Posts tonen met het label onze taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onze taal. Alle posts tonen

woensdag 16 december 2020

Groepsportretten: Als er dan toch woorden voor transgender personen moeten zijn (Onze Taal)

Het zou simpel kunnen zijn. Een man, geboren met de uiterlijke kenmerken van een meisje, noem je: man. Een vrouw, geboren in het lichaam van een jongen, noem je: vrouw. Waarom zou je iemand die in transitie is geweest om hem of haar van zijn genderdysforie (het gevoel van onvrede met het eigen geslacht) af te helpen, willen betitelen als ‘transman’of ‘transvrouw’? Wie is geopereerd aan zijn kaakbeen noem je toch ook niet zijn hele leven ‘ex-kaakpatiënt’? 
Transgender personen deden vroeger zo veel mogelijk hun best niets anders dan man of vrouw te zijn, vertelt de historicus Alex Bakker (51). Zelf hield hij zijn transitie, die hij eind jaren negentig onderging, lang geheim. Pas nadat hij in Mijn valse verleden (2014) zijn verhaal te boek had gesteld, is hij er open over geworden. “Zwijgen was de norm. Je wilde jezelf niet ontmaskeren. Onder elkaar hanteerden we codewoorden om bijvoorbeeld niemand per ongeluk te ‘outen’. In het openbaar, maar ook in zelfhulpgroepen zeiden we: ‘Dat is een collega.’Of ‘voor en na de oorlog’in plaats van ‘voor en na de transitie’.”

 

Voor altijd online

Maar zo onzichtbaar zijn transgender personen natuurlijk niet. Sterker: ze zijn zichtbaarder dan ooit. Mede door de sterk gegroeide maatschappelijke acceptatie van de laatste jaren is de groep veel zelfbewuster en daarmee zichtbaarder geworden. Neem Beau Geraeds (19). In juni vorig jaar realiseerde hij zich man te zijn; in december maakte hij dat bekend op Instagram. “Het is out there. Ik doe dat om te zorgen voor representatie. Om anderen te kunnen helpen, die nog niet zo ver zijn. En nu staat het voor altijd online. Iedereen die op mij googelt, vindt het zo.”

En dus zijn er woorden nodig om de groep aan te duiden. Maar welke woorden? Transgender Netwerk Nederland (TNN) raadt journalisten in zijn mediawegwijzer aan te spreken over ‘transgender personen’–  en ook bijvoorbeeld ‘transgender sporter’of ‘transgender Utrechter’. Transgender noemt TNN nadrukkelijk “geen zelfstandig naamwoord”, omdat het een omschrijving is van een van iemands kenmerken. Transman en transvrouw kunnen ook wel, maar volgens het netwerk alleen in informele context. 

 

Een lomp woord 

Individueel redeneert echter niemand zo strikt.“Als iemand over mij schrijft dat ik transgender ben, laat ik dat staan”, vertelt Thomas van der Meer (34), auteur van Welkom bij de club (2019), een roman over een transitie. “De nuance die het Transgender Netwerk aanbrengt, is voor media te ingewikkeld. Maar transman mijd ik juist helemaal. Men denkt te vaak ten onrechte dat dat iemand is die ooit man was. Het werkt te verwarrend. Zelf zeg ik, alleen als het relevant is, dat ik een transgender achtergrond heb. Ooit was ik transgender, maar daarvoor ben ik behandeld door in transitie te gaan. Nu ben ik man, maar wel één met een transgender achtergrond.”

Wat daarentegen niet kan, zijn woorden die de plank misslaan. Travestiet bijvoorbeeld: “Mannen die het leuk vinden om als vrouw verkleed te gaan, dat is een wereld van verschil”, zegt Nathalie van Vugt (55). “Helaas wordt het vaak op één hoop gegooid, zoals in het nieuwe programma van Fred van Leer over dragqueens.”Of transseksueel: dat suggereert dat het gaat over de seksuele voorkeur van transgenders in plaats van hun sekse.

Dat die woorden toch circuleren, komt door de snelle emancipatie van transgender personen én de verschillende termen die de afgelopen decennia zijn gebruikt, legt Bakker uit, die met Transgender in Nederland (2018) de geschiedenis van de groep beschreef. “Een van de eerste artsen in Nederland die transgenders behandelde, bedacht het woord transseksisme. Maar dat gaat niet makkelijk over de tong. Dat werd toen transseksueel, ook al was het fout. Zelf vind ik het een lomp, onprettig woord, maar sommige ouderen noemen zichzelf nog steeds zo. Uit gewenning.”

 

Omgebouwd

Daarnaast zijn er – helaas – woorden die kwetsen. Het bekendste voorbeeld is omgebouwd. “Alsof ik een stuk timmerwerk ben!”, zegt Van Vugt fel, die veel van zulke ervaringen beschreef in Hoe ik werd wie ik altijd al was (2014). “Mijn lichaam is gerepareerd, kun je hooguit zeggen. Maar ik ben geen bouwpakket, waarmee je naar eigen smaak iets kunt maken.”“Ik kom het online tegen in reacties”, zegt ook Geraeds. “Vreselijk. Wie dat gebruikt, heeft echt geen idee wat het is om transgender te zijn.”

Ook onprettig zijn complimenten als ‘Je ziet het helemaal niet’of ‘Wat ben jij goed gelukt.’ Van Vugt: “Ik haak er altijd maar op in met een grap. ‘Maar jij hebt ook geen roze aan!’of zoiets.”Sommige zinnen jeuken omdat ze verraden dat iemand een transman of -vrouw niet helemaal normaal vindt. Van der Meer: “Vragen als: ‘Dus je bent eigenlijk een meisje?’,of: ‘Wat is je echte naam?’Is Thomas soms mijn nepnaam?”

Vaak komt het voort uit onwetendheid of onhandigheid. De transgender personen hebben zelden het gevoel dat iemand erop uit is hen te kwetsen. Soms ligt de pijn ook aan hemzelf, erkent Bakker. “Laatst sprak ik voor het eerst in lange tijd een kennis, die het in een bijzin had over ‘vroeger toen je nog een meisje was’. Erg vervelend, maar eerlijk gezegd komt dat omdat ik er liever niet aan word herinnerd dat ik inderdaad zo’n lichaam had.”

 

Activistisch

Gelukkig groeit de kennis bij het brede publiek. En daarmee het gebruik van de juiste woorden. Bakker: “Het is nog helemaal niet zo lang geleden dat media een transvrouw een ‘hij’noemden. Ook omgebouwd kwam je vijf jaar geleden geregeld tegen.”Van der Meer heeft dezelfde ervaring. “Als ik met een groep mannen praat die mijn achtergrond niet kennen, zeggen ze gerust omgebouwd. Maar als een gezelschap het wel weet, hoor ik dat woord nooit. Er is dus een besef dat het een fout woord is.”

Als de gevoeligheid toch ontbreekt, zijn er altijd nogactivistische transgender personen, heeft hij gemerkt. “Op Scholieren.com stond een verslag van mijn roman vol foute termen. De hoofdpersoon, een man, werd bijvoorbeeld ‘zij’genoemd. Heel vervelend, omdat zo’n verslag een educatief doel heeft. Ik heb er toen zelf alleen maar een story op Instagram over gemaakt. Mijn volgers stuurden echter allemaal mailtjes naar de site. Daarna is het aangepast.”

Dat is maar goed ook. Als transmannen en -vrouwen niet uitsluitend mannen en vrouwen genoemd kunnen worden, dienen wel de juiste termen worden gehanteerd.

(Eerder gepubliceerd in Onze Taal)


Zie ook aflevering 1 en aflevering 2 van deze serie.

dinsdag 3 november 2020

Groepsportretten: ‘Ik ben meer dan mijn handicap’ (Onze Taal)

Overal waar hij komt, stuit hij op datzelfde bordje: “Invalidentoilet”. Absurd, vindt filmmaker Mari Sanders (32), bekend van de driedelige documentaire Rolstoel roadmovie. “Zelfs officiële instanties gebruiken dat. Weten ze soms niet wat invalidebetekent? ‘Ongeldig.’ Denk aan ‘een valide argument’. De overheid zegt dus letterlijk dat ik niet meetel als ik door mijn rolstoel zo’n toilet gebruik. Mindervalide vind ik om dezelfde reden nog erger.”
Ook van eufemismen krijgt Sanders hardnekkige jeuk. Mensen met een vlekje, mensen met mogelijkheden, kanjers met kansen– er bestaan er vele. “Neem mensen met een uitdaging. Mag ik alsjeblieft zelf bepalen wat mijn uitdaging is? In mijn geval is dat een zo goed mogelijke film maken. Door het beestje opzichtig niet bij zijn naam te noemen, maak je het alleen maar vervelender.”

 

Wat goed dat je werkt

Sanders is bepaald niet de enige gehandicapte persoon met deze aversies. “Eufemistische termen worden dan ook meestal bedacht door zorgprofessionals of ouders”, vertelt Xandra Koster (48), medewerker van netwerkorganisatie Ieder(in) voor mensen met een beperking of chronische ziekte. “Gehandicapte mensen, die eerder vinden dat het niets is om je voor te schamen, zullen ze nooit gebruiken.”

De afkeer van taal die het gehandicapt zijn benadrukt als óf zielig óf inspirerend, is even breed gedeeld. “Men zegt liever niet rechtstreeks dat ik een ‘handicap’ heb”, zegt Eline Pollaert (28), projectmedewerker diversiteit en inclusiviteit van de Universiteit Leiden. “Maar men vraagt wel wat er ‘mis’ met mij is. Of men zegt: ‘Wat goed dat je werkt’, ‘Wat dapper dat je hier komt.’ Alsof ik niet een even gewoon leven heb.”

Er is zelfs een heel woordenboek samen te stellen van woorden die het beeld bevestigen van ‘de deerniswekkende gehandicapte’. Van ‘lijden aan je handicap’ tot ‘de zwakkeren van de samenleving’. Bekend is ook aan een rolstoel gekluisterd. “Daar klopt niets van”, zegt Jeanette Chedda (36), webredacteur bij de politie, resoluut. “Voor velen geeft een rolstoel juist vrijheid. Sommigen bewegen zich hier al hun hele leven mee voort.”

 

Een extra koekje

Aan veel aanduidingen mankeert dus wel iets. Het meningsverschil ontstaat pas in de zoektocht naar de juiste oplossing. Wat is de correcte aanduiding? Sanders prefereert mensen met een handicap – in tegenstelling tot een gehandicapte, dat een persoon reduceert tot niets meer dan zijn handicap. Chedda gruwelt daarentegen van dat woord sinds las over de herkomst ervan (een van de verschillende etymologische verklaringen die de ronde doen).

“Mensen met een beperking konden vroeger niet werken en waren daarom gedwongen te bedelen”, legt ze uit. Zo maakte een 'handicap' van mensen tweederangs burgers. “Ik heb daarom een hekel aan Wereld Gehandicaptendag. Dat klinkt alsof het vergelijkbaar is met Dierendag: de dag waarop je iemand met een handicap een extra koekje geeft.”

Chedda beschrijft zichzelf daarom als “vrouw van kleur met zichtbare beperking”. En dáár heeft Sanders juist moeite mee. “Ik geloof dat mensen met beperking het meestgebruikte eufemisme is”, zegt hij. “Daarmee is het nog niet goed. Want als je diabetes hebt of nooit je rijbewijs hebt gehaald, ben je óók beperkt. Eigenlijk is iedereen is op een of andere manier beperkt. Toch valt niet iedereen onder deze noemer. Waar leg je de grens?”

 

VN-verdrag 

Koster en Pollaert vinden zelfs alle Nederlandse woorden ongeschikt. Zij gebruiken het liefst de Engelse termen zoals het VN-verdrag Handicap die hanteert. Impairment verwijst naar iemands persoonlijke omstandigheden, disabled naar de maatschappij die mensen met een handicap niet in staat stelt volwaardig mee te doen. De woorden scheppen daarmee een heel helder onderscheid. “Disable is niet het tegenovergestelde van able: ‘iets kunnen’, maar van enable: ‘in staat stellen’,” zegt Koster. 

In het Nederlands zou je kunnen spreken van ‘gehinderde’, redeneert zij. “Maar dat woord heeft niet dezelfde associatie met het hebben van een beperking als disabled. De Nederlandse vertaling van het VN-verdrag heeft het dan ook over “mensen die gehandicapt zijn door de wisselwerking tussen de beperking van de persoon en de ontoegankelijke maatschappij”. Bij gebrek aan een uitgebreidere woordenschat gebruik ik die termen.”

Er zijn verschillende redenen aan te voeren voor het gebrek aan overeenstemming. Ten eerste is er een ongelooflijk grote diversiteit aan gehandicapte mensen, legt Pollaert uit. Niet alleen in soorten handicap, maar ook in de mate waarin deze zichtbaar is, deze van invloed is op het dagelijks leven, en hoe lang iemand deze heeft: vanaf de geboorte of pas sinds kort. Daarom heeft niet iedereen dezelfde gevoelens bij de gebruikte termen.

Daar komt bij dat er nauwelijks discussie over taal is, zelfs in eigen kring. “In het rolstoelhockey doen ‘invalide’ en ‘valide’ spelers mee”, vertelt Chedda. “Ik vind het pijnlijk dat het onderscheid daarmee wordt aangeduid. Ik zou dat willen veranderen, maar ik hoef daar bij mijn team niet over te beginnen. Iedereen accepteert het gewoon zoals het is.”

 

Groot toilet

Dat de meerderheid in deze groep niet zo activistisch is als de hier geïnterviewden, maakt het lastig om de misplaatstheid van sommige woorden over te brengen. Voor deze groep begint de emancipatie nog maar net,” zegt Koster, “maar je kunt individueel tegengas geven. Ik ben actief op Twitter. Iedere keer als een krant een woord als mindervalide gebruikt, laat ik dat weten. Soms raak ik ook in gesprek met een journalist. De reactie is er dan altijd één van begrip.”

En waarom zou dat niet helpen? De afgelopen jaren zijn immers ook ongewenste woorden in onbruik geraakt. “Mensen zeggen nog wel ‘idioot’, maar zonder te denken aan mensen die ooit die officiële diagnose [voor het hebben van een IQ tussen 0 en 25 – MD] kregen”, zegt Koster. “Je moet klein beginnen. Dan kan het steeds groter worden. Door dit artikel valt hopelijk bij weer een paar mensen het kwartje.”

Misschien, hoopt Sanders, hoeft zelfs ooit het label handicap niet meer nodig te zijn. “Waarom moet je eigenlijk spreken van ‘de gehandicapte Mari’? Je kunt net zo goed zeggen ‘Mari kan niet lopen’ of ‘Mari zit in een rolstoel’ op een moment waarop dat relevant is. Precies zoals je alleen benoemt dat iemand een bril draagt als dat ter zake doet. Een bril is immers óók een hulpmiddel dat je nodig hebt vanwege een functionele beperking.”

In die gedroomde toekomst bestaat het invalidentoilet uiteraard ook niet meer. Er zijn alleen kleine en – ruim voldoende – grote toiletten, waarbij de laatste gebruikt kunnen worden door iedereen die daar een voorkeur voor heeft. Om een luier te verwisselen bijvoorbeeld. Omdat je wat meer ruimte wel zo prettig vindt. Of omdat je in een rolstoel zit. “Hoe gewoner iets is, hoe onnodiger het is om daar aparte woorden voor te gebruiken,” meent Sanders.

