zondag 7 januari 2018

Shaun Bythell, 'Dagboek van een boekverkoper' (Boekblad)

Hoe houdt een tweedehandsboekverkoper het vol in tijden van Amazon? De Schotse boekhandelaar Shaun Bythell laat in zijn Dagboek van een boekverkoper zien hoe hij het hoofd boven water houdt. Met een talent van marketing, waar ook zijn boek een uiting van is.

Shaun Bythell weet wat je moet doen met een Amazon Kindle als het scherm beschadigd is en je je Virginia Woolf niet kunt uitlezen. Hij heeft daar een 'revolutionaire techniek' voor, legt hij uit in een Kindle Tutorial die hij tweeëneenhalf jaar geleden op Youtube heeft gezet: een geweer. Een keer goed mikken en het ding is onherstelbaar gerepareerd. Waarna je de bebrilde veertiger de essaybundel Three Guineas uit de boekenkast ziet pakken en hij in zijn comfortabele luie stoel bij de piano rustig verder leest.
Bythell is eigenaar van de tweedehandsboekhandel The Bookshop in Wigtown – het Schotse boekendorp zoals Hay-on-Wye (Wales), Damme (Vlaanderen) en Bredevoort (Nederland). Sinds hij de winkel in 2001 overnam heeft hij internet zijn branche ingrijpend zien veranderen. En niet ten goede. Klanten lezen steeds vaker op een lelijk, grijs scherm. En als ze toch vasthouden aan een voorkeur voor papier zoeken ze op internet naar de goedkoopste uitgave. Hoe valt dan nog te verdienen aan gebruikte boeken?
Het Dagboek van een boekverkoper, dat Bythell vanaf 5 februari 2014 – een willekeurige datum – een jaar lang bijhield, is het antwoord op die vraag. Twaalf maanden lang beschrijft hij zijn pogingen om het hoofd boven water te houden. Met eindeloze tochten naar mensen, vaak nabestaanden, die van een boekencollectie af willen. Met de steeds terugkerende frustraties over zijn medewerkers en klanten. En met een hele reeks initiatieven om een extra bron van inkomsten aan te boren.

Bythell stapte als zovelen het boekenvak in met een te romantisch beeld, erkent hij in het begin van zijn dagboek. Toen hij dertig en zoekende was en de eigenaar van The Bookshop hem zijn winkel aanbood, zag hij een idylle voor zich 'waarin je bij een behaaglijk haardvuur lurkend aan je pijp Gibbons Decline and Fall tot je neemt terwijl een stroom innemende klanten zich op intelligente wijze met je onderhoudt, waarna ze met tassen vol boeken en met achterlating van stapels flappen het pand verlaten.'
Dat de werkelijkheid natuurlijk anders is, maakt dat hij naar eigen zeggen wel is gaan voldoen aan dat andere cliché van de boekverkoper – die van eenzelvige mopperaar in een stoffige, overvolle zaak. Dankzij 'het niet-aflatende spervuur van domme vragen van klanten, de precaire financiële situatie van mijn zaak, de eindeloze discussies met mijn personeel en al die dodelijke vermoeiende zeikers die altijd zo nodig een paar penny moeten afdingen' is hij 'kribbig, contactgestoord, misantropisch' geworden.
Toch valt dat mee. Lezend in Bythells amusante, zij het soms wat langdradig dagboek krijg je de indruk dat hij op een masochistische manier juist geniet van de dagelijkse ontberingen. Neem de klant die zegt jarenlang naar een boek op zoek te zijn, het vervolgens vindt tussen de 100.000 titels die The Bookshop op voorraad heeft en het dan laat liggen omdat hij 23 pond te duur vindt. Eerder dan daar boos en verontwaardigd over te zijn, voel je bij hem een diepe verwondering over de onnavolgbare kronkels in het hoofd van mensen.
En er staan mooie ervaringen tegenover. Zo zijn er klanten met hilarische opmerkingen, zoals het leesclublid dat zegt vergeten te zijn wat Dracula zoal heeft geschreven. Of de bejaarde vrouw die stokoude erotische fotoboeken te koop aanbiedt en er bij één zegt: 'Kijk eens of je mij herkent'. En er zijn klanten die hij tuk heeft. Als iemand met een bepaalde blik in zijn ogen klaagt dat een boek te duur is, verhoogt hij de prijs direct nadat de klant zijn hielen heeft gelicht. En ja hoor, later koopt die klant het boek alsnog. Mokkend, dat wel.
Ook heeft Bythell er plezier in om The Bookshop op de kaart te zetten. Hij heeft een Random Book Club opgezet, waarvoor hij de leden maandelijks een willekeurig boek opstuurt. Hij werkt actief mee aan het succesvolle boekenfestival in Wigtown. En zijn onder boekverkopers zeldzaam talent voor marketing. Zo gebruikt hij Facebook en Youtube voor een anarchistisch soort humor dat hem fans – en dus klanten – over de hele wereld oplevert. Ook publicatie van dit dagboek is in wezen marketing.

Het is daarom zonneklaar dat Bythell ondanks alles niets anders wil zijn dan tweedehands boekverkoper. Hij zal tot zijn laatste snik proberen vol te houden. Want dat is wel degelijk de vraag, maakt hij duidelijk. De digitalisering heeft voordelen –­ denk aan de geweldige uitbreiding van het klantenpotentieel, die zonder webwinkel beperkt zou blijven tot lokale lezers en aanwaaiende toeristen. Maar de nadelen wegen daar niet tegenop. De transparantie die hem dwingt tot het hanteren van lagere prijzen is er maar een van.
Ook de afhankelijkheid van partijen als Amazon en Abebooks stemt tot nadenken. Beide sites bieden geweldige platformen, maar ze bevorderen ook keiharde concurrentie. Als Bythell bestellingen moet annuleren omdat een boek verkeerd is neergezet en dus onvindbaar gevonden, wordt de betrouwbaarheid van zijn winkel automatisch lager ingeschaald. En als iemand dezelfde editie voor een lagere prijs aanbiedt, verlaagt de prijsvergelijkssoftware van Monsoon die The Bookshop gebruikt automatisch ook zíjn prijs.
En dat alles tegen hoge marges tot 30%, zoals Amazon hanteert. Het verbaast dan ook niet om in een interview in The Bookseller, bij het verschijnen van de oorspronkelijke Engelstalige uitgave, te lezen dat Bythell inmiddels niet meer handelt via de Amerikaanse webwinkel. Na wat wordt omschreven als een 'kleine, onschuldige administratieve inbreuk' werd hij geschorst. Het kost hem 12.000 pond omzet per jaar. 'Maar het genoegen om niet meer met Amazon zaken te hoeven doen is me iedere penny waard'.

Het ergst is evenwel de toekomst waarin letterlijk iedere tekst digitaal leverbaar is. Bythell koestert de momenten waarop hij bijvoorbeeld de Italiaanse uitgave van de Decamerone uit 1679 verkoopt. Hij had het ooit overgenomen uit de nalatenschap van nakomelingen van Italiaanse immigranten. Het boek stond al tien jaar in de winkel te versloffen. En dan zet het toch zijn voor iedereen onzichtbare geschiedenis voort, die zo'n onverwoestbaar product eeuwenlang van lezer tot lezer doet gaan.
Komt aan die cultuur een einde aan als iedereen er genoegen meeneemt om de tekst van Boccaccio te downloaden op zijn Kindle? Dan wel een on demand geprinte versie? Van de kleine groep liefhebbers die bereid is te betalen voor een zeldzaam boek kunnen maar een heel klein groepje antiquairs bestaan – en níet het soort handelaar in oude boeken voor een breed publiek als Bythell wil zijn. Het is daarom dat hij een Kindle kapot heeft geschoten en die, opgeplakt op een houten schild, als een waarschuwing in zijn winkel heeft opgehangen.
(Eerder verschenen in Boekblad magazine, dec 2017)

woensdag 3 januari 2018

Hoe schrijf je een boek over eigen leed? Een dramatisch verhaal is nog geen goede autobiografie (Livre)

Opschrijven wat je hebt meegemaakt is geen garantie voor een goed boek. Nog meer dan bij een verzonnen roman bepaalt compositie of je de lezer meesleept. Elke Geurts laat dat zien in haar ultieme scheidingsboek Ik nog wel van jou.

En toen vertelde de man van schrijfster Elke Geurts dat hij niet meer van haar hield. Na vierentwintig jaar samenzijn wilde hij bij haar weg – al trok hij niet van de ene dag op de andere de deur achter zich dicht. Haar hele wereld lag in duigen. Dus hoe kon Geurts anders dan op haar blog, waar ze al jaren haar wel en wee met haar lezers deelde, daarover schrijven. Niets hield haar meer bezig. En toen het dagboek over haar scheiding populair werd, moest er natuurlijk een boek komen. Maar hoe schrijf je een boek over eigen leed? 
Ik heb zoveel meegemaakt, ik kan er wel een boek over schrijven. Dat is geen boutade van een oma die op een verjaardagsfeest, al dan niet met een glas te veel op, maar aan het woord blijft. Er zijn duizenden mensen die dat werkelijk doen. Ze vertellen over hun ervaringen met een levensbedreigende ziekte, de zoektocht naar het oorlogsverleden van hun vader of hun tijd als hooligan bij Ajax. Je kan het zo gek niet verzinnen of er zijn een paar mensen te vinden die een autobiografisch boek over hebben geschreven.
Ook beroemde schrijvers, die hun brood verdienen met fictie. Een van de bekendste voorbeelden uit de laatste jaren is waarschijnlijk A.F.Th. van der Heijden die in 2011 precies een jaar na het dodelijke verkeersongeval waarbij zijn zoon om het leven kwam, het vuistdikke Tonio publiceerde. Uit het buitenland komt de zesdelige cyclus Mijn kamp van Karl Ove Knausgård. Verveeld met het onwaarachtige karakter van fictie, poogt hij zo eerlijk mogelijk verantwoording af te leggen van wat hij écht heeft gedaan.

Maar hoeveel mensen hebben meegemaakt en hoe bijzonder hun verhaal is, veel autobiografische verhalen zijn vervelend om te lezen. Neem een willekeurig inkijkje in het genre 'leven met een zeldzame ziekte'. Er is een diagnose die met ongeloof wordt begroet. Er zijn beperkingen en tegenslagen en familieleden die er niet goed mee omgaan. Er is het nieuwe evenwicht dat met vallen en opstaan wordt bereikt. Er zijn getrokken levenslessen. Enzovoorts. Eigenlijk weet je zonder te lezen al wat erin staat.
Stijl kan zo'n boek niet redden. Er zijn geweldige schrijvers die toch de mist in gaan met een boek over eigen leed. Een voorbeeld is Jowi Schmitz. Zij publiceerde in 2014 haar weblog over de premature geboorte van haar tweede zoon als Te vroeg geboren. Los van elkaar zijn het fraaie miniatuurtjes over haar angst en verlangen, maar achter elkaar is het een onduidelijk geheel. Verhaal-lijnen worden lukraak onderbroken. Details verwijzen nergens meer naar. Er zijn geen heldere personages.
Het geheim van een goed autobiografisch boek is dan ook, nog meer dan bij romans, compositie. Dat is precies wat Tonio en Mijn kamp zo geweldig maken. Van der Heijden en Knausgård doorbreken iedere chronologie. De eerste doorsnijdt het verslag van het ongeluk en de nasleep met herinneringen die kriskras door Tonio's leven gaan, een zoektocht naar zijn laatste uren en beschouwingen over zijn rouw op dat moment. Zo weet je ondanks de voorspelbaarheid van het verhaal toch nooit waar het heen gaat.

Hoe doet Elke Geurts dat in het afgelopen november verschenen Ik ook van jou? Al vanaf de eerste zinnen weet je dat het goed zit. Zij begint niet bij de dramatische mededeling van haar man, maar bij een discussie met hem over de titel van dit boek. En de beschrijving van de fase in het scheidingsproces waar ze op dat moment inzitten. En de knallende, gewelddadige ruzie die zal volgen. Het is zonder meer wervelend, zoals Geurts de lezer onmiddellijk midden in het drama plaatst en je niet meer loslaat.
Zelfs voor wie zoals ik haar blog op de voet heeft gevolgd, is het opnieuw adembenemend. Door tegelijk te vertellen wat er is gebeurd én vanaf een later moment terug te blikken op deze gebeurtenissen ontstaat een spannend perspectief. Je vergeet dat je het wel en wee van een scheiding wel kent, maar raakt nieuwsgierig in wat deze ervaringsdeskundige erover te vertellen heeft. En ontdekt dan hoe pijnlijk en eerlijk zij haar ziel blootlegt en zo iedere lezer prikkelt zijn eigen gevoelens en gedachten over scheiding te heroverwegen.
(Eerder gepubliceerd in Livre)

dinsdag 2 januari 2018

Interview Joris van Casteren over zijn anatomie van een treinbotsing


Het komt bijna dagelijks in Nederland voor: zelfmoord via de trein. Toch wordt er niet over gepraat. In Een botsing op het spoor reconstrueert Joris van Casteren met huiveringwekkende precisie wat er gebeurt als mensen besluiten zich te laten overrijden.

Nog nooit had Joris van Casteren – met toch al meer dan twintig jaar ervaring als journalist en schrijver – zo'n heftig interview afgenomen. Machinist René Smeets werd meerdere malen door emoties overmand toen hij de auteur vertelde over de dubbele zelfmoord op zijn boemeltje van Nijmegen naar Roermond. En over de vier keer daarvoor dat hij in zijn tienjarige carrière op de trein iemand aanreed die zich van het leven wilde beroven.
'Het was ontzettend moeilijk voor hem, omdat ik precies wilde weten wat er was gebeurd', vertelt Van Casteren. 'Hij moest al die ongelukken herbeleven. Tegelijk had hij gelukkig een nonchalance en humor, waardoor hij er helder over kon vertellen. Ook mij ging het niet in de koude kleren zitten. Hij vertelde me details! Sommige waren zó heftig, over een vrouw die hij had onthoofd, dat ik die niet eens wilde opschrijven.'

Toch mocht Smeets niet ontbreken. In Een botsing op het spoor beschrijft Van Casteren met anatomische nauwkeurigheid wie allemaal tegen wil en dank betrokken raakt bij een spoorsuïcide. Passagiers. Wachtenden bij de spoorwegovergang. Forensisch rechercheurs. Medewerkers van het uitvaartcentrum. Nabestaanden. En ook de machinist. 'Allemaal houden ze daar op een of andere manier een trauma aan over.'
Zelfmoord via de trein komt zo'n 220 keer per jaar voor, de keren dat de zelfmoordenaar overleeft niet eens meegerekend. Iedere treinreiziger heeft wel eens vertraging opgelopen 'wegens aanrijding met een persoon', maar omdat er zo verhullend en met zo veel distantie over wordt gesproken, weet bijna niemand hoe groot de impact van iedere zelfdoding is. Van Casteren wilde daar verandering in brengen.
'Smeets is pas de eerste machinist die hierover praat', zegt hij. 'Het beleid van de NS is erover zwijgen, omdat ze bang zijn voor copycats. Mijn geluk was dat deze lijn werd geëxploiteerd door Veolia. Via via kon ik de topman van Arriva, dat Veolia heeft overgenomen, spreken. Die kon ik ervan overtuigen – ook omdat hij iets van mij had gelezen – dat ik geen hijgerig nieuwsstuk wilde maken, maar een gedetailleerde reconstructie.'

De botsing vond plaats op 28 november 2016 op de spoorwegovergang Sionsweg-Scheidings­weg even onder Nijmegen. Een moeder en een dochter die een teruggetrokken leven leiden in een nabij buurtschap, waren met hun vijf honden onder de spoorboom gekropen. Ze wachtten tot de trein, nog vol optrekkend vanaf station Heyendaal, hen met zo'n honderd kilometer per uur zo raken. Slechts een hondje overleefde de klap.
'Ik heb al eens boek geschreven over een been dat in de IJssel was gevonden', vertelt Van Casteren. 'Ik was eigenlijk wel klaar met de ledenmaten. Maar toen Frank Westerman me het krantenbericht hierover liet zien, werd ik gegrepen door dat hondje. Stel je voor dat ik de persoon kon vinden bij wie dat hondje nu is, dacht ik. Dat geeft zo'n verhaal ook een literaire en esthetische waarde.'

De ironie wil dat van Casteren het nieuwe baasje van het getraumatiseerde hondje slechts een zin geeft. Hij wilde liever niet praten – herinneringen ophalen was niet goed voor de hond. Maar dat is misschien de enige betrokkenen die onzichtbaar blijft. Alle anderen komen in het 10.000 woorden tellende verhaal aan bod – tot aan de medewerkers van het uitvaartcentrum die de vastgevroren lichaamsdelen van de rails moesten verwijderen.
'Eigenlijk schrijf ik alleen nog maar boeken', zegt Van Casteren. 'Journalistiek is zo snel geworden. Alles om als eerste iets op Twitter te melden. Er staan daardoor te veel fouten in nieuwsberichten, ook over dit ongeluk. In weekbladen had ik wel meer tijd, maar ik had het gevoel dat ik mijn stijl misbruikte om iedere week hetzelfde trucje te doen. Dan ga ik liever tot op de bodem tot ik de werkelijkheid in zijn geheel heb blootgelegd.'
Het idee wil dat hij de trend mee heeft. Non-fictie is steeds populairder. 'Helaas merk ik dat niet. Zoals veel schrijvers verkoop ook ik niet spectaculair. Alleen Lelystad en Het been in de IJssel lopen door. En dat terwijl een verhaal als Een botsing op het spoor belachelijk veel tijd kost. Voor je iedereen hebt gevonden en zo ver hebt dat ze willen praten. En iedere keer daarheen reizen. Maar ik hoop dat ik zulke verhalen kan blijven maken.'
(Eerder gepubliceerd in Livre)

zondag 31 december 2017

De top 10 van 2017

Ik heb dit jaar bijna alleen maar boeken en literaire tijdschriften gelezen omdat ik die om een of andere manier moest lezen – voor een advies, een interview, een recensie. Ook in deze top 10 van het afgelopen jaar staan zeven titels die ik las voor mijn werk. Gelukkig blijkt daar juist uit dat ook verplicht lezen heel fijn kan zijn. Sterker, kan leiden tot ontdekkingen. Van de overige drie titels heb ik er twee voorgelezen voor mijn kinderen en een cadeau gekregen voor mijn verjaardag. In alfabetische volgorde:

De verrader - Paul Beatty
De tuinen van Dorr - Paul Biegel
De wadden - Mathijs Deen
Tussen april en september - Tomas Espedal
Hoe Tortot zijn vissenhart verloor - Benny Lindelauf
Ghosts of the tsunami - Richard Lloyd Parry
Verdriet is een ding met veren - Max Porter

Zie ook de top 10-en van:

maandag 25 december 2017

Interview Elma van Vliet over haar doorbraak in het buitenland

Al sinds Mam, vertel eens in 2004 verscheen, maakt Elma van Vliet in Nederland furore. Nu lijkt een doorbraak in het buitenland aanstaande, met de rechtenverkoop aan Penguin US als voorlopig hoogtepunt. Dat is een gevolg van maatschappelijke veranderingen, denkt de schrijfster, die zich eerder bedenker en ontwikkelaar van creatieve concepten noemt. En de inspanningen van haar agent Marianne Schönbach.

Wanneer ben je in zee gegaan met een agent?
'Al in 2005. Niet dat ik toen een agent zocht. Ik wist niet eens wat dat was. Ik kwam uit de telecombranche en had nog maar een jaar eerder voor het eerst met een uitgever gesproken. Maar ik zocht mensen die me konden helpen bij mijn missie: mensen verbinden in een steeds drukkere wereld waarin we het contact met elkaar verliezen. Iemand zei toen dat ik eens met Marianne Schönbach moest praten. Wij hadden direct een ongelooflijke klik. Zij snapte mij.'

Wilde je toen al alles op alles zetten om succes te hebben in het buitenland?
'Rechtenverkoop was helemaal niet aan de orde. Ik had in 2001 Mam, vertel eens gemaakt omdat mijn moeder erg ziek was en ik bang was dat ze zou overlijden zonder dat ik alles had kunnen vragen wat ik van haar wilde weten. Dát was mijn diepe wens. Dat Het Spectrum een paar jaar later de gok wilde nemen om zoiets ongekends als een leeg boek met een aantal vragen uit te geven, was al een fantastische bonus. In die jaren daarna was ik vooral bezig met de reacties op het boek, dat leidde tot nieuwe delen, te beginnen met Pap, vertel eens. Wel zei Marianne meteen dat ze een redacteur in Duitsland kende die ze het boek wilde laten zien: Ilka Heinemann van Droemer Knaur. Inderdaad werd zij er helemaal verliefd op en verscheen het daar.'

Inmiddels zijn de rechten verkocht aan tien landen, waarbij vooral dit jaar een versnelling lijkt te zijn opgetreden. Hoe komt dat?
'Er zijn denk ik twee verklaringen. Ten eerste is de wereld de afgelopen vijf jaar steeds sneller gaan draaien, en de behoefte aan verbinding daarom steeds groter. In een onafhankelijk onderzoek dat ik dit jaar heb laten uitvoeren naar wat mensen in december cadeau willen krijgen, zegt 85% van de ondervraagden dat ze liever aandacht dan spullen willen. En dat zie je niet alleen in Nederland, dat is universeel. Ook uitgevers in het buitenland zijn daarom op zoek naar waardevolle boeken die kunnen voldoen aan deze behoefte. En ten tweede is het de expertise van Marianne.'

Haar buitenlandse netwerk dus?
'Ook. Maar zij heeft mij in alle gesprekken die we in de loop der jaren hadden, ook overtuigd dat ik mensen meer moeten vertellen wat ik doe. Dat ik van mezelf een merk moet maken, dat ik het verhaal achter de producten moet vertellen. Ik ben daarom, ongeveer een jaar of twee geleden, gaan bloggen en columns schrijven. In de feedback die ik krijg zie ik dat het werkt: mensen zien met hoeveel liefde alles wordt gemaakt.'

Dat zie je ook terug in een opverende verkoop?
'Ja. Toen ik meer ging vertellen over mijn missie is het balletje gaan rollen. Ook in het buitenland: Spanje inclusief Latijns-Amerika, Brazilië, Finland, Turkije, Polen en, mede dankzij een stukje in Publishers Weekly, dus ook Amerika. Daarvoor was het grote talent van Marianne van wezenlijk belang. Zij kent alle uitgevers in de hele wereld. Zij zocht dus niet zomaar naar een uitgeverij, maar naar precies het juiste uitgeefteam voor mij. Een uitgeverij die net als ik het verschil wil maken. Marianne heeft me dit jaar ook meegenomen naar de Buchmesse. Ik heb een presentatie gegeven en met allerlei uitgevers gepraat, zodat we van elkaar weten wat we willen met de Vertel Eens-boeken.'

Hoe rijmt jouw behoefte aan een ideale match met het feit dat er voor de Amerikaanse rechten een veiling is geweest?
'Ik heb gekozen op de motivatiebrieven van uitgevers. Ik moest een klik voelen – met mijn missie, maar ook voor de boeken. Ik wil uitgevers die de mooiste edities willen maken, zodat mijn boeken, eenmaal ingevuld, van generatie op generatie kunnen worden doorgegeven. Het moeten familie-erfstukken worden zodat over een zeventig jaar een meisje de verhalen van haar overgrootouders kan lezen. Dan moet je echt goed en mooi papier gebruiken. Vergeleken bij hun plannen was hoeveel geld uitgevers boden niet relevant. Voor mij niet, althans. Marianne heeft naar de zakelijke aspecten van de overeenkomst gekeken. Zo verdelen we de taken.'

Waren er in het buitenland geen vergelijkbare boeken op de markt? Door de eenvoud laat jouw concept zich gemakkelijk kopiëren?
'Al zo lang mijn boeken uitkomen heb ik met copycats te maken. Ook daarom had ik maar een wens: zo mooi mogelijke boeken maken – een wens die Het Spectrum gelukkig steunt. Iedereen herkent de liefde die in mijn boeken zit; liefde die vaak ontbreekt bij kopieerders die in een middagje het boek overschrijven. Ook buitenlandse uitgevers herkennen dat. En boekverkopers trouwens. Tot op de dag van vandaag raden zij hun klanten Vertel Eens-boeken aan – en niet de kopieën. Ik ben hen daarvoor heel erg dankbaar.'

Toch kunnen buitenlandse uitgevers jouw boeken niet een op een vertalen.
'Nee. Niet zoals je een roman kunt vertalen. Er zijn allerlei culturele verschillen. Vragen over Sinterklaas of de Tweede Wereldoorlog, daar kun je niets mee in Amerika. Daar vraag je eerder naar The Fourth of July. In Italië zei de uitgever dat de rol van vaders bij hun echt anders is dan in het in hun ogen zo geëmancipeerde Nederland. Daar denk ik dan over na. Dat verrijkt mij ook weer.'

Geef je buitenlandse uitgevers alle ruimte om aanpassingen te maken?
'Dat gaat in overleg. Ik bewaak het merk, maar geef hen het vertrouwen om er een zo goed mogelijk product van te maken. Zij kennen hun eigen land zo veel beter. Alleen als je iets durft door te geven kan het zich vermenigvuldigen. Als je iets bij jezelf houdt juist niet. Maar hoe het precies zal gaan? Het buitenland is voor mij een avontuur dat nu nog maar pas begint. Laten we anders over een jaar nog eens een kopje koffie drinken.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 25 dec) 

woensdag 20 december 2017

Diversiteit bij kinderboeken neemt toe, maar Nederlandse uitgeverijen blijven achter bij Angelsaksische (Boekblad)

Kinderboekenuitgevers besteden steeds meer aandacht aan culturele diversiteit. De maatschappelijke werkelijkheid komt al veel meer aan bod in kinderboeken dan de buitenwereld denkt. Toch lopen Nederlandse uitgevers achter bij hun Angelsaksische collega's.

Nederlandstalige kinderboeken moeten de cultureel diverse werkelijkheid weergeven. Er is geen uitgever te vinden die dat tegen zal spreken. 'Kinderen vinden het heel fijn als zij zich met de hoofdpersoon of een ander personage kunnen identificeren', zegt bijvoorbeeld uitgeefster Thille Dop van Luitingh-Sijthoff – en dus moeten er personages zijn met alle denkbare achtergronden, 'óók meisjes met Turkse roots wier beste vriendin wordt opgevoed door een lesbisch stel'.
Daar zijn twee redenen voor. Om te beginnen een ideële. Uit alle onderzoeken blijkt hoe belangrijk lezen is: van het opbouwen van je woordenschat en het ontwikkelen van je fantasie tot je latere kansen op de arbeidsmarkt. Het is daarom belangrijk dat iedereen het plezier van lezen ontdekt. Daarnaast is er natuurlijk het commerciële argument. Hoe breder de doelgroep die een uitgever kan aanspreken, hoe groter de afzetkansen. Ofwel: hoe cultureel diverser het fonds, hoe groter de markt.
Maar wie maakte zich, zeg, een jaar of tien geleden druk over culturele diversiteit in prentenboeken, jeugdromans en young adult? Bijna niemand, op een enkele activist na. In slechts een paar jaar tijd, waarin ook op andere terreinen de discussie over raciale kwesties is opgelaaid en bijvoorbeeld de opinie over de wenselijkheid van een Zwarte Piet drastisch is veranderd, is de roep om een aanbod dat ook kinderen met een andere achtergrond aanspreekt, echter enorm aangezwollen.
Opeens wordt het onderwerp regelmatig besproken op discussiemiddagen: van een workshop van Selma Noort op de Middag van het Kinderboek tot een speciale boekensalon in Bijzondere Collecties. Er zijn ook initiatieven ontstaan om 'superdiverse' boeken op de markt te brengen voor niet-witte kinderen: in Vlaanderen Studio Sesam, in Nederland Rose Stories. Studio Sesam lanceerde in 2015 een eerste reeks van tien titels, dit najaar gevolgd door een tweede reeks.
En er is steeds meer media-aandacht voor het onderwerp. Eerder dit najaar kreeg Brian Elstak veel pers voor zijn prentenboek Tori, dat bij Das Mag is verschenen. Op verschillende plaatsen, waaronder Boekblad.nl, mocht hij vertellen dat zijn verhaal – oorspronkelijk in 2014 als animatiefilm verschenen – veel opmerkingen uitlokte in de trant van: eindelijk een kinderboek met in de hoofdrol kinderen met een kleurtje. Iets wat hij als vader die kinderboeken kocht zelf óók had gemerkt.

Nederlandse kinderboekuitgevers zorgen in deze discussie voor enig tegengeluid. Er mag best meer diversiteit in het totale aanbod, vindt uitgeefster Susanne Diependaal van Unieboek|Het Spectrum, maar het probleem is pas de laatste tijd veel zichtbaarder geworden. 'De vraag is harder gegroeid dan het aanbod', noemt zij dat. 'Door de discussies in de samenleving, maar ook doordat iedereen via sociale media makkelijker zijn ideeën of klacht kan uiten, komt die vraag veel meer tot ons dan vroeger.'
Daarbij: er zijn veel meer titels waarin diversiteit een rol speelt dan men geneigd is te denken. 'Het is alleen niet altijd zichtbaar op het omslag of in de titel. Kijk naar een serie als Dummie de mummie: Dummie is Egyptisch, Ebbie, een van de beste vrienden van Goos en Dummie is donker, en Klaas heeft een Jamaicaanse vriendin, maar omdat Dummie het beeld van de boeken grotendeels bepaalt merk je daar weinig van. En er is zoveel meer. Van de Lisa & Jimmie-serie van Vivian den Hollander tot Superjuffie van Janneke Schotveld, waarin een Hakim en Mimoun voorkomen zonder dat nadruk op hun achtergrond wordt gelegd. In het recent verschenen Niet thuis van Jacques Vriens zit een kind met een Surinaamse achtergrond, maar ook daar wordt geen speciale nadruk op gelegd.'
Er komt ook steeds meer op de markt – niet in de laatste plaats omdat schrijvers bewust bezig zijn met dit onderwerp en kritisch kijken naar het beeld van de samenleving dat zij hun lezers voorzetten, merkt Diependaal. 'Wij geven na bijna twintig jaar Villa Mosterd en de wraak van Graaf Gruwel van Tosca Menten opnieuw uit, maar we hebben op initiatief van de schrijfster de naam van een aantal personages veranderd om zo te laten zien dat de samenleving is veranderd.'
Deze manier om diversiteit een plek te geven in het aanbod lijkt haar beter dan al te expliciet een prentenboek over een Marokkaans meisje te maken. 'Als je een boek uitgeeft met een hoofdpersoon met een migratieachtergrond en dat nadrukkelijk communiceert sluit je weer andere lezers uit. Elstak zei daarom ook tegen Boekblad dat het iets dubbels heeft om te benadrukken dat zijn hoofdpersoon een kleur heeft. Straks denken kinderen en ouders dat het alleen geschikt is voor gekleurde kinderen, in plaats van voor iedereen.'

Andere kinderboekenuitgevers uiten zich in soortgelijke bewoordingen. Directeur/uitgever Melanie Lasance van Gottmer vindt dat er 'niet genoeg' cultureel diverse kinderboeken zijn, maar zegt ook: 'Diversiteit is bij ons nooit zo'n issue geweest. Niet omdat we het niet belangrijk vinden, maar omdat we het als vanzelfsprekend beschouwen. Het is sinds jaar en dag onze missie om een gevarieerd aanbod te maken waarin zo veel mogelijk kinderen zich in kunnen herkennen.'
Zij onderstreept dat met een hele lijst voorbeelden. Van verschillende titels van Helen Oxenbury tot het vorig jaar verschenen Timo en de oppasninja van Lisa Boersen. 'Oxenbury geeft al sinds de jaren 1970 kinderen in alle kleuren een rol. Wij vonden dat altijd zo vanzelfsprekend dat we het nooit als USP hebben beschouwd. Volgend jaar brengen we opnieuw Zó veel uit 1995 van haar uit, een verhaal waarin alleen maar donkere mensen voorkomen. Misschien krijgt dat in deze tijd meer aandacht.'
Ook Dop zegt boeken uit te geven die kinderen willen lezen. 'En omdat er zoveel verschillende kinderen zijn, geven we zo breed mogelijk uit. We laten de hele wereld binnen in onze titels, tot Chinese en Poolse kinderen aan toe. We leggen het er alleen niet dik bovenop. Ieder kind zit in een klas, ieder kind is lid van een club – en dus komen daarin kinderen van allerlei achtergronden voor. Maar het is meer iets voor een niche-uitgeverij om daar de nadruk op te leggen.'
De kritiek dat kinderen met een kleur nooit de hoofdrol hebben, dat nooit hun specifieke problemen centraal staan en dat zij te clichématig worden neergezet, verwerpt zij. 'Wij bieden een afspiegeling van de samenleving. Onze boeken geven weer wat daar gebeurt. Neem het vieren van verjaardagen. Jehova's getuigen mogen hun verjaardag niet vieren, maar de realiteit in de klas is dat verjaardagen worden gevierd en dus komt dat terug in onze boeken. Met alle respect voor Jehova's getuigen.'
Ook Diependaal vindt dat trouwens. 'Eigenlijk kun je het als uitgeverij niet gauw goed doen. Als een lid van een vriendenclub die Mo heet, het Suikerfeest niet viert, krijg je de kritiek dat hij niet realistisch is. En als je hem dat feest wel laat vieren, kunnen lezers dat stigmatiserend vinden. Maar in een klas vieren alle kinderen Sinterklaas en sommige anderen het Suikerfeest. Dan kun je dat clichématig vinden, het is wel de werkelijkheid.'

Meer dan het aanbod zien uitgevers het probleem bij auteurs. Er zijn te weinig schrijvers met een andere achtergrond. Dat geldt voor auteurs van fictie voor volwassenen, maar dat geldt nog meer voor auteurs van prenten- en kinderboeken. Alleen: wat moet je daaraan doen? Uitgevers twijfelen tussen domweg afwachten tot de auteurs hen met een geweldig idee benaderen of actief op zoek gaan naar nieuwe stemmen om nadrukkelijk een bredere markt te kunnen bedienen.
Dop zit op de eerste lijn. 'Wij brengen binnenkort het debuut van Afran Groenewoud. Een auteur met een andere achtergrond, ik weet niet eens precies welke omdat dat er niet toe doet. Wij geven hem uit omdat we het idee waarmee hij ons benaderde zo goed vonden. Dat is het enige wat telt – al sinds ik in de jaren negentig Amber Nahar uitgaf. Het is waar dat we minder manuscripten krijgen van mensen met een andere achtergrond, maar we bekijken alles op dezelfde manier.'
Lasance is daarentegen actiever op zoek. Voor een reeks sprookjesboeken benaderde Gottmer Rodaan Al-Galidi om een deel met Arabische sprookjes samen te stellen, dat in oktober is verschenen. 'We praten ook met hem over de vraag of hij eventueel andere boeken voor ons kan schrijven. Daarnaast waren wij eind oktober – als een van de weinige uitgeverijen – met een flinke delegatie aanwezig bij een pitch van Rose Stories. Naar aanleiding daarvan gaan we zeker mensen uit andere culturen uitnodigen.'

Al met al heeft de aandacht die uitgevers én hun auteurs hebben voor diversiteit effect. Het aanbod wordt gestaag veelkleuriger. Maar: het gaat nu eenmaal niet zo snel, waarschuwen Lasance en Diependaal. Als zich nu een auteur meldt met een goed idee voor een jeugdroman die speelt in een Marokkaans-Amsterdamse gemeenschap, dan kan het zomaar twee jaar duren voor het boek is geschreven en daadwerkelijk in de winkel ligt. Ook Elstak had jaren nodig voor zijn idee in de winkel lag.
Toch lijkt het Nederlandse boekenvak achter te blijven bij met name het Angelsaksische boekenvak. Voor zover er cijfers zijn, ondersteunen die deze bewering niet. Uit gegevens van het Cooperative Children's Book Center blijkt dat sinds 1994 ieder jaar ongeveer 10% van de Amerikaanse kinderboeken óf is geschreven door een auteur met een kleur óf multiculturele content bevat. Dat is niet veel, al steeg dit percentage tussen 2013 en 2015 naar 20% - wat nog altijd niet representatief is.
De achterstand laat zich vooral voelen in de aandacht die het onderwerp in Amerika en Engeland krijgt. Zo heeft de Britse tak van Penguin Random House vorig jaar het WriteNow-programma opgezet om 'nieuwe schrijvers die ondervertegenwoordigd zijn in de boekwereld' te vinden –schrijvers uit sociaal-economische achterstandsgroepen, lhbt-communities en culturele minderheden. Dit voorjaar werden twaalf schrijvers geselecteerd die nu onder begeleiding hun manuscript publicabel maken.
Dat Nederlandse uitgeverijen zulke ontwikkeltrajecten opzetten, lijkt vooralsnog ondenk­baar. Dop zegt dat zoiets eerder gezamenlijk met andere uitgeverijen moet worden opgezet. Lasance zegt er wel over na te denken, 'al is daar nog niets concreets over te zeggen'. En Diependaal werkt liever met al voltooide verhalen. 'Een wedstrijd uitschrijven is enerzijds heel gaaf en inspirerend, maar je loopt ook het risico dat geen van de verhalen passend genoeg is voor jouw fonds. Dan geef je wellicht iets uit waar je niet achter staat.'
De enige die in het Nederlandse taalgebied ontwikkeltrajecten uitzetten zijn Sesam Studio en Rose Stories. Met subsidie, anders is de uitgebreide coaching niet te betalen. Maar dat er belangstelling voor auteurs met een andere achtergrond is, is duidelijk. Kreeg Sesam Studio de eerste keer zo'n 120 aanmeldingen, voor de tweede editie was dat met 220 inzendingen bijna verdubbeld. En het leidt tot kwaliteit. Zo kreeg Floor Tinga, auteur van Stapelgek, daarna een contract bij De Eenhoorn.

Ook tonen Angelsaksische uitgeverijen zich meer bereid om hun voelhoorns optimaal af te stellen. Zij werken in toenemende mate met zogeheten sensitivity readers of minority readers: proeflezers die een manuscript lezen met het oog op de geloofwaardigheid of realiteitsgehalte van minderheden die de auteur niet uit eigen ervaring kent. Zwarte college kids kunnen dan praten zoals zwarte college kids en niet zoals de auteur op grond van de vooroordelen en clichés denkt zoals ze praten.
In Nederland zijn deze 'proeflezers van gevoelig materiaal' een onbekend verschijnsel. 'Ik heb tot nog toe geen proeflezers gehad', zegt Dop. 'Maar ieder boek wordt zeer zorgvuldig geredigeerd. Ik heb hier Hannerlie Modderman, een van de beste kinderboekenredacteuren van Nederland. Die voelt dat haarfijn aan en redigeert alle teksten en checkt de feiten.'
Diependaal doet dat wel degelijk – voor sommige titels: 'We willen als uitgeverij iedere doelgroep bereiken. Een boek moet kloppen. Maar ik ga niet voor een boek over een voetbalelftal voor de leeftijdsgroep 8+ iemand inschakelen om te zien of die ene speler met islamitische achtergrond zich waarheidsgetrouw gedraagt. Dat gaat wat ver. Maar volgend jaar brengen we van Arend van Dam een groot boek over slavernij. Verhalende non-fictie is dat, over een zeer gevoelig onderwerp. Daarvoor zijn we heel actief in contact met meelezers.'
Toch komen – soms grote – missers voor. Nog dit jaar publiceerde Standaard Uitgeverij een nieuw deel van Suske & Wiske waarin een Afrikaan werd afgebeeld als 'halve aap', aldus de schrijfster die de uitgeverij op Facebook aan de schandpaal nagelde. Kennelijk hadden noch de tekenaar van Mami Wata noch uitgevers, redacteuren of wie dan ook op de burelen van het bedrijf in de gaten dat een dergelijke stereotype tekening anno 2017 niet meer kan. Een gespecialiseerde proeflezer had dit kunnen voorkomen.

In het verlengde hiervan maken Angelsaksische uitgevers meer werk van diversiteit op de werkvloer te krijgen. Een zo breed mogelijk medewerkersbestand leidt immers tot een zo breed mogelijke netwerk om nieuwe auteurs te vinden of afzetkanalen voor hun boeken te vinden. In Engeland heeft Penguin Random House een zogeheten 'inclusion tracker' gelanceerd om ervoor te zorgen dat het personeel in 2025 de maatschappelijke verscheidenheid reflecteert.
De Publishers Association heeft het onderwerp zelfs tot overkoepelend beleid verklaard. Met een tienpuntenplan dat in september is gelanceerd moet binnen vijf jaar 15 % van het personeel van de Britse uitgeverij afkomstig zijn uit Aziatische en Afrikaanse minderheden. Ieder lid van de PA wordt opgeroepen om onder meer sollicitatieprocedures te bekijken op verborgen vooroordelen, een intern diversiteitsbeleid en een mentoraatsprogramma op te zetten.
Nederlandse uitgevers beamen dat het personeelsbestand erg blank is – en in de kinderboekenwereld trouwens ook erg vrouwelijk. Zij zouden graag zien dat dat anders was, maar daarmee reageren nog geen kandidaten met een andere achtergrond. Zij zien het ook niet meteen als hun taak het vak te promoten bij culturele minderheden. Dat is eerder aan het NUV. 'Als zij met een interessant idee hierover komen, zal ik daar zeer geïntrigeerd naar kijken', zegt Diependaal.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, nov 2017)

Zie ook:

zaterdag 16 december 2017

Joris van Casterens 'Een botsing op het spoor': De lichaamsdelen waren vastgevroren aan de rails (Athenaeum.nl)

Er houden meer mensen een trauma over aan iemand die voor een trein springt dan je geneigd bent te denken. Dankzij Van Casterens indrukwekkende reportage Een botsing op het spoor is er eindelijk openheid over een veelvoorkomend maar verzwegen probleem.

De trein heeft vertraging 'wegens aanrijding met een persoon'. Iedere reiziger weet wat dat betekent: een springer. Maar weet hij het werkelijk? Hij leest er daarna nooit iets over – zelfs niet in het plaatselijke sufferdje waar gouden bruiloften en verbredingen van de stoep doorgaans wél tot nieuwsberichten leiden. Dat komt, blijkt uit 'the making of' bij Joris van Casterens Een botsing op het spoor, omdat de NS zwijgt over treinzelfmoorden. Altijd, in alle toonaarden. De organisatie hoopt zo kopieergedrag te vermijden.
Wie echt wil weten hoe groot de impact van een treinbotsing is, moet daarom deze reportage van de veelvuldig geprezen journalist (Lelystad, Mensen op Mars) lezen. Een botsing op het spoor is een flinterdun werkje: nog geen zeventig kleine bladzijden, maar het is Van Casteren op zijn best. In zijn uitgebeende stijl vertelt hij het verhaal van alle mogelijke betrokkenen: de machinist, maar ook de passagiers, de lijkopruimers, de politie en de nabestaanden. Stuk voor stuk was het voor hen een zeer ingrijpende gebeurtenis. Juist omdat het zonder poespas wordt verteld, maakt dat zo'n indruk.
Uitgangspunt is de dubbele zelfmoord van Gerda en Mirella – moeder en dochter – en hun vijf honden. Op maandagochtend 28 november 2016 wachtten zij bij de spoorwegovergang Sionsweg-Scheidingsweg, even onder Nijmegen, de sprinter naar Roermond op. Een hondje overleeft de aanrijding. Het is dat detail dat Van Casteren triggerde om juist deze van de 220 treinzelfmoorden die jaarlijks in Nederland plaatsvinden te onderzoeken. Stel dat hij die hond kon terugvinden, dacht hij. Hoewel hem dat lukt, staat hij daar terecht uiteindelijk niet echt bij stil.
Want de meeste impact heeft het ongeluk op degenen die er dichtst bij betrokken zijn. De machinist in de eerste plaats. Het is in zijn kille eenvoud gruwelijk om de opsomming van de springers te lezen die hij in zijn tienjarige carrière op de trein heeft meegemaakt. De eerste keer had hij een vrouw onthoofd. Een andere keer was het lichaam nauwelijks als zodanig herkenbaar. De laatste keer had het slachtoffer, omdat hij helemaal niet zo hard reed, hem aangestaard. En altijd was het de machinist zelf die, eenmaal uitgestapt, het lijk in al zijn rauwheid als eerste zag.
En wat te denken van de omstanders die, wachtend bij de gesloten spoorbomen, moeder en dochter eronderdoor zagen lopen, hun dood tegemoet? Maar ook voor wie een treinzelfmoord feitelijk gewoon werk is, is het iedere keer buitengewoon traumatisch. De twee medewerkers van het uitvaartcentrum die in de regio het lijk verwijderen, moesten in dit geval op deze koude morgen de uiteengereten lichaamsdelen loswrikken van de rails waaraan ze waren vastgevroren. 'Als je er te veel bij stilstaat ga je er zelf aan onderdoor', zegt een van hen.
Lezing van Een botsing op het spoor overtuigt je zo zonder meer van maatregelen om het zelfmoordenaars moeilijker te maken. Van hoge boetes voor lopen op het spoor tot waarschuwingsborden die mogelijke daders hulp beloven. En natuurlijk moeten onbewaakte spoorwegovergangen dicht, zoals onlangs bij Winsum is gebeurd na een aantal opzienbarende ongelukken. Het is bewonderenswaardig hoe Van Casteren het beleid van de NS logenstraft, die hierdoor hopelijk inziet dat zwijgen in dit geval problemen eerder verergert dan voorkomt.
Het enige wat je de auteur eventueel kan verwijten is dat hij niet nóg verder heeft gegraven. Als Van Casteren op een gegeven moment over de vloer komt bij de nabestaanden, daar stuit op moeizame familieverhoudingen en je je afvraagt wat er precies is voorgevallen (incest?), doet Van Casteren geen moeite meer dat te ontrafelen. Zo sla je Een botsing op het spoor dicht met een gevoel van onbevredigde nieuwsgierigheid. Maar dát verhaal viel natuurlijk buiten de scope van deze schitterende reportage die het verdient de reputatie van een klassieker te krijgen.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl)

Zie ook: