maandag 14 juli 2014

Hans Willem Cortenraad (CB) blikt terug op faillissement Polare (Boekblad)

Had Selexyz al moeten worden verkocht aan individuele boekhandelaren? Heeft CB te hoog ingezet bij de onderhandelingen over de onverkochte voorraden? Moet het distributiesysteem blijven zoals het is? Met een laatste terugblik sluit CB-directeur Hans Willem Cortenraad het Polare-dossier af.

Ook nu hij de afloop kent, blijft Hans Willem Cortenraad erbij. De overname van Selexyz door ProCures in het voorjaar van 2012 was op dat moment de beste optie. Toen Paul Dumas en de zijnen hun plannen voor de boekhandelsketen neerlegden, kon niemand vermoeden dat de nieuwe eigenaars nog geen twee jaar later gedwongen waren om surseance van betaling aan te vragen. Ook niet de directeur van het bedrijf dat door Dumas – overigens ten onrechte – als zwarte piet werd aangewezen: CB.
'Achteraf oordelen is eenvoudig,' zegt Cortenraad 'Selexyz zocht een nieuwe investeerder. Na een zoektocht van maanden en het faillissement van het hoofdkantoor zei iedereen: als er één partij is die kan slagen, dan is dat ProCures. Daarbij had CB de keus: óf we schrijven de schade nu helemaal af, óf we zetten een deel om in een achtergestelde lening zodat we de kans hebben een deel van de schade alsnog betaald te zien. Na de robuuste plannen van ProCures te hebben gezien, was het een weloverwogen besluit om voor het laatste te kiezen. Daarbij wordt nu gesuggereerd dat CB de reddende engel was. Dat is niet zo. Zonder steun van de banken was de overname door ProCures ook niet gelukt.'
Hij beseft dat het optreden van CB vanuit verschillend perspectief is te beoordelen. 'Uitgevers waren enthousiast omdat een stuk omzet behouden bleef. Het wegvallen van alle Selexyz-winkels had het zaakcijfer van iedere uitgeverij negatief beïnvloed. Maar ik begrijp ook dat boekverkopers zeggen: had ProCures niet gesteund, dat had veel ellende bespaard. Zeker als die boekhandels een Polare-vestiging in de buurt hadden, hoefde het voor hen niet. Wij hebben echter, naast het belang van CB, steeds gekeken naar het hogere doel: wat is het beste voor de hele sector?'
Cortenraad had destijds een hoge dunk van Dumas. 'Hij was een nieuw type ondernemer, die een nieuwe geluid in de branche bracht, gericht op het voeren van een gezonde onderneming. Goed, hij was sterk financieel gedreven, het is de vraag hoeveel kennis hij van het boekenvak had. Maar die kennis haalde hij van buiten, zoals uit de plannen bleek. Iemand als Cor Molenaar was er al vroeg bij betrokken.'
Achteraf wil hij niet beweren dat het toen al beter was om Selexyz op te splitsen en winkels apart te verkopen aan individuele boekverkopers, die wel degelijk interesse hadden. 'Feitelijk was alleen het hoofdkantoor failliet. Er was geen mogelijkheid om winkels uit het geheel te lichten. De winkels performenden ook goed – alleen niet zo goed dat ze het hoofdkantoor konden bekostigen. ProCures heeft daarom als eerste flink in de overhead gesneden. Was het desalniettemin beter om de keten te splitsen? Tja, misschien wel. Ik zou het aanmatigend vinden als ik dat pertinent ontken. Het was toen simpelweg niet aan de orde en daarom geen onderwerp van gesprek.'

Hoeveel vertrouwen Cortenraad ook had in Paul Dumas, hij zag 'de plannen en wat werd gerealiseerd, steeds verder uit elkaar lopen', zoals hij zegt. 'Dan ontstaat op een gegeven moment twijfel of ProCures het voor elkaar krijgt om Polare succes te brengen.' De winkels die in de loop van 2013 na een verbouwing heropenden gaven hem reden tot zorg. Hij zag verschraling: lege plekken die werden opgevuld met ramsj, oud fonds, tweedehands. 'Dat zou niet leiden tot omzetstijging.' Hij vond ook de naamsveran­dering 'ongelukkig' nu het publiek gewend raakte aan Selexyz.
Maar Dumas de schuld geven dat hij zijn plannen niet uitvoerde, doet Cortenraad niet. 'Het zat ProCures niet mee. De markt zat tegen. De conjunctuur wilde niet omhoog. Ook lukten elementen uit het plan niet: de integratie tussen Selexyz en De Slegte pakte omzetmatig niet uit zoals gewenst, de cash-in door de overdracht van huurcontracten – de sleutelgelden – kwamen ook niet uit als voorspeld. Dus terwijl de verschraling van het assortiment mij zorg gaf, begreep ik heel goed waarom dat kwam: het werkkapitaal was te gering.'
Tegen die achtergrond ontstond de keten van gebeurtenissen die tot het einde van de Polare leidde. 'Wij hadden Polare bij de doorstart een jaar versoepelde leveringsvoorwaarden gegeven. Met daarna nog wat uitstel. Uiteindelijk moesten zij voldoen aan reguliere betalingsvoorwaarden. Door de barsten in de financiële planning ontstond een betalingsachterstand, en krijg je een ander gesprek. Toen betalingsachterstanden regelmatiger voorkwamen, kwamen wij op het punt dat we te weinig vertrouwen hadden dat Polare die zou inlopen. Dat leidde tot de apotheose: het opschorten van de leveringen. Waardoor je in gesprek komt over een oplossing daarvoor.'
Die, zoals bekend, niet kwam.

Al voor het faillissement onafwendbaar werd, ontstond een collectief van boekhandelaren dat klaar stond om in te springen. 'Op zich een prima initiatief,' zegt Cortenraad. 'Ik denk dat ze nooit de intentie hadden om het geheel over te nemen, maar het heeft wel bijgedragen aan de snelheid van het traject na de surseance. Zij zorgden er ook voor dat er veel enthousiasme in de branche los kwam voor dit scenario.'
Of de keus voor kleinschalig opererende ondernemers anno 2014 principieel beter is dan een grote keten, durft Cortenraad niet te zeggen. Zeker: in de hele Westerse wereld zijn ketens met grote vestigingen op A-locaties failliet gegaan of in problemen geraakt. Maar was Polare wel een keten? vraagt de directeur van CB zich af. 'Polare was als keten vlees noch vis. Het heeft zich nooit gepositioneerd als keiharde formule. De kracht van Polare bleef de optelsom van de kracht van individuele winkels. Consumenten van die winkels wisten nauwelijks dat er meer Polares in het land waren – zoals consumenten van Bruna en AKO dat wel weten.'
CB legt zich eigenlijk simpelweg neer bij de feiten. 'Ik juich toe wat er is gebeurd. Ik denk dat het publiek zich gaat herkennen in hún boekhandels, zoals dat nooit anders is geweest. Maar als er zich een grote partij had gemeld die de hele keten had gewild, met een robuuste financiering en goede plannen voor een strak geleide keten, had ik daar ook geen bezwaar tegen gehad. Zo'n partij was er alleen niet.'

Cortenraad meent dat CB, die branchebreed lof voor zijn handelwijze heeft gekregen, zich bij het hele proces coöperatief heeft opgesteld. Na het uitgesproken faillissement domineerden twee thema’s de gesprekken met overnamekandidaten: de waarde van de voorraden en de leveringsvoorwaarden. 'We hebben van tevoren richtlijnen opgesteld, waarbij we wilden dat wijzelf én de ondernemers zich comfortabel voelden. Wat er dan uitkomt, is het resultaat van een onderhandelingsspel, maar wij zijn tevreden – met wat we hebben kunnen recupereren van de geleden schade en het feit dat bijna alle ondernemers financieringsafspraken hebben kunnen maken die garant staan voor het verlenen van een kredietlimiet.'
Bijna allemaal? 'In een aantal gevallen was het moeizaam', reageert Cortenraad. 'Wij wilden vanaf dag 1 geen risico meer lopen op leveringen. Er moet dus een kredietlimiet zijn, of een uitgeverij moet zich 100 procent garant voor de levering van zijn boeken stellen. In alle gevallen betekent dat dat onze kredietverzekering Coface de financiële situatie van de winkels wilde beoordelen. CB kan in zekere mate winkels zelf beoordelen, maar daar vielen de overgenomen Polare’s niet onder. '
Omdat het al in de pers heeft gestaan, geeft hij als voorbeeld: Donner. 'De mensen in Rotterdam waren in eerste instantie niet erg blij met hun limiet. Toen zijn we om tafel gegaan om te kijken wat oplossingen konden zijn. Was er bijvoorbeeld nog een garantstelling mogelijk? Banken zijn lastig, maar misschien kennen zij weldoeners die geld in een depot wilden stoppen. Wij willen graag helpen, zolang CB maar geen financieel risico op artikelleveringen meer loopt .'

Sommige boekhandelaren klaagden over de onderhandelingen over de voorraden dat CB 'het onderste uit de kan' zou willen. Cortenraad verwerpt dat. 'Gelet op de schade die wij daadwerkelijk hebben geleden, hebben wij ons coulant opgesteld. We hebben niet gezegd dat wij de schade zo véél mogelijk wilden beperken. Daarbij: draai het eens om. Als het om onverkoopbare waar ging, waarom waren de boekhandelaren bereid ervoor te betalen? Ze hadden de boeken ook níet kunnen overnemen. Toch hebben ze het allemaal gedaan.'
De boekverkopers hadden bovendien aanvankelijk als collectief over de voorraad onderhandeld. 'Wij hebben toen gezegd: met dit totale bulkbedrag gaan wij akkoord. Vervolgens ging de collectieve overname niet door en hebben veel ondernemers dat bedrag als basis genomen voor individuele onderhandelingen. Is dat erg? Het is achteraf jammer dat we aan tafel hebben gezeten met een partij die uiteindelijk niet meerdere winkels overnam, vanwege de tijd die het heeft gekost. Misschien kun je ook zeggen dat de winkeliers het slim hebben gespeeld. Ik ben er niet rouwig om.'
In ieder geval legden uitgevers geen druk op CB om een zo hoog mogelijk bedrag uit de onderhandelingen te spelen. 'Op grond van het eigendomsvoorbehoud was CB eigenaar van de in de boekhandels aanwezige voorraad. Ik denk dat uitgevers strikt formeel-juridisch gezien niets over de voorraden te zeggen hebben. We hebben dat niet laten toetsen, omdat het voor ons zonneklaar was dat we hier samen met de uitgevers in zaten en we het gerecupereerde bedrag zouden delen – maar ik denk dat we een case hadden gehad.'

Het effect van het dubbele faillissement van Selexyz en Polare is boven alles dat CB nooit meer boeken wil leveren op risico van zichzelf en uitgevers. Het positieve daarvan is dat nu echt geldt: ‘gelijke monniken, gelijke kappen', aldus Cortenraad die vroeger soms het verwijt kreeg dat hij Polare voortrok. Zou die heldere opstelling ook nadelen kunnen hebben? Dat de limieten boekverkopers te zeer beperkt in het opbouwen van een breed en diep assortiment? Waardoor uitgevers alternatieven voor CB moeten bedenken? Zie: De Bezige Bij die vijftien winkels rechtstreeks levert.
Cortenraad begrijpt uitgevers niet die zo redeneren. 'Iedere uitgeverij kan via CB in consignatie leveren. Iedere uitgeverij kan ook rechtstreeks leveren. Ten eerste eisen wij nooit exclusiviteit. Ten tweede kunnen wij rechtstreeks leveren ondersteunen. Iedere uitgeverij is vrij om te doen wat hij wil. Ik vind het jammer en te gemakkelijk als CB daarover kritiek krijgt. Als je kritiek hebt, zeg dan ook welke voordelen je van het systeem hebt dat we met z'n allen hebben opgebouwd. Noem mij één andere industrie waar de producent 100 % zekerheid op zijn levering krijgt? Die is er niet.'
Nauw samenhangend met de kritiek – 'die ik al hoor sinds ik hier meer dan tien jaar geleden begon', aldus Cortenraad – is de imagoschade die CB door het Polare-debacle heeft opgelopen. Niet dat de opmerkingen over CB, als vermeend log en duur bedrijf, zijn toegenomen. Nee, de kritische geluiden zijn hoorbaarder geworden. Vroeger schreef de algemene pers nooit over CB. Nu worden criticasters overal geciteerd. NRC Handelsblad labelde CB als 'monopolist', met alle negatieve connotaties die daarbij horen.
'Wat moet ik daarop zeggen?', verzucht Cortenraad. ‘Wij dwingen niemand om met ons te werken. Alle klanten hebben op enig moment bewust gekozen met ons te werken. Tien jaar geleden waren er alternatieven, maar die hebben het uiteindelijk niet gered. Wij hebben wel gepitcht bij uitgeverijen die hun integrale logistiek wilden uitbesteden, maar zij hebben zelf voor ons gekozen. Ik vind het dan soms ook spijtig dat deze positie – met een bijzonder groot marktaandeel voor CB op sommige gebieden – is ontstaan, maar dat is ons niet te verwijten. Aan de andere kant is het logisch dat het voor iedereen in de keten het beste is als de logistiek vanuit één plek wordt georganiseerd, waar wij elke dag keihard werken om de dienstverlening te verbeteren. En van die plek is het vak nog eigenaar en begunstigste ook.'
De enige kritiek waar Cortenraad moeite mee heeft, is die van ProCures en zijn commissarissen. 'Verwerpelijk hoe zij hebben gefulmineerd rondom de surseance. Terwijl wij hen geen strobreed in de weg hebben gelegd. Wij spelen geen enkele rol in het commerciële verkeer. Als ProCures uitgevers had overtuigd om te leveren met 55 procent korting en een betalingstermijn van een half jaar, hadden wij geleverd.'

Of het nu komt door het effect van strakke kredietlimieten of de zichtbaar geworden kritiek of niet, feit is dat CB juist in de maanden van het Polare-faillissement gesprekken heeft geïnitieerd over een andere manier van distribueren. De laatste herziening van de depotregeling dateert al van 2007, het was hoog tijd die aan te passen. 'NRC suggereerde dat wij aan de margeknoppen kunnen draaien. Zo is het uiteraard niet. Wij zijn uitvoerders. Wij bewaken alleen de afspraken die gezamenlijk in het kader van het Centraal Depotoverleg gemaakt zijn. Maar die afspraken kan de sector als geheel wel aanpassen.'
Uitgangspunt van een nieuw distributiesysteem is de driedeling die de KBb in het kader van het Boekondernemer van de Toekomst-programma voor het assortiment heeft gemaakt, gerelateerd aan omloopsnelheid. De langzaamst lopende categorie voeren is economisch misschien niet rendabel, maar wel essentieel voor het eigen karakter van de winkel. Gekeken naar de doelstelling van de wet op de vaste boekenprijs – pluriformiteit van het aanbod – is het ook belangrijk dat boekhandels geen eenheidsworst worden, maar hun karakter koesteren.
'Het idee is om deze categorie standaard in consignatie te leveren', vertelt Cortenraad. 'Daar is wel animo voor. Nu moeten we bespreken hoe we dat aanpakken: standaard alle boeken die een half jaar oud zijn? En geloven we dat we daarmee de pluriformiteit echt dienen? Ook moeten we onderzoeken wat voor consequenties dat heeft voor alle spelers. Zo werken leidt tot een enorme verandering in werkkapitaalstromen. We hebben dus nog een lange weg te gaan.’
(Eerder verschenen in Boekblad magazine, jun 2014)

Zie ook:

zaterdag 12 juli 2014

Paagman gaat samenwerken met Albert Heijn (Boekblad)

Direct naast Boekhandel Paagman op de Frederik Hendrinklaan in Den Haag komt een filiaal van Albert Heijn. De supermarkt is te betreden vanuit de straat én vanuit de winkel.

Dat blijkt uit een brief die Fabian en Nadine Paagman aan directe buurtbewoners hebben gestuurd, zoals is te lezen op de nieuwssite vande buurt. Wat de samenwerking precies behelst, is onduidelijk. Wordt Paagman franchisenemer van Albert Heijn? Of krijgt Paagman een bedrag voor de ingang vanuit de winkel? Of zijn de geruchten waar die plaatselijk de ronde doen dat Ahold een belang in Paagman heeft genomen om er op termijn een bol.com flagship store te vestigen?
Fabian Paagman wil de 'persoonlijke brief' op dit moment niet nader toelichten. Wel wordt hij op Statenkwartier.net geciteerd: 'De veranderende marktomstandigheden zorgen ervoor dat Paagman kritisch moet kijken naar haar bestaande concept en organisatie. Met de realisatie van deze AH denkt Paagman een goede en betrouwbare partij aan zich te hebben verbonden, die kan bijdragen aan het rendement en de continuïteit van ons bedrijf.'
De winkel van Albert Heijn, circa 500 vierkante meter groot, zou in 2015 open moeten. Nu zitten nog een Indische restaurant en een kledingzaak op deze locatie gevestigd. In de buurt is niet iedereen gelukkig met de nieuwe supermarkt. Ze hebben zorgen over mogelijke geluidsoverlast, toenemend autoverkeer, het kappen van bomen en het verdwijnen van lokale middenstanders in de straat. Vanavond [8 juli dus] organiseert Paagman een bijeenkomst voor buurtbewoners.
De komst van Albert Heijn en de nieuwe gevel die op 1 oktober klaar moet zijn, is niet de enige verbouwing waar Paagman mee te maken heeft. De vestiging in het centrum van Den Haag, die Paagman heeft overgenomen uit de Polare-boedel, verruilt begin volgend jaar de Spuistraat voor de Lange Poten. In dit voormaligfilmtheater uit 1919 recht tegenover de Tweede Kamer, waar nu nog een Mercedes-dealer zit, heeft Paagman wél een mooie en ruime etalage. 'Het pand heeft een prachtig open ruimte, met veel glas, waar we het Paagman-concept beter kunnen uitrollen', aldus Paagman bij de bekendmaking van de verhuizing in april.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad, 8 jul)

Zie ook:

vrijdag 11 juli 2014

Scherpe inkomensdaling van Britse schrijvers (Boekblad)

Het inkomen van een professionele schrijver in Groot-Brittannië is de afgelopen acht jaar met 29 procent gedaald. Ook in Nederland neemt de Vereniging van Letterkundigen (VvL) een achteruitgang van het auteursinkomen waar.

De scherpe inkomstendaling blijkt uit een onderzoek van The Authors' Licensing & Collection Society (ALCS) onder 2.454 auteurs. Professionele auteurs, gedefinieerd als schrijvers die het grootste deel van hun tijd aan schrijven besteden, verdienen 11.000 pond per jaar. In 2005, de vorige keer dat onderzoek is verricht naar auteursinkomens, was dat nog 12.330 pond. Rekening houdend met inflatie zouden schrijvers nu 15.450 pond moeten verdienen om hun koopkracht op hetzelfde peil te houden. Ter vergelijking: het minimuminkomen van een eenpersoons-huishouden in Groot-Brittannië is 16.850 pond.
Het aantal auteurs dat uitsluitend geld verdient met schrijven is dan ook dramatisch gedaald: van 40 procent in 2005 naar 11,5 procent in 2013. Maar ook het inkomen van parttimeschrijvers is gedaald. Alle ondervraagde auteurs verdienden in 2013 gemiddeld 4.000 pond met schrijven. In 2005 was dat even hoog, maar in 2000 was dat nog 6.333 pond. Opnieuw rekening houdend met de inflatie zouden auteurs nu 8.810 pond moeten verdienen om dezelfde koopkracht als in 2000 te hebben.
De ALCS noemt de uitkomsten van het onderzoek 'schokkend'. 'Dit zijn zorgelijke tijden voor auteurs,' zei directeur Owen Atkinson in een persbericht. 'Als schrijvers hun onvervangbare bijdrage zouden blijven leveren aan de Britse economie, moeten ze eerlijk worden betaald voor hun werk.' Nicola Solomon van de Society of Authors was 'erg bezorgd' door de cijfers. Ze zei in The Bookseller dat 'een auteur de enige is die honderd procent nodig is [in de boekenbranche] en daarom een eerlijk percentage van iedere boekverkoop verdient.'
Ook in Nederland ‘verdienen bijna alle auteurs minder met schrijven,’ constateert secretaris Janne Rijkers van de VvL op basis van contacten met de achterban en onderzoeken in beperktere vorm. 'Dat geldt overigens niet alleen voor literaire auteurs, maar ook voor scenaristen, journalisten en theaterauteurs.' De VvL-secretaris onderschrijft daarom de zorgen van ALCS-directeur Atkinson.
‘Ons laatste uitgebreide onderzoek dateert van 2005/6,’ licht Rijkers toe, ‘toen het gemiddelde inkomen op 18.000 tot 19.000 euro lag – waarbij de 1612 ondervraagde auteurs gemiddeld 19 uur per week aan schrijven besteedden. Daarbij is een goede vergelijking met Engeland onmogelijk – gezien het voor auteurs voordelige beurzensysteem in Nederland. Ook ontbreekt tot op heden in Nederland een partij als Amazon die in Engeland de uitgevers uitknijpt, waardoor ook auteurs delen in de schade die zij oplopen.’
Als reden voor de daling van het inkomen onder literaire auteurs somt Rijkers een hele reeks ontwikkelingen op. 'De boekverkoop daalt, ook door sluiting van boekwinkels. Er is minder aandacht voor boeken in media, De Wereld Draait Door uitgezonderd. Uitgevers doen te weinig met e-boeken, waardoor mensen illegaal gaan lezen. De leenrechtvergoeding daalt door bezuinigingen op bibliotheken en de opkomst vanalternatieve bibliotheekvormen die in sommige gevallen geen leenrecht betalen. Er is een afnemend aantal lezingen door sluitingen van bibliotheken. Het Letterenfonds heeft minder geld te verdelen. En de onderhandelingspositie van auteurs is slecht zolang er nog geen beter auteurscontractenrecht is.'
De ALCS liet ook de financiële impact van self publishing onderzoeken. Van de ondervraagde auteurs had 25 procent ooit een boek in eigen beheer uitgebracht. Gemiddeld investeerden zij 500 pond in een uitgave. Dat leverde hen een return on investment van 40 procent op. Ofwel: zij zetten 700 pond om met de verkoop van deze uitgaven. Niet verrassend zei 86 procent van deze groep dan ook dat zij overwogen nogmaals in eigen beheer uit te geven.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad, 8 jul)

Zie ook:

woensdag 9 juli 2014

Tien jaar later: De Da Vinci Code van Dan Brown (BOEK)

De Da Vinci Code van Dan Brown was dé hype van de jaren '00. De Nederlandse uitgeverij kocht de uitgeefrechten ooit voor een paar duizend euro. Inmiddels zijn er 1,3 miljoen exemplaren van verkocht.

Is de belangstelling voor De Da Vinci Code getaand? Fans die met eigen ogen de plaatsen willen zien waar de thriller zich afspeelt, kunnen nog steeds terecht in Parijs. Op internet zijn verschillende wandelroutes te vinden. Er is een privérondleiding te boeken langs de kunstwerken in het Louvre waaraan Brown zijn boek heeft opgehangen. Prijs: 113 dollar per persoon. Ook het Da Vinci Code Reisdagboek is onverminderd leverbaar. Dus nee, de belangstelling is zeker niet getaand.
'Toen hij begin dit jaar in Nederland was, hebben we gemerkt wat voor een grote naam hij is,' vertelt zijn uitgever Tom Harmsen van Luitingh-Sijthoff. 'Het Rijksmuseum ging voor hem open. Hij kreeg er een privérondleiding. Alle tv-programma's wilden hem. Iedereen wilde iets van hem. We hebben vaak auteurs naar Nederland gehaald, maar op deze schaal hebben we het nog nooit meegemaakt. Het lijkt wel een staatsbezoek, zeiden we tegen elkaar. En dat komt allemaal door dat ene boek.'
Dankzij het verschijnen van Inferno, bijna een jaar geleden, zwol ook de interesse voor De Da Vinci Code weer aan. 'Er zijn nieuwe lezers bijgekomen die het nog niet hadden,' zegt Harmsen. 'Ook waren recensies overwegend positief. Bijvoorbeeld de opvallend positieve in NRC Handelsblad, waardoor mensen werden overgehaald Dan Brown te gaan lezen die vroeger dachten: niets voor mij. Al verkocht Het verloren symbool vorig jaar beter. Kennelijk hadden veel mensen die in 2009 overgeslagen.'

Sinds De Da Vinci Code in januari 2004 voor het eerst in Nederlandse vertaling verscheen, gingen in totaal 1,3 miljoen exemplaren over de toonbank – als paperback, gebonden uitgave, geïllustreerde editie, pocket, dwarsligger of filmeditie. Het luisterboek is niet eens meegeteld. De thriller haalde na de eerste verkoopweek meteen de top 10 en bleef daar 89 weken onafgebroken staan – om er tot het voorjaar 2006 regelmatig in terug te keren. In totaal stond het boek 135 weken in de Bestseller 60.
Ondanks de vliegende start duurde het even voor Dan Brown echt de auteur werd die iedereen gelezen moest hebben. Pas na een half jaar bereikte zijn thriller de nummer 1-positie. Dankzij de mond-tot-mondreclame was De Da Vinci Code in een steeds sneller tempo gaan lopen. 'We verkopen er elke week honderd meer dan de week ervoor', zei de manager boeken van AKO in augustus 2004 in Boekblad, het vakblad voor de boekenbranche. 'Heel atypisch.'
In de slipstream vonden ook boeken over de religieuze geheimen die Dan Brown had gebruikt een gretig lezerspubliek: De geheimen van De Da Vinci Code van Simon Cox (29 weken in de Bestseller 60), Geheimen van de code van Dan Burstein, aangevuld met teksten van Nederlandse wetenschappers over het vroege Christendom (8 weken in de Bestseller 60), en het oorspronkelijk Nederlandstalige De Da Vinci Code ontcijferd van Filip Coppens (niet in de Bestseller 60).
'Het mooiste van dit succes is dat het laat zien wat nog altijd de culturele impact van een boek kan zijn,' blikt Rienk Tychon terug, die destijds namens Luitingh-Sijthoff de vertaalrechten aankocht. 'Als medium is het boek al weet ik veel hoeveel keer afgeschreven en toch zie je om de twee, drie jaar een boek vanuit het niets de hele wereld veroveren. Dat gold voor Dan Brown, maar ook bijvoorbeeld voor Vijftig tinten grijs of Khaled Hosseini.'

Tychon was er indertijd vroeg bij. Net als Dan Browns Amerikaanse, Engelse en Duitse uitgever kocht hij de uitgeefrechten toen de onbekende auteur niet meer van De Da Vinci Code had dan enkele hoofdstukken en een samenvatting van de rest. Daar gingen wel aarzelingen aan vooraf. Kon de investering in een schrijver van weinig succesvolle thrillers als Digital Fortress (Het Juvenalis Dilemma) en Angels & Demons (Het Bernini Mysterie), het eerste boek met Robert Langdon in de hoofdrol, wel lonen?
De Amerikaan had geen indrukwekkend trackrecord. Van zijn drie gepubliceerde boe­ken had geen in eigen land meer dan 10.000 exemplaren verkocht. Dan Brown was dan ook al aan zijn derde uitgeverij toe – de eerste dumpte hem, de tweede had geen belangstelling meer. Vertaald was zijn werk ook nog nooit. En Angels & Demons leek weinig origineel. 'Ik vond het wel een pageturner, maar door de intrige in het Vaticaan ook een beetje ouderwets', aldus Tychon.
Pas toen de echtgenoot van de uitgeefassistente zijn exemplaar, dat hij op de uitgeverij had laten liggen, verslonden had, bekeek hij het boek met andere ogen. 'Het gevaar in mijn vak is dat je als uitgever veel leest – en daarom snel denkt: Dat ken ik wel. Gewone lezer hebben dat niet. Dus toen mijn collega zei dat haar man nog nooit zo enthousiast was, lette ik op de kwaliteiten die Dan Brown wél heeft. Omdat Angels & Demons het begin van een serie was, durfde ik het aan.'
Uitgeverij Luitingh-Sijthoff kocht de vertaalrechten van twee boeken over Robert Langdon voor een paar duizend euro per boek plus een kleine bonus voor het geval het voorschot binnen korte tijd zou zijn terugverdiend. Achteraf is dat spotgoedkoop – de uitgeverij heeft inmiddels veel en veel meer aan royalty's aan Brown overgemaakt. Indertijd vond Tychon het duur. 'Ik kocht een twee jaar oud boek en toonde vertrouwen door het tweede op proposal te kopen. Ik verdiende daar eigenlijk een medaille voor.'
Toen Het Bernini Mysterie in juli 2003 eindelijk verscheen, kreeg Tychon snel de potentie van Dan Brown in de gaten. Sommige boekhandels, waar een medewerker de thriller had gelezen en het aan zijn klanten begon aan te raden, verkochten er honderden exemplaren van. Zonder dat de uitgeverij één advertentie had geplaatst, kon het al een tweede druk opleggen. Tegelijk begon De Da Vinci Code die zomer in Amerika aan zijn zegetocht.
De verschijnen van De Da Vinci Code werd toen naar voren gehaald. Tychon: 'Het moest in januari verschijnen zodat het weinig concurrentie in de boekhandel had. Er verschenen, zeker toen, weinig grote titels in die maand. Een grote folder moest duidelijk maken hoe groot dit boek precies was in Amerika. En uiteraard zorgden we voor duizend leesexemplaren voor de boekhandel, al was er geen tijd meer om die apart te maken. Die kwamen dus gewoon uit de eerste druk van 15.000 stuks.'

Tien jaar later is de hype rond de 'culturele thriller', zoals Dan Browns genre binnen het spannende boek heet, gaan liggen. De meeste thrillers met een flinke scheut geloof en kunst zijn niet meer te krijgen - 'ik vond er hier ook een aantal in het archief, toen ik anderhalf jaar geleden bij Luitingh-Sijthoff begon', zegt Harmsen. Maar de meester van het genre lijkt populairder dan ooit. Inferno was met afstand het bestverkochte boek van 2013. Inmiddels staat de teller al boven het half miljoen.
Dan Brown heeft zowel uitgeverij Luitingh-Sijthoff en Tychon persoonlijk veel opgeleverd. Het heeft de uitgeverij, die dit jaar zijn 25 jarig jubileum viert, op de kaart gezet. Brown is, naast onder andere Stephen King, een van de pijlers waar het bedrijf op drijft. En Tychon geldt in het uitgeefvak in binnen- en buitenland nog altijd als 'de man die Nederland Dan Brown bracht'. 'Mede daarom heb ik Een goede raad van J.K. Rowling binnen kunnen halen voor uitgeverij De Boekerij waar ik nu werk,' vertelt hij.
Vorig jaar heeft Tychon De Da Vinci Code nog eens herlezen. 'Men zei mij dat Inferno weer vintage Dan Brown was. Toen heb ik eerst het oude succesboek gelezen en meteen daarna Inferno. Ja, goed, dacht ik, van hetzelfde niveau. En knap hoe de uitgeverij Inferno in de markt heeft gezet.'
(Eerder gepubliceerd in verkorte vorm in BOEK 2, 2014)

Zie ook:

maandag 7 juli 2014

De tweetalige lift van Tilburg University (Taalunie:Bericht)

Tilburg University streeft ernaar zo vaak mogelijk in het Engels te communiceren. Tot verdriet van emeritus hoogleraar Jan Renkema. Met een stunt ter gelegenheid van zijn afscheid hoopt hij zijn voormalige werkgever aan het denken te zetten.

De keuze lijkt niets uit te maken. De bezoekers van het Dantebuilding van Tilburg University, vier verdiepingen hoog, nemen de lift die als eerste komt – zoals alle gebruikers van liften in de hele wereld. Dat een vrouwenstem de opeenvolgende etages in de linkerlift in het Nederlands omroept en in de rechterlift in het Engels is geen enkele reden voor een dwingende voorkeur.
Ook Jan Renkema, emeritus hoogleraar Tekstkwaliteit, heeft niet waargenomen dat een bepaalde groep een voorliefde voor één lift heeft. Hij heeft de Nederlandse stem eind november laten monteren als afscheidscadeau aan de universiteit waar hij zo lang aan verbonden was ­– als ludiek protest tegen de verengelsing. Een onderzoeker die het voor hem uitpluist, heeft zich evenmin gemeld.
'Wij zijn in Tilburg nog Engelser dan Schiphol,' zei hij in zijn afscheidsrede. 'Daar zijn de bordjes nog tweetalig. (...) Ik hoop daarom dat er studenten opstaan die met een slimme onderzoeksopzet cultuurverschillen kunnen achterhalen tussen personen met voorkeur voor de Engelse of Nederlandse lift. Misschien leidt dat onderzoek tot een verdergaande analyse van de positie van het Engels op ons grondgebied.'

De Tilburg University kreeg zijn Engelse naam in 2010. De universiteit wil deze taal zo veel mogelijk gebruiken om het predicaat 'internationaal' te krijgen. Nederlands zien docenten en studenten eigenlijk alleen nog op het nabijgelegen station. Dat heet sinds enkele jaren Tilburg Universiteit. Ook al betaalde het college van bestuur mee aan de naamsverandering, het legde zich neer bij het beleid van de NS om uitsluitend Nederlandse namen aan stations te geven.
De reden voor de Engelse naamgeving is het internationale karakter van de universiteit, legt voorlichter Tineke Bennema uit. Op dit moment komt dertien procent van de undergraduates en zeven procent van de graduates uit het buitenland. 'Forse aantallen', noemt Bennema dat. 'Voor de vindbaarheid en de transparantie is Tilburg University in dat geval beter. We zijn bereikbaarder op Google.'
Op dit moment heeft de universiteit 26 masters en acht researchmasters in het Engels, ongeveer de helft van het totaal. Daarnaast zijn nog vijf bachelors in het Engels. 'We zien daar toenemende belangstelling uit het buitenland voor. Met name uit China en het Oostblok, die vooral voor onze economische opleidingen komen. Engels is ook de taal van de wetenschap. Die willen we dan gebruiken.'

Renkema ziet de voordelen ook wel. Engels bevordert de contacten met het buitenland. Wie carrière in de wetenschap wil maken, moet in het Engels kunnen spreken en schrijven. Hij beaamt het volmondig. Maar waarom moet deze taal aan een Nederlandse universiteit een monopolie krijgen? 'Studenten die slim genoeg zijn om een beurs te krijgen, snappen heus wel wat "gebouw" en "universiteit" betekenen.'
Een volledige overstap op Engels, zoals Tilburg University heeft gemaakt, gaat ten koste van de eigen cultuur – met alle gevolgen van dien voor de eigen identiteit en de cohesie van de samenleving. 'We maken Nederland en het Nederlands op deze manier zelf onaantrekkelijk. Er is hier geen taaltrots. Maar alleen vanuit een lokale identiteit kun je deelnemen aan een globale samenleving.'
Hij is niet tegen Engels, benadrukt hij. 'Als het functioneel is, prima. Een woord als "deadline" past in het Nederlandse journalistieke jargon. Iedereen weet dat wordt bedoeld: laatste inleverdatum – van een artikel, en niet van de tarweoogst. Ik ben ook helemaal niet bang dat het Nederlands verdwijnt. Ik juich Engelse les in het basisonderwijs juist toe, omdat het leerlingen een venster op andere culturen biedt.'

Het gebruik van Engels heeft niet alleen voordelen. Bennema geeft het onomwonden toe: 'Aan de kwaliteit mankeert soms wat. Ook al heeft iedereen Engels gehad op school, niet iedereen beheerst het tot in de tenen.' Renkema kent de voorbeelden: een goede studente wier Engelstalige master tegenviel omdat ze zich noodgedwongen te vaag uitdrukte. Of docenten die staan te hakkelen in Dunglish.
'Je zou zeggen dat jongeren gewend zijn aan Engels,' legt hij uit. 'Dat is niet zo. Het is niet makkelijk de juiste woorden te vinden. Zeker in taal- en cultuurstudies luistert 't nauw. Maar als ik zie wat voor voorbeeld docenten hen soms geven, dan begrijp ik dat ze denken: wat is er mis met mijn Engels? College geven in het Engels is al minder levendig en minder interactief, maar als het ook nog slecht Engels is.'
Studenten kunnen een summerschool Academic English volgen en krijgen twaalf digitale vouchers voor lessen in het Language Center. De studiepunten die ze daarvoor krijgen, moet voldoende stimulerend zijn om die vouchers daadwerkelijk te gebruiken. Docenten moeten minimaal een 7,5 scoren volgens het International English Language Testing System. Zo niet, dan is nascholing en opnieuw testen verplicht.
Renkema zou verder willen gaan. 'Ik heb wel eens voorgesteld om elkaars colleges te bezoeken met het oog op het verbeteren van de kwaliteit van het Engels. De collegialiteit is hier goed. En als je het koppelt aan een sabbatical in de Verenigde Staten, kun je met plezier aan je taalvaardigheid werken. Maar peer group beoordelingen is een taboeonderwerp. Men wil er niet aan.'

Een beleid dat gedetailleerd vastlegt wanneer Tilburg University Engels hanteert en wanneer niet ontbreekt. De medewerkers moeten er pragmatisch mee omgaan. 'De leidraad is: gebruik zo veel mogelijk Engels', zegt Bennema. 'De opening van het Academisch jaar en het beleidsplan zijn dus in het Engels. Maar als het niet kan, mag iedereen zeker Nederlands hanteren.'
Juist die onduidelijkheid maakt dat men te snel overstapt op Engels, ervaart Renkema. 'Als we met veertig mensen, van wie één buitenlandse docent, vergaderden, stapten we over op Engels. Daarmee gooi je het Nederlands te makkelijk overboord. Was een tolk geen oplossing? Wisten we zeker dat deze persoon, die hier al enige tijd woont, ons niet verstond? Misschien hadden we Nederlands gesproken als beleid helder had gemaakt wanneer dat kon.'
In ieder geval is de lift dáárvoor bedoeld: de universiteit laten nadenken over haar eigen taalgebruik. Renkema heeft nog altijd geen reactie van het college van bestuur gekregen op zijn stunt. Bennema verzekert echter dat 'het bijzonder afscheidscadeau' bijdraagt aan de discussie en dus niet wordt verwijderd. 'Heeft u ook gehoord dat de Nederlandse vrouw met een zachte g praat? Dat past heel goed bij Tilburg.'
(Eerder gepubliceerd in Taalunie:Bericht, mei 2014)

zaterdag 5 juli 2014

Gilles van der Loo, 'Hier sneeuwt het nooit' en 'Het laatste kind' (Ons Erfdeel)

Waarom gaat Gustavo Perquin niet weg uit Palladina? De gloriedagen van af en aan varende vrachtschepen en cruiseboten zijn voorbij, nu de haven door een hardnekkige algensoort bijna volledig is dicht geslipt. Alleen de oude mannen en vrouwen wiens nostalgie sterker is geworden dan het verlangen om iets van het leven te maken, zijn blijven hangen in dit fictieve Midden-Amerikaanse havenstadje. Gustavo is bovendien homoseksueel. Hij wordt met de nek aangekeken om zijn afkeurenswaardige aandoening. En andere mannen dan af en toe een scheepsjongen kan hij niet krijgen. Waarom blijft hij hangen?
Toch ligt de reden voor de hand. Ook Gustavo, nog geen dertig jaar oud, leidt aan hevige nostalgie. Zijn oudere broer had hem ooit naar Palladina gehaald. De mooie Arturo. De gerespecteerde Arturo, ook al knapte hij vuile klusjes op voor de plaatselijke maffiabaas. De Arturo aan wie hij zijn schitterende appartement te danken heeft, al is het dan schimmig hoe hij aan de woonruimte is gekomen. Iedere dag opnieuw vraagt Gustavo zich af waarom zijn broer de achteruitging niet kon vinden toen er brand uitbrak in café Gato Negro. Hoeveel rum hij ook drinkt, hoeveel son-platen hij ook draait – hij zal het nooit weten.

Gustavo is een van de personages uit Gilles van der Loo's romandebuut Het laatste kind die gebukt gaat onder een zwaar gemis. 'De chroniqueur van het verlies' wordt de auteur daarom genoemd op de achterflap. Er is veel voor te zeggen een flaptekst – uitsluitend geschreven om sluimerende belangstelling om te zetten in aankoop – te negeren, maar een treffender karakterisering is er niet te geven van dit kleine oeuvre. Ook in de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit, waarmee Van der Loo in 2012 debuteerde, stond het gemis centraal, zoals destijds veel recensenten al opmerkten.
Vijftien verhalen telt die bundel. De locaties zijn divers: Italië, Egypte, Mexico, Amerika, Indonesië. Net als in Het laatste kind zoekt Van der Loo het ver van huis. De gebruikte vertelvormen zijn uiteenlopend – de auteur heeft duidelijk goed opgelet tijdens de drie jaar dat hij de Schrijversvakschool in Amsterdam volgde. Maar het steevast geserreerd behandelde thema houdt de verhalen bijeen – de ouders die hun dode zoon missen in hun levende kleinkinderen, het meisje dat haar maagdelijkheid verliest zonder dat ze het goed in de gaten heeft, de wandelaar die zich probeert te verzoenen met de aanstaande dood van een vriend, al heeft die hem niet op de hoogte gebracht.
Juist die variëteit aan invalshoeken geeft Hier sneeuwt het nooit het onmiskenbare karakter van een debuut. Je ziet een schrijver experimenteren. Kun je op deze manier twee verhaallijnen op elkaar in laten werken? Past hier een ontknoping of moet ik me eerder uit het verhaal terugtrekken? In het algemeen heeft Van der Loo de neiging te veel te vertellen. Hoezeer hij ook probeert subtiel de verhouding tussen personages te schetsen, hun verleden door te laten schemeren of hun motieven tussen de regels prijs te geven – de lezer krijgt doorgaans te snel in de gaten hoe de auteur de stukken op het bord heeft gezet.
Van der Loo's sterke punt is het scheppen van sfeer en het opwekken van emotie met een onnadrukkelijke stijl die je door zijn functionaliteit nauwelijks bijblijft. Je voelt het onbewuste verdriet van de wandelaar in Piëmonte in de nuchtere, feitelijke opsomming van zijn belevenissen, omdat het wordt afgewisseld met scènes aan het ziekbed in Amsterdam. Juist daarom pakt het vaak verkeerd uit als de schrijver te veel plot in zijn verhalen brengt. In plaats van je onder te dompelen in wat Van der Loo oproept, ga je nadenken – om het plot te proberen te ontrafelen. En omdat dat te eenvoudig is, voel je teleurstelling.

Het laatste kind is in essentie een herhaling van Hier sneeuwt het nooit. Het verschil is dat de personages in dit boek allemaal zijn gebonden aan dezelfde havenstad Palladina. Gustavo Perquin, Eva Molero, Marcia Valle en anderen kennen elkaar, praten met elkaar, oefenen invloed op elkaars levensgeschiedenis uit – maar in ieder hoofdstuk staat één personage centraal die in zijn eigen hoofd een particuliere strijd voert met alles wat de tijd je afneemt: een broer, of een man, een zus, een moeder.
Zoals deze opsomming al aangeeft, is de aard van het verlies in de roman gelijkvormiger dan in de verhalenbundel. Alle personages treuren om dierbare naasten. Het intrigerendste hoofdstuk is dan ook dat over Oscar Deutz ('Laatste dag'), dat het meest van de andere afwijkt. Ook Oscars gedachten worden beheerst door een overleden persoon: zijn moeder. Maar hij is een schrijver uit Nederland, op de vlucht voor zijn verdriet, die in de geschiedenis van Palladina stof voor een roman ziet. Dat boek schrijft hij ook, maar anders dan hij ooit had kunnen denken.
Ondanks de eenvormigheid is Het laatste kind toch een vooruitgang. Van der Loo is er namelijk beter in geslaagd zich te concentreren op het scheppen van een melancholieke toon, waarmee zijn personages worstelen. Alleen het eerste hoofdstuk heeft iets van een plot dat daarvan afleidt. Hierin ontdekt Eva dat haar lang geleden aan een slangenbeet overleden zusje gered had kunnen worden en gaat ze verhaal halen bij haar moeder. Het maakt het eerste hoofdstuk tot het minst geslaagde portret in de roman.
Ook in de geschiedenis van Palladina zelf zit voortgang. Aan het eind ontdekt een slapeloze inwoner dat de algen in de haven 's nachts blauw oplichten. Het verhaal zingt zich voort, waarna alle Palladijnen de volgende nacht opblijven. En inderdaad, iedereen ziet het. Meer vertelt Van der Loo er niet over. Maar dit blauwe schijnsel dat er tegelijkertijd niet lijkt te zijn, symboliseert fraai de hoop die in de stad blijft leven. De hoop op betere tijden – je ziet onmiddellijk toeristen voor je geestesoog toestromen die het natuurwonder komen bekijken. Maar ook de hoop van ieder individueel personage.

Daarmee is het laatste punt genoemd dat Van der Loo's werk zo sympathiek maakt. De auteur koestert een ongekend grote empathie voor zijn personages. Hoezeer ze ook lijden, hij doet ze nooit pijn – integendeel, hij leeft met ze mee, alsof het zijn dierbaarste vrienden zijn. Het liefst zou hij handelend willen ingrijpen in zijn fictie, denk je, om de onvermijdelijke loop van het lot te weerleggen. Dat geldt even goed voor de wandelaar uit zijn debuut als voor Gustavo en andere inwoners van Palladina. Het voelde dan ook nog eerder zo natuurlijk dat een auteur zijn roman heeft opgedragen aan zijn personages, zoals Van der Loo heeft gedaan.
(Eerder verschenen in Ons Erfdeel 2, 2014)

donderdag 3 juli 2014

Drie tips voor schrijvers van Herman Koch (Schrijven)

Op weg naar het einde - Gerard Reve
'Tot ik een jaar of zestien was, had ik alleen realistische boeken met een kop en een staart gelezen. Toen kwamen Op weg naar het einde en Nader tot U. Zo kon je dus ook schrijven, dacht ik: gewoon een eind door ouwehoeren zonder plot. Als het maar goed geschreven was. Zoals punk je leert dat je niet naar het conservatorium moet om muziek te kunnen maken. Ook een schrijver als Thomas Bernhard kon dat. "Het was heel mooi weer", zei de Vorst. Waarna de hoofdpersoon van Frost 180 pagina's doorpraat. Zonder één beschrijving. Dát ging ik nadoen.'

Forty Stories - Donald Barthelme
'Niet lang na Reve ontdekte ik postmoderne schrijvers als Peter Handke, Thomas Bernard en Donald Bartelme. Zij experimenteerden onbeperkt met de vorm. Zó hoor je te schrijven, dacht ik toen. Die invloed zie je terug in mijn eerste bundel, De voorbijganger uit 1985: verhalen in de vorm van een brief, een schrijversdagboek, een journalistiek verslag, enzovoorts. Ik zou niet een titel van deze schrijvers kunnen noemen die eruit schiet. Ik heb het meeste ook niet meer in de kast staan. Nou vooruit: Forty Stories van Donald Barthelme, met een voorwoord van Dave Eggers. Toen die bundel in 2005 uitkwam, heb ik dat weer gekocht. Uit besef hoe het ooit is begonnen, wil ik dat werk in huis hebben. Zonder het integraal te hoeven herlezen.'

Verhalen - Anton Tsjechov
'Op een gegeven moment kwam ik voor de vraag: lees ik 's avonds liever experimenteel proza of een "realistische" roman. Dat was toch het laatste. Ik ging realistischer schrijven, maar mét behoud van de kennis van het experiment. Dat zie je in Geachte Heer M., waarvan delen zijn geschreven vanuit het perspectief van 1972. De lezer van nu weet dus meer dan de verteller van toen. De onwetende verteller heb ik altijd een prettige vorm gevonden. Een van mijn leermeesters in realistisch proza is Tsjechov. Zijn verhalen heb ik vroeger overgetypt. In combinatie combinatie met het lezen van zijn biografie krijg je zo haarscherp door wat zijn trucjes zijn.'

Zie ook:
- Interviews met Herman Koch hier en hier
- Eerdere tips van Maartje Wortel, AHJ Dautzenberg en Frank Westerman.

dinsdag 1 juli 2014

Kees Fens verdiende een betere biograaf (Knack)

Kees Fens (1929-2008) gold als de gezaghebbendste criticus van zijn tijd. Wiel Kusters' biografie van Fens maakt niet duidelijk waarom.

Bijna veertig jaar geleden stopte Kees Fens met het wekelijks bespreken van Nederlandstalige literatuur in de Volkskrant. Wie – zoals de meeste actieve recensenten – zijn kritieken alleen kent van de melancholische verzuchting dat Fens de laatste criticus was die de hele productie overzag en ieder belangwekkend boek volgens dezelfde vaste criteria besprak, heeft eigenlijk geen goed beeld wat hij precies deed. De biografie die Wiel Kusters over 'onze grootste lezer' schreef, is een mooie aanleiding om zijn werk in kaart te brengen.

Helaas. Kusters heeft gefaald in die opdracht. Hij volgt in Mijn versnipperd bestaan het parcours van Fens, die ook lange tijd voor De Standaard schreef, zonder dat in een context te plaatsen. Hij schrijft dat Fens overstapte naar De Tijd en later naar De Volkskrant, maar wat dat betekende voor zijn status? Geen idee. Hij vertelt dat Fens het literaire tijdschrift Merlyn (1962-1996) oprichtte, dat het begrip close reading in Nederland en Vlaanderen introduceerde. Maar hoe revolutionair dat blad werkelijk was? Geen idee. Hij noemt Fens gezaghebbend. Maar waar dat gezag op gebaseerd was? Wederom: geen idee.

Het lijkt er op alsof Kusters weinig meer gedaan heeft dan een verzameling artikelen, brieven, lezingen en andere papieren artefacten van Fens' leven op chronologische volgorde te leggen. Hij heeft vervolgens wel conclusies getrokken over de standpunten die de katholieke criticus in deze teksten innam – kort samengevat: Fens hechtte aan een traditie die werd doorgegeven aan de toekomst, waardoor iedere conclusie per definitie voorlopig was. Maar Kusters heeft geen onderzoek geraadpleegd naar het literaire klimaat waarop deze teksten invloed hadden. Laat staan onderzoek verricht.

Ook als mens blijft het beeld van Fens schimmig. Kusters zegt wel dat de vroege dood van zijn vader vormend was, maar op welke manier? Zijn familie (een vrouw en vier kinderen) en vriendschappen blijven eveneens grotendeels buiten beeld. Typerend is dat Kusters zich excuseert voor het feit dat hij schrijft over Fens' gehechtheid aan een goed inkomen. 'Pecuniaire aangelegenheden' zijn 'triviaal'. Maar ja, Fens was in zijn jeugd overgeleverd aan de sociale steun en kon door gebrek aan geld ook niet naar de universiteit. Dus Kusters móést wel over geld schrijven.

Die opmerking is des te pijnlijker omdat Kusters, naarmate hij dichterbij het heden komt, steeds trivialer wordt. Aan de laatste twaalf jaar van Fens' leven, na zijn emeritaat als hoogleraar in Nijmegen, besteedt hij meer dan honderd pagina's. Het lange decennium is niets meer dan Nachleben, maar iedere reis, een gesprekje met prinses Máxima, elk eerbetoon, een uitnodiging van Jan Wolkers – het staat er allemaal in. Iedere scheet van Fens die Kusters nog kon ruiken, meent hij te moeten vastleggen voor het nageslacht. Je slaat de biografie daardoor hogelijk geïrriteerd dicht.

De mislukking van Kusters' levensbeschrijving is juist zo spijtig omdat je weet dat er nooit een tweede zal komen. Ondanks de groei van het aantal biografieën, is het klimaat in Nederland en Vlaanderen er niet naar. Daarbij zal de herinnering van Fens snel vervagen. Dát maakt deze biografie wel duidelijk. Omdat de criticus zo gehecht was aan het inkomen dat al zijn artikelen hem bezorgde, heeft hij nooit een werk van betekenis geschreven dat kon uitgroeien tot een monument voor hemzelf. Fens' oeuvre is verdwenen in zelden bekeken archieven van kranten en tijdschriften.
(Eerder verschenen op Knack.be, 30 jun)

Wiel Kusters, Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens, 1929-2008 (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 598 pag., € 34,95)

dinsdag 17 juni 2014

De woekerplant die korting heet – de introductie van de vaste boekenprijs in 1903 (Boekblad)

Precies honderd jaar geleden voerden boekhandelaars de eerste regels die de vaste boekenprijs moesten handhaven. De toestand in 1903.

Op 4 mei 1903 steken vijftien boekhandelaren uit Deventer de koppen bij elkaar. De mannen hebben zich amper twee weken daarvoor verenigd in het Deventer Boekverkoperscollege en vinden het hoog tijd om een eind te maken aan een grote misstand. De kortingen in het onderwijs, die kunnen echt niet meer. Zelfs individuele docenten en leerlingen kunnen boeken krijgen tegen zo'n lage prijs dat de boekhandelaar er nauwelijks meer aan verdient. 'Hoe kunnen we de vaste prijs handhaven?', stellen de leden zichzelf de vraag.
Op dat moment bestaat de vastgestelde verkoopprijs ongeveer tweehonderd jaar. Sinds het begin van de achttiende eeuw is de gewoonte ontstaan dat de uitgever de prijs van het boek bepaalt. Wie zich daar niet aan wil houden, kan echter in alle vrijheid zijn gang gaan. Korting bij intekening, speciale aanbiedingsprijzen en het verramsjen van verouderde boeken zijn commerciële gebruiken die iedere boekverkoper naar eigen goeddunken navolgt.
In het begin van de twintigste eeuw is één uitzondering op de vaste prijs echter een groot probleem geworden: de gemeente-aanbestedingen van schoolboeken. Iedere gemeente bestelt de jaarlijkse schoolbehoefte bij de leverancier die de goedkoopste offerte doet. Het gevolg laat zich raden: boekverkopers beloven steeds meer korting in de hoop de order te krijgen. In sommige gevallen geven leveranciers bijna de gehele inkoopkorting van 27 procent weg. En het ergste is nog: individuele docenten en leerlingen profiteren steeds meer mee.  
Het Nieuwsblad voor den boekhandel meldt geregeld de uitkomst van aanbestedingsprocedures. 'De levering van boekwerken ten behoeve van de gemeente Tilburg, voor 1903, is aangenomen door den boekhandelaar M.G. Vattier Krane te Tilburg, tegen 19,25 procent korting.' De gemeente Utrecht gunt de levering 'aan de firma J.G. van Terveen & Zoon met eene korting van 22,5 procent op de courante prijzen'. Enzovoorts, enzovoorts.
De Nederlandse Uitgeversbond en de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels roepen herhaaldelijk hun leden op hier niet langer aan mee te doen. Het blijkt keer op keer aan dovemansoren gericht. De Vereeniging moet maatregelen nemen. Zo verbiedt de Vereeniging gemeentebesturen om in het Nieuwsblad te adverteren. En in mei 1903 stuurt het een adres aan alle gemeentebesturen om hen te bewegen het aanbesteden te staken.  
'De boekhandelaar geniet zijn rabat [korting]', jammert de Vereeniging in het verzoek 'Een rabat dat (...) zoo laag [is] dat het moeilijk kleiner kan zijn. (...) De boekhandelaar, die een eerlijk stuk brood wil verdienen (...), kan van de verleende korting geen cent missen. 't Zou niet veel moeite kosten aan te toonen, dat van deze korting de helft verloren gaat door de bedrijfsonkosten.'
De leden juichen het toe, maar het effect is gering. B&W van Amersfoort had in reactie op een eerder, lokaal adres al laten weten het belang van de gemeente voorop te zetten. Wat dat belang is, laat zich raden: hoe goedkoper, hoe beter. Sommige leden roepen de Vereeniging daarom op het voorbeeld van Duitsland (sinds 1888) en - heel recent - Oostenrijk te volgen: de korting is daar op straffe van forse sancties reglementair beperkt tot 5 procent in uitzonderlijke gevallen.  
In Deventer willen de boekhandelaars daar niet meer op wachten. Op 4 mei 1903 beloven de leden van het Deventer Boekverkoperscollege niemand ook maar één boek onder de vastgestelde prijs te verkopen. De boekverkoper die het toch doet, zal worden aangepakt. Ruim een week later, op 15 mei, stelt voorzitter Ch. Dixon in een circulaire die iedereen ondertekent, de gezamenlijke klantenkring op de hoogte. Het is daarmee de eerste stap naar het Reglement Handelsverkeer zoals het boekenvak dat nu kent.
Al snel krijgt de stap van Deventer navolging. In juli versturen J.T. Sommer en Johs. Wilmes, boekhandelaars te Almelo, een soortgelijke circulaire. Om 'de woekerplant, die korting heet, voorgoed uit te roeien', stellen ze elkaar forse boetes in het vooruitzicht mocht een van twee toch met korting leveren. In oktober volgen G. Mosmans Sr., W. van der Sloot en Wed. H.H. Uyttenbroeck, de drie boekverkopers uit Venlo.  
En ook de Vereeniging gaat aan de slag. Maar zoals dat gaat in Nederland: er komt eerst een officiële commissie die de bestaande statuten gaat bestuderen en voorstellen tot verbetering zal doen. Pas een jaar later, op 9 augustus 1904, wordt daarom de eerste overkoepelende regeling van kracht die korting op verkoop aan particulieren - oftewel: ieder niet-lid - onder dreiging van boetes aan banden legt. De Algemene Vergadering neemt het voorstel aan met 93 stemmen voor en acht tegen (bij zeven onthoudingen).

Hiermee is de eerste overkoepelende regeling voor de handhaving van de vaste prijs een feit. (Licht gewijzigde versie van artikel uit Boekblad, feb 2003)