dinsdag 18 oktober 2016

Van Dis’ Ik kom terug bevat in het Duits een extra kinderliedje

Een dezer dagen verschijnt Ik kom terug van Adriaan van Dis in het Duits. Onder de vreselijke, maar waarschijnlijk commercieel véél aantrekkelijker titel Das verborgene Leben meiner Mutter. Zou het boek, dat in Nederland weet ik veel hoeveel weken in de Bestseller 60 heeft gestaan, dan ook een bestseller worden? Als dat het geval is, zal Van Dis wellicht vrede kunnen hebben met deze titel.
Toevallig heb ik begrepen hoe intens de auteur betrokken is geweest bij de vertaling. Van Dis heeft echt niet gedacht: laat die Duitsers maar aanrommelen met mijn tekst. Eerder het tegendeel.
Toen ik in maart de vertaalster Marlene Müller-Haas interviewde voor Boekblad, verbleef ze in het Vertalershuis om aan deze vertaling te werken. Een dag ervoor was Van Dis bij haar langs geweest. Onder andere hadden ze lang gesproken over een oorlogsliedje dat de verteller van Ik kom terug zingt (ik kan het helaas, heen en weer bladerend, zo snel niet terug vinden). Müller-Haas wilde dat vertalen door een ander, in Duitsland zeer bekend kinderliedje te gebruiken. In Duitsland, legde ze uit, associeert iedereen dat met oorlog.

Maykäfer, flieg!
Der Vater ist im Krieg.
Die Mutter ist in Pommerland.
Und Pommerland ist abgebrandt.

Na lang praten vonden vertaalster en auteur een compromis door zowel het oorspronkelijke Nederlandse als dit Duitse liedje te citeren. ‘Zo verandert het boek in vertaling een beetje. Ik vind dat mooi’, zei Müller-Haas.
En wat gebeurde toen ik na afloop van het interview naar huis ging? Ik las verder in Gaan, ging, gegaan van Jenny Erpenbeck. En jawel: Prompt kwam ik hetzelfde liedje tegen. In Nederlandse vertaling van Elly Schippers.

Meikever vlieg!
Je vader is in d'oorlog,
Je moeder is in Pommerland,
Pommerland is afgebrand,
Meikever vlieg!


Zie ook:

maandag 17 oktober 2016

Interview Kris Landuyt (De Slegte): we bouwen het bedrijf in Nederland weer op met oud-medewerkers (Boekblad)

Sinds 8 oktober geopend: de tweede vestiging van De Slegte in Nederland. Na Leiden kunnen de oude klanten van het in 2014 in Vlaanderen doorgestarte bedrijf nu ook in Rotterdam terecht. Zij zijn er net zo blij mee als de oude medewerkers, zegt woordvoerder Kris Landuyt.
  
Waarom komt De Slegte uitgerekend nu naar Rotterdam?
'Meteen na de doorstart in Vlaanderen was het de bedoeling om in Nederland terug te keren. Maar we wilden niets forceren. We hebben gewacht tot een goed, betaalbaar pand beschikbaar kwam. Toevallig was dat eerst Leiden en nu Rotterdam, maar het had ook Amsterdam en Den Haag kunnen zijn. De vestiging-Rotterdam is met bijna 500 m2 groot genoeg. De Hoogstraat is een plek met behoorlijk veel passage.'

Het is geen kwestie van: nu is er financiële ruimte om te groeien?
'Dat speelt niet echt mee. Goed, je kunt geen zeven winkels tegelijk openen. We bouwen wel rustig op.'

Maar: Hoe langer het duurt, hoe meer mensen De Slegte vergeten? In Rotterdam is de naam zeker drie jaar uit het straatbeeld verdwenen.
'Dat is tot op heden gelukkig geen probleem. Ik hoorde afgelopen week uit Rotterdam dat als de deur even opstond, mensen binnen kwamen met de armen in de lucht en de duimen omhoog, roepend hoe tof het is dat we terug zijn. We merken ook veel enthousiasme op onze Facebookpagina. En we zien via onze site hoeveel mensen zoeken op "de slegte". Dat doet natuurlijk deugd.'

De winkel wordt gerund door oud-medewerkers. Zaten die na al die tijd nog zonder baan of hebben die ontslag genomen om terug te komen?
'Allebei. De zaakvoerster Sanne Hijink heeft bijvoorbeeld, nadat het fout ging in Nederland, twee jaar bij ons in Antwerpen gewerkt en keert nu terug. Anderen hebben banen elders in het vak gehad. Blijkbaar wilden zij toch graag terugkomen. Wij hebben er – ook voor Leiden – in ieder geval op aangestuurd. Het is goed om mensen te hebben die het bedrijf al kennen en de benodigde specifieke boekenkennis hebben.'

Bestaat er zoiets als een De Slegte-familiegevoel?
'Jazeker. Dat drijft op liefde en passie voor boeken. Dat klinkt cliché, maar is wel waar. Er is ook trots op het bedrijf omdat het zo uniek is. De Slegte is geen gewone boekhandel. Het valt tussen alle categorieën in. En je hebt hier alle soorten boeken en een groter aanbod dan welke boekhandel ook. Bovendien blijft het verrassend. Elke dag gebeuren nieuwe dingen.'

Dat geldt ook voor u – na dertig jaar bij De Slegte?
'Natuurlijk. Ik spreek ook over mezelf. Ik word elke dag verrast. Logisch, er verschijnen elke dag nieuwe boeken, maar er is ook zo veel interessants dat je voor het eerst tegenkomt. Zelfs na al die jaren. Ik voel behalve trots ook blijdschap, omdat datgene wat nooit teloor had mogen gaan, nu weer wordt opgebouwd.'

De winkel in Rotterdam krijgt enkele computers op de vloer. Waarom?
'Een van onze sterke punten is de breedte van ons assortiment. Niet alleen in één winkel, maar ook in zes winkels bij elkaar opgeteld. Door de computers kunnen mensen die een specifiek boek zoeken, zien of we dat in één van de andere vijf hebben en het bestellen. Overigens duurt het nog even voor die computers er daadwerkelijk staan, maar ze zijn onderweg.'

Ook de bestellingen via internet groeien?
'Zeker. Ik kan nog niet te zeggen dat internet ons grootste filiaal is, maar het groeit gestaag. Door de opening in Rotterdam zal de omzet vanuit Nederland een flinke sprong maken – omdat we er nu een extra winkelvoorraad in Nederland aan toevoegen. Om dezelfde reden gaan we ook vaker Nederlandse uitgevers actief benaderen voor kleine restanten. Met twee winkels in Nederland loont dat weer de moeite. Tot nu toe was onze ramsj erg Vlaams-gericht. En uiteraard mogen de uitgevers ons ook zelf bellen.'