(Eerder verschenen in Onze Taal)


Deel 2 in een serie 'Minderheidsgroepen en schurende taal'. Zie hier voor aflevering 1.

dinsdag 12 mei 2020

Groepsportretten: hoe willen mensen met een donkere huidskleur worden genoemd? (Onze Taal)

Welke woorden willen leden van een minderheidsgroep liever meer horen als het over henzelf gaat? Wat zijn de alternatieven? Binnen ons jaarthema over schurende taal laten we verschillende groepen aan het woord. In de eerste aflevering: mensen met een donkere huidskleur.

Nooit meer het n-woord!
Maar welke woorden dan wel? 

In Nederland was er weinig begrip voor het ontslag van Ron Jans. De voetbaltrainer moest half februari opstappen bij FC Cincinnati omdat hij in de kleedkamer als witte man het n-woord in de mond had genomen toen hij een paar regels meezong met een rapliedje. Zo erg was dat toch niet? In Amerika, schreven de media, is het woord fel omstreden, in het Nederland kun je nog best het n-woord gebruiken.
Die conclusie vond Mitchell Esajas (31) typisch. “In Nederland kan het óók niet”, zegt de oprichter van The Black Archives. “Hier wordt alleen minder rekening gehouden met zwarte mensen. Dat media het n-woord toch gebruiken, komt voort uit een gebrek aan bewustzijn, gebrek aan empathie en gebrek aan kennis.”

Zwarte Piet
Er zijn in de loop der tijd veel termen in omloop geweest om mensen met een donkere huidskleur aan te duiden. De schrijfster Henna Goudzand Nahar (66) vulde op school bij de vraag naar afkomst nog in: “creool”. Tegenwoordig circuleren woorden als zwartof omschrijvingen als gekleurde mensen, mensen van kleurof kleurling. 
En dus, nog altijd, het n-woord. De dichter Dean Bowen (35) hoort het zelfs steeds vaker. “Juist omdat er momenteel zo veel wordt gesproken over Zwarte Piet en racisme, is er een groep mensen die het doelbewust bezigt om schade te berokkenen. Het is een voorspelbare tegenbeweging.”
Het n-woord is met afstand het ergst – verschillende geïnterviewden weigeren het pertinent in de mond te nemen, reden waarom het ook hier verder niet voluit wordt geschreven. Daarbij lijkt te gelden: hoe jonger de persoon, hoe sterker hij zich tegen het woord verzet. “Ouderen accepteren het woord eerder, omdat het in hun jeugd gebruikelijker was, ook al had het toen evengoed een negatieve lading”, zegt Levi Ommen (21), studente International Relations en Organisations.
Soms wordt dan tegengeworpen: in rap hoor je het toch ook te pas en te onpas? “Maar rappers gebruiken het om de onderdrukking van de zwarte mens te benadrukken”, legt Esajas uit. “Ook in Nederland. Maar het is anders als een witte rapper het doet.”

Apartheid
Ook andere begrippen roepen soms wrevel op. Urwin Vyent (60), directeur van hetNationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis,herinnert zich de strijd in de jaren tachtig tegen allochtoonen de mislukte pogingen dat te vervangen door medelanderof nieuwe Nederlander.“Met allochtoonwerd je weggezet in een hoekje: de groep voor wie witte mensen beleid moesten maken.”
Mensen met een donkere huidskleur ergeren zich eveneens aan een gebrek aan historisch besef. Esajas: “Ik lees een enkele keer kleurling. Heel raar. Roept dat dan niet onmiddellijk associaties op met hét systeem van onderdrukking van ‘coloured people’: de Apartheid?”
Toch is het heel persoonlijk wat wel of niet kan. Goudzand Nahar vindt dat met zwartin praktijk iedereen die niet-wit is op een grote hoop wordt gegooid. “Ook mensen met een Arabische en Chinese achtergrond worden daaronder geschaard. Verwarrend en lastig vinden sommigen dat, merk ik.” Dan liever mensen van kleur, hoewel ze gruwt van het anglicisme. “Het Nederlands zou krachtig genoeg moeten zijn om zelf iets creatiefs te bedenken.”
Maar Bowen heeft het een precies tegenovergestelde voorkeur. Mensen van kleurvindt hij een “verzamelterm in witte samenlevingen voor iedereen die niet-wit is. Dat kun je dus alleen gebruiken als je praat over de machtsdynamiek in overwegend witte landen.” Dan liever zwart. “Dat woord raakt het meest aan de gedeelde ervaring die ik deel met andere mensen, waarbij toch een minimale mate van neutraliteit is gewaarborgd.”

Surinamer
Mensen met een donkere huidskleur hebben zelf een voorkeur voor een onbevooroordeelde term die past bij hun identiteit. Surinaamse Nederlanderbijvoorbeeld, al hangt het gebruik af van de context. “Ik doe een internationale studie”, zegt Ommen. “Dan ben ik Nederlands. Maar op straat zal niemand zeggen: ‘Daar loopt een leuk Nederlands meisje.’ Dan ben ik Surinaams-Nederlands. Prima. Ik ben óók Surinaams opgevoed – met het eten, de taal.”
“Ik vind het niet erg om Surinamer te worden genoemd”, meent ook Vyent, die anders dan Ommen in Suriname is geboren. “Het is net als iemand uit Brabant. Die vindt het evenmin een probleem als iemand hem Brabander noemt. Je kunt ook heel goed allebei zijn: Nederlands en Surinamer.”
Maar opnieuw: het luistert heel nauw. Bowen noemt zich bewust 'Nederlander'. “Het begrip opeisen helpt om duidelijk te maken dat het Nederlanderschap divers is binnen een samenleving die allang niet meer homogeen is. Maar als ik er niet aan kan ontsnappen noem ik mezelf ‘zwarte man’. Cruciaal is het bijvoeglijk gebruik van zwart. Ik ben geen ‘zwarte’, maar ik heb nu eenmaal een zwarte huidskleur.”

Wit
Ondanks de vergoelijkende berichtgeving rond het ontslag van Ron Jans is er een grotere bewustwording bij witte mensen over hun taalgebruik. De NOS heeft blankbijvoorbeeld vervangen door wit. Dat wordt toegejuicht. Goudzand Nahar: “Blankroept associaties op met zuiver, edel, nobel en met het kolonialisme.” Esajas: “Terwijl witmeteen doet denken aan begrippen als ‘white privilige’ [het sociale voordeel dat witten hebben in gemengde samenlevingen – MD]. Het roept de discussie op die gevoerd moet worden.”
Zeker in grote steden als Rotterdam, waar Bowen woont, is men zó gewend aan de bonte mengeling van mensen dat “je vanzelf nadenkt over de taal die je spreekt”, merkt hij op. “Alleen in afgelegen plattelandsdorpen kan men zich de luxe veroorloven te doen alsof het je niet aangaat. Dan voelen zulke discussies over woorden heel marginaal. Maar als je daar begrip voor toont, kun je met hen wel een open gesprek voeren.”
Toch valt er nog een wereld te winnen. “Ik spreek minstens een keer per maand iemand aan omdat die persoon bijvoorbeeld het n-woord gebruikt”, vertelt Ommen. Wat er dan gebeurt? “Ofwel ze reageren defensief:  ‘Ik bedoel het niet zo.’ Ofwel agressief: ‘Als je het niet goed vindt, ga dan maar weg hier. Hier zeggen we het nu eenmaal zo.’ Niemand maakt excuses. Soms zeggen ze dat ze het woord niet meer in mijn bijzijn zullen gebruiken.”
Het zou daarom goed zijn, hopen mensen met een donkere huidskleur, als witte mensen nog beter beseffen dat hun taalgebruik – meestal onbedoeld – kwetsend kan zijn. Wat ze wél kunnen zeggen, is lastig: deze groep is lang niet zo homogeen als het in alle argeloosheid soms lijkt. Misschien getuigt het daarom van het meeste respect om simpelweg te vragen: ‘Hoe wil je worden genoemd?’
(Eerder gepubliceerd in Onze Taal, apr 2020)