woensdag 14 mei 2014

Leon de Winter en Jessica Durlacher, 'Anne'

Het is makkelijk om negatief te doen over Anne van Leon de Winter en Jessica Durlacher, waarvan ik afgelopen zaterdag de tekst heb gelezen. Het verhaal ligt vast, inclusief de tragische afloop. Ze konden moeilijk om de voornaamste ingrediënten van het dagboek uit: de irritaties als gevolg van de spanning en het dagelijkse bijeenzijn in een te krappe ruimte, de gevoelens jegens haar ouders of Peter, enzovoorts. Het stuk moest bovendien recht doen aan de verschrikkingen van de Holocaust waar Anne Frank symbool voor staat. Een frivole musical mocht de bewerking nooit worden.
Maar het is ook te makkelijk om het schrijversechtpaar alles te vergeven. De toneelbewerking van Het achterhuis, ook een voor de eenentwintigste eeuw, had heel anders kunnen zijn. Of misschien: had heel anders moeten zijn. Er bleef genoeg artistieke vrijheid over om een ander stuk te schrijven en een andere visie op Anne Frank te geven.
Ten eerste: De Winter en Durlacher zijn te expliciet. Zeker de eerste scènes waarin wordt uitgelegd onder welke omstandigheden Anne Frank moest onderduiken. Ik snapte niet waarom recensenten van de toneeluitvoering schreven dat het stuk vooral bedoeld was voor middelbare scholieren. Dat is toch niet de doelgroep waaraan de initiatiefnemers hun investering kunnen terugverdienen? Maar toen ik dertig pagina's had gelezen, begreep ik het precies. Het schrijversechtpaar veronderstelt helemaal niets bekend. Ze menen hun publiek zelfs te moeten vertellen dat Joden het leven door de nazi's onmogelijk werd gemaakt.
Ten tweede is Anne een irritante bakvis uit een derderangs meisjesboekje – in weerwil van wat Durlacher daar in interviews over heeft gezegd. Ze heeft maar één heldere wens: schrijfster worden. Ze heeft vastliggende meningen over haar ouders. Ze weet precies wat goed en slecht is. Ze is, kortom, een personage dat in glasheldere tinten wordt geschetst. Alleen als De Winter en Durlacher rechtstreeks uit het dagboek citeren, proef je iets van Annes twijfels en sombere buien. Alleen dan krijg je een vaag besef van wat onderduiken met haar heeft gedaan.
Alleen het feit dat het stuk nogal pompeus is, zij de auteurs vergeven. Projectie van archiefbeelden tonen historische gebeurtenissen. Voortdurende geluiden van mitrailleurs en bommen wekken de indruk alsof Amsterdam in het frontgebied ligt. En het slot met twee angstige meisjes in het donker en citaten van Shakespeare en Schubert is compleet over de top. Maar vooruit. Dat zijn allicht effecten die op toneel doeltreffend zijn. Een tekst op papier moet subtieler zijn, maar om te lezen is deze tekst niet in de eerste plaats voor bedoeld.

zie ook:
- Leon de Winter, 'VSV'
- Leon de Winter gunt zijn aartsvijand een moment van geluk


dinsdag 13 mei 2014

Hans Boland, 'De zachte held' (BOEK)

Soms maken schrijvers iets zo bijzonders mee dat ze de werkelijkheid één op één willen vastleggen. Literaire trucs om de lezer te verleiden worden slechts spaarzaam gebruikt. Vaak lopen zulke romans mank. De balans in de opbouw is zoek. De zachte held van Hans Boland, vooral bekend als vertaler van Anna Achmatova en Alexander Poesjkin, vormt daarop geen uitzondering. Het eindresultaat is té hybride.
Bolands debuutroman beschrijft zijn eigen relatie met Indonesië. Eenmaal zestig geworden reist de slavist voor het eerst terug naar zijn geboorteland, dat hij als achtjarige moest verlaten. Aan het eind van zijn verblijf, bijna halverwege het boek, wordt hij verliefd op Teguh. Om die reden vliegt hij zo snel mogelijk terug – aanvankelijk met de bedoeling samen met de jonge armoedzaaier oud te worden, maar als de relatie niet uitpakt zoals gehoopt, trekt hij opnieuw rond over de archipel.
De zachte held hinkt zo tussen reisboek en liefdesgeschiedenis in. Het ontbeert een puls die je van begin tot eind meesleurt. Dat je toch doorleest is te danken aan Bolands taal. Hij beschrijft zijn ervaringen helder en precies, met een mooie weemoedige ondertoon. De reisbeschrijvingen roepen het verlangen op zelf naar Indonesië te gaan. Van de liefde maakt hij het soevereine geluk en het peilloze verdriet voelbaar.
De grootste kracht van De zachte held is dat Boland zich nooit verliest in zijn emoties. Hij jammert of schmiert niet, maar blijft rationeel en lucide. Hij is een man die zijn illusies voorbij is en daarom in staat lijkt om grip te houden op zijn leven als hij zich, de risico's kennend, willens en wetens in een avontuur stort. Dat maakt de roman uiteindelijk tot een origineel, eerlijk en diepgravend zelfportret.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2014)

Hans Boland De zachte held (256 p.) – Athenaeum-Polak & Van Gennep, € 17,50

Zie ook:

zondag 11 mei 2014

Uitgeven in eigen beheer: de grenzen van de groei zijn nog niet bereikt (Boekblad)

De start van Brave New Books heeft de concurrentie geen schade gedaan. De markt voor uitgaven in eigen beheer groeit onstuimig. Uitbreiding en verbetering van een actief aan de auteur gebracht dienstenpakket zorgt de komende jaren voor een extra impuls voor omzetgroei.

Over de aantallen zijn ze bij Brave New Books enthousiast. Bijna achthonderd paperbacks en bijna vierhonderd e-boeken zijn er via het platform gepubliceerd, zegt Emile op de Coul, manager special sales van Singel Uitgevers. Als je doublures verrekent zijn het, acht maanden na lanceren, zeker negenhonderd verschillende titels. Daarvan zijn er 25.000 exemplaren verkocht. En er zit nog wat in de pijplijn: het aantal aangemaakte accounts loopt tegen de zevenduizend.
Ligt Brave New Books daarmee op koers? Volgens de – overigens foutieve – aanname dat Nederland een miljoen schrijvers telt met de ambitie om te publiceren wilde Singel-directeur Paulien Loerts na drie jaar 25.000 titels hebben gepubliceerd. 'We zullen pas in juni, als we een jaar bezig zijn, kijken of we op koers zitten,' zegt Op de Coul. 'De groei is na de piek in het begin natuurlijk afgevlakt, maar daarom zullen we er binnenkort een impuls aan geven. We werken aan een plan.'
Ook over de verkoop van diensten toont Op de Coul zich tevreden. De omzet is naar zijn zeggen tot nu toe elke maand hoger dan de maand ervoor. De bestlopende diensten zijn: redactie, een leesscan en het maken van verkoopteksten. Het pakket is dan ook in die richting uitgebreid: auteurs kunnen nu ook vertalingen laten maken, redactie en correctie van Engelse teksten en telefonische begeleiding. 'Alleen beoordeling van bekende auteurs loopt niet als verwacht'.

Het opmerkelijke van deze groei is dat het allesbehalve ten koste gaat van de concurrentie. De grote partijen op deze markt – Mijnbestseller.nl, Pumbo en Free Musketeers – zeggen allemaal dat het goed met hen gaat. Het positiefst is Peter Paul van Bekkum dat als partner aan Brave New Books ook profiteert van de introductie daarvan. 'Wij scoren voor het derde jaar op rij een triple digit groei. Voor dit jaar verwachten we een soortgelijke groei. De groei is echt onstuimig.'
Behalve het eigen merk en Brave New Books draait het platform op vijfentwintig tot dertig sites. Dat zijn eigen merken als Ius (voor juridische boeken), Anoda Publishing (groene boeken), Mijnchicklit.nl (inderdaad: chicklit), maar ook sites van bijvoorbeeld Media Groep Limburg en een twintigtal boekhandels als Iwema en Vermeer. Ooit ambieerde Mijnbestseller.nl een landelijk dekkend netwerk van boekhandels die in de eigen regio auteurs hielpen, maar dat is niet gelukt.
'Waarom, weet ik eigenlijk niet,' zegt Van Bekkum. 'Wij dachten: dat is een heel mooi plan, maar boekhandels hebben blijkbaar hun handen vol aan hun eigen uitdagingen. Zie wat er is gebeurd met Polare. De focus ligt enorm op: blijven bestaan over een paar jaar. Misschien krijgen boekhandels later weer ruimte om zich te richten op nieuwe initiatieven. En misschien zijn boekhandels afgehaakt omdat het in hun ogen onvoldoende resultaat opleverde. Dat houdt het op.'
Alleen het crowdfundingsplatform TenPages.com heeft het niet gered. Schrijvers de mogelijkheid bieden om met een voorproefje van tien pagina's tekst aandelen te verkopen aan fans en vervolgens dat geld te gebruiken om het boek te publiceren bij een reguliere uitgeverij bleek geen rendabel model, moest oprichter Valentine van der Lande vorige maand constateren. Ook de omslag naar het crowdfunden van projecten van bekende auteurs en die zelf uitgeven heeft niet mogen baten.
De groei van deze markt zit hoofdzakelijk in het aantal auteurs dat in eigen beheer uitgeeft, zegt Klaas van Eijkern van Free Musketeers. 'Het aantal manuscripten dat binnenkomt en het aantal aanvragen voor offertes blijft langzaam groeien. Vijf tot tien procent per maand ten opzichte van dezelfde maand een jaar eerder. Maar aan de verkoopkant merken wij ook de crisis in het boekenvak. Net als de hele markt hebben wij daarin sinds 2008 zo'n twintig procent verloren.'

De verklaring voor de aanhoudende groei is dan ook een grotere bekendheid van de mogelijkheden om in eigen beheer uit te geven. Gopher was in al 1997 de eerste die internet en printing on demand inzette om auteurs zelf te laten publiceren. Free Musketeers vierde vorig jaar al zijn tweede lustrum. Maar bij gebrek aan grootschalige reclamecampagnes ontdekken veel auteurs pas wanneer ze daadwerkelijk in eigen beheer zouden willen uitgeven wat de opties zijn.
'Het dringt langzaam door tot het publiek', vertelt Van Bekkum. 'Mensen vertellen het door als ze zelf een boek hebben uitgegeven en dat trots laten zien – zowel fysiek als in de sociale media. En als je zoekt op internet vind je gelijk een aantal mogelijkheden. Zoals onze concurrenten letten we dus op de spelregels van Google, die keer op keer veranderen, om bovenaan te komen. Dat dan een partij als Bol.com mee doet, geeft self publishing zo'n boost: een mail van hen bereikt 4,5 miljoen mensen.'
Ook lijken er meer mensen te zijn gaan schrijven. Onderzoek uit 2007 wees uit dat 60.000 Nederlanders ambitie hebben om te publiceren. Uit de extrapolatie van hun eigen klantgegevens kwam Pumbo begin dit jaar uit op 71.000. Het aantal klanten per postcodegebied werd daarbij vergeleken met het totaal aantal inwoners in dat gebied. Voor Van Eijkern is deze groei niet verrassend: De mogelijkheden om te publiceren werken als trigger om daadwerkelijk te gaan schrijven.
Ten derde werkt de titelreductie bij met name concernuitgeverijen in het voordeel van uitgeven in eigen beheer. Als auteurs worden afgestoten omdat ze te weinig verkopen, ligt het al gauw voor de hand het in eigen beheer te doen. Free Musketeers heeft vorig jaar zelfs een aparte imprint opgericht voor heruitgaven van bekende auteurs: Ambitium, dat inmiddels twintig boeken van auteurs als Yvonne Kroonenberg, Ellen Teijsinger en Loek Kessels heeft gepubliceerd.
Alle partijen merken de toevloed van professionals onder hun klanten – zie alleen al de bekende namen bij Brave New Books: Patty Harpenau, actrice Belinda Meuldijk, filmmaker Dick Maas en vertaler Hans van Cuijlenborg, die allen bij traditionele uitgevers hebben gepubliceerd – en voor een deel ook oude titels via dit platform opnieuw hebben uitgebracht. Van Cuijlenborg biedt zijn vertalingen van Guy de Maupassants verhalen aan.
Het zijn echter hoofdzakelijk non-fictieauteurs die eigen beheer opzoeken. Business consultants die een boek als visitekaartje gebruiken, of deskundigen op zo'n kleine nichemarkt dat een uitgeverij er geen brood in ziet hun werk te exploiteren. Ook CB, de boekendistributeur die in 2013 3289 verschillende in eigen beheer uitgegeven titels on demand produceerde, valt het op dat hieronder steeds meer professionals zitten voor wie uitgeven in eigen beheer zeker geen vanity publishing is.

De groei van deze markt zal aanhouden nu gratis publiceren de standaard is geworden. Bij Gopher moest je in de begintijd 2500 gulden betalen – en anno 2014 altijd nog 1595 euro. Daartegenover staan platformen als Brave New Books, Mijnbestseller.nl of Lulu. Alleen voor de aanvraag van een ISBN moet een auteur betalen (12,75 euro). Alle andere kosten betaalt een auteur pas als hij een exemplaar heeft verkocht. Ook als hij via een boekhandel verkoopt, draagt hij dan pas zijn marge af.
Het andere dominante model is dat van Free Musketeers en Boekscout. Zij opereren als traditionele uitgevers: zij vermarkten een exploitatierecht. Het verschil is dat zij kosten voor redactie en vormgeving zo laag mogelijk houden. Alleen boeken met potentie worden actief aan de boekhandel aangeboden. Iedere uitgave wordt zo al winstgevend vanaf circa zeventig verkochte exemplaren. Daarbij krijgen auteurs hooguit één presentie-exemplaar, zodat familie en vrienden aan de winst bijdragen.
Uiteraard wijzen Van Bekkum en Van Eijkern op de voordelen van hun model ten opzichte van het andere. Platforms als Mijnbeststeller.nl geven auteurs echt, voor de volle honderd procent, de keuze om een uitgeefpakket aan diensten samen te stellen, legt Van Bekkum uit. Nee, zij laten auteurs zwemmen, vindt Van Eijkern. 'Dan hebben auteurs een boek geüpload en gebeurt er vervolgens niets. Wij zien nu al dat ze vervolgens toch op zoek gaan naar een partij die hen kan helpen.'
Maar feit blijft dat ze zich vooralsnog niet te concentreren op een concurrentiestrijd. In plaats daarvan werkt iedereen aan een verbetering en uitbreiding van het dienstenpakket. Zo is Free Musketeers dit jaar begonnen hun inmiddels 4.000 uitgaven te laten vertalen in het Engels en die aan te bieden in Amerika. Gratis, de verkoop van boeken en diensten moet de kosten terugverdienen. Ook gaat het bedrijf naar de belangrijke internationale beurzen als Frankfurt en Bologna.
Brave New Books wijst haar schrijvers sinds kort nadrukkelijker op de mogelijkheden om omslagen te maken – ook ontwerpen van professionele vormgevers. Zo reageert het platform op de wat lacherig geuite kritiek dat wel erg veel boeken in de speciale winkel op Bol.com hetzelfde omslagbeeld hadden. 'Het is de vrijheid van de auteur om te kiezen wat hij of zij wil,' legt Op de Coul uit. 'Maar wij realiseren ons ook wel dat te veel dezelfde omslagen niet goed zijn voor de verkoop.'
De bedrijven willen bovendien dat hun auteurs meer gebruik maken van hun diensten. Alleen als zij hun best doen een zo goed mogelijk gemaakt boek op een zo goed mogelijke manier onder de aandacht brengen, zullen wij immers opvallen in het snel groeiende aanbod. 'Bij ons huurt vijf procent van de auteurs een dienst in,' zegt Van Bekkum, die een team van elf freelancers heeft. 'Bij auteurs van managementboeken is dat vijftien procent.'

Hoe lang duurt het nog voor een via een self publishing-bedrijf uitgegeven boek de Bestseller 60 haalt? De bestverkopende titels lijken weinig afzet te kennen. De grootste seller van Brave New Books is Lichaamstaal van Ton van Engelen, de winnaar van de prijs voor het beste geüploade boek op dit platform: een paar honderd exemplaren, aldus Op de Coul. Bij Pumbo haalt 8 procent van de titels een verkoop van meer dan 500 exemplaren. Daarentegen haalt 72 procent de honderd exemplaren niet.
Toch zal de primeur niet lang meer op zich laten wachten, verzekeren de producenten. 'Op korte termijn', zegt Van Bekkum, die ook zijn eerder gedane uitspraak dat in 2020 de helft van de bestsellerlijst in eigen beheer is nogmaals onderstreept. Daarbij haalde Michel Hoetmer, die zijn werk deels in eigen beheer uitgaf, daarmee de top 5 van de managementboektop 100. Van Eijkern houdt het op 'nog dit jaar' – en dan zal een uitgave zijn van zijn literaire imprint Literoza.
Zal de eerste bestseller in ieder geval een e-boek zijn? Dat lijkt er niet op. Waar self publishing in Amerika een kwart van de digitale verkoopranglijsten inneemt, lijken Nederlandse auteurs een voorkeur te hebben voor papier. De verhouding papier-digitaal bij Brave New Book is 2 op 1. Elders is het nog minder. Bij Pumbo is 15 procent digitaal. Bij Free Musketeers 3 tot 4 procent. 'En ik zie daar geen stijging in komen,' zegt Van Eijkern.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, maart 2014)

Zie ook:

vrijdag 9 mei 2014

Zo veel mogelijk handtekeningen voor vrije toegang tot digitale informatie (Bibliotheekblad)

Geef lezers het recht op e-lezen. In het Engels: The Right to e-Read. Met die slogan voert EBLIDA sinds 23 april campagne voor het opnemen van een leenrechtexemptie voor e-boeken in de auteurswet. Hoofddoel is burgers bewust te maken van deze lacune in de wetgeving. Europarlementariër Marietje Schaake (D66) ondersteunt de actie.

De teller stond na twee weken op 7098 handtekeningen. Zoveel medewerkers van bibliotheken en individuele burgers uit heel Europa hebben inmiddels het manifest voor het recht op e-lezen ondertekend – van Moldavië en Malta tot Frankrijk en Finland en alle andere landen met organisaties die zich hebben aangesloten bij de European Bureau of Library, Information and Documentation Associations (EBLIDA). Hoeveel Nederlanders de petitie hebben ondertekend, is niet te zien. Wel werd op 5 mei de grens van 1000 handtekeningen overschreden.
‘We willen uiteraard zo veel mogelijk handtekeningen,’ zegt Erna Winters, directeur van Bibliotheek Kennemerwaard, penningmeester van het uitvoerend comité van EBLIDA en lid van de Task force on e-books. ‘We hopen op 50.000 uit heel Europa. Als je ziet hoeveel mensen de actie “Mijn bieb moet blijven” hebben ondertekend, moet zo’n 5.000 uit Nederland haalbaar zijn. Daar moeten we wel stevig ons best voor doen. In oktober, tijdens de EBLIDA-vergadering in Brussel, willen we de petitie overhandigen aan een Europees commissaris of Europees parlementariër.’

Leenrechtexemptie
De petitie werd op 23 april, werelddag van het boek, in heel Europa tegelijk gelanceerd – in Nederland door de tekst plechtig te overhandigen aan Marietje Schaake, namens D66 lid van het Europees parlement. Het document roept op tot modernisering van de auteurswet, zodat bibliotheken hun leden op dezelfde manier als van papieren boeken kunnen voorzien van digitale boeken. Bibliotheken willen niet langer afhankelijk zijn van uitgevers, van wie zij nu licenties op digitale boeken moeten kopen. Zij willen een leenrechtexemptie voor e-boeken. Alleen dan kunnen bibliotheken de burgers vrije toegang garanderen tot digitale informatie.
Winters: ‘Het is nu zaak om de actie breed te ondersteunen. Wij hebben het in de Kennemerwaard in de nieuwsbrief gezet. We hangen de poster op in alle vestigingen. We melden het op Facebook. Enzovoorts. En de VOB en ik proberen de collega’s in de sector ervan te overtuigen om ten eerste zelf te ondertekenen en daarna ons te volgen, zodat zij bijvoorbeeld ook een poster bij een pc hangen waar bezoekers van de bibliotheek de petitie direct kunnen ondertekenen. Ik verwacht niet anders dat zij ook het nut en noodzaak van de oproep inzien, maar ik kan dat niet afdwingen.’

Aanhaken bij bestaand recht
Schaake juicht de actie toe: ‘Het is goed dat bibliotheken zich mengen in het politieke debat. Bibliotheken vervullen een belangrijk publieke functie, maar de discussie lijkt soms uitsluitend door grote, commerciële spelers te worden gevoerd. Wel was het misschien beter geweest als zij niet hadden gevraagd om een nieuw recht, maar hadden aangehaakt bij een bestaand recht dat al goed is verankerd: het recht op vrije toegang tot informatie. Straks maakt een partij als Amazon gebruik van het recht op e-lezen. Dat lijkt me niet de insteek van de campagne.’
Ook het inhoudelijk doel van de petitie ondersteunt zij – binnen een bredere hervorming en harmonisatie van het Europees auteursrecht. ‘Het huidige systeem werkt ook innovatie tegen,’ zegt Schaake. ‘Het is nu heel moeilijk voor start-ups om hun nieuwe product in één keer op de Europese markt uit te rollen. Maar daarbinnen is het belangrijk om ook het publieke belang mee te wegen. Veel boeken zijn inmiddels digitaal beschikbaar, het lijkt me niet goed als uitgevers daar dan hekken om heen gaan zetten en bepalen welke boeken wel of niet algemeen toegankelijk zijn.’

E-boek = een gewoon boek
De campagne wil niet alleen politici tot actie aanzetten, 'die ten onrechte denken dat de markt het wel regelt', maar ook het grote publiek bewust maken van een lacune in de auteurswet. ‘Bibliotheken krijgen aan de balies veel vragen over e-boeken,’ zegt Winters. ‘Zij kunnen lang niet alles leveren. Maar wat mensen niet weten is dat het niet komt door de onwil van bibliotheken, maar omdat het uitlenen van digitale boeken niet goed is geregeld. Voor hen is een e-boek hetzelfde als een gewoon boek. Dat de wet dat anders ziet, snappen ze niet.’
De situatie in Nederland is misleidend. Bibliotheken kunnen momenteel 5.000 e-boeken uitlenen, bijna een kwart van het totaal aantal beschikbare digitale boeken. Zijn uitgevers de bibliotheken soms erg goed ter wille? Winters: ‘Wij zijn blij met dit aanbod, maar feit blijft dat de macht onevenredig wordt verdeeld. Wij kunnen niet kopen wat wij willen, tenzij voor een bedrag dat in sommige Europese landen drie tot vijf keer zo hoog is als de consumentenprijs. Als uitgevers denken dat zij beter gewin hebben bij verkoop van een e-boek bieden ze het ons niet aan. En in negen van de tien actuele titels is dat het geval.’
Het gevolg van de opstelling van uitgevers is het in stand houden van illegaal lezen van digitale boeken. ‘Tachtig procent van het aantal gedownloade e-boeken gebeurt illegaal. Mensen zonder een ruime beurs zullen straks niet alle boeken die zij willen bij bibliotheken kunnen krijgen en daarom illegaal blijven downloaden.’ Ook universiteits-bibliotheken kunnen nu niet alle wetenschappelijke informatie aan hun gebruikers leveren omdat zij noodgedwongen erg veel moeten betalen aan uitgevers. ‘Zij zijn gebonden aan wurgcontracten,’ zegt Winters. ‘Dat moet anders.’

Uitgevers negatief
De eerste reacties van uitgevers op de petitie zijn negatief. De voorzitter van de Britse Publishers Association schreef in eencolumn voor The Bookseller dat het recht op e-lezen al bestaat: iedereen kan immers e-boeken kopen. Bibliotheken zouden met deze misleidende slagen alleen maar actie voeren om goedkoper e-boeken te kunnen inkopen. ‘Een omdraaiing van de discussie’, vindt Winters. ‘Natuurlijk vinden wij het logisch dat auteurs en uitgevers een billijke vergoeding krijgen. Wij willen alleen maar dezelfde rol hebben als met papieren boeken.’
De Duitse Börsenverein, de branchevereniging van uitgevers en boekhandels, vond in een reactie bovendien dat de wens van bibliotheken te vroeg komt: toegeven daaraan zou de ontwikkeling van nieuwe businessmodellen verhinderen. ‘Uitlenen via bibliotheken is ook een businessmodel’, reageert Winters daarop. ‘Bibliotheken hebben juist veel ervaring met klant- en leen/leesgegevens, uitgevers niet. Daarbij vergeten uitgevers dat bibliotheken de grote leesmotoren zijn. Bibliotheken doen heel veel aan leesbevordering. En onderzoek heeft uitgewezen dat leners ook vaak kopen.’

Beschermen eigen businessmodel
Ook Schaake vindt het een ‘vreemd argument’ van uitgevers: ‘Dat mensen blijven lezen is in het belang van iedereen. En dat lezen moet je niet beperken tot papieren boeken. Bovendien zullen bibliotheken betalen voor het uitlenen van digitale boeken. Ik denk dat uitgevers beter mee kunnen gaan in de vernieuwingsslag zodat ze meer kunnen profiteren van innovaties, er een gezonde marktwerking ontstaat en prijzen omlaag gaan. Uitgevers zijn te veel bezig met het beschermen van hun eigen businessmodel. Maar daarvoor maken we natuurlijk geen wetten.’
Het gekke is, zo maakt Winters duidelijk, dat uitgevers zelf met twee maten meten. Als het gaat om de gewenste leenrechtexemptie zeggen uitgevers: een digitaal boek is niet hetzelfde als een papieren boek, maar een dienst. Als het gaat om de btw zeggen ze: een digitaal boek is wél hetzelfde als een papieren boek – in de hoop dat ze politici ervan kunnen overtuigen dat zij voor het e-boek hetzelfde lage btw-tarief invoeren. ‘Ik begrijp wel dat uitgevers hun commerciële belangen verdedigen, maar consequent is het niet.’

Tijd nodig
Of de handtekeningenactie van EBLIDA snel resultaat zal hebben, is zeer de vraag. Er is net een openbare internetconsultatie over het auteursrecht geweest, die meer dan 11.000 reacties heeft opgeleverd. ‘Wij wachten nu met smart op de Europese commissie,’ zegt Schaake. ‘Alleen zij kunnen initiatief nemen, het Europees parlement helaas niet. Veel zal afhangen van de nieuwe commissaris, die na de Europese verkiezingen zal aantreden: hoe hoog zet hij of zij het onderwerp op de agenda. De huidige commissaris, Barnier, heeft weinig ambitie getoond.’
Persoonlijk verwacht Schaake op zijn vroegst een voorstel in 2015. Zelf zal ze er alles aan doen dat zo snel mogelijk te krijgen. ‘Ik vind het ongelofelijk hoe verouderd het auteursrecht is en hoe die de ontwikkeling van een digitale markt in Europa belemmert. Helaas is het politiek lastig. Veel politici laten hun oor hangen naar uitgevers. Ik verwacht na 22 mei bovendien meer nationalistische partijen in het parlement, die hoe dan ook Europese samenwerking tegen zullen werken. Het is daarom belangrijk voor de bibliotheeksector om op de verkiezingen hun stem te laten horen.’

Proefproces
Ook Winters beseft dat de strijd van EBLIDA er een van lange adem is. 'Na de verkiezingen zijn er nieuwe parlementariërs. Dan moeten we het probleem opnieuw beginnen uit te leggen. Daarom grijpen we ook elke mogelijkheid aan om de effecten van een auteurswet waarin het e-boek niet is opgenomen, aan te kaarten. We blijven er in Nederland op hameren. En we voeren een proefproces, dat zo snel mogelijk moeten worden doorgestuurd naar het Europees hof – anders dan wat uitgevers willen. Als dat lukt, scheelt het een paar jaar. Later deze maand doet de rechter daarover uitspraak.'
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl, 6 mei 2014)

Zie ook:

donderdag 8 mei 2014

Peter Terrin, 'Monte Carlo' (BOEK)

Iedereen is willoos slachtoffer van het toeval. Maar wat er ook gebeurt, alles heeft óók positieve gevolgen. Je moet daar oog voor hebben om niet ten onder te gaan aan de grillen van het lot. Dat is de boodschap van Peter Terrins Monte Carlo.

Wie krijgt wat hem toekomt?

De Formule 1 tegen het eind van de jaren zestig. Dat is: coole coureurs met halflange haren en bakkebaarden. Strak gestroomlijnde wagens, nog niet ontsierd door reclame of door snelheidverhogende, maar lelijke vleugels. Onbekommerde, sexy pitspoezen. Het is de visueel aantrekkelijke wereld waarin Peter Terrin zijn nieuwe roman heeft gesitueerd – al verliest hij zich gelukkig niet in eindeloze beschrijvingen; hij hint alleen op de archetypische beelden die iedereen in zijn achterhoofd heeft, en op de beginnende veranderingen die de schoonheid uit de sport zullen halen.
Hoofdpersoon van Monte Carlo is de monteur Jack Preston van Team Lotus, dat de Formule 1 in die jaren domineert. Vlak voor de start van de Grand Prix van Monaco '68 krijgt hij de opdracht om de reclame van een sigarettenmerk op hun wagens te bedekken. Advertenties op de auto zijn op het laatste moment verboden. Als hij daarmee bezig is, ziet hij de hoofdgast van Prins Rainier van Monaco langs het startveld lopen: de actrice Deedee. Onverwacht doorbreekt ze het protocol. Ze koerst kriskras door de wagens naar de overkant. Precies als ze bij Jack is schiet een steekvlam uit een auto. Hij duikt onmiddellijk op haar. Deedee is ongedeerd, hijzelf voorgoed verminkt.
Terrin beschrijft het voorval heel fraai als in een film. Er zijn close-ups van het vuur dat langzaam tot ontbranding komt. Camera's volgen vanuit alle hoeken de opmaat naar het ongeluk – Terrin kijkt vanuit een vrouw op de tribune, Prince Rainier en Deedee. Er zijn korte flashbacks op het leven van Preston, wiens vader sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog en die zijn verdriet verdrong door te sleutelen aan auto's en zo vertrouwen, zelfrespect én een mooie carrière verkreeg. Maar het gaat Terrin om wat daarna gebeurt: hoe Preston met het voorval omgaat.
Aanvankelijk is de monteur opgetogen. Hij heeft iemand van de dood gered. En niet zomaar iemand: de begeerlijkste vrouw op aarde. Maar geleidelijk aan slaat zijn stemming om. De wereld heeft de gebeurtenissen niet goed geregistreerd: niet Jack wordt als de held gezien, maar de lijfwacht die Deedee én hem zou hebben gered. Jack lag in het ziekenhuis en kon journalisten dus niet de waarheid vertellen. Terug in zijn geboortedorp wordt hij wel onthaald als 'de redder van Deedee'. Alleen een seizoens-arbeiders gelooft hem niet. Maar bij gebrek aan bewijs voor Jacks verhaal krijgt die steeds meer dorpsgenoten aan zijn kant.
Hoe krijgt Jack dan wat hem toekomt? De gelovige monteur is overtuigd van een uitgebalanceerd leven. God geeft en God neemt. Er is altijd een 'evenwicht', het woord dat Jack daarvoor gebruikt. Zoals hij voor zijn te vroeg gestorven vader een internationale carrière terugkreeg, zo moet de verminking die hij zijn leven lang met zich mee moet dragen en die hem zijn contract bij Team Lotus heeft gekost op de een of andere manier worden gecompenseerd.
De monteur zet al zijn hoop op Deedee. Zij weet wat er echt is gebeurd, zij zal zijn rol erkennen en hem zo zijn verdiende heldenstatus geven, al is het maar in zijn eigen dorp. Met z'n allen kijken ze in de lokale pub naar een tv-interview met Deedee. Zij zegt niets over het ongeluk. Dag in dag uit rijdt hij later naar een paardenracebaan waar zij een film opneemt. Hij kijkt naar de legendarische tv-serie De wrekers, waar zij de rol van Emma Peel speelt, in de hoop op een teken. Dat uiteraard niet komt. Jack is een zielige stalker geworden, die een bijzondere relatie koestert die uitsluitend in zijn eigen hoofd bestaat.
Terrin laat hiermee op pijnlijke wijze zien dat niemand krijgt wat hem toekomt. Een mens heeft pech of geluk, meer niet. Zijn leven wordt niet bestuurd door God, zijn leven hangt aan elkaar van toeval. Hij is onderworpen aan moedwil en misverstand, om een term te gebruiken van Willem Frederik Hermans, Terrins grote voorbeeld. Jacks leven had dan ook heel anders kunnen lopen. Want een toeschouwer had de werkelijke toedracht van het incident toch vastgelegd op de foto? Als die foto vlak na het ongeluk tevoorschijn had kunnen komen...
Tegelijkertijd – en dat maakt Monte Carlo tot meer dan een eenduidige roman met een al te vaak verwoordde zwartgallige visie op het menselijk bestaan – is er wel degelijk evenwicht. Jack krijgt iets terug voor zijn pech, omdat iedere gebeurtenis nu eenmaal ook positieve effecten heeft. Hij krijgt een nog grotere liefde van zijn vrouw Maureen, die hevig opgewonden raakt van zijn littekens. En een nog grotere bewondering van de zwakzinnige Ronny, die hem vaak helpt in de garage. Bovendien loopt het slecht af met de vrouw die weigert te erkennen dat ze haar leven aan hem te danken heeft.
Jack probleem is alleen dat hij dat niet ziet of niet kan erkennen.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2014)

Peter Terrin Monte Carlo (176 p.) – De Bezige Bij, € 16,90 (e-book € 12,99)

Zie ook:

zondag 4 mei 2014

Schrijfopleidingen 2: ervaren docent Thomas Verbogt geeft zijn visie (Schreef)

Meer dan twintig jaar is Thomas Verbogt verbonden aan schrijfopleidingen. Ooit begonnen bij ’t Colofon geeft hij nu – structureel of incidenteel – les in proza-, column- en toneelschrijven aan Rietveld, ArtEZ, Toneelacademie Maastricht en Editio (online schrijfcursussen). Ook zit hij in de Raad van Advies van de Schrijfacademie.

Geef je graag schrijfles?
‘Anders zou ik het natuurlijk niet doen. Het is nuttig voor mezelf om woorden te vinden voor kennis die ik kan overdragen. Het is mooi om, zoals vroeger gewoon was, een vak door te geven aan beginners. Een verantwoordelijkheid ook als schrijver.’

Moet je schrijver zijn om schrijfdocent te kunnen zijn?
‘Vind ik wel. Alleen als je vanuit eigen ervaring spreekt kunt je iets wezenlijks uitleggen. Dat kan niet vanuit theoretische kennis alleen. Daarom is het ook subjectief onderwijs: ik doceer wat ik zelf heb ondervonden. En daarom is het goed dat een student van verschillende schrijvers les krijgt. Dat is een groot voordeel van een schrijfopleiding ten opzichte van zelf leren schrijven.’

Een schrijfopleiding heeft dus zin?
‘Ja. Ik hoor in Nederland nog steeds die denigrerende toon. In recensies: typisch een product van een schrijfschool, staat er dan. Maar iedere schrijver moet zich de techniek eigen maken. Voor sommigen is het prettig om dat in interactie met anderen te doen. Daarom is het belangrijk dat dat ook ergens kan.’

Kan iedereen daar leren schrijven?
‘Nee. Ik ben ooit weggegaan bij ’t Colofon omdat ik het destijds een droomfabriek vond. Te veel mensen, te weinig talent. Selectie vooraf is heel belangrijk om de mensen eruit te halen voor wie schrijven een noodzaak is.’

Toch zijn er aan al die opleidingen steeds meer studenten.
‘Het huidige aanbod opleidingen is absoluut te groot. Van de, zeg, honderd mensen die zich aanmelden, zijn er maar vijftien de moeite waard om mee door te gaan. Al die opleidingen zien een gat in de markt, omdat ze lezen dat er tienduizenden mensen schrijven. Op termijn zullen sommige opleidingen weer verdwijnen.’

Zou je als docent studenten die ‘het’ niet hebben, per direct willen verwijderen?
‘Graag. Ik kan dat natuurlijk niet doen. Dat is aan de leiding. Ik geef het aan hen door, maar als iemand voor een jaar heeft betaald of de overheid maakt subsidie afhankelijk van het aantal studenten… In het algemeen vind ik schrijfopleidingen te weinig kritisch. In de klas geef ik wel een eerlijke reactie. Anders heeft schrijfonderwijs geen zin.’

Wat raad je studenten van een schrijfopleiding aan?
‘Dat ze het als een hulpmiddel zien. Een verpleegkundige leert vaardigheden die ze daarna toepast. Een schrijver leert vaardigheden die het begin zijn van iets anders. Dat iets anders is voor iedereen uniek. Een schrijfopleiding is twintig procent van het werk – daarna moet je zelf werken, lezen, kijken; een manier van leven ervan maken.’
(Schreef, het magazine van het Nederlands Letterenfonds, najaar 2013)


zaterdag 3 mei 2014

Schrijfopleidingen 1: Van de Schrijversvakschool tot Hogeschool ArtEZ – er is steeds meer keuze (Schreef)

Wie een schrijfopleiding wil volgen heeft steeds meer keuze. Studenten leren op deze studies meer dan alleen de ambachtelijke kanten van het schrijven. Ze worden geprikkeld om hun eigen stem te zoeken en ontdekken alle aspecten van de literaire wereld waarin ze na hun afstuderen actief hopen te zijn. Dat schrijven niet te leren is, vinden de bestaande schrijfopleidingen een vooroordeel.

‘EEN OPGELEIDE SCHRIJVER MOET MEER KUNNEN DAN ONDERHANDELEN MET MAI SPIJKERS’

Als er één plek is die een schrijver in spe moet mijden, is het een schrijfopleiding. Vindt Christiaan Weijts, auteur van meerdere voor de AKO en Libris Literatuurprijs genomineerde romans. ‘Als je een stoomcursus van een week volgt, gezellig met een groepje in de Provence, kan dat een impuls geven. Maar als je jarenlang schrijfonderwijs krijgt, bestaat het gevaar dat je werk gaat voldoen aan een norm die impliciet wordt gehanteerd. Dat leidt tot netjes gepolijst, eenvormig proza. Tot technisch keurig ambachtswerk, dat geen enkele schok teweeg brengt. Waarom zou je het dan lezen? Schrijvers van een schrijfopleiding kan ik gewoon niet serieus nemen.’
Natuurlijk moet iedere schrijver zijn metier leren. Weijts herinnert zich het bijvak scenarioschrijven dat hij op de universiteit volgde. ‘Veel van geleerd.’ Hij leest nog altijd boeken als Het geheim van de schrijver van Renate Dorrestein of Hoe fictie werkt van James Wood. ‘Ontzettend nuttig’. Hij heeft vorig jaar zelf als gastschrijver in Nijmegen een cursus creative writing gegeven. ‘Als ik hen dan iets uitlegde over compositie of concreet zijn, bleek dat voor hen een eye-opener.’
Het belangrijkste kan echter niemand een schrijver leren. ‘De stijl en de ideeënwereld van een schrijver, waarin zijn persoonlijke ervaringen, creativiteit en originaliteit samenkomen. Die heb je of die heb je niet. Die ideeënwereld komt het best tot wasdom als je je eigen weg volgt. De beste schrijvers zijn juist nee-zeggers, outcasts, verschoppelingen. Die verzetten zich tegen groepsdenken. Slauerhoff, Oscar Wilde, Rimbaud. Je kunt je toch niet voorstellen dat die in een schoollokaal hebben gezeten?’

Ondanks Weijts’ banvloek zijn er de laatste jaren steeds meer schrijfopleidingen bijgekomen. De Schrijversvakschool Amsterdam, voortgekomen uit het in 1984 opgerichte ’t Colofon, is niet meer de enige. De Rietveld Academie heeft sinds 2005 de afstudeerrichting Beeld en Taal. Twee jaar geleden startte de Schrijversvakschool Groningen. Vorig jaar volgde de HBO-opleiding Creative Writing aan ArtEZ, en onlangs de Schrijversacademie, die lessen in verschillende plaatsen combineert met online-onderwijs. Vlaanderen heeft al twee decennia een eigen Schrijversacademie.
Al deze opleidingen zien een groeiende belangstelling. ‘We hadden zo’n twintig studenten, nu zijn het er dertig, verdeeld over drie studiejaren,’ zegt coördinator Gijs Müller van de opleiding Beeld en Taal aan de Rietveld. ‘De meeste van mijn studenten beginnen aan het basisjaar met het expliciete idee om daarna Beeld en Taal te volgen. Ik krijg ook steeds meer verzoeken van internationale studenten die hieraan willen beginnen. Maar dat kan niet. Beeld en Taal is de enige afdeling op de Rietveld die Nederlandstalig is. Dat kan ook moeilijk anders.’
Een van de redenen voor deze groei, verklaart Frank Noë, hoofdredacteur van Schrijven magazine en auteur van acht boeken, is juist het verdwijnen van de ‘romantische opvatting van schrijverschap’ die Weijts uitdraagt. ‘Jonge schrijvers zeggen zonder schroom dat ze die of die opleiding hebben gedaan. Als er zo nuchter naar wordt gekeken, kunnen ook anderen onbeschaamd een opleiding doen.’ Een auteur als Corine Nijenhuis (Luchtcowboy) vermeldt in de catalogus van haar uitgeverij dat ze cum laude is afgestudeerd aan de Schrijversvakschool, valt directeur Hans Hogenkamp hem bij.
Een andere verklaring is het wegvallen van de traditionele leerweg van schrijvers, vertelt hoofd opleiding Frank Tazelaar van Creative Writing aan de ArtEZ in Arnhem. ‘Als je vroeger schrijver wilde worden, stuurde je werk op naar een literair tijdschrift. Zo kwam je in contact met een uitgeverij en na vijf jaar begeleiding kon je debuteren. Anders dan tien jaar geleden is dit pad nu verdwenen. Literaire tijdschriften als kweekvijver verdwijnen. Redactionele begeleiding staat onder druk. Schrijfopleidingen springen in dat gat.’
Ook de veranderingen in het literair bedrijf spelen een belangrijke rol. ‘Een keer per jaar een mooi boek schrijven en wachten op de royaltycheque is ouderwets geworden,’ zegt Tazelaar. ‘Het wordt steeds lastiger om van het schrijven van boeken alleen te leven. De omloopsnelheid van boeken is enorm toegenomen. Hooguit een paar maanden en je boek is weg uit de boekhandel. Daarom moet je ook andere competenties aanleren om als schrijver een kansrijke beroepspraktijk op te bouwen. Dat je ook les kunt geven of als redacteur kunt werken. En dat moet je leren.’

De bestaande schrijfopleidingen leggen hun eigen accenten, waardoor ze onderling erg van elkaar verschillen. De Schrijversvakschool leidt het meest expliciet op tot publiceren van een literair werk. De vierjarige deeltijdopleiding neemt jaarlijks zo’n veertig eerstejaars aan, waarvan een kwart de eindstreep haalt – en vervolgens daadwerkelijk publiceert. ‘Wij koesteren ons literair profiel’, zegt Hogenkamp, die de opleiding zelf ook met succes heeft afgerond en twee romans op zijn naam heeft staan. ‘Daarom is het ook zo belangrijk dat wij een instelling zonder winstoogmerk zijn. Wij laten studenten niet uit commerciële overwegingen maar doorstuderen.’
Ook de Rietveld en ArtEZ leveren literaire auteurs af, maar zij bedden de opleiding in een breder kader in. Bij de eerste is dat de conceptuele en beeldende traditie van de Academie. ‘Wij bieden een hard theoretisch programma aan, omdat we het belangrijk vinden dat onze studenten de context kennen waarin ze werken,’ meent Müller. ‘Ik hou ervan als studenten hun eigen geluid ontwikkelen, maar niet van naïviteit. Ze moeten niet bleu in het discours stappen.’
Bij ArtEZ is het kader de daadwerkelijke beroepspraktijk van de toekomstige schrijvers. ‘Ze leren ook recensies schrijven en documentaires maken’, vertelt Tazelaar. ‘ Ze lopen stage: een student zit nu bij Vincent Bijlo om hem te helpen bij research en redactiewerk voor een nieuwe roman. Ze moeten straks immers meer kunnen dan onderhandelen met Mai Spijkers [uitgever van Prometheus | Bert Bakker]. En ze maken vier jaar lang bij het vak Tekst en Media kennis met alle nieuwe mogelijkheden door de, veelal digitale, veranderingen in het publiceren en distribueren van tekst.’
Daarnaast profiteren beide opleidingen van de andere kunstvakken die in hetzelfde pand worden gedoceerd. Schrijvers worden nadrukkelijk gestimuleerd samen te werken met beeldend kunstenaars, interaction designers, theatermakers enzovoorts. Op de Rietveld kunnen schrijvers zelfs met beeldend werk afstuderen. Müller: ‘Ik zie ook dat onze schrijvers vaak een sterk waarnemend vermogen hebben.’ Op ArtEZ doen studenten gezamenlijke vaak opdrachten. Tazelaar: ‘Zo leren ze kijken naar andere narratieve vormen – games, apps, journalistiek. Het boek is niet het doel.’

De Schrijversacademie richt zich van deze vier schrijfopleidingen op de breedste groep: van romanciers in spe tot amateurs die hun familiegeschiedenis willen boekstaven voor een klein publiek. Directeur Kees Spijker, die voor Hogenkamp de Schrijversvakschool leidde, wil dan ook groeien naar 600 tot 700 studenten die jaarlijks de eenjarige opleiding volgen. ‘Natuurlijk kan een beginneling nooit in één jaar zo goed worden als Thomas Rosenboom. Het uitgangspunt is dat we de studenten verder op weg helpen – voor de een is dat met ambachtelijke basisprincipes, voor de ander het helpen nadenken of hij misschien professioneel auteur wil worden.’
Als enige opleiding biedt de nieuwe academie studenten een mix van klassikaal en online onderwijs. Dat scheelt veel verplichte reistijd. ‘Natuurlijk krijgt een student meer feedback als hij een uur alleen met een docent zit,’ zegt Spijker. ‘Maar via onze digitale leeromgeving kun je heel zinnige terugkoppeling geven. Terwijl al dat reizen juist de verleiding om ermee te stoppen groot maakt.’

Het idee van Weijts dat je talent niet aan kunt leren, zal geen schrijfdocent bestrijden. Maar het is een onzinnige gedachte dat iedere schrijver dan maar zijn eigen weg moet vinden. Een opleiding biedt kans om sneller basisprincipes als show don’t tell, het belang van spanningsopbouw, of het verschil tussen een goede en een slechte openingsscène te leren. ‘Mensen met veel talent zouden ook op eigen kracht tot publicatie kunnen reiken, maar het zal veel meer tijd kosten,’ vindt Hogenkamp. ‘Omdat je het op een opleiding krijgt uitgelegd. En omdat je wekelijks opdrachten maakt, en het is dus makkelijker is jezelf aan het werk te houden.’
Müller noemt het succes van een autodidact zelfs een ‘toevalstreffer’. ‘Iedere schrijver moet worden ingewijd in het idioom – of je er daarna in slaagt om dat te herijken naar je persoonlijke stijl of niet. Iedereen heeft een meester nodig die je dat idioom bijbrengt. Je ontwikkeling als schrijver gaat het snelst als schrijven vier jaar lang de hoofdlijn van je leven is, als je er gevrijwaard van de maatschappelijke druk van presteren en geld verdienen, op kunt focussen.’
Het is wel zaak om de getalenteerden, die je zinvol kunt begeleiden en stimuleren in hun ontwikkeling, zo snel mogelijk te scheiden van de niet-getalenteerden. De meeste opleidingen vinden de selectieprocedure daarom zeer belangrijk. De circa tweehonderd studenten die zich jaarlijks bij ArtEZ aanmelden doorlopen verschillende ronden voor de beschikbare twintig plekken. Ze moeten meerdere schrijfopdrachten vervullen, hun motivatie verwoorden en tijdens drie dagen tal van workshops volgen, debatten voeren en opdrachten uitvoeren.
‘We letten daarbij op technisch vermogen: kan iemand adequate zinnen bouwen,’ somt Tazelaar op. ‘Creërend vermogen: kan iemand ideeën uitwerken. Reflectief vermogen: hoe praat iemand over zijn eigen schrijven? En professioneel vermogen. Ook kijken we naar leerbaarheid. Is iemand er al klaar voor om zich te ontwikkelen? Of juist niet te ver? Aan schrijvers met een goedgevuld portfolio, die bijvoorbeeld al bij Lebowski Achievers publiceren, hebben we geen behoefte.’
ArtEZ gaat het verst, maar ook de Schrijversvakschool en de Rietveld selecteren studenten serieus op ingestuurd werk. ‘En daarna beoordelen we hen ieder jaar weer,’ zegt Hogenkamp. ‘Gebrek aan progressie kan dan een reden om iemand niet door te laten gaan.’ Alleen de Schrijversacademie beperkt zich tot de eis van een diploma Nederlands op minimaal havo-niveau. Al wordt dat niet formeel getoetst. Spijker: ‘Iemand die problemen heeft met de d/t’s kun je dat best even laten opfrissen en hem vervolgens evengoed beter maken in schrijven.’

Ook bestrijden de schrijfopleiders Weijts idee dat schrijfonderwijs tot eenvormigheid leidt. ‘We bieden juist maatwerk om iedereen zijn eigen stem te laten ontdekken’, zegt Hogenkamp. ‘De een moet iets aanleren om te voorkomen dat hij zijn favoriete schrijver na-aapt of iets modieus schrijft. De ander moet iets afleren, bijvoorbeeld omdat hij door een overdaad aan persoonlijke expressie te hermetisch schrijft. Wij wijzen hem er dan weer op: er is ook nog een lezer. Daarom is onderwijs in kleine groepen ook noodzakelijk, dan kun je die essentiële individuele aandacht geven.’
Nog een voordeel van schrijfonderwijs is het contact met de literaire wereld die de opleiding biedt. Dat gaat bijna vanzelf, omdat de docenten allemaal in die wereld actief zijn. Maar ook organiseren alle opleidingen lezingen van redacteuren van een uitgeverij, maken ze uitjes naar literaire festivals of geven les in de werking van literaire organisaties als de VvL of het Nederlands Letterenfonds. ‘Zelf ben ik ook via mijn docent Arie Storm bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar beland,’ zegt Hogenkamp. ‘Je komt dan direct via de voordeur binnen.’
Omwille van die verbinding met de beroepspraktijk werken alle opleidingen uitsluitend met schrijvers als docent - in ieder geval voor de schrijfvakken. De Schrijversvakschool stelt als formele eis: minimaal twee boeken gepubliceerd bij een professionele uitgeverij. De anderen hanteren het meer als algemeen uitgangspunt. Bij elkaar vinden zo tientallen, zo niet meer dan honderd schrijvers emplooi als schrijfdocent. Al worden ze wel getest op hun didactische vaardigheden. Zo moeten studenten op de Schrijversvakschool voortdurend hun docenten evalueren.
Frank Noë vindt dat onzin: ‘Het gaat toch in de eerste plaats om de didactische vaardigheden? De beste schrijver is niet per definitie de beste docent. Zelf heb ik ooit scenarioles gehad van Robert McKee. Nooit een Oscar gewonnen, krijgt hij altijd als kritiek. Maar ik heb ontzettend veel van hem geleerd.’
Toch gaat het schrijfopleidingen er niet zozeer om dat schrijvers de elementaire schrijftrucjes uitleggen. Dat zou misschien ieder ander ook kunnen. Het gaat erom dat auteurs zelf gevoeld hebben wat schrijven mentaal en professioneel inhoudt. En, zoals Müller uitlegt, de studenten een droom kan voorspiegelen. ‘Zij hebben de moedige keuze gemaakt om schrijver te worden. Het is onze taak om te laten zien dat hun droom haalbaar is: door hen in aanraking te brengen met – het liefst jonge – schrijvers die leven van hun fantasie en hun pen.’

Alle schrijfopleidingen houden uiteraard lijsten bij van ex-studenten die hebben gepubliceerd. Het is het beste marketinginstrument dat ze hebben, zeker nu die lijsten almaar indrukwekkender worden. De Schrijversvakschool Groningen houdt online een uitgebreid (maar niet eens compleet) overzicht bij afgestudeerden van alle opleidingen, waarop namen prijken als Alma Mathijsen en Miek Zwamborn (Rietveld), Jan van Aken, Vincent Overeem en Anne Vegter (Schrijversvakschool) en Esther Gerritsen (Writing for Performance aan de HKU).

Zijn dit dan allemaal schrijvers die Weijts niet serieus kan nemen? ‘Er staan namen bij van wie ik weleens iets heb gelezen waar ik enthousiast van werd,’ zegt hij als hij het overzicht heeft bestudeerd: Pia de Jong, Maartje Wortel, Sanneke van Hassel. ‘Maar ik blijf geloven dat ze mij evengoed enthousiast hadden kunnen krijgen zonder een opleiding of cursus te volgen. Sterker nog: ik mag toch hopen dat een schrijverschap dermate sterk is dat ze er hoe dan ook aan zouden beginnen. Indachtig Harry Mulisch: je wordt geen schrijver, maar blijkt het te zijn.’
(Schreef, het magazine van het Nederlands Letterenfonds, najaar 2013)

Zie ook:
- Schrijversacademie wil 600 tot 700 schrijvers per jaar opleiden