zaterdag 15 juni 2013

P.B. Gronda - 'Straus Park'


Als jurylid van de AKO Literatuurprijs moest ik ooit het debuut van Paul Baeten Gronda lezen. Wat een vreselijk boek was Nemen wij dan samen afscheid van de liefde (2008). De humor was zo geforceerd en niet-grappig dat ‘aanstellerig’ nog het positiefste adjectief is wat je aan deze roman kon plakken. Ook van Kentucky, mijn land (2009), dat ik een jaar later als jurylid kreeg toebedeeld, was ik niet onder de indruk. Maar er zat wel iets in dat me deed geloven dat Gronda ooit een goed boek zou kunnen schrijven.
En nu is daar alweer zijn vierde roman in vijf jaar: Straus Park - ditmaal geschreven onder de naam P.B. Gronda. Vanaf het moment dat ik het binnenkreeg hing er iets onbenoembaars rond dit boek dat me verleidde om het vrijwillig te lezen. Misschien wel de fraaie vormgeving.
Aanvankelijk werd ik niet teleurgesteld. Gronda’s stijl heeft niets aanstellerigs meer. Hij schrijft levendig, beeldend, met vaart. De structuur zit zeer vernuftig in elkaar en het verhaal wist me te raken. Straus Park gaat over de antiquair-erfgenaam Amos Grossman die weet dat hij de liefde van zijn leven heeft ontmoet als een promovenda hem komt interviewen over de naoorlogse verspreiding van Europese kunst. Julie F. Dane, heet ze. Gronda slaagt erin Amos’ vertwijfeling en zijn voorzichtige versierpogingen, zonder zijn rijkdom al te opzichtig te misbruiken, fraai weer te geven.
Vanaf deel twee wordt het helaas minder. Gronda springt terug naar de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog. Het tijdperk van Amos’ grootouders. Hij zet mooi de dilemma’s uiteen waardoor mensen met de beste intenties toch de verschrikkelijkste keuzes kunnen maken. Maar de oorlogsgeschiedenis is niet geloofwaardig. Amos’ grootouders zitten ondergedoken in Amsterdam, maar kunnen wel inkopen doen. Hoe kwamen ze dan aan bonnen? Ook laat Gronda zijn protagoniste probleemloos ’s avonds laat de straat opgaan. En de spertijd dan? Je vraagt je af of hij voldoende research heeft gepleegd.
In het derde en laatste deel verweeft hij deze voorgeschiedenis met het heden. Opnieuw doet hij dat heel vernuftig en subtiel. Maar Amos en de andere personages rijgen opeens de ene wisecrack aan de andere, zoals Amerikaanse filmpersonages die altijd zo goedgebekt zijn. Daarbij lijkt Gronda niet meer de moeite hebben genomen om zijn taal te zuiveren van Vlaamse dialectwoorden. Amerikanen en Britten die elkaar de hele tijd ‘onnozelaar’ en ‘zot’ noemen: als Nederlander vind ik dat onverteerbaar. Het zorgde er mede voor dat ik nooit meer zo geraakt was als in het eerste deel.
Paul Baeten Gronda is een van de zeldzame schrijvers die daadwerkelijk groeit met ieder boek. Hopelijk kan hij nog één stap zetten. Dan wordt hij een van de grootste auteurs van zijn generatie.

Zie ook:

donderdag 13 juni 2013

De dames van Renate Dorresteins leesclub ontmoeten hun favoriete schrijver

'Voor elke nieuwe roman schafte hij zoals bekend een half dozijn nieuwe Italiaanse schoenen aan. Hij liet de muren van zijn werkkamer met vers dik, donkergroen vilt bekleden. Hij sleep zijn befaamde dartpijltjes, waarmee hij zijn bierviltjes met aantekeningen aan de muur nagelde, per roman achtennegentig stuks, niet meer en niet minder, want van helder denken krijg je heldere boeken. En in het geval van een naderend writer's block gewoon rustig door de neus blijven ademhalen, met hoofd tussen de knieën. Daar kon menig debutant nog wat van opsteken.'
(Uit: De leesclub, Renate Dorrestein, 2010)

De leesclub kreeg drie jaar geleden een minder dan juichende ontvangst, als ik het me wel herinner. Toch vond (vind) ik het verhaal over een leesclub van zeven 'middelbare mutsen' die een cruis boekt geleid door hun favoriete auteur, een aardige satire, juist omdat het over schrijvers en literatuur gaat. Dorrestein heeft haar successchrijver gemodelleerd naar tal van bekende auteurs. Dat prikkelt mij om alle verwijzingen te raden. Helaas niet altijd met succes: naar welke auteur verwijst bovenstaande? Geen idee. In ieder geval is duidelijk dat als het naar Dorrestein zelf verwijst - wat ik overigens niet denk - ze nu niet meer zo luchtig zal doen over een writer's block. Zie hier.

Ook een mooie uitspraak uit De leesclub is deze: 'Al Gods schepselen moet sterven. Maar we waren pas halverwege de Russische Bibliotheek.' Kan iedere fervente lezer herhalen op zijn sterfbed (moge dat moment nog lang op zich laten wachten).

Zie ook:
- Benali Boekt toont aan hoe moeilijk literatuur op tv is

dinsdag 11 juni 2013

Uit de pas verschenen najaarsaanbieding van uitgeverij Podium: 'De boekenapotheek'


Verschijnt in oktober 2013:

De boekenapotheek is een medisch handboek – maar dan anders. Of je nu de hik hebt of een midlifecrisis, last van slapeloosheid of gebrek aan humor, liefdesverdriet of obesitas, het zijn stuk voor stuk aandoeningen waarvoor je in De boekenapotheek een medisch literair advies aantreft. In dit fascinerende handboek vind je fictionele zalfjes van Saramago, balsems van Balzac en prozapleisters van Perec en Proust. In totaal 550 romans, inclusief het werk van Gerard Reve, Tommy Wieringa en Kluun, bieden hulp bij niet minder dan 320 aandoeningen. Soms is het het verhaal zelf dat afleiding biedt, dan weer het ritme van het proza dat de psyche streelt en stimuleert. Lees bijvoorbeeld Kaas van Willem Elsschot als je jezelf verfoeit om een gebrek aan ambitie, ervaar de neergang van een alcoholist in Malcolm Lowry’s Onder de vulkaan wanneer je te dorstig begint te worden, of lees De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween van Jonas Jonasson als je het dagelijks leven te zwaar opvat. De boekenapotheek, die wereldwijd zal verschijnen, is geschreven door twee gepassioneerde Engelse ‘bibliotherapeuten’. Het boek is voor een kwart aangevuld met recepten van Nederlandse en Vlaamse bodem. Deze lemma’s zijn verzorgd door literair journalist Maarten Dessing.

Ella Berthoud is net als Elderkin bibliotherapist bij The School of Life, opgericht door onder anderen Alain de Botton. Sinds 2007 geven ze er literaire consulten. Berthoud studeerde in Cambridge en Londen.
Susan Elderkin is schrijver. Ze behoorde tot Granta’s 20 Best Young British Novelists in 2003. Haar debuut Bergen van chocola stond op de shortlist van de Orange Prize. Haar roman The Voices stond op de shortlist van de Ondaatje Prize.
Maarten Dessing is literair journalist. Hij schrijft o.a. voor Boekblad, BOEK, Knack en was AKO-jurylid.

Zie ook deze voorpublicatie. Meer zullen volgen op dit blog.

zondag 9 juni 2013

Interview Jan Brokken (2): over 'De vergelding' (BOEK)


De vergelding raakte dit voorjaar een gevoelige snaar. Van het boek over een dorp tijdens de oorlog zijn al vijfenzeventigduizend exemplaren verkocht. Ook jongeren zoeken in het boek antwoord op morele vragen, heeft Jan Brokken gemerkt. ‘Aan hun opa of oma kunnen ze het niet meer vragen, want die zijn dood. En hun ouders zijn van na de oorlog.’

‘Iedereen moest standpunten innemen over de oorlog’

Jan Brokken zul je niet horen mopperen over ontlezing. Nederlanders storten zich gretig op zijn boeken. ‘Als ik tijdens lezingen merk met hoeveel interesse mijn werk is gelezen’, zegt hij. ‘Een boek als Baltische zielen – bijna vijfhonderd pagina’s dik, over een weinig bekend gebied – hebben sommigen drie keer gelezen. Ik vind de kwaliteit van het Nederlandse publiek echt ongelooflijk hoog. Men stelt doordachte vragen. Trekt parallellen met andere boeken. Een genot om mee te maken.’
Vergelijk het met een land als Italië, waar hij onlangs was toen In het huis van de dichter, over zijn vriendschap met de pianist Youri Egorov, er in vertaling verscheen. ‘De belezenheid was zeer gering, viel mij op. Je kan echt geen sprong maken naar andere auteurs dan naar die op dit moment populair zijn in Italië. De klassieken uit de Angelsaksische, Franse of Duitse literatuur? Kennen ze niet. Dat merk je aan de vragen uit het publiek. Die missen diepgang.’
En het zijn in Nederland echt niet alleen vrouwen van zekere leeftijd dankzij wie volgens het cliché schrijvers hun brood verdienen. Brokken ziet steeds meer mannen in de zaal. ‘Ook omdat ik vooral non-fictie schrijf. Mannen lezen vaker non-fictie.’ En steeds meer jongeren. ‘Er is een kleine groep die heel enthousiast met literatuur bezig is. Ik denk omdat het literatuuronderwijs volkomen om zeep is geholpen. Deze jongeren hebben het gevoel dat ze de literatuur zelf hebben ontdekt.’
Literatuur krijgt ook een steeds belangrijker plaats in de maatschappij. ‘Een rechter organiseert in plaats van een afscheidsreceptie een lezing van mij over Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin, over het van oudsher bruisende muziekleven op de Antillen. Dertig wateringenieurs, die allemaal werken aan projecten in Riga, vroegen mij mee op reis om hen te helpen het land en zijn inwoners te begrijpen. En ik ben niet de enige schrijver die zulke uitnodigingen krijgt.’

Jan Brokken (1949) heeft – zeker de laatste jaren – nooit te klagen gehad over succes. Mijn kleine waanzin (2004), een roman over Brokkens jeugd in het calvinistische Rhoon, is aan zijn tiende druk toe, met een elfde in voorbereiding. Van Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin (2006) zijn ondanks het specialistische onderwerp al zes drukken opgelegd. Baltische zielen (2010) namen ‘duizenden, duizenden’ mensen mee op reis naar Estland, Letland en Litouwen, zegt hij.
Maar de weerklank die De vergelding dit jaar vond, heeft Brokken nog nooit meegemaakt. Het verhaal van een vergeldingsactie van de nazi’s, waarbij zeven onschuldige burgers in Rhoon werden geliquideerd, en hoe dat tot op de dag van vandaag doorwerkt in de dorpsgemeenschap, bereikte in februari vrijwel meteen na verschijnen de eerste plaats van de bestsellerlijst. Na twee maanden stond de teller al op zeven drukken en 50.000 verkochte exemplaren.
De intensieve lezingentournee – die nog in volle gang is, check janbrokken.nl/agenda –  trekt overal ‘barstensvolle’ zalen. ‘Ik ben tijdens lezingen vaak huiverig voor de discussie na de pauze,’ zegt Brokken. ‘Zijn er vragen? Heel aarzelend gaat er dan een vingertje omhoog, waarna er een algemene vraagt volgt: waarom schrijft u? En het publiek langzaam op gang komt. Nu gingen er gelijk vijf vingers in de lucht. Met stuk voor stuk prima vragen en interessante persoonlijke verhalen.’

Wat had u verwacht dat De vergelding zou doen?
‘Van elk boek hoop je dat het een groot publiek bereikt. Mijn andere boeken hebben alleen meer tijd nodig gehad om bekend te raken. Ik werk er altijd hard voor om ze naar het publiek te brengen. Ik houd lezingen – voor De vergelding over de ontstaansgeschiedenis van het boek. Ik maak programma’s met muziek erbij. Alleen van romans kun je denken: die verkopen zichzelf wel. Dan doen recensenten en juryleden van literaire prijzen het werk van bekend maken voor jou.’

En nu deze triomftocht.
‘Bij dat woord denk ik aan de pianist Franz Liszt die in de negentiende eeuw van stad naar stad reisde en in Berlijn werd opgewacht door 30.000 juichende mensen. Zo is het niet. Maar de tijd was blijkbaar rijp voor een boek als De vergelding. Dat kun je nooit van tevoren inschatten.’

Waarom was de tijd rijp?
‘Het is een boek waarin de oorlog wordt bekeken vanuit een andere hoek, denk ik. Niet één persoon of één gebeurtenis staat centraal, maar een heel dorp. De vergelding gaat over gewone mensen in buitengewone omstandigheden. Zij moesten daardoor iedere dag ingrijpende beslissingen nemen van een hoog moreel gehalte. Duik ik onder of meld ik mij bij de Arbeidsinsatz? Blijf ik werken als Joodse collega’s worden ontslagen? En omdat iedereen andere keuzes maakt, ontstaat een ongelooflijk gedifferentieerd beeld van een gemeenschap. Een beeld van wel vijfhonderd tinten grijs – nee, ik zeg geen vijftig tinten. Veel mensen lezen daar hun eigen verhaal in. Of dat van hun ouders.’

Is het publiek ook rijp gemaakt door historici die al langer betogen dat Nederlander zich in de oorlog niet zwart-wit, maar grijs gedroegen? Ik denk aan Grijs verleden van Chris van der Heijden uit 2001. De vergelding is dan het eerste boek voor een grot publiek dat deze gedachte centraal stelt.
‘Dat is zo. Grijs verleden is een zeer goed boek. Voortreffelijk geschreven. Maar: een historische studie met een essayistische inslag, geschreven vanuit een visie. Ik heb een literair boek geschreven, gebaseerd op onderzoek en feiten. Het is een speurtocht naar wat er werkelijk in Rhoon is gebeurd, waar de lezer sterk bij betrokken wordt. Waarvan hij zelf moet afvragen of mijn hypotheses waar zijn. Toch trek ik wel andere conclusies dan Van der Heijden.’

Namelijk?
‘Chris van der Heijden zegt dat een kleine groep verzet pleegde, dat een kleine groep echt fout was en dat de rest – de overgrote meerderheid – zo veel mogelijk wegkeek en doorging met zijn eigen leven. Dat is niet mijn ervaring. Niemand kon wegkijken, iedereen moest standpunten innemen over de oorlog. Alleen al wanneer je wel of niet op de zwarte markt kocht. Daarbij was het goed mogelijk om goed te zijn en toch fouten te maken. De directeur van de vlasfabriek...’

De zevende man die werd geliquideerd in Rhoon omdat hij voor de andere zes opkwam.
‘Precies. Hij was ongelooflijk moedig en moest dat bekopen met zijn eigen leven. Hij zette zich in voor het verzet: hij liet zijn auto stelen zodat het verzet die kon gebruiken voor sabotageacties. Maar hij leverde wel linnen aan de Wehrmacht voor de uniformen van soldaten die naar het Oostfront gingen. Aan de andere kant: had hij om principiële redenen zestig arbeiders moeten ontslaan terwijl er al zo veel armoede was in het dorp? Zo bevond hij zich in een zeer ingewikkelde situatie.’

Is de Tweede Wereldoorlog door zulke levensverhalen zeventig jaar na de bevrijding nog altijd een meetlat voor ons ethisch handelen?
‘Ja. Goed en kwaad vergroten zich enorm uit in zo’n situatie. Keuzes kunnen wranger, bitterder zijn. Het boze wordt beeldender. Het goede ook: het kind dat wordt geadopteerd door de grote, straatarme familie De Regt, dat vind ik een vertelling van hemelse goedheid. En voorlopig blijft de Tweede Wereldoorlog een meetlat. Ik geef samen met Judith Koelemeijer en Frank Westerman les aan journalisten die bezig zijn met een literair non-fictieboek: zeven van de tien plannen voor boeken gaan over de oorlog.’

En lezers blijven zulke verhalen gretig lezen.
‘Er zijn veel jongeren van een jaar of dertig die met de morele vraag zitten: wat zou ik doen in een oorlog? Aan hun opa of oma kunnen ze het niet meer vragen, want die zijn dood. En hun ouders zijn van na de oorlog. Via een boek als De vergelding zoeken ze antwoorden. Het is kennelijk ook een tijd waarin mensen morele vragen niet uit de weg gaan. Wellicht door de crisis. Voorspoed en vrede zijn geen vanzelfsprekendheden meer.’

Twijfelde u zelf, voor u begon: moet ik wéér een boek over de oorlog schrijven?
‘Ik was helemaal niet van plan dit boek te maken. Mijn kleine waanzin ging al over de gevolgen van de oorlog. Over mijn jeugd toen ik opgroeide met oorlogsslachtoffers om mij heen. Mijn ouders en mijn broers hebben allemaal in een jappenkamp gezeten. Maar ik besteedde in deze roman één pagina aan de vergeldingsactie – als gevolg van een ongeluk door een in de storm losgeslagen elektriciteitskabel. Verder ploegden de boeren voort in Rhoon, schreef ik. En toen kreeg ik telefoontjes: weet je dan niet wat er is gebeurd? Toen werden mij rapporten opgestuurd. Er stapelde zich zoveel materiaal op dat ik me begon te realiseren dat we ons de geschiedenis in het dorp collectief verkeerd herinneren. En hoe zat dat dan elders.’

Toen móést u het boek schrijven.
‘Ja. Ik wilde aantonen dat we met de hele geschiedenis moeten oppassen als dit kan gebeuren. Als ik als schrijver moet zeggen van een versie die in de officiële geschiedenisboeken staat: dit is fictie. Zo’n gevoel van noodzaak moet ik altijd hebben. Met Waarom elf Antillianen wilde ik bijvoorbeeld het beeld weerleggen dat Antillianen allemaal luie bolletjesslikkers zijn. Er waren in 1880 verdorie drie muziekuitgeverijen op Curaçao terwijl er op dat moment in de hele VS maar twee waren. Ik heb nooit boeken geschreven omdat ik meer beleg op mijn boterham wilde of populair moest worden.’

Paradoxaal genoeg verkoopt u door die instelling meer exemplaren van De vergelding dan u anders had gedaan met ongeïnspireerd maakwerk.
‘Gelukkig wel. Vergeet niet dat mijn boeken enorme projecten zijn. De vergelding was zeven jaar werk. Aan Baltische zielen ben ik in 1999 begonnen. Al die reizen daar naartoe heb ik, op één na, zelf betaald. Er gingen in dit geval heel veel kosten aan de baat vooraf. Ik koop nu dan ook geen schoenen van 4500 euro of een Maserati, ik betaal mijn schulden af die ik heb gemaakt voor deze boeken.’

Is De vergelding voor uzelf het hoogtepunt in uw oeuvre?
‘Weet ik niet. Laatst stond er aan mijn signeertafel een meneer die zei: “Al dat gedoe over De vergelding nu, voor mij blijft Zaza en de president het boek”. Die Afrika-boeken uit de jaren 1980 vind ik zelf ook een enorme prestatie. Er was nog weinig geschreven over wat er in postkoloniaal Afrika gebeurde. Ik heb dat terrein ontgonnen. Ook op mijn zeeroman De blinde passagiers, waarmee ik in de traditie van Slauerhoff wilde staan, ben ik trots. Het is met evenveel geestdrift geschreven als mijn non-fictie.’

De vergelding was misschien wel het ingewikkeldste om te schrijven – met al die personages.
‘Ja, meer dan tweehonderd telde mijn researcher er. En toch: In De droevige kampioen komen dertien personages aan het woord, terwijl tegelijk de loop van het verhaal moest doorgaan. Toen heb ik eerst een schema opgesteld. Nu niet. Ik was wel begonnen met een schema, maar ik had zoveel materiaal dat ik de indruk kreeg dat ik zo alle vertelkracht zou doden. Toen viel mij de eerste zin in en ben ik in één keer doorgegaan. Maar het is natuurlijk duidelijk dat ik De vergelding nooit als eerste boek had kunnen schrijven. En ook niet als mijn vijfde of mijn tiende. Ik zou in paniek zijn geraakt van de hoeveelheid materiaal.’

Uw eerste boek, geschreven als twintiger, was een biografie van Mata Hari.
‘Ja, een traditionele biografie met noten en al. Dat je alles moet kunnen verantwoorden, vond ik toen al een beperking. Ik wilde de vrijheid om de figuur zoals ik die voor me zie beeldend kunnen beschrijven. Ik wilde uit de duizenden dingen die ik van iemand weet één detail kiezen om hem te typeren. Daarom ging ik daarna romans schrijven. Eerst fictie – De provincie – maar al snel ook op research gebaseerde verhalen. Ik wilde díe vorm hanteren. De mogelijkheden zijn onuitputtelijk. Ik ben ook nog nooit in de romanvorm teleurgesteld geraakt.’

Ook De vergelding is blijkens de NUR-code 301 een literaire roman.
‘O ja? Ik heb er juist zeer op toegezien dat De vergelding literaire non-fictie is. Voor mij – en voor Van Dale – is een roman een vorm. Geen aanduiding dat het verhaal is verzonnen. Maar na In het huis van de dichter was ik het gezeur zo zat dat een roman niet honderd procent op de werkelijkheid gebaseerd mag zijn. In Nederland wordt er altijd zo in hokjes gedacht. Nou, dan heten mijn boeken maar geen romans.’

U verwees net naar uw researcher: Bert Euser. Waarom hebt voor De vergelding met hem samengewerkt.
‘Dat hielp het boek sneller vooruit. Anders had ik twintig jaar over De vergelding gedaan. In de Amerikaanse literatuur is het niet ongebruikelijk. Truman Capote had Harper Lee voor In Cold Blood, Norman Mailer had dertig studenten. Mijn researcher deed alle eerste interviews. Pas als hij zei dat het interessant werd, ging ik mee. Ik wilde zelf horen hoe iemand praat, wanneer hij emotioneel uitbarst, om te zien hoe diep de oorlog in mensen doorleeft. Ook voor mijn komende twee boeken werk ik met een researcher. Non-fictieboeken, daarnaast werk ik aan een werk van fictie.’

Euser deed het vrijwillig?
‘Ja. Hij heeft een eigen zaak met een goed inkomen. Hij is nu wethouder. De kick voor hem was zich verdiepen in de geschiedenis van Rhoon. Als het om dingen ging die daarbuiten lagen, zoals de geschiedenis van de Prinses Irenebrigade, waar één personage deel van uit maakte, onderzocht ik dat zelf.’

U schrijft liever dan dat u research verricht?
‘Aan schrijven beleef ik de meeste voldoening. Het vinden van een vorm. Het grip krijgen op je materiaal. Dat was al zo toen ik voor Trouw en Haagse Post schreef. De research zie ik als noodzaak. Maar ook als iets wat ik zelf moet doen. Als ik zelf acht uur door de jungle van Venezuela loop, duik ik dieper in de ziel van de hoofdpersoon van Jungle Rudy, die daar decennia woonde. Alleen: 185 interviews, dat is te veel, ook door het eindeloos bellen en mailen voor je mensen – waarvan sommigen zijn verhuisd naar Nieuw-Zeeland of Zuid-Afrika – te pakken krijgt. Dat vind ik rotwerk.’

Door het succes van De vergelding ontdekken veel mensen u als schrijver. Wat raadt u hen na dit boek te lezen?
‘Bij mijn lezingen hoef ik niets aan te raden. Mensen grijpen naar Baltische zielen of Mijn kleine waanzin, dat in hetzelfde dorp speelt. Er is veel vraag naar De provincie, mijn eerste boek over Rhoon. Dat wordt nu herdrukt. En de andere boeken die niet te krijgen zijn, is binnenkort leverbaar als e-boek. Voor een deel in combinatie met printing on demand: wie wil, kan dan toch een papieren boek krijgen. Dat geldt ook voor de biografie an Mata Hari, dat ik zal bewerken. Ik heb redelijk bijgehouden wat er de afgelopen veertig jaar aan nieuwe materiaal bekend is geworden. Ik aarzel alleen nog of ik het ga herschrijven en er literaire non-fictie van maak.’

U lijkt me een auteur die er erg blij mee is dat de digitalisering het mogelijk maakt om uw gehele oeuvre opnieuw leverbaar te maken.
‘Zeker. Van een boek als Goedenavond, mrs. Rhys zijn 18.000 exemplaren gedrukt. Alle fans van Jean Rhys hebben dat boek al. Een papieren heruitgaven heeft geen zin. Maar er komen altijd nieuwe fans. Of mensen die naar Dominica op vakantie gaan. Zij kunnen mijn boek dan toch lezen. Ik vraag me alleen af hoeveel mensen het zullen doen. Tot nu toe is e-boeken bij mij nog geen 0,1 procent van de totale verkoop.’

Kijkt u ondanks het succes uit naar het einde van de lezingentournee?
‘Natuurlijk moet ik me over iets heen zetten om voor de zoveelste keer hetzelfde verhaal te vertellen. Maar de discussie daarna vind ik altijd interessant. De persoonlijke verhalen van bezoekers geeft me een inkijk in hoe de oorlog doorwerkt. Heel leerzaam. Op die manier – zij het dan per brief – is me ook het onderwerp aangereikt van een volgend boek. Dat borduurt voort op De vergelding. Een verbijsterend verhaal, ik zeg nog niet wat. Als ik op 7 juni in ons kleine huis op een duin in Frankrijk ben, waar niemand me voor 16 oktober weg krijgt, zal ik de eerste regels ervan schrijven. Heerlijk.’
(Eerder gepubliceerd in BOEK 3, 2013)

Zie ook:

donderdag 6 juni 2013

Eric Visser (De Geus) gaat met nieuwe uitgeverij in Engels uitgeven (Boekblad)


Eric Visser is de nieuwe uitgeverij World Editions gestart. Deze week verschijnt de eerste catalogus met Nederlandstalige titels. Vanaf volgend jaar publiceert World Editions ook in het Engels. Imprint Colibri biedt fraai vormgegeven boekjes in vestzakformaat.

De nieuwe uitgeverij is opgezet om twee redenen. Ten eerste was het een oude wens van Visser om zelf Engelstalige uitgaven op de markt te brengen van Nederlandstalige én niet-Nederlandstalige auteurs. Hiermee wil hij hen toegang bieden op de van oudsher voor vertalingen zeer moeilijke Engelstalige markt. Ten tweede geeft De Geus minder titels uit, waarvan bovendien een steeds groter percentage is geschreven door Nederlandstalige auteurs. Met World Editions hoeft De Geus geen waardevolle auteurs af te stoten.
De najaarsaanbieding van World Editions die boekhandels deze week ontvangen, bevat vijf titels: vertaalde fictie van Anne Swärd, Colm Tóibín, Sjón, Gary Barker en een pamflet van Renate van der Zee over prostitutie. Daarnaast verschijnen negen titels onder de imprint Colibri. Deze kleine boekjes van 9,2 bij 14,3 cm met harde band, ronde hoeken en leeslint zijn in Duitsland groot gemaakt door Fischer Verlag. In eerste instantie verschijnen vooral heruitgaven van De Geus als Colibri, van onder meer Henning Mankell en Anne-Gine Goemans.
In het voorjaar van 2014 geeft World Editions de eerste acht Engelstalige titels uit. Dat gaat om vertalingen van Kader Abdolah, Charles den Tex, Anne-Gine Goemans, Esther Gerritsen (Nederland), Gary Barker (VS), Steinunn Sigurdardóttir (IJsland), Linda Boström Knausgard – de vrouw van – en Johannes Anyuru (Zweden) World Editions bezit de world English rights, maar concentreert zich in eerste instantie op Amerika, Engeland en de landen van herkomst van de auteurs. Visser voert inmiddels vergevorderde gesprekken met distributeurs in Amerika en Engeland. 
In Boekblad magazine 6, dat volgende week verschijnt, staat een interview met Eric Visser over World Editions. (Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 3 juni 2013)

Meer nieuwe uitgeverijen: