dinsdag 13 september 2016

Someren & Ten Bosch (Zutphen) start literaire avonden voor jongeren (Boekblad)

Boekhandel Someren & Ten Bosch in Zutphen start dit najaar met een reeks literaire avonden voor bovenbouwleerlingen. Alex Boogers is de eerste auteur die, op 15 september, wordt ondervraagd door jongerenleesclub Nescio.

De avonden, waarvan er voorlopig een is gepland, zijn beperkt toegankelijk voor volwassenen. Van de dertig plaatsen in de boekhandel zijn er vijftien gereserveerd voor bovenbouwleerlingen, tien voor volwassenen en vijf voor docenten Nederlands. 'Maar als het uit de hand dreigt te lopen – en we kríjgen veel enthousiaste reacties – maken we er misschien staanplaatsen bij', zegt eigenaar Ine Soepnel.
De avonden zijn een gemeenschappelijk idee van de boekhandel en Nescio. Soepnel: 'Wij denken al lang na over hoe we jongens – een moeilijke doelgroep, helemaal als het pubers zijn – kunnen betrekken bij het mooie product in onze winkel. Toen de schrijver Bas Steman die hier in Zutphen woont, vertelde over zijn ervaringen met de jongerenleesclub, ontstond dit idee.'
Steman heeft Nescio opgezet toen hij merkte hoe zijn zoon Jip worstelde met de leeslijst en hij vond dat hij zijn eigen enthousiasme voor literatuur in moest zetten. Nescio bestaat uit vijf leerlingen van (sinds dit schooljaar) 5 vwo, die gezamenlijk de Nederlandse literatuur lezen en zo helemaal zijn gegrepen door de letteren. In januari van dit jaar schreef hij er hier over in de Volkskrant.
Voor de eerste keer nodigden Someren & ten Bosch Alex Boogers uit. Vanwege zijn Alleen met de goden is hij 'buitengewoon geschikt' voor de doelgroep, denkt Soepnel. Daarbij publiceerde hij begin dit jaar met De lezer is niet dood een schotschrift over lezen op school. De jongerenleesclub bereidt het gesprek voor, waarna twee leden van hen het interview afnemen.
Hoe het daarna verder gaat, weet Soepnel nog niet. Maar na een mailing naar docenten Nederlands verwacht ze dat de boekhandel te klein is en de avond misschien beter naar een grotere locatie verhuist. 'Terwijl we het nu per se in de winkel willen doen, om jongeren te laten zien dat een boekhandel niet eng of stoffig is maar een prachtige schatkamer waar van alles te ontdekken valt.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 26 aug)

maandag 12 september 2016

Let op lezer, hier komt de wolf die je verwachtte (Taalunie:Bericht)

Iedereen die Roodkapje herschrijft, grijpt terug op een variant van maximaal twintig jaar uit. Dat blijkt uit analyse van ruim vierhonderd versies van het sprookje. Wat heeft taaltechnologie te bieden voor het onderzoek van oude teksten?

Iedereen weet: Roodkapje overleeft de ontmoeting met de grote boze wolf. Eigenlijk is dat opmerkelijk, vindt etnoloog Folgert Karsdorp. In de populaire versie van Charles Perrault (1629-1703) duikt er geen jager op die de wolf opensnijdt. Als Roodkapje is opgegeten eindigt het sprookje. Tot eind negentiende eeuw was deze variant dominant in Nederland. En toch weet iedereen: Roodkapje wordt gered.

Ingrijpende mutatie
'Het is een radicale innovatie van het verhaal, gebaseerd op de versie van de gebroeders Grimm van 1812', zegt Karsdorp. 'Dat zie je zelden. Veranderingen zijn altijd veel kleiner. Denk aan wat Roodkapje meeneemt in haar mandje. Eerst is dat wijn, later wordt dat bosbessensap als men beseft dat alcohol niet gezond is voor een zieke oma. En dan nog duurt het vijftig jaar voordat die verandering algemeen geaccepteerd is.'
Waarom heeft het sprookje dan toch zo ingrijpend kunnen muteren? 'Ik vermoed dat het sprookje destijds bij ons nog niet zo bekend was. Le petit chaperon rouge was vooral een Frans verhaal. En dat Roodkapje het overleefde sloot, eind negentiende eeuw, aan bij de verzoeting van de samenleving waarin meer rekening werd gehouden met kinderen. Men begon het kind-zijn als een aparte levensfase te zien.'

Computationeel etnoloog
Karsdorp ontdekte de graduele verandering van Roodkapje door 427 versies van het verhaal, gepubliceerd tussen 1781 en 2014, met elkaar te vergelijken. Met de computer. De promovendus, voorheen verbonden aan het Meertens Instituut en nu aan de Radboud Universiteit, is de eerste die software inzet om te onderzoeken hoe dit sprookje steeds is veranderd. 'Computationeel etnoloog', noemt de universiteit hem dan ook in een persbericht ter aankondiging van het artikel in Royal Society Open Science.
'De gedachte is vaak dat iedere auteur teruggrijpt op de oerversies van Perrault en de gebroeders Grimm', vertelt Karsdorp. 'In werkelijkheid kijken schrijvers in hun directe omgeving naar een uitgave die maximaal vijftien tot twintig jaar oud is. Een interessante tijdsduur: precies een generatie. Het lijkt alsof schrijvers teruggrijpen op de versie die ze zelf als kind hebben gehoord.'

Naam en faam
Er zijn dus niet twee 'kernhubs', zoals Karsdorp het noemt, maar meerdere. Een versie kan een hub worden omdat hij populair is. 'Als een variant al vaak is gebruikt als bron is de kans groot dat hij daarna nog een keer wordt gebruikt'. En: omdat de naam en faam van de auteur groot is. 'Hoe populairder een auteur, hoe vaker zijn versie de bron is. Deze aantrekkingskracht neemt wel af in de loop van de tijd.'
Je kunt ook aan kleine veranderingen zien wanneer een element van het verhaal tot het collectieve geheugen gaat behoren. Karsdorp: 'In de allereerste versie staat "Zy ontmoette op den weg een wolf", daarna wordt dat "de wolf". Eigenlijk is het raar om een personage zo te introduceren. Dat kan alleen maar omdat het bekende informatie is: let op lezer, hier komt de wolf die je al verwachtte.'

Iedereen googlet
Wat Karsdorp en zijn co-auteur, taaltechnoloog Antal van den Bosch, hebben gedaan is in wezen niet bijzonder. Teksten met elkaar vergelijken met behulp van de computer? Wie googlet doet niets anders dan zijn zoekterm vergelijken met alle beschikbare teksten op het internet. 'En dan zet Google ook nog de meest relevante vergelijking bovenaan. Daar zitten zulke geavanceerde algoritmes achter.'
Maar, geeft Karsdorp ook toe: in de geesteswetenschap is zulke taaltechnologie 'vrij nieuw'. Dat is deels te verklaren door een gebrek aan gedigitaliseerde teksten. Karsdorp moest eigenhandig in de KB honderden versies van Roodkapje overtikken. 'Kinderboeken kun je niet met ocr [optical character recognition] digitaliseren, omdat er vaak plaatjes in zitten. Dan staat er opeens een boom door de tekst afgedrukt.'

Eenzame opsluiting
Een van de redenen dat Karsdorp onderzoek naar Roodkapje deed was dan ook dat het corpus vergeleken bij Assepoester en Sneeuwwitje klein is – én het verhaal kort. 'Dit was al maandenlang eenzame opsluiting in de KB: boek op een kussen, handschoenen aan, met een hand het blaadje openhouden, met de andere overschrijven. Er zaten oude kijkdozen of pop-upboeken bij, daar moet je zó voorzichtig mee zijn.'
Toch is het taaltechnologisch onderzoek van Karsdorp niet het eerste dat interessante feiten naar boven haalt. Hij wijst op Mike Kestemont, verbonden aan de Universiteit Antwerpen, die onlangs door de stijl van het Wilhelmus te analyseren en te vergelijken een nieuwe mogelijke auteur naar voren schoof: Petrus Datheen. Op veel aannemelijker gronden dan eerdere claims, vindt Karsdorp.

Rijmwoordenprofiel
'Normaal kun je door het patroon in het gebruik van functiewoorden te herkennen auteurs van teksten aanwijzen. Voor Middelnederlandse teksten – waarvan de auteurs bij uitstek onbekend zijn – werkt dat niet, omdat veel op rijm zijn geschreven. Kestemont liet een ander onderzoek zien dat je in dat geval een auteur kunt herkennen aan zijn rijmwoordenprofiel. Heel interessant.'
In het Roodkapje-onderzoek heeft de computer het vocabulaire van alle verhalen vergeleken.  Op grond van de mate waarin woorden voorkomen, kun je simpel gezegd zien hoe ze op elkaar lijken. Een woord als 'de' telt niet mee, een woord als 'varkensreuzel' krijgt juist extra veel waarde. De verschillen in spelling los je op door niet hele woorden te vergelijken maar setjes van vier karakters.

Deromantiseren van de tekst
Zo ontstaat een 'verhalennetwerk'. Dat hebben Karsdorp en Van den Bosch vergeleken met netwerken waarin de relaties volstrekt willekeurig zijn – plus een mogelijke verklaring. Karsdorp: 'Je vergroot bijvoorbeeld de kans dat een tekst die al vaak als bron is gebruikt nóg een keer als bron wordt gebruikt. Construeert de computer dan een zelfde soort netwerk als wij hebben gevonden?'
Karsdorp noemt dat het 'deromantiseren' van de tekst. Je gaat volledig voorbij aan de inhoud van de tekst. En hoe interessant de uitkomst van het onderzoek ook is, het laat tegelijk de beperkingen van de taaltechnologie zien. Want wáárom er tegen het einde van de negentiende eeuw steeds vaker een jager opduikt die de wolf doodt en Roodkapje redt, kan de computer niet verklaren.
Karsdorp: 'Komt die verandering uit het verhaal zelf voort? Of komt die verandering van buiten af? Dat blijft onderwerp van debat, waarvoor je ander empirisch bewijs – onderbouwde argumenten – moet aandragen.'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:Bericht, 2 sep)

zondag 11 september 2016

Interview: Ronald Giphart gaat niet mee in meute van mopperende schrijvers (Boekblad)

Hoe ervaren schrijvers boekhandels, uitgevers en de boekenvakorganisaties? In de rubriek 'Schrijvers & het boekenvak' Ronald Giphart, juryvoorzitter van de verkiezing voor Boekverkoper van het jaar. Hij ziet de nieuwe energie van jonge honden gereflecteerd in de boekhandel.

Waarom bent u juryvoorzitter van de verkiezing voor Boekverkoper van het jaar geworden?
'Ik had goede verhalen gehoord van Bert Natter, de vorige voorzitter. Hij zei dat het een erg leuke club jonge, enthousiaste mensen is, waar hij bezieling voelde. Hij bracht dat enthousiasme op me over.'

Komt u als schrijver veel en graag in boekhandels?
'Heel erg veel. Ik ben al sinds mijn zeventiende boekhandelverslaafd. Gisteren was ik in Hengelo. Dan kan ik het niet nalaten om even Broekhuis binnen te lopen. Met name door optredens, ook voor mijn theatertour met Bart Chabot, kom ik in alle uithoeken. Ik heb veel boekhandels bezocht die ik anders nooit zou hebben bezocht. Alle boekhandels van Nederland? Dat denk ik niet. Dat zouden er wel erg veel zijn.'

En iedere boekverkoper herkent u gelijk als de schrijver wiens werk hij verkoopt?
'Ik kom er ook wel incognito. Ruud Gullit zei ooit – in de hoogtijdagen van zijn roem, toen hij een enorme, karakteristieke bos haar had – dat als hij niet herkend wilde worden, hij ook niet werd herkend. Ik kom dan met gebogen schouders binnen, met een uitstraling van: ik ben er niet. Maar toch word ik soms herkend. "U komt zeker controleren of u hier wel aanwezig ben", zeggen ze dan. Ik zou liegen als ik dat ontkende. Ik ben schrijver onder de schrijvers. Als ik in de kast sta, leg ik mijn werk op tafel. Als ik op tafel lig, verspreid ik mijn werk over onder de andere stapels zodat ik visueel meer aanwezig ben. Schaamteloos. Maar uiteindelijk kom ik er voor de boeken. Ik heb er heel veel.'

Hoe hebt u aan de jurering beleefd? Bekeek u als jurylid van deze prijs de winkels nu met andere ogen?
'Juryvoorzitterschap is een protocolaire functie, die de vergadering leidt en het juryrapport schrijft. Daar kiezen ze een schrijver voor omdat die een hogere attentiewaarde heeft. Maar ik heb niet zelf als voorzitter boekhandels bezocht. De vaktechnische inhoud kwam van de andere juryleden. Daar weet ik uiteindelijk niets van af. Ik was een paar jaar geleden voorzitter van de verkiezing van de Beste Bibliotheek. Daar ging het op dezelfde manier.'

Toch zei u bij de uitreiking voor het eerst écht in te zien hoeveel werk het runnen van een boekhandel is.
'Dat was een boutade. Natuurlijk wist ik dat al. In mijn roman Giph uit 1993 laat de hoofdpersoon zich zeer negatief uit over boekhandels. Ik werd daarop aangesproken door wijlen Paul Hogervorst: als je zo'n grote mond hebt, moet je maar eens een dagje meelopen bij toen nog Broese Kemink. Mijn perceptie destijds was dat boekhandelaren tijd hadden om te lezen. Maar als ergens geen tijd voor is, is het wel lezen tijdens het werk. Ik stond toen al versteld van de vragen van het publiek en het kennis van de boekverkopers.'

Is dat een kwart eeuw later veranderd?
'Wat me nu opvalt is hoeveel jonge mensen er in de boekhandel werken, die met energieke onstuimigheid hun vak uitoefenen. Remco Houtepen, de winnaar van dit jaar, is daar een voorbeeld van. Net als Lisa Snijders, de winnaar van vorig jaar. Dat is ook zo'n spraakwaterval van boekenliefde. De oudere werknemers hebben overigens niets ingeboet aan enthousiasme en onderlegdheid, maar de nieuwe energie van jonge honden zie je terug in de boekhandel.

U zei bij de prijsuitreiking ook dat u nu beter begreep dat de boekhandel 40 % van de verkoopprijs van een boek krijgt en een schrijver 10 %? Was dat ook een boutade?
'Dat vind ik ook al langer. Het klinkt onredelijk: een product maken waar je zelf 10 % aan overhoudt, maar als je bedenkt wat er allemaal voor een boek moet worden gedaan, is het dat niet. Ik ga niet mee in de meute van schrijvers die daarover mopperen. Ik deed vorig jaar mee aan een uitzending van De rekenkamer over de prijs van een boek. Daarin zei ik dat ook.'

Wat is het belangrijkste werk van een boekverkoper?
'Dat is een gewetensvraag. Op het hogere plan staat het in stand houden van de Nederlandse leescultuur. Die is nog altijd een van de beste ter wereld, dankzij de vaste boekenprijs, de goede bibliotheekspreiding – al heeft het kabinet zijn best gedaan daar gaten in te schieten – en de fantastische boekhandelsdekking. En toch zijn boekverkopers in de eerste plaats handelaren die geld verdienen met de verkoop van boeken. Eigenlijk heb ik een getroebleerde relatie met de boekhandel. Zij willen zo veel mogelijk boeken verkopen ongeacht welke. Ik wil dat ze het liefst míjn boeken verkopen. Dan heb ik het er soms moeite mee als mijn werk niet op een goede plek ligt – bijvoorbeeld: waarom ligt Ernest van der Kwast, wiens boek in dezelfde week is uitgekomen als het mijne, nog op tafel en ik al in de kast? Of wanneer een boekverkoper de uitgeverij belt om te vragen of hij drie exemplaren met recht van retour mag terugsturen.'

Dan is het prettiger juryvoorzitter te zijn van de verkiezing van Beste Bibliotheek van Nederland?
'Ook met bibliotheken heb ik een getroebleerde relatie. Het blijft moeilijk dat een boek als commercieel product in de boekhandel ligt, terwijl het drie deuren verder bij een andere instelling te lenen is tegen een vergoeding van tien cent per uitlening. Daarbij spelen bibliotheken steeds meer boekhandeltje. Met lage tafels, in store routings etcetera. Maar ook met de gewoonte om zichzelf af te rekenen op het aantal uitleningen.'

Welke van beide instellingen doet uit eindelijk meer voor het in stand houden van de Nederlandse leescultuur?
'Daar kan ik onmogelijk antwoord op geven. Ik geloof dat er vier keer zo veel gelezen wordt via de bibliotheek dan via de boekhandel. De recente exacte cijfers weet ik niet. De bibliotheek zorgt dus voor veel leesmeters. Maar de boekhandel is veel meer een aanjager van de huidige stand van de literatuur. Al bedient het boekenvak natuurlijk meer mensen dan alleen het relatief kleine groepje lezers van fictie.'

Bij welke boekhandel bent u zelf klant? Verdient de eigenaar daarvan het om Boekverkoper van het jaar te worden?
'Ook een onmogelijke vraag. Ik ben vaste klant bij Bijleveld – al kom ik ook vaak in Broese, de Bilthovense boekhandel, Den Boer in Baarn, De Larense Boekhandel en het vaste rijtje in Amsterdam. Bastiaan Bommeljé van Bijleveld is veel meer dan boekhandelaar: uitgever, intellectueel, denker, kompas van de samenleving. Ik weet niet eens of hij zelf nog veel in de winkel staat. Hoe dan ook moet hij eerst worden genomineerd en dat is niet aan mij.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 7 sep)

Zie ook:

zaterdag 10 september 2016

Interview literair agent Willem Bisseling: 'Ik heb een haakje nodig om een roman te kunnen verkopen aan een uitgeverij' (Schrijven magazine)

Als een auteur 10.000 volgers op Twitter heeft, zegt dat iets over zijn verkoopbaarheid. Literair agent Willem Bisseling van het agentschap Sebes & Bisseling over het verlangen naar non-fictie, de veranderde rol van een agent en de fouten van aspirant-auteurs.

Een uitgever zoekt een haakje

Literaire fictie? Een uitgever heeft bij voorbaat weinig interesse. Willem Bisseling weet waarover hij praat. Van de honderden boeken die de literair agent van Sebes & Bisseling in de eerste helft van 2016 aan uitgeverijen heeft verkocht is het aantal literaire romans en verhalenbundels – letterlijk! – op twee handen te tellen. En dat zijn ook nog boeken van de Amerikaanse uitgeverijen die Bisseling vertegenwoordigt. ‘Ik heb net voor een Nederlandse fictie-auteur een two book deal gesloten. Dat was de eerste dit jaar.’
Waarom hij fictie aan de straatstenen niet kwijt kan, begrijpt hij maar al te goed. Fictie verkoopt slecht. ‘Kijk naar de Bestseller 60: fictie wordt minder en minder populair.’ Maar waarom dát zo is, blijft ook voor hem gissen. ‘Non-fictie is beter geschreven dan vroeger’, waagt hij toch een poging tot verklaring. ‘Het is geen droge opsomming van feiten meer, maar is steeds vaker een meeslepend verhaal. Het onderscheid met fictie is niet maar zo hard. En mensen hebben een hang naar het waargebeurde. Ze willen niet meegenomen worden naar een andere wereld, ze willen iets opsteken.’
Dus als een aspirant-schrijver zich met een roman of verhalenbundel bij Sebes & Bisseling meldt, moet die wel verdomd goed zijn geschreven wil het agentschap hem contracteren. ‘En dan nog gebeurt het regelmatig dat een uitgever zegt: “goed boek, echt publicabel”, maar ik heb een haakje nodig om het te kunnen verkopen. Dat kan bijvoorbeeld zijn: dat het verhaal is gebaseerd op waargebeurde feiten. Zonder haakje kopen ze een goede roman toch bijna niet meer aan.’

Bisseling is sinds dit jaar de zakenpartner van Paul Sebes, met afstand de bekendste literair agent van Nederland. De Leidse student Nederlands en literatuurwetenschappen kwam in 2006 bij hem terecht toen hij de master redacteur-editor aan de Universiteit van Amsterdam ging doen en een relevant bijbaantje zocht. Van de jongen die voorzichtig leerde manuscripten te redigeren werkte hij zich op tot mede-eigenaar. Alles wat hij weet, zegt hij onomwonden, heeft hij van Sebes geleerd.
In al die jaren heeft hij het agentschap flink zien groeien. Tien jaar geleden had Sebes nog maar een handvol Nederlandse auteurs bij een uitgeverij ondergebracht. Momenteel zijn dat er tientallen, zo niet honderden. Onder hen, om alleen de schrijvers van Bisseling te noemen: Murat Isik (‘de eerste auteur die ik onderbracht en meteen een succes werd, wat me gelijk op de kaart zette bij uitgeverijen’), Wytske Versteeg, Myrthe van der Meer, Stine Jensen en Anne Eekhout.
Toch is de vertegenwoordiging van Nederlandse auteurs niet de hoofdactiviteit van het agentschap, dat naast ondersteunend personeel momenteel bestaat uit vijf agenten en een junior-agent. Sinds 2010 verkoopt Sebes & Bisseling namens een groeiend aantal Amerikaanse uitgeverijen de vertaalrechten van hun auteurs in Nederland en Scandinavië. De lijst cliënten op hun website is indrukwekkend lang. Bisseling schat dat hij vijftien tot hooguit twintig procent van zijn tijd aan Nederlandse auteurs kwijt is.
Dat heeft de invulling van zijn werk veranderd. ‘Toen hadden met een auteur meerdere redactierondes. Soms deden we zelfs line-editing. Nu kijken we meer op structuur en grote lijnen naar manuscripten. Als line-editing al gebeurt, doet iemand anders dat onder mijn begeleiding. Maar we concentreren ons meer op de hoofdtaak van een literair agent: de tekst zo goed mogelijk maken, de juiste uitgeverij vinden en een contract voor een auteur sluiten. Ook bemoeien we ons niet meer met iedere publiciteitsuiting. Dat is het werk van de uitgever.’

Sebes & Bisseling krijgt ieder jaar ongeveer duizend manuscripten. Ondanks de groei van selfpublishing blijft dat aantal stabiel. ‘Ik denk niet dat we door selfpublishing out of business zal raken’, zegt Bisseling zelfverzekerd. ‘Veel mensen zijn echt bezig met schrijven. Die willen niet ook dat uitgeefwerk doen. Dat kost heel veel tijd – en geld. Bovendien geeft het veel erkenning als je aandacht krijgt van een uitgever of de pers. Het logo van een uitgever op je boek is en blijft een keurmerk.’
Een groot deel van de manuscripten komt ongevraagd binnen. Bisseling ziet daar hooguit tien procent van nadat medewerkers de – oneerbiedig gezegd – ‘rotzooi’ eruit hebben gezeefd. Kansrijker zijn dan de manuscripten die via via bij hem terecht zijn gekomen. ‘Als je het met een positieve aanbeveling krijgt, al is van de moeder van een kennis, kijk ik er toch sneller naar. Niet dat ik minder streng ben, maar het geeft aan dat die mensen bewuster met schrijven bezig zijn: ze vertellen in hun omgeving over hun ambitie en proberen in het literaire netwerk te komen.’
Bisseling kijkt dan niet alleen naar kwaliteit – ‘en dat bedoel ik breed: het kan een goed non-fictie-idee zijn, maar ook een heel commerciële thriller’. Hij kijkt ook naar verkoopbaarheid. Ofwel: ‘Bij welke uitgeverij zou dit passen? Ken ik een redacteur die erop zou vallen?’ Het helpt daarom als aspirant-auteurs in hun begeleidend schrijven een haakje geven waaraan hij het kan ophangen. ‘Of ze duidelijk maken wat de doelgroep van hun boek is. En dan niet “vrouwen boven de 30”, maar specifieker.’

Paul Sebes publiceerde in 2008 Bestseller. Wat elke beginnende schrijver moet weten, een boek vol tips over schrijven én publiceren. Bisseling schreef daar al aan mee. Deze zomer komt Sebes met een herziene uitgave – nu wél met Bisseling als co-auteur. Alweer een bestseller. Tips en belevenissen van twee literair agenten, zoals het nu gaat heten, verschijnt naar aanleiding van een tv-programma rond beide agenten waarover Bisseling nog niets wil zeggen.
‘De tips over het schrijfproces veranderen we niet’, vertelt hij, ‘maar de uitgeefwereld is zo veranderd. Dat deel moet helemaal worden geactualiseerd. Selfpublishing en e-boeken zijn in opkomst. Sociale media zijn heel belangrijk geworden. Als een auteur 10.000 volgers op Twitter heeft, zegt dat iets over zijn verkoopbaarheid. Ook zijn de manieren waarop je een manuscript moet inleveren veranderd. Van ons moet iedereen zijn boek digitaal inleveren. Al dat geschuif met papier is verspilde tijd en moeite.’
Maar ook als de tips hetzelfde blijven: soms is dat hard nodig. ‘In de eerste versie stond al: schrijf gewoon een keurige, nette begeleidende brief. Dat heeft totaal niet geholpen. We krijgen nog steeds brieven vol taalfouten. Dat begint al bij de aanhef: “Geachte Sebus & Besseling” – in plaats van Sebes & Bisseling. Hoe graag wil je dan door ons worden vertegenwoordigd? We krijgen ook nog vaak geparfumeerde brieven met allemaal versieringen. Doe dat niet. Stop je originaliteit liever in je boek.’
(Eerder gepubliceerd in Schrijven magazine 4, 2016) 

Zie ook:

vrijdag 9 september 2016

Wordt Viktor Frölke binnenkort ontslagen om wat hij schrijft over Arie Storm?

'De gesp van de flap van mijn fietstas komt tussen de ketting, als ik hem eruit trek, zitten mijn handen onder het smeer. Ik denk: ha, een mooie smoes om bij Arie Storm aan te bellen, de meest gevreesde criticus van Amsterdam en omstreken, of ik mijn handjes mag wassen. Kan ik mooi Storm heiligdommetje checken. Misschien dat ik dan toch even over de rand van de wc-bril pies, omdat hij mijn laatste roman heeft genegeerd.
Maar als ik voor zijn huis sta, trek ik een roze briefje uit mijn tas met daarop Arie Storm schrijver).
Op de achterkant: Paps en mans.
Poststempel Zwolle.
Ik ben geroerd.'
(Uit: Viktor Frölke, Dagboek van een postbode, p. 36)

Wat een eerlijk verslag. Dat dacht ik toen ik Viktor Frölkes Dagboek van een postbode las. Hij schaamt zich voor zijn falen als romanschrijver waarmee hij iedere dag dat hij in PostNL-tenue over straat loopt, te koop loopt. Hij schroomt niet om over de bekende namen te schrijven bij wie hij post bezorgt – onder wie auteur Arie Storm en 'happy hooker' Xaviera Hollander. Maar ook bekent hij weleens post te ontvreemden. En niet altijd alles te bezorgen. Hij spaart niemand en zeker zichzelf niet. Het kon dus niet anders, dacht ik, of het dagboek zou eindigen met zijn afscheid als postbode. Quod non. Hij kan ondanks het niet-terugvorderbaar voorschot dat hij voor dit dagboek kreeg niet zonder de schamele inkomsten, schrijft hij in zijn nawoord. Ik ben dus benieuwd of hij binnenkort ontslagen wordt, als zijn bazen dit boek lezen. En dat zullen ze zeker doen.

UPDATE 3 oktober: De postbode is op non-actief gesteld, schrijft hij hier.

donderdag 8 september 2016

Vereniging van Zelfstandige Uitgevers organiseert voor het eerst eigen boekenbeurs (Boekblad)

De Vereniging van Zelfstandige Uitgevers (VZU) organiseert dit najaar voor het eerst een eigen Boekenbeurs. Over precies een maand, op 8 oktober. presenteren ongeveer vijftig leden hun aanbod in de Nicolaïkerk in Utrecht. Het motto: 'Andere uitgevers, bijzondere boeken'.

'Veel van onze leden zoeken altijd naar extra mogelijkheden om hun boeken onder de aandacht te brengen', verklaart VZU-bestuurslid Thijs VerLoren van Themaat de gedachte achter de beurs. 'Het is vaak moeilijk om in de maalstroom van recensie te komen. De uitgaven liggen ook niet altijd in de boekhandel die, heel begrijpelijk, eigen keuzes voor zijn assortiment maakt. We hebben dan wel een eigen webshop met Boekenroute, maar veel mensen willen boeken toch graag ter hand nemen.' 
De beurs duurt van 10 tot 17 uur en is gratis toegankelijk. De VZU-leden betalen vijftig euro voor een tafel, waarmee de kosten voor de huur van de Nicolaïkerk – mooi centraal gelegen in het land – zijn gedekt. VerLoren van Themaat: 'We hebben zo'n tweehonderd leden, maar daar zitten ook heel wat slapende leden tussen. Van de actieve leden is een groot aantal present. Zij grijpen de beurs ook aan om nieuwe boeken te lanceren of om auteurs te laten signeren.'
De VZU-beurs is nadrukkelijk niet bedoeld als alternatief of concurrent voor de Beurs voor Kleine Uitgevers, die al jaren begin december in het Amsterdamse Paradiso plaatsvindt. 'Die beurs heeft een andere uitstraling', legt VerLoren van Themaat uit. 'Daar liggen meer bibliofiele uitgaven. Wij maken toch eerder boeken voor een groter publiek. Dat willen we de kans geven onze uitgaven te ontdekken. Het is wel waar dat sommige van onze leden ook in Paradiso staan.'
De boekenbeurs wordt volgend jaar opnieuw georganiseerd als de eerste editie voldoende belangstelling trekt – en de leden er blijkens een evaluatie zelf tevreden over zijn. De organisatoren mikken daarbij op minimaal duizend bezoekers. 'Het is moeilijk te zeggen hoeveel mensen er komen. Dankzij sociale media, lokale pers en de netwerken van alle deelnemende uitgeverijen zou dat minimaal toch gehaald moeten worden. We hopen natuurlijk op veel meer.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 30 aug)

Zie ook:

woensdag 7 september 2016

Gouden Ganzenveer 2002-2016 – mijn werk geëxposeerd in Amsterdam

Sinds gisteren is het zover. Bijzondere Collecties, de erfgoedbibliotheek van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, toont de vijftien publicaties die sinds 2002 jaarlijks zijn gemaakt over de laureaten van de Gouden Ganzenveer. Aanvankelijk werd ieder jaar een andere toonaangevende vormgever gevraagd. Sinds 2007 ontwierp Piet Gerards Ontwerpers de uitgave. Dat betekent dat het boekje dat is gewijd aan Xandra Schutte, de laureaat van dit jaar, de tiende is die hij heeft gemaakt.
Het dubbele jubileum van vijftien jaar Gouden Ganzenveer-boekjes en tien jaar ontwerp door Piet Gerards is aanleiding voor de expositie. Ik heb er niets mee te maken. Maar het voelt wel degelijk als een expositie van mijn werk. Ik heb elf van de vijftien boekjes geschreven en geredigeerd. En ik heb – vanzelfsprekend, zou ik zeggen – de tentoonstellingsteksten geschreven.

De kleine expositie is nog tot en met 18 september te zien op de Oude Turfmarkt 129 in Amsterdam. Zie www.bijzonderecollecties.nl.

dinsdag 6 september 2016

Elena Ferrante is de nieuwe Karl Ove Knausgard

De Napolitaanse romans van Elena Ferrante is voor mij de opvolger van Mijn strijd van Karl Ove Knausgard. Op het eerste gezicht lijkt dat gek. Is er meer overeenkomst dan dat beide romans zeer lang en meerdelig zijn? Over Ferrante is niets bekend. Zij schuwt elke publiciteit, zozeer dat zelfs wordt betwijfeld of haar boeken door een man of een vrouw zijn geschreven. Al heeft ze e-mailinterviews gegeven, er is niets, maar dan ook niets over haar bekend. Terwijl Knausgard geen gelegenheid voorbij laat gaan om te benadrukken dat zijn werk autobiografisch, authentiek en genadeloos eerlijk is. De manier waarop ze zichzelf inzetten voor hun schrijverschap kan niet meer van elkaar verschillen.
En toch. In beide boeken wordt de ziel van een mens haarscherp in alle nuances blootgelegd. In de onversneden fictie van Ferrante (als het dat inderdaad is) en in de pure non-fictie van Knausgard (al heeft hij om mensen te beschermen namen veranderd en sommige feiten verzwegen) biecht een mens in de eerste persoon enkelvoud alles op wat zij respectievelijk hij heeft gedacht en gevoeld. Dat was soms verward – soms kun je tegengestelde gevoelens tegelijk hebben. Dat was niet altijd even fraai. Dat was soms schaamtevol. Maar het wordt allemaal verteld. Alles wat de mens tot mens maakt. Er wordt niets verdoezeld. Zo krijgt de lezer de illusie dat hij de hoofdpersonen leert kennen zoals geen mens van vlees en bloed in staat zichzelf te laten kennen.
Zeker, er is meer te zeggen over De Napolitaanse romans. Het verhaal draait, meer dan om Elena zelf, om de vriendschap met Lila – twee meisjes, later vrouwen die elkaars diapositief zijn. Allebei leiden ze het leven dat de ander had kúnnen leiden. Dat roept op een intelligente en sterke manier de vraag op naar de beslissende factor waarom een mens uitgerekend het leven leidt dat hij heeft. De cyclus geeft ook een mooi tijdsbeeld van het Italië van vlak na de oorlog tot eind jaren zeventig, waar deel drie (van de vier) eindigt – ongeveer zoals de Duitse geschiedenis in de filmcyclus Heimat, hoezeer die ook op de achtergrond blijft, van doorslaggevend belang wordt gemaakt.
Zeker, het is allemaal waar. Maar het is de diepe afdaling in de menselijke ziel – datgene wat volgens Oek de Jong de roman tot een unieke kunstvorm maakt (zie hier) –  die De Napolitaanse romans voor mij zo onweerstaanbaar maakt.

Zie ook:

maandag 5 september 2016

Interview Sjoerd Kuyper over diversiteit in de (jeugd)literatuur (Boekblad)

Hoe ervaren schrijvers boekhandels, uitgevers en de boekenvakorganisaties? In de rubriek 'Schrijvers & het boekenvak' Sjoerd Kuyper die de Jenny Smelik-IBBY-prijs kreeg voor De duik. Hij hoopt dat meer auteurs met niet-Nederlandse achtergrond jeugdboeken gaan schrijven.

Kuyper (1952) kreeg de prijs voor een jeugdliterair werk dat aandacht besteedt aan cultuur van etnische minderheden samen met illustratrice Sanne te Loo van De duik. In deze jeugdroman – eerder genomineerd voor de Woutertje Pieterseprijs en bekroond met een Vlag en wimpel en De Glazen Globe – ontdekt Roly, zoon van een Nederlandse moeder en Curaçaose vader, liefde, vriendschap én de geschiedenis van Curaçao. 'Etniciteit en afkomst vormen belangrijke thema's, zonder dat ze in een pessimistisch daglicht geplaatst worden', oordeelde de jury. 'Integendeel, Sjoerd Kuypers tekst leest als een ode aan het leven op Curaçao en de schoonheid van de verbondenheid van mensenlevens over de grenzen van de continenten heen.'

Gefeliciteerd. Wat betekent de Jenny Smelik-IBBY-prijs voor u?
'Heel veel, omdat met deze prijs niet alleen waardering wordt uitgesproken voor het literaire niveau van mijn werk maar ook voor de inhoud. Ik ben een schrijver die niet alleen de literatuur mooier wil maken maar ook de wereld daarbuiten – middels mijn werk. Als dat streven beloond wordt, kan ik alleen maar gelukkig zijn.'

Is het belangrijk dat er een prijs bestaat die jeugdliteratuur bekroont die de cultuur van etnische minderheden aan de orde stelt?
'Er zijn prijzen voor sportboeken, natuurboeken, historische boeken, reisboeken – nou dan mag je de Jenny Smelik-IBBY-prijs toch wel een van de belangrijkste prijzen noemen, als je even om je heen kijkt in het Nederland van 2016. We worden overspoeld door culturen van verre, de ene nog boeiender dan de andere, maar we zien meestal alleen de buitenkant. Boeken kunnen de ziel laten zien, het hart. En als er dan een prijs is die boeken die dat doen onder de aandacht brengt, ja, dan is dat ongelooflijk belangrijk.'  

Is er in de literatuur voldoende aandacht voor deze culturen?
'In de literatuur voor volwassenen wel, vind ik. Iedere nieuwe Nederlander die een goed boek schrijft, wordt uitgegeven. Uitgevers laten zich niet afschrikken, zoals in de rest van de maatschappij duidelijk nog wel gebeurt, door een wat donkerder huid of een aanvankelijk wat lastig uit te spreken auteursnaam. Maar de literatuur staat dan ook traditiegetrouw aan de ruimdenkende kant. De jeugdliteratuur daarentegen is nog steeds behoorlijk wit. Dat komt, zo vrees ik, omdat de Nederlandse schrijvers van buitenlandse komaf het jeugdboek nog niet hebben ontdekt. Geen idee waarom niet. Dat is misschien cultureel bepaald. Daar zou ik wel eens een goed jeugdboek over willen lezen.'

In Vlaanderen organiseert Studio Sesam een 'leer- en creatietraject' om nieuwe auteurs cultureel diverse prentenboeken te laten maken. Zijn zulke initiatieven ook in Nederland nodig?
'Nee. Er moeten initiatieven komen om schrijvers uit andere culturen te wijzen op het enorme belang van de jeugdliteratuur. Het is voor mij onmogelijk om een boek te schrijven over een Irakees jongetje of meisje. Ik ken zijn of haar diepste gedachten en dromen niet. Het schrijven van mijn boek De duik duurde op zich niet zo lang, maar ik heb er vijftien jaar over gedaan voor ik met het schrijven van een boek over Curaçao durfde te beginnen. Ik durfde pas na talloze bezoeken aan het eiland en de diepe gesprekken die ik met mijn vriend en collega Roland Colastica voerde toen ik hem hielp met het schrijven van zijn boek Vuurwerk in mijn hoofd. Onze harten lagen naast elkaar op tafel. Uiteraard heb ik het script van De duik eerst aan Roland laten lezen voor het naar de uitgever ging. Goddank zei hij: "Het is bijna niet te geloven dat dit door een makamba is geschreven." Daar kan geen prijs tegenop. Ik wilde niet over de buitenkant van Curaçao schrijven, maar over het hart, de ziel. Dat is gelukt, het kan dus wel, maar ik heb niet nog eens vijftien jaar om me in een andere cultuur te verdiepen. Dus moeten de schrijvers die uit die andere cultuur komen daarover schrijven. En alsjeblieft ook voor kinderen.'

Zijn boekhandels en de rest van het boekenvak net zo ruimdenkend als uitgevers?
'Ik geloof oprecht dat iedereen in het boekenvak elk goed boek met open armen zal ontvangen en recenseren en promoten en verkopen waar maar mogelijk, maar ja, als gezegd, het is onze eigen linkse parochie. En misschien denken de direct betrokkenen er anders over, dat moet u hen vragen.'

Maar er werken weinig mensen van niet-Nederlandse achtergrond in het boekenvak. Is dat een probleem?
'Daar heb ik geen antwoord op. Want ik weet niet hoe het komt.'

Heeft u het idee dat de cultuur van etnische minderheden voor lezers van belang is? Willen lezers van De duik iets weten over de voor hen vreemde locatie waar het boek zich afspeelt: Willemstad?
'Ja, al is het maar om de taal. Denkt u dat ik veertig jaar geleden, toen ik begon met schrijven, de woorden hart en ziel in de mond had durven nemen? Geen sprake van. Onze taal wordt momenteel enorm verrijkt door de boeken die hun oorsprong in andere culturen hebben. En waar de rondrazende angst de deuren sluit, daar zet de literatuur de ramen wijd open. Zo veel nieuwe verhalen, zo’n nieuwe blik op de wereld, zo veel ellende waarvoor wij altijd de ogen wilden sluiten, zo veel nieuwe schoonheid, alles zo veel intenser.'

Het Nederlands Letterenfonds had vroeger regelingen ter stimulering van auteurs uit andere culturen. In dat kader hebt u in 2010 Roland Colastica gecoacht. Hoe erg is het dat zulke regelingen zijn verdwenen?
'Dat is heel, heel erg. Het is, als gezegd, enorm belangrijk dat wij uit de eerste hand kunnen lezen over die andere culturen en zeker ook hoe die botsen met of juist samengaan met de oorspronkelijke Nederlandse cultuur. Je kunt in een nieuw land met een lastige taal niet zo maar een goed boek schrijven, daar heb je zeker in het begin hulp bij nodig. Die hulp moet volop geboden worden, want die boeken moeten er komen.'

In het verslag van uw coachingsproject, gepubliceerd in Kwaaie verhalen van liefde, pleit u voor een Kinderboekenweek over 'Verhalen van overal en hier'. Is de kans sindsdien gegroeid dat de Kinderboekenweek dat thema krijgt?
'Mijn plan heet officieel: Van overal en hier - verhalen die hierheen kwamen om te blijven. En natuurlijk wordt dat ooit het thema van de Kinderboekenweek. Het zal, zo hoop ik althans, een enorme stimulans zijn voor onze nieuwe schrijvers om ook voor kinderen te gaan schrijven. CPNB staat voor Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek. En wat is er nou Nederlandser dan boeken met verhalen uit andere culturen die hierheen kwamen om te blijven?'
(Eerder verschenen op Boekblad.nl, 1 sep 2016)

ERRATUM. Studio Sesam zoekt juist auteurs met een cultureel diverse achtergrond om nieuwe verhalen te maken. In mijn vraag hierboven heb ik het ongelukkig geformuleerd waardoor er juist het tegenovergestelde staat. Ik heb het laten staan, omdat anders het antwoord niet meer goed aansluit.

Zie ook interviews met:

zondag 4 september 2016

Des romans français: Binet houdt in 'De zevende functie van de taal' de taal en de lezer volledig in zijn greep

Laurent Binet heeft met La septième fonction du language een prachtig en veelkleurig palet geschetst waarbij de functies van de taal een rol spelen en spanning de leidraad is.

Het verhaal begint bij een aanrijding van Roland Barthes in 1980, een Franse filosoof en taalkundige die zich vooral bezighield met semiologie, het ontstaan en het gebruik van tekens. Het lijkt in eerste instantie te gaan om een noodlottig ongeluk, maar aangezien Barthes van een lunchafspraak met presidentskandidaat Mitterand kwam, wordt er toch iets achter gezocht. Giscard d’Estaing, op dat moment president, gelast een onderzoek, want stel nu dat Mitterand zijn gasten te diep in het glaasje heeft laten kijken, dat zou toch een mooi schandaal opleveren en Giscard meer kans geven op een overwinning bij de op handen zijnde verkiezingen.
Commissaris Bayard, een Maigret type dat belast wordt met deze zaak, heeft weinig op met het intellectuele milieu waarin Barthes vertoefde en kent in sommige gevallen alleen de namen van grote filosofen en essayisten uit de omgeving van de taalkundige, zoals Foucault, Derrida en Sollers. Tijdens een verhoor in het ziekenhuis blijkt dat Barthes papieren op zak had die na het ongeluk zijn verdwenen. Bayard probeert zich te verdiepen in het werk van Barthes, maar ‘(…) comprend qu’il ne comprend rien, ou pas grand-chose, à toutes ces conneries. Il lui faudrait (…) un spécialiste, un traducteur, un transmetteur, un formateur.’ Bij de afdeling semiologie van de universiteit vindt hij universitair docent Simon Herzog, die juist een lezing geeft over de betekenis van tekens in de James Bond-films. Tijdens het gesprek na het college blijkt Herzog een soort Sherlock Holmes die aan slechts enkele uiterlijke kenmerken van Bayard diens hele levensgeschiedenis kan herleiden.
Bayard en deze academicus zullen samen proberen het mysterie rond het ongeluk en inmiddels het overlijden, dat ook onder verdachte omstandigheden in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden, te ontrafelen. Ze komen op de thee bij Giscard d’Estaing, kruisen verschillende keren het pad van Foucault, zelfs in een duistere homosauna, en worden op hun zoektocht gevolgd door moordlustige besnorde Bulgaren en behulpzame Japanners. Het boek dat zij op het bureau bij Barthes thuis vinden is van de taalkundige Roman Jakobson, en bij het hoofdstuk over de functies van de taal zit een bladwijzer.
Daar blijken Bayad en Herzog het begin van de oplossing in handen te hebben. De zes functies van de taal volgens Jakobson zijn: ergens over praten en informatie geven; emoties uitdrukken aan de hand van tussenwerpingen en bijwoorden; een boodschap over brengen aan de ander; het praten om het praten, keuvelen zonder dat het echt om de inhoud gaat; over taal praten en als laatste de poëtische functie waarbij het gaat om de schoonheid van de taal, de klank en het ritme. Maar er moet een zevende functie zijn. En stel dat Barthes deze op het spoor was en dat deze functie wie dan ook kon aan zetten om wat dan ook te doen. Dat zou macht geven.
De zoektocht naar deze zevende functie, die ergens op een blaadje moet staan, doet de twee detectives, hoewel Simon dat tegen wil en dank is, belanden in Bologna bij Umberto Eco. Daar, evenals in Parijs, zijn ze aanwezig bij een internationale debatersvereniging waar het er hard aan toe gaat en waar taal het onontbeerlijke wapen is en zijn ze getuige van de bloedige bomaanslag op station. Was die voor hen bedoeld? Uiteindelijk moeten ze naar de Verenigde Staten op zoek naar de Amerikaanse filosoof Austin die wellicht meer weet over deze zevende functie.
Al naar gelang het verhaal vordert, vraagt Simon zich af en toe ook af of het allemaal wel echt gebeurt, of Bayard en hij niet in een roman leven. Hij overpeinst op cruciale momenten wat hij zou doen als hij in een roman zat en confronteert Bayard met zijn twijfel over wat realiteit is.

“Comment tu sais que tu n’es pas dans un roman? Comment tu sais que tu ne vis pas à l’intérieur d’une fiction? Comment tu sais que tu es réel?

Zeker aan het eind, wanneer Simon tegenover de maffia komt te staan en voor zijn leven moet vrezen, beklaagt hij zich over de schrijver van de roman waar hij in speelt. Dat deze wel een hardgrondige hekel aan Simon moet hebben om hem zo aan zijn einde te laten komen. Het lijkt op de film Ober van Alex van Warmerdam, waarin de hoofdpersoon in discussie gaat met zijn schepper. Simon weet net op tijd het tij te keren (of doet de schrijver dat?), door net als bij de eerste keer dat hij Bayard ontmoette, te letten op de uiterlijke tekens van degene die hem op het punt staat om te brengen en diens jeugd en afkomst te herleiden en zo een ander licht op de situatie te laten schijnen. Zo redt hij zijn eigen leven. Dat is ook taal, het omzetten van tekens naar een betekenis die weer leidt tot iets wat eerst niet leek te kunnen.
In meeslepende zinnen waarbij dialogen en gedachten de vaart erin houden wordt de lezer langs allerlei op het eerste gezicht vervreemdende plekken en situaties geleid. Dat het mogelijk toch realiteit kan zijn, komt door de bestaande personages en gebeurtenissen die een belangrijke rol spelen, zoals de bomaanslag op het station in Bologna in 1980. Binet lijkt er geen moeite mee te hebben de filosofieën en onderzoeken van grote denkers en taalkundigen uit die tijd samen te smeden tot toegankelijk een spannend verhaal. Tegelijkertijd speelt hij met fictie en realiteit en daagt hij de lezer uit na te denken over de functies van de taal. Wat kan er zo krachtig zijn dat het andere overtuigt en mee kan slepen in een wereld die eerst niet de zijne was? Wat is taal? Waarom en waartoe gebruiken we taal? En is taal voldoende om te communiceren? Zoals Uberto Eco gezegd zou kunnen hebben:

'pour communiquer, la langue, c’est parfait, on ne peut pas faire mieux. Et cependant, la langue ne dit pas tout. Le corps parle, les objets parlent, l’Histoire parle, les destins individuels parlent sans arrêt de mille façons differents.’

En deze roman spreekt. Gelukkig maar.


Arjen van Meijgaard

Zie ook: