Posts tonen met het label Knack. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Knack. Alle posts tonen

dinsdag 30 augustus 2016

Interview Geert Mak: Wie is toch die man aan wie Rembrandt zijn mooiste portret wijdde? (Knack)

Wat kunnen wij leren van een patriciërsfamilie die al eeuwenlang tot de Nederlandse bovenklasse behoort? Geert Mak schreef een boek over de familie Six en heeft nu een antwoord op deze vraag.

Jan Six, dat is de zeventiende eeuwse Amsterdammer die Rembrandt zo melancholiek portretteerde terwijl hij op het punt lijkt te staan om weg te gaan – rode mantel over zijn linkerschouder, één handschoen al aangetrokken. Maar Jan Six is ook een rentenierende achttiende eeuwer, een in de numismatiek liefhebberende negentiende eeuwer en een eenentwintigste eeuwse kunsthandelaar. Iedere generatie opnieuw werd de oudste zoon Jan genoemd – in 2013 werd nummer twaalf geboren. En Rembrandts Jan Six hangt nog altijd in het veertig kamers tellende grachtenpand aan de Amstel.
Over deze familie schreef Geert Mak zijn nieuwste boek: De levens van Jan Six. Het is een fascinerende mentaliteitsgeschiedenis geworden, waarin hij laat zien hoe deze representanten van de Amsterdamse upperclass meebewogen met de lotgevallen van de stad. De Sixen werden schatrijk in de Gouden Eeuw, bekonkelden en bekokstoofden tot aan de Napoleontische tijd in de achterkamertjes wat er in de stad gebeurde, en teerden daarna met steeds grotere pretenties op hun langzaam verdampend vermogen. Tot ze noodgedwongen moesten werken en gewone Nederlanders werden. Het boek is daarom het verhaal van een familie én van de stad.
Maar: niet van zomaar een familie uit de elite – dankzij hun kunstcollectie. Jan I verwierf met zijn liefde en goede smaak voor kunst een uitgelezen verzameling. Omdat die liefde en smaak van generatie op generatie werd doorgegeven bleef de collectie, die dankzij erfenissen van aangetrouwde familieleden regelmatig werd uitgebreid, tot op de dag van vandaag grotendeels bijeen. Het portret van Jan Six is niet eens de enige Rembrandt in huis. En het mooie is: al zeker twee eeuwen stelt de familie haar huis open voor wie de kunstschatten met eigen ogen wil aanschouwen.

Hoe hebt u de familie Six leren kennen?
'Ik ontmoette een jaar of tien geleden bij de opening van een tentoonstelling Jan Six X, de huidige heer des huizes. Kom eens kijken, zei hij. Je weet dan wel bij geruchte dat er aan de Amstel een bijzonder huis staat, maar de eerste keer dat ik daar kwam! Ik was verstomd. Ik kwam er stuiterend van opwinding van terug. Wat daar allemaal mee te maken viel! Dat is wat Johan Huizinga de historische sensatie noemt. Het verleden werd opeens heel tastbaar. Niet alleen door de twee portretten van Rembrandt. Door het geheel. Het hele huis staat vol voorwerpen en bijzondere archieven. Het was toen nog niet gerestaureerd. Het huis droeg de slijtageplekken van honderd jaar familieleven, waarin gerust een emmer water over de brandende kerstboom – én per ongeluk een schilderij – kon worden gegooid.'

Dacht u gelijk: dit is een boek?
'Ik kwam na de eerste keer vaker op bezoek. Gaandeweg rees het idee. Zeker nadat ik vijftien jaar ongelooflijk veel had gereisd – voor In Europa en Reizen zonder John – had ik zin in een boek over een huis, gewoon bij mij om de hoek in Amsterdam. Ik dacht toen nog aan een klein project, maar de familie Six zoog me mee in een achtbaan door de hele geschiedenis. Zoals ik me altijd laat meezuigen als het goed gaat met een project.'

Hoe reageerde de familie op het idee?
'Positief. We hebben heldere afspraken gemaakt. Ik moest onafhankelijk kunnen zijn. Maar je hoort natuurlijk veel vertrouwelijks. Daarvan heb ik gezegd: wat ik in archieven en openbare bronnen vind, is zoals het is, dat kan ik niet leuker maken. Maar wat ze mij persoonlijk vertelden, konden ze na afloop veranderen of schrappen. Dat is trouwens vrijwel nooit nodig geweest. Zo hebben we heel prettig samengewerkt.'

Over zulke families met oud geld geldt toch het vooroordeel dat ze in zichzelf gekeerd en teruggetrokken zijn?
'Ik denk daarom dat dit boek twee generaties geleden nog moeilijk geschreven had kunnen worden. Lange tijd is de geschiedenis van de bovenklasse verwaarloosd, of het nu de adel of de elite van een stad als Amsterdam is. Dat heeft voor een deel te maken met de belangstelling van historici. Ik heb zelf ook altijd gekeken hoe de gewone man de geschiedenis heeft ervaren. Maar voor een ander deel komt het door de geslotenheid van de families zélf. Er ligt daarom nog heel veel terrein braak. Ook in Amsterdam, terwijl in de vroedschap nota bene een deel van het buitenlands beleid van de Republiek werd bepaald. Het is haast niet voor te stellen hoe invloedrijk families als Bicker, De Graeff, Huydecoper en Van Beuningen waren. Het waren de "koningen van de Republiek".'

Waarom is de houding van families als de Sixen veranderd?
'Families die zich eeuwenlang als een vesting hadden opgesteld, hebben die muren noodgedwongen afgebroken. Die familiesystemen waren hun manier van overleven. In de loop der tijd sloten ze zich steeds meer af en hielden ze steeds hardnekkiger vast aan hun status, om de sfeer van exclusiviteit overeind te houden. Maar dat was niet vol te houden. Vanaf het midden van de negentiende eeuw nam de kindersterfte sterk af, van de acht kinderen werden er niet langer twee volwassen, maar alle acht. En alle acht hadden recht op een erfdeel. Bovendien kwamen er successierechten. Zo verdampten die familievermogens razendsnel. Na de Eerste Wereldoorlog was voor bijna alle oude Nederlandse families het rentenieren voorbij. Ook de Sixen moesten gaan werken. Sinds de jaren tachtig leeft geen enkele Six meer van het familievermogen. Iedereen werkt. En wat ik me van meerdere kanten heb laten vertellen: daar zijn ze een stuk aardiger van geworden. Ze hoeven geen kapsones meer te hebben.'

Was de familie niet bang voor onthulling van geheimen?
'Daar hebben ze nooit moeilijk over gedaan. Jan II was, zelfs voor achttiende eeuwse begrippen, geweldig corrupt. Op een gegeven moment dook uit het stadsarchief een "secrete notule" op. Daarin betrap je hem met zijn vingers in de suikerpot. Er staat letterlijk in welke bedragen hij ving voor welke dienst. Aan de andere kant: Piet Six was tijdens de Tweede Wereldoorlog een centrale figuur in het verzet, maar de familie zag hem eigenlijk alleen als een mopperende, slome landjonker die met zijn twee zusters in een landhuis woonde en af en toe voor een dienstreisje naar Spanje ging. Waar hij achteraf een gezin bleek te hebben.'

Een ander vooroordeel over oud geld is dat ze schandalen van eeuwen geleden nog altijd zien als aantasting van hun goede naam.
'Jazeker. Wij hebben een loyaliteit met de mensen om ons heen. Zij hebben een loyaliteit door de tijd heen – met generaties uit het verleden én generaties uit de toekomst. Het vermogen, de prestige en de goede naam moeten intact worden doorgegeven. Dat verklaart bijvoorbeeld het verschijnsel dat adellijke families met miljoenen op de bank opvallend zuinig kunnen zijn. Het vermogen moest bewaard worden voor volgende generaties. Maar ook dat is veranderd. Ik kan me niet voorstellen dat de huidige Sixen nog moeite hebben met dit boek. Zo nuchter zijn ze tegenwoordig wel. Bij andere families kan dat zoiets gevoeliger liggen.'

O ja?
'De huidige Oranjes gaan bijvoorbeeld wel nuchter met hun geschiedenis om, maar ze denken nog altijd sterk in familiesystemen. Ik snap nu ook beter waarom ze zo woedend waren – en zijn – op Prins Bernhard. Hij brak immers op allerlei manieren de code’s binnen dit soort families. Hij bracht met al zijn strapatsen de dynastie in gevaar, en dat niet alleen: hij klapte aan het einde van zijn leven ook nog eens uit de school door allerlei intimiteiten door te vertellen aan een paar goedgelovige journalisten. Alles om zijn blazoen schoon te poetsen, al weten we nu dat hij de ene leugen na de andere vertelde. Uit de school klappen is voor zo’n familie niets minder dan hoogverraad.'

In hoeverre zijn de Sixen eigenlijk typische Nederlandse patriciërs?
'Heel typisch. Op een ding na: hun enorme kunstcollectie, die ze altijd hebben gekoesterd. In de negentiende eeuw, toen er tijdens de Tweede Gouden Eeuw van Amsterdam nieuwe rijken opkwamen, voelden nogal wat oude families de noodzaak met deze nouveaux riches te rivaliseren. Door kastelen te bouwen, heel veel bedienden te nemen, een beetje Downton Abbey te spelen. Dat was allemaal zo peperduur dat ze dat nooit konden volhouden – dat hele systeem stortte zo rond de Eerste Wereldoorlog ineen. De Sixen hoefden dat niet. Hun collectie gaf hen prestige en tijdloosheid. Dat was het allerbelangrijkste: tijdloosheid. En de kosten van de collectie zijn aanzienlijk lager dan een van een kasteel. De schilderijen hangen daar gewoon. Al moesten de Sixen uiteindelijk ook gaan werken.'

Waarschijnlijk was dit boek zonder de kunstcollectie niet geschreven. Dan waren de Sixen, die weinig macht hadden, niet bijzonder genoeg.
'Je hebt gelijk. Alleen de collectie onderscheidt hen. Maar ook hun rijke archief. De Sixen waren en zijn pathologische bewaarders. Tot in de jaren zestig hing hun soms stokoude kleding gewoon op de zolder van hun buitenplaats Jagtlust. Nu ligt het in het Rijksmuseum. En minstens zo bijzonder als Rembrandts portret van Jan Six is de zogenaamde Grote Pandora. Je denkt bij dat portret: als je die kop kon openzagen, wat zou je daarin vinden? Dat staat dus in de Grote Pandora: het enorme aantekenboek van dezelfde Jan Six waarin hij alles opschreef, van de diepste filosofische gedachten – hij las Descartes en Spinoza toen die nog rondliepen – tot de platste grappen. Dat is zo'n verschrikkelijk interessante bron. Je leert die twijfelende zoeker van heel nabij kennen.'

U zei eerder: ik bekeek altijd de geschiedenis vanuit de gewone man. Hoe beleefde deze leden van de elite de geschiedenis?
'Bij het bestuderen van zo’n archief – al die plechtige taal van mensen die zichzelf zó belangrijk vinden – word je onvermijdelijk soms bekropen door rebelse gevoelens. Op een gegeven moment zei mijn meelezer, de stadshistoricus Bas Dudok van Heel – zelf ook uit zo’n oude familie afkomstig: "Geert, jij wordt toch geen socialist?" "Bas", zei ik, "dat ben ik al lang". En toch. Mijn taal werd er ongedisciplineerd van. Ik begon "familiekliek" te schrijven. Of: "door en door gecorrumpeerd". Bas riep me tot orde. In de zeventiende en achttiende eeuw draaide nu eenmaal alles om families. Zoals nu gelijkwaardigheid iets vanzelfsprekends is, zo was toen ongelijkheid de norm. Dat was de vaste maatschappelijke orde, door God gevestigd, vol rangen en standen. Maar die orde hield óók in dat iedereen, de hoge families net zo goed, een taak en een opdracht hadden – om bijvoorbeeld de maatschappij te leiden. Dat heeft ook iets moois.'

Waarom?
'Ik moet het niet idealiseren: zeker niet alle Sixen hadden het gevoel een maatschappelijke taak te hebben. Maar sommigen hebben veel gedaan voor het cultureel erfgoed. Het mooie zit hem vooral in het contrast met het huidige systeem waarin alles wordt teruggebracht tot cijfers. Kinderen zijn alleen goed als hun examencijfers hoog genoeg zijn. Bejaardenverzorgers zijn alleen goed als ze de norm van 13,5 minuut per bejaarde halen – en niet als ze ook nog even een lamp voor een bejaarde vervangen. De eerste Jan Six ging ervan uit dat ieder menselijk wezen een ziel had, en die ziel moest worden gekoesterd. Hij zou de huidige levenshouding totaal geperverteerd vinden.'

Hebben deze families nog steeds het gevoel een taak te hebben?
'Er zijn families die dat gevoel nog sterk hebben. De Oranjes bijvoorbeeld. Zeker Beatrix had dat als koningin. Maar of dat voor de Sixen geldt? Ik weet het niet. De huidige heer des huizes voelt een verantwoordelijkheid voor de kunstcollectie. Maar de andere familieleden? Het is in ieder geval niet meer zo dat aristocraten en patriciërs als zij zich nog op hun titels en voorgeslacht voor laten staan. Ze doen in stilte hun werk, waarna je soms veel later hoort: o, hij is ook nog van goede komaf. De aristocratie is ondergronds gegaan. Zelfs het aparte taalgebruik, altijd nog een signaal van het ‘ons kent ons’, slijt nu snel.'

Toen u vorig jaar de Gouden Ganzenveer kreeg uitgereikt, pleitte u in uw dankwoord voor een elite die opnieuw het voortouw nam. Door kwaliteit, empathie en courage te tonen. Moeten families als deze zich daarom weer meer op de voorgrond stellen?
'Ja. Op goede momenten kan de elite naar voren treden en zeggen: ik heb hier de leiding, ik ben hiervoor verantwoordelijk en ik weet er ook verdomd veel van. Eigenlijk hoef je dat niet eens te zeggen. Dat gebeurt, als het goed gaat, bijna vanzelf. Maar wat ik zei was vooral gericht op de politieke elite. Die moet niet iedere ochtend naar opiniepeilingen kijken, maar doen wat er gedaan moet worden. Dán ben je een staatsman. Angela Merkel doet dat. En ja, zij maakt fouten, maar het publiek voelt dat zij doet wat zij moet doen en vertrouwt haar daarom. Helaas zijn er te weinig politici zoals zij.'

Hebben de Sixen ook anderen dan de politieke elite iets te leren?
'Wat ik vooral indrukwekkend vind is hun loyaliteit aan vorige en toekomstige generaties. Dat is deels materieel, maar óók spiritueel. Om in de termen van de eerste Jan Six te spreken: als je die banden te veel doorknipt, beschadig je je ziel. De huidige samenleving is geobsedeerd door het leven in het nu. Daardoor gaat het alleen nog maar om efficiency, productie en commercie. Of alleen nog maar? Te veel, in elk geval. Er is bijna geen enkele vastigheid meer in dit land. Zelfs de postbussen kunnen na een eeuwigheid rood te zijn geweest opeens oranje worden omdat dat de nieuwe kleur van het postbedrijf is. Dat gebrek aan vastigheid heeft geleid tot gevoelens van ontworteling en verwarring, waardoor mensen zich vastklampen aan de beloften van allerlei politieke kwakzalvers.'

Is er een verschil tussen Nederlandse patriciërs en de adel in andere Europese landen – zoals België?
'Zeker, ja. Nederland had sinds de late middeleeuwen geen adelvormende instantie. Alleen een koning kon adel creëren en Nederland kreeg die pas in 1815. Willem I verhief daarna veel oude regentenfamilies tot de adel om die aan zich te binden, en ook omdat het hof in het met België samengevoegde land werd gedomineerd door Belgische baronnen, hertogen en graven. Iedere stedelijke familie die drie generaties lang aanzienlijke posities had bekleed kon toen jonkheer worden. Dat leidde in een stad als Amsterdam tot veel gemor. Terecht, denk ik. Stel, je was een Trip of een Bicker, dan waren je voorouders vaker machtiger en invloedrijker dan die Belgische baronnen en graven. Dan wilde je geen jonkheer worden, het zou minstens ‘graaf Trip’ of ‘hertog Bicker’ moeten zijn. Toch bezweken ze bijna allemaal voor de verleiding.'

Hebben de Nederlanders door die verschillende geschiedenis een andere mentaliteit dan Belgen van hoge geboorte?
'Nederland is altijd heel egalitair gebleven. Dat zie je alleen al aan het feit dat na 1830 – toen de noodzaak verdween om een tegenwicht te vormen tegen de Belgische adel – bijna niemand meer in de adelstand werd verheven. Het was niet meer nodig. Maar het zit ook in de burgermentaliteit van dit land. Al in de zeventiende eeuw. Er waren toen al patriciërs die een titel hadden gekregen, bijvoorbeeld van de Deense koning. In Amsterdam droegen ze die titel echter nooit. Dat deed je gewoon niet. En dat is altijd zo gebleven. Ook je rijkdom: die laat je niet zien. Dat is in andere landen wel anders.'
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 24 augustus)

Zie ook:

donderdag 12 mei 2016

Zijn vrouwen in Nederlandstalige romans werkelijk vooral prostituee? (Knack)

Wie bevolken de Nederlandstalige romans? Vormen deze personages een getrouwe afspiegeling van onze samenleving? Om dat te onderzoeken heeft de Universiteit Utrecht een personagebank opgezet. Uw medewerking aan de literaire volkstelling wordt nadrukkelijk gevraagd.

Een vrouw met een baan? Dan zal ze wel prostituee zijn. En anders is ze een huisvrouw, nietwaar? Dat blijkt in ieder geval uit een analyse van alle romans die werden ingestuurd voor de Libris Literatuurprijs 2013. Na scholier en student waren de meeste vrouwelijke personages prostituee (18 van de 503) – gevolgd door huisvrouw, verpleegkundige, lerares, werkloze, journalist en secretaresse. Bij mannelijke personages zijn, na student en scholier, de meesten ondernemer (27 van de 670), leraar, dokter, journalist, schrijver en wetenschapper. Die beroepen hebben een duidelijk andere status.
‘Ik vond dat schokkend’, zegt masterstudent Lucas van der Deijl die deze studie samen met medestudenten Marion Prinse, Roel Smeets en universitair docent Saskia Pieterse van de Universiteit Utrecht uitvoerde. ‘Blijkbaar hebben schrijvers een nogal krom vrouwbeeld. Als mannelijke auteurs, die oververtegenwoordigd zijn bij alle Libris-inzendingen, over een vrouw schrijven, trekken ze makkelijk het poppetje prostituee uit de kast. Ook typisch vind ik de verdeling mannen als dokters en vrouwen als verpleegkundigen. Ik weet er weinig van, maar volgens mij zijn de verhoudingen in ziekenhuizen inmiddels aan het verschuiven.’
Maar wat als tussen de geselecteerde boeken toevallig een historische roman zit waarin de schrijvers het vrouwbeeld aan het einde van de negentiende eeuw – toen vrouwen alleen hoer of huisvrouw kónden zijn – bekritiseert? En een satire over snuivende en hoererende politici? Dat zou het een stuk moeilijker maken om te concluderen dat schrijvers ‘een conservatief volkje is dat achter loopt op de ontwikkelingen van de samenleving’, zoals Van der Deijl zegt. Uiteindelijk bedraagt het aantal inzendingen voor de Librislijst niet meer dan 170 literaire romans. Het is een klein schepje uit een oceaan aan leverbare fictie.
Van der Deijl c.s. zijn zich bewust van de beperkingen van een kleine dataset. Daarom hebben de jonge wetenschappers uit Utrecht vorige maand een personagebank (1) gelanceerd waarin het publiek wordt gevraagd de kenmerken van fictieve hoofd- en nevenpersonages te noteren: geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, beroep, woonplaats, herkomst. Als er op die manier tienduizenden figuren uit Nederlandstalige romans zijn geteld, kun je werkelijk zeggen: Nederlandstalige auteurs zien vrouwen als hoer of huisvrouw. Of juist niet natuurlijk. ‘Zonder de hulp van vele lezers kun je zo’n databank onmogelijk vullen.’
De personagebank ging van start met karakters uit 100 romans uit het Libris-onderzoek. Drie weken later is hij gegroeid naar 154 romans, goed voor in totaal 739 personages. Dat klinkt weinig, maar Van der Deijl is ‘blij verrast’. Hij had de aanwas veel lager ingeschat. ‘Ik ben van plan de databank een jaar te laten lopen. Ik hoop er ook op te promoveren, al heb ik nog geen plek gevonden. Stel dat er een jaar lang elke dag vier, vijf romans bij komen. Dan kom je ruim boven de duizend uit. Maar het kan ook best dat het na een half jaar stilvalt. De personagebank is een experiment.’
Het valt de onderzoeker daarbij op dat de voorlopige conclusies, die in realtime worden bijgewerkt, ongeveer gelijk zijn aan het eerste onderzoek (binnenkort te lezen in Journal of Dutch Literature). Niet alleen voor de beroepen van vrouwelijk personages – al ligt huisvrouw nu voor op prostituee. Mannen schrijven vaker over mannen (62%) dan vrouwen over vrouwen (54%). Mannelijke personages zijn gemiddeld ouder dan vrouwelijke. Mannelijke personages zijn ook vaker hoogopgeleid dan vrouwelijke. En romanfiguren wonen in meerderheid in de stad.
Als er ooit honderdduizenden personages zijn beschreven wordt ook ander onderzoek mogelijk. Bijvoorbeeld: wat zijn de verschillen tussen personages in thrillers, streekromans en literaire romans? Hoe hebben personage zich sinds 1945 ontwikkeld? En wat zijn de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen. ‘Het zou mooi zijn als meer mensen uit Vlaanderen mee doen. Tot nu toe staan nog weinig Vlaamse romans in de databank. De Vlaamse media hebben er nog weinig aandacht aan besteed. Eigenlijk willen we ook een Vlaamse universiteit als partner hierin.’
Volgens Van der Deijl is dit allemaal relevante kennis. ‘Er is al langer een discussie in de literaire wereld over de vraag waarom de literatuur geen afspiegeling is van de samenleving. Critici, uitgevers en juryleden zijn over het algemeen blanke mannen. Dat zie je terug in wat wordt uitgegeven, de winnaars van grote prijzen of wie het Boekenweekgeschenk mag schrijven. Vrouwen lijken minder aan bod te komen. Hetzelfde geldt voor schrijvers met een niet-westerse achtergrond. De literaire wereld lijkt voor hen gesloten. Onze gegevens kunnen laten zien of dat werkelijk zo is.’
Daarmee wil Van der Deijl geen positie innemen in de discussie. ‘Wat uitgevers en schrijvers ermee willen doen, is niet aan ons. Wij voelen wel een onderhuidse onvrede over de vooroordelen die de literaire wereld beheersen, maar we willen geen diversiteitsquota voor de literatuur vaststellen. We hopen er hoogstens aan bij te dragen dat uitgevers, juryleden en recensenten zich bewust worden dat ze ook vanuit hun eigen achtergrond keuzes maken en vervolgens geïnteresseerder zijn in andere personages dan alleen de hoogopgeleide, blanke man. De literatuur heeft meer te bieden.’
En wie weet kan de personagebank nog meer betekenen. Uitgevers zouden aan de hand van omissies kunnen zien waar een gat in de markt is. Zijn er geen romans over bejaarde West-Vlamingen? Misschien moet een slechtverkopende fondsauteur zich daar dan eens aan wagen. Ook kan de personagebank leesbevorderend werken. De schrijvers Alex Boogers klaagde onlangs in een schotschrift dat jongeren uit arbeiders- en achterstandswijken, zoals hij zelf, nooit lezen omdat er geen boeken over hen bestaan. Met een zoekopdracht in de databank zou je die wél kunnen vinden.
Maar voor zulke mogelijkheden werkelijkheid worden moet de groei van de personagebank wel vleugels krijgen. Dus als iedereen dit artikel leest de moeite wil nemen om karakters uit één roman toe te voegen: graag. 
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 7 mei)

woensdag 4 mei 2016

Zelden werd zo reikhalzend uitgekeken naar een pamflet van Abou Jahjah (Knack)

Wat is het uitgeverij De Bezige Bij waard om een pamflet van Dyab Abou Jahjah, aangekondigd voor september 2016, te publiceren? Een verhaal over principes, eigen auteurs eerst en miscommunicatie.

Welke auteur gaat uitgeverij De Bezige Bij binnenkort verliezen? De columnist Dyab Abou Jahjah? Of bestsellerauteurs Leon de Winter, Jessica Durlacher en Marcel Möring, die zich publiekelijk hebben gekeerd tegen de in hun ogen antisemitische activist? Sinds de prestigieuze Amsterdamse uitgever van bijna alle grote naoorlogse Nederlandstalige auteurs – van Reve en Mulisch tot Hermans en Claus – in februari jongstleden Abou Jahjah een contract voor twee boeken gaf, zijn de gemoederen zó hoog opgelopen dat het ondenkbaar is dat de uitgeverij het beide kampen ooit naar de zin kan maken. Wellicht heeft de Vlaming met Libanese wortels ook medestanders die dreigen op te stappen als De Bezige Bij het auteurscontract verscheurt.
Het laatste nieuws is de aankondiging van een bijzondere vergadering van Schrijversvereniging De Bezige Bij op 9 mei. De voorzitter Allard Schröder had aanvankelijk gezegd dat de vereniging – die door het verleden van de uitgeverij als coöperatie nog altijd grote invloed heeft – geen standpunt innam. Het uitgavebeleid was een zaak van de directie. Maar onlangs maakte het bestuur in een brief aan de leden bekend de publicatie van Abou Jahjahs pamflet Pleidooi voor radicalisering te steunen. Acht leden drongen er vervolgens aan eens goed te praten over 'de onrust over de identiteit' van de uitgeverij. Ofwel: 'over principes en fundamenten, maar ook wat daarvan de consequenties zijn', zo staat te lezen in de uitnodiging.
Om welke acht schrijvers het gaat is niet bekend – geen van de betrokkenen wil de interne ruzie uitvechten via de media. Het moge duidelijk zijn dat het handjevol auteurs dat zich wél heeft geroerd erbij is. Deze tegenstanders vallen uiteen in twee kampen. De Winter en Durlacher lijken hoe dan ook tegen een boek van Abou Jahjah met het befaamde Bij-logo te zijn. Zijn antizionistische en antisemitische uitspraken zijn zo schokkend dat het in het geheel niet uitmaakt wat hij beweert in zijn pamflet – dat, voor alle duidelijkheid, nog niemand heeft gelezen. 'Een stem als die van Abou Jahjah binnen de uitgeverij geeft me een onveilig gevoel', uitte Durlacher haar dreigement in diverse media.
Daartegenover staat Marcel Möring. Toen hij zich verdiepte in de opinies van de columnist – soms lang geleden gedaan in zijn tijd als voorman van de Arabisch Europese Liga (AEL) – schrok hij zich wezenloos. Maar: hij dreigt niet met opstappen, hij wacht af. 'Ik doe niet aan dreiging', schreef hij in NRC Handelsblad. 'Ik heb mijn uitgever gevraagd waarom deze agitator een contract heeft gekregen. Dat is alles. Ik sluit niet uit dat ik vertrek als hij het soort teksten publiceert waarvan wij hem kennen, maar dat is voorlopig niet aan de orde. Misschien schrijft hij een sprookje waarin islamitische, christelijke en Joodse kabouters gezellig samenleven in een grote paddenstoel. Dan zou ik zomaar kunnen blijven.'
De uitgeverij – eveneens zeer terughoudend naar de media – verdedigde Abou Jahjah aanvankelijk als een 'gerespecteerde stem in het debat'. Met de voor hen zo logische kanttekening dat het bijna overbodig leek het te zeggen: dat de uitgeverij vanzelfsprekend geen antisemitische geschriften wenst te publiceren. Contract of geen contract. Later gaf de uitgeverij toe dat de protesten van prominente fondsauteurs aanleiding hadden gegeven tot een fundamentele discussie 'over de rol van een moderne uitgever in prangende actuele kwesties en in het gepolariseerde debat van vandaag', zoals het in een van de schaarse uitingen heette.
Daar gaat het natuurlijk om: de rol van de uitgever. Kan een uitgeverij alle teksten uitgeven waarmee hij denkt geld te verdienen? De meeste uitgevers vinden van wel. De tijd van de verzuiling is voorbij. Kijk naar Prometheus. Die gaf net zo makkelijk een rechts-extremistische haatgeschrift van PVV-politicus Martin Bosma (De schijn-élite van de valse munters, 2010) uit als de memoires van GroenLinks-voorvrouw Femke Halsema (Pluche, 2016). Of neem, in Vlaanderen, Pelckmans. De uitgeverij beweerde vorig jaar bij hoog en bij laag Waarover men niet spreekt van islambasher Wim Van Rooy uitsluitend vanwege de gebrekkige kwaliteit niet uit te geven. Want ook Pelckmans vindt: het debat is gebaat bij grote diversiteit aan stemmen.
De enige reden waarom een uitgever werk van een auteur niet wil publiceren is dat hij persoonlijk niets met diens mening heeft. Lang niet iedereen zal bereid zijn Bosma of Van Rooy een podium te geven. Bosma was voor zijn tweede boek, Minderheid in eigen land, ook gedwongen dat in eigen beheer uit te geven. Maar een boek weigeren omdat andere auteurs in het fonds het ermee oneens zijn? Dat gebeurt nooit. Zoals Oscar van Gelderen van uitgeverij Lebowski schouderophalend in Het Parool zei: 'Als je meerdere succesnummers in je stal hebt, kan het natuurlijk ook altijd gebeuren dat mensen elkaar niet kunnen luchten of zien, los van politieke standpunten.'
Het opmerkelijke is dat uitgerekend De Bezige Bij haar uitgavebeleid recentelijk heeft laten bepalen door protesten van fondsauteurs. De uitgeverij zou in samenwerking met Das Magazin een bundel brengen van de tien beste jonge auteurs uit dit literair tijdschrift. Tot Jessica Durlacher na een tip protesteerde. Het tijdschrift had ooit JamalOuariachi's 'Handleiding Antisemitisme voor Beginners' gepubliceerd, waarin zij en echtgenoot Leon de Winter tamelijk onprettig figureren. Daar kon de uitgeverij zich absoluut niet mee associëren, of het verhaal nu ironisch was bedoeld of niet. Dat Ouariachi niet eens in De Tien voorkwam, maakte geen verschil. De uitgeverij verkoos toen de gevestigde bestsellerauteurs boven de aanstormende talenten. De Tien verscheen daarop elders.
Heeft de uitgeverij van deze kwestie uit 2013/2014 geleerd? Het lijkt er niet op. De Bezige Bij had destijds niet bijtijds de gevoeligheid onderkend om eventuele bezwaren bij anderen te kunnen wegmasseren. Dat is precies wat er dit keer ook misging. Abou Jahjah heeft in Vlaanderen een andere reputatie dan in Nederland, waar hij nog altijd bekend staat als de heetgebakerde activist die te vaak uit de bocht vloog. Zijn columns in De Standaard leest daar niemand. De hoofdredacteur Vlaanderen Katrijn Van Hauwermeiren – zelf een Vlaamse, zij het met jarenlange ervaring in Nederland – heeft daarom het potentiële risico van het binnenhalen van deze auteur onderschat. Net als haar baas Henk Pröpper.
Daar komt bij: Abou Jahjah stáát al op de fondslijst van De Bezige Bij. Zijn Dagboek Beiroet-Brussel, een verslag van de oorlog tussen Isräel en Libanon in 2007, is zelfs te koop via deuitgeverijsite. Tegen betaling van 20,95 euro wordt er on demand een exemplaar geproduceerd. Dit 256 pagina's tellend boek verscheen oorspronkelijk in 2008 bij Meulenhoff/Manteau. Deze imprint van Standaard Uitgeverij, destijds geleid door Harold Polis, ging in 2010 op in de zelfstandige uitgeverij De Bezige Bij Antwerpen. Toen die uitgeverij in 2014 werd opgeheven kwam het terecht bij De Bezige Bij. Dus, zou je zeggen, wie zou bezwaar aantekenen tegen een nieuw boek van zijn hand?
Maar nu is het te laat. Vlaamse Bezige Bij-auteurs als Stefan Hertmans en David Van Reybrouck hebben Abou Jahjah verdedigd. Zij hebben van dichtbij gezien hoe de columnist met het ouder worden zich steeds milder uitte. Goed, 'zijn heftige, provocatieve stijl van argumenteren [richt] vaak meer schade aan dan noodzakelijk', aldus Van Reybrouck in De Groene Amsterdammer. Maar: 'Voor de meesten [in Nederland] is Abou Jahjah niets minder dan de belichaming van de baarlijke duivel zelve. Die merkwaardige beeldvorming is in Vlaanderen inmiddels al jaren achterhaald.' Krijg dat nu echter nog maar eens uitgelegd aan de al te zeer geprovoceerde Durlacher en De Winter.
En Abou Jahjah zelf? Hij heeft het te druk met naar zijn mening belangrijker kwesties. In een op verzoek van NRC Handelsblad geschreven opiniestuk somde hij op: de positie van Israël in Europa, de positie van de islam en moslims, een radicale gelijkheid, de fundamenten van het internationale beleid. 'Dat zijn discussies die ik veel interessanter vind dan die rond mijn eigen persoon. Dat zijn zaken waarvoor ik me als activist inzet. En dat zijn de kwesties waarin ik me als schrijver verdiep en waarover ik nu voor De Bezige Bij een boek aan het schrijven ben. Als mijn criticasters daarover willen debatteren, dan zal ik met veel plezier van de partij zijn. Maar voor lege welles-nietesspelletjes en dovemansgesprekken moeten de dames en heren in kwestie mij excuseren. Sorry daarvoor.'
Ondertussen schrijft hij rustig door aan Pleidooi voor radicalisering waar, door alle heisa, reikhalzender naar wordt uitgekeken dan welk ander geschrift van zijn hand ooit.
(Eerder verschenen op Knack.be, 2 mei)

