donderdag 14 januari 2016

Interview Erik Vlaminck: Zelfs literatuur kon zijn outsider niet redden (Knack)

Waartoe is een man in staat naar wie nooit iemand omkijkt? Dat is het uitgangspunt van De zwarte brug van Erik Vlaminck, waarmee de schrijver de overstap heeft gemaakt naar een Vlaamse uitgeverij.

Bart De Wever moet dood. Leo Lenaerts, hoofdpersoon van Erik Vlamincks nieuwe roman, besluit uitgerekend op 11 juli de burgemeester van Antwerpen op te wachten bij zijn woning aan de Herentalse Baan in Deurne. Naast de oprit van zijn huis neemt Lenaerts plaats op een meegebrachte keukenstoel. Zijn geweer ligt in een plastic tas op een muurtje. Haalt hij straks de trekker over?
Zijn hele leven lang heeft de inmiddels 70-jarige Lenaerts zich klein gehouden en zich achtergesteld gevoeld, zo blijkt uit het portret van hem dat het ontroerende De zwarte brug in essentie wil schetsen. In het gezin waar hij de jongste is en de ouderen allemaal hun eigen leven lijken te leiden. In zijn geboortedorp Lillo dat van de kaart wordt geveegd om de haven uit te breiden. Als verpleger in een psychiatrisch ziekenhuis en later als bibliothecaris, waar hij slechts een radertje is. En in zijn omgang met anderen, met wie hij nooit contact kan leggen. Alleen door het schrijven van ingezonden brieven aan kranten kan hij zich uiten. Het wordt tijd een echte daad te stellen.
'Niet had ik heel lang heb geworsteld, maar tijdens het schrijven heb ik me wel de vraag gesteld of ik dit slot met De Wever moest schrijven', zegt Vlaminck in het Antwerpse café ViaVia. 'Ik had schrik dat mensen zouden denken: hij steekt dat erin om zijn boek interessant te maken. Terwijl het voor mij logisch was dat het personage dit zou doen. Was de burgemeester van een andere politieke gezindte, dan kreeg hij het evengoed aan de stok met Leo Lenaerts.'
De Wever is niet meer dan een 'toevallig decorstuk', vindt de schrijver. Lenaerts woont al geruime tijd in Deurne. Hij bezocht lang voor de burgemeester er kwam wonen iedere ochtend al café 't Mestputteke op de Herentalse Baan. 'En De Wever is de man die het voor het zeggen heeft. Leo is het type dat redeneert: wie op zo'n positie beland moet wel een bedrieger zijn, ongeacht wie het is.'
Hoewel Vlaminck bepaald niet bekend staat als Vlaams-nationalist, is het optreden van de N-VA-voorman in zijn roman dan ook niet politiek te duiden. 'Ik heb natuurlijk politieke overtuigingen, maar die zal je in mijn boeken nooit terugvinden. Ik kruip in de huid van mijn personages. Ik probeer zo een spiegel van de maatschappij te zijn. En ik ben gelukkig nog altijd het soort schrijver die schrijft omdat hij het gevoel heeft dat hij moet. Daarom moet Leo doen wat hij doet.'
Lezers van De zwarte brug moeten wel aan het denken worden gezet – over De Wevers politieke koers of welke vraag de roman dan ook oproept. 'Dat is per definitie het doel wanneer je literatuur schrijft. Je wil dat een lezer nadenkt bij wat je schrijft. Anders ben je lectuur aan het maken. Dat wil ik niet. Maar wat de conclusie is van dat nadenken, daar wil ik de schoonmoeder niet van zijn. Het zou zelfs pretentieus zijn te hopen dat alle lezers één bepaalde conclusie trekken.'

Wat voor iemand is Leo Lenaerts?
'Een eenzaat, om te beginnen. Onmachtig om de evoluties in de samenleving te volgen. Hij is er ook bang voor. In zijn lezersbrieven naar kranten zal hij nooit over Marokkanen schrijven, omdat hij daar schrik van heeft. Hij is ontworteld. Letterlijk: zijn dorp is weg. Bovendien gaat hij twijfelen aan wie zijn vader en wie zijn moeder eigenlijk zijn. Dan speelt hij de bodem onder zijn bestaan helemaal kwijt.'

En waarom vindt zo iemand geen steun bij een populistisch politicus, zoals iedereen in café 't Mestputteke?
'Omdat hij er nooit in is geslaagd mee te gaan in wat dan ook. Dus nu ook niet.'

Waarom heeft hij de drang om te vernietigen?
'Uit onmacht om mee te draaien in de maatschappij. Ik denk dat er veel mensen met zo'n drang rondlopen. Ik denk dat het ook geldt voor een deel van de IS-gasten. Hier opgegroeid, naar Syrië gereisd en teruggekeerd om terrorist te zijn. Dat zijn evengoed ontwortelde mensen.'

Maar Leo Lenaerts is een lezer. Hij werkt als bibliothecaris en verzamelt bijzondere boeken. Meestal lees je dat literatuur een personage redt.
'Ik ken ook mensen die juist aan de literatuur ten onder zijn gegaan. Ik heb zeker twee mensen gekend die een eind aan hun leven hebben gemaakt nadat ze jaren met zelfmoordliteratuur bezig waren. Dat bestaat ook.'

Maar toch: juist over outsiders lees je dat ze dankzij literatuur beseffen dat er meer mensen zoals zij zijn. Waarom Leo niet?
'Daar heb ik geen antwoord op. Ik denk wel dat de literatuur hem af en toe overeind heeft gehouden. Tot het op een bepaald moment niet meer werkte. Toen moesten de boeken weg. Bovendien ontdekt hij de literatuur niet via het werk zelf, maar via een persoon: de schrijver Roger Van de Velde, die opgesloten zit in de instelling waar Leo in de jaren zestig werkt. Van de Velde is een gedroomde challenger voor Leo: ook een outcast, maar een die zich wél kan verweren.'

In het nawoord van De zwarte brug suggereer je dat je iemand in dat café hebt ontmoet op wie je Leo Lenaerts is gebaseerd. Is dat waar?
'Mijn vrouw heeft me weleens op zondagochtend bij de pistoletten gezegd dat het haar verwondert dat iemand met zo weinig fantasie boeken kan schrijven. Laat ik zeggen: het idee voor dit boek ontstond toen ik in 't Mestputteke effectief werd aangesproken door een rare man, die ik daar al tientallen keren had gezien maar die nooit wat zei en die opeens een heel pak van mijn boeken op tafel legde met de vraag of ik die kon signeren. Daarom heb ik ook een bibliothecaris van hem gemaakt.'

Je wist meteen: die man wil ik portretteren?
'Leo Lenaerts is iemand die aan de rand leeft. Outsiders hebben mij altijd geboeid. Ik realiseer me vaak dat ik een gelukt mens ben. Ik heb kansen gekregen. Ik heb niet al te veel jeugdtrauma's. Ik kan doen wat ik graag doe, krijg daar nog erkenning voor ook en kan er mijn kost mee verdienen. Maar ik zie veel mensen om mij heen die minder geluk hebben gehad. Waarom? Daar de vinger opleggen vind ik een boeiende zoektocht. Ik denk ook dat veel mensen het interessant vinden daarover te lezen.'

Maar waarom wek je de suggestie dat hij echt heeft bestaan? Om het verhaal nog echter te maken?
'Ja. Ik wil de lezer meenemen. Door zo veel mogelijk de realiteit te beschrijven kun je dat doen. Ik baseer mij altijd op oneindig veel research. Ik zoek ieder detail op om het verhaal zo echt mogelijk te laten zijn. Om dezelfde reden schrijf ik een boek als De zwarte brug in de tegenwoordige tijd en presenteer ik gesprekken met personages als interviews of schrijf ik schijnbaar echt gepubliceerde brieven van Leo Lenaerts. Allemaal soortgelijke claims op realiteit.'

In De zwarte brug duiken personages op uit eerder werk. Zoals de kermisexploitant Modest Vereycken. Waarom doe je dat?
'Ik vind het mooi dat al mijn boeken één groot universum is waarin alles aan elkaar hangt. Dus toen Modest opdook dacht ik meteen: die hou ik erin.'

Modest dook op? Een schrijver bepaalt toch zelf welke personages hij opvoert.
'Toch ging het zo. Ik schrijf, zoals in al mijn boeken, over de streek rond Antwerpen in de jaren vijftig. Dan duiken vanzelf dingen op als de jaarlijkse kermis. Wie loopt Leo daar tegen het lijf? Het is alleen aan mij om te besluiten wat ik met zo'n bekend personage uit mijn oeuvre doe. Omdat Modest net als Roger Van de Velde een ideale challenger voor Leo is – outcast van geboorte, terwijl hij er geen last van heeft – heb ik hem erin gelaten. Het is alleen zaak dat ieder boek wel op zichzelf staat. Het moet een leuk spelletje zijn voor lezers die mijn werk kennen. Meer niet. Of voor literair journalisten, waarvan er steeds minder zijn. Het komt niet zo vaak meer voor dat ik met een journalist praat die meer dan alleen mijn laatste boek heeft gelezen.'

Voor dit boek ben je na 25 jaar overgestapt naar een Vlaamse uitgeverij: Vrijdag. Waarom?
'Wereldbibliotheek is overgenomen [door Nieuw Amsterdam]. Ik zit graag bij een klein huis dat toch renommee heeft. Een uitgeverij waar ik te maken heb met de directeur én het meisje dat de telefoon opneemt. De uitgever en de redacteur van Wereldbibliotheek zijn wel dezelfde gebleven, maar de promotie en de aanbieding is in de grote molen verdwenen. Daarom ging ik naar Vrijdag. Op voorstel van Rudy [Vanschoonbeek van Vrijdag] is Wereldbibliotheek nu wel de co-uitgever voor Nederland geworden.'

De overstap heeft niets met Nederland-Vlaanderen te maken?
'Niet in de eerste plaats. Ik geloof wel dat je als schrijver tegenwoordig het sterkst staat wanneer je boek wordt gecoproduceerd door een Vlaamse en een Nederlandse uitgeverij. De barrière tussen Vlaanderen en Nederland wordt alsmaar groter. Je moet aan beide kanten van de grens een huis hebben dat zijn beste best voor je doet.'

Waarom wordt de barrière groter?
'Dat begint al bij het schrijven. Ik heb het gevoel dat we hier de Nederlandse standaardtaal aan het verliezen zijn. Er ontstaan meer en meer twee talen. Ik voel dat het sterkst bij de geslachten van zelfstandig naamwoorden. In Nederland wordt alles 'hij'. Een woord als 'kast' is vrouwelijk. Zo stond het in de jaren tachtig ook in de Van Dale. In de jaren negentig werd dat 'mannelijk en vrouwelijk'. En in de Van Dale van de jaren nul stond bij 'kast': dat is een de-woord en dus mannelijk. Maar dat is het woord naar mijn taalgevoel niet. Kast is in Vlaanderen nog steeds vrouwelijk.'

Moet je daarom bij een Vlaamse uitgeverij zijn?
'Toen ik in 2007 in de jury van de Librisprijs zat waren er maar twee schrijvers die een andere taal dan de standaardtaal gebruiken: Ilja Leonard Pfeijffer en Maarten 't Hart. Ik vind dat gek. Mensen spreken geen standaardtaal. Toch verplichten Nederlandse redacteuren schrijvers hun taal in die mal te gieten. In Vlaanderen is daar meer begrip voor, omdat Vlaamse auteurs vaker geneigd zijn het pad te verlaten.'

Bij Vrijdag is daar meer begrip voor?
'Maar het heeft ook nadelen hoor. Bij Wereldbibliotheek had ik het gevecht om mijn eigen taal te mogen schrijven wel gestreden. Maar ik had de afspraak met mijn redacteur dat hij alles zou aanstrepen wat Nederlanders echt niet begrijpen. Niet dat ik het woord dan schrapte, maar ik veranderde iets in de context zodat het woord toch begrepen werd. Dat heb ik nu anders moeten organiseren, want ik wil wel dat mijn taal wordt begrepen van Oostende tot Groningen.'

Waarom eigenlijk?
'Mijn decor is Vlaanderen, maar waar mijn plot om draait is universeler. Net zoals Gabriel García Márquez – met wie ik me echt niet wil vergelijken – een heel plaatselijke biotoop gebruikt voor verhalen die dat decor ruim overstijgen. Waarom zou ik mijn tijd steken in een roman waar de inhoud en de vorm provinciaals is?'

Toch ben je nooit echt doorgebroken. Zeker in Nederland niet. Je hebt geen echt grote bestseller geschreven en nooit een echt grote prijs gewonnen.
'Wat is doorgebroken? Toen ik mijn exemplaren van De zwarte brug ophaalde bij Vrijdag kreeg ik de mededeling dat het al voor verschijnen kon worden herdrukt. De uitgeverij maakt een begroting op grond waarvan de oplage van de eerste druk wordt bepaald. Toch is die al helemaal weg. Ik heb een trouw lezerspubliek. Een almaar groter wordend publiek ook. De verkoopcijfers van mijn boeken zijn gestaag blijven stijgen. Tot aantallen waar collega's die doorgebroken heten te zijn jaloers op zijn. Ik ben nu 61, als ik terugkijk denk ik dat ik echt niet mag klagen.'
(Eerder geplaatst op Knack.be 12 jan)

Meer Vlaminck:

zondag 10 januari 2016

Stephan Enters schrijflessen 3: Stel jezelf de hoogste eisen (Schrijven magazine)


Bij ieder boek stelt Stephan Enter zichzelf voor nieuwe uitdagingen. Wat heeft zijn eigen oeuvre hem geleerd? Een schrijfcursus in zes lessen – 3: stel jezelf de hoogste eisen.

Elf korte verhalen die allemaal een eigen spanningsboog hebben én gezamenlijk het verhaal vertellen van een jeugd – aan de hand van de ontwikkeling van Norbert Vijghs loyaliteiten. Elf korte verhalen waarin steeds een spel centraal staat: van indiaantje spelen tot schaken, van een poppenkast tot scrabble. Dat is Spel (2007), zonder twijfel Stephan Enters grootste waagstuk.
'Rudy Kousbroek zei eens tegen mij dat het boek een soort exercise de style is', vertelt de auteur. 'Dat klopt, moest ik bekennen. Het eerste verhaal verwijst volgens hem naar Kenzaburo Oë. Ook dat klopt. Kousbroek, groot liefhebber van Japanse literatuur, kende dat werk goed. De sfeer is overeenkomstig. Zo bevat ieder verhaal een knipoog. Ik kan niet zeggen welke. Ik heb nog een weddenschap met iemand lopen. Als hij ze raadt, trakteer ik hem op een luxueus etentje.'

