon worden, niet kon ontkomen aan het feit dat anderen over je praten, een beeld van je vormen, hun ideeën op je projecteren – kortom, je een reputatie bezorgen. Dat Socrates weigerde daartegenin te gaan, toen hij er eenmaal van was beschuldigd een slechte invloed uit te oefenen op de Atheense jeugd, kostte hem zijn leven.
Mensen, legt Palmen uit, zijn weerloos tegen de verhalen die over hen de ronde doen. Maar: ze zijn ook niet verantwoordelijk voor die verhalen. Iedereen heeft een publieke naam, die je in de kleine kring van bekenden en kennissen of juist in de grote arena van de maatschappij een zekere roem oplevert, maar die zegt niets over wie je werkelijk bent, maar des te meer over de mensen die over je praten. 'De Palmen waar u het over heeft, daar kan ik niks aan doen', concludeert ze dan ook.
In haar romans speelt die verhouding tussen de valse identiteit, gesymboliseerd door de eigennaam die iedereen kent, en de echte identiteit een rol. Dat gaat van de gevaarlijke aantrekkingskracht van roem op stalkers die menen dat je via televisieoptredens of romans persoonlijk tot je spreken, zoals ze behandelt in Geheel de uwe (2002), tot het onderzoek naar het ware verhaal van misschien wel het meest besproken paar in de literatuurgeschiedenis: de Engelstalige dichters Ted Hughes en Sylvia Plath.
Meteen in de eerste alinea van Jij zegt het (2015) begint Hughes, wiens stem Palmen laat spreken, er al over: 'Voor de meeste mensen bestaan wij alleen in een boek, mijn bruid en ik. De afgelopen vijfendertig jaar heb ik met een machteloos afgrijzen moeten aanzien hoe onze echte levens bedolven raakten onder een modderstroom van apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen, hoe onze ware, complexe persoonlijkheden werden vervangen door clichématige personages, vernauwd tot simpele imago's, op maat gesneden voor een sensatiebelust lezerspubliek.'

Vanaf haar debuut De wetten (1991) heeft Palmen zelf in het zenit van de belangstelling gestaan. Beroemd is het verhaal dat de redactie van NRC Handelsblad, het baken van de intellectuele elite in Nederland, te kampen had met een stuk dat uitviel en toen op het laatste moment besloot de lovende bespreking van deze debutant op de voorpagina van de boekenbijlage te plaatsen. Dat stuk bleek het lezerspubliek onweerstaanbaar te prikkelen, binnen de kortste keren was Palmen the talk of the town.
Haar status als Bekende Nederlander werd daarna vergroot door haar relaties. Eerst met de journalist en presentator Ischa Meijer, enkele jaren na diens dood met oud-politicus Hans van Mierlo. Beiden maakte haar ook interessant voor media die doorgaans weinig belangstelling voor literatuur tonen. Bovendien verrichte Palmen onverbloemd zelfonderzoek in haar romans. Marie Deniet, hoofdpersoon vanDe wetten, en Catharina alias Kit Buts, hoofdpersoon van De vriendschap (1995), zijn duidelijk herkenbaar als alter ego's. Het parcours dat Kit aflegt van een ongeïnteresseerd basisschoolkind in Limburg tot leergierige studente in Amsterdam is dat van haar.
Het toppunt van deze lijn in haar oeuvre is I.M. (1998). Aan de hand van haar eigen ervaringen met Meijer, met wie de vonk overslaat als hij haar uitnodigt voor zijn radioprogramma, beschrijft ze de kracht van een verschroeiende liefde tussen een man en een vrouw die vanaf het eerste contact weten voor elkaar bestemd te zijn, en van de altijd aanwezige pijn waartoe dit samenzijn is gedoemd als deze – in dit geval door de dood – wordt verstoord. Velen, zo niet iedereen leest de roman echter als een egodocument. Ook omdat Palmen de eigen namen van haarzelf en de journalist gebruikt.
Daar komt nog bij dat Palmen niets heeft van de typische Nederlander die liever zijn hoofd niet boven het maaiveld steekt en als dat toch gebeurt, zijn prestaties direct relativeert. Palmen laat zich er vanaf haar entree in het publieke domein op voorstaan dat haar roem terecht is. Zij schrijft rijke, gelaagde romans, waarin iedere zin bijdraagt aan de uitdieping van thema en plot. Waarom zou ze daar bescheiden over doen? Ze heeft toch het beste van zichzelf erin gestopt? Het ís nu eenmaal beter dan het gros wat wordt gepubliceerd.
Die trotse, zelfverzekerde houding schemert door in haar stijl. Palmen kan met verbluffend gemak grote woorden inzetten voor essentiële thema's. Ook dat zie je terug in de eerste pagina's van Jij zegt het. Denk vooral aan die zinnetjes die een aparte alinea krijgen. 'Het was echt'. 'Het was zij of ik.' 'In het verslindende geweld dat liefde heet, had ik mijn gelijke gevonden'. Of: 'Haar dood is mijn dood'. Maar het wonderlijke is: het werkt. Omdat de resolute toon gepaard gaat met diepgang en intensiteit vergroot het alleen maar het geloof van de lezer in het verhaal dat hem wordt voorgeschoteld.

Tegen deze achtergrond van oeuvre en persoonlijkheid is het gemakkelijk te denken dat Palmens hele werk draait om dat ene thema van wie je bent in de ogen van anderen. Toch zou je haar romans en essays tekort doen als je ze daartoe zou willen reduceren. Want ging De Wetten, waarin Marie Deniet een rondgang maakt langs zeven mannen (aangeduid als onder meer 'de astroloog', 'de priester' en 'de kunstenaar') niet ook over de zoektocht naar de liefde en een eigen plek als schrijver binnen het literaire landschap?
Misschien is het feit dat haar werk het hele leven omvat, beter zichtbaar geworden sinds Palmen gestopt is om uit haar eigen leven het basisgegeven te putten voor haar literaire experimenten. Lucifer (2007) is een sleutelroman over de componist Peter Schat, wiens vrouw in 1981 tijdens een vakantie in Griekenland onder verdachte omstandigheden om het leven kwam. Jij zegt het is als het ware een vertaling in proza van The Birthday Letters, de gedichtencyclus waarin Hughes vlak voor zijn dood na meer dan vijfendertig jaar het absolute zwijgen verbrak over de zelfmoord van Plath.
In beide gevallen zet ze in met de verhalen die er de ronde doen. Zoals de ik-persoon in Lucifer schrijft zijn die het (plus het feit dat ze bij elkaar opgeteld geen kloppende som opleveren) die haar aansporen om het hoe en waarom van de tragische gebeurtenis tot de bodem uit te zoeken. 'Zonder dat ze het wisten, waren in het afgelopen halfuur de vragen en vermoedens geuit die mij het komende jaar door de tijd zouden leiden. Ik herinner me dat ik op het puntje van mijn stoel zat en geen woord wilde missen van wat er gezegd werd.'
Maar gaat de roman uiteindelijk louter en alleen over de onkenbaarheid van de waarheid achter de verhalen? Allerminst. Zoals de titel aangeeft – een verwijzing naar het gelijknamige toneelstuk van Joost van den Vondel uit 1654 –  gaat het verhaal boven alles over hoogmoedige opstand tegen de machten boven je, het reiken naar het onbereikbare, de onvermijdelijke val. Daarom realiseerde de ik-persoon dat er achter de verhalen over de moord of zelfmoord van Schats vrouw meer schuilde. En zegt ze daar niet ook: 'Sowieso redt geen enkele roman het met één gegeven, of met één idee.'
Hetzelfde geldt voor Jij zegt het. Dat is niet in de eerste plaats een vehikel om de verhouding tussen fictie en werkelijkheid tot op het laatste cijfer achter de komma te meten, maar een onderzoek naar de relatie tussen het verlangen naar de liefde en het verlangen naar de dood. Kan een liefde zo sterk zijn dat hij het verlangen naar de dood opheft? Of roept hij juist het verlangen te verdwijnen op, zo sterk dat je met het afnemen van het verlangen op zoek gaat naar andere, absolutere vormen van verdwijnen?
En dan heb ik nog steeds het gevoel dat ik beide romans tekort doe door ze terug te brengen tot een vermeende kern. Het werk van echte schrijvers – waar Palmen er onmiskenbaar een van is – laat zich niet terug brengen. Want als er iets waar is van het verschil tussen auteurs voor wie het schrijven een kantoorbaan van 9 tot 17 uur is, en auteurs voor wie het schrijven het leven zelf is, dan is het dat hun werk inderdaad een alomvattend bouwwerk is. Alleen niet van één thema, maar van het leven zelf.
(Eerder, in Franse vertaling, gepubliceerd in Septentrion)