De tweede winkel wordt natuurlijk snel gevolgd door een derde?
'Niet meer dit jaar, maar hopelijk wel in 2017. Daar gaan we althans van uit.'

Hoe gaat het eigenlijk met de markt voor het tweedehands boek?
'Voor zover ik kan zien is die stabiel tot licht groeiend. Er zijn natuurlijk geen cijfers. Je kunt alleen je eigen resultaten zien. En die zijn goed.'

Betekent dat dat De Slegte marktaandeel wint? Ten koste wellicht van alle nieuwe initiatieven na het verdwijnen van De Slegte in 2014 – zoals tweedehands verkoop bij winkels als Paagman of shop-in-shopconcepten als Re-Bookstore?
'Dat is moeilijk in te schatten. Ik denk in ieder geval niet dat we daar last van hebben. De nieuwe initiatieven vulden de ruimte in die het einde van De Slegte liet ontstaan, maar ik denk dat die ruimte nog groter is. Die vullen wij nu in. Daarbij is het een voordeel als je een merknaam als De Slegte achter je hebt.'

Concurreren jullie de nieuwe initiatieven nu weg?
'Geen idee. Ik hoor wel dat de een succesvoller is dan de andere, maar ik heb geen zicht op wat lokaal gebeurt. Als je het goed aanpakt en werkelijk specifieke kennis in huis haalt, kan een boekhandel succesvol zijn met tweedehands. We hebben ook wel informele gesprekken gevoerd om shop-in-shopconcepten neer te zetten. Die hebben niet tot resultaat geleid, maar we staan daar niet principieel weigerachtig tegenover.'

Tijdens de afwezigheid van De Slegte in Nederland is het fenomeen van minibiebs enorm gegroeid. Iedereen kan daar om de hoek gratis boeken halen. Is dat lastig voor jullie?
'Nee. Er zijn zo veel manieren waarop een boek van eigenaar kan wisselen. Dit is er een van. De kwestie is: als je een specifiek boek zoekt, waar ga je dan heen? Dan ga je liever naar een winkel met een enorm assortiment dan op de fiets alle minibiebs af. Goed, een keer is dat leuk, maar het is geen fundamentele concurrentie. Ook als je je wilt laten verrassen, snuffel je liever in een winkel met ruime keuze.'

En de concurrentie van een partij als het aanhoudend groeiende Boekwinkeltjes?
'Er wordt heel veel aangeboden op internet tegen soms heel lage prijzen. Maar welk boek is goed? Niet alleen wat betreft de inhoud, maar ook wat betreft de staat waarin het verkeert. Dan is het belangrijk dat wij de vakkennis hebben, slim kunnen selecteren en zo de klant het mooiste aanbod kunnen presenteren. Of het nu ramsj is of tweedehands. Dat is de wedstrijd die je loopt. Ook daarom ben ik blij dat we zo veel ervaren oud-medewerkers in Rotterdam hebben rondlopen.'
(Eerder in iets uitgebreidere vorm gepubliceerd op Boekblad.nl, 9 okt)

zie ook:

zondag 16 oktober 2016

Des romans français: Philippe Claudel, 'L’arbre du pays Toraja'

De boom en het leven

Met L’arbre du pays Toraja trakteert de schrijver ons als lezer op een prachtige reflectie op het leven en de dood. En vooral de wisselwerking daartussen. Welke impact heeft de dood van een dierbare op ons leven? Wordt alles dan ineens relatief, gaan we zelf proberen er meer van te maken, of brengt het ons aan het wankelen en is het iets om zelf constant rekening mee te houden?
Een filmmaker van middelbare leeftijd is in Indonesië voor een project en komt daar in contact met het Toraja-volk. Begrafenissen bij dit volk duren weken, maanden, soms zelfs een jaar.  Alle familieleden moeten aanwezig zijn, en dat kan een flink aantal mensen betekenen die van allerlei eilandjes uit de archipel moeten afreizen naar de plechtigheid. Dat kost tijd. En gedurende die tijd wordt de dode niet beschouwd als dode, maar als zieke. Overleden baby’s worden in een holte in de stam van een grote boom gelegd. In de loop der jaren reizen ze op die manier richting de hemel. Het zijn rituelen die de dood een andere plek geven in het bestaan dan wij dat doen. De dood is daar geen afsluiting van het leven, maar een overgang naar iets anders.
Bij thuiskomst in Parijs hoort de ik-persoon op zijn antwoordapparaat een berichtje dat Eugène, zijn beste vriend, kanker heeft: Tu vas rire, me disait il, j’ai un vilain de cancer.
Naast ‘dood’ en ‘leven’ speelt ook de liefde een belangrijke rol in dit boek. Aloude thema’s die Claudel op lichtvoetige maar indringende wijze voor het voetlicht weet te brengen zonder in clichés te vervallen. Eugène heeft een aantal kinderen uit verschillende huwelijken. Steeds raakt hij weer verliefd. Zelfs in het ziekenhuis doet hij de verpleegster een huwelijksaanzoek. Gekscherend, maar toch met een kern van waarheid. Is hij bang om alleen te zijn? Om alleen te sterven? De ik-persoon maakt het minder bont, maar moet wel kiezen tussen twee vrouwen. Zijn ex Florence, met wie hij nog steeds goed bevriend is en met wie hij ook nog van tijd tot tijd naar bed gaat. En een benedenbuurvrouw, Elena, die hij vaak observeert wanneer ze uit haar werk komt en op bed gaat liggen met haar laptop. Vanuit zijn studeerkamer kan hij haar precies zien. Haar aanwezigheid, zo op afstand, stelt hem gerust. Als ze elkaar later op een andere manier echt ontmoeten, groeit er al snel een relatie.
Eugène is niet de enige die de ik-persoon met de dood confronteert. Al eerder zijn naasten hem ontvallen, maar dat beseft hij pas nu hij zijn beste vriend ziet langzaam het leven ziet verlaten. Hierdoor besluit hij zich te laten onderzoeken, want hoe weet je eigenlijk wanneer je ernstig ziek wordt?