Voor Enter was het schrijven van zo'n gecompliceerd boek 'een logische volgende stap'. Hij had bewezen een verhalenbundel (Winterhanden) en een roman (Lichtjaren) te kunnen schrijven. Wat kon hij nog meer? 'Spel is voor mij een laboratorium geweest – een ruimte om uit te proberen wat ik allemaal kan. Het boek is complex, zeker. Maar ik heb er vooral plezier aan beleefd.'
Daarbij: 'Ik kende zoiets helemaal niet uit de literatuur. Een roman in verhalen waarbij ieder hoofdstuk een eigen plotje heeft. Misschien bestaat het wel, maar ik kende het niet. Dáár gaat het om. Als schrijver wil je niet alleen doen wat anderen al voor jou hebben gedaan. Je wilt je op nieuw terrein begeven. Ook het idee dat je iets origineels maakt, draagt bij aan het plezier van het schrijven.'
Maar of de motivatie nu is jezelf te verbeteren of de literatuur te vernieuwen, het gaat er voor Enter om dat een schrijver op zoek moet naar de grenzen van zijn talent en zijn vakmanschap. 'Hoe meer je jezelf op de proef stelt, hoe meer je van je werk probeert te maken, hoe hoger de eisen zijn die je jezelf oplegt, hoe meer het uiteindelijk oplevert.'

Bij de uitwerking van Spel heeft Enter nooit een spreadsheet gemaakt om het overzicht te behouden. 'Zoals Thomas Rosenboom, dat wil ik niet. Dan krijg je steriel proza. Ik vind dat je zijn schema's in zijn werk terugziet. Later, voor Grip, heb ik wel een overzicht gemaakt toen ik enorm liep te stoeien met allerlei ideeën. Voor de grap deed ik dat op een rol behangpapier. Toch is die roman vrij natuurlijk ontstaan.'
Enter raadt schrijvers aan ook bij zulke complexe projecten intuïtief te werk te gaan. 'Je moet open staan voor de mogelijkheid dat er zoveel mogelijkheden zijn. Alles kan. Van tevoren schema's maken werkt alleen maar beperkend. In Spel heb ik bewust geëxperimenteerd met alle tijden en perspectieven. Er staan verhalen in de eerste persoon enkelvoud in, maar ook in de tweede en derde persoon.'
Alleen: 'De vrijheid die schrijven biedt is geen vrijbrief om alles maar op te schrijven. Een verhaal of roman moet onderhevig zijn aan de wetten die het zichzelf stelt. Ik heb voor dit boek een verhaal weggegooid – goed, omdat ik het niet sterk genoeg vond, maar ook omdat het te veel ging over een nevenpersonage. Dat doorbrak de loop van het boek. Het geeft uiteraard niets dat ik het toch ooit geschreven heb.'
(Eerder gepubliceerd in Schrijven magazine 6, 2015)

Zie ook:

vrijdag 8 januari 2016

'De ochtendgave' van A.F.Th. van der Heijden bereikt recordverkopen in Nijmegen

De roman die A.F.Th. van der Heijden in opdracht van de gemeente Nijmegen schreef is in deze plaats niet aan te slepen. Dekker van de Vegt alleen al verkocht 1400 exemplaren van De ochtendgave.

De roman verscheen pas op 11 december. Sindsdien is de vraag 'enorm', zegt directeur Monique Kauffman. 'Het gebeurt zelden dat je zoveel exemplaar van één titel in zo'n korte tijd verkoopt. We hadden groot ingeslagen en flink bijbesteld, zodat we nooit nee hebben hoeven verkopen. De vakantie is nu afgelopen, het gaat niet meer zó hard, maar ik stond gisteren een tijdje in de winkel en toen zag ik er een paar voorbij komen.'
Ook andere Nijmeegse boekwinkels verkopen voor hun doen enorme aantallen. Bij Boekhandel Augustinus gaat het 'heel hard', zegt medewerker George Simissen. 'Gelukkig hebben we nog wat voorraad.' Boekhandel Roelants, met drie vestigingen in de stad, zit bij elkaar boven de 300, vertelt medewerker Anouk Geurts – inclusief twintig gesigneerde exemplaren die het van de uitgeverij kreeg. 'Toen we aankondigden dat we die kregen, waren die meteen gereserveerd. Het boek staat nummer 1 in onze top 15.'
Iedere stad heeft zijn lokale helden die ter plekke veel verkopen. Ook Nijmegen: Jaap Robben, Hanneke Hendrix of van een oudere generatie Thomas Verbogt, hoewel die al lang uit de stad vertrokken is. 'Nijmegen is een goede voedingsbodem voor literatuur', zegt Kauffman, 'maar deze roman, dat zich hier afspeelt en nog steeds herkenbare plekken beschrijft, hoewel het in de jaren 1670 is gesitueerd, overtreft alles.'
Zijn Nijmegenaren het echt als een boek van en voor hun? Geurts: 'De interesse in de eigen stad speelt zeker een rol. Mensen zijn daardoor heel nieuwsgierig naar dit boek. Al heb ik nog geen reactie gekregen van iemand die het boek inmiddels heeft gelezen.' Is de belangstelling zelfs zo groot dat ook niet-lezers een exemplaar aanschaffen? Simissen: 'Eh, ons publiek zijn sowieso allemaal lezers.'
A.F.Th. van der Heijden aanvaardde al in 2008 de opdracht om een boek te schrijven ter gelegenheid van de viering van 330 jaar Vrede van Nijmegen. Hij kreeg 30.000 euro voor een boek van 120 pagina's dat hij in 2009 inleverde. Hij kreeg het niet tijdig af. Er werd toen voor februari 2010 een roman van 600 pagina's aangekondigd, maar na de dood van zijn zoon Tonio later dat jaar leek het even alsof hij nooit meer zou schrijven. Uiteindelijk kwam het 256 pagina's tellende boek uit met een vertraging van zes jaar.
Opmerkelijk genoeg heeft geen van deze drie boekverkopers De ochtendgave zelf al gelezen.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 5 jan)

Bij wijze van post scriptum een klein autobiografisch detail. Toen ik lang geleden literaire avonden in Leiden organiseerde, hadden we Dick Matena te gast. Zijn vriend A.F.Th. van der Heijden was meegekomen. Hij had toen net het verzoek van Nijmegen gekregen en had dat kennelijk nog in overweging. Hij begon er met mij over om te polsen wat ik ervan dacht. Wat hij precies vroeg weet ik niet meer – of het bedrag redelijk was? of een dergelijk voorstel normaal? Wat ik nog wel weet is dat ik dacht: waarom zou een schrijver van zijn postuur die kan schrijven wat hij wil en al tientallen lopende projecten heeft, deze lokale opdracht aannemen? Het is het Boekenweekgeschenk niet, dat bovendien beter wordt betaald (naar het schijnt). Ik was hogelijk verbaasd toen ik las dat Van der Heijden de opdracht tóch aannam.

Zie ook:
Bespreking Tonio
Bespreking De helleveeg
A.F.Th. wint de Libris

maandag 4 januari 2016

Van Oorschot begint een nieuwe klassiekerreeks en breidt Russische Bibliotheek uit (Boekblad)

Van Oorschot begint een nieuwe klassiekerreeks. De Russische Bibliotheek wordt flink uitgebreid. Dat blijkt uit de eerste catalogus onder leiding van een andere uitgever dan een Van Oorschot: Mark Pieters.

De nieuwe klassiekerreeks vervangt twee bestaande reeksen, die eerder een aantal losse heruitgaven in uniforme vormgeving waren dan echte series herexploitaties. Een reeks goedkope herdrukken van Russische klassieken in een wit, typografisch omslag, en een reeks hardcovers. 'We vonden het tijd voor een geheel nieuwe vormgeving, zegt Pieters. 'En omdat we met die tweede reeks net een actie hadden gedaan, raakte een aantal titels uitverkocht. Dat schiep ruimte voor een nieuwe start.'
 De nieuwe reeks heeft in de voorjaarscatalogus geen naam gekregen, maar krijgt die wellicht nog wel om het structurele karakter ervan te benadrukken. Pieters: 'Goede suggesties zijn dus welkom!' Belangrijk is vooral, vindt de uitgever, dat de serie met een 'moderne en frisse uitstraling' opvalt. Van Oorschot gebruikte daarvoor niet huisvormgever Christoph Noordzij, maar Anneke Germers. Mode-illustrator Piet Paris vatte ieder deel in 'een heel simpel, maar heel treffend beeld'.
In februari komt de eerste worp op de markt: De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans, Dode zielen van Gogol, Oblomov van Gonstjarov en Twee koffers vol van Carl Friedman. De eerste drie kosten 14,99 euro, de laatste 9,99 euro. Iedere volgende aanbieding bevat opnieuw minstens vier titels. 'Het zijn allemaal titels uit ons fonds waar altijd wel een markt voor blijft. Naast de duurdere Russische Bibliotheek moet je die leverbaar houden voor 10 tot 15 euro. Maar er kunnen ook titels van andere uitgevers in opgenomen worden.' 
Naast de nieuwe reeks valt de uitbreiding van de Russische Bibliotheek op. Van Boris Pasternak verschijnt in februari Doktor Zjivago, gevolgd door drie delen gedichten, verhalen en brieven. Robbert-Jan Henkes vertaalde Russische kindergedichten, die in april tegelijk ook in een goedkopere paperback uitkomt. En Konstantin Paustovski komt in de reeks. Na het egodocument Goudzand in juni volgt zijn zesdelige Verhaal van een leven, dat zo succesvol was als Privé domein, in twee banden.
'Het komt toevallig zo samen,' zegt Pieters. 'Pasternak was al aangekondigd, met de Russische kindergedichten was de uitgeverij ook al lang bezig en Paustovski werd mij aangeboden. Zijn werk verschijnt in drie en waarschijnlijk in vier delen. We zijn met nog een of twee auteurs bezig – nee, ik kan nog geen namen noemen omdat de contracten nog niet zijn getekend, nou vooruit: Charms is daar een van. En dan is er nog een langdurig plan voor de hervertaling van een aantal delen, zoals Dostojevski. Zo zijn we opeens in de situatie gekomen dat we boeken moeten uitstellen omdat we niet willen dat de delen elkaar beconcurreren.'
Alles bij elkaar lijkt Pieters, die in april aantrad, meteen zijn stempel op de eerste aanbieding onder zijn leiding te hebben gedrukt. Een nieuwe klassiekerreeks – van de man die voor Athenaeum-Polak & Van Gennep de Perpetuareeks bedacht. Vormgegeven door een belangrijk vormgever van die uitgeverij. En met een aantal auteurs die eerder bij zijn vorige uitgeverij publiceerden: vertalers Gerard Koolschijn en Imme Dros, Jurriaan Benschop en Gerard Hemker. De laatste zat bij Querido, dat Pieters ook korte tijd leidde.
Volgens Pieters zelf is zijn invloed echter veel kleiner. 'Ik heb alleen Koolschijn meegenomen. De uitgeverij was al bezig met Dros en Benschop toen ik kwam. En Hemker kwam via Paul Sebes. Je kan hoogstens zeggen dat ik zijn komst mogelijk heb gemaakt. Mijn voorganger Wouter van Oorschot wilde nooit via een agent werken. Daarnaast is mijn bijdrage de start van de reeks en de nieuwe vormgeving van prospectus en sommige omslagen. Christoph Noordzij deed alles, en goed ook, maar ik wilde ook een aantal andere goede vormgevers proberen.'
Een andere auteur die overstapt is Martin Michael Driessen, van wie in maart Rivieren uitkomt, een bundeling van drie novellen. Pieters: 'Hij zat bij Wereldbibliotheek, maar Koen van Gulik, de uitgever van Wereldbibliotheek, is zo goed bevriend met hem dat hij hem heeft geadviseerd zijn werk ergens anders onder te brengen. Ik ben er heel blij mee, ik vind Driessen een geweldig schrijver.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 22 dec)

Zie ook:

zaterdag 2 januari 2016

Portret van Geert Mak – bij de uitreiking van de Gouden Ganzenveer 2015

HET IS UITPROBEREN, UITPROBEREN, UITPROBEREN

Het zelf gezien hebben. Dat is een belangrijke voorwaarde voor Geert Mak. Kijk naar de serie 'Ooggetuigen' die hij in de jaren negentig samenstelde – Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis (1991) en Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis (1999), de laatste samen met René van Stipriaan. Zelf aanwezig zijn bij een historische gebeurtenis, legde Mak uit in zijn inleiding van het eerste boek, geeft een verslag 'door een enkel, buiten de journalistieke orde vallend detail een bijna pijnlijke helderheid en kracht'.
Of neem de schrijvers die hem hebben beïnvloed. Joseph Roth en James Agee, somde hij op in een interviewbundel met auteurs van literaire non-fictie. Maar ook literaire auteurs als Emile Zola en Gustave Flaubert en, in het Nederlandse taalgebied, Herman Heijermans en Louis Couperus. Juist door hun manier van kijken. 'L'Education sentimentale is een roman, maar je merkt aan alles dat Flaubert niets zomaar opschreef: hij deed heel gedegen onderzoek en wist precies waar hij het over had.'
Maar hoe schrijf je het beste op wat je hebt gezien? Hoe sleep je lezers mee? Hoe wek je gebeurtenissen tot leven? En: hoe meng je een ooggetuigenverslag met historische analyses en essays zonder de lezer te verliezen? In welke vorm?

Misschien verklaren die vragen waarom Geert Ludzer Mak (Vlaardingen, 1946) een laatbloeier is. Hij is altijd brandend nieuwsgierig geweest naar de wereld om hem heen. Als jongetje van acht, opgroeiend in een pastorie in Leeuwaren en later Hardegarijp, wilde hij al journalist worden. Als student rechten en sociologie verruilde hij in de jaren zestig de Vrije Universiteit voor de Universiteit van Amsterdam, omdat hij uit wilde breken uit de afgesloten tuin van de gereformeerde gemeenschap. Maar hij had tijd nodig om zijn toon en zijn vorm te vinden.
Veel tijd. Voor Mak zijn eerste boek schreef, moet hij al miljoenen woorden hebben gepubliceerd. Aanvankelijk deed hij het erbij. Na zijn studie combineerde hij een baan als docent staatsrecht en vreemdelingenrecht aan de Universiteit Utrecht (UU) met het medewerkerschap van de PSP-fractie in de Tweede Kamer. Hij schreef talloze bijdragen namens de partij voor parlementaire debatten. Ook begon hij in die periode, begin jaren zeventig, stukken te publiceren in De Groene Amsterdammer.
In 1975 werd hij, bijna dertig jaar oud, eindelijk fulltime journalist. Zelfs meer dan dat: als redacteur van De Groene schreef hij in moordend tempo het ene stuk na het andere. 'Op maandagavond, een dag voor de deadline, moest ik altijd nog een commentaar schrijven en drie korte stukken, die ik om een uur of elf, halftwaalf af had,' blikte hij ooit terug. 'Dan ging ik eerst nog naar een snackbar om marsen te trekken, om de nacht door te komen, en dan begon ik aan mijn grote stuk te tikken.'
Tien jaar hield hij dit harde werken tegen een bescheiden salaris vol. Toen sloeg hij zijn vleugels uit. Hij ging schrijven voor de Amsterdamse stadsredactie en het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad. Hij werd buitenlandredacteur van de VPRO-radio. Hij begon langere, vaak historische verhalen te schrijven voor de losbladige uitgave Ach Lieve Tijd en het in 1991 mede door hem opgerichte literaire non-fictietijdschrift Atlas, waar auteurs als Frank Westerman in zouden debuteren.
Toen vond hij definitief zijn vorm. In de reportages uit die tijd vond Mak zíjn antwoord op de vraag hoe je een ooggetuigenverslag zo opschreef dat de lezer de illusie kreeg er zelf bij te zijn geweest. Betrokken bij de mensen over wie hij schreef. Vol details die de hoofdpersonen tot leven wekt. Met gevoel voor symbolen om kleine gebeurtenissen te verheffen tot het grote verhaal. Zo moest het. En analytische en essayistische passages zo in de tekst verweven dat het verhaal nooit uit beeld verdwijnt.
'Al duurt het dan even voordat je het boekenschrijven in de vingers hebt,' vertelde Mak later. 'Als je van langere artikelen naar een boek gaat, moet je leren dat niet alleen elk hoofdstuk een eigen spanningsboog moet hebben, maar het boek in zijn geheel ook. Een probleem waar ik in het begin maar moeilijk uitkwam waren de tijden. Wanneer moet je de verleden tijd gebruiken, wanneer de tegenwoordige tijd? Het eerste maakt een verhaal rustiger, het tweede levendiger, maar als je niet uitkijkt ook hijgerig en verwarrend.'

Eigenlijk had Mak meteen succes als auteur van boeken. The Amsterdam Dream (1986) was misschien nog taaie politieke kost, een doorwrocht betoog in plaats van verhalend proza, maar twee andere boeken met de hoofdstad in de titel – De engel van Amsterdam (1992), over de hedendaagse stad en zijn inwoners, en Een kleine geschiedenis van Amsterdam (1995), over duizend jaar leven aan het IJ – bereikten vanaf verschijning een groot publiek. Een kwart eeuw later zijn ze nog steeds in druk.
Vooral zijn twee volgende boeken maakten van Mak een bestsellerauteur zoals er hooguit één in ieder decennium opstaat. Hoe God verdween uit Jorwerd (1996), over de veranderingen op het platteland sinds de Tweede Wereldoorlog, en De eeuw van mijn vader (1999), over de geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw – het is eerder de vraag: wie heeft ze níét gelezen. Van het laatste boek werden er in Nederland binnen vijf jaar niet minder dan een half miljoen exemplaren verkocht.
De grootste kracht van beide boeken is hun ruimte om je ermee te identificeren. Mak gaf lezers de mogelijkheid om hun eigen leven in een groter verband te begrijpen. Zoals die ene lezer waar Mak graag over vertelt, hij duikt geregeld op in interviews: de boer die na zijn pensionering neerslachtig op zijn bovenkamer voor zich uit staarde, tot hij Hoe God verdween uit Jorwerd cadeau kreeg. Drie dagen zat hij onafgebroken te lezen, de stilte alleen verbrekend met af en toe een klap op tafel, terwijl hij uitriep: 'Zo is het!'.
De neerlandicus Herman Pleij heeft op deze kracht gewezen. 'De behoefte aan identiteit is heel kenmerkend voor deze tijd,' legde hij eens uit een in profiel van Mak in Vrij Nederland. 'En in het bijzonder voor Nederland, waar mensen vanouds hun identiteit ontleenden aan de zuil waartoe ze behoorden. Door de afbraak van de zuilen is een geweldig vacuüm ontstaan. Houvast en verbondenheid wordt nu gezocht in een gedeeld verleden. Mak lijkt daar bij ons de uitvinder van.'

Met het succes kwam de kinnesinne. Vooral van historici op wier terrein de journalist Mak zich sinds Een kleine geschiedenis van Amsterdam steeds meer had begeven. Ze verweten hem achter te lopen bij de nieuwste wetenschappelijke inzichten, een nostalgisch beeld te schetsen van het verleden, en een onvolledig verhaal te vertellen. Sommige historici beperkten hun zuinige lof tot het prijzen van Maks vaardige pen en zijn inzet voor de popularisatie van hun vakgebied, waar ze indirect van profiteerden.
Mak heeft de kritiek zich – in ieder geval in het openbaar – nooit aangetrokken. De feiten moeten altijd correct zijn. Hij doet de waarheid nooit meer geweld aan dan meerdere gesprekken samenvoegen tot één. Maar hij heeft een ander doel dan historici, meent hij. Hij wil niet de volledige werkelijkheid schetsen, maar een verhaal vertellen. 'Historici hebben nog wel eens de neiging om het verhaal te verwaarlozen omwille van een grote hoeveelheid feiten. Ik ben juist in die verhalen geïnteresseerd.'
Hij kon het zich veroorloven omdat de eerbewijzen de jaloezie verre overtroffen. Hij kreeg om te beginnen vele bekroningen en onderscheidingen. Van een vakjury als die van de Henriëtte Roland Holst-prijs, die sociale bewogenheid én literair niveau bekroont. Van het publiek dankzij wiens stem hij tot twee keer toe de Publieksprijs voor het beste Nederlandse boek won. Van historische journalisten die hem in 2004 verkozen tot Historicus van het jaar. Van de Open Universiteit die hem zijn eerste eredoctoraat toekende.
Ook de CPNB wist hem te vinden. Nadat hij in 1998 het Boekenweekessay had geschreven, werd hij in 2007 de eerste en tot nu toe enige non-fictieauteur van het Boekenweekgeschenk sinds begin jaren tachtig is begonnen met de traditie van literaire geschenkboeken. De brug, verschenen in een monsteroplage van 890.000 exemplaren (plus nog eens 20.000 in een Turkse vertaling), beschrijft het leven van straatverkopers op de brug over de Gouden Hoorn in Istanbul en tegelijkertijd, typisch Mak, de complexe band tussen Oost en West.
Maar het grootste eerbetoon is wellicht dat Maks succes hem de godfather van een nieuwe stroming maakte: de literaire non-fictie. In zijn spoor kregen auteurs als Jan Brokken, Annejet van der Zijl, Joris van Casteren, Judith Koelemeijer, Gerard van Westerloo en Frank Westerman – ook al waren sommigen van hen al lange tijd in dit genre actief – meer aandacht. Fantastische auteurs, vindt Mak ze, met ieder hun eigen sterke punt. Wat hemzelf onderscheidt van hen, denkt hij, is zijn gevoel voor compositie.
'Als ik een indeling heb gemaakt van het materiaal en het op volgorde heb gezet, ga ik componeren. Zo ontstaat een draaiboek waarin ik aangeef: hier ga ik ongeveer dit behandelen, daar ga ik zus en zo doen. Componeren is het leukste wat er is. Het is uitproberen, uitproberen, uitproberen. Werkt dit? Werkt dat? Je moet de lezer lokken, prikkelen. Ik denk dat ik er goed in ben. In Europa leest als een trein en onder de motorkap is het verdomd ingewikkeld boek. Daar ben ik tevreden over.'

Zoals blijkt uit De brug heeft Mak zich de laatste jaren vooral geconcentreerd op het buitenland. Voor zijn magnum opus In Europa (2004), meer dan twaalfhonderd bladzijden dik, bereisde hij het hele continent. Voor Reizen zonder John reed hij bijna in zijn geheel van Oost naar West en terug door het minstens zo grote continent Amerika. Wie bedenkt hoeveel research, reportagearbeid en schrijftijd daarin is gaan zitten, kan niet anders dan diep onder de indruk zijn dat ze toch zo snel zijn ontstaan.
Soms denk je daarbij onwillekeurig: Mak biedt alleen ons inzicht in de grote wereld. Wie struint er immers regelmatig rond in boekhandels in andere landen? Maar dan is buiten het grote aantal vertalingen gerekend dat van zijn werk is gemaakt en de lof die hij elders heeft ontvangen. Van de grote Westerse talen tot Deens, Bosnisch, Russisch, Chinees, Grieks – in al die talen is zijn werk verschenen. Het leverde hem onder meer een eredoctoraat van de Westfälischen Wilhelms-Universität in Münster op.
Het sprekendste bewijs voor zijn internationale faam, zoals Mak zelf heeft ontdekt in zijn lange leerjaren, is evenwel een detail. In de vorm van een anekdote dit keer. Toen de Noorse auteur Karl Ove Knausgård, dé schrijver die momenteel wereldwijd wordt gelezen, begin dit jaar op uitnodiging van The New York Times door Amerika reisde, had hij ter voorbereiding van de duizenden en duizenden beschikbare reisboeken, politieke analyses uitgerekend de vertaling van Reizen zonder John meegenomen.
Niet zonder reden. Ook zonder het scherpe contrast met zijn eigen onkunde als reisschrijver en gebrekkige voorbereiding was Knausgård vol bewondering voor 'de Nederlandse verslaggever'. '[Mak] had alinea's met statistieken over Amerika en Amerikanen, hij citeerde uit een groot aantal boeken, inclusief die van Alexis de Tocqueville en, niet in het minst, hij had iets te zeggen over Amerika, hij was in staat om wat hij zag in een economische, politieke en culturele context te plaatsen.'

Ware woorden. Die ongetwijfeld ook in de toekomst gezegd kunnen worden over de landen, geschiedenissen of onderwerpen waarover Mak dan zal schrijven.