woensdag 22 maart 2017

Interview Hans van der Wind over Van Dijk Educatie na de overname: van distributeur naar dienstverlener (Boekblad)

Het dit jaar tachtig jaar oude Van Dijk Educatie is geen distributeur van leermiddelen meer. Het is een onderwijsdienstverlenend bedrijf geworden. De overname door Towerbrook zal die ontwikkeling versnellen. Een binnenkort te lanceren nieuwe naam onderstreept die verandering.

Natúúrlijk gaat het goed met Van Dijk Educatie. Het bedrijf is eind december overgenomen door de Brits-Amerikaanse investeringsmaatschappij Towerbrook. ‘Dat lukt alleen als je een opgaande lijn laat zien en een goed verhaal hebt’, zegt algemeen directeur Hans van der Wind (53). De opgaande lijn is een stijgende omzet: van 295,2 miljoen in 2015, waarop een winst van 5,3 miljoen werd gemaakt, naar 303 miljoen vorig jaar. Het goede verhaal is de geslaagde transformatie die het bedrijf heeft ondergaan, wat binnenkort wordt onderstreept met een naamsverandering. Wat de naam wordt, kan Van der Wind nog niet zeggen.

Wat houdt de transformatie in?
‘We zijn veranderd van een klassieke distributeur naar een onderwijsdienstverlener. Dus van een logistiek georiënteerd bedrijf naar een dienstverlening geörienteerd bedrijf. Dat heeft invloed op alles: de processen, het medewerkersbestand, de kennis en vaardigheden die je in huis moet hebben. Deze stap is automatisch ook een stap naar digitaal. De producten worden digitaler: van de 16,3 miljoen items die wij leveren zijn 3,2 miljoen licenties tot digitale leermiddelen. Maar ook de processen die dat ondersteunen. Neem de interactie rond het opstellen van leermiddelenlijsten: met demo’s, ondersteunende filmpjes, enzovoort. Of de interactie met de b2c-klanten: met chatsessies en een klantenservice die 24/7 bereikbaar is. De grootste fractie in ons personeelsbestand is inmiddels de it-ers.’

Wanneer is de transformatie ingezet?
‘Het is lastig een moment in de tijd te kiezen. Maar toen ik vijf jaar geleden terugkwam als algemeen directeur was ik eerst twee jaar kwijt met het verwerken van de acquisitie van BGN in 2010/2011. Zo’n drie jaar geleden zijn we begonnen met een strategische heroriëntatie. Vroeger dacht ik altijd als mensen vroegen wat de visie van het bedrijf was: dat kun je niet weten, het is een onzekere tijd, je moet acteren op wat je om je heen ziet gebeuren. Maar je moet in deze onoverzichtelijke wereld tóch een beeld zien te krijgen om een koers uit te kunnen zetten.’

Waarom was een nieuwe koers nodig?
‘Zoals alle mediabedrijven moesten wij ons afvragen wat de digitalisering en de veranderende behoefte van onze klanten zouden betekenen. Goed, wij zijn niet afhankelijk van advertenties. We zijn minder gevoelig voor schommelingen in de inkomstenstroom. Maar als we gewoon zouden blijven doen wat we deden, wordt de omzet daaruit kleiner. De levering van boeken gaat niet weg, maar wordt wel kleiner.’

Was de omzet ook gedaald? In 2012 was hij 300 miljoen euro en twee jaar geleden 295 miljoen.
‘Dat beschouw ik als stabiele omzet. Het ene jaar is er meer vernieuwing dan een ander jaar – methodes die worden vervangen. Ook hebben we kanalen afgestoten. Het resultaat is daarbij gestaag gestegen.’

Hoe hebben jullie de strategische heroriëntatie aangepakt?
‘Goede vraag. Want dat is nog best fuzzy. We hebben veel gekeken naar trends in het buitenland en in parallelle werelden als de a-boekenmarkt, muziekindustrie en kranten. We hebben heel veel input gekregen. Gevraagd en ongevraagd. De kunst is om erachter te komen wat specifiek is voor die werelden en wat van toepassing is voor ons. Heel nuttig waren de sessies met het personeel. De mensen die in het bedrijf werken “weten” het. Zij voelen waar de bedreigingen vandaan komen en waar de kansen liggen. Als je daar met hen een dialoog over kunt voeren, leidt dat tot inzichten. En natuurlijk tot een verbondenheid aan het gezamenlijke doel.’

Waarom zijn jullie uitgekomen bij een onderwijsdienstverlenend bedrijf als gezamenlijk doel?
‘Je kan als distributeur een aantal kanten op. Het logistiek apparaat inzetten voor andere markten. Hetzelfde gaan doen in het buitenland. Zelf content ontwikkelen. Maar het meest logische was toch om dicht bij onze klanten te blijven. Wij spreken hen dagelijks. We kennen hun behoeften. We weten dat die steeds complexer en diverser wordt. En daar kunnen wij een rol in spelen. Want wat blijkt? Bij digitalisering van het onderwijs is de behoefte aan ondersteuning groter. Systemen sluiten niet goed op elkaar aan. Producten wordt complexer. Er zijn wisselende standaarden. De markt voor dienstverlening in het onderwijs is bovendien groot.’

O ja?
‘Neem huiswerkbegeleiding. De gespecialiseerde instituten hebben een gezamenlijke omzet van 150 miljoen euro. Dat is meer dan alle uitgeverijen voor het VO bij elkaar omzetten. Of trainingen voor leraren. Scholen hebben een budget van 600 euro per leraar. Met zo’n 100.000 leraren heb je dus een markt van 60 miljoen euro.’

Wat houdt het concreet voor jullie in – dienstverlenend zijn?
‘We helpen bij het installeren van iPads op scholen. We trainen docenten in het omgaan met leermiddelen, zodat ze daar het maximale uit kunnen halen, maar ook in het omgaan met de veranderingen in het onderwijs zelf. We creëren communities, waar docenten en scholen elkaar kunnen helpen. We halen applicaties uit het buitenland en brengen die samen in een Etalage, waar docenten die gratis of tegen kleine betaling uit kunnen halen. Applicaties als Newsela, waarin docenten hun eigen Engelstalige tekst kunnen laden en letterlijk met een swipe die tekst moeilijker of makkelijker kunnen maken. Het zou zonde zijn als docenten zo’n mooie applicatie niet kunnen gebruiken.’

En voor andere markten die jullie bedienen?
‘Ja, de neiging bestaat ons te zien als een bedrijf voor het voortgezet onderwijs. Maar 40% van de omzet komt uit MBO, HBO, WO en zakelijk. Bijvoorbeeld studenten hebben ook andere behoeften dan alleen leermiddelen. Ze zijn bijvoorbeeld op zoek naar stages of hun eerste baan. We weten best wat van de student en kunnen hem daarbij hebben. En in de professionele markt is e-learing enorm aan het toenemen. Als iemand aan een nieuwe baan begint, volgt hij cursussen. Steeds vaker moeten mensen verplicht hun vakkennis bijhouden en punten halen. Ook dan: een cursus. Omdat wij weten dat iemand economie heeft gestudeerd, kunnen wij hem erop attenderen dat er is een update cursus marketing beschikbaar is gekomen. Zo verschilt de dienstverlening per segment.’

Hoeveel procent van de omzet komt inmiddels uit diensten?
‘Moeilijk te zeggen. Het is net als met het onderscheid tussen folio en digitaal. Veel leermiddelen zijn combiproducten geworden: boek en licentie in één. Hoeveel procent is dan digitaal? We proberen het te definiëren aan de hand van hoeveel tijd leerlingen feitelijk aan een boek of device besteden. Als dan 15% digitaal is, is het veel. Maar wij verwachten dat het op termijn – over minimaal vijf jaar – is gegroeid naar 50%. En zo is het ook met het onderscheid producten en diensten. Scholen sluiten een contract voor een intern, gefaciliteerd of extern boekenfonds, inclusief een dienstenpakket, en betalen daar een totaalbedrag voor. Dát is 95% van de omzet. De andere 5% komt uit diensten die we apart markeren en verkopen.’

Zijn de prijzen voor boekenfondsen door het toegenomen dienstenpakket gestegen?
‘Het zijn allemaal tenders. Maar we zien de de laatste tijd een kleine opwaartse trend in de prijsstelling. Na de invoering van de wet gratis schoolboeken ging het een tijd omlaag, daarna was het stabiel en nu stijgt het iets. Dat komt met name door ict: scholen zien hoe complex dat is en betalen daar wat meer voor. Ook is de besteding per leerling aan het toenemen.’

Was het noodzakelijk voor de transformatie om Van Dijk Educatie te verkopen?
‘Ja. Met de vorige aandeelhoudersstructuur waren we in wezen een familiebedrijf. Wiet de Bruijn – niet te verwarren met zijn neef, die VBK leidt – en ik waren de derde generatie Van Dijk, zeiden we wel eens. Maar het bedrijf is zó gegroeid. Van 20 miljoen euro in 1992, toen de vorige generatie het bedrijf verkocht, zijn we vijftien keer zo groot geworden. Als we onze vleugels verder wilden uitslaan hadden we andere aandeelhouders nodig, die de nodige financiële middelen met zich meebrengt maar ook ons denkraam kan volgen en oprekken en uitdagen. Aandeelhouders die ons de juiste vragen stellen.’

En waarom Towerbrook?
‘Er waren diverse gegadigden. Zij waren vanaf het begin de meest geïnteresseerde partij. En ze gingen voor de lange termijn. Onze wereld draait langzaam, dus een eigenaar moet een horizon van minimaal vijf jaar hebben. En het pakt uit zoals gehoopt. We merken meteen hoe inhoudelijk de dialoog met hen is, welk netwerk ze meebrengen. En ja, er is nu ook financiële ruimte. Natuurlijk moeten we alle plannen verdedigen tegenover dezelfde slimme mensen die met ons meedenken, maar het is fijn om te weten dat die er is.’

Hoe gaat Van Dijk Educatie daarmee groeien in de komende jaren?
‘Dat onderzoeken we nu. Maar bij alles is de rode draad: wat heeft onze gebruiker – docenten en leerlingen – nodig. We hebben bijvoorbeeld een stichting opgericht om leraren op te leiden: de Nederlandse School, die in 2015 van start ging en bedoeld is om leraren naar de 21e eeuw toe te brengen. Ik sluit niet uit dat we in de toekomst een grotere rol kunnen spelen bij het leveren van leraren. De aanhoudende tekorten, juist voor kernvakken als wiskunde en engels, geeft mogelijkheden.’

En het bedrijf moet een Europese speler worden, begrijp ik uit het persbericht bij de overname.
Inderdaad. We zijn qua volume al de grootste in Europa. Andere landen is het anders georganiseerd en is de markt daarom gefragmenteerder. Maar al verschilt de dynamiek, je weet: er zijn veel leerlingen, ze hebben allemaal leermiddelen nodig én er speelt iets met digitalisering. Juist dat laatste biedt mogelijkheden. Want de techniek laat zich makkelijker verplaatsen naar andere landen. En dan speelt het voordeel dat Nederland in het onderwijs gidsland is. Er zijn hier veel publiek-private samenwerkingen. Er zijn goede standaarden. Daar kijken ze in het buitenland met jaloezie naar. Ook hebben we in de ontwikkeling van digitale leermiddelen al het een en ander meegemaakt, waardoor we goed weten wat werkt en wat niet.’

Dus waneer volgt de sprong naar Duitsland of Engeland?
‘Dat onderzoeken we nu. Er is nog niets besloten. Wat dat betreft zijn we echt een bedrijf uit Kampen. Nuchter, niets overhaast doen. Dat bleek in het verleden ook het beste te werken. Overigens zijn we al lange tijd actief in België in het VO en een beetje in de PO. We hadden een joint-venture met Standaard Boekhandel, maar sinds 1 februari vorig jaar is het helemaal van ons. Dat is ook een opstap om daar meer te gaan doen.’

Is er ook meer financiële ruimte voor overnames zoals van coachingsbureau 2knowhow en uitzend- en trainingsbureau Onderwijshelden om zo sneller te kunnen groeien?
‘De overnames zijn nog niet rond. De gesprekken met 2knowhow zijn ook op een lager pitje gezet. Met Onderwijshelden zijn wel dicht bij afronding van het maken van afspraken voor samenwerking. Dat is een mooi voorbeeld van aanvullende dienstverlening die goed aansluit bij onze strategie. Onderwijshelden zorgt voor vervanging van leraren, levert examentrainingen, organiseert zomer- en voorjaarsscholen en huiswerkbegeleiding. Maar we willen niet per se overnames doen.’

Want?
‘We willen eerder naar samenwerking. We willen een aparte poot daarvoor inrichten. Een soort versneller/accelerator. We willen bedrijven aan ons binden en hen helpen te groeien. Dat werkt sneller en beter dan wanneer je zelf een concept uitdenkt, uitwerkt en in de markt zet. Het zijn bovendien bedrijven die zich al enigszins bewezen hebben, terwijl eigen nieuwe diensten nog heel goed kunnen mislukken. Het is financieel ook iets minder riskant, al betaal je voor echt goede start-ups natuurlijk de hoofdprijs.’

Van Dijk Educatie als een soort marktplaats?
‘Ja. Behalve dat wij wel verantwoordelijkheden nemen. We vergelijken het daarom eerder met een netwerk. Dat gaat zo ver dat we daarom onlangs hebben besloten onze naam te veranderen waarin die netwerkgedachte tot uiting komt. We zijn de verbinder tussen de behoeften van de markt en de oplossingen. Zie het als een zandloper. Aan de aanbodkant zijn er steeds meer, steeds diverser, steeds gespecialiseerde oplossingen. En aan de vraagkant zie je hetzelfde: steeds meer, steeds diverser en steeds gespecialiseerde behoeften. Wij zitten in het midden. Dáár liggen kansen.’

Wat betekent alle veranderingen voor de concurrentieverhoudingen? Is het nog wel Van Dijk versus Iddink?
‘Het concurrentieveld is heel divers en verschuift voortdurend. Zo voerden we een aantal jaren geleden strijd met Bol voor leveringen in het HBO. Maar Bol koos voor een strategie van verbreden en is niet meegegaan in de veranderde vraag. Door de opkomst van complexe digitale oplossingen is echt specialistische kennis nodig. Bol heeft ervoor gekozen die niet te ontwikkelen. Ook met Iddink is de concurrentie in het VO sterk veranderd. Het ging om prijs, maar gaat nu meer om kwaliteit en innovatie: wat kunnen we leveren om de visie van scholen te helpen realiseren? Daarbij maken we andere keuzes. Iddink heeft het schooladministratiesysteem Magister, wij niet. Andersom hebben wij wel huiswerkbegeleiding, zij niet.’

Wat is daarbij het essentiële verschil tussen Van Dijk Educatie en Iddink?
‘Ik denk dat wij meer bezig zijn met het faciliteren van wat de leraar precies wil en zij meer focussen op de interactie leraar en leerling en administratieve processen. Misschien dat zij dat ontkennen, hoor.’

Wordt ook de concurrentie groter met uitgeverijen? Zij geven ook trainingen. Jullie importeren meer leermiddelen.
‘Op sommige vlakken komen we meer in elkaars vaarwater. Maar in de hoofdzaak doen we fundamenteel verschillende dingen. Uitgevers verzorgen geen fijnmazige distributie naar grote groepen. Uitgevers die hebben geprobeerd digitaal in bulk te leveren, ontdekken dat dat echt iets anders is. En wij maken geen leermiddelen. Toen wij Bettermarks, een Duitse producent van een wiskundemethode, hielpen bij het vertalen ervan naar het Nederlands en het hier marketen, leerden wij ook dat dat een ander vak is. Dat gaan we niet nog een keer doen. In het verbinden van producten met gebruikers zijn nog genoeg mogelijkheden. Kijk naar buitenlandse bedrijven als BBC, Disney en Discovery. Die snappen steeds beter hoe ze hun producten moeten reformatten om ze geschikt te maken voor het onderwijs en zoeken partners om ze ook bij het onderwijs te krijgen.’

Toch bleek uit de evaluatie van de wet op de gratis schoolboeken vorig jaar dat de markt te weinig concurrentieel kan  worden omdat verschillende partijen elkaars markt betreden en zo de afhankelijkheid van scholen van één partij te groot dreigt te worden.
‘Je moet beginnen bij de vraagkant. Scholen kunnen hun behoeften tegenwoordig heel precies opschrijven in tenders en daar geven marktpartijen antwoord op. Het begint altijd bij die behoeften en reken maar dat daarop wordt geconcurreerd. Scholen hebben daardoor een véél sterkere positie gekregen dan tien jaar geleden.’
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, februari 2017)

dinsdag 21 maart 2017

De Kler koopt 1000 exemplaren in van nog onbekende thrillerauteur (Boekblad)

Voor boekhandel De Kler in Leiden is het dé toptitel van dit voorjaar: Het Pauluslabyrint van Jeroen Windmeijer, dat 21 maart verschijnt. De boekhandel heeft bij uitgeverij HarperCollins maar liefst 1000 exemplaren ingekocht.

De reden is simpel: voor De Kler is Windmeijer allerminst een onbekende thrillerauteur. Windmeijer debuteerde twee jaar geleden bij de kleine, in Leiden gevestigde uitgeverij Primavera Pers met De bekentenissen van Petrus. De thriller over een archeoloog die na de vondst van een eeuwenoud document wordt opgejaagd door een geheim genootschap, bleek lokaal een groot succes. Inmiddels zijn er 5000 exemplaren van verkocht. 'En daar hebben wij misschien wel de helft van verkocht', aldus bedrijfsleider Jerom Hakker. 'In ons Leids filiaal is het daarmee – misschien op de Harry Potter-boeken na – het best verkochte boek uit onze geschiedenis.'
Hakker verklaart het succes in de eerste plaats uit de combinatie van de kwaliteit én de setting van het boek. 'Het is spannend. Het zit goed in elkaar. En Leiden speelt echt de hoofdrol. Ik hoor wel eens bij inkoopgesprekken: ja, dit speelt in Leiden, maar dan woont de hoofdpersoon daar alleen maar. In De bekentenissen van Petrus niet. Iedereen die de stad kent kan helemaal met de hoofdpersoon meegaan door alle straten en stegen. Het speelt zich ook af op 3 oktober, de Leidse feestdag. Dus iedereen die ook maar iets met Leiden heeft, wilde dit boek lezen. Andere regionalia zijn altijd informatieve boeken. Een spannend regionaal boek als dit is uniek.'
Daarnaast roemt Hakker het vermogen van de auteur om publiciteit te zoeken en zijn eigen boek te verkopen. 'Bij veel signeersessies gaat een auteur zitten en wacht af. Jeroen staat – dat is al een verschil – en hij gaat aan de slag. Hij spreekt mensen aan, zonder dat het vervelend wordt, en weet hen te overtuigen. Zo is de mond-tot-mondreclame op gang gekomen. En hij is er aan blijven trekken. Een keer kwam hij zomaar langs op een zaterdag. Het was lekker weer, hij vroeg om een statafel en ging buiten staan. Weer iedereen aanspreken. Andere auteurs die bij een kleine uitgeverij zitten of in eigen beheer uitgeven vragen mij wel eens: hoe komt het dat ik maar tien boeken heb verkocht? Hierdoor dus.'
Dat De Kler duizend exemplaren van Windmeijers tweede thriller heeft ingekocht, was desondanks niet helemaal gepland. Hakker kon zich niet meer herinneren dat hij zo'n gigantisch aantal had genoemd tijdens het verkoopgesprek. 'Maar toen ik het getal weer op mijn bordje kreeg, dacht ik: laat ik niet flauw doen. Ik weet ook zeker dat we ze allemaal gaan verkopen en uiteindelijk moeten bijbestellen. Als ik merk hoe het boek nu al leeft. Klanten vragen regelmatig wanneer de nieuwe van Windmeijer eraan komt. De pallet met duizend boeken staat inmiddels in het magazijn. Het ziet er indrukwekkend uit.'
Windmeijer is na het lokale succes van zijn debuut gescout door HarperCollins, die hem nu landelijk lanceert. Het Pauluslabyrint­, waarin Leiden ditmaal wordt opgeschud door de ontdekking van een ondergrondse gangenstelsel, is de toptitel van hun voorjaarsaanbieding. Hakker: 'Andere boekhandels hebben natuurlijk niet zoveel ingekocht als wij, maar van wat ik begrijp is de uitgeverij erg tevreden over de inkoop. Jeroen heeft ook al verschillende signeersessies elders in het land gepland staan. En terecht. Ik ben zelf nu halverwege in het boek. Het is minstens zo goed als zijn vorige thriller.'
Windmeijer presenteert het boek op 26 maart bij De Kler. In de weken daarna gaat hij langs alle vestigingen om te signeren.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 17 mrt)

Zie ook:

maandag 20 maart 2017

Het Nederlands in de wereld: Ieder vuurtje moet worden aangewakkerd (Ons Erfdeel)

Liefde voor het Nederlands hebben buitenlandse sprekers van de taal zeker. Ze getuigen er makkelijk van, bleek op het eerste Ons Erfdeel-colloquium ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan. Maar er zijn voldoende middelen nodig om liefhebbers om te vormen tot promotoren van het Nederlands.

Voor de Indonesische masterstudente Amalia Astari was het de afwijzing van de faculteit rechten. Toen ging ze maar Nederlands studeren in Jakarta. 'Wie weet opent deze taal een deur naar een interessant avontuur in de toekomst', dacht ze destijds. Het bleek aanvankelijk helemaal niet moeilijk – met al die leenwoorden in het Indonesisch, zoals 'parkeren' (parkir) en 'boontjes' (buncis). Naarmate ze steeds meer Nederlandstalige boeken las, ging ze zich ook meer thuis voelen in de taal. Eenmaal in Nederland geweest voor een zomercursus wist ze het zeker: in deze taal ligt haar toekomst, te beginnen als – in 2017 – docent aan de Universitas Indonesia.
Voor de Servische hoogleraar en vertaler Jelica Novaković was het de carrière van haar vader. Als dochter van een diplomaat kwam ze, drieëneenhalf jaar oud, in Den Haag terecht. 'Nederlands was daarmee de eerste vreemde taal waarmee ik in aanraking kwam. En als je vaak van woonplaats en vriendenkring wisselt heb je behoefte aan continuïteit. Het Nederlands bood me dat. Ik heb altijd mijn best gedaan om contact te houden met de taal en via de taal met de cultuur. Zo heb ik al vroeg leren kijken door een Nederlandstalige bril, wat me een meerwaarde gaf aan mijn denkvermogen. Dat is wat taal doet. Iedere taal geeft een andere visie op de werkelijkheid.'
Voor de Australische schrijver en vertaler David Colmer was het de mengeling van onvrede met zijn woonplaats en een ontmoeting met een Nederlandse. Het beviel hem niet in Londen, maar omdat hij geen zin had om terug te gaan naar zijn geboorteland trok hij naar Berlijn. Om Duits te leren. Hij vond het immers maar niets dat hij, 26 jaar oud inmiddels, alleen maar Engels kon. 'Ik heb in heel korte tijdsspanne Duits geleerd. Dat was fantastisch. En toen ik een Nederlandse vrouw ontmoette die ook in Berlijn woonde, heb ik Nederlands erbij gedaan. Inmiddels woon ik al 25 jaar in Amsterdam en kan ik eigenlijk alleen nog Duits lezen.'

Zo is het voor iedere buitenlander toeval geweest dat hij of zij Nederlands ging leren. Maar kan de positie van het Nederlands in de rest van de wereld louter afhangen van toeval? Wie eenmaal de keuze voor de taal heeft gemaakt, moet hem ook optimaal kunnen leren en gebruiken. Ieder vuurtje moet worden aangewakkerd. Zoals David Colmer vertelde: 'Ik volgde in 1996, toen ik al werkte als vertaler, de eerste zomercursus literair vertalen, gesponsord door wat nu het Nederlands Letterenfonds heet. Dat was voor mij een enorme stimulans. Bijna alle vertalers uit de generatie na mij hebben diezelfde zomercursus gedaan.'
En dan gaat het eigenlijk nog verder. Want hoe succesvol zou Colmer – winnaar van onder meer de Vondel Translation Prize – zijn geweest als de letterenfondsen in Vlaanderen en Nederland geen subsidies beschikbaar stelden aan buitenlandse uitgevers als tegemoetkoming aan vertaalkosten? Wat als er geen Vertalershuizen stonden in Amsterdam en Antwerpen, met respectievelijk vijf en twee plekken, waar vertalers zich kunnen onderdompelen in de Nederlandse taal?
Er moet beleid zijn voor het Nederlands in de wereld. Er moeten middelen voor worden vrijgemaakt. En daar moet goed over worden nagedacht. Daarom organiseerde Ons Erfdeel, ter gelegenheid van haar zestigjarig bestaan, in de eerste van vier colloquia over verschillende terreinen van de Vlaams-Nederlandse samenwerking een bijeenkomst over dit belangrijke thema. Deze goed bezochte bijeenkomst vond op 10 november plaats in het Vlaams-Nederlandse Huis deBuren te Brussel.

In zijn openingswoord legde hoofdredacteur Luc Devoldere van Ons Erfdeel het belang van een goede zorg voor de taal uit. Talen staan in machtsverhoudingen tegenover elkaar, stelde hij. Die verhoudingen moet je regelen. Immers: 'Als talen met elkaar in contact komen, kunnen ze met elkaar in conflict komen. Je neemt niet ongestraft het woord in je eigen taal als je gesprekspartner die taal niet spreekt, laat staan begrijpt. Stel je voor dat je dat in een gesprek blijft doen: verwondering wordt dan onbegrip, onbegrip wordt irritatie, irritatie eindigt met weglopen of op de vuist gaan.'
Welke taal is in een dergelijke botsing dominant? Dat is niet automatisch de taal met het grootste aantal sprekers. Ook politieke, economische en culturele macht speelt een rol. En prestige. Maar het belangrijkste element is wellicht het belang dat de sprekers zélf aan hun taal hechten. 'Van de zesduizend talen die vandaag op deze planeet worden gesproken, zullen er ongeveer drieduizend verdwijnen deze eeuw. Of een taal blijft verder bestaan als aparte taal, hangt uiteindelijk af van de taalgebruikers die hun taal de moeite waard moeten blijven vinden om in al haar functies te behouden.'
In Vlaanderen – dat al sinds de oprichting van de staat België niet altijd even harmonieus heeft samengeleefd met Franstaligen – wordt dat begrepen, in Nederland niet. Waarom zou de Frankfurter Allgemeine tijdens de jongste Frankfurter Buchmesse, waar Nederland en Vlaanderen gastland waren, anders bevreemd opmerken dat het Engels in het Nederlandse hoger onderwijs wel erg ver oprukt? 'Bij sommige literatuurstudies worden zelfs de Nederlandstalige werken niet meer in het origineel maar in het Engels gelezen.'
Devoldere: 'In Nederland was de staat er eerst, en de natie en de taal ontwikkelden zich binnen de reeds bestaande staat. Aangezien Nederlands er vanzelfsprekend is, speelt het geen belangrijke rol in de Nederlandse zelfbepaling. In Vlaanderen daarentegen was de natie er eerst, en ze was bijna uitsluitend gebaseerd op taal, op een taal waarvoor moest worden gevochten: “De taal is gansch het volk”.' Het is dan ook niet voor niets dat Nederland zijn taal niet heeft achtergelaten in zijn kolonie en België wél – al was dat dan de andere officiële taal.
Die botsing tussen Vlaamse overgevoeligheid en Nederlandse onverschilligheid leidt nog altijd met regelmaat tot wrevel. 'Toen Harry Mulisch in 1995 de Prijs der Nederlandse Letteren ontving, deed hij in het koninklijk paleis in Brussel in het bijzijn van koning Albert II nogal laatdunkend over de toekomst van het Nederlands: zijn dochter sprak al meer Engels dan Nederlands, en binnen twee generaties was het gedaan met dat taaltje aan de Noordzee. Hij zei dat uitgerekend in een paleis waar de huistaal nooit het Nederlands is geweest. De aanwezige Vlamingen konden er niet mee lachen.'

Bijzonder is dat Nederland en Vlaanderen ondanks die verschillende opvattingen over hun taal in 1980 tóch een Taalunie hebben opgericht, memoreerde Devoldere nog maar eens. 'Wees blij dat ze bestaat, want vandaag zou ze niet meer opgericht worden!' Welk beleid staat deze instelling voor om het Nederlands in het buitenland vorm te geven? Welke middelen maakt zij daarvoor vrij? Of beter gezegd: wat doet de Taalunie om de beleidsmakers die haar koers uitzetten te overtuigen om beleid te maken en geld beschikbaar te stellen?
Daarover sprak waarnemend algemeen secretaris Maya Rispens. Persoonlijke getuigenissen zoals van Astari, Novaković en Colmer zijn niet meer genoeg, legde ze uit. 'Wij dachten altijd: dit zijn zo overtuigende verhalen, daar hebben de ministers wel oren naar. De conclusie moet zijn: dat is niet zo. Dat weerhoudt ons er niet van om ze te blijven vertellen. Testimonials blijven belangrijk – ook van bijvoorbeeld een directeur van Shell die uitlegt dat hij Nederlandstaligen aanneemt omdat die bepaalde vaardigheden hebben. Maar we moeten ook andere elementen op tafel leggen om terug de interesse te wekken van de mensen die beslissen.'
Die elementen zijn harde cijfers. De Taalunie is daarom een meerwaarde-onderzoek begonnen naar het Nederlands in de wereld. Waar en hoe is het Nederlands aanwezig in het buitenland? Dit geldt zowel in geografisch opzicht als in welke economische en maatschappelijke sectoren. Welke kwalitatieve en kwantitatieve meerwaarde levert de aanwezigheid van het Nederlands in het buitenland? In economisch opzicht, maar ook cultureel, sociaal of met betrekking tot imago en prestige. En: hoe kan de aanwezigheid en de meerwaarde verder gemonitord worden? Hieruit moet kansen en mogelijkheden worden gedestilleerd.
Rispens: 'Ik verklap u meteen onze conclusie: Nederlands télt internationaal. Maar wees gerust: het is wel degelijk de bedoeling dit te onderzoeken, gegevens te verzamelen en een ernstige bewijsvoering op te stellen die beleidsmensen in Nederland en Vlaanderen zal overtuigen. Het moet ons bijvoorbeeld de kapstok bieden om aan de minister uit te leggen dat het weliswaar klopt dat Nederlandse bedrijven in het buitenland vaak in het Engels communiceren, maar dat ze nog steeds jonge studenten Nederlands van de schoolbanken plukken omdat ze interculturele inzichten hebben meegekregen die onmisbaar zijn in zakelijk verkeer.'

De hoofdschotel van de bijeenkomst was het gesprek van vier Nederlandstaligen uit het buitenland – naast de al genoemde drie ook de Ierse Annie Fletcher, hoofdconservator van het Van Abbe Museum in Eindhoven – over hun liefde voor het Nederlands. Want dat iedereen op het podium de liefde deelde, dat had Novaković direct gezien. 'Dit gesprek wordt één zucht van verliefdheid', zei ze tegen gespreksleider Clairy Polak. 'Ook met mijn studenten begint het vaak met liefde. Beleidsmakers moeten daar oog voor hebben: het belang van irrationaliteit bij het verspreiden van het Nederlands in de wereld. Je kunt niet alleen centen tellen.'
Novaković gaf eerlijk toe niet précies te weten waarom jonge Serviërs voor Nederlands kiezen. Uit de jaarlijkse enquête onder beginnende studenten blijkt dat ze vaak positieve stereotypen over Nederland hebben. 'Dat komt neer op wat zij verstaan onder onbeperkte vrijheid'. Maar misschien was het wel toeval of het gerucht dat de faculteit zulke leuke feestjes organiseert. 'En dan is het aan ons docenten om pragmatisch te zijn en ook te laten zien dat er voor de twintig nieuwe studenten ieder jaar werk is. Als tolk of vertaler of zeg maar: taaldienstverlener.'
Met name Colmer bracht zijn liefde voor het Nederlands nuchter naar voren. Hij corrigeert buitenlanders die onze taal een kleine taal noemen. 'Het is een middelgrote Europese taal. Er zijn allerlei talen in Europa met maar twee of drie miljoen sprekers. Het Nederlands heeft er bijna 25 miljoen.' En hij laat zich niet verleiden door de taal te vergelijken met het Engels of het Duits – ook al is zijn werk, zou je kunnen zeggen, om talen te vergelijken. 'De schoonheid van een taal ligt in de taal zelf. Buitenlanders zeggen vaak: al die harde g's, vreselijk. Maar je moet in de taal kijken.'
Hij vindt het dan ook een slechte zaak dat het Nederlands in eigen land wordt weggeduwd door het Engels. 'Nederlanders zijn niet zo goed in het Engels als ze denken en zeker niet zo goed als ze in het Nederlands zijn. Toen ik voor mijn dochter een middelbare school zocht, zag ik op internet een filmpje van een tweetalige school. Het Engels op dat filmpje was zo bedroevend dat ik overtuigd was dat het Engels van mijn dochter daar alleen maar achteruit gaat. Er is blijkbaar niemand op die school, ook de leraren Engels niet, die dat in de gaten heeft.'

Toch zat met Fletcher ook iemand in het panel voor wie het leren van Nederlands instrumenteel is. Zij verhuisde twintig jaar geleden naar dit taalgebied met het idee dat Nederland een kosmopolitisch, multicultureel land is waar zij zich met haar eigen taal prima kan redden. Bovendien zijn niet woorden haar instrument, maar 'beelden, kunst, symbolen'. Ze kan de lokale beeldende kunst prima begrijpen zonder kennis van het Nederlands. Net zo goed als ze kan werken met de Russische avant-garde werken in de collectie van het museum zonder Russisch te spreken.
Waarom gaf zij zich dan toch op voor een taalcursus? 'Ik miste veel. Ik had maar een heel oppervlakkig beeld van de cultuur en de maatschappij waarin ik leefde.' Het spijtige is alleen dat ze daarbij niet geholpen werd door het land en haar inwoners zelf – hoewel het gebrek aan trots op de eigen taal wel is afgenomen. Het onderwijs dat Fletcher aan kunstacademies geeft, kon ze altijd in het Engels geven. 'En als ik op straat als West-Europese witte vrouw Nederlands probeerde te spreken, lachten ze me uit. Ze lachten echt. Ze vonden mijn accent superschattig, maar vonden het niet nodig om met mij Nederlands te praten. Het kon toch ook in het Engels?'
Colmer herkent dat. 'Ik had het geluk dat ik zo'n dik Duits accent had dat niemand met mij Engels wilde spreken. Maar alle andere Engelstaligen merken dat Nederlanders je niet willen helpen. Als je in Italië drie woorden spreekt, zeggen ze daar: "o, wat goed", herhalen ze ieder woord desnoods vijf keer, laten ze met mimiek weten wat het betekent. Je krijgt spontaan taalles. Iedere interactie is een taalles. Dat heb je in Nederland bijna nooit.'

En toch is het belangrijk buitenlanders te stimuleren Nederlands te leren. Al was het maar voor de buitenlanders zelf, vindt Novaković. 'Ik kom uit een land dat is vast is blijven zitten in één manier van kijken. Misschien is de oplossing als we leren dat je op verschillende manieren naar hetzelfde kunt kijken. Misschien gaat er dan een lampje op waardoor je zaken beter kunt aanpakken. Taal is daarvoor cruciaal, omdat bepaalde waarden van de cultuur van die taal daarin zijn geïncorporeerd. En dan krijg je met het Nederlands contact met twéé culturen: de Nederlandse en de Vlaamse.'
Een voorbeeld: 'Ik heb Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan vertaald. Een prachtig boek over homoseksualiteit, waar men in Servië nog lang niet zo welwillend tegenover staat als in Nederland. Een echt taboe is het niet meer. Wie dit menselijke verhaal leest, kan daarna toch van mening veranderen over mensen met een andere geaardheid. Dat vind ik heel belangrijk. En dat boek is in het Nederlands ontstaan. Niet in het Engels of Duits, maar in het Nederlands.'

Het beleid waarmee Nederland en Vlaanderen de eigen taal stimuleren is goed. Geen van de aanwezigen op het podium kon concrete aanbevelingen doen aan de overheden van beide landen of kritiek uiten op de instellingen die het beleid uitvoeren. Colmer: 'Als de Taalunie haar meerwaardeonderzoek doet, zullen de resultaten voor de Nederlandse literatuur in het Engels geweldig zijn. Het niveau van de vertalingen is heel hoog, dankzij de inzet op professionalisering van de letterenfondsen. Ik hoor van Britse uitgevers dat Nederlandse boeken kunnen concurreren omdat de tekst niet door het gordijn van een slechte vertaling hoeven te schijnen.'
Alleen: de bezuinigingen. Hoe moeten buitenlandse neerlandici, vertalers en studenten daarmee omgaan? Dat is een serieuze worsteling. Hoe serieus, bleek uit het verhaal van Astari. 'Tijdens mijn vorige stage als assistent van de docent aan de Universitas Indonesia was, kon ik nog zeggen: leer goed Nederlands, dan kun je een beurs krijgen om naar Nederland of België te gaan. Ook voor mij was dat zeer aantrekkelijk geweest. Maar nu wordt dat verblijf niet meer volledig vergoed. Ik ken een studente: heel slim, maar niet uit een rijke familie. Zij kon het zich niet permitteren om naar Nederland te gaan.'
Daar komt nog bij dat verschillende taalstudies in met name Nederland ophouden te bestaan. Indonesisch, slavistiek. Nederland en Vlaanderen worden daardoor pas echt afhankelijk van Indonesiërs en Oost-Europeanen die Nederlands spreken voor het onderling contact dan mogelijk nu al het geval is. Alleen zij spreken beide talen. 'Eigenlijk moeten wij nu een dubbele taak op ons nemen', zei Novaković. 'Wij zijn ambassadeurs voor Nederlands in Servië, maar ook ambassadeurs voor Servië in Nederland. En toch worden wij alleen door de Servische overheid betaalt. Dat is pas een meerwaarde voor Nederland!'
Dan kunnen er nog zo veel mensen door wat voor toeval ook een liefde voor de taal opvatten, bij gebrek aan voldoende financiële steun is het beleid om die liefhebbers om te vormen tot ware promotoren voor het Nederlands onhoudbaar.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 1/2017)

zaterdag 18 maart 2017

De ontmoeting tussen boekhandelaar Fabian Paagman en Thuiswinkel.org-directeur Wijnand Jongen (Boekblad)

Wijnand Jongen is directeur van Thuiswinkel.org. Maar om alles online te kopen? Nee. Ieder jaar koopt hij met kerst voor al zijn veertig medewerkers een boek bij boekhandel Pettinga in Wijk bij Duurstede, waar hij woont. Sterker: als de 57-jarige Jongen met pensioen gaat, wil hij de boekhandel overnemen. Door deze voort te zetten als coöperatie gerund door vrijwilligers, het liefst inclusief huidige eigenaar Rico Pettinga die alle knowhow heeft, kan de boekhandel op langere termijn worden behouden voor de 24.000 inwoners tellende stad.
En schreef Jongen niet Het einde van online winkelen? Op het eerste gezicht zou je zeggen: dé belangenbehartiger van Nederlandse webwinkels ziet in dat de consument terugverlangt naar de gezelligheid van de winkelstraat en het contact met de lokale winkelier die hem echt kent. Maar zo bedoelt hij het niet. Jongen verkondigt het einde van de scheiding tussen het fysieke en het online kanaal. De moderne consument, die overal en altijd verbonden is met het internet, winkelt waar hij de meeste gemak, service en voordeel ervaart. Ongeacht het kanaal.
Het einde van online winkelen is daarom allesbehalve een zwanenzang van de webwinkel, maar een goed gedoseerd en helder overzicht van alle ontwikkelingen in de economie en de invloed daarvan op retail. Het gaat over de opkomst van de deeleconomie en de circulaire economie. Het gaat over nieuwe technologieën als virtual reality, de blockchain en het Internet of Things die allemaal op het punt staan om door te breken. Maar het is bovenal een oproep aan retailers om nieuwe businessmodellen te bedenken voordat marktplaatsen en platformen hun omzet overnemen.

Fabian Paagman van boekhandel Paagman in Den Haag was zo getriggerd door Jongens boek dat hij de auteur wilde ontmoeten. Tijdens een diner in een restaurant in de haven van Scheveningen praatten zij in aanwezigheid van Boekblad uitgebreid over de grote reuzen als Amazon, Google en Chinese partijen als Alibaba die de schaalgrootte en investeringskracht hebben om als eerste te profiteren van alle gesignaleerde ontwikkelingen. Maar natuurlijk begon het gesprek met Jongens plannen voor zijn pensioen. Waarom moet een boekhandel in een provincieplaats een coöperatie zijn?
Jongen: 'Zo besparen we op personeel. Dat geld gebruiken we dan om innovaties te introduceren. Virtual reality, hologrammen – al die technieken staan te pruttelen, maar breken over een jaar of vijf door. En dan móét je mee als winkel omdat de consument daarom vraagt. Ook in Wijk bij Duurstede wil de consument mee in de vaart der volkeren.'
Paagman: 'Ik heb in de VS al veel winkeltjes gezien die drijven op vrijwilligers. Ik geloof dat dat type winkel ook hier meer zal voorkomen. Toch blijft het lastig voor een winkelier. Want: welke innovatie kies je dan? En: snap je die innovatie ook zelf? Boekverkopers worden boekverkoper uit betrokkenheid bij het product. Het is niet gezegd dat ze innovaties snappen.'
Jongen: 'Zeker. We zitten in een tussenfase. Het digitale is nu al niet meer weg te denken, maar je kan er niet volop op inzetten. Er is gebrek aan kennis, gebrek aan armslag en vooralsnog gebrek aan return op je investering. Maar niets doen kan ook niet.'
Paagman: 'Het is wel lastig voor winkeliers dat het speelveld wordt gedomineerd door vier, vijf grote spelers. Daarna komt honderd lichtjaar niets en dan pas de drie miljard andere winkels.'
Jongen: 'Ja. Maar de grote wereldspelers zijn nog amper actief in Nederland. Niemand is afhankelijk van de marktplaats van Amazon zoals veel retailers in de VS. Dat biedt kansen. Alle boekhandels in Nederland kunnen nu nog de handen ineenslaan en een alternatief voor Amazon opzetten.'
Paagman: 'Dat ben ik met je eens. Helaas ontbreekt die eensgezindheid in het vak. Wat dat betreft is de crisis eigenlijk te snel voorbij gegaan. Nu het beter gaat, trekt iedereen zich terug in zijn hokje. Terwijl het herstel van de detailhandel verhult dat er nog altijd een verschuiving plaatsvindt van fysieke winkels naar online. Wij zijn in 2016 gegroeid, maar niet dankzij de ’oude’ winkel op de Frederik Hendriklaan. Die staat onder druk.'
Jongen: 'Misschien kan de politiek een duwtje in de goede richting geven.'
Paagman: 'Waarom zouden politici dat doen als retailers zelf de noodzaak ervan niet inzien?'
Jongen: 'Maar over drie jaar wel. Dan ziet de sector er totaal anders uit. Bovendien pleit ik voor meer samenwerking tussen brancheverenigingen. In het gesprek met Den Haag, maar bijvoorbeeld ook in het organiseren van opleidingen voor het digitale kunnen alle retailverenigingen het beste zo veel mogelijk samenwerken. Om de strijd tegen een gezamenlijke vijand aan te kunnen gaan.'

Jongen schenkt in Het einde van online winkelen de meeste aandacht aan de dominante wereldspelers – die stuk voor stuk van origine online retailers zijn. Dat is niet omdat hij die bedrijven het beste kent. Het is omdat de Amazons, Apples en Alibaba’s met hun andere insteek de retailwereld totaal op zijn kop zetten. Zij richten zich niet in de eerste plaats op omzetgroei of winstmaximalisatie, maar op het maximaal inspelen van de wens van de klant. Omzet en winst volgen dan vanzelf.
Jongen: 'Bedrijven als Amazon zijn totaal servicegericht. Waarom? Omdat online spelers zich in het begin enorm moesten bewijzen. Online heeft offline nooit onderschat en voortdurend geprobeerd de nadelen ten opzicht van offline te verbeteren. Productinformatie, ook visueel, is steeds beter geworden. De snelheid van leveren is groter geworden. Enzovoort. Traditionele retailers beseffen niet hoe servicegericht hun online concurrenten zijn.'
Paagman: 'Ja. We worden ingehaald en we hebben het niet door. Wij realiseren ons niet dat Amazon gewoon een retegoede job doet, omdat we nooit in hun keuken kunnen kijken. We zien alleen de output.'
Jongen: 'Alles is bij online winkels gebaseerd op gegevens. Zo heb ik een Amazon Echo. Geweldig. Maar Amazon eet me helemaal leeg – om me daarmee nog beter van dienst te kunnen zijn. En omdat een consument uiteindelijk kiest voor wat hem het meeste voordeel oplevert, gaat hij daarin mee. Fysieke winkels moeten daarvan leren en ook veel meer weten over hun klanten.'
Paagman: 'Hoe? Als jij zaterdag een krantje haalt in de boekhandel wil je toch niet eerst tien vragen beantwoorden?'
Jongen: 'Hoe je het regelt, doet er niet toe. Het moet gewoon, zodat fysieke winkels ook aan up- en cross-selling kunnen doen. Dat is het spel dat online speelt.'
Paagman: 'Je hebt gelijk dat we inspiratie uit online moeten halen en zelf veel servicegerichte moeten worden. Daarin zie ik overigens wel kansen. Ik denk dat je met Uber-achtige software de winkelvoorraad kunt ontsluiten en permanent up to date houdt en dan met Deliveroo-achtige modellen lokaal one hour delivery kunt organiseren. Dat kan een Bol niet zo snel.'
Jongen: 'Eens. Dat is een kans. De partijen die zorgen voor up to date voorraadinformatie gaan komen. Net als met de nieuwe technieken als VR en hologrammen kunnen winkeliers het contact met de klant intensiveren. Het spijtige is alleen dat veel retailers al denken dat ze het goed doen. Ik koop ieder jaar vlak voor kerst voor 600 euro wijn, maar ik durf niet te vragen of de winkelier de dozen thuis wil brengen. Waarom? Vorig jaar zei hij nee. Maar als iemand hem zou vragen: ben jij klantvriendelijk?, dan zegt hij ja. Hij gaf toch een flesje gratis mee?'
Paagman: 'Ook in het boekenvak denken velen helaas dat ze het al goed doen.
Jongen: En dat terwijl het boekenvak bij uitstek in staat moet zijn om in de harten van mensen te komen en zo hun loyaliteit te winnen. Dat kan door met zo’n emotioneel product als het boek én zo servicegericht mogelijk te zijn én in te spelen op de behoefte van mensen aan authenticiteit.'
Paagman: 'Maar nogmaals, dat kun je als winkelier niet alleen. Je bent altijd afhankelijk van externe factoren. Omdat de straat openligt – die factoren zijn bekend. Maar ook omdat je voor innovaties afhankelijk bent van derden. Voor onze dropshipment van zijn we afhankelijk van CB en Quantore. Die laatste heeft de besteltijd verruimd tot half zeven. Ik zou willen dat het middernacht werd. Maar Quantore levert voor 90 % aan bedrijven, verdere verruiming is dus voor hen niet urgent.'

Jongen: 'Ik begrijp precies wat je bedoelt. Daarom pleit ik ook iedere keer voor samenwerking – op alle mogelijke niveaus in de retailsector.'
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, feb 2017)

donderdag 16 maart 2017

Interview met nieuwe algemeen secretaris Hans Bennis: 'De Nederlandse Taalunie moet weer als krachtig, zelfbewust instituut opereren' (Taalunie:Bericht)

De Nederlandse Taalunie moet het doorgeefluik zijn tussen het veld en de politiek, vindt de nieuwe algemeen secretaris Hans Bennis. ‘Van alles wat we doen moeten we ons opnieuw afvragen: is het in belang van de taal of van de Taalunie?’

Hans Bennis noemt zichzelf ‘een echte Amsterdammer’. Hij zegt wat hij denkt. ‘Ik heb in eerdere interviews gezegd dat spelling me niet interesseert. Ik weet wel dat je in deze functie eigenlijk hoort te zeggen: spelling is op dit moment geen prioriteit. Maar ik ben geen diplomaat. Dat er dan meteen allemaal mensen mails sturen: en nu verloedert de taal echt!, neem ik voor lief. Je kunt het toch nooit iedereen naar de zin maken.’
Als algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie zal dat echt niet veranderen. De 65-jarige taalkundige is na een lange carrière, waarvan de laatste achttien jaar als directeur van het Meertens Instituut, met pensioen. Hij heeft alleen maar op deze functie gesolliciteerd omdat hij het leuk vindt – en omdat hij niet wilde stoppen met werken natuurlijk. Waarom zou hij iedere dag op en neer naar Den Haag reizen als hij zich gedwongen voelt zich anders te gedragen? 

‘Bij het Meertens instituut moet je weg als je de pensioengerechtigde leeftijd hebt bereikt’, vertelt hij. ‘Ik keek al rond wat ik kon gaan doen toen Marc van Oostendorp, senior onderzoeker bij het instituut, tegen mij zei: jij bent de nieuwe algemeen secretaris van de Taalunie! Ik wist niet eens dat de baan vrij was. Maar ik heb gebeld met het ministerie en instellingen als de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek en raakte langzaam overtuigd dat ik dit wil.’ 
Waarom? ‘Ik heb veel kennis van het veld. Ik heb veertig jaar in de neerlandistiek gewerkt. Op het academisch niveau waar ik volgens het assessment voor deze baan – de eerste die ik in mijn leven moest doen – op functioneer. Ha ha. En ik heb heel veel bestuurlijke ervaring. Ik vind het leuk dat ik dat ook hier kan combineren. Precies zoals ik dat altijd heb gedaan: dicht op de werkvloer, om samen met de mensen iets moois tot stand te brengen.’ 

Bennis’ directheid wil echter niet zeggen dat hij als een olifant door de porseleinkast zal denderen om zijn eigen zin door te drijven. In zijn visie is de Nederlandse Taalunie een doorgeefluik van kennis over de taal en opvattingen in het veld naar de politiek, die daar beleid op maakt. Hij gaat juist luisteren – om vervolgens alle geluiden te bundelen tot één visie, zodat de neerlandistiek met een helder, gemeenschappelijk verhaal bij de beleidsmakers komt. 
‘Neem het schoolvak Nederlands’, geeft hij als voorbeeld. ‘Daar is veel kritiek op. Het behoort tot de saaiste vakken op school. Onzin natuurlijk. Ik ben zelf Nederlands gaan studeren, hoewel ik beter was in wis- en natuurkunde, omdat dat het leukste vak was – dankzij mijn leraar. Daar moet dus wat aan worden gedaan. Maar wát, dat ga ik niet zelf bedenken. Dat moet uit het veld komen, waarna ik tegen ministers Jet Bussemaker van Nederland en Sven Gatz en Hilde Crevits van Vlaanderen kan zeggen: dit vindt het veld.’
Nog een voorbeeld: het Nederlands in het buitenland. ‘Dit terrein is de afgelopen jaren behoorlijk afgeknepen. Het belang ervan is bij de politiek niet duidelijk. Het economisch en het cultureel belang van het Nederlands moet daarom niet helder over het voetlicht worden gebracht. Daarom is de Taalunie nu een onderzoek gestart naar het aantal studenten Nederlands in de wereld en waar zij terecht komen. Zo blijken veel Polen bij Ikea te gaan werken, omdat het daar wordt gezien als Nederlands bedrijf.’ 

De politiek heeft tot nu toe weinig oor voor het veld. Dat was ook een van de conclusies uit het rapport-Schinkelshoek van vorig jaar, dat met name Nederlandse politici desinteresse in de taal en de Nederlandse Taalunie verweet. Bennis begrijpt dat wel. Vergaderingen in het Comité van ministers en de Interparlementaire Commissies gingen vaak over de Taalunie zelf. De begroting. Nieuwe aanstellingen.
‘Politici associëren de Taalunie met het Groene Boekje en dat vinden ze niet interessant. Ik dus ook niet, omdat we hier zijn voor de taal – níet voor de enig correcte manier waarop die wordt gespeld. Ik ga er voor zorgen dat de politiek op de vergaderingen wordt uitgedaagd om standpunten te ontwikkelen. De tijd is voorbij dat het veld een rapport neerlegt waar het dan bij blijft. Omdat wij het luisterend oor van de politiek hebben, leg ik hen zo'n voorstel voor en wil ik ervoor zorgen dat beleid concreet wordt.’
Als het aan Bennis ligt, komt er dan ook een eind aan ongefundeerde meningen over taal. ‘Iedereen roept vaak maar wat. Bijvoorbeeld: er mag geen Turks meer worden gesproken op kinderdagverblijven. Maar taalkundigen weten dat een goede beheersing van je thuistaal een positief effect heeft op het taalvaardig zijn in de landstaal – of je thuistaal nou Kerkraads is, Turks of Farsi. Op grond daarvan moet beleid worden ontwikkeld over meertaligheid.’ 

Bennis is nog maar net begonnen bij de Nederlandse Taalunie. Woensdag 1 februari was zijn eerste werkdag. In deze eerste fase draait alles om herstel van vertrouwen. Ook bij het veld, dat in zijn beleving net zo weinig als politici beseft wat de taak van de Taalunie is. ‘Ik was bij een commissie van de KNAW over meertaligheid. De eerste vraag was: wat doet de Taalunie hier? Die zijn toch alleen van de standaardtaal? Ten onrechte. Het Nederlands bevindt zich in een meertalige context en dus is het voor de Taalunie belangrijk om ook over meertaligheid visies te ontwikkelen.’ 
Dat groeiend besef van wat de organisatie doet, moet gepaard gaan met een herijking van het takenpakket, zodat de Taalunie als krachtig, zelfbewust instituut kan opereren. ‘We hebben zo veel taken verzameld. Deze eerste weken komen elke dag dossiers op mijn bureau waarvan ik niet wist dat wij dat ook doen. Van alles wat we doen moeten we ons opnieuw afvragen: is het in belang van de taal of van de Taalunie?’ 

Bennis’ benoeming heeft zo veel enthousiasme losgemaakt dat je bijna zou denken dat zijn komst genoeg is geweest om het vertrouwen te herstellen. Sommige taalkundigen schreven dat zijn aanstelling het beste nieuws over de Taalunie was dat ze in jaren hadden gehoord. Maar dat lag eerder aan het gekelderde vertrouwen in de organisatie dan aan zijn persoon, denkt de algemeen secretaris zelf. En iedere nieuwe bestuurder heeft nu eenmaal zijn wittebroodsweken. 
‘Iedereen legt nu zijn verlanglijstje bij mij op tafel en denkt: top, we krijgen weer onze zin. Maar of het ook zo uitpakt? Er komt een moment dat er keuzes moeten worden gemaakt. Maar belangrijk is dat we, anders dan de laatste jaren, met alle partijen daar een goed gesprek over voeren. Mijn ervaring is dat als je uitlegt waarom je de keuze maakt en samen naar oplossingen zoekt, je er altijd wel uitkomt. In dat opzicht ben ik wel een diplomaat.’
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:Bericht mrt 2017)