zaterdag 16 januari 2016

Julian Barnes schreef zijn Sjostakovitsj-roman bij het zoemen van een IBM 196c (Knack)

'Een held kun je maar een keer zijn, een lafaard moet je een leven lang elke dag zijn.' Julian Barnes vertelde gisterenavond over zijn nieuwe roman Het tumult van de tijd – die meer is dan een vie romancée van Dmitri Sjostakovitsj.

Het stond niet in de sterren geschreven dat Julian Barnes ooit een roman zou schrijven over een componist. Klassieke muziek trok hem juist aan vanwege zijn eigen abstractie die niets te maken heeft met literatuur. Muziek met woorden – opera, liederen, oratoria – stond hem decennia zelfs tegen. Ook voor de makers toonde hij weinig belangstelling. Hij las geen componistenbiografieën. Tot hij de memoires van Dmitri Sjostakovitsj in handen kreeg. Nooit eerder, begreep hij, 'had zo'n briljante componist op zo'n dagelijkse, levenslange schaal onder druk gestaan van de machthebbers'. Dáár zat een roman in.
De inmiddels 69-jarige Barnes vertelde dit woensdagavond in een afgeladen Vondelkerk in Amsterdam. Hij was voor een bliksembezoek afgereisd om Het tumult van de tijd te presenteren, zijn eerste roman sinds het Booker Prize-winnende Alsof het voorbij is. Hij praatte als echte Brit – met voortdurend kwinkslagen en luchtige anekdotes – vrijelijk over zijn relatie met klassieke muziek en het pessimistische karakter van Sjostakovitsj die daarom de grootste moeite had te voldoen aan de eis van het regime om optimistische, opbouwende muziek te componeren.
Barnes groeide op in een huis zonder muziek. 'We hadden wel een piano in huis. Mijn moeder was ook een goede pianist. Ze had meer dan vijftien jaar piano gestudeerd tot ze – 21, 22 jaar oud – ontdekte dat ze een stuk van Aleksandr Skrjabin niet onder de knie kreeg en ook nooit onder de knie zou krijgen. Ze gaf de piano op en speelde nooit meer. Wel verhuisde de piano altijd met haar mee, meer dan zestig jaar lang nadat ze was gestopt, met bovenop de piano een stapel bladmuziek. Bovenop die stapel lag al die tijd de bladmuziek van dat ene stuk van Skrjabin.'
Zelf heeft Barnes als twintiger klassieke gitaar gespeeld: een maandje, tot hij besefte dat het niets zou worden. 'Ik ben als mijn moeder'. Hij was meer een luisteraar. 'Mijn drie jaar oudere broer raakte geïnteresseerd in klassieke muziek. Zodra hij een bepaalde plaat zat was verkocht hij die aan mij. Mijn eerste plaat was de ouvertures van Tsjaikovski. Sjostakovitsj leerde ik kennen toen ik, achttien jaar oud, zijn vijfde symfonie hoorde in de London Festival Hall. We zaten op de eerste rij. We dachten dat dat de beste plaatsen waren. En toen begon het: enorm heftig. Schitterend, dat vind ik nog steeds.' 
Interviewer Arjan Visser zoomde daarop in op de meest voor de hand liggende manier om Het tumult van de tijd te lezen: als vie romancée van Sjostakovitsj. Wat was dat voor een man? Een lafaard? 'Zo noemde hij zichzelf meerdere malen. Dat moest hij ook zijn. Was hij een held, dan had dat hem zijn leven gekost. Als iets democratisch was in Stalins Rusland was het wel in de straffen voor de bevolking. Maar hij redeneert ergens in het boek dat het moeilijker is om een lafaard te zijn. Een held kun je maar een keer zijn, een lafaard moet je een leven lang elke dag zijn. Die sarcastische kant van hem trekt me ook aan.'
En toch zocht Sjostakovitsj ruimte om de componist te zijn die hij wilde zijn. Barnes: 'Hij componeerde gemakkelijk. Hij kon ook snel filmmuziek en liedjes schrijven – de muziek die het regime wilde dat hij maakte. Daarnaast schreef hij dingen expliciet voor zichzelf, zijn kwartetten met name. En muziek die publiek én privaat was. Daarin zocht hij compromissen, zoals in het slot van de vijfde symfonie. Dat heet de triomf van het socialisme te verklanken, maar het is zo hysterisch dat het als een parodie klinkt. Je hoort de dictator die met stok slaat en roept: "verheug je!" Diep ironisch.'
De interviewer vroeg zelfs: Waarom is Het tumult van de tijd een roman en geen biografie? Barnes legde uit dat een romancier de vrijheid heeft om het leven te interpreteren zoals hij wil. 'In het eerste deel zet ik Sjostakovitsj in 1937 op de overloop. Daar wachtte hij elke nacht tot het regime hem kwam ophalen. Zo hoopte hij te voorkomen dat de geheime dienst ook zijn vrouw en pas geboren kind meenamen. Iedereen vertelt die anekdote over hem, maar toen ik er met zijn biografe over sprak zei die: dat zeiden ze over iedereen in die tijd, er is geen bewijs dat het ook waar is. Een biograaf moet daar rekening mee houden, ik niet.'
Maar er is meer: Barnes zet in zijn roman het conflict tussen kunst en macht superieur op scherp. Het tumult van de tijd – een titel die het beroemde verwijt uit de Pravda echoot dat de componist 'chaos in plaats van muziek' maakte – draait niet voor niets om drie cruciale episodes in Sjostakovitsj' leven waarin hij in aanraking kwam met de macht. Steeds weet hij zich er door geluk en totale zelfontkenning uit te redden. Maar hij weet ook dat 'the noise of time' (zoals de toepasselijker, Engelse titel luidt) zal verstommen terwijl zijn muziek blijft klinken. Muziek die eindelijk zuiver klinkt zonder de associatie met zijn maker.
Helaas werd dat thema in Amsterdam slechts aangestipt. Eerder ging het over de vraag of Barnes zijn roman had gestructureerd als een compositie van Sjostakovitsj. Quod non. 'Je hoort wel eens schrijvers zeggen dat ze muziek maken. Nee. Het ritme en de beweging van proza is fundamenteel anders dan dat van muziek. Ik heb niet eens Sjostakovitsj geluisterd tijdens het schrijven. Ja, de eerste dag: zijn preludes en fugas voor piano. Maar dat hinderde me te veel. Ik heb nog een IBM 196c. Die maakt een heerlijk zoemend geluid. Heel bevredigend, alsof het zegt: ik ben er voor je. Dat was genoeg.'
(Eerder verschenen op Knack.be, 14 jan)

donderdag 14 januari 2016

Interview Erik Vlaminck: Zelfs literatuur kon zijn outsider niet redden (Knack)

Waartoe is een man in staat naar wie nooit iemand omkijkt? Dat is het uitgangspunt van De zwarte brug van Erik Vlaminck, waarmee de schrijver de overstap heeft gemaakt naar een Vlaamse uitgeverij.

Bart De Wever moet dood. Leo Lenaerts, hoofdpersoon van Erik Vlamincks nieuwe roman, besluit uitgerekend op 11 juli de burgemeester van Antwerpen op te wachten bij zijn woning aan de Herentalse Baan in Deurne. Naast de oprit van zijn huis neemt Lenaerts plaats op een meegebrachte keukenstoel. Zijn geweer ligt in een plastic tas op een muurtje. Haalt hij straks de trekker over?
Zijn hele leven lang heeft de inmiddels 70-jarige Lenaerts zich klein gehouden en zich achtergesteld gevoeld, zo blijkt uit het portret van hem dat het ontroerende De zwarte brug in essentie wil schetsen. In het gezin waar hij de jongste is en de ouderen allemaal hun eigen leven lijken te leiden. In zijn geboortedorp Lillo dat van de kaart wordt geveegd om de haven uit te breiden. Als verpleger in een psychiatrisch ziekenhuis en later als bibliothecaris, waar hij slechts een radertje is. En in zijn omgang met anderen, met wie hij nooit contact kan leggen. Alleen door het schrijven van ingezonden brieven aan kranten kan hij zich uiten. Het wordt tijd een echte daad te stellen.
'Niet had ik heel lang heb geworsteld, maar tijdens het schrijven heb ik me wel de vraag gesteld of ik dit slot met De Wever moest schrijven', zegt Vlaminck in het Antwerpse café ViaVia. 'Ik had schrik dat mensen zouden denken: hij steekt dat erin om zijn boek interessant te maken. Terwijl het voor mij logisch was dat het personage dit zou doen. Was de burgemeester van een andere politieke gezindte, dan kreeg hij het evengoed aan de stok met Leo Lenaerts.'
De Wever is niet meer dan een 'toevallig decorstuk', vindt de schrijver. Lenaerts woont al geruime tijd in Deurne. Hij bezocht lang voor de burgemeester er kwam wonen iedere ochtend al café 't Mestputteke op de Herentalse Baan. 'En De Wever is de man die het voor het zeggen heeft. Leo is het type dat redeneert: wie op zo'n positie beland moet wel een bedrieger zijn, ongeacht wie het is.'
Hoewel Vlaminck bepaald niet bekend staat als Vlaams-nationalist, is het optreden van de N-VA-voorman in zijn roman dan ook niet politiek te duiden. 'Ik heb natuurlijk politieke overtuigingen, maar die zal je in mijn boeken nooit terugvinden. Ik kruip in de huid van mijn personages. Ik probeer zo een spiegel van de maatschappij te zijn. En ik ben gelukkig nog altijd het soort schrijver die schrijft omdat hij het gevoel heeft dat hij moet. Daarom moet Leo doen wat hij doet.'
Lezers van De zwarte brug moeten wel aan het denken worden gezet – over De Wevers politieke koers of welke vraag de roman dan ook oproept. 'Dat is per definitie het doel wanneer je literatuur schrijft. Je wil dat een lezer nadenkt bij wat je schrijft. Anders ben je lectuur aan het maken. Dat wil ik niet. Maar wat de conclusie is van dat nadenken, daar wil ik de schoonmoeder niet van zijn. Het zou zelfs pretentieus zijn te hopen dat alle lezers één bepaalde conclusie trekken.'

Wat voor iemand is Leo Lenaerts?
'Een eenzaat, om te beginnen. Onmachtig om de evoluties in de samenleving te volgen. Hij is er ook bang voor. In zijn lezersbrieven naar kranten zal hij nooit over Marokkanen schrijven, omdat hij daar schrik van heeft. Hij is ontworteld. Letterlijk: zijn dorp is weg. Bovendien gaat hij twijfelen aan wie zijn vader en wie zijn moeder eigenlijk zijn. Dan speelt hij de bodem onder zijn bestaan helemaal kwijt.'

En waarom vindt zo iemand geen steun bij een populistisch politicus, zoals iedereen in café 't Mestputteke?
'Omdat hij er nooit in is geslaagd mee te gaan in wat dan ook. Dus nu ook niet.'

Waarom heeft hij de drang om te vernietigen?
'Uit onmacht om mee te draaien in de maatschappij. Ik denk dat er veel mensen met zo'n drang rondlopen. Ik denk dat het ook geldt voor een deel van de IS-gasten. Hier opgegroeid, naar Syrië gereisd en teruggekeerd om terrorist te zijn. Dat zijn evengoed ontwortelde mensen.'

Maar Leo Lenaerts is een lezer. Hij werkt als bibliothecaris en verzamelt bijzondere boeken. Meestal lees je dat literatuur een personage redt.
'Ik ken ook mensen die juist aan de literatuur ten onder zijn gegaan. Ik heb zeker twee mensen gekend die een eind aan hun leven hebben gemaakt nadat ze jaren met zelfmoordliteratuur bezig waren. Dat bestaat ook.'

Maar toch: juist over outsiders lees je dat ze dankzij literatuur beseffen dat er meer mensen zoals zij zijn. Waarom Leo niet?
'Daar heb ik geen antwoord op. Ik denk wel dat de literatuur hem af en toe overeind heeft gehouden. Tot het op een bepaald moment niet meer werkte. Toen moesten de boeken weg. Bovendien ontdekt hij de literatuur niet via het werk zelf, maar via een persoon: de schrijver Roger Van de Velde, die opgesloten zit in de instelling waar Leo in de jaren zestig werkt. Van de Velde is een gedroomde challenger voor Leo: ook een outcast, maar een die zich wél kan verweren.'

In het nawoord van De zwarte brug suggereer je dat je iemand in dat café hebt ontmoet op wie je Leo Lenaerts is gebaseerd. Is dat waar?
'Mijn vrouw heeft me weleens op zondagochtend bij de pistoletten gezegd dat het haar verwondert dat iemand met zo weinig fantasie boeken kan schrijven. Laat ik zeggen: het idee voor dit boek ontstond toen ik in 't Mestputteke effectief werd aangesproken door een rare man, die ik daar al tientallen keren had gezien maar die nooit wat zei en die opeens een heel pak van mijn boeken op tafel legde met de vraag of ik die kon signeren. Daarom heb ik ook een bibliothecaris van hem gemaakt.'

Je wist meteen: die man wil ik portretteren?
'Leo Lenaerts is iemand die aan de rand leeft. Outsiders hebben mij altijd geboeid. Ik realiseer me vaak dat ik een gelukt mens ben. Ik heb kansen gekregen. Ik heb niet al te veel jeugdtrauma's. Ik kan doen wat ik graag doe, krijg daar nog erkenning voor ook en kan er mijn kost mee verdienen. Maar ik zie veel mensen om mij heen die minder geluk hebben gehad. Waarom? Daar de vinger opleggen vind ik een boeiende zoektocht. Ik denk ook dat veel mensen het interessant vinden daarover te lezen.'

Maar waarom wek je de suggestie dat hij echt heeft bestaan? Om het verhaal nog echter te maken?
'Ja. Ik wil de lezer meenemen. Door zo veel mogelijk de realiteit te beschrijven kun je dat doen. Ik baseer mij altijd op oneindig veel research. Ik zoek ieder detail op om het verhaal zo echt mogelijk te laten zijn. Om dezelfde reden schrijf ik een boek als De zwarte brug in de tegenwoordige tijd en presenteer ik gesprekken met personages als interviews of schrijf ik schijnbaar echt gepubliceerde brieven van Leo Lenaerts. Allemaal soortgelijke claims op realiteit.'

In De zwarte brug duiken personages op uit eerder werk. Zoals de kermisexploitant Modest Vereycken. Waarom doe je dat?
'Ik vind het mooi dat al mijn boeken één groot universum is waarin alles aan elkaar hangt. Dus toen Modest opdook dacht ik meteen: die hou ik erin.'

Modest dook op? Een schrijver bepaalt toch zelf welke personages hij opvoert.
'Toch ging het zo. Ik schrijf, zoals in al mijn boeken, over de streek rond Antwerpen in de jaren vijftig. Dan duiken vanzelf dingen op als de jaarlijkse kermis. Wie loopt Leo daar tegen het lijf? Het is alleen aan mij om te besluiten wat ik met zo'n bekend personage uit mijn oeuvre doe. Omdat Modest net als Roger Van de Velde een ideale challenger voor Leo is – outcast van geboorte, terwijl hij er geen last van heeft – heb ik hem erin gelaten. Het is alleen zaak dat ieder boek wel op zichzelf staat. Het moet een leuk spelletje zijn voor lezers die mijn werk kennen. Meer niet. Of voor literair journalisten, waarvan er steeds minder zijn. Het komt niet zo vaak meer voor dat ik met een journalist praat die meer dan alleen mijn laatste boek heeft gelezen.'

Voor dit boek ben je na 25 jaar overgestapt naar een Vlaamse uitgeverij: Vrijdag. Waarom?
'Wereldbibliotheek is overgenomen [door Nieuw Amsterdam]. Ik zit graag bij een klein huis dat toch renommee heeft. Een uitgeverij waar ik te maken heb met de directeur én het meisje dat de telefoon opneemt. De uitgever en de redacteur van Wereldbibliotheek zijn wel dezelfde gebleven, maar de promotie en de aanbieding is in de grote molen verdwenen. Daarom ging ik naar Vrijdag. Op voorstel van Rudy [Vanschoonbeek van Vrijdag] is Wereldbibliotheek nu wel de co-uitgever voor Nederland geworden.'

De overstap heeft niets met Nederland-Vlaanderen te maken?
'Niet in de eerste plaats. Ik geloof wel dat je als schrijver tegenwoordig het sterkst staat wanneer je boek wordt gecoproduceerd door een Vlaamse en een Nederlandse uitgeverij. De barrière tussen Vlaanderen en Nederland wordt alsmaar groter. Je moet aan beide kanten van de grens een huis hebben dat zijn beste best voor je doet.'

Waarom wordt de barrière groter?
'Dat begint al bij het schrijven. Ik heb het gevoel dat we hier de Nederlandse standaardtaal aan het verliezen zijn. Er ontstaan meer en meer twee talen. Ik voel dat het sterkst bij de geslachten van zelfstandig naamwoorden. In Nederland wordt alles 'hij'. Een woord als 'kast' is vrouwelijk. Zo stond het in de jaren tachtig ook in de Van Dale. In de jaren negentig werd dat 'mannelijk en vrouwelijk'. En in de Van Dale van de jaren nul stond bij 'kast': dat is een de-woord en dus mannelijk. Maar dat is het woord naar mijn taalgevoel niet. Kast is in Vlaanderen nog steeds vrouwelijk.'

Moet je daarom bij een Vlaamse uitgeverij zijn?
'Toen ik in 2007 in de jury van de Librisprijs zat waren er maar twee schrijvers die een andere taal dan de standaardtaal gebruiken: Ilja Leonard Pfeijffer en Maarten 't Hart. Ik vind dat gek. Mensen spreken geen standaardtaal. Toch verplichten Nederlandse redacteuren schrijvers hun taal in die mal te gieten. In Vlaanderen is daar meer begrip voor, omdat Vlaamse auteurs vaker geneigd zijn het pad te verlaten.'

Bij Vrijdag is daar meer begrip voor?
'Maar het heeft ook nadelen hoor. Bij Wereldbibliotheek had ik het gevecht om mijn eigen taal te mogen schrijven wel gestreden. Maar ik had de afspraak met mijn redacteur dat hij alles zou aanstrepen wat Nederlanders echt niet begrijpen. Niet dat ik het woord dan schrapte, maar ik veranderde iets in de context zodat het woord toch begrepen werd. Dat heb ik nu anders moeten organiseren, want ik wil wel dat mijn taal wordt begrepen van Oostende tot Groningen.'

Waarom eigenlijk?
'Mijn decor is Vlaanderen, maar waar mijn plot om draait is universeler. Net zoals Gabriel García Márquez – met wie ik me echt niet wil vergelijken – een heel plaatselijke biotoop gebruikt voor verhalen die dat decor ruim overstijgen. Waarom zou ik mijn tijd steken in een roman waar de inhoud en de vorm provinciaals is?'

Toch ben je nooit echt doorgebroken. Zeker in Nederland niet. Je hebt geen echt grote bestseller geschreven en nooit een echt grote prijs gewonnen.
'Wat is doorgebroken? Toen ik mijn exemplaren van De zwarte brug ophaalde bij Vrijdag kreeg ik de mededeling dat het al voor verschijnen kon worden herdrukt. De uitgeverij maakt een begroting op grond waarvan de oplage van de eerste druk wordt bepaald. Toch is die al helemaal weg. Ik heb een trouw lezerspubliek. Een almaar groter wordend publiek ook. De verkoopcijfers van mijn boeken zijn gestaag blijven stijgen. Tot aantallen waar collega's die doorgebroken heten te zijn jaloers op zijn. Ik ben nu 61, als ik terugkijk denk ik dat ik echt niet mag klagen.'
(Eerder geplaatst op Knack.be 12 jan)

Meer Vlaminck:

donderdag 3 december 2015

Opeens had Paul Baeten Gronda door hoe hij moet schrijven (Knack)

Paul Baeten Gronda is volwassen geworden als schrijver. Zijn vijfde roman, Wanderland, is zijn beste tot nu toe. Slim geconstrueerd en ontroerend. Niet toevallig probeerde hij zich meer dan ooit te beperken tot de essentie.

Wanderland is de eerste roman die hij niet a priori als een oefening beschouwde, vertelt Paul Baeten Gronda. Voor zijn debuut Nemen wij dan samen afscheid van de liefde (2008) wilde hij onderzoeken of hij überhaupt een boek kon schrijven. 'In productievorm is dat alleszins gelukt'. Voor Onder vrienden (2011) zocht hij doelbewust 'een zekere lichtheid'. Straus Park (2013) moest 'een soort Great American Novel worden: een boek met een grote reikwijdte, die de hele wereld in zich opzuigt'. En zo was er iedere keer een soort opdracht die hij zichzelf gaf.
'Niet dat ik nu denk volleerd te zijn, maar ik wilde eens stoppen met proberen', zegt de inmiddels 35-jarige Baeten Gronda. 'Ik wilde nu gewoon zitten en scènes schrijven. Met zo min mogelijk filters en zo veel mogelijk botte eerlijkheid in de scènes. Ik had ook allerlei idee-fixen over wat een goed boek moet zijn. Een hoofdstuk moet minimaal tien bladzijden tellen om betekenis te hebben. Nonsens, natuurlijk. Wanderland bevat heel veel korte hoofdstukken omdat ze niet langer hoefde te zijn. Al dat soort dingen heb ik losgelaten, zodat ik me kon concentreren op de essentie: scènes.'
Of het daaraan heeft gelegen of niet, in zijn vijfde roman overtreft Baeten Gronda zichzelf. Wanderland is een ontroerend en slim geconstrueerd onderzoek naar eenzaamheid. Hoofdpersoon is de kunstenaar Igor Nast die wordt verlost van zijn gevoel dat het licht in de wereld dooft als zijn vader – die hij al jaren niet meer had gezien – op sterven ligt. Gesommeerd om naar Zwitserland af te reizen bevindt hij zich plots weken te midden van zijn halfbroers en -zus. Als zijn vader hem inwijdt in het geheim van zijn leven, vindt Igor voor het eerst verbinding met zijn familie.
Helemaal in één keer tot de kern raakte hij bij het schrijven trouwens niet, bekent de auteur. 'Aanvankelijk probeerde ik een Great European Novel te schrijven. Ik had pagina's en pagina's over kunstgeschiedenis, fysica, de motor achter de kunsthandel. Maar al schrijvende zag ik dat het verhaal er niet beter door werd. Ik heb het allemaal geschrapt, al zie je wel restanten van die versie terug in het boek. Ik ontdekte toen dat ik me het best kon focussen op de scènes, en dan het liefst die tussen de grote dramatische momenten in. Niet de begrafenis, maar een etentje een paar dagen later.'
En toen gebeurde het wonder: 'Plots had ik door hoor hoe ik moest schrijven. Wat mijn ritme was, mijn oerstem. Niet dat ik wil beweren dat ik de komende vijftig jaar op exact dezelfde manier zal blijven schrijven, maar ik had wel voor het eerst het gevoel: ik heb mijn plek gevonden. Dat was een fantastisch gevoel. Ik hoefde niet meer na te denken over hoe ik het verhaal moest vertellen, ik kon me helemaal concentreren op het verhaal zelf. Ik hoop dat als ik terug begin te schrijven aan een roman ik dat gevoel terugvind. Voor twee kortverhalen die ik inmiddels heb geschreven, was dat zo.'

Hoe klinkt de oerstem van Paul Baeten Gronda?
'Met veel humor erin – al dan niet geslaagd. Maar vooral met wat voor mij voelt als de juiste balans tussen wat je wel en niet vertelt. In bijvoorbeeld Freedom besteedt Jonathan Franzen de eerste negentig pagina's aan het uitleggen van de psychologische motivatie van zijn personages. Zó expliciet, dat wil ik niet. Maar ik weet niet of ik dan zo impliciet wil zijn als Raymond Carver, van wie ik erg hou. Een boek moet wel een verhaal hebben. Een lezer moet het idee hebben dat het boek ergens heen gaat. Anders wordt het niet goed. Misschien leer ik door het scenario voor een tv-serie die ik nu schrijf, nog meer de kant van Carver op te gaan.'

Je maakt samen met Tom Lenaerts een fictievere voor [de Vlaamse omroep] één.
'Ja. In het scenario gaat het helemaal niet om stijl of ritme. Ik schrijf in wezen een technisch document zoals je die nodig hebt om een IKEA-kast in elkaar te zetten. Het gaat tegen mijn natuur in, maar het helpt wel om beter te leren hoe je iets toont. Je kunt niet schrijven: de hoofdpersoon heeft heimwee. Je moet een oplossing verzinnen om dat gevoel duidelijk te maken zonder dat te benoemen.'

Helpt het vinden van je oerstem ook om dichter bij je thema te komen?
'Ik denk dat na vijf boeken stilaan duidelijk is dat ik altijd schrijf over familie, eenzaamheid, het stukgaan van geïdealiseerde liefde. Dat is niet erg. In de muziek heeft een band een herkenbare sound – na drie seconden weet je: o nee, deze sound, Coldplay! In de schilderkunst zie je hetzelfde. In de literatuur zou het net zo geaccepteerd moeten zijn dat een schrijver een eigen geluid heeft. Er zijn maar weinig schrijvers met zo veel talent dat ze elke keer een totaal ander boek schrijven. Bij de meeste schrijvers zie je in hun oeuvre alleen een evolutie binnen een bepaald soort boek. De ene keer ligt meer nadruk op humor, de andere keer op plot, maar de essentie blijft hetzelfde.'

Maar wat zie je als de essentie van Wanderland?
'Dat is voor iedere lezer anders, merk ik. Voor de een is het een verhaal over een vader-zoonrelatie, voor de ander over een man die de liefde terugvindt bij zijn broers en zussen, voor een derde is het een puur liefdesverhaal. Voor mij gaat het natuurlijk over al die zaken. Maar het liefst blijf ik buiten dat soort discussie. Ja, als iemand zoals jij me expliciet vraagt naar de essentie, dan geef ik antwoord. Maar ik vind het het mooist dát er zoveel interpretaties zijn. Iedere interpretatie zegt iets over de lezer zelf, die blijkbaar door het boek iets over zichzelf heeft ontdekt.'

Dus als ik zeg dat Wanderland over eenzaamheid gaat?
'Nou ja. Het zegt natuurlijk ook iets over mij. Wanderland gaat ook over mij. Net als Igor Nast heb ik het nodig om alleen te kunnen zijn én kan ik het anderzijds niet aan. Dat maakt het moeilijk voor mensen om mij in te schatten. Ik heb vaak zin een hele dag in mijn eentje te schrijven, en 's avonds kan ik dan opeens zin heb om naar familie te gaan om samen pasta te eten. Wel heb ik een dochter, dat maakt mijn eenzaamheid al anders dan die van Igor Nast. In mijn geval zijn ook niet alle bruggen naar andere mensen ontploft. Igors zus en zijn moeder zijn gestorven. Zijn oudste broer heeft hij al zeker tien jaar niet gebeld.'

En zijn grote liefde, Charlie Days, heeft hij in een woedeaanval vermoord. Althans, dat zou een lezer kunnen denken.
'Hij is er onduidelijk over. Je zou dat inderdaad kunnen vermoeden. Ik heb er alleszins geen moeite mee als lezers dat doen. Maar ik denk niet dat hij iemand zou vermoorden. Dat zit niet in hem. Charlie Days verdwijnt.'

En dan heeft Igor nog een laatste strohalm, die hij – nadat hij weet wat zijn vader zijn hele leven tevergeefs heeft nagejaagd – aangrijpt om aan zijn eenzaamheid te ontsnappen. Namelijk zijn halfbroers en -zus, hoewel hij die nooit heeft gekend.
'Hij heeft meer contact met ze gehad dan jij denkt. Igor zag ze vroeger ieder jaar op vakanties en zo. Alleen de laatste tien, vijftien jaar is er nauwelijks contact geweest. Maar ja, als Igor aan het einde op het vliegtuig naar L.A. stapt, heeft hij stappen gezet om het tij te keren. Hij mist zijn neefje Mirko al. Hij denkt met een glimlach aan zijn zus die het appartement aan het inrichten is dat hij haar heeft geschonken. Igor is wel blij om te vertrekken. Hij is nog steeds solitair. Maar hij is niet meer dezelfde gewichtloze vogel. Je kan je voorstellen dat hij vanaf nu zijn familie wél belt. Dat ze bijvoorbeeld afspreken om elkaar tenminste een keer per jaar te zien.'

Ook dat hou je impliciet.
'Ja, ja. Het is genoeg om wat licht door het duister te laten schijnen, ik hoef er geen lamp van 500 watt op te zetten om de verandering bij Igor te tonen.'

Vind je Wanderland dus zelf ook je beste boek tot nu toe?
'In alle eerlijkheid: ik laat het waardeoordeel over aan anderen. Stel dat iedereen zegt: je vorige boek is beter, dan zou ik dat betreuren maar wel geneigd zijn dat te geloven. Dan ben ik blijkbaar niet geslaagd in mijn opzet. Vooral de allereerste reactie is voor mij heel belangrijk: de reactie van mijn redacteur. Zij is een nieuwe redacteur voor mij, nadat ik met Robbert Ammerlaan ben meeverhuisd naar zijn uitgeverij Hollands Diep. Toen zij zei dat ze geraakt was door dit verhaal en ik zag dat ze het meende, viel er een gewicht van vijftig ton van mijn schouders af. Het werkte dus.'

En nu is het boek al snel na verschijnen herdrukt.
'Inderdaad, vorige week. Dat is mooi, ik kan het geld wel gebruiken. Hopelijk heb ik een keer een bestseller. Alles bij elkaar heb ik nu een stuk of vijftien, twintig reacties gekregen. Van mijn uitgever, van de eerste recensent, van vrienden. Men is er echt door geraakt. Dat is het belangrijkst. Voor Straus Park kreeg ik goede recensies: drie, vier sterren. Maar men schreef dat het goed was gedaan, men was er – tot mijn verbazing, moet ik zeggen – niet door geraakt. Terwijl ik ernaar streef boeken te schrijven die iets met de lezer doen. Want dat zijn uiteindelijk de boeken die echt iets achterlaten bij mensen, de boeken die je met je mee blijft dragen.'

Als lezers zeggen geraakt te zijn, weet je ook zeker dat je niet alleen gelezen wordt omdat je een bekende naam hebt, door bijvoorbeeld je columns voor Knack Focus. Want in Nederland wordt je volgens mij nauwelijks gelezen.
'Dat klopt. Ik word sinds mijn tweede boek altijd wel besproken in Nederland. Positief ook: drie sterren of meer. Maar verkoop? Heel weinig. Ik haal maar vijf procent van mijn verkoop in Nederland. Ik vraag me dan wel eens af: ben ik wel een schrijver? Ik heb het er weleens over met Stijn Meuris, met wie ik ben bevriend. We kennen allebei het gevoel dat er een moment komt waarop iemand tegen ons zegt: "Maar wij hebben u door!" Pas sinds Straus Park door buitenlandse uitgevers is beoordeeld, is dat gevoel minder geworden. Lectoren van uitgeverijen als Penguin, Gallimard, Random House Duitsland – echt niet de minsten dus – schreven heel positieve rapporten over mijn boek. Ik heb ze gelezen. En die weten echt niet wie Paul Baeten Gronda. Die lof is alleen gebaseerd op de tekst. Heel fijn. Straus Park komt nu in juni uit in het Duits.'

Wie weet wordt Wanderland je doorbraak in Nederland.
'Ik hoop al langer op een doorbraak in Nederland, maar misschien is dit boek er meer geschikt voor dan Straus Park. Dat boek ging over familieverhoudingen en de Tweede Wereldoorlog. Het speelde ook deels in Amsterdam tijdens de oorlog. In Vlaanderen bestaan zulke boeken niet, maar in Nederland is dat bijna een genre op zich. Waar in Vlaanderen de reactie was: waarom moet een Vlaming hierover schrijven?, zijn er in Nederland gewoon betere boeken in het genre. Straus Park viel er daarom een beetje tussenin. Wanderland bespeelt veel directer een universele emotie – en op basis van de eerste reacties weet ik dat het boek dat met succes kan doen.'
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 1 dec) 

Zie ook:

maandag 9 november 2015

Interview Dimitri Verhulst over 'Bloedboek': 'de Bijbel is geen literair meesterwerk' (Knack)

In zijn bewerking van de eerste vijf boeken van de Bijbel is God een rancuneuze tiran. Dimitri Verhulst kon er niet ontkomen, vindt hij, om in Bloedboek de schijnwerpers te zetten op de vraag: wie is God eigenlijk?

Een roman die begin november verschijnt ligt niet op de Boekenbeurs. Alleen boeken die minimaal twee weken voor het begin van de beurs in de boekhandel liggen mogen uitgevers in Antwerp Expo verkopen. Dimitri Verhulst kan er niet mee zitten. 'Ik heb toch de indruk dat ik daar als literair auteur steeds minder te zoeken heb. Het is kijken naar bekende mensen, die iets hebben te betekenen in de wereld van het televisie-entertainment en hun roem bekronen met een boek. Het is fijner om de boekhandel een hart onder de riem te steken. Het boek ligt nu alleen bij hen.'
Bloedboek zou aanvankelijk in februari verschijnen. 'Maar de kerstperiode is een mooie periode om de Bijbel cadeau te krijgen, niet? En het boek was af. Als een boek klaar is mag het wat mij betreft de markt op. Waarom het opzettelijk in de ijskast stoppen? Ik ben geen beursgenoteerde schrijver die wacht met het uitbrengen van zijn boek op het moment dat zijn aandeel op zijn hoogst staat. Mijn volgende boek is trouwens ook al klaar. Moet ik dan twéé boeken in de ijskast stoppen? Daarbij: drie maanden eerder, waar hebben we het over?'
In Bloedboek concentreert Verhulst zich op Mozes. In het eerste deel, toepasselijk 'Soap' getiteld, is hij het die zijn familiegeschiedenis vertelt: van de eerste man, geschapen uit 'een snuifje kurkdroog stof der aarde, en een hap lucht om in diens neusbollen te blazen', tot Jozef die alle 'Israelezen' opdroeg naar Egypte te verhuizen. In het tweede deel doet Mozes zijn eigen verhaal. Onder de titel 'Mijn veldtocht' vertelt hij hoe hij, min of meer tegen zijn zin, in opdracht van de opperste leider een volk dat hem voortdurend tegenwerkt terug naar huis leidt.
Het eindresultaat doet nog het meest denken aan Verhulst' Librisprijs-winnende Godverdomse dagen op een godverdomse bol. 'Toen ik dat boek in 2008 maakte, dacht ik al: dit is het begin van een tweeluik. In Godverdomse dagen beschreef ik de geschiedenis in een oudtestamentische taal. In een zo bloemrijke taal dat je vergeet dat het de werkelijkheid is. Nu grijp ik terug op de oudtestamentische taal om een narratief te schrijven, dat voor veel mensen de kracht van werkelijkheid heeft en nog altijd een motivatie is om – goede of slechte – daden te begaan.'

Waarom wilde je de Bijbel bewerken?
'Om ontzettend veel redenen. Voor mij persoonlijk omdat in de Bijbel de oorsprong van mijn vertelzucht ligt. Ik ben enorm schatplichtig aan de Bijbel. Het zijn de eerste verhalen die tot mij zijn gekomen: op school, tijdens catechisatielessen, via de nonnen die op mijn pad kwamen. En iedere schrijver wil weleens terugkeren naar de bronnen waardoor hij in het schrijverschap is gerold, maar dan als iemand die het métier in de vingers heeft – of denkt te hebben. Een andere reden is dat vertellen weliswaar heel mooi is, maar dat het nog mooier is om iets te hervertellen. Hoe meer nadruk je iets geeft door het te herhalen, hoe essentiëler het wordt. Het verlangen naar hervertellen zit in onze natuur, kijk maar naar kleine kinderen. Als je kinderen een verhaal voorleest is de kans groot dat hij het nog een keer wil horen, liever dan een nieuw verhaal.'

Maar waarom is het voor een schrijver mooier om te hervertellen?
'Omdat je zo dicht met de neus op de stijl gedrukt wordt. Hoe schik ik verhaallijnen? Welke tijd kies ik? Welke personages gebruik ik? Niet dat daarom de inhoud minder belangrijk is. Vorm is inhoud. Ik kan me voorstellen dat lezers van Bloedboek worden gewezen op een aantal aspecten van de Bijbel die hen eerder waren ontgaan. Dat komt door de vorm die ik heb gekozen.'

De Bijbel is al onnoemelijk vaak bewerkt. Tegenwoordig heeft Guus Kuijer succes met zijn serie 'De Bijbel voor ongelovigen'. Wat wilde je aan die enorme bibliotheek toevoegen?
'Ik heb ik me niet gestort in alle andere bewerkingen. Ik wilde me niet besmetten met andere visies. Ja, vroeger heb ik kinderbijbels gelezen, maar dan kun je net zo goed geen Bijbel lezen, daar staat niets in. Kinderbijbels negeren dat de Bijbel een gruwelijk boek is vol smerigheden. Dat je bepaalde volken mag afslachten omdat ze minderwaardig zijn of omdat ze de verkeerde god aanbidden. Dat je slaven mag kloppen. Dat je krijgsgevangen vrouwen mag neuken, als ze maar kaalgeschoren zijn. Dat staat allemaal in de Bijbel, maar niet in de kinderbijbel.'

Die verhalen hoorde je dus ook niet van de nonnen die je in je leven tegenkwam.
'Nee. Het katholicisme focust op het Nieuwe Testament, Ik kan me ook goed voorstellen dat er op bepaald moment behoefte was aan een brave sloeber als Jezus om de Bijbel te verzachten. Dat boek begon lelijk te stinken. Met verhalen over hem ben ik dus ook opgegroeid. Met wat details uit het Oude Testament: de toren van Babel, de ark van Noach. Die verhalen worden zo opgepompt dat je denkt dat ze de kern van het Oude Testament zijn, maar de toren van Babel is tien lijnen. De ark van Noach: een alinea. De rest is allemaal smeerlapperij. Dochters die hun vaders verkrachten. Die scènes zie je ook niet terug in de schilderkunst.'

En toen ging je op een gegeven moment de Bijbel zelf lezen?
'Ja. Dat vond ik choquerend. Niet eens om de inhoud, maar omdat het zo slecht is geschreven. En toen ik het omwille van dit boek ging herlezen, vond ik dat weer. Verdomd, die Mozes kon wel een redacteur gebruiken. De structuur is een grote knoeiboel. Er komen duizenden personages in voor. De Bijbel is nog niet begonnen of je krijgt hele stambomen. Omdat je dan nog niet weet of al die namen belangrijk zijn voor het vervolg denk je: oei, goed opletten. Je ziet door de bomen het bos niet meer. Ik ben opgegroeid met een orale traditie. De verhalen zijn mij vertéld. Met Bloedboek wilde ik terug naar die traditie.'

Opmerkelijk. Er zijn juist talloze auteurs – denk: Jan Wolkers – die weglopen met de taal van de Bijbel. Althans, in de vertaling van de Statenbijbel.
'Ik heb de Statenbijbel en de Willibrordvertaling gebruikt, maar ik vind ze alle twee krukkig. Er zullen mensen zijn die het choquerend vinden dat ik dat zeg, maar voor mij is het geen literair meesterwerk.'

Heb je zelf eigenlijk geloofd – zoals schrijvers als Wolkers?
'Zéér. Tot ik twaalf was. Ik was het vroomste jongetje op aarde. Ik viel iedere avond biddend in slaap, Jezus was mijn beste vriend. Ik ben misdienaar geweest. Twee keer per dag eucharistie. Tot het opeens voorbij was. Ik heb nog één spannende nacht beleefd omdat ik voor het eerst niet had gebeden. Als dit maar goed komt! Er gebeurde natuurlijk niets. En waarom die omslag? Er was geen aanleiding eigenlijk. Een ongelukkige jeugd kan geen reden zijn geweest. God vindt al die miserie juist heerlijk: de laatste zullen de eerste zijn en zo. Hoe meer miserie, hoe beter zelfs, want: hoe schoner de troostprijs van het paradijs na je dood. Nee, op een dag was het voorbij en ben ik agnostisch geworden. Ik weet het niet, dat is het enige juist antwoord dat je kunt geven op de vraag naar het mysterie van het leven.'

Mag ik Bloedboek interpreteren als bovenal een familiegeschiedenis?
'Ik heb de stamvaders centraal gezet, ja. God had die ene familie – waarom, wordt er niet bij gezegd – uitverkoren om een groot volk te stichten. Dan is het evident je te focussen op die kerels.'

Juist dingen die je niet in de typische soap tegenkomt, heb je geschrapt. Ik denk aan de worsteling van Jacob met de engel.
'Naar mijn idee staan er veel passages in de Bijbel om bepaalde woorden uit te leggen. Na de worsteling met de Engel krijgt Jacob een nieuwe naam: Israël, wat betekent: hij die met God vocht. Dat zijn taalgrapjes die misschien in het Hebreeuws werken. In het Nederlands leidt het af van het verhaal: de familiegeschiedenis, die uitkomt bij Mozes. Ik wilde in Bloedboek vooral een inkijkje geven in die man. Zoals Rushdie gedaan heeft in De Duivelsverzen: in het hart van een aartsvader kijken en zijn twijfel blootleggen.'

Waarom wilde je dat?
'Het zal je maar overkomen dat je op een dag wordt aangesproken door een man die in een bosje staat te branden en je een levenstaak geeft die niet voor de poes is. Een immense verantwoordelijkheid, opgedragen door de hoogste autoriteit van het universum. En dan alle tegenkanting die hij krijgt, alle opofferingen die hij zich getroost.'

Is Mozes de meest tragische personage uit de Bijbel?
'De menselijkste in ieder geval. Israël is echt een smeerlap. Hij bedriegt zijn broer Esau, komt door leugens en listigheden aan het hoofd van het geslacht. Mozes heeft ook andere kanten: zijn twijfel. Al zijn voorgangers zijn ook hypergefocust op het baren van kinderen. En anders appelleert God hen wel: hoe zit het met de voortplanting? Mozes is daar niet zo mee bezig. Er wordt amper iets verteld over zijn gezin. In een paar regels zou je kunnen lezen dat hij twee vrouwen had – zoals iedereen toen. Veel meer staat er niet. De stilistische ontwikkeling in het boek reflecteert die menselijkheid van Mozes. In het begin schrijf ik heel ritmisch, met veel klankrijm. Gaandeweg Mozes meer in beeld komt, maakt de spielerei langzaam plaats voor menselijker taalgebruik. Dat heb ik goed gedaan, vind ik.'

Ik zie Bloedboek ook als een ontmaskering van God. Aan het eind heeft een lezer een grote hekel aan hem gekregen.
'Iedereen heeft de keuze om God te zien zoals hij wil, ik alleszins kan hem niet anders zien dan als fascist. Er is wel wat met mij gebeurd tijdens het schrijven. Op een gegeven moment vond ik dat het taalplezier niet belangeloos kon zijn. Kijk, de Bijbel is geen boek dat ik kan aanbevelen als een levensgids, maar mooi taalgebruik kan het in de hand werken dat je een boek zo gebruikt. Ik wilde dus niet zomaar vertellen dat je van God allerlei volkeren mag afslachten. Ik wilde de schijnwerpers ten volle richten op vragen als: wie is die God eigenlijk? Hoe zit hij in elkaar? Welk levensbeeld dringt hij ons op?'

Tijdens het schrijven werd je bewuster van zijn, wat je noemt, fascisme?
'Nou, ik wist al wel dat de Bijbel geen aanbevolen literatuur van Amnesty International was. Er is geen grotere mensenrechtenschender dan God. Hij zou eigenlijk voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag moeten worden gebracht.'

Zou je het prettig vinden als Bloedboek de lezers de ogen opent – en ze van hun geloof vallen?
'Prettig? Het is alleszins niet prettig om je godsgeloof te verliezen. Je gaat, mét God, tenminste lachend de put in, omdat je weet dat dan alles begint. Als je net als ik zonder God de kist in gaat, lig je met heel weinig vooruitzichten weg te rotten. Weg paradijs. Maar ik denk niet dat mijn boek het einde van iemands geloof kan veroorzaken. Je moet wel heel blind zijn gebleven als je mijn boek nodig hebt om je ogen te openen. Daarbij: ik wil niemand verbieden te geloven. Zo'n verbod is toch onmogelijk. Het enige wat moet gebeuren is nadenken hoe we de vrijheid van godsdienst kunnen verzoenen met andere vrijheden. De tijd daarvoor is nu echt aangebroken.'

Want?
'Wat IS momenteel doet gebeurt ook in naam van een godsdienst die is toegestaan in de universele rechten van de mens. Ze mogen dat geloof aanhangen, maar jezusmina, wat spoken ze uit? Welke mensenrechten schenden ze niet? Tegelijk lijken we in een periode te zijn beland waarin steeds minder mensen opstaan om er iets van te zeggen – uit angst dat ze op straat in elkaar worden geklopt. Ik ga het debat graag aan. Niet om te zeggen: schaf het katholicisme of de islam af, maar om het evenwicht te vinden tussen het aanhangen van een god en je toch niet gedragen naar de leefregels van die god, als die god zegt dat alle homo's verdelgd moeten worden.'
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 4 nov)

Zie ook deze interviews met Verhulst: