maandag 22 juli 2013

1988: kinderdichter Han G. Hoekstra sterft (BOEK)

Vijfentwintig jaar geleden zag het literaire landschap er heel anders uit. Wat waren de hypes, de bestsellers en de laureaten van 1988? Aflevering 4: De dood van Han G. Hoekstra – een vergeten schrijver wiens werk springlevend is. [Eerdere afleveringen staan hier, hier en hier.]

Daarna brengen ze je vlug naar Wikkie-Wak, de reus

Hoeveel mensen zouden werk van Han G. Hoekstra hebben gelezen zonder dat ze het wisten? Een kwart eeuw geleden overleed hij, gebroken, depressief en eenzaam. Nadat de rook van de necrologieën was opgetrokken, zakte zijn naam in korte tijd weg uit het collectieve geheugen. Toch is zijn werk voor kinderen onverminderd leverbaar. Bewerkingen van Gouden Boekjes als Het eigenwijze eendje en Het vliegende huis. En zijn eigen gedichten voor kinderen, verzameld in Rijmpjes en versjes uit de nieuwe doos (16e druk, 2010), waaruit bloemlezers blijven putten.
Hoekstra was de wegbereider van Annie M.G. Schmidt, schrijven Joke Linders en Janneke van der Veer in hun biografie van de vergeten journalist en auteur. Hij nam als eerste kinderen serieus met vrolijke nonsens-rijmpjes die af en toe flink spotte met de heersende moraal. Maar zijn werk heeft ook zonder de grote schrijfster onschatbare waarde. Het heeft dezelfde uitgelaten vrolijkheid, opstandigheid en uitgebalanceerd metrum als het beste werk van zijn voormalige collega bij Het Parool. Neem deze strofe: ‘De kinderen uit de Rozenstraat / hebben altijd vuile handen, / ze hebben meestal een gat in hun mouw, / en ongepoetste tanden.’
Hoekstra kende aanvankelijk het archetypische leven van een journalist. Veel op pad, veel in de kroeg, affaires hier en daar, met af en toe een uitstapje naar de literatuur.  Dankzij zijn connecties in het literaire milieu kon hij al in 1933 op 27-jarige leeftijd als dichter debuteren met de bundel ‘Dubbelspoor’. Door de Tweede Wereldoorlog zat hij echter noodgedwongen vaker thuis. Hoe kwam hij zijn tijd door? En omdat hij door zijn weigering zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer toch niet kon publiceren, had het geen zin serieus werk voor een volwassen publiek te maken.
Zo kreeg Hoeksta in de loop van 1943 aardigheid in het maken van gedichten voor zijn kinde­ren: Annebet, op dat moment acht jaar, en Joost, drie jaar, die allebei ook in de poëzie figureren. In veel gedichten, geschreven om hen te amuseren, kwamen zij ook voor. ‘Wij in de zon’ begint met: ‘Ik ging een keer uit wandelen / met Annebet en Joost. / Zo met z’n drietjes dus? … wel nee! / Er liepen er nog drie met ons mee, / die liepen net als wij, / te wandelen op een rij: / de schaduw van Annebet / de schaduw van Joost en / de schaduw van mij.’
De grappige gedichten, met een vleugje anarchisme en een grote dosis taalspel, waren geïnspireerd door A.A. Milne, de schepper van Winnie the Pooh, zo tonen Linders en Van der Veer aan. Maar in Nederland sloegen de gedichten, toen ze twee jaar na de oorlog werden gebundeld in Het verloren schaap, in als een bom. Niemand had ooit zo vrijmoedig vanuit het perspectief van een kind gedicht, al begonnen Annie M.G. Schmidt en Daan Zonderland in dezelfde tijd met hun eerste pogingen op dit gebied. Er kwam al snel een vervolg en tal van opdrachtgevers wisten Hoekstra te vinden.
Van Hoekstra’s werk voor volwassenen is nog maar één gedicht – enigszins – in leven. Het oorlogsgedicht ‘De ceder’, dat oproept tot het vasthouden aan idealen en dromen: ‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant, / gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen’. Naar verluidt was dat het favoriete gedicht van Joop den Uyl. Maar zijn werk voor kinderen heeft eeuwigheidswaarde. Ook al weet niemand meer wie de gedichten heeft gemaakt. ‘Kom je in Hopsi-Topsi-land, dan ga je door een laan, / daar trekken ze je schoenen uit en doen je muilen aan. / Je krijgt een ring door ieder oor, en ook een door je neus, en daarna brengen ze je vlug naar Wikkie-Wak, de reus.’

Zie ook:
- Tonke Dragts 'Brief voor de Koning'
- Jeff Kinney, 'Het leven van een Loser'
- Interview met Manon Sikkel over sociale media en uitgeverijen

zondag 21 juli 2013

Boekenmusea (1): het Hofwijck van Constantijn Huygens (Knack)


De buitenplaats van een van de grootste Nederlandstalige renaissancistische dichters schenkt veel aandacht aan zijn werk. Kon je ook zijn gedicht over Hofwijck maar horen.

Wie deze zomer parafernalia wil zien van dichter en staatsman Constantijn Huygens (1596-1687) en zijn zoon, de natuurkundige Christiaan Huygens (1629-1695), kan overal in Den Haag en omstreken terecht. Ter gelegenheid van het Huygensjaar 2013 zijn er een grote tentoonstelling in de Grote Kerk van Den Haag en tal van kleinere exposities in het Haags Historisch Museum, de Koninklijk Bibliotheek, de Universiteitsbibliotheek Leiden, Museum Boerhaave enzovoorts. Zie www.huygensjaar2013.nl voor een volledige agenda.

Alleen het pas gerestaureerde Museum Hofwijck in Voorburg is permanent te bezichtigen. Eigenlijk is dat ook genoeg: de buitenplaats van de familie Huygens, door de dichter zelf ontworpen, voorziet in alle behoeften. Buiten geven het huis en de in 2004 gereconstrueerde tuin (met grafsteen van hondje Geckie) een goede indruk van hoe het er in de Gouden Eeuw bijlag. Binnen is, veel meer dan in de meeste tot musea omgebouwde woonhuizen, aandacht voor het leven van de beroemde bewoners – aan de hand van originele objecten, waardevolle schilderijen en waar het de literaire toerist om te doen is: boeken en handschriften.

Het opvallend sobere gebouw biedt tegenwoordig allesbehalve de landelijke rust van weleer. Het grenst direct aan een spoorlijn en snelweg die overal te horen is. Je ziet de blauwe afslagboorden voor de auto’s, net als de omliggende woningen en bedrijven. Maar binnen is perfect te voelen hoe de Huygensen het volgens harmonieuze principes gebouwde landhuis hebben gebruikt: de fraaie oude keuken in het souterrain, en vooral de feestzaal (nog steeds in gebruik voor concerten en trouwerijen) – hoewel huiskamer, gezien het formaat, een betere term is. Logees konden in dit huis dan ook niet terecht.

Op de eerste verdieping, die ooit drie bescheiden slaapkamers herbergde, en de zolder is een expositie ingericht. Aan de muren hangen verschillende portretten van de dichter, waaronder een mooi portret van Huygens’ moeder door Michiel van Mierevelt, en eerste drukken van enkele van zijn belangrijkste werken: het toneelstuk Trijntje Cornelis (1653), dat deels geschreven is in het Antwerps omdat de hoofdpersoon daarheen reist, of de verzamelbundel Koren-bloemen (1658). Facsimile’s geven een indruk van Huygens neiging tot perfectie ondanks zijn reputatie als dichter die de epigrammen uit zijn mouw schudde.

Mooi is ook de aandacht die aan Huygens andere bezigheden is besteed. Die zijn niet gering. Als architect ontwierp hij een ‘zee-straat’ naar Scheveningen, zodat de vis sneller in Den Haag was. Als componist schreef hij enkele liedbundels – een druk op de knop van de cd-speler in de bibliotheek op de begane grond en je kunt de muziek hoorde. Als botanist kweekte hij zijn eigen gewassen – te zien op de rondgang door de tuin. En hij was een familieman: een van de laden in de expositie verbergt de levensgrote pop van zijn dochter Susanna.

Een (gratis) audiotour accepteren is wel noodzakelijk om de betekenis van Hofwijck te doorgronden. Bijna nergens hangen verklarende bordjes. Dat roept de vraag op waarom het museum Constantijn Huygens niet zélf als gids laat optreden in een speciale audiotour. In een 2824 regels tellend gedicht, gepubliceerd in 1653, beschreef hij tot in detail zijn domein. Aldus dicht hij in het begin over de locatie: In Holland, wat een Land! Noord-Holland, wat een Landje ! / In Rhijnland, wat een' kley! in Voorburgh, wat een sandje / Aen 't Koets-pad, wat een wegti! aen 't water, wat een Vliet! / Aen all dat lieffelick of vrolick rieckt of siet;


Is dat voldoende aanwijzing om Hofwijck te vinden? Zo niet, zie dan www.hofwijck.nl. Het museum is iedere dag, behalve maandag en vrijdag, geopend van 12 tot 17 uur. Toegang kost 6 euro.

Meer boekenmusea: onder meer hier (Belle van Zuylen), hier (Louis Couperus) en hier (Spinoza).

donderdag 18 juli 2013

A.F.Th. van der Heijden - 'De helleveeg' (BOEK)


De kwaadaardige Tante Tiny drukte een stempel op menig samenzijn van de familie Egberts. In De helleveeg reconstrueert Albert Egberts, de hoofdpersoon uit A.F.Th. van der Heijdens cyclus ‘De tandeloze tijd’, hoe hij haar een halve eeuw heeft gekend.

Grimmig ja, pijnlijk nee

Er is een A.F.Th. van der Heijden voor de dood van zijn zoon Tonio en een A.F.Th. van der Heijden na de dood. Zou dat verschil maken voor zijn werk? Volgens de schrijver zelf wel. Hij is een grimmiger auteur geworden, vertelde hij voorafgaand aan het verschijnen van De helleveeg, omdat alles zijn oorspronkelijke glans heeft verloren. En hij moet betere boeken schrijven om zichzelf te kunnen imponeren. Zijn hele oeuvre heeft in zijn ogen veel van zijn waarde verloren omdat geen enkel boek het vreselijke ongeluk op 23 mei 2010 heeft kunnen voorkomen. Alles is ten prooi gevallen aan de ‘verschaming’, zoals Van der Heijden het proces noemt.
Toch is de eerste roman na het intense en massaal door pers en publiek omhelsde requiem voor Tonio een aangename terugkeer naar de schrijver die dertig jaar geleden naam maakte als de prominentste auteur van zijn generatie. Voor het eerst sinds hij in 1996 de dubbelroman Het Hof van Barmhartigheid / Onder het plaveisel het moeras publiceerde, keert hij terug naar de cyclus ‘De tandeloze tijd’. Dat betekent een hernieuwde kennismaking met Albert Egberts en vele andere personages. Ze spelen dit keer weliswaar een figurantenrol, zoals advocaat Ernst Quispel, maar wel een herkenbare rol. Dat stemt nostalgisch.
Grimmig is De helleveeg, dat het levensverhaal van Alberts tante Tiny vertelt, zeker. De zus van zijn moeder slaagde erin ieder familiezijn te verzieken met haar scherpe tong, verwijtende blik en een valse zorgzaamheid die iedereen in een positie van afhankelijkheid dwong. Als Albert haar ‘ontdekt’ op zijn vierde, wordt hij vooral aangetrokken door haar geurwolk en haar zestienjarige schoonheid. Haar daden van haat – vooral jegens zijn grootouders en zijn moeder – vindt hij fascinerend. Pas als hij ouder wordt, groeit ook bij hem de afkeer. Ook al kent hij dan eindelijk de reden van tante Tiny’s eeuwig gesar – en van haar smetvrees.
Van der Heijden heeft zich uitgeleefd in Tiny’s tirades. Maar pijnlijk worden haar woorden en daden nooit. Daarvoor is het te onwaarschijnlijk dat een volkse vrouw zich zo welluidend uitdrukt. Je gaat het verhaal, ook door Van der Heijdens reputatie als mythisch schrijver, vanzelf interpreteren als een symbolische vertelling in plaats van een geschiedenis over een mens van vlees en bloed. Ook is het opvallend hoe vaak Van der Heijden de ‘show don’t tell’-wet aan zijn laars lapt. Dat is zijn goed recht, maar de lezer moet vaak maar aannemen dat Tiny weer in een hatelijke bui is. ‘Bitste ze’, staat er dan. ‘Hoonde ze’. Of ‘snoof ze minachtend’. Je vóélt het niet zo.
Ook het drama uit Tiny’s jeugd is niet meer zó tragisch als dat vlak na de Tweede Wereldoorlog was. Zeden en gewoontes zijn drastisch veranderd, net als de houding van ouders ten opzichte van hun kinderen. Het is hier niet de plaats te onthullen wat zich precies heeft voorgevallen. Ook al voel je het lang van tevoren aankomen, Van der Heijden maakt er veel werk van de mist rond de gebeurtenis langzaam te laten optrekken. Met als bonus een even onverwachte als groteske draai, die Tiny’s vreugdeloze huwelijk met Koos in een ander perspectief plaatst. Van der Heijden weet wel hoe hij een plot in elkaar moet draaien.
Het intrigerendste aan De helleveeg is juist het gegeven dat ook nu nog op een familiefeest voor een pijnlijke stilte zorgt: de bloedschande die Albert Egberts pleegt. Hij deelde al eens het bed met een nicht, in dit vijfde deel van ‘De tandeloze tijd’ blijkt hij als 26-jarige ook nog eens met zijn tante geslachtelijk te hebben verkeerd. Althans, dat heeft hij geprobeerd. En Van der Heijden, die alles met alles verbindt, zou Van der Heijden niet zijn als hij er niet op wees dat Albert in zijn jongste jaren zo ongeveer door Tiny werd opgevoed, zodat hij daar eigenlijk met zijn moeder lag. Het zijn de enige passages die me deden huiveren.
Van der Heijden schreef De helleveeg omdat hij per se de uitreiking van de P.C. Hooftprijs, de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijs, wilde opluisteren met nieuw werk. Aanvankelijk hoopte hij Kwaadschiks, een ander deel uit de cyclus, te kunnen presenteren. Maar deze roman, waaraan het werk al werd onderbroken door de komst van twee politieagenten die hem naar het sterfbed van Tonio brachten, kreeg hij niet op tijd voltooid. In slechts twee maanden liet hij toen de ruim tweehonderd pagina’s over Tiny uit zijn pen vloeien. Al weet je niet in hoeverre de schrijver, die aan zeven bureaus aan talloze projecten tegelijk werkt, het boek al in de verf had gezet.
Het is niet eerlijk hierop te wijzen. Er zijn genoeg meesterwerken in nog kortere tijd geschreven. Maar gecombineerd met de inhoud voedt de wetenschap over de ontstaansgeschiedenis het beeld dat De helleveeg toch eerder een tussendoortje is dan de spetterende comeback die de A.F.Th. van der Heijden van na de dood van Tonio allicht voor ogen stond.

A.F.Th. van der HeijdenDe helleveeg (256 p.) – De Bezige Bij
(Eerder gepubliceerd in BOEK 4, 2013)

Zie ook:
- A.F.Th. van der Heijden krijgt de P.C. Hooftprijs / de Libris Literatuurprijs

woensdag 17 juli 2013

Lettertype Dyslexie ontketent een golf aan speciale uitgaven voor dyslectici (Boekblad)


De lancering van een speciaal lettertype voor dyslectici heeft een golf aan speciale uitgaven op gang gebracht. Ook al is de Dyslexie niet zo nieuw als het lijkt: een massale beschikbaarheid van titels speciaal voor mensen met deze leeshandicap ligt mogelijk in het verschiet.

Vijftien dagen nadat Christian Boer zijn speciaal voor dyslectici ontworpen lettertype online had gezet, werd de pas afgestudeerde grafisch ontwerper gebeld door zijn hostingbedrijf. Of hij wist dat de traffic zo hoog was dat het hem vijftig euro per dag kostte. Geschrokken haalde Boer de Dyslexie, zoals hij het font had genoemd (zie kader hieronder), onmiddellijk van zijn site. Maar het zette hem wel aan het denken. Hij moest zijn afstudeer­project toch exploiteren ten bate van andere dyslectici.
Toen het lettertype in 2011 de Smart Urban Stage Amsterdam won en de eerste producten op de markt kwamen, waaronder De provocatie van David Baldacci in een oplage van 1000 exemplaren, werd de Dyslexie binnengehaald als een revolutie. Kranten, radio, tv – alle media besteedden aandacht aan wat werd omschreven als een geniale vondst. Bijna allemaal voerden ze verbaasde dyslectici op die hadden geconstateerd dat ze een tekst in één ruk uit konden lezen. Voor de meeste was dat de eerste keer in hun leven.
Inmiddels lijken dyslectici zich te ontwikkelen tot een nieuwe doelgroep van uitgevers. Arbeiderspers A.W. Bruna heeft twee Baldacci-experimenten een vervolg gegeven met de uitgave van tien recente bestsellers – van onder meer Arthur Japin en Paolo Coelho. Voor 1 september volgen nog honderd titels. Kluitman breidde het aanbod van vier kinderboeken na gebleken succes snel uit tot 26 titels. En de gespecialiseerde uitgeverij Dyslexion heeft een tiental uitgaven.
Allemaal zijn ze gezet in de Dyslexie, met hulp van Boer. ‘Als de uitgeverij de eerste tien pagina’s heeft, loop ik het even door om te controleren of er geen afbrekingen staan en of de alinea’s niet toch uitgevuld zijn,’ zegt hij. ‘Ook is het goed als een woordje als “de” naar de volgende regel gaat als het dan dicht bij het woord staat waar het bij hoort.’

Toch is het lettertype niet de eerste. Zwijsen publiceert al sinds 2005 de reeks ‘Zoeklicht dyslexie’ voor kinderen vanaf zeven jaar in de speciaal ontworpen letter Zwijsen Dyslexiefont (zie kader hieronder). De reeks is een spin-off van de al dertig jaar bestaande Zoeklicht-serie voor kinderen die moeite hebben met lezen en telt inmiddels zo’n veertig titels. ‘We hebben het aanbod uitgebreid naar alle AVI-niveaus en naast fictie- ook non-fictie- en leesdoe­boeken gemaakt,’ zegt uitgever Roel van Gestel.
En zelfs het gebruik van speciaal ontwikkelde lettertypes is niet cruciaal om dyslectici aan het lezen te krijgen. Elseline Knuttel van uitgeverij De Inktvis, afgestudeerd dyslexiespecialist en eigenaar van de speciaalzaak Leesletters in Dordrecht voor lezers met leesproblemen, gebruikt voor haar op dyslectici gerichte Kokkelreeks gewone lettertypes: de Times New Roman en vanaf de eerstvolgende uitgave – Een valse pony? van Netty van Kaathoven – de Arial.
Knuttel wijst op het schaarse wetenschappelijk onderzoek dat is gedaan naar de invloed van lettertypes op dyslectici. Die invloed lijkt er niet te zijn. Ook Van Gestel beaamt dat. ‘Toen wij ermee begonnen, hebben we zelf ook onderzoek gedaan,’ zegt hij. ‘Sommige hadden een voorkeur voor Verdana of zelfs Times New Roman. Waarschijnlijk heeft het al effect op dyslectici als zij het gevoel hebben dat er rekening mee is gehouden met hun handicap. Dat het dan al prettiger leest.’
Belangrijker is wat Zwijsen en De Inktvis meer doen om het lezen te vergemakkelijken en dyslectici zo het plezier van lezen te geven. Beide uitgeverijen maken uitgaven met getint papier (minder contrast is rustiger) en houden verhalen eenvoudig (niet te veel personages bijvoorbeeld). Zwijsen voegt ook een cd met het eerste hoofdstuk toe, zodat moeilijke lezers door te luisteren in het verhaal kunnen komen. En uitvouwpagina’s, zodat ze belangrijke termen en figuren bij de hand kunnen houden.
In de berichtgeving rond Boers lettertype werd steeds onderzoek van de Universiteit Twente aangehaald. Daaruit bleek niet meer dan dat er een indicatie is voor een klein verschil tussen Dyslexie en Arial. ‘Natuurlijk maakt lettertype wel uit,’ zegt Boer nu. ‘Meer dan 90 procent van mensen met dyslectie hebben een voorkeur voor een schreefloze letter.’ Maar het verschil tussen twee schreefloze letters maakt hem niet meer uit: ‘Het gebruik van Dyslexie groeit vanzelf, omdat dyslectici ernaar vragen. Als zij het prettig vinden is dat alleen maar fijn.’

Zeker is dat de Dyslexie als een vonk heeft gewerkt. Knuttel en Van Gestel zijn dan ook niet bitter dat de media hun inspanningen over het hoofd lijken te hebben gezien. ‘Alle aandacht voor dyslexie is goed. Je moet alleen niet te veel verwachten van dit lettertype,’ meent Knuttel. ‘Ik heb zelf twee kinderen met dyslexie’, zegt Van Gestel. ‘Ik weet wat voor een handicap het is. Ieder initiatief is prima, al helpt het maar tien mensen om te gaan lezen.’
Daarbij komt: de uitgaven van Zwijsen en De Inktvis zijn gericht op dyslectische kinderen die leren lezen. Dankzij het nieuwe lettertype is Arbeiderspers A.W. Bruna getriggerd om ook voor volwassenen uit te geven. Dat is heel belangrijk, weet Boer uit ervaring. ‘Leeskilometers maken is het belangrijkste. Dan gaat lezen steeds beter. Maar als je, zoals ik, op je veertiende boeken als Puk gaat naar school moet lezen, omdat dat aansluit bij je niveau, is je interesse bij voorbaat weg.’
Nu volwassenen met dyslexie wél bij hun belangstelling aansluitende boeken kunnen vinden, ook al heeft een speciaal lettertype misschien alleen een placebo-effect, is het zaak dat die goed verkrijgbaar zijn. Dat zijn ze niet. Uitgever Steven Maat van A.W. Bruna vermoedt dat zijn speciale uitgaven maar bij enkele boekverkopers ligt die zich voor dit ideële doel inzetten – net als overigens de kinderuitgaven. ‘Van de eerste Baldacci’s verkochten we er enkele honderden in een jaar. Dat is nu ook de verwachting.’
Tegelijk maakt het niet zo veel uit. Dankzij internet en printing on demand is het een betrekkelijk kleine moeite om veel titels online aan te bieden. Zoals Arbeiderspers A.W. Bruna ook gaat doen. En de opkomst van e-boeken maakt het mogelijk om die te verkopen mét de Dyslexie-lettertype er standaard bijgeleverd. ‘We onderzoeken nog hoe we het doen,’ zegt Maat evenwel, ‘als fixed ePub of met het font er apart bij, maar dat is een kwestie van techniek.’
Zo doemt er een werkelijke revolutie op: massale beschikbaarheid van boeken, speciaal voor dyslectici.

KADER Dyslexie
Het essentiële onderscheid van de Dyslexie ten opzichte van andere lettertypes, vertelt grafisch ontwerper Christian Boer, is de nadruk op de individuele eigenschappen van letters. De stok van de h is langer om het verschil met de n te vergroten. De onderkanten van de letters is zwaarder, zodat een b niet omgekeerd als een p wordt gelezen. Enzovoorts. ‘Zo zijn letters sneller en makkelijker te herkennen, waardoor dyslectici een tekst makkelijker kunnen lezen,’ zegt Boer. Het voornaamste verschil met de Zwijsen Dyslexiefont zit hem volgens hem in de achterliggende visie. ‘De ontwerpster daarvan wilde dat niet-dyslectici de letter niet als apart zouden herkennen. Mij maakt het niet uit hoe de letter eruit ziet, als het maar helpt. Er zijn al 30.000 lettertypes voor mensen zonder leeshandicap, dan kan er wel een voor dyslectici apart zijn.’ Zie voor meer informatie: www.studiostudio.nl.

KADER Zwijsen Dyslexiefont
Het Zwijsen Dyslexiefont is een jaar of tien geleden ontworpen door Natascha Frensch, die net als Christian Boer zelf dyslectisch is. Aanvankelijk heette het lettertype Read Regular, tot de uitgeverij in mei vorig jaar de rechten overnam. De kern van het font is een ‘individuele aanpak voor elk individueel teken’, zoals het op Frensch’ site heet. Behalve het benadrukken van het onderlinge verschil van letters zijn ze ook ontdaan van overbodige details. Dat betekent: geen twee-verdiepingen a of een twee-ogige g. ‘De vormen van de tekens zijn eenvoudig en duidelijk, wat consequentheid bevordert.’ Zwijsen heeft niet de bedoeling om het lettertype commercieel te exploiteren, zegt uitgever Roel van Gestel. ‘We hebben het lettertype aangekocht om het te kunnen toepassen in onze uitgaven voor dyslectische kinderen op school en thuis, waaronder ook softwareproducten.’
(Eerder gepubliceerd in Boekblad juni 2013)

dinsdag 16 juli 2013

Bauke Mollema: een nieuwe kampioen van leesbevorderaars

Het maakt al niet meer uit op welke plek Bauke Mollema aanstaande zondag eindigt in de Tour de France. Zijn rijden tot nu toe, met een fraaie tweede plaats op een paar etappes van Parijs, heeft nu al zo veel losgemaakt dat zijn bekendheid immens is toegenomen. Daar moeten Stichting Lezen, CPNB, Bibliotheekorganisaties en al wie de leesbevordering is toegedaan van profiteren. Mollema leest: na een week Tour had hij al drie boeken uit. Daaronder de wielerroman-over-zo-veel-meer Mont Ventoux van Bert Wagendorp. Later las hij de nieuwe Baldacci. Aangezien er niet zo veel sporthelden zijn die bekendstaan om hun liefde voor het lezen, mag niemand deze kans voorbij laten gaan. Desnoods wordt Mollema voorzitter van de AKO- of Librisprijs? Dat is weer eens wat anders dan die politici die in vier van de vijf gevallen voor dit soort bijbaantjes worden gevraagd.

maandag 15 juli 2013

Interview Eric Visser (De Geus) over zijn nieuwe uitgeverij World Editions


Met zijn nieuwe uitgeverij World Editions brengt Eric Visser Engelstalige romans op de markt. Hij hoopt vooral Nederlandstalige en Scandinavische, maar ook oorspronkelijk Engelstalige auteurs te laten doorbreken in Engeland en Amerika. Het initiatief heeft hem het plezier in uitgeven teruggegeven.

'Als je vasthoudt aan wat je wilt, vind je mensen op wie je kunt varen' 

Hij kan op de dag van het gesprek alleen een aan elkaar geniet stapeltje A4-tjes laten zien, maar Eric Visser is er niet minder trots om. De eerste aanbiedingscatalogus van zijn nieuwe uitgeverij World Editions. ‘We openen met Binnenvallend licht van Gary Barker,’ zegt hij. ‘Hij is in Nederland bekend van zijn ngo Promundo, waarmee hij in Brazilië mannen met een gewelddadige achtergrond helpt te resocialiseren. Hij is niet alleen activist maar ook een getalenteerde schrijver van prachtige romans.’Zo bladert Visser de hele folder door. De Zweedse schrijfster Anne Swärd. Een novelle van de Ierse auteur Colm Tóibín. De IJslander Sjón. De journaliste Renate van der Zee, van wie de uitgeverij een pamflet over prostitutie publiceert. ‘Het moet de eerste van een reeks pamfletten worden,’ zegt de uitgever. ‘En we beginnen gelijk met een imprint: Colibri. Dat zijn boekjes naar het model van een serie van Fischer Verlag. Betaalbare mooie boekjes met ronde hoeken, harde kaft, leeslint, houtvrij papier, die je makkelijk in je binnenzak steekt.’
Op het eerste gezicht is het niet bijzonder: een nieuwe uitgeverij naast De Geus. Er worden zo veel nieuwe uitgeverijen opgezet. Dat World Editions wel degelijk uniek is, zal volgend jaar blijken. Dan begint Visser onder deze vlag met uitgeven in het Engels. Van Nederlandstalige auteurs als Kader Abdolah, Esther Gerritsen, Anne-Gine Goemans en Charles Den Tex. Maar ook Scandinavische schrijvers als Linda Boström Knausgård – de vrouw van bestsellerauteur Karl Ove Knausgård – en Johannes Anyuru. En Amerikanen: Gary Barker dus.

Visser wilde al een jaar of acht uitgeven in het Engels – lang voor Clavis een eigen kinderboekenuitgeverij in New York opzette of het in Breda om de hoek gevestigde Mo’Media de stap naar Duitsland waagde. ‘Ik wilde met onafhankelijke uitgeverijen in het buitenland een gezamenlijke internationale uitgeverij beginnen, die onze beste uitgaven in Amerika en Engeland in vertaling brengt. We konden zo het probleem omzeilen dat onze auteurs weinig werden vertaald omdat zo weinig buitenlandse uitgevers Nederlands of Deens lezen.’
Ondanks talloze gespreken kwam deze uitgeverij nooit van de grond. ‘Ik ben in een aantal landen geweest. Veel collega's vonden het een goed idee. Ik stelde voor om er dan in Breda verder over te praten. Dat kwam er nooit van. De dagelijkse prioriteiten wonnen het altijd weer. In 2005 begon de Italiaanse uitgeverij E/O, die hetzelfde denkt over uitgeven als wij, via Europa Editions zelf in het Engels uit te geven. Ik wilde hun partner worden. Maar de gesprekken kregen geen voortgang meer nadat ze een enorme bestseller kregen met The Elegance of the Hedgehog van Muriel Barbery. Toen hadden ze geen partner meer nodig.’
Het idee bleef sluimeren. Tot Visser merkte dat hij na meer dan vijfentwintig jaar De Geus ‘minder zin kreeg om een aantal dingen te doen die steeds weer terugkomen’, zoals hij het formuleert. ‘Ik had de behoefte om nieuwe dingen te doen, terwijl ik me te jong voelde om editor-at-large te worden of zoiets. Intern hebben we gediscussieerd over de toekomst. Mijn vrouw Annemie Jans, tot dan toe mede directielid, is toen algemeen directeur geworden. Zij is een betere directeur dan ik. Ze heeft veel elan om De Geus te leiden en samen met het team verder te ontwikkelen. Ik heb nu meer ruimte voor nieuwe uitdagingen en initiatieven. Ik zie mezelf in de eerste plaats als uitgever en ondernemer.’
Na een tijdje nadenken, plannen, mogelijkheden onderzoeken en reizen hakte Visser een jaar geleden de knoop door. Sinds 1 januari 2013 werkt hij halftijds voor De Geus en halftijds aan het opzetten van een nieuwe uitgeverij. ‘World Editions is de perfecte naam ervoor. Uitgaven voor de hele wereld – dat is precies wat we doen. We beginnen in het Engels en Nederlands, maar we kunnen ook ooit in het Chinees gaan uitgeven. Al hebben we daar nog geen concrete plannen voor. Ik zou er dan ook ver vanaf zitten. Dat wil ik niet. Ik wil heel dicht op het product blijven zitten.’
Dat World Editions ook in het Nederlands uitgeeft, volgt uit het beleid van De Geus. Deze uitgeverij geeft verhoudingsgewijs meer oorspronkelijk Nederlandstalig werk uit (het doel is vijftig procent) én heeft het totaal aantal titels verlaagd (van 120 naar 90). ‘Er is dus minder ruimte voor vertalingen. Om auteurs toch trouw te blijven, kunnen we ze bij World Editions uitgeven in het Nederlands. Neem Colm Tóibín: zijn laatste roman moet nog uitkomen bij De Geus. Deze prachtige novelle zou dan blijven liggen.’

De nieuwe start geeft Visser enorm veel plezier. Rechten inkopen. Vertalers zoeken. Perfect Engelstalige vertalers en correctoren vinden. Distributielijnen opzetten. Enzovoort. Dat hele proces van een netwerk opbouwen. ‘Voor Gary Barker moest ik een Amerikaanse editor hebben. Binnen drie uur had ik Ann Patty gevonden. Zij bleek acht jaar bij Harcourt te hebben gewerkt en vijf auteurs te hebben begeleid die wij hebben uitgegeven. Zij heeft ook Life of Pi gedaan. Nu werkt ze freelance.’
Zijn ogen glimmen als hij uitlegt hoe hem dat is gelukt. ‘Ik heb me ingeschreven bij Goodreads, een aantal boeken erop gezet en toen gekeken met wie ik veel titels gemeen had. Zo kwam ik bij een schrijfster Jennifer Gilmore uit, die ik overigens niet kende. Zij wees me op Ann Patty. Het is maar een voorbeeld van hoe zo’n ontdekkingstocht gaat. Maar het is zoals ik het dertig jaar geleden ook deed. Met wie kan ik samenwerken? Wie is een bondgenoot? En als je vasthoudt aan wat je wilt, vind je mensen op wie je kunt varen. Ann Patty vond het ook zo’n leuk initiatief dat ze meer voor ons wil doen.’
Af is dit werk nog niet. Samen met Karin Wessel, die vroeger voor Europa Editions werkte, voert hij in juni gesprekken met de belangrijkste Amerikaanse distributeurs. In Engeland zijn die gesprekken al in een verdergevorderd stadium. Met de Amerikaanse bedrijven wordt besproken of zij ook wereldwijde distributie kunnen garanderen. ‘Het is een probleem dat binnenkort opgelost gaat worden. Dat is hoopvol.’ Daarnaast wil hij de marketing & sales-diensten van de distributeur aanvullen met eigen pr, waarvoor hij mogelijk een klein kantoor in New York of Londen opent. ‘Je moet ook zelf regelmatig aanwezig zijn.’

Een concrete omzetdoelstelling heeft Visser op dit moment niet. Daarvoor is de toekomst van World Editions dat begint met een worp van acht titels, te onvoorspelbaar. ‘De opzet is om over een paar jaar break-even te draaien.’ Hij wordt dan ook niet gedreven door een droom van succes in een groot land, maar door handelsgeest en idealisme. ‘Maar onze ambities zijn niet laag. We willen het zo goed mogelijk doen. Het heeft ook geen zin als je de lat niet zo hoog mogelijk legt. Dan kunnen auteurs net zo goed proberen om hun werk door een reguliere uitgeverij in Amerika of Engeland te laten uitgeven.’
Hij kiest er niet voor niets voor om papier én digitaal uit te geven. ‘Alleen digitaal is makkelijker. Een Zweedse uitgever doet dat bijvoorbeeld, die brengt crime vanuit zijn kantoortje in Stockholm naar Amerika. Het Australische Text Publishing doet veel met printing on demand in Amerika. Maar als je een merk wilt opbouwen, moet je zichtbaar zijn. Moet je papieren uitgaven in de boekhandel hebben liggen. Ik geloof pas dat je echt uitgeeft als je het ook op papier uitbrengt. En volgens mij bestaat een boek voor veel mensen pas echt als het op papier verkrijgbaar is.’
Visser ziet zichzelf als de ideale man om een internationale literaire uitgeverij op te zetten. Er zijn weinig uitgevers in Nederland met zo'n breed netwerk in het buitenland dan hij. Hij somt op: ‘Wij hebben in dertig jaar 1800 vertalingen gepubliceerd uit 80 landen en vertaald uit 35 talen. Veel topauteurs die wij vanaf het begin hebben uitgegeven. We hebben 13 Nobelprijswinnaars en twaalf Goncourtwinnaars in het fonds. We hebben zo’n honderd Scandinavische auteurs, zeventig, tachtig Fransen, en bijvoorbeeld meer dan twintig Poolse, Chinese, Arabische en Afrikaanse auteurs.’
Hij ziet bevestiging in het feit dat tot nu toe alle agenten en uitgevers bij wie het heeft geprobeerd, de Engelse rechten voor de hele wereld aan hem hebben willen verkopen. ‘Dat was spannend. Agenten zijn gewend de Engelse rechten apart te verkopen per land. En ik heb geen trackrecord. Auteurs als Mankell, die al lang een Engelse uitgever heeft, stappen dan ook niet over. Ik heb vooral auteurs gekocht die nog internationaal moeten doorbreken. Anyuru kochten we toen zijn boek op 1200 verkochte exemplaren stond. Dat zijn er nu bijna 30.000. Zijn roman ging voor alle prijzen mee.’
Tegelijk is World Editions ‘een soort natuurlijke bondgenoot’ van het Nederlands en Vlaamse Letterenfonds, met wie Visser ook overlegt. ‘Wij kunnen Nederlandse auteurs op de Engelstalige markt brengen en ze daarmee makkelijker toegang geven tot de rest van de wereld - die geen Nederlands, maar wel Engels spreekt. Dat begint met auteurs van De Geus, maar ik wil ook graag vertaalrechten van andere Nederlandstalige uitgevers kopen. Veel auteurs worden vertaald, maar vaak niet in het Engels. Behalve Kader Abdolah, die bij Canongate zit. Maar omdat zij De boodschapper en De koran niet uitgaven, doen wij het.’

Een verhaal apart zijn de Colibri’s die World Editions brengt. De uitgeverij brengt negen titels in één keer. Van onder meer Alice Munro, Henning Mankell, Hakan Nesser, Patrick Ness en Charles Den Tex. Ze kosten 10 tot 15 euro en zijn leverbaar in één display. Wie één titel van de eerste worp koopt, krijgt er gratis een Colibri van Alice Munro bij cadeau. Is het bedoeld als een alternatief op de dwarsliggers? ‘Er is volgens mij plaats naast de Dwarsligger. De Colibri's zijn wat groter, zoals een kleine Moleskine agenda. Het is ook een goed cadeauartikel omdat de Colibri een echt boek is.’
Visser laat een paar Duitse uitgaven zien uit de rij in zijn kamer. ‘Kijk eens hoe lekker dat in de hand ligt.’ Hij zet ze in de markt omdat hij ruimte ziet voor een tweede serie kleine boekjes. ‘Ze zijn uitermate geschikt voor luchthavens en stations. Daar is het ook voor bedacht. In Duitsland zijn ze heel populair. Van de eerste honderd titels heeft Fischer er 2,5 miljoen verkocht. Zo’n 25.000 exemplaren per titel dus. Wij werken met Fischer samen. Vooral die ronde hoeken zijn mooi, vind je niet? Er is niemand die structureel met ronde hoeken werkt. Wij zijn daarin de eerste.
Het maakt onze uitgaven erg herkenbaar.'
(Eerder in licht verkorte vorm gepubliceerd in Boekblad Magazine 6, 2013)