zaterdag 18 juli 2015

Story Terrace werkt samen met De Kring voor boek van Waldemar Torenstra

Story Terrace, dat tegen betaling je levensverhaal laat schrijven door een gerespecteerde auteur, had een BN'er gestrikt om het verhaal van diens vriendschap met een Afrikaanse asielzoeker te vertellen. Ik schreef er hier over, toen nog zonder de naam van de beroemdheid te vermelden. Met deze uitgave kon het bedrijf, dat immers uitsluitend in opdracht werkt, toch een product laten zien. Het idee was, voor zover ik wist, om dat zelf uit te geven.
Online bladerend door de najaarscatalogus van Uitgeverij De Kring zag ik opeens staan: Waldemar Torenstra en Kon Kelei, Een bijzondere vriendschap. Te verschijnen op 24 september aanstaande, met een voorwoord van Marco Borsato. Lengte: 128 pagina's – dus wel een stuk dikker dan de boeken die Story Terrace doorgaans maakt. Het omslag bevat het logo van De Kring én Story Terrace. De opzet om vijftig procent over te maken naar een goed doel blijft onveranderd.
Story Terrace-oprichter Rutger Bruining mailt desgevraagd: 'Onze redacteur Rosanne van Asperen de Boer heeft direct met De Kring contact opgenomen. De uitgeverij was meteen enthousiast. En wij ook omdat ze heel snel kunnen schakelen en heel gefocust zijn op een beperkt aantal boeken per jaar. Met Story Terrace gaat het ondertussen de goede kant op. We zitten in een mooie lijn omhoog qua verkopen en hebben een aantal partnerships die gaan beginnen met onder andere het Veteraneninstituut, Management Team en de Pensioenbox. Daarnaast zijn we nog met een paar andere mooie media en marketing partners in gesprek.'
Tot slot. In de najaarscatalogus van De Kring staat over deze uitgave:

Twee mannen, twee werelden, twee levensverhalen. Wat hen bindt, is een sterk geloof in het menselijk doorzettingsvermogen. Samen werken zij hard om de droom van Kon Kelei te realiseren: terugkeren naar zijn geboorteregio Cuey Machar in Zuid-Soedan en daar een middelbare school oprichten.

Zie ook:
- Je levensverhaal in een boek is een geschenk voor je leven

woensdag 15 juli 2015

Robin van Persie: de literair relevantste voetballer van het moment

Wat is dat toch met Robin van Persie? Je komt zelden een voetballer tegen in de literatuur, of het moeten herinneringen zijn aan helden van weleer zoals Johan Cruijff, Ruud Gullit of Marco van Basten (ik herinner me een fraai verhaal van Sander Kollaard over de Russische voetbalkeeper die Van Bastens wondergoal in de EK-finale van 1988 tegen kreeg). Maar Van Persie ben ik nu al twee keer tegengekomen.
Eerst, natuurlijk, in Tonio. A.F.Th. van der Heijden beschrijft daarin hoe hij een jonge en recalcitrante Van Persie op de camping eindeloos met de bal ziet oefenen. Later maakt Van Persie deel uit van het voetbalteam dat na het WK van 2010 wordt gehuldigd in Amsterdam, terwijl de schrijver en zijn vrouw van de immense drukte in de stad gebruik maken om anoniem voor het eerst de plek te kunnen bezoeken waar hun zoon is omgekomen.
En nu kom ik hem tegen in de bundel Sta op en leef, vader van Said El Haji. Nou ja, indirect dan. De schrijver herinnert zich hoe hij na zijn debuutroman uit 2000 werd belaagd door Nederlanders van Marokkaanse origine, die hem verweten de islam door het slijk te hebben gehaald. Ook door een bijzonder felle scholiere genaamd Bouchra. Jawel: tegenwoordig de vrouw van Van Persie, wier levensstijl een stuk westerser is geworden.

Zie ook:
- Bauke Mollema, de nieuwe kampioen van leesbevorderaars

zaterdag 11 juli 2015

Waarom Karel ten Haaf mij deed overwegen bibliofiel te worden

In Alleen de titel is nog niet af, waarin Karel ten Haaf zijn columns voor Tzum heeft verzameld, beschrijft hij de interessante tussenvorm van bibliofilie waaraan hij lijdt. Het gaat hem – net als mij – niet om de boeken zelf, maar om de inhoud. Toch durft zijn vriendin geen boek uit de kast trekken uit angst het ook maar een klein beetje te beschadigen en de toorn van Ten Haaf over zich af te roepen.
Waarom? Omdat een tekst, op een uiterst zeldzame uitzondering na, in een per definitie beperkt aantal exemplaren is gedrukt. Met ieder boek dat letterlijk wordt stukgelezen, neemt de beschikbaarheid van de tekst af. Ieder boek dat met het oud papier wordt meegegeven, is de vernietiging van een stuk cultuur. Het enige wat een boekbezitter met oog voor de toekomst mag doen, is bijvoorbeeld op de Franse titelpagina je naam en plaats en datum van aanschaf noteren. Dat is het vastleggen van wie een boek is geweest en dus cultuur toevoegen aan een boek.
Interessant, schreef ik al. Ik kon me prompt voorstellen dat ik zelf een bibliofiel zou worden toen ik het las. Toch vraag ik me af of dit type bibliofilie in tijden van digitalisering een toekomst heeft. Zouden dit jaar verschenen boeken, die in bijna alle gevallen ook digitaal verschijnen, niet eeuwig leverbaar blijven? Ook als het bestandsformaat verandert, moet het eenvoudig zijn om alle beschikbare titels in dat andere formaat om te zetten.
Of moeten we dan vrezen dat een of andere catastrofale fall out alle digitale tekstbestanden in één klap onleesbaar maakt? Zijn digitale bestanden uiteindelijk kwetsbaarder dan een stapel ingenaaid of gelijmd papier? 

Zie ook:

donderdag 9 juli 2015

Waarom Jenny Erpenbeck en Elly Schippers de Europese Literatuurprijs 2015 verdienen

Jenny Erpenbeck en haar Nederlandse vertaalster Elly Schippers krijgen de Europese Literatuurprijs 2015 voor 'Een handvol sneeuw', zo is zojuist live op Radio 4 bekend gemaakt. Vorige maand hield ik, bij het bekendmaken van de shortlist, een laudatio voor deze roman. Hier na te lezen.

De prijs wordt op 5 september aanstaande tijdens Manuscripta in Zwolle uitgereikt.

dinsdag 7 juli 2015

Florerend Scriptum viert dertigjarig jubileum in stilte (Boekblad)

Gerjan de Waard en Hans Ritman richtten volgende maand dertig jaar geleden uitgeverij Scriptum op. Er zat geen enkel verlieslatend jaar tussen. Dat ging echter niet zonder recentelijk enkele maatregelen te nemen.

Als het aan De Waard ligt, gaat het jubileum in stilte voorbij. 'Vijf jaar geleden gingen we met iedereen plus aanhang een weekend naar Parijs', zegt hij. 'Maar dertig jaar vind ik niet echt een jubileum. Misschien dat we iets extra's doen in september op de jaarlijkse auteurs- en relatiebarbecue. Er zijn uitgeverijen die alles aangrijpen om actie te voeren en aandacht te trekken. Zo zijn wij niet. Scriptum is een no-nonsenseuitgeverij.'
Het gaat ondanks de dalende boekomzet goed met Scriptum. Maar de uitgeverij is wel kleinschaliger gaan opereren. Van zestig nieuwe titels per jaar is het bedrijf geleidelijk aan teruggegaan naar veertig tot vijfenveertig nieuwe titels. Daarbij heeft het vorig najaar van twee mensen afscheid moeten nemen. In totaal werken nu vijf mensen in het kantoor in hartje Schiedam.
De Waard: 'De omzet is per titel ongeveer gelijk gebleven. Maar vroeger dachten we bij een titel die niet liep: pech gehad. Nu denken we er langer over na: waarom heeft het niet gelopen? Wat kunnen we nog meer doen? Ook besteden we, met hulp van onze vertegenwoordigers van Aquarius, meer aandacht aan vormgeving. Het moet hipper, eigentijdser, speelser. Zodat elk boek echt een cadeautje is.'
Hij geeft als voorbeeld het recent verschenen De tuin als lusthof & slagveld van Gerda Bosman en Corlijn de Groot. 'Wij zijn geen tuinboekenuitgeverij. Maar dit is binnen het segment een bijzondere niche, zoals wij die steeds zoeken. Het is een wetenschappelijk boek waarin bijvoorbeeld wordt uitgelegd waarom lieveheersbeestjes niet lief zijn. En echt mooi vormgegeven. Toch verkochten we er maar tweehonderd op aanbieding.'
Dan ziet Scriptum het als een mooie uitdaging om veel publiciteit te genereren en het tóch in de boekhandel te krijgen. 'Dat is gelukkig gelukt. Trouw noemde het "eindelijk een tuinboek waar je om kunt lachen". Tuinbladen waren er positief over. En binnen een maand hebben we alle tweeduizend exemplaren van de eerste druk verkocht en dus kunnen herdrukken.'
Als voorbeeld van een bijzondere verpakking noemt De Waard NLXL - Made in Holland van luchtfotograaf Karel Tomeï – het vervolg op NLXL uit 2008, waarin hij de nadruk legt op bijzondere architectuur en dat in oktober uitkomt. 'Dat weegt weer meer dan vier kilo en wordt verpakt in een felle, folie-achtig oranje omslag, zodat het er spectaculair uitziet. Daarmee geef je echt een cadeau weg.'
De bestlopende titel dit jaar zou wel eens Meester Mark vraagt door van Mark van der Werf kunnen zijn, dat [vorige] week op 23 binnenkwam in de Bestseller 60. 'We staan niet vaak in de bestsellerlijst. We hebben veel stille bestsellers, die lang doorlopen. Zijn eerste boek deed het goed: 13.000 exemplaren verkocht. We hebben lang nagedacht of er eigenlijk wel een vervolg in zat. Maar nu zijn daarvan al vijfduizend exemplaren weg.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 3 jul)

maandag 6 juli 2015

Arend van Dam en Alex de Wolf onder contract bij Chinese uitgeverij (Boekblad)

Kinderboekenschrijver Arend van Dam en illustrator Alex de Wolf gaan speciaal voor de Chinese markt prentenboeken maken. Zij hebben daarvoor een overeenkomst gesloten met uitgeverij Yuanliu Classic Culture.

Dat maakte – de nog altijd euforische – Van Dam vanochtend bekend op Facebook. Hij is gisterenavond teruggekeerd uit Beijing, waar hij deelnam aan een forumdiscussie en een aantal interviews heeft gegeven. Yuanliu Classic Culture gaf al de zeven delen tellende serie De liefste papa uit. Met groot succes: tijdens zijn bezoek ontving Van Dam een oorkonde voor de verkoop van drie miljoen verkochte exemplaren. De serie is daarmee dé bestseller voor de uitgeverij die ook werk uitgeeft van onder anderen Sylvia vanden Heede en Hans en Monique Hagen.
Van Dam en De Wolf gaan hun oorspronkelijke serie uitbreiden naar tien delen. 'De serie gaat over vaderschap', zegt Van Dam. 'Dat sluit heel erg aan bij de discussie in China: wat doet een vader met zijn kind? Onze boeken laten zien dat een vader zijn kind kan voorlezen, met hem op avontuur kan gaan, dingen kan ontdekken. De volledige serie wordt in een luxe box uitgegeven – met een beertje erbij of iets dergelijks. Daarnaast gaan we een tweede serie maken. Ook over het thema vaderschap, maar dan met nieuwe personages. Ik ben in het vliegtuig naar huis gelijk begonnen met schrijven.'
Van Dam zal in deze nieuwe verhalen aansluiten bij de Chinese werkelijkheid. Zo is de een kind-politiek aan het veranderen, vertelt hij. 'Dat betekent dat er straks niet meer alleen maar vader, moeder en kind is – maar dat er ook een broertje of zusje kan komen. De uitgeverij zou graag zien dat we daar iets mee doen. Geweldig natuurlijk. Als ik Van Holkema & Warendorf, mijn uitgever in Nederland, voorstel een boekje te maken over het krijgen van een broertje of zusje, moeten ze gapen. Begrijpelijk, daar is al zoveel over. Maar in China beginnen ze te klappen van enthousiasme.'
De eerste titels moeten in de zomer van 2016 uitkomen. Van Dam en De Wolf reizen dan opnieuw naar China – ook om een kinderboekenfestival bij te wonen waarvoor ze inmiddels officieel zijn uitgenodigd. 'De contracten zijn nog niet getekend – deels omdat ze van het Chinees naar het Engels moeten worden vertaald, en deels omdat Alex er niet bij was en ook zijn handtekening moet zetten. Eigenlijk had ik er wel op aangedrongen dat we iets zouden ondertekenen. Maar door die uitnodiging weet ik zeker: de boeken gaan er daadwerkelijk komen.'
Van Dam en De Wolf krijgen een voor Chinese auteurs gangbaar contract. 'Dat wijkt niet zoveel af van wat we in Nederland gewend zijn. De auteur krijgt vijf procent, de illustrator ook. Daarnaast delen we op dezelfde manier in neveninkomsten als merchandising en licentieverkoop als een Chinese auteur. Dat levert in ieder geval meer op dan de 1% per persoon die we tot nu toe via rechtenverkoop hebben gekregen. Drie miljoen verkochte exemplaren heeft me zo 15.000 euro opgeleverd. Dat zou dan vijf keer zo veel kunnen worden.'
Van Dam en De Wolf waren in 2011 voor het eerst in China, vertelt de auteur. 'Toen hadden we nog geen idee hoe goed onze boeken waren verkocht. Dat bleken er al bijna een miljoen te zijn. In ongeveer een jaar tijd. Ter plekke maakten we nieuwe plannen. Daar was nooit iets van terechtgekomen. Ook omdat Van Holkema & Warendorf liever geen nieuwe delen van De liefste papa wilde uitgeven. De prentenboekenmarkt in Nederland is erg moeilijk, zeiden ze, maar als je zelf iets in China wil proberen: ga je gang. Toen heb ik Yuanliu Classic Culture voorgesteld om langs te komen. '
Aldus ontstond een voor Nederlandse schrijver – voor zover Van Dam weet – uniek contract. 'Ik krijg op Facebook allemaal felicitaties van collega's, maar ik hoor van niemand dat ze iets dergelijks doen voor een buitenlandse uitgeverij.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 3 jul)

Meer China:

vrijdag 3 juli 2015

'Wat we zien als we lezen' van Peter Mendelsund: Woorden genereren geen beelden, woorden genereren betekenis (Athenaeum.nl)

Hoe ziet Anna Karenina er eigenlijk uit? Of Ishmael, de verteller van Moby Dick? Welke beelden zie je als je ogen langs zoiets abstracts als letters glijden? Peter Mendelsund, een van de vooraanstaandste boekontwerpers ter wereld, onderzocht die vraag in zijn even diepzinnige als speelse én fraaie Wat we zien als welezen (vertaling Roos van de Wardt).

Stel, je leest over een oud vrouwtje dat met haar dochter in een hutje aan de rand van een donker bos woont. Wat zie je dan? Paul Auster, die dit voorbeeld bedacht, is geneigd de aanduidingen te preciseren. 'Niet gedetailleerd misschien', schreef hij in 2010 aan J.M. Coetzee, 'maar voldoende om me een kleine, gezette vrouw voor te stellen met een schort voor, een slank pubermeisje met lang bruin haar en een bleke huid, en rook die uit de schoorsteen van het hutje kringelt.'
Coetzee reageerde twee weken later ietwat beschaamd – zoals valt na te lezen in hun verzamelde correspondentie tussen 2008 en 2011, Een manier van vriendschap (vertaling Ton Heuvelmans en Peter Bergsma). 'Vergeleken met jou lijk ik over een nogal schamele visuele verbeelding te beschikken. Tijdens het normale leesproces "zie" ik volgens mij niets. Pas wanneer jij langskomt en een verslag eist, begin ik voor mijn geestesoog retrospectief een rudimentaire oude vrouw, en een dochter, en een hut, en een bos in elkaar te knutselen.' (Zie ook hier)
Hebben Auster en Coetzee andere visuele vermogens? Ziet de Amerikaanse schrijver meer? Of doet hij alleen maar meer dan zijn Zuid-Afrikaanse collega zijn best om tijdens het lezen een tekst om te zetten in beelden?

Wie werkelijk over zulke vragen heeft nagedacht is Peter Mendelsund. Als associate art director van uitgeverij Alfred A. Knopf is het zijn werk om 'iets' te zien bij het lezen – en dat te vertalen naar een omslag. Hoewel opgeleid als klassiek pianist, bleek hij na een carrièreswitch een buitengewoon getalenteerd ontwerper. Dat bewijst de monografie die Mendelsund vorig jaar over zijn werk samenstelde: Cover. Zijn omslagen voor Ulysses of heruitgaven van Franz Kafka zijn iconisch.
Kennelijk heeft Mendelsund tijd om alle boeken waarvoor hij een ontwerp maakt daadwerkelijk te lezen. Ook dat kun je afleiden uit Cover. 'I am paid to read great books and interpret them', zo omschrijft hij daarin zijn baan. 'I have the greatest job in the world.' En: 'Representing the text is nog something I'm paid to do, but I see this act as a moral imperative. Characterizing, explicating, interpreting a text visually is the most interesting and gratifying aspect of what I do.'
Dat dagelijkse werk inspireerde hem tot Wat we zien als we lezen. Het is een – hoe kan het ook anders? – schitterend vormgegeven boek, waarin de talloze visuele vondsten Mendelsunds argumenten visueel onderstrepen. Dat maakt het scherpzinnige boek ook een groot artistiek genoegen. Hij geeft de lezer net zo veel om over na te denken als om van te genieten.

Om het pleit tussen Auster en Coetzee te beslechten: iedereen ziet volgens Mendelsund tijdens het lezen net zo weinig als Coetzee. Niemand krijgt een scherp fotografische beeld van Anna Karenina, Ishmael of voor mijn part het oude vrouwtje en haar dochter in hun hutje voor ogen dat hij in staat is die precies en correct na te tekenen – simpelweg omdat respectievelijk Tolstoj, Melville en Auster nauwelijks tot geen concrete details over hen geven. Hoe moet je hen dan 'zien'?

De meeste schrijvers geven (opzettelijk, onopzettelijk) meer beschrijvingen van het gedrag dan van het lichaam van hun fictieve personages. Zelfs als een auteur uitblinkt in fysieke beschrijvingen zitten we nog steeds met een onhandige ratjetoe van verdwaalde lichaamsdelen en willekeurige details (schrijvers kunnen ons niet álles vertellen). Wij vullen de leemtes op. We kleuren ze in. We verbloemen ze. We slaan dingen over. Anna: haar haren, haar gewicht – dit zijn slechts facetten en creëren geen getrouw beeld van een persoon. Ze creëren een lichaamstype, een haarkleur... Hoe ziet Anna eruit? We weten het niet – onze mentale schetsen van personages zijn nog slechter dan compositietekeningen.

Toch kent iedere lezer het gevoel dat hij een literair personage daadwerkelijk voor zich ziet of dat een locatie waarop een intens meebeleefd drama plaatsvindt, hem vertrouwd is. Precies zoals Auster met zijn voorbeeld. Hoewel hij alleen maar 'oud vrouwtje' schrijft, is hij moeiteloos in staat dat in te vullen. Niet omdat hij zichzelf opdraagt dat te doen, maar omdat hij werkelijk meent dat voor zich te zien. Als het moest had hij probleemloos meer details kunnen geven. Hoe kan dat?
Een lezer spreekt zijn beelddatabank aan, legt Mendelsund uit. We vullen de schaarse details aan op grond van wat we toevallig ooit gezien hebben: een film, een landschap uit onze jeugd, een schilderij. Geheel automatisch pikken we allerlei details uit het Scheepvaartmuseum waar we ooit zijn geweest, maakt niet uit hoe lang geleden, om ons een negentiende-eeuwse walvisvaarder voor ogen te zien. Zo automatisch dat we het niet eens echt zien, maar meteen doorlezen.

Woorden zijn niet effectief door hun inhoud, maar door hun latente potentieel om de verzamelde ervaringen van de lezer bloot te leggen. Woorden 'bevatten' betekenis, maar wat nog belangrijker is: woorden genereren betekenis...

We denken dus alleen maar dat we iets zien. Dat is de conclusie waar Mendelsund op uit komt. Maar voor je daar bent, heeft hij in het meer dan vierhonderd pagina's tellend betoog nog veel meer uitgelegd. Waarom iedereen altijd een teleurstelling ervaart als hij een verfilming van een goed boek leest bijvoorbeeld. Hoe een auteur de mogelijkheden begrenst om als lezer zelf beelden in te vullen. Of dat 'beelddenkers' echt niet beter zijn toegerust om te zien tijdens het lezen dan wie dan ook.

Ik ben een visueel ingesteld iemand (zegt men). Ik ben boekontwerper en ik verdien niet alleen de kost met mijn algemene visuele vernuft, maar ook met mijn talent voor het herkennen van visuele seintjes en aanwijzingen in de tekst. Maar als het aankomt op het me inbeelden van personages, narcissen, vuurtorens of mist: dan ben ik net zo blind als ieder ander.
Misschien hangt ons vermogen om iets te ruiken, te horen, wel af van de mate waarin we geloven dat we hiertoe in staat zijn. Denken dát we ons iets kunnen inbeelden is uiteindelijk hetzelfde als het je inbeelden.

Dat moet Coetzee en ieder ander met 'nogal schamele visuele verbeelding' gerust stellen. Alleen daarom al is Wat we zien als we lezen werkelijk een groot genoegen.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 29 juni)

dinsdag 30 juni 2015

Het schaakgedicht van Ineke Riem

Ik schaak nooit meer. Ik heb er geen tijd meer voor over, eerlijk gezegd. Ik lees de wekelijkse column van Hans Ree in NRC Handelsblad, probeer het probleem van de week op te lossen, volg de berichtgeving van grote toernooien. Dat is al wat er van schaken in mijn leven is overgebleven. Maar als ik de sport tegenkom in een roman of een gedicht die ik lees – de activiteit waar ik wél tijd voor over heb, heel veel tijd zelfs – licht mijn hart altijd even op.
In de poëziebundel Alle zeeën zijn geduldig van Ineke Roem kwam ik het gedicht 'Één zet, één kus' tegen. Daarin vergelijkt ze een schaakwedstrijd met de strijd tussen twee geliefden. Zij, de ik uit het gedicht, kan niet schaken. Maar ze laat zich gewillig verslaan door hem, haar tegenstander. Waarom? Om hem revanche te bieden voor alle keren dat de dame, dus zijzelf, niet meer durfde en een van beiden 'laat maar' zei. Met andere woorden: revanche voor alle keren dat het niet tot vrijen kwam. Tot slot vraagt ze een liefdevolle kus voor haar nederlaag ten teken dat haar offer wordt aanvaard.

Mijn paard springt schichtig, niet
om te winnen. Mijn lopen hinkt,
denkt op krukken één zet vooruit:

de val. Ooit had mijn toren
het hoog in de bol, nu wankelt hij
en wacht op jouw slag.

Schaken in literatuur of, vaker nog, in film wordt vaak ondeskundig als metafoor voor strijd of doorgeslagen hyperintelligentie ingezet. Een blik op de stelling en je weet: deze auteur kan niet schaken. Of niet echt. Misschien is het daarom logisch dat de beste schaakliteratuur angstvallig concrete stellingen vermijdt. Zo kan nooit een echte schaker tegenwerpen: wat een broddelwerk, die zetwisseling past niet bij het niveau dat de spelers zouden moeten hebben.
In 'Weerstand', onderdeel van Stephan Enters roman-in-verhalen Spel uit 2007, wordt bijvoorbeeld geen zet daadwerkelijk gedaan. Schaken is een zinnebeeld voor het verwerven van kennis en kunde, op welke manier dat het beste kan, hoe sommige manieren voor bepaalde mensen het beste werkt. Ik zeg het een beetje abstract omdat de inhoud van het verhaal hier niet ter zake doet. Hoewel het verhaal is doordrenkt van de schaaksport, krijg je feitelijk geen enkele blik op het bord.
Maar ik dwaal af. Of ook Riem eigenlijk niet kan schaken, durf ik niet te beweren, maar: 'al mijn laffe pionnen', zoals ze in de eerste strofe schrijft, die ze 'in een opwelling' in een keer naar voren schuift – dat klinkt niet alsof ze het vroeger veel heeft gedaan. Je kan maar een pion per zet vooruitschuiven. Mooi is wel hoe ze de verschillende stukken in het spel in oplopende sterkte, van pion naar koning, opvoert. Ook de verspringende strofen, die zo suggereren dat twee spelers om en om een zet doen, is heel toepasselijk.

Mijn stukken hinderen het spel.
Veeg ze weg en revancheer je
voor alle keren dat de dame

niet meer durfde.
Zet koning laatmaar schaak.
Één kus in ruil voor de nederlaag?

Zie voor het hele gedicht uiteraard Alle zeeën zijn geduldig. Te koop in de betere boekhandel. 

Zie ook: diabetes, de notaris en Maarten in de literatuur

vrijdag 26 juni 2015

Uitgever Jonathan Galassi blikt terug op carrière met fictie (Athenaeum.nl)

Geen traditionele memoires, maar een roman waarin de Amerikaanse uitgever Jonathan Galassi van Farrar, Straus and Giroux ervaringen, ontmoetingen en anekdotes oprakelt. Wat een plezier moet hij hebben gehad om zijn herinneringen te verbasteren en te vermengen met een intrige waarvan een boekenliefhebber zeker plezier aan beleeft. Muse is inmiddels op de markt (hier te koop). De Nederlandse vertaling Toen boeken nog boeken waren (vertaling Lidwien Biekmann) verschijnt medio augustus (dan hier te koop). 

Eindelijk! Een Nobelprijs voor een Nederlandse auteur! In Jonathan Galassi's roman Muse in ieder geval. Alleen krijgt niet Hendrijk David de prijs, die al jaren iedere eerste donderdag van oktober met groeiende wanhoop bij de telefoon wacht op het verlossende gerinkel, maar de obscure essayist Dries van Meegeren, die aldus wordt beloond voor zijn jarenlange promotietour in Scandinavië. De officiële bekendmaking in Stockholm, die altijd samenvalt met de grote internationale boekenbeurs in Frankfurt, leidt onmiddellijk tot de gebruikelijke hectiek.

Publishers from nearly everywhere, who before today had never heard of Van Meegeren, swarmed the normally empty Dutch hall, anxious to buy themselves a Nobel Prize winner. The booth of De Bezige Bij, The Busy Bee, van Meegeren’s lucky publisher, resembled a rebooking desk in an airline terminal after a canceled flight.

Voor Paul Dukach, hoofdpersoon van Muse, is het maar een detail. Hij denkt op de Buchmesse alleen maar aan het bezoek dat hij aansluitend zal brengen aan Ida Perkins in Venetië. De bejaarde dichteres, winnares van maar liefst vijf National Book Awards en twee Pulitzers, is de reden dat hij als onbegrepen tiener in een provinciaal gat een levenslange liefde voor de letteren opvatte, literatuur ging studeren, en in het boekenvak terechtkwam, tegenwoordig als redacteur van de onafhankelijke uitgeverij Purcell & Stern. Voor het eerst in zijn leven zal hij zijn idool ontmoeten.
Toch loont het de moeite om langer stil te staan bij de Nederlandse Nobelprijs. Het toont aan waar het Galassi in Muse om te doen is. De 66-jarige Amerikaan werkt al veertig jaar in de uitgeverij, tegenwoordig als directeur van dé literaire uitgeverij van New York: Farrar, Straus and Giroux. Hij moet ergens hebben opgevangen hoe gefrustreerd Nederland is dat onze literatuur nog nooit een Nobelprijs ten deel is gevallen, hoezeer Harry Mulisch en Cees Nooteboom concurreerden om de eer de eersten te zijn, dat Mulisch elk jaar bij de telefoon wachtte... Galassi móést dat gewoon kwijt.
Muse is geen sleutelroman, die een op een zulke feiten openbaart. Maar Galassi heeft zijn intrige van Paul Dukach en Ida Perkins zonder twijfel bedacht om een alternatieve geschiedenis te schrijven van het naoorlogse Amerikaanse boekenvak. Alles wat hij in zijn carrière heeft meegemaakt, iedere persoonlijkheid die hij ontmoette, de talrijke bizarre anekdotes die hij hoorde – hij heeft het allemaal verwerkt. Wie de mensen kent, heeft regelmatig een o ja-Erlebnis. Howard Stern, die heeft iets van uitgever Roger Straus. Dmitry Chavchavadze: de dichter Joseph Brodsky. Enzovoorts.

Dmitry was considered the most important Georgian poet of the century, and the Swedish Academy had concurred, enNobeling him unprecedented early, at the age of thirty-eight. His poems in Russian were said to be at once hypnotically lyrical and cynically disaffected, but some saw the English-language versions, which he insisted on creating himself, as an unintentional pastiche that relied on an insufficient understanding of his target language. Still, his status as a freedom fighter combined with his brilliance and take-no-prisoners implacability conferred impregnable authority on Dmitry. "Is sheet!" he'd shout, about the work of a writer he didn't rate, which was most of them. "Sheet! Sheet! Sheet!!" This turned out to be a surefire argumentative technique, since few had the temerity to disagree.

Muse heeft een fascinerende, met schwung en merkbaar plezier opgezette intrige – daar niet van. Denk: in onbegrijpelijke code geschreven notitieboekjes die een befaamd dichter en ex-echtgenoot van Ida Perkins heeft nagelaten. Een levenslange rivaliteit tussen twee literaire uitgevers, wiens karakters niet meer van elkaar hadden kunnen verschillen, over het recht om Perkins te mogen uitgeven. En een geheim manuscript met explosieve inhoud dat alleen postuum kan worden uitgegeven. Een echte boekenliefhebber zal zeker de grap en de spanning ervan begrijpen.
Maar als dit verhaal verteld is, gaat Galassi dóór. Muse bevat een veel te lange epiloog omdat de auteur kostte wat kost wil laten zien hoe het boekenvak de laatste jaren is veranderd. En dus krijgt Dukach – toepasselijk vernoemd naar de componist Paul Dukas, tegenwoordig alleen nog bekend van 'De tovenaarsleerling' – een relatie met een content editor van internetretailer Medusa. Biedt grote baas George Boutis hem daar een baan aan, die hij afwijst omdat hij alleen kan werken vanuit zijn ouderwetse liefde voor literatuur. Daarom besluit hij maar een boek te schrijven. Over Ida Perkins uiteraard.
Ondanks de wat afstotelijke sentimentele klank is de Nederlandse titel van de roman daarom toepasselijker dan het origineel. Muse, dat verwijst naar Ida Perkins en bij uitbreiding naar de schone letteren als inspiratiebron voor alles wat Paul doet. Maar Toen boeken nog boeken waren verwijst naar het gevoel dat er een goede oude tijd was die iedere pagina van deze roman ademt. De tijd dat uitgevers markante gentleman-gokkers waren, boeken een betrekkelijk schaars goed omdat de oplage per definitie beperkt was, boekhandels centra van beschaving...
Oftewel, de tijd, zoals Galassi zelf verwoordt in zijn tegelijk soepele en barokke Engels:

when books furnished many a room, and their contents, the magic words, their poetry and prose, were liquor, perfume, sex, and glory to their devotees. These loyal readers were never many but they were always engaged, always audible and visible, alive to the romance of reading. Perhaps they still exist underground somewhere, hidden fanatics of the cult of the printed word.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 18 jun)

Zie ook:
- Gokken op de Nobelprijs 2014 (toen Nooteboom op 25/1 stond)

dinsdag 23 juni 2015

Horatius: eeuwenlang de invloedrijkste schrijfdocent ter wereld (Schrijven)

Tegenwoordig verwijst niemand naar zijn adviezen. Ten onrechte. De schrijftips van de Latijnse dichter Horatius zijn nog altijd actueel.

Een dichter kiest het best voor woorden die origineel zijn. Al te bekende zegswijzen leiden er alleen toe dat de lezer gaapt van verveling, geïrriteerd de bundel weglegt of – het ergste – de dichter bespot. Maar de woorden mogen ook niet té origineel zijn. De lezer zal in dat geval ook afhaken, omdat hij al te duistere formuleringen ondanks herhaaldelijke herlezing niet begrijpt. Van zelfverzonnen neologismen moet de betekenis eveneens onmiddellijk duidelijk zijn.
Of zoals het advies aan jonge dichters precies luidt:

'In het kiezen van zijn woorden dient een schrijver ook
behoedzaam en met fijn gevoel te werk te gaan.
Voortreffelijk wanneer een combinatie slim
het bekende woord vernieuwt. Als een modern begrip
met een nieuw woord moet worden aangeduid,
verzin dan woorden (...) gebruik dat recht dan wel discreet.'

Wie verzon deze zo ritmisch geformuleerde schrijftip? Willem Wilmink in Hoe schrijf ik een gedicht? Chrétien Breukers in Gedichten schrijven? Drs. P in Handboek voor plezier-dichters? Alle drie tenslotte zelf dichters. Maar nee. Het fragment is afkomstig uit Horatius' Ars poetica. De Latijnse dichter schreef dit 476 regels tellend gedicht in dactylische hexameters om de kunstbroeders van zijn tijd in te wijden in de geheimen van waarlijk succesvolle poëzie.
Horatius was niet de enige auteur uit de klassieke oudheid die een handboek voor schrijvers publiceerde. En zeker niet de eerste: Aristoteles' Poetica is meer dan driehonderd jaar ouder. Maar eeuwenlang gold hij als dé autoriteit die voortdurend werd vertaald in alle Westerse talen – in het Nederlands het recentst door Piet Schrijvers (1980, herzien in 2003). De reden daarvoor is dat Horatius zijn tips in poëtische vorm goot. Hij liet als enige tegelijkertijd zien wat hij bedoelde.
Maar het belangrijkste: zijn taalgebruik is in al zijn heerlijk citeerbare bondigheid zo fris gebleven. Horatius schreef het gedicht als brief aan de invloedrijke senator Lucius Calpurnius Piso en zijn twee zonen, die een grote liefde voor poëzie koesterden. Hij sloeg daardoor geen abstracte of belerende toon aan, zoals Aristoteles, maar legde zijn bedoelingen uit alsof hij met wat vrienden een goed glas wijn dronk. Helder, eenvoudig, onderhoudend, met een terzijde hier en een grapje daar.

Tegenwoordig worden Horatius adviezen zelden gebruikt in cursussen gedichten schrijven. Een zoekopdracht in het forum van Schrijven Online levert welgeteld één vermelding op: bij een uitleg naar de herkomst van het woord mecenas (zie kader). Over zijn aanbevelingen dus geen woord. Dit komt voornamelijk omdat Horatius té invloedrijk was. Te veel navolgers schreven onleesbare poëzie die weliswaar in zijn geest was gemaakt, maar niettemin doods en geforceerd bleef.
Dat riep een tegenreactie op. Sinds de Romantiek lapten dichters de officiële regels van de kunst steeds meer aan hun laars. Ze gingen op zoek naar de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, om met Willem Kloos te spreken. Dat opende de weg naar poëzie waarin l'art pour l'art voorop stond, en later naar alle mogelijke vormen van experimentele, hermetische en postmoderne poëzie waarin letterlijk alles is toegestaan.
Toch loont het de moeite ook in 2015 de Ars poetica te bestuderen. Alleen al het voorbeeld uit de eerste alinea bewijst hoe actueel Horatius is gebleven – zonder dat schrijvers nog weten dat hij sommige goede raad als eerste formuleerde. Nog in zijn vorig jaar verschenen essaybundel Achternamiddagen hanteert Christiaan Weijts exact dezelfde stelregel voor een goede vergelijking (in proza): die moet origineel zijn, maar niet té omdat hij dan gezocht lijkt en dus ongeloofwaardig is.

Het doel van gedichten schrijven is volgens Horatius het hebben van succes. Niet alleen bij zijn huidige, maar ook bij toekomstige lezers. Dat betekent dat een dichter niet moet vertrouwen op aangeboren talent, maar veel dient te oefenen, meesters uit het verleden zal bestuderen, teksten eindeloos moet bijschaven. 'O Gij, (...) keur een gedicht niet goed,/ dat niet beknot werd dagenlang door veel geschrap/ en dat niet tienmaal nagelglad werd gepolijst.'
Een 'nagelglad gepolijst' gedicht wordt gekenmerkt door harmonie, omdat een mens zich daar van nature toe aangetrokken voelt. Harmonie in alle opzichten: tussen vorm en inhoud, tussen karakter en leeftijd en afkomst van personages (bij toneelstukken – in die tijd ook onderdeel van de poëzie), tussen woorden en daarmee opgeroepen emoties. Ook moet een dichter zijn woorden laten passen bij zichzelf, zijn publiek en de situatie waarin hij zijn werk voordraagt.
Vooral wie het allerhoogste niveau wil halen, moet zich veel moeite getroosten. Een slecht dichter krijgt een open doekje als hij toevallig 'twee of drie keer' iets goed doet. 'Terwijl ik boos ben als de goede Homerus slaapt,/ al is bij zo'n lang werk een dutje nog geen zonde.' Een werkelijk goed gedicht, vervolgt Horatius, is namelijk als een goed schilderij: ieder detail, of het donker of licht is geverfd, verdient 'het scherpe oordeel van de criticus'.
Hoe voorkom je 'Homerische dutjes'? Laat je teksten lezen en houdt ze dan nog acht jaar in portefeuille. Immers: 'Wat niet is uitgegeven, kan nog geschrapt, een publicatie keert niet terug'. Laat de teksten dan wel beoordelen door een deskundige die niet bang is voor de vriendschap maar onvermoeibaar toelichting vraagt en vage taal verkettert. 'Hij zegt niet: 'Moet ik een vriend/ nu kwetsen voor een bagatel?' Die bagatel/ brengt hem, bespot en slecht onthaald, zwaar ongeluk.'

Precies. Zoals je nu overal kunt horen dat de enig zinvolle feedback eerlijke feedback is.
Het bewijst andermaal hoezeer Horatius' moderne adviezen uit Ars poetica verplichte leesstof zouden moeten zijn voor docenten poëzie een aankomende dichters.

Leven en werk
Quintus Horatius Flaccus (68-5 v. Chr.) schreef de Ars poetica als slotstuk van een gevarieerd en indrukwekkend oeuvre. De spottende Epoden, waarmee hij debuteerde toen hij de veertig naderde, gericht tegen alles wat hem tegenstond. Zijn mildere maar niettemin hekelende Satiren. Zijn lyrische Oden over liefde, vriendschap, politiek, moraal en dood. Zijn Brieven, uitgebreide essays in dichtvorm. Tot op de dag vinden al deze gedichten steeds weer nieuwe liefhebbers.
Horatius was de zoon van een vrijgekochte slaaf die als belastingambtenaar rijk werd. Zo kreeg hij de best denkbare opleiding krijgen. Na een korte carrière als militair werd hij onder de nieuwe keizer Augustus zelf ook ambtenaar. Door Vergilius werd hij geïntroduceerd bij Maecenas, die zo onder de indruk van zijn poëzie was dat hij hem eerst in dienst nam maar al snel een villa gaf. Daar kon hij de laatste twintig jaar van zijn leven volledig aan de dichtkunst wijden.

Deus ex machina

Horatius gebruikt in de Ars poetica termen die sindsdien gemeengoed zijn geworden. Begint een schrijver 'in medias res' (in het midden van dingen) of 'ab ovo' (vanuit het ei)? Een term als 'deus ex machina' voor een noodgreep om een plot glad te trekken verwijst rechtstreeks naar Horatius dictum: 'een godheid treedt slechts op bij een verwikkeling die om hem vraagt'. Ook de Engelse aanduiding 'purple prose' voor te bloemrijk taalgebruik gaat terug op een afkeurende vergelijking van Horatius.
Ars poetica van Horatius (vertaling Piet Schrijvers) staat in Verzamelde gedichten (Historische Uitgeverij, 2003). Een afzonderlijke uitgave is alleen antiquarisch te krijgen.