Quand donc tombons-nous gravement malade ? Quand tout va bien ou quand tout va mal ? Dans la monotonie de jours qui se ressemblent ? Ou bien dans le dérèglement, la rupture d’un quotidien égal

Dit soort treffende overdenkingen  ventileert Claudel vaker. Hij stuurt de lezer niet, maar vertelt zijn verhaal, zijn gedachten, vol twijfel, nuances en relativeringen. Er is geen houvast, geen lijstje met do's and don'ts, het leven ontrolt zich en je hebt erin mee te gaan. Liefde kan daarbij een grote steun zijn. Maar wie heb je lief, en wat als die geliefde je ontvalt? Wordt daardoor de liefde sterker? Kan je iemand nog liefhebben die er niet meer is?
Eugène was niet alleen zijn beste vriend, maar ook zijn producer. Er komt een nieuwe film, de eerste zonder Eugène. De dood die naast het leven altijd aanwezig is, heeft de ‘ik’ niet uit het veld kunnen slaan. Hij herneemt zijn werk en slaat nieuwe paden in. Al blijft de twijfel.

Laquelle des deux, d’Elena ou de Florence, me faisait être le plus vivant ? Faire l’amour avec Florence me rendait à moi-même. Faire l’amour avec Elena me forçait à devenir un autre.

Toch kiest hij voor de laatste. Met het mooie gevolg dat uit die relatie weer nieuw leven ontstaat. En Eugène blijft ook voortbestaan. In zijn gedachten, in zijn woorden, in dit boek :

Eugène n’est plus en dessous. Il est ici. Le texte est devenu l’arbre du pays Toraja.

Een optimistisch verhaal, dat met de dood begint en met het leven eindigt. Claudel laat ons zien dat we ook zo ook naar ons bestaan op aarde kunnen kijken.


Arjen van Meijgaard

Meer Philippe Claudel:

zaterdag 15 oktober 2016

Nikolaus Hansen van Harbourfront literatuurfestival over Nederland & Vlaanderen op de Buchmesse 2016 (Boekblad)


Een goed idee om de Nederlandstalige literatuur tijdens het gastlandschap op de Frankfurter Buchmesse in heel Duitsland te promoten. Dat vindt Nikolaus Hansen van het Harbourfront festival in Hamburg. Nog beter is het om nu een nieuwe generatie voor te stellen.

'Zelden doet een gastland op de Buchmesse zoveel voorwerk'

Nikolaus Hansen heeft het idee al gepusht bij de Börsenverein, de overkoepelende branchevereniging van het Duitse boekenvak. Vanaf nu zou ieder gastland op de Frankfurter Buchmesse het moeten aanpakken als Nederland en Vlaanderen. 'Geen folkloristisch gedoe, waarmee ieder gastland zich altijd presenteert, maar het momentum gebruiken om de naam van een nieuwe generatie in Duitsland te vestigen. De Nederlandse en Vlaamse fondsen doen dat werkelijk geniaal.'
De 64-jarige organisator van het Harbourfront festival in Hamburg, dat ieder jaar in september plaatsvindt, kent – zoals zoveel Duitsers – het werk van Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Remco Campert. 'Maar deze auteurs zijn dood of, om het wat oneerbiedig te zeggen, op weg naar de uitgang. De fondsen gebruiken hun naamsbekendheid echter, die zeker nog wat voorstelt, om een nieuwe generatie te introduceren. 23 jaar na het vorige gastlandschap is dat precies de goede timing.'
De nieuwe generatie geeft deze maand ook op zijn festival acte de présence. Er zijn niet alleen avonden met Cees Nooteboom – de Eröffnungsgast – Leon de Winter, Connie Palmen en Herman van Veen, maar er is ook een ontmoeting met Bregje Hofstede, Joost de Vries, Niña Weijers en Lize Spit, wiens debuten kort geleden in het Duits zijn verschenen (behalve Spit, wier Het smelt pas in het najaar van 2017 bij S. Fischer Verlag zal uitkomen).

Het Harbourfront Festival is een vrij jong festival. De uitgevers Nikolaus Hansen van Marebuchverlag en Peter Lohmann van Scherz Verlag kregen het idee ervoor toen ze samen in het kantoor van de eerste stonden. Ze keken uit over de haven van Hamburg. Wat zou het mooi zijn, dachten ze, om dit ooit als decor te gebruiken voor een literatuurfestival. Nog voor ze het idee hadden ontwikkeld kwamen ze in contact met een financier die direct geld beschikbaar stelde. Toen moesten ze wel.
'De financier is Klaus-Michael Kühne van het logistiek bedrijf Kühne + Nagel,' vertelt Hansen. 'Hij sponsorde van alles in Hamburg op cultureel gebied. Maar hij zocht iets waarvan hij de hoofdsponsor kon zijn. Toen hij van ons idee hoorde, vertrouwde hij ons. Omdat we al zo lang in de uitgeverij werkten, denk ik. We kregen een jaar om ons te bewijzen, daarna zou hij ons nog maximaal twee jaar steunen, maar we zijn aan onze achtste editie toe en zijn stichting is nog steeds hoofdsponsor.'
Het is een bijzonder verhaal, vindt Hansen. 'Hij is een succesvol zakenman met een enorm persoonlijk vermogen die volgens mij in zijn leven nog nooit een boek heeft gelezen, maar die op een of andere manier de smaak te pakken heeft gekregen. We reiken twee prijzen uit op het festival: de Klaus-Michaël Kühneprijs voor beste debuut en de Hamburger Tüddelband, een prijs voor een kinderboekauteur, waarvan zijn vrouw beschermheer is. Ze zijn ieder jaar bij de uitreiking.'

De financiering maakte dat het tiendaagse Harbourtfront Festival bij haar eerste editie in 2009 meteen een succes moest zijn. Dat lukte. De 85 evenementen op 25 verschillende locaties, inclusief schepen, trokken direct 16.000 bezoekers uit heel Noord-Duitsland. 'Dat komt waarschijnlijk omdat Peter en ik jarenlang in de uitgeverij hebben gewerkt', zegt Hansen. 'Wij hebben daarom de juiste contacten. En: de uitgevers kenden ons en konden ons daarom vertrouwen.'
Het festival stelt de lezer centraal. Het gaat dus niet om literatuur of thrillers of kinderboeken of welk ander genre dan ook – nee, het gaat om alle boeken in alle genres. 'In de tien dagen – en de periode erna tot aan de Buchmesse, waarin we losse evenementen organiseren – is er voor iedereen wel een evenement dat voor hem of haar de moeite waard is. Ik denk dat we samen met Lit.Cologne en het Internationales Literaturfestival Berlin de drie grootste boekenfestivals in Duitsland zijn.'
De band met uitgevers is ook cruciaal bij het binnenhalen van grote namen uit binnen- en buitenland. Hansen: 'Veel festivals vragen een auteur rechtstreeks, soms omdat ze die kennen, en diens uitgever moet dan maar meewerken. Wij doen het andersom. Wij bezoeken in januari en februari alle grote uitgeverijen om te praten over hun boeken van het najaar en kijken hoe we kunnen meebewegen met hun publiciteitsplannen. Zo lukt het de allergrootste namen, zoals Stephen King, te krijgen.'

Voor het Nederlands-Vlaamse Team Frankfurt 2016 is de reputatie en omvang van het Harbourtfront festival goed genoeg om samenwerking te zoeken. Het is een van de plekken verspreid over Duitsland waar de Nederlandstalige literatuur sinds maart in aanloop naar de Buchmesse wordt gepresenteerd – naast Keulen, Leipzig, Berlijn, Münster, München en Karlsruhe. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan de wens om in héél Duitsland gastland te zijn.
De organisator van het Harbourfront festival in Hamburg reageerde vorig jaar blij verrast door het telefoontje van Team Frankfurt. 'Ze wilden op een of andere manier deel uitmaken van ons festival', vertelt Hansen. 'Dat kon. We hebben op een fantastische manier nauw samengewerkt. Het is voor het eerst – en ik heb veertig jaar ervaring in het boekenvak – dat ik meemaak een gastland zoveel voorwerk verricht voor de Buchmesse. Dat werkt goed.'
Zal de vele Nederlandstalige literatuur die dit jaar in het Duits verschijnt ook beter in Hamburg en omstreken worden gelezen als het publiek zelf met de schrijvers kennis kan maken? Dat weet Hansen niet. 'Dat hangt ook van de inspanningen van de uitgeverij en de kwaliteit van de boeken af.' Maar hij is ervan overtuigd dat de Duitse kranten dit jaar nog meer aandacht besteden aan het gastland dan toch al gebruikelijk is. 'Omdat Nederland ons zo nabij is én omdat het gastlandschap zo goed is ingevuld.'

Zelf heeft Hansen in zijn tijd bij Arche Verlag ook Nederlandse auteurs uitgegeven. De backlist van Maarten 't Hart, die toen al was overgestapt naar Piper, en twee boeken van Remco Campert: de verhalenbundel Sanfte Landung en de keuze uit de poëzie Jagen Leben, Erinnern. Later kwam Campert naar het Harbourfront festival, dat was een 'erg indrukwekkend' optreden. Maar zijn persoonlijke favoriet uit de Nederlandse literatuur is: Das Attentat van Harry Mulisch.
Hansen: 'Ik hou van de Nederlandse schrijvers uit de jaren zeventig, tachtig en negentig. De generatie van Nooteboom, Mulisch en Campert. Zij worstelde met het verleden en zijn daarom ook voor Duitsers interessant. Vertaalde literatuur die alleen maar exotisch is, raakt je nooit echt. Ik ben Mulisch zeer dankbaar voor de manier waarop hij, als eerste, schreef over de nazi-jaren zonder simpel de Duitsers de schuld te geven maar ook zonder iets af te doen aan de verantwoordelijkheid van de Duitsers.'
Daarbij vergeleken raakt de nieuwe Nederlandse generatie hem minder – inclusief de auteurs die dit jaar in Hamburg optreden. 'Der Himmel über Paris van Bregje Hofstede is indrukwekkend, zeker, maar het gaat over liefdesproblemen. Daarover schrijft men in Italië en Tsjechië ook. Het is niet typisch Nederlands, het is universeel en tijdloos. Maar goed, ik ben bijna 65. Het is beter als iemand van de nieuwe generatie praat over jullie schrijvers van de nieuwe generatie.'
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine 9, 2016)

donderdag 13 oktober 2016

Interview Maarten Asscher (Athenaeum Boekhandel): 'De meeste mensen nemen onze vernieuwingen niet eens waar' (Boekblad)

Athenaeum Boekhandel bestaat vijftig jaar. De boekhandel heeft zich ontwikkeld tot clubhuis van de elite. Voor directeur Maarten Asscher betekent dat allerminst dat de boekhandel drempels opwerpt. Athenaeum Boekhandel wil de elite zo groot mogelijk maken.

Hoe gaat het met Athenaeum Boekhandel in het jubileumjaar?
'Ietsje beter dan vorig jaar, met nadruk op ietsje. Zoals dat ieder jaar gaat. Wij zijn niet alleen in karakter, maar ook economisch al jaren aan onszelf gelijk. We hebben er vorig jaar een nieuwe winkel in de Roetersstraat bijgekregen, maar hebben ook campuswinkeltjes gesloten omdat de verkoop van studieboeken naar het internet migreert. Begin dit jaar hebben we een nieuwe website gelanceerd. Dat leidt alles bij elkaar tot een groei van 4 procent in de eerste helft van 2016. Vooral de nieuwe webwinkel draagt daaraan bij. De omzet daarvan laat nu al zes maanden op rij een dubbelcijferige groei zien.'

Waarom is Athenaeum Boekhandel economisch zo stabiel?
'Dat zegt iets over ons karakter. Wij hebben een redelijk omlijnd publiek die wij met een vaste formule benaderen: een assortiment van wetenschap en literatuur met allerlei non-fictieterreinen daartussen. Wij vernieuwen wel, maar achter de schermen. Ik denk dat de meeste mensen onze vernieuwingen niet eens waarnemen. Zo hebben wij in de voorbije jaren het hele interieur van de hoofdvestiging aan het Spui vernieuwd en toch ziet het er nog hetzelfde uit.'

Wat is allemaal vernieuwd?
'Alles. De kasten, plafonds, vloeren, belichting, bewegwijzering. We hebben een nieuwe bewegwijzering laten maken door een piepjonge vormgever, Geert Piek, die eerst een paar maanden bij ons als boekverkoper heeft gewerkt. Het Spui is een lastige winkel. Het Nieuwscentrum is nog lastiger. Dat kun je het best oplossen door iemand van binnenuit te laten ervaren waar mensen stil staan, waar keuzestress ontstaat. Deze aanpak illustreert ook dat wij vernieuwingen vanuit de inhoudelijkheid aanpakken. Wij vragen nooit bureau Future Tomorrow Design om out of the blue te zeggen hoe wij moeten werken en eruit moeten zien.'

Wat is de 'inhoudelijkheid' die Athenaeum nu al vijftig jaar centraal zet? Leg dat nog één keer uit.
'De inhoudelijkheid gaat uit van diversiteit: een maximaal divers aanbod. Van: verantwoordelijkheid op een zo laag mogelijk niveau leggen, zodat boekverkopers zelf zorg dragen voor de samenstelling en promotie van hun afdeling. En ten derde van: een honderd procent spirit of independence, zodat er nooit een etalage wordt ingericht omdat een uitgever ons daar 750 euro voor heeft betaald, en dat daar evenmin boeken liggen waar een commissie van boekverkopers in meerderheid over heeft besloten, maar omdat wij die zelf hebben gelezen en de moeite waard vinden. De gevorderde lezers die over het algemeen onze klant zijn, moeten ons oordeel kunnen vertrouwen.'

Een commissie van boekverkopers zoals bijvoorbeeld Libris die kent. Kijkt u neer op Libris-assortimentsboekhandels?
'Zeker niet. Ik beschouw Libris als een belangrijk bedrijf dat voor een groot deel van Nederland van doorslaggevende betekenis is in het verspreiden van mainstream fictie en non-fictie. Wij zijn simpelweg een ander soort bedrijf, dat ook nergens anders dan in Amsterdam kan bestaan.'

Want?
'Amsterdam kent een unieke constellatie. De universiteit, de intellectuelen, het grote aantal cultuurtoeristen, de aanwezigheid van de belangrijkste literaire en andere uitgeverijen. En de kern van deze culturele biotoop is hier aan het pleintje aan het Spui. Dankzij de universiteitsgebouwen, onze collega's van American Book Center en de Amsterdamse Kinderboekhandel, Spui25, de cafés. En ook dankzij ons, durf ik te stellen. Zo hebben wij mede het initiatief genomen voor Spui25, dat 250 activiteiten per jaar organiseert die bij elkaar 20.000 mensen trekken. Zwolle, Breda of Rotterdam kent zo'n constellatie niet. Het is daarom een stuk moeilijker om daar een boekhandel als de onze overeind te houden.'

Is Athenaeum Boekhandel het clubhuis van de Nederlandse elite?
'Ja. Maar met de aantekening dat het onze opdracht is om de elite zo groot mogelijk te maken. Anders blijf je hangen in zelftevredenheid. We moeten nooit denken: iedereen kent ons. Nee, we moeten ons voortdurend tonen. Daarom nemen we mede initiatieven als Spui25 en de Europese Literatuur Prijs. Daarom doen we veel aan locatieverkopen – soms zijn we op een avond bij zeven evenementen tegelijk aanwezig. Ook moeten we ons publiek van de toekomst blijven veroveren. Daarom is de belevering van eerstejaars studenten zo belangrijk. Daarom ruimden we net drie kasten in met young adult. Of zoals we die hebben genoemd: Young Athenaeum. Dat gaat ten koste van thrillers, dat minder bij ons past en is terug gegaan van vijf naar twee kasten. We denken dat young adult zich heeft bewezen als geloofwaardige toegang is tot het literaire lezen.'

Betekent het handelen vanuit de inhoud dat u nooit stuurt op cijfers?
'Ik heb een hekel aan het woord "sturen". Al jaren. "Sturen" doe je met apparaten en instrumenten. Ik spreek liever van "regisseren". Dat komt omdat cijfers weliswaar cruciaal zijn – de rubrieksomzetten staan op ons intranet en bespreken we iedere maand met elkaar – maar uiteindelijk de mensen centraal staan. Als wij bij een rubriek een probleem signaleren zoals te hoge voorraden of ongunstige omzetontwikkeling, zullen de rubrieksverantwoordelijke boekverkopers daar iets aan moeten doen. Ik "bestuur" die vaak hoogopgeleide mensen niet door op een knop te drukken. Nee, ik probeer het proces te regisseren en mijn steun te bieden.'

Wie bepaalt dan of rubrieken komen en gaan, zoals nu Young Athenaeum?
'Dat doen we gezamenlijk. Maar dat zullen we niet licht doen. We hebben ook een verantwoordelijkheid om iedere rubriek die bij onze formule past overeind te houden – zeker als de rubriek een specialisme is, zoals Frans en Duits. Vergeet niet: 40% van wat wij hier verkopen is niet-Nederlandstalig. Als wij stoppen met Frans, waar kun je dan fysiek in aanraking komen met Franse literatuur? We zullen dus, als steeds minder mensen Frans lezen, eerder denken: wat kunnen we nog meer doen? Een andersoortige nieuwsbrief? Frans beter voor het voetlicht brengen op de website? Een leesclub oprichten? Samenwerken met andere instellingen?'

Betekent de uniciteit van Athenaeum dat jullie geen concurrentie hebben – bijvoorbeeld van het vernieuwde Scheltema?
'Wij richten ons op een ander publiek: mensen die nieuwsgierig zijn naar het nieuwste van university presses, essayistiek, romandebuten, buitenlandstalige literatuur. Scheltema richt zich op een breder, mainstream publiek met allerlei non-fictie als koken, sport, actualiteit.  Alleen bij succesvolle boeken zijn we directe concurrent. Neem Goudzand van Paustovski. Echt een boek voor ons, maar als het succes een bepaalde omvang krijgt, raken brede groepen geïnteresseerd die kunnen kiezen tussen ons en Scheltema. Dus nee, eigenlijk is de verveling een grotere concurrent.'

De verveling?
'Anders gezegd: al het andere wat iemand met zijn tijd kan doen dan lezen. En onze voornaamste bondgenoot is de nieuwsgierigheid. Wij moeten daarom boven alles ons vermogen om mensen ergens voor te interesseren cultiveren. Daarom is onze webwinkel zo inhoudelijk opgezet. Het gaat er niet om – zoals sommige collega's beweren – dat je alles van een klant weet en in een database zet, je dan precies weet wat het juiste boek voor hem is. Het is belangrijk dat je een zo interessant mogelijk assortiment op een zo interessant mogelijke manier onder de aandacht brengt. Zoals een schouwburg of tijdschrift dat doet. Onze klant wil altijd iets nieuws ontdekken.'

Het kernpubliek op zoek naar iets nieuws is groot genoeg?
'Ja. Wij trekken 350.000 tot 400.000 bezoekers per jaar. Dat is inclusief studenten die niet allemaal klant voor het leven worden, maar toch. Dankzij de webwinkel komt bovendien een groeiend deel van het vaste publiek van buiten Amsterdam. Maar dan nog gaat erom dat we niet alleen delicate boeken aan fijne geesten verschaffen. We hebben ook volume nodig. Titels waarvan we er af en toe honderden of duizenden van verkopen. Dit kan niet waar zijn van Joris Luyendijk bijvoorbeeld. Ook onze hele studieboekenoperatie is gericht op het genereren van volume. Daarom zie ik het einde van de vaste boekenprijs als onze grootste bedreiging – ook omdat de studieboeken in de geesteswetenschappen, waarop we ons vooral richten, grotendeels Nederlandstalig zijn.'

Dreigt de vaste boekenprijs op termijn te verdwijnen?
'We hebben nu een minister die betrokkenheid toont met cultuur en literatuur. Je weet nooit wie er over drie jaar zit. Een nieuwe Halbe Zijlstra kan rücksichtlos de bijl in de vaste prijs te zetten. Hij heeft destijds al met de podiumkunsten gedaan. Die sector draait nu voor 52 procent op vrijwilligers. Zonder vaste boekenprijs is de boekhandel straks ook afhankelijk van vrijwilligers en mecenassen. In de Tweede Kamer zitten maar heel weinig mensen die een tegengeluid tegen het dedain van de Halbe Zijlstra's. In het boekenvak durft gelukkig nu geen enkel gezaghebbend persoon hardop te beweren dat de vaste prijs wel weg kan.'

Welke bedreigingen kent Athenaeum Boekhandel nog meer?
'De groei van internet. Al is dat niet zozeer een bedreiging, maar een fundamentele verandering waarvan het effect nog onduidelijk is. Wij doen een derde van de omzet via internet – de omzet van de algemene webwinkel opgeteld bij de studieboekenverkoop. Wat betekent dat voor ons bedrijf als dat over vijf jaar meer dan de helft is? De huidige generatie studenten is gewend acht spijkerbroeken bij Zalando te bestellen en ze desnoods alle acht terug te sturen. Ze houden heus van shoppen, maar denken in eerste instantie aan internet. Dat is een paradigmaverandering. Wat betekent dat voor ons? We hebben al campuswinkels gesloten. Zijn we straks een webwinkel met hooguit een showroom in de winkelstraat?'

En?
'Dat antwoord heb ik niet pasklaar bij de hand. Het belangrijkste wat we hebben gedaan is de site net zo interessant, veelzijdig en motiverend maken als onze fysieke winkels, zodat er een eenheid van werken is. Dat betekent: iedere dag leesfragmenten, recensies, voorpublicaties, tips en meer. Wij hebben daar ruim 1 fte op zitten. Eerlijk gezegd mis ik die inhoudelijkheid bij andere webwinkels. Daar vind je dat een boek 675 gram weegt, maar wat heeft een klant daaraan? Er staat hooguit: wie dit kocht, kocht ook. Dat is een leuk weetje, maar meer ook niet.'

Dat zegt nog niets over de toekomst van Athenaeums fysieke winkels.
'Dat geef ik toe. Onze winkels zullen waardevol blijven als culturele showroom en activiteitencentrum. Daarvoor is een minimale bemensing nodig. En misschien komt de omzet die daarvoor nodig is wel uit internet. Wordt dat de kruissubsidiëring van de toekomst. Ik zou in ieder geval niet willen zeggen: we hebben over vijf jaar alleen nog de winkel in het Spui. Onze winkel in het Rijksmuseum heeft bijvoorbeeld een uniek bestaansrecht, die het met meer dan twee miljoen bezoekers in het museum per jaar schitterend doet.'

Hebben alle filialen exact dezelfde Athenaeum-formule?
'We houden wel rekening met de lokale biotoop. Op de nieuwe winkel in de Roetersstraat hebben we een kinderboekenafdeling, vanwege twee scholen en veel jonge gezinnen in de buurt. Op de aanzienlijke campus gaat het om economie, bedrijfskunde, rechten. Dat geeft deze winkel een eigen karakter. En Haarlem is natuurlijk geen universiteitsstad. Onze winkel daar is daarom meer een algemene boekhandel, waar we meer concurrentie hebben van H. de Vries dan hier van Scheltema. Maar het is wel degelijk onze ambitie om het Atheneaumachtige in die winkel te krijgen. Men kijkt wat van university presses ook in Haarlem zou kunnen verkopen. We hebben daar ook de Library of America en Loeb Classical Library.'

Kan Athenaeum ook uitbreiden naar de rest van Nederland? Nu jullie via internet steeds meer klanten van buiten Amsterdam bedienen.
'Ik heb altijd nee gezegd tegen een aanbod om een winkel over te nemen. Met winkels in Den Haag en Arnhem dreigt een zekere imperial overstretch. Dan probeer ik liever de klanten van die winkels, zodra die out of business zijn, binnen te halen via onze site. We zijn waanzinnig actief – zoals iedereen ongetwijfeld – op sociale media. Zeker met de vleugels die we dit jaar krijgen, mede door een film over ons en een boek van Joris van Casteren, hopen we onze nationale bekendheid te vergroten. En we hebben een affiliatieprogramma – ook zoals iedereen – waarbij wij echter óók inhoudelijk samenwerken. Dat kan ook met culturele instellingen buiten Amsterdam, zoals het Nexus Instituut in Tilburg. Alles bij elkaar moet de omzet van de webwinkel over vijf jaar zijn verdubbeld. Anders hebben we gefaald.'

Nog een bedreiging dan. Kan Athenaeum Boekhandel een academische boekhandel blijven nu het hoger onderwijs digitaliseert?
'Ik verwacht van wel. Er is natuurlijk sprake van een zekere ontboeking – in het ene vakgebied meer dan het andere. Zeker in de geesteswetenschappen gaat het nog om het bestuderen van boeken. Dat zal naast het gebruik van elektronische leersystemen blijven bestaan. Vijf jaar geleden bestond er nog een informatieoptimisme. "Over een paar jaar", hoorde je, "krijgen alle eerstejaars een laptop waar alles op staat dat ze nodig hebben". Alsof het zo eenvoudig te regelen is. En alsof studenten dat willen – uit alle onderzoeken blijkt van niet. Die prietpraat hoor je gelukkig niet meer.'

Het gaat toch slecht met de geesteswetenschappen?
'Ik maak me daar zorgen over, ja. In bestuur en politiek begrijpt niet iedereen het belang van geesteswetenschappen. Maar dat valt in de categorie algemeen wereldpessimisme. Dat heeft geen gevolgen voor de dagelijkse gang van zaken.'

Gaat Athenaeum Boekhandel ook laptops en platformen leveren?
'Wij blijven een hardcore boekhandel. Onze omzet is voor 90 procent boeken. De rest is tijdschriften, kranten en een klein beetje Moleskine-producten en stadsplattegronden. Om dezelfde reden doen wij geen horeca. Ik spreek collega's die ik zeer respecteer die vijftig procent van hun omzet met horeca en online verkoop van brandwerende dekens doen. Wij willen zo lang als het kan een boekhandel zijn. Daar hebben we verstand van.'

Aan het Spui past ook geen horeca.
'Je kunt best een hoekje afscheiden en daar de meest trendy koffiebar van Amsterdam van maken. Maar waarom? Dan gaat een stuk boekencultuur verloren waar je met plezier aan kan werken en je nog altijd een boterham mee kunt verdienen.'

Athenaeum Boekhandel heeft wel – met anderen – een uitgeverij overgenomen: Van Oorschot. Waarom?
'Dat past in het idee dat we over tien jaar niet alleen onze kaarten willen zetten op een webwinkel en fysieke winkels. Er zijn ook inkomstenbronnen met betrekking tot boeken en schrijven waar wij niet uit putten. Via Van Oorschot doen we dat nu wel. Bovendien krijgen we nu signalen uit die hoek over nieuwe schrijvers en nieuwe trends waar we ons voordeel mee kunnen doen. Dat moet je niet groter maken dan het is. Het is, af en toe, een kijkje in de machinekamer van de uitgeverij. En zo kunnen we nog veel meer doen. Misschien geven we over vijf jaar wel een tijdschrift uit. Misschien is ons assortiment dan flink verbreed. Als we maar trouw blijven aan onze historische missie – ofwel: de beschavingsmissie van onze oprichter Johan Polak.'

dinsdag 11 oktober 2016

Chris Schriks – 'Frederik Muller. Baanbreker in de wereld van het boek' (Inct)

Wat kan er naar Frederik Muller worden vernoemd?

Decennialang heette de opleiding voor het boekenvak de Frederik Muller Academie. Ook wie daar niet heeft gezeten, kent ongetwijfeld de naam. Na oprichting in 1964 ging de Academie vanaf de jaren negentig op in bredere studies met algemenere namen aan de Hogeschool van Amsterdam. Het verdwijnen van de naam is waarschijnlijk het beste. Het studieprogramma van 'Media, Informatie en Communicatie' heeft nog maar weinig te doen met de activiteiten naar wie de opleiding is vernoemd.
Dat blijkt uit de biografie van de uitgever en boekverkoper Frederik Muller (1817-1881) die Chris Schriks onlangs bij Walburg Pers publiceerde – de uitgeverij die Schriks zelf in 1961 oprichtte. Specialisaties binnen de HvA-opleiding als mediamarketing en digitale media staan ver af van de man die zich in de negentiende eeuw vooral bekommerde om het zo verwaarloosde historische erfgoed. Juist het verzamelen, beschrijven en verkopen van historische documenten maakte van hem een geziene boekhandelaar. Ook als mens was hij conservatief: hij voelde zich maar ongemakkelijk bij nieuwlichterij als de denkbeelden van de Franse verlichting.
Frederik Muller raakte al vroeg begeesterd door het boekenvak dankzij zijn oom die een winkel in Amsterdam had. Amper 26 jaar oud begon hij al een eigen zaak. De kern van zijn werk waren de veilingen die hij organiseerde: eerst 19 veilingen met een compagnon, daarna 166 veilingen in zijn eentje. Daarvoor speurde hij onvermoeibaar naar interessante boeken, documenten en prenten – én aspirant-kopers ervoor. Hij gaf ook boeken uit, maar dat bleef altijd bijzaak. Hij gaf in feite uit 'van wat voorbij kwam', oordeelt Schriks. In zijn fonds is dan ook weinig lijn te bespeuren.
Hoewel een kruideniersmentaliteit hem niet vreemd was – hij kon flink zeuren over geld en schroomde niet zijn klerken af te knijpen – kun je Muller gerust een idealist noemen. Hij zag het belang in van het gedetailleerd beschrijven van collecties voor de wetenschap. zijn publicaties zijn ook nu nog van belang voor de boekwetenschap. Maar ook zette hij in zich voor de Vereeniging (de tegenwoordige KVB), pleitte hij voor volksbibliotheken en zette hij een bibliotheek van het boekenvak op, waarvoor hij zelf de startcollectie doneerde en die hij dertig jaar leidde. Het idee was dat jongelingen die konden gebruiken om het vak te leren.
Het grootste deel van zijn biografie gaat echter over Mullers gepassioneerde strijd tegen de in zijn ogen moreel onjuiste wet- en regelgeving. Daarin zit natuurlijk Schriks voorliefde, die al regelmatig publiceerde over de geschiedenis van het auteursrecht. Maar als dit werkelijk Mullers belangrijkste bijdrage aan het boekenvak is, is het een schitterend toeval dat Muller is geboren in het jaar dat de auteurswet tot stand kwam die hij een leven lang bestreed, en stierf in het jaar dat er eindelijk een auteurswet kwam die zijn denkbeelden reflecteerde.
De Wet op het Kopijrecht van 1817 ging uit van een boek als fysiek product. Iedere uitgever mocht de oplage dus niet stelen, maar wél een boek namaken. Voor vertalingen gold: wie het eerst kwam, wie het eerst maalde. De auteurs hadden in beide gevallen niets te zeggen. Beide gewoonten – de nadruk en het preferentierecht, in vaktermen – waren Muller een doorn in het oog. En al vonden velen hem een Don Quichot die gezonde handelsbelangen uit het oog verloor, schrijft Schriks, met kenmerkende felheid bleef hij zijn collega's jaar in jaar uit hekelen.
Al Mullers inspanningen bij elkaar – helaas wat schools opgesomd door de biograaf – maken het zonder meer duidelijk dat deze legendarische man het inderdaad verdient dat zijn naam voortleeft. Dus nu de Frederik Muller Academie ter ziele is, wat kan dan naar hem worden vernoemd? Ook Schriks pleit daarvoor, maar hij laat na de meest voor de hand liggende optie te noemen: de bibliotheek van de Vereeniging die is uitgegroeid tot een van de belangrijkste boekwetenschappelijke collecties ter wereld. De Frederik Muller Bibliotheek, waarom niet? En dat vanaf 2020, als hij 175 jaar bestaat.

Chris Schriks, Frederik Muller 1817-1881. Baanbreker in de wereld van het boek
Walbrug Pers, 2016, € 24,95, ISBN 9789462491373
(Eerder gepubliceerd in Inct 4, 2016)

maandag 10 oktober 2016

Interview: Lidewijde Paris over het succes van 'Hoe lees ik?' en de commerciële kansen die het boekverkopers biedt (Boekblad)

De derde druk van Lidewijde Paris' Hoe lees ik? is vorige week uitgeleverd. Lezers blijken inderdaad op zoek te zijn naar verdieping, zoals de voormalig uitgeefster van – meest recent – Nieuw Amsterdam had gesignaleerd. Welke commerciële kansen biedt deze trend?

Hoe was je week [van maandag 26 september]?
'Heel druk. Ik had na mijn vertrek bij Nieuw Amsterdam gehoopt op twee maanden rust om De Lees!ambassade op te kunnen zetten – van het inbedden in een stichting of iets dergelijks tot het maken en bedenken van nieuwe producten. Niet dus. Ik was zondag bij de lancering van het Lees Magazine van Bol.com en had daarna drie lezingen: bij Kooyker in Leiden, Blankevoort in Amstelveen en Linnaeus in Amsterdam. Ik maak afspraken voor de volgende lezingen. Ik denk mee met Wizo over een betere organisatie van hun leesclubs. Ik schrijf een bijdrage voor het Handboek Literatuuronderwijs, omdat ik in november spreek op de Dag van het Literatuuronderwijs. Ik maak een Engelstalig proposal om mijn boek mogelijk te verkopen op de Buchmesse. Het is vermoeiend, ook omdat ik in iedere lezing iets anders vertel. Maar: een luxeprobleem natuurlijk.'

Je kon ook de derde druk van Hoe lees ik? vieren.
'Die kwam donderdag binnen. En een vierde komt er snel aan, omdat daar ook alweer een deel van weg is. In totaal is de oplage nu 5.000 exemplaren. Ik had gedacht dat het potentieel voor dit boek vier-, misschien vijfduizend was en dat je die na een jaar zou hebben bereikt. Dat blijkt na een maand te zijn.'

Wat zegt dat?
'Ik geef al heel lang les en praat overal met mensen. Ik wist dus dat boek in een behoefte voorziet. Mensen zeiden tegen mij: maar je hebt toch al Hoe fictie werkt van James Woods? Ja, dat is een waanzinnig interessant boek, maar heel technisch. En de doelgroep ervan is niet duidelijk. Ik heb Hoe lees ik? geschreven met een heel duidelijke doelgroep voor ogen: gewone lezers op zoek naar verdieping. Die blijken het inderdaad te willen. Ik wist alleen niet dat het er zo veel zouden zijn. En dat ik door het boek zelf zo op de voorgrond treed. Interviews in radioprogramma's en allerlei bladen en lezingen overal. Dat vind ik een beetje eng.'

Zo veel lezers op zoek naar verdieping.
'Ja, dat is bemoedigend. Ik vind het belangrijk dat mensen lezen. Lezen is goed voor je. De geheime agenda van mijn boek is duidelijk maken dat niet alleen schrijven een kunst is, maar dat ook lezen een kunst is. En hoe meer mensen die kunst beheersen, hoe beter. Er komen nu zelfs leerkrachten naar me toe die me vertellen dat de manier waarop ik het uitleg helpt. Het boek is helemaal niet geschreven voor leerlingen – er zijn al genoeg fantastische instanties die het lezen bevorderen onder jongeren. Dus misschien komt er ooit een jongerenvariant van Hoe lees ik? met voor hen geschiktere voorbeelden.'

Ook boekverkopers raden het elkaar aan om te lezen.
'Anthoni Fierloos van Het Paard van Troje in Goes zei: het is huiswerk voor elke boekverkoper. Ik hoorde van andere boekhandelaren dat hun personeel het moest lezen, zodat ze hun klanten beter kunnen uitleggen waarom een boek literair interessant is.'

Vind je dat zelf ook?
'Ja. Het is goed als een boekverkoper kan zeggen: let eens op hoe dit boek is opgebouwd. Of: kijk, dit detail heeft een functie, het maakt het boek interessanter.'

Is het alleen goed voor een beter gesprek met de klant? Of heeft een boekverkoper die zich schoolt in de kunst van het lezen daar ook commercieel voordeel bij?
'Ingewikkelde literatuur verkoopt steeds minder. Er verschijnt steeds minder vertaalde literatuur. Als oud-uitgeefster weet ik dat als geen ander. Als een boekverkoper – en in Nederland hebben we de ongelofelijke luxe van heel veel goede boekverkopers, die zelf echt lezen – kan uitleggen waarom ingewikkelde literatuur waarin ogenschijnlijk niets gebeurt toch de moeite waard is, vinden ze daar lezers voor. Dat is de toegevoegde waarde van een boekhandel ten opzichte van anonieme internetboekhandels.'

Daarnaast leidt het succes van je boek tot verkoop van de vele voorbeelden die je in je boek geeft. Ik zag Het kleine meisje van meneer Linh van Philippe Claudel opduiken in de Boekwinkeltjes-top 10 van meest verkochte tweedehandse boeken.
'Ik verzwijg expres de crux van dit boek. Dan denken lezers tóch: argh, wat is nu precies het geheim van meneer Linh!? En dan gaan ze het lezen. Dat is de bedoeling van Hoe lees ik? Vlak voor ik begon bij Kooyker haalde Willeke [van der Meer] nog snel alle genoemde voorbeelden uit de kast. Dan zie je toch dat allemaal wordt verkocht: Japin, Grøndahl, Barnes, Ferrante. Boekhandel Blokker heeft zelfs een hele tafel gevuld met alle voorbeelden. Dat werkt.'

En dan is er belangstelling uit het buitenland, begrijp ik.
'Daar had ik helemaal geen rekening mee gehouden: belangstelling van agenten. Eerst kwam er een uit Zweden. Toen uit Canada, Duitsland, Afrika, Italië. Zij willen kijken of ze het boek in hun land, met enkele aanpassingen, kwijt kunnen. Ik gebruik weliswaar veel internationale voorbeelden, maar een auteur als Grøndahl blijkt toch minder te zijn vertaald dan ik dacht.'

Heb je bij alle drukte nog wel tijd om te lezen?
'Dat heb ik weer opgepakt. Het zal toch niet zo zijn, dacht ik, dat ik geen vaste baan meer heb en dan geen tijd overhou om te lezen. Ik wil ook lezen om wat ik doe in mijn boek een vervolg op regelmatige basis te kunnen geven – in een tweewekelijks blog, leesclubachtig iets of wat dan ook. Daarom ben ik begonnen in De kat van Takashi Hiraide. Iemand had het mij aanbevolen, ik hou van katten en mijn kat is net overleden, dus ik dacht: ik begin met die. En wat doet hij? Hij begint met twee pagina's beschrijving van een gaatje in een houten schutting. Dat is lef. Maar ook intrigerend: want waarom moet ik die beschrijving lezen? Dat zou ik in zo'n blog of wat het ook wordt graag uitleggen.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 2 okt)

Zie ook: