vrijdag 16 oktober 2015

Daarom verdient Emanuel Querido dus een biografie (Athenaeum.nl)

Emanuel Querido richtte in 1933 een van de beroemdste uitgeverijen van Duitse Exil-literatuur in het nationaalsocialistische tijdperk op. Het bezorgde de uitgever van Carry van Bruggen, Jan Greshoff, J.W.F. Werumeus Buning en vele andere auteurs uit de voorhoede van de Nederlandse literatuur een internationale reputatie. In zijn vaardig geschreven, goed analyserende, maar helaas onvoldoende geresearchete biografie legt Willem van Toorn – zelf al meer dan vijftig jaar publicerend auteur bij Uitgeverij Querido – uit waarom.

Zodra de naam van een uitgeverij ten onder gaat in de eeuwige maalstroom van fusies en samenvoegingen, verdwijnt ook de herinnering aan de man die het bedrijf heeft opgericht. G.L. Funke? P.N. van Kampen? De broers W.L. en J. Brusse? Alleen boekhistorici weten nog wie het zijn. Dezelfde vergetelheid zou ongetwijfeld het lot zijn geweest van Emanuel Querido. Alleen omdat de uitgeverij van Thomas Rosenboom, Annejet van der Zijl en Jamal Ouariachi dit jaar zijn eeuwfeest viert, verschijnt nu de biografie van de oprichter. Of niet?
De diamantslijperszoon van Portugees-Joodse afkomst, geboren in 1871, werd geroemd om zijn grote aandacht voor boekverzorging en de lancering van de Salamanders – een van de eerste series van kwaliteitsboeken tegen een lage prijs ter wereld. De oudere broer van bestsellerauteur Israël Querido publiceerde populaire schrijvers als A.M. de Jong en A. den Doolaard en enkele literaire kanonnen van zijn tijd: Hendrik Marsman, Martinus Nijhoff en anderen. Maar dat rechtvaardigt nauwelijks een biografie voor een groot publiek.
De enige daad die Querido verhief boven de status van een uitstekende, maar in essentie gewone uitgever, verrichte hij in april 1933. Amper een paar maanden na de machtsovername van de nazi's begon hij de Duitstalige Querido Verlag om de gevluchte schrijvers een podium te bieden. In de zeven jaar daarna publiceerde hij 137 boeken van wereldberoemde auteurs als Klaus Mann, Lion Feuchtwanger, Arnold Zweig, Joseph Roth, Anna Seghers en Ersnt Toller, die hij ondanks tegenwerking van het Hitler-regime in heel Europa verkocht.
Niet dat Querido veel werk verzette voor deze uitgeverij, zo blijkt uit Willem van Toorns biografie. De uitgeweken Duitse uitgever Fritz Landshoff, geassisteerd door Alice van Nahuys en twee eveneens geëmigreerde Duitse medewerkers, onderhielden de contacten met auteurs en reisden onvermoeibaar langs boekhandels tot in Noorwegen, Roemenië en Palestina. Maar Querido besloot toch maar, zonder enige aarzeling, om zijn reputatie en 7500 gulden in het project te investeren. Zelfs zonder uit te zoeken of Landshoff wel diens 7500 gulden kon leveren (niet, namelijk).
Waarom? Van Toorn citeert een tijdgenoot als Klaus Mann: Querido zou een intense hekel hebben gehad aan de nazi's – die hem in 1943 zouden vermoorden in Sobibor. Ook latere boekhistorici zochten het daarin. Maar zelf komt van Toorn tot een andere theorie: een geldingsdrang en een zucht naar aanzien, die Querido's motor al decennia van brandstof voorzag. '[De oprichting van Querido Verlag] ver­zekerde hem van een bijzondere status als internationaal uitgever, en daarmee van een definitief afscheid van de laatste resten van het milieu waar hij uit was voortgekomen.'
Op zulke momenten bewijst een biografie als deze zijn meerwaarde. Door Querido's armoedige jeugd in een in cultureel opzicht achtergestelde en gesloten groep te schetsen, de strijd die hij hier aanvankelijk samen met zijn broer tegen vocht en vooral de jaloezie jegens de veel sociaal vaardigere Israël die al voor zijn dertigste grote roem en bewondering vergaarde – dáárdoor weet Van Toorn bloot te leggen wat zijn diepste drijfveer was op het moment dat Querido de voor zijn erfenis belangrijkste beslissing uit zijn leven nam.
De voorbeeldig geschetste samenhang tussen leven en werk maakt Van Toorns biografie zonder twijfel de moeite waard. Maar een perfecte levensbeschrijving is het niet. Zo verschijnt de auteur soms hinderlijk ten tonele met zijn eigen herinneringen. Wat doet het ertoe dat hij zich de populariteit van A.M. de Jong nog heeft meegemaakt? Ook heeft hij steken laten vallen. Zo analyseert hij wel Querido's romancyclus Het geslacht der Santeljano's, dat hij publiceerde onder het pseudoniem Joost Mendes, maar wijdt hij geen woord over de receptie van het boek.
Die misser past in een patroon. Van Toorn leunt sterk op een aantal primaire bronnen: gepubliceerde memoires van Querido's zoon Arie en Fritz Landshoff, maar ook het smaadschrift van Israël Querido-discipel Karel de Wind en de mondeling overgebrachte herinneringen van de in 1932 geboren kleindochter Lotte. Aanvullend onderzoek lijkt hij nauwelijks te hebben gedaan. Zo blijft het – om één voorbeeld te geven – schimmig in welke context Querido opereerde. Hoe vooraanstaand was hij als uitgever nu werkelijk? We moeten het maar aannemen.
Deze gebreken zijn des te spijtig als je bedenkt dat het misschien nog eens honderd jaar duurt voor Querido een nieuwe biografie krijgt – als diens uitgeverij dan nog bestaat, natuurlijk.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl)

Zie ook deze stukken over biografieën van:

donderdag 15 oktober 2015

De 'gevreesde' schrijver van Thomas Verbogt

In Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt herinnert de hoofdpersoon zich tijdens een wandeling door Nijmegen een opmerking van zijn beste vriend. Hij wacht buiten voor de etalage van een boekhandel op zijn vriendin, de etalage is bijna geheel gevuld met exemplaren van een nieuw boek van 'een Nederlandse auteur die bijna iedereen "gevreesd" noemt'. Het is dat 'gevreesd', waar het om gaat.

...een woord waar ik met Bart hartelijk om kan lachen. 'Meneer is gevreesd. Je zult dat maar als doel in je leven hebben. En iedereen praat elkaar plechtig na als het over hem gaat. O, o, wat is hij gevreesd.'

In eerste instantie – merkte ik – ben je geneigd daarmee in te stemmen. Natuurlijk, wie zou willen schrijven om gevreesd te zijn, besteed toch je energie aan een goed boek. Later dacht ik: waarom niet? Zeker als een schrijver polemisch van aard is – een soort dat met W.F. Hermans, want om hem gaat het vermoedelijk, allerminst is uitgestorven. Dan moet 'gevreesd' zijn het hoogste doel zijn.
Waarom? Alleen als je aanvallen doel treffen, kun je gevreesd zijn. En hoe kwaadaardig en venijnig je ook bent, alleen als je aanvallen echt spitsvondig, treffend, kortom goed opgeschreven zijn, zijn ze doeltreffend. Wie slecht schrijft, kan polemiseren en beledigen wat hij wil, hij zal worden genegeerd of worden weggezet als een gefrustreerd mannetje dat denkt het nodig te hebben zich tegen iedereen af te zetten om gezien te worden. Wie slecht schrijft, wordt genegeerd.
Kortom: 'gevreesd' genoemd worden kan voor sommige schrijvers wel degelijk gelden als de kroon op hun werk.

Ik zal Verbogt er niet op aanvallen. Zijn personages zijn tenslotte bijna of net twintig als deze scène zich afspeelt. Wat weten zij ervan? Al denk ik niet dat Verbogt er inmiddels anders over is gaan denken. Dat valt gemakkelijk af te leiden uit Als de winter voorbij is, waarin de sterk op de auteur lijkende hoofdpersoon op zijn zestigste eindelijk ontdekt hoe hij zich blijvend kan verbinden met een ander mens. Lees het maar. 

zondag 11 oktober 2015

Waarom boeken kopen als je ze gratis kan krijgen?

Tien tegen een dat iedereen die je deze vraag voorlegt denkt aan illegale digitale kopieën, die je overal kunt downloaden als je een beetje moeite doet ze te vinden. Of die je bij duizenden tegelijk van de USB-sticks af kunt halen die naar het schijnt door lezers onderling worden doorgegeven. (Ik heb ze nog nooit gezien.)
Maar e-boeken bedoel ik niet. Ik heb het over papieren boeken. En dan ook niet die je via de bibliotheek kunt lenen. Lidmaatschap van de bibliotheek kost al gauw een paar tientjes per jaar. Ik bedoel volledig gratis papieren boeken, die je mag houden.
Die vind je in toenemende mate in Minibiebs. Sinds deze Amerikaanse uitvinding in 2013 naar Nederland overwaaide zie je steeds meer: kleine kastjes met glazen deurtjes die particulieren kant en klaar voor maximaal 220 euro kunnen bestellen. Of in een middagje zelf hebben gebouwd.
InLeiden staan er inmiddels een stuk of dertig. Een handjevol in de buurt heb ik meer dan eens bezocht. Om er boeken in te stoppen voornamelijk, maar ook wel eens om iets mee te nemen. Het aanbod is helemaal niet zo slecht.
Daarnaast zijn er allerlei leesbevorderende initiatieven die op een of andere manier boeken onder de mensen verspreiden. In Leiden gebeurt dat sinds 2012 via De Boekenzolder. Dit project...

wil een bijdrage leveren aan de leesbevordering, aan de strijd tegen analfabetisme, de ´boekloosheid´ en de vernietiging van boeken. Op deze wijze stellen we juist mensen met een kleine beurs in staat boeken te blijven of te gaan lezen. Daarnaast wil de Boekenzolder mensen de gelegenheid geven elkaar te ontmoeten rondom ´boeken´ in de breedste zin des woords.

Kort geleden was de officiële heropening op een nieuwe locatie op een bedrijventerrein. Toen was ik er voor het eerst. Het aanbod viel me allerminst tegen. Ik vond er onder andere een biografie van C.B. Vaandrager en het befaamde 84, Charing Cross Road van Helene Hanff.
Als ik wil kan ik, zelfs met mijn leestempo, met minibiebs en Boekenzolder jaren en jaren vooruit. Ik heb een brede belangstelling: er is altijd wel iets te vinden wat mijn interesse heeft.
Dus waarom nog boeken kopen? De allernieuwste boeken. Deel zes van de Knausgard-cyclus of de Geert van Oorschot-biografie, om twee te verschijnen boeken van dit najaar te noemen. Er bestaan nu eenmaal boeken waarvan je niet wilt wachten op het moment dat je ze toevallig in handen krijgt.

vrijdag 9 oktober 2015

Nederlandse uitgevers betwisten wie Nobelprijswinnaar Alexijevitsj voor Nederland heeft ontdekt – maar terecht is de bekroning (Knack)

Drie boeken zijn er ooit in het Nederlands van Nobelprijswinnares Svetlana Alexijevitsj verschenen. Vorig jaar verscheen bij De Bezige Bij de meest recentste: Het einde van de rode mens. Dankzij Henk Pröpper en Harold Polis.

Harold Polis kocht Alexijevitsj' vuistdikke orale geschiedenis over de val van het communistisch regime twee jaar geleden aan voor De Bezige Bij Antwerpen, waar hij toen nog uitgever was. Eind vorig jaar, rond zijn tumultueuze vertrek bij de uitgeverij, kwam het al uit. Hij is bijzonder opgetogen met de prijs. 'Dit is de eerste en misschien wel enige keer in mijn carrière dat ik een Nobelprijswinnares heb herontdekt vóórdat ze de prijs krijg. Dat is fantastisch.'
Volgens directeur/uitgever Henk Pröpper van De Bezige Bij ligt het iets anders. Híj heeft het boek gevonden, via de Franse vertaling, en heeft Polis de rechten daarop laten kopen. 'Ik wilde het graag in Antwerpen uit laten geven, omdat ik vond dat het intellectuele klimaat in Vlaanderen geschikter was voor dit boek', zegt hij aan de telefoon. 'Hopelijk wordt ze nu ook bekender in Nederland. Op dit moment zijn er zo'n twee-, drieduizend exemplaren van het boek verkocht. Niet superveel, maar best aardig voor een toch niet makkelijk boek.'
Hoe het ook zij: volgens Polis en Pröpper is de hoogste eer voor de Wit-Russische Alexijevitsj zonder meer terecht. Polis, direct nadat hij de bekendmaking live op internet had gezien: 'Zij is in haar stijl een op en top Russische schrijfster die in de traditie van de grote verhalenvertellers staat. Zij wordt geroemd om haar pseudo-autobiografische boeken waarin ze journalistiek en literatuur vermengt, maar zij is bovenal de erfgename van Tolstoj in de na-oorlogse tijd.'
En Pröpper: 'Zij weet met een encyclopedie van stemmen en kleuren steeds een heel tijdperk of een belangrijk moment in de geschiedenis op te roepen. Ze voert honderden mensen op die toch allemaal voor een moment een echt karakter zijn. Daarmee laat ze zien hoe veelvoudig de geschiedenis is en hoe gefragmenteerd een mensenleven in het geheel van gebeurtenissen waarin het wordt vermalen. Het is dramatisch, maar ook altijd geestig.'
Hijzelf kende haar naam vaag van twee eerdere publicaties die bij kleine Nederlandse uitgeverijen waren uitgekomen: In de ban van de dood bij Pegasus (1995) en Wij houden van Tsjernobyl bij Mets & Schilt (2006). 'Maar in aanloop naar de Frankfurter Buchmesse van 2013, waar zij de Friedenspreis kreeg, dook haar naam steeds vaker op. Via de Franse uitgever Actes Sud kon ik een fragment van haar nieuwe boek in Franse vertaling lezen. Ik was meteen verkocht.'
Polis zag destijds op de Buchmesse ook een interview met haar. 'Plompverloren in de gangen, waar weinig mensen stonden te luisteren. Zij sprak natuurlijk Russisch, waardoor dat in het Duits vertaald moest worden. Maar op dat moment was bij mij de euro al gevallen. Ik deed alles om dat boek als eerste voor het Nederlandse taalgebied te krijgen. Niet dat er veel concurrentie was, maar je voelde dat anderen ook nieuwsgierig werden. Ik heb ook helemaal niet veel betaald voor de rechten.'
Later heeft Polis ook haar oudere werk gelezen. 'Ook dat zijn fantastische boeken, die bewijzen dat Alexijevitsj een zeer grote, belangrijke auteur is die ten onrechte bij ons onderbelicht is geweest. Ik roep mijn oude collega's dan ook op zo veel mogelijk boeken van haar op de markt te brengen. Ja, natuurlijk had ik haar zelf het liefst blijven uitgeven, maar ik kan me voorstellen dat De Bezige Bij een Nobelprijswinnaar nu natuurlijk meer laat gaan. Het is ook alweer een tijdje terug dat De Bij een Nobelprijswinnaar had.'
De Bezige Bij heeft de hardcover van Het einde van de rode mens nog altijd leverbaar. Begin volgende week verschijnt de paperback. En ouder werk? 'Ik kan op dit moment niet precies nagaan hoe het zit met de twee boeken die eerder in het Nederlands zijn vertaald', zegt Pröpper. 'Maar ik ga daar zeker naar kijken. Met name naar haar boek over Tsjernobyl ben ik geïnteresseerd. En natuurlijk blijven we haar volgen. Eerlijk gezegd weet ik niet waar ze nu mee bezig is.'
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 8 okt)

Zie ook:

woensdag 7 oktober 2015

Interview: Stefan Brijs hoort graag of ze op Curaçao blij zijn met hun nieuwe roman (Knack)

Curaçao? Aruba? Bonaire? Vlamingen weten niets van de Caraïbische uithoek waar Nederlands wordt gesproken. Toch tekende een geboren Genkenaar voor de Grote Antilliaanse Roman van de 21e eeuw.

Uitgerekend in de week waarin de Antilliaanse schrijverFrank Martinus Arion overleed verscheen de nieuwe roman van Stefan Brijs. Arion schreef met Dubbelspel (1973) dé roman over Curaçao. De Vlaamse romancier steekt hem met Maan en zon naar de kroon. 'Die boeken zijn onvergelijkbaar', haast Brijs, bescheiden, te relativeren. 'Ik hoor dat ik de sfeer van het eiland heb getroffen. Dat is een mooi compliment. Maar Arion kende het eiland echt van binnenuit, ik heb er als een documentairemaker van buitenaf naar gekeken. Zijn taal is ook veel frivoler. Mijn boek is sober.'
Maar Brijs moet erkennen dat er overeenkomsten zijn. Dubbelspel legt aan de hand van een eindeloze partij domino de mentaliteit van de voormalige Nederlandse kolonie bloot. Maan en zon vertelt hoe en waarom een man tot een dramatische daad komt – de precieze aard van die daad moet hier onvermeld blijven om niet te veel weg te geven – en gaat daarom óók diep in op de geschiedenis en mentaliteit van het eiland. 'En Arion was de voorvechter van de zwarte Curaçaoënaar. In mijn boek is de verteller de enige zwarte broeder van het eiland.'
Broeder Daniel, heet die verteller. De hele nacht in de zomer van 2001 denkt hij terug aan Max, die hij veertig jaar geleden als kleine jongen in de klas kreeg. Max was pienter genoeg om zelf onderwijzer te worden, maar door een combinatie van tegenslag en het lot trad hij in de voetsporen van zijn vader: de macho Roy, een taxichauffeur wiens glimmende Dodge Matador zijn grootste trots is. Sinds Max zelf vader is probeert hij zijn zoon Sonny de opvoeding te geven die hij had willen krijgen, maar op het eiland dat inmiddels wordt overspoeld door toeristen en drugs is dat niet eenvoudig.

De meest voor de hand liggende vraag is natuurlijk: hoe komt een Vlaming ertoe om over Curaçao te schrijven?
'Mijn vrouw Melanie is er opgegroeid. Tot haar tiende. Ik hoorde ook de verhalen van haar ouders, die erheen gingen om les te geven. Voor hen was Curaçao alles. Elke woord dat ze spraken ademde Curaçao. Kort na het begin van onze relatie in 1999 ben ik er daarom geweest. Het was de eerste keer dat ik in het buitenland kwam. Een heel bevreemdende ervaring. Ik was in Genk opgegroeid tussen de migranten, maar op Curaçao heb je twee rassen. Blank en zwart. Je merkt meteen: er is frictie tussen die twee. Ik voelde ook – dat voel je gewoon als schrijver – dat de verhalen er voor het oprapen lagen. Ik was toen helemaal niet van plan die te gebruiken voor een roman, maar ik heb in die tijd wel al het bericht uit de krant gescheurd waarop Maan en zon is gebaseerd. Omdat ik er wel íéts mee wilde.'

U dacht niet: ik laat dit onderwerp aan mijn Nederlandse collega's over. Een Nederlander schrijft ook geen romans over Rwanda en Congo. Mij zijn die boeken in ieder geval niet bekend.
'Inderdaad, nu je het zegt. Maar er hebben wel buitenstaanders over Congo geschreven. Ik ben die buitenstaander voor Curaçao. Die afstand heeft me geholpen. Een Nederlandse schrijver heeft wellicht het gevoel dat hij zich moet inhouden, omdat alles wat een Nederlander zegt door een Antilliaan met een loep wordt bekeken. "Wat denkt die macamba wel om dat over ons te schrijven!" Ik voelde me niet gehinderd door enige gevoeligheid.'

Maar wellicht wel door uw kennis van het eiland.
'Toen ik besloot dit boek te maken ging ik uiteraard weer naar het eiland. Voor de derde keer intussen. Ik had al veel gelezen – naast Arion ook het werk van de andere grote Antilliaanse schrijvers: Cola Debrot, Boeli van Leeuwen, Tip Marugg. Ik heb daar ook een aantal mensen gesproken...'

Voorin het boek dankt u een broeder – zoals uw verteller – en een taxichauffer – zoals de vader van Max. Hebben zij soms model gestaan voor deze personages?
'O nee. Zoiets zou niet eens in mij opkomen. De broeder die ik bedank, inderdaad de enige zwarte broeder van het eiland, heeft me een paar uur rondgereden en verhalen verteld. Hoe hij als onderwijzer altijd gevochten heeft tegen de overheersing van de blanken en de nonchalance van de zwarte – het gebrek aan zelftrots, zoals hij dat noemde. Dat heb ik allemaal gebruikt, ja. Maar het was voldoende informatie om een personage op te bouwen. Die informatie én mijn inlevingsvermogen, een van de weinige talenten die ik heb. Ik maak ook nooit een karakterschets van tevoren. Ik heb een beeld van mijn personages en plaats ze in een situatie. Als het dan gebeurt dat ze iets doen waarvan ik denk dat het niet bij hun karakter past, gooi ik die scène weg. Een werkwijze die veel tijd kost, maar die ervoor zorgt dat je geen eendimensionale figuren krijgt.'

In Vlaanderen schrijven kranten nooit over de Nederlandse Antillen. Had u het gevoel veel te moeten uitleggen?
'Sinds een jaar of vijf is het een vakantieland voor Belgen. Daarvoor ging men eerder naar de Dominicaanse Republiek. Maar Curaçao in de kranten hier? In al die jaren dat ik in België heb gewoond: geen woord. Ik kan me best voorstellen dat het boek voor Vlamingen een openbaring is. Maar vergis je niet: Nederlanders van mijn generatie – ik ben nu 45 jaar – en jonger weten ook niet veel meer van het eiland dan dat er stranden zijn en dat het corrupt is. Ik bevestig die clichés weliswaar in mijn boek, maar door een heel levensverhaal te vertellen laat ik zien hoe het gekomen is, dat er veel meer aan de hand is en waardoor mijn lezers Antillianen ook minder snel veroordelen. Dat doe ik altijd in mijn boeken: lezers in contact brengen met personen van wie ze niets willen weten en hen zo anders over die personen laten denken.'

Merkt u aan de eerste reacties verschil tussen Vlamingen en Nederlanders?
'Vlamingen laten zich vooral meeslepen door het verhaal. Nederlanders snappen daarnaast een aantal finesses over het eiland. Denken daardoor: o ja, zit dat zo. Sommigen zijn er geweest en kennen het ritme van het eiland – als je de opgejaagdheid van een Europeaan kunt laten varen, opent het eiland zich voor je. Een Vlaming zal nooit iets over die dingen zeggen. Ik heb van Vlamingen eerder de vraag gekregen: waarom moeten wij iets over Curaçao weten? Dan zeg ik: het gaat niet om Curaçao. Het gaat om Max die zich uit een sociaal milieu wil losmaken, vecht om te overleven, wordt geconfronteerd met racisme – Curaçao is alleen maar het schaakbord waarop dat gebeurt. En ja, dan komt er wat achtergrond bij kijken om het verhaal goed te kunnen schetsen: de geschiedenis en de cultuur van dat eiland.'

Max is anders wel een typische exponent van Curaçao.
'Ja. Zijn gelatenheid zit in het eiland. Men constateert een probleem en dan houdt het op. Maan en zon eindigt in 2001, maar sindsdien is er niets veranderd. Er komen steeds meer toeristen, die zich terugtrekken op steeds meer resorts met een eigen strand dat dan niet meer publiekelijk toegankelijk is. En de arme zwarte bevolking, die moet rondkomen van een paar Antilliaanse guldens per dag – als ze die al kunnen vinden – wordt dagelijks met die rijkdom geconfronteerd. Dan is de verleiding heel groot om een paar duizend euro te verdienen door bolletjes cocaïne te slikken en op en neer naar Nederland te vliegen. Zelfs huisvrouwen doen dat. En niet eens omdat ze het geld echt voor nodig hebben. Ze willen alleen hetzelfde als de toeristen. Dat was twintig jaar geleden zo en dat is nog steeds zo. Iedereen weet het ook dat het zo is, maar niemand wil het zwart op wit zeggen – omdat ze er dan iets aan zouden moeten doen.'

Gaat Max uiteindelijk aan zijn gelatenheid ten onder?
'Ja. Zijn gebrek aan vechtlust. Er is een scène waarin Max met zijn vader naar het casino gaat en zo al het geld dat hij had opgespaard verspeelt. Hij zit al op de taxi, maar hij droomde ervan alsnog onderwijzer te kunnen worden. Wat doet hij dan? Ik heb drie maanden de ene scène na de andere geschreven. Ik liet hem vluchten naar Venezuela. Ik liet hem onderduiken in de grotten van Hato. Maar ik dacht steeds: nee, dat past niet bij zijn karakter. Het enige wat werkte was toen ik Max gewoon liet doorgaan met taxi rijden. Hij pleegt geen verzet, hij ondergaat lijdzaam de gevolgen van het lot. Zó is hij. En ondertussen kropt hij zijn frustratie op. Het positieve is wel dat hij doorgaat, niet opgeeft, maar hij voelt zich nooit bevrijd dat hij zich bij het lot neerlegt.'

Zo is Max – en met hem Curaçao – gedoemd.
'Het boek is niet hoopvol, nee. Ik wou dat het anders was, maar het is een heel pessimistisch boek. Maar: geschreven uit bezorgdheid. Ik hou van het eiland.'

Max heeft niet de kracht om zich te verzetten tegen zijn lot. Had hij wel iets kunnen doen voor Sonny om te voorkomen dat zijn zoon hetzelfde lot als zijn generatiegenoten treft?
'Tja. Ook Sonny is een kind van het eiland. Hij is van de generatie die door de toeristen materialistisch is geworden. Was het anders gegaan als Max, zoals die zich op een gegeven moment afvraagt, strenger was geweest? Hij had hem dure Nikes gegeven uit hoop dat Sonny ze tenminste niet ging stelen. Was dat een fout? Ik heb daar geen antwoord op. Had Max soms moeten emigreren naar Nederland? Veel Antillianen hopen dat dat een oplossing is, maar ik weet niet of dat het geval is. Ik weet er onvoldoende van, maar je hoort genoeg over probleem-Antillianen om dat te betwijfelen.'

Maan en zon bevat een motto van Tip Marugg. Dat zegt: mannen storten hun zaad en rijden in hun auto, vrouwen zijn het sterke geslacht van Curaçao. Toch zijn de vrouwen in uw roman niet sterk.
'Niet helemaal. Myrna, Max moeder, is sterk omdat ze in haar eentje haar gezin jaren overeind houdt. Haar enige zwakte is dat ze verliefd is op Roy en uiteindelijk voor hem kiest. Maar ook zij ontsnapt niet aan het eiland. Waarom vertelt ze bijvoorbeeld niet dat ze een miskraam heeft gehad? Omdat vrouwen – het zijn de jaren 1960 – kinderen móéten kunnen krijgen. En Lucia, de vrouw van Max, heeft al het materialisme van de generatie van Sonny. Zij is óók een kind van het eiland. Eigenlijk vind ik al mijn personages slachtoffers.'

Ook broeder Daniel? Hij is onderwijzer geworden, besluit de eilandbewoners te helpen en houdt eraan vast.
'Hij blijft bij zijn roeping. Hij had terug naar het klooster in Nederland gekund, maar dat weigerde hij. Hij is een twijfelaar, maar gaat door. Dat is allemaal waar. Zijn tragiek is dat hij, na een bezoek aan Nederland, de waarheid onder ogen ziet en die verwoordt. Wacht, ik lees het voor... "Dat [de Curaçaoënaars] hun verantwoordelijkheid nemen, lijdt geen twijfel, die kans laten ze niet voorbijgaan. Maar wat dan? Hebben ze een plan? Een doel? Want eerlijk gezegd, wat mij vooral zorgen baart is het gemak waarmee ze het lot uitdagen en de lijdzaamheid waarmee ze de consequenties dragen, wat die ook mogen zijn." Als de broeder dát zegt, kan hij het nooit meer ontkennen.'

Tot slot. Hoe zou men op Curaçao naar dit boek kijken?
'Petra Possel [de presentator van het Nederlandse radioprogramma Kunststof] kent het eiland heel goed. Ze zei me: het is een keihard boek, maar het beschrijft de werkelijkheid, daar zullen ze op het eiland niet blij mee zijn. Zelf weet ik het niet. Als ze me vragen om het boek daar voor te stellen, neem ik de uitnodiging heel graag aan. Vermoedelijk komt het er ook wel van dat ik naar Curaçao ga. Ik had dan heel graag met Frank Martinus Arion over mijn boek gesproken. Hij had het altijd over de schuld van de Nederlanders. De kolonisator, die had alle problemen veroorzaakt. Hij had nooit over wat de eilanders zelf deden – of juist niet deden. Dus: Hoe keek hij daar eigenlijk tegenaan? Helaas kan ik hem dat niet meer vragen.'
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 5 okt)

zondag 4 oktober 2015

Interview: Wat heeft Simon van der Geest met de bibliotheek? (Bibliotheekblad)

De veelgelauwerde kinderboekenschrijver Simon van der Geest, auteur van het Kinderboekenweekgeschenk 2015, vindt toegang tot bibliotheken essentieel. Zelf kon hij dankzij de bibliotheek Noors leren toen hij een tijdje in Noorwegen woonde.

De Bibliotheek op school is een goed initiatief. Niet dat Simon van der Geest de pretentie heeft er alles van te weten. Maar wat de schrijver er van leerkrachten en bibliotheekmedewerkers over hoort, stemt hem positief. 'Het is goed dat iemand met bredere kennis naar de schoolbibliotheek kijkt. Iemand die echt het hele arsenaal kent en kan inspelen op wat een school nodig heeft. Je kan niet van alle leerkrachten en schooldirecties vragen om die kennis zelf in huis te hebben.'
De tweevoudig winnaar van een Gouden Griffel – in 2011 voor Dissus en in 2013 voor Spinder – heeft zelf een goede schoolbibliotheek gemist in zijn jeugd. 'Ik zat op zo'n klein plattelandsschooltje. Ze hadden wel wat, maar dat waren ouderwetse boeken waar geen reet aan was. Pim, Frits en Ida [van Godfried Bomans], herinner ik me dat we moesten lezen. Vergeelde exemplaren. Daarom was ik zo blij dat elke vrijdag de bibliobus kwam. Of was het eens in de twee weken?'
Of dergelijke schoolbibliotheken nu helemaal zijn verdwenen, durft Van der Geest niet te zeggen. Hij is doorgaans te kort op school om de bibliotheken ter plekke goed te bestuderen. En – belangrijker – hij wordt uitgenodigd door scholen met budget voor schrijversbezoeken, scholen die zoiets belangrijk vinden, scholen waarop mensen rondlopen die zich actief voor het lezen inzetten. 'Ik krijg alleen de goede dingen te zien. Toch denk ik dat de Bibliotheek op school begint te werken.'

De auteur van Per Ongelukt!, het kinderboekenweekgeschenk van dit jaar, was niet alleen afhankelijk van wat hij via school kon lezen. Thuis, in het dorp De Meije, hadden Van der Geest en zijn broertje boeken. En hij is altijd lid geweest van de bibliotheek. Korte tijd in zijn geboorteplaats Gouda: 'een magische plek, dat oude, monumentale, heel smalle pandje, dat ik me herinnerde als een enorm gebouw.' En vanaf zijn zesde in Bodegraven, dat op zo'n zes kilometer fietsen lag.
'Het was daarom een behoorlijk offer om erheen te gaan', herinnert hij zich. 'Soms was er wel een buurvrouw die zei: 'Ik ga naar de bieb, wie rijdt er mee?' We moesten ook zeggen dat we uit De Meije kwamen, dan kreeg je een zes weken-stempel. Maar hoe vaak kwam ik er? Dat herinner ik me niet meer. Ik was geen lezer die alles las wat los en vast zat, al staat me wel bij dat ik de bibliobus binnen de kortste keren uit had. Later gebruikte ik de bieb ook om af te spreken. Het was een fijne plek.'
Hij haalde uit de bibliotheek strips, die hij destijds veel las, of informatieboeken voor werkstukken. En een aantal auteurs waar hij wel bijna alles van las. 'Dan ontdekte ik een auteur, omdat ik daar een boek voor mijn verjaardag van had gekregen of omdat iemand me iets voorlas. Dat kon ik zó goed vinden, dan wilde ik méér. Dat kon dankzij de bibliotheek. Roald Dahl, Paul Biegel, veel Joke van Leeuwen. Auteurs als Thea Beckmann las ik juist niet omdat iedereen die al las.'

Van der Geest is niet zijn hele leven lid van de openbare bibliotheek geweest. Tijdens zijn omzwervingen door Nederland schreef hij zich niet na elke verhuizing opnieuw in. Maar vaak had hij een goede reden om het wél te doen. 'Ook in Noorwegen, waar ik een tijdje heb gewoond. Daar leende ik kinderboeken om Noors te lezen. Die zijn heel geschikt om een nieuwe taal te leren. Kleine beer en kleine tijger [van de overigens Duitse Janosch, md] vond ik in die tijd heel tof.'
Tegenwoordig woont hij in Haarlem, waar hij ook regelmatig naar de bibliotheek gaat. 'Dat is wel altijd werkgerelateerd, al is de grens tussen lezen voor werk en lezen voor plezier vaag.  Soms haal ik boeken van een collega van wie ik denk: daar moet ik eens wat van lezen. En soms boeken voor research. Ik ben maak nu een bewerking van Pudding Tarzan van Ole Lund Kirkegaard, dan leen ik daar bijvoorbeeld de verfilming van. Nu ze ook goede koffie schenken ga ik er af en toe ook werken.'

Dat er bibliotheken bestaan vindt Van der Geest 'essentieel'. Vooral voor kinderen. 'Ik moet gelijk denken aan Stephen Krashen [de Amerikaanse emeritus hoogleraar educatie die, net als Van der Geest zelf, sprak op het 25-jarig jubileumcongres van Stichting Lezen, md]. Hij toonde met allerlei statistieken aan hoe belangrijk het is om voor je plezier te lezen, met alle voordelen die het oplevert als je daardoor geletterdheid wordt. Dat plezier begint bij de bibliotheek.'
Hij merkt het alleen al aan zijn eigen kinderen van inmiddels drie en zes jaar oud. 'Wij lezen heel veel voor. Het is leuk om hen veel verschillende boeken aan te bieden. Om hen te laten proeven van wat er is en dan op hun voorkeuren in te kunnen spelen. Dan is een bibliotheek echt handig. We hebben ze gelijk lid gemaakt – met Boekstart, ook een hartstikke goed programma – en gaan regelmatig met hen naar de bibliotheek. Dat is echt een uitje voor ze.'
Dat desondanks overal filialen sluiten, noemt hij 'echt heel erg'. 'Ik weet nog dat ik een jaar of vier geleden in Den Haag was en ze me vertelden dat er acht filialen gesloten gingen worden. Acht! Verbijsterend. Straks staat er alleen in het gemeentehuis nog een kast boeken. Juist in de prachtwijken, waar veel sociale problemen zijn, moet de drempel van een bibliotheek zo laag mogelijk zijn. Gelukkig zijn er wel initiatieven als de Voorleesexpress. Dat is heel tof.'
Aan de andere kant: 'Ik hoor dat de nieuwe bibliotheek in Gouda het heel goed doet.' Inderdaad kreeg De Chocoladefabriek na een jaar 30 % meer bezoekers dan de vier voormalige vestigingen bij elkaar. Het aantal uitleningen steeg 25 %. 'Blijkbaar zijn er dus manieren om bezuinigingen te combineren met mogelijkheden om te vernieuwen. Doordat Gouda, voor zover ik begrijp, met een slim concept andere vormen vindt waardoor het meer wordt dan een gebouw alleen.'

Van der Geest hoort verhalen over schoolbibliotheken, bezuinigingen en nieuwe concepten meestal tijdens optredens. Hij doet het regelmatig – twee tot vier keer per maand en in de Kinderboekenweek dagelijks – en hij doet het graag. 'Het is een van de leukste dingen van het schrijver zijn. In contact komen met kinderen en de lol van het lezen te bezingen. Ik vertel vaak over het ontstaan van mijn boeken en probeer het dan over creativiteit: Wat is dat? Hoe kom je eraan?'
Niet zelden staat het meest recente boek centraal. Momenteel is dat Spijkerzwijgen, dat dit voorjaar verscheen: een verhaal over onverbrekelijke banden, gegoten in een spannend avontuur, dat speelt in de polders van zijn vaders jeugd. 'Ik vertel de verhalen van mijn vader die ik heb gebruikt voor het boek: de schijtbalk, of de keer dat een zwaan hem in de sloot sloeg. En vraag dan: wie heeft een opa die wel eens iets vertelt? En dan komt het los, hartstikke tof.'
Het liefst treedt hij daarom op in bibliotheken of scholen, waarbij vaak een bibliotheek betrokken is. Hij wil, in een rustige ruimte, voor een groep staan. 'Het is toch een soort van theater wat ik dan doe. In de boekhandel zit je vaak alleen te signeren. En de bibliotheek organiseert het altijd goed. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat er een kistje met mijn boeken rondgaat zodat de klas iets van mij kan lezen en zich echt kan voorbereiden op mijn komst.'
Tijdens de komende Kinderboekenweek heeft hij er dan ook bij de CPNB op aangedrongen dat hij veel klassenbezoeken kan doen. Op school of in de bibliotheek.
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad.nl)

Zie ook:

vrijdag 2 oktober 2015

Elvis Peeters, 'Jacht'

Intrigerende roman, de nieuwe van Elvis Peeters: Jacht. Uitgangspunt is een wereld waarin dieren intelligenter zijn dan in werkelijkheid. Paarden kunnen zelfstandig een kar trekken. Honden kunnen worden ingezet als ordetroepen. Vossen zijn niet zo weerloos als ze in de grote stad verzeild raken. Wat gebeurt er dan?
Het knappe is dat Peeters geen pamflettistische roman schreef met een opzichtige moraal, maar enkele met elkaar verbonden verhaallijnen verzon die ieder voor zich weinig plot kennen. Hij stelt de lezer zo in staat om zich te concentreren op de hoofdvraag van de roman: het onderzoek, zoals het op de achterflap wordt uitgelegd, naar de grens tussen beschaving en instinct eigenlijk is. Zijn mensen wel zo beschaafd of handelen zij misschien instinctiever dan de intelligent geworden dieren?
Mij viel vooral het verschil aan solidariteit tussen mens en dier op – en het onderspit dat de mens daardoor zal delven in de strijd tussen mens en dier, die onvermijdelijk zal losbarsten als de hiërarchie verdwijnt (ook dát laat Jacht zien).
De wereld van de mensen staat bol van conflict. De jaloezie van de vrijgezel op wie wél een partner en kinderen heeft. De naijver van een oude weduwe jegens jongere, vitale eenzaat die het wel in haar eentje redt in de wereld. Arbeidsconflicten. En juist daardoor kan het zich niet teweer stellen tegen de vossen die, door hun eigen behoeften aan eten en voortplanting, onze leefwijze dreigen te verwoesten.
De dieren kennen veel meer solidariteit. Niet jegens elkaar, maar wél jegens hun eigen soortgenoten. De paarden zoeken steun bij elkaar. De honden respecteren hun onderlinge hiërarchie. De vossen opereren als groep. Dat geeft hun veel kracht en zelfvertrouwen.
Zit daar een les van Elvis Peeters aan zijn lezers?

Zie ook deze gesprekken met Elvis Peeters:

woensdag 30 september 2015

Kinderboekenschrijver Marc de Bel publiceert 150e boek (Boekblad)

Marc de Bel presenteerde gisteren zijn 150e boek: de young adult-roman Mette. In Vlaanderen is hij ondanks dalende verkoopcijfers de beroemdste kinder- en jeugdboekenauteur, in Nederland is hij nagenoeg onbekend gebleven.

De Bel vierde de publicatie van zijn jubileumuitgave bescheiden. Hij presenteerde Mette tijdens het Eilandfestival in het Red Star Line Museum – een museum gewijd aan de emigratie naar Amerika, wat een belangrijk element is in zijn jongste boek. Bezoekers konden van tevoren vragen indienen en er was een enorme taart. Komend weekend is er een groter feest als De Bel het boek presenteert in zijn geboortedorp Kruishoutem. Dat is zijn 1500e optreden als schrijver.
De voormalig onderwijzer had nog geen dertig jaar nodig om de 150 te halen. De Bel debuteerde in 1987 bij Infodok met Lollig zijn alle mensen, datzelfde jaar nog gevolgd door Het ei van oom Trotter. Dit meermaals herdrukte jeugdboek haalde dit voorjaar de tiende plaats bij een door De Morgen georganiseerde verkiezing van het beste jeugdboek allertijden. Het was daarmee het beste boek geschreven door een Vlaming. Ook De katten van Kruisem (1995), Blinker en de bakfietsbioscoop (1999) en De zusjes Kriegel (1992) haalden de top-35.
In de jaren 1990 bereikte de populariteit van De Bel op een hoogtepunt. Hij werd, tot 1999, bijna jaarlijks uitverkoren door de Kinder- en Jeugdjury, de Vlaamse pendant van de Nederlandse kinderjury. Hij kreeg in 2001 een eigen imprint bij zijn toenmalige uitgeverij Clavis: Tingel, dat tot 2007 heeft bestaan toen De Bel overstapte naar Manteau. Typerend is ook dat zijn meest geliefde boeken, getuige de verkiezing van De Morgen, allemaal vóór 2000 zijn gepubliceerd.
André van Halewyck – sinds vorig jaar de uitgever van De Bel – erkent dat er 'een stuk verval' is. 'Dat lijkt me niet abnormaal. Deels komt het ook omdat de markt is veranderd en omdat er andere auteurs, zoals Geronimo Stilton, zijn gekomen die hap uit zijn publiek hebben genomen. Maar hij heeft nog altijd veel lezers. Wij merken nu ook dat veel ouders en grootouders – De Bel-lezers van destijds – hem nu doorgeven aan de volgende generatie.'
Daarbij doet uitgeverij Van Halewyck een poging om De Bel opnieuw in Vlaanderen onder de aandacht te brengen. Zo was er vorig jaar rond de zestigste verjaardag van de auteur een actie samen met een dagblad, die in 2016 tijdens de jeugdboekenweek wordt herhaald. Nederland heeft Van Halewyck echter opgegeven. 'Hij knipoogt met de taal op een manier die Vlamingen meteen begrijpen, maar jullie niet. Zijn woordspelingen zijn doordrongen van de Vlaamse klei.' 
Mette vertelt het verhaal van een boerendochter die vlak na de Eerste Wereldoorlog moet kiezen tussen emigreren naar Amerika met haar familie en bij haar geliefde blijven in het verarmde Vlaanderen. De eerste druk bedraagt 5.000 exemplaren van laten drukken. Van Halewyck: 'We hebben er high hopes van. Mette is min of meer een vervolg op Ule, dat nog bij Manteau is veschenen. Daar zijn er zo'n zeven- à achtduizend van verkocht. En is het natuurlijk een mooi boek.'
Met dit nieuwe boek zijn uiteraard geen 150 titels van De Bel leverbaar. Eerder een derde daarvan. Van Halewyck heeft 17 titels in druk nadat hij eerder dit jaar de voorraad van ouder werk van Manteau heeft opgekocht. Deze boeken zijn hoofdzakelijk gericht op oudere jeugd. De Bels boekjes voor beginnende en jonge lezers verschijnen al langer bij Abimo, een dochter van uitgeverij Pelckmans. De site van deze uitgeverij meldt 31 titels, waaronder de reeksen De Kriegeltjes en Spik en Spek.
En De Bel? Hij schrijft voort. Op zijn site kondigt hij alweer drie titels aan voor 2016.

Zie ook:

dinsdag 29 september 2015

Interview: Frank Martinus Arion over 'Dubbelspel' als eerste actieboek Nederland Leest (Bibliotheekblad, 2006)

Vervelend om een heel najaar te moeten praten over een boek dat hij meer dan dertig jaar geleden heeft geschreven? Integendeel. Frank Martinus Arion is zeer trots dat voor de eerste editie van ‘Nederland Leest’ is gekozen voor zijn debuutroman Dubbelspel. ‘Ik heb twee weken gedaan over het schrijven.’

Frank Martinus Arion: ‘Dubbelspel zit vol experimenten’

Ondanks het vroege uur warmt de zon de tuin van Frank Martinus Arion in een buitenwijk van Willemstad flink op. ‘Tim Krabbé heeft mij bezocht, hier op Curaçao’, vertelt de schrijver van Dubbelspel. ‘Tien jaar geleden alweer, schat ik. Als dank schreef hij in een tijdschrift een hele pagina dat ik de Nobelprijs zou moeten krijgen. Dat is er nog niet van gekomen. Maar voor mij is ‘Nederland Leest’ alsof ik de Nobelprijs heb gewonnen. Klaar.’
Arion moet, zoals zo vaak tijdens het interview, luid en hartelijk lachen. ‘Het actieboek van ‘Nederland Leest’ is mooier dan het Boekenweekgeschenk mogen schrijven’, vervolgt hij zijn lof op de actie. ‘Ik probeer het mezelf als schrijver altijd moeilijk te maken. Ik ben bang dat als ik iets in opdracht schrijf, ik er misschien in blijf. Dat ik midden in een opdracht blijf steken.’
Dat juist de openbare bibliotheek de actie voert, vindt hij mooi. ‘Een ongelooflijk belangrijke instelling’, zegt hij. Maar Arion is niet zonder kritiek: ‘Eigenlijk zou de band tussen bibliotheek en schrijver groter moeten zijn. De bibliotheek betaalt tegenwoordig leengeld, maar weinig. Als de bibliotheek het lezen wil promoten, moet deze ook de voorwaarden voor schrijvers verbeteren. Misschien kan deze campagne een stap in de goede richting zijn.’
Juist vanwege het belang van het lezen doet Arion van harte mee aan ‘Nederland Leest’. Tijdens de actieperiode treedt vier weken lang in tenminste één bibliotheek per dag op. ‘Natuurlijk doe ik dat. Als schrijver moet je mee doen met alles wat het lezen ten goede komt. Ik ben consequent. En ik heb geen nukken zoals sommige van mijn collega’s.’

Meer dan dertig jaar geleden verscheen Dubbelspel. Bent u nog altijd met uw debuutroman bezig?
‘O, ja. Recensenten hebben me het boek altijd voorgehouden. Bij ieder nieuw boek wisten ze al na een paar bladzijden: dit is geen Dubbelspel. Logisch, het was ook een ander boek. Als de CPNB nog enige twijfel had of ze mijn boek voor deze campagne moesten kiezen, hebben de recensenten dat weggenomen toen in februari mijn laatste roman De deserteurs verscheen. Ze hebben in hun stukken alleen maar Dubbelspel opgehemeld. De recensenten hebben ervoor gezorgd dat de CPNB geen enkele kritiek heeft gekregen vanwege de keus voor mijn boek.’

Toch was indertijd de lof weliswaar groot, maar niet unaniem.
‘Iemand schreef zelfs dat Dubbelspel te pretentieus was. Hoe kan dat? Een boek is geslaagd of niet – meer niet. Na de eerste kritieken heb ik acht à tien recensenten uitgenodigd in Rotterdam om te praten over de verschillende oordelen. Ik vond dat vreemd.’

Heeft u misschien een hekel gekregen aan Dubbelspel omdat iedereen altijd zegt dat uw debuut uw beste boek is?
‘Ik ben te wijs om zo te reageren. Ik kan er ook weinig aan doen. Maar het heeft me wel aangezet om steeds de confrontatie aan te gaan. Ik wilde mezelf niet herhalen. Ik heb nooit gedacht: laat ik weer een boek als Dubbelspel schrijven. Laat ik hetzelfde boek schrijven, maar dan over bridge. Ik heb niet eens dezelfde ingrediënten gebruikt...’

In De deserteurs zijn de hoofdpersonen opnieuw vier vrienden.
‘Ja, ik heb dat als uitgangspunt genomen. Veel romans zijn eenzijdig omdat het karakter en de nationaliteit van slechts één personage het sterkst is geladen. Dat wilde ik niet, maar één hoofdpersoon. Zo worden aan de roman meer eisen gesteld waar ik altijd tegen heb gevochten. Neem het einde. In literaire werken moet het einde tragisch zijn. De liefde moet verlopen, de hoofdpersoon mag niet met haar in het huwelijk treden. Ik ben er trots op dat ik me daartegen heb verzet. Of mijn boeken nu gelukt zijn of niet, ik ben niet met succes blijven zitten.’

Het succes van Dubbelspel heeft u dus niet verlamd.
‘Nee, nee. Het is net als voetballen. Als je wilt scoren, moet je iedere keer weer de verdediging voorbij. Het doel blijft hetzelfde. Maar dan. Je kunt als in Europa iedere keer van ver een voorzet geven, een kopbal geven en zo proberen te scoren. Maar je kunt ook als de Brazilianen tik tak door het centrum gaan, leuke dingen proberen, laag over de grond spelen en al wordt je geen wereldkampioen daar tóch mee door gaan. Dat is voor mij als schrijver altijd de challenge geweest.’

Heeft u Dubbelspel ooit herlezen?
‘Heel weinig. Daarom ben ik blij met deze actie. Ik heb het sinds de uitverkiezing nog niet helemaal achter elkaar gelezen. Wel fragmenten. De eerste jaren wist ik woordelijk waar wat stond, ik had het gevoel dat ik het als symfonie uit mijn hoofd kende. Nu moet ik er weer in komen. Maar dat is leuk. Het is alsof ik een nieuw boek ontdek.’

O ja? Denkt u nu anders over uw debuutroman?
‘Het is gek om te bedenken dat ik zo jong al zoiets heb geschreven. Misschien heeft het ermee te maken dat de mens vroeger op zijn dertigste dood ging, dat hij daarom al op zijn vijfentwintigste rijp is. Dubbelspel zit vol experimenten. Pagina na pagina, zonder dat iemand het door heeft.’

Te beginnen op pagina 1?
‘Ja. Ik ben uitgegaan van het dominospel en spreek voorin van een verhaal over een verbazingwekkend wereldrecord. Dat is een grap – met het risico dat mensen zeggen: flauwekul. Het begint met de bedachte citaten over domino – alsof tsaar Nicolaas domino speelt! –, om een idee te geven van de ernst van het spel, als van schaken. De inleiding is een toeristenverhaal. Visit Curaçao. En dan volgt de voorspelling van doom. Het boek zit in het begin vol met cowboy-dingen. En ik neem de tijd om mijn verhaal rustig op te bouwen.’

Ook dat is experimenteel?
‘De enige en beste tip die ik indertijd kreeg, was van Miep Diekmann. Zij vond de inleiding over Manchi goed, maar miste actie om de passage met zijn gedachten vaart te geven. Ik ging zelf veel met planten om, en bedacht toen dát: planten water geven als actie. Tegelijk zijn de planten die hij heeft symbool voor de kleine middenklasse waar Manchi vandaan komt. Ook dát is experimenteel schrijven: moeilijke passages proberen te schrijven.’

Ik kan me voorstellen dat Dubbelspel vol moeilijke passages zit. Het boek heeft zes hoofdpersonen die onderling ingewikkelde relaties onderhouden.
‘Precies. Ook moest ik laten zien dat het spel gevaarlijk is. Dat het spelen prettig behoort te zijn, maar tussen deze vier spelers al lang niet meer het geval is. De relatie tussen het spel en de politiek, door de gesprekken die ze voeren over vrouwen en politiek. Dat maakt het moeilijk. Of dat Manchi aan het eind zelfmoord pleegt. Ik ben tegen zelfmoord, maar in de versie waarin de politie hem neerschiet, vond ik onecht. Dan moet ik durven op te schrijven wat de personages zouden doen.’

Het klinkt alsof u heel lang over het schrijven heeft gedaan.
‘Ik heb er twee weken over gedaan. Toen moest ik het nog wel editen, hoor.’

Zat het verhaal dan al helemaal in uw hoofd toen u begon met schrijven?
‘De roman was eerst een kort verhaal. Ik schreef dat in... 1963, denk ik. Ik was toen al lang in Nederland en kreeg heimwee naar domino en combineerde dat gegeven met een grap over vrouwen. Mijn vrienden aan wie ik het voorlas, vonden het grappig. Maar de personages waren karikaturaal, ik kende ze niet echt. Pas toen ik twee jaar later terugkeerde naar de Antillen en ik de mensen van dichtbij leerde kennen, kon ik het uitwerken tot een coherent boek. Al die jaren daarna heb ik nagedacht over wat mijn personages doen en hoe ik dat moest opschrijven.’

Daar maakte u aantekeningen van?
‘Nee, nee. Je kunt niet van tevoren plotten wat personages doen. Je moet de gebeurtenissen volgen. Het enige wat ik op schrift heb uitgewerkt, zijn de potjes domino die ze spelen. Dat moest kloppen: hoe de stenen op elkaar aansluiten.’

Toch zat bijna tien jaar tussen het eerste verhaal en publicatie van Dubbelspel.
‘Dat komt omdat ik de taal moest leren. Echt leren. Ik had op school opstellen gemaakt in het Nederlands. Daar kreeg ik altijd een 9 of een 10 voor. Dat gaf me het gevoel dat ik in het Nederlands mij op papier kon uitdrukken. Anders dan het Papiaments, dat toen niet op school werd onderwezen. Maar ik heb wel Nederlands geleerd als vreemde taal. Thuis spraken we het niet. Voor je dan een roman in het Nederlands kunt schrijven... Met het exacte verschil tussen ‘we’ en ‘wij’ heb ik bijvoorbeeld jaren geworsteld.’

In het slot van Dubbelspel roept u in feite op tot de vorming van een socialistisch-coöperatieve samenleving. Daar is weinig van terecht gekomen. Had u werkelijk hoop dat uw politiek ideaal mogelijk was?
‘Nee, niet echt. Het zijn vooral de ideeën van het personage Janchi. Ik heb de populariteit van meubels van wabi-hout in die tijd gebruikt om zijn idealisme vorm te geven. Ik ben het wel met hem eens, maar geloofde zelf niet dat iemand in het echt een meubelfabriek zou opzetten.’

Eerder verschenen in Bibliotheekblad 22, 2006. Bij wijze van in memoriam voor Frank Martinus Arion - het interview en de ontmoeting met hem was een van de bijzonderste uit mijn carrière.

Zie ook:
- Remco Campert over 'Het leven is vurrukkulluk' (Nederland Leest-actieboek 2011)

zondag 27 september 2015

Routard maakt speciale gids voor vluchtelingen – en andere initiatieven uit het boekenvak (Boekblad)

De Franse reisboekenuitgever Routard heeft een gids gemaakt voor vluchtelingen. Ook elders in de wereld neemt het boekenvak initiatieven. In Nederland is een groeiende belangstellingen voor romans over dit thema.

De uitgever van de Franse backpackers-gidsen Guide du Routard heeft een gids van 85 bladzijden gemaakt dat uitsluitend bestaat uit plaatjes, zodat vluchtelingen met iedereen die hen helpt kan communiceren over thema's als voedsel, onderdak, gezondheid, religie en recreatie. Achterin is ruimte vrijgehouden om aantekeningen te maken. De gids is hier online te bekijken – en dus zo nodig af te drukken voor iedereen die hem ook zou willen gebruiken. 
Initiatiefnemer is Philippe Gloaguen, die Routard in 1973 oprichtte en ook na overname door Hachette Livre twee jaar later de uitgeverij tot op heden leidt. Hij wil hiermee protesteren tegen de inactiviteit van de Franse regering die in zijn ogen te weinig doet voor de 24.000 vluchtelingen die het heeft toegezegd de komende twee jaar op te vangen. 'Ik dacht eraan om zelf een familie thuis op te vangen, maar omdat ik in de uitgeverij werk, bedacht ik me dat ik iets veel beters kon doen', zei hij tegen de krant Le JDD.
Routard heeft 4000 exemplaren van het boek laten drukken, die de Fédération nationale des associations d'accueil et de réinsertion sociale (FNARS) deze week verspreidt via de organisaties die direct bij de opvang van vluchtelingen zijn betrokken.

In Duitsland halen boekhandels op initiatief van de overkoepelende brancheorganisatie Börsenverein geld op om dat te besteden aan bibliotheken voor jonge vluchtelingen. Onder de noemer Bücher sagen Willkomen is deze week de eerste 'leer- en leeshoek' geopend – in de bibliotheek van het leercentrum van de Vereins Arbeits- und Erziehungshilfe in Frankfurt, dat al negentig jaar vluchtelingen ondersteunt. Kosten: 2.000 euro.
Daarnaast hebben de uitgeverijen Langenscheidt en Reise Know-how hun taalboeken en -luisterboeken gratis beschikbaar gemaakt voor iedereen die met vluchtelingen werkt. Langenscheidt plant ook de uitgave van een enigszins vergelijkbaar boek als Routard: een plaatjes-woordenboek.

Ook in Engeland is het boekenvak op tal van manieren actief voor vluchtelingen. Nadat een Britse onderwijzeres in het vluchtelingenkamp in Calais deze zomer een bibliotheek is gestart, hebben verschillende boekhandels boeken gedoneerd of geld ingezameld voor de bibliotheek. The Big Green Bookshop in Londen heeft bijvoorbeeld 2500 pond opgehaald met de verkoop van tweedehandsboeken. De uitgeverijen Verso en And Other Stories hebben boeken gestuurd.
De omvangrijkste actie van het Britse boekenvak is geïnitieerd door de schrijver Patrick Ness. Hij had begin deze maand uit pure frustratie via de site Virginmoneygiving.com een fundraiser opgezet ten behoeve van Save the Children. Hij hoopte 20.000 pond op te halen, inclusief een eigen bijdrage van de helft van dat bedrag, maar door massale toezeggingen van voornamelijk collega-schrijvers, maar ook steeds meer uitgeverijen en  agentschappen nadert de teller inmiddels de 700.000 pond.

In Nederland uit de aandacht zich vooral in grotere belangstelling voor relevante boeken. Nadat Tommy Wieringa afgelopen woensdag vertelde over zijn eigen Dit zijn de namen, maar vooral over De ontelbaren van Elvis Peeters. Eerder had hij ook in zijn column voor een groot aantal regionale dagbladen aandacht aan deze roman besteed. Dat heeft de verkoop van beide boeken doen stijgen. Het eerste boek stond bijvoorbeeld op 3 in de top 10 van bestverkochte boeken via Boekwinkeltjes.nl vorige week.
'Wij merkten meteen veel belangstelling voor De ontelbaren', zegt Susanne ter Smitten van Peeters' uitgeverij Podium. 'We hadden de aandacht van Wieringa in DWDD in een mailing aan de boekhandel en via de site en sociale media laten weten. Sommige winkels bestelden er toen een, andere hele stapeltjes. Binnen een paar dagen zaten we op 300 nabestellingen. We hadden nog genoeg voorraad van de derde druk, maar als het zo doorgaat moeten we binnenkort herdrukken.'
(Eerder een korte versie van dit bericht gepubliceerd op Boekblad.nl, 22 sep)

Zie ook: