dinsdag 12 mei 2020

Groepsportretten: hoe willen mensen met een donkere huidskleur worden genoemd? (Onze Taal)

Welke woorden willen leden van een minderheidsgroep liever meer horen als het over henzelf gaat? Wat zijn de alternatieven? Binnen ons jaarthema over schurende taal laten we verschillende groepen aan het woord. In de eerste aflevering: mensen met een donkere huidskleur.

Nooit meer het n-woord!
Maar welke woorden dan wel? 

In Nederland was er weinig begrip voor het ontslag van Ron Jans. De voetbaltrainer moest half februari opstappen bij FC Cincinnati omdat hij in de kleedkamer als witte man het n-woord in de mond had genomen toen hij een paar regels meezong met een rapliedje. Zo erg was dat toch niet? In Amerika, schreven de media, is het woord fel omstreden, in het Nederland kun je nog best het n-woord gebruiken.
Die conclusie vond Mitchell Esajas (31) typisch. “In Nederland kan het óók niet”, zegt de oprichter van The Black Archives. “Hier wordt alleen minder rekening gehouden met zwarte mensen. Dat media het n-woord toch gebruiken, komt voort uit een gebrek aan bewustzijn, gebrek aan empathie en gebrek aan kennis.”

Zwarte Piet
Er zijn in de loop der tijd veel termen in omloop geweest om mensen met een donkere huidskleur aan te duiden. De schrijfster Henna Goudzand Nahar (66) vulde op school bij de vraag naar afkomst nog in: “creool”. Tegenwoordig circuleren woorden als zwartof omschrijvingen als gekleurde mensenmensen van kleurof kleurling
En dus, nog altijd, het n-woord. De dichter Dean Bowen (35) hoort het zelfs steeds vaker. “Juist omdat er momenteel zo veel wordt gesproken over Zwarte Piet en racisme, is er een groep mensen die het doelbewust bezigt om schade te berokkenen. Het is een voorspelbare tegenbeweging.”
Het n-woord is met afstand het ergst – verschillende geïnterviewden weigeren het pertinent in de mond te nemen, reden waarom het ook hier verder niet voluit wordt geschreven. Daarbij lijkt te gelden: hoe jonger de persoon, hoe sterker hij zich tegen het woord verzet. “Ouderen accepteren het woord eerder, omdat het in hun jeugd gebruikelijker was, ook al had het toen evengoed een negatieve lading”, zegt Levi Ommen (21), studente International Relations en Organisations.
Soms wordt dan tegengeworpen: in rap hoor je het toch ook te pas en te onpas? “Maar rappers gebruiken het om de onderdrukking van de zwarte mens te benadrukken”, legt Esajas uit. “Ook in Nederland. Maar het is anders als een witte rapper het doet.”

Apartheid
Ook andere begrippen roepen soms wrevel op. Urwin Vyent (60), directeur van hetNationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis,herinnert zich de strijd in de jaren tachtig tegen allochtoonen de mislukte pogingen dat te vervangen door medelanderof nieuwe Nederlander.“Met allochtoonwerd je weggezet in een hoekje: de groep voor wie witte mensen beleid moesten maken.”
Mensen met een donkere huidskleur ergeren zich eveneens aan een gebrek aan historisch besef. Esajas: “Ik lees een enkele keer kleurling. Heel raar. Roept dat dan niet onmiddellijk associaties op met hét systeem van onderdrukking van ‘coloured people’: de Apartheid?”
Toch is het heel persoonlijk wat wel of niet kan. Goudzand Nahar vindt dat met zwartin praktijk iedereen die niet-wit is op een grote hoop wordt gegooid. “Ook mensen met een Arabische en Chinese achtergrond worden daaronder geschaard. Verwarrend en lastig vinden sommigen dat, merk ik.” Dan liever mensen van kleur, hoewel ze gruwt van het anglicisme. “Het Nederlands zou krachtig genoeg moeten zijn om zelf iets creatiefs te bedenken.”
Maar Bowen heeft het een precies tegenovergestelde voorkeur. Mensen van kleurvindt hij een “verzamelterm in witte samenlevingen voor iedereen die niet-wit is. Dat kun je dus alleen gebruiken als je praat over de machtsdynamiek in overwegend witte landen.” Dan liever zwart. “Dat woord raakt het meest aan de gedeelde ervaring die ik deel met andere mensen, waarbij toch een minimale mate van neutraliteit is gewaarborgd.”

Surinamer
Mensen met een donkere huidskleur hebben zelf een voorkeur voor een onbevooroordeelde term die past bij hun identiteit. Surinaamse Nederlanderbijvoorbeeld, al hangt het gebruik af van de context. “Ik doe een internationale studie”, zegt Ommen. “Dan ben ik Nederlands. Maar op straat zal niemand zeggen: ‘Daar loopt een leuk Nederlands meisje.’ Dan ben ik Surinaams-Nederlands. Prima. Ik ben óók Surinaams opgevoed – met het eten, de taal.”
“Ik vind het niet erg om Surinamer te worden genoemd”, meent ook Vyent, die anders dan Ommen in Suriname is geboren. “Het is net als iemand uit Brabant. Die vindt het evenmin een probleem als iemand hem Brabander noemt. Je kunt ook heel goed allebei zijn: Nederlands en Surinamer.”
Maar opnieuw: het luistert heel nauw. Bowen noemt zich bewust ‘Nederlander’. “Het begrip opeisen helpt om duidelijk te maken dat het Nederlanderschap divers is binnen een samenleving die allang niet meer homogeen is. Maar als ik er niet aan kan ontsnappen noem ik mezelf ‘zwarte man’. Cruciaal is het bijvoeglijk gebruik van zwart. Ik ben geen ‘zwarte’, maar ik heb nu eenmaal een zwarte huidskleur.”

Wit
Ondanks de vergoelijkende berichtgeving rond het ontslag van Ron Jans is er een grotere bewustwording bij witte mensen over hun taalgebruik. De NOS heeft blankbijvoorbeeld vervangen door wit. Dat wordt toegejuicht. Goudzand Nahar: “Blankroept associaties op met zuiver, edel, nobel en met het kolonialisme.” Esajas: “Terwijl witmeteen doet denken aan begrippen als ‘white privilige’ [het sociale voordeel dat witten hebben in gemengde samenlevingen – MD]. Het roept de discussie op die gevoerd moet worden.”
Zeker in grote steden als Rotterdam, waar Bowen woont, is men zó gewend aan de bonte mengeling van mensen dat “je vanzelf nadenkt over de taal die je spreekt”, merkt hij op. “Alleen in afgelegen plattelandsdorpen kan men zich de luxe veroorloven te doen alsof het je niet aangaat. Dan voelen zulke discussies over woorden heel marginaal. Maar als je daar begrip voor toont, kun je met hen wel een open gesprek voeren.”
Toch valt er nog een wereld te winnen. “Ik spreek minstens een keer per maand iemand aan omdat die persoon bijvoorbeeld het n-woord gebruikt”, vertelt Ommen. Wat er dan gebeurt? “Ofwel ze reageren defensief:  ‘Ik bedoel het niet zo.’ Ofwel agressief: ‘Als je het niet goed vindt, ga dan maar weg hier. Hier zeggen we het nu eenmaal zo.’ Niemand maakt excuses. Soms zeggen ze dat ze het woord niet meer in mijn bijzijn zullen gebruiken.”
Het zou daarom goed zijn, hopen mensen met een donkere huidskleur, als witte mensen nog beter beseffen dat hun taalgebruik – meestal onbedoeld – kwetsend kan zijn. Wat ze wél kunnen zeggen, is lastig: deze groep is lang niet zo homogeen als het in alle argeloosheid soms lijkt. Misschien getuigt het daarom van het meeste respect om simpelweg te vragen: ‘Hoe wil je worden genoemd?’
(Eerder gepubliceerd in Onze Taal, apr 2020)

zaterdag 9 mei 2020

Interview Kris Van de Poel: 'De Taalunie is momenteel een heel aangename plek' (Taalunie)

Kris Van de Poel is op 1 maart begonnen als algemeen secretaris van de Taalunie. De Vlaamse taalkundige ziet veel ruimte om de organisatie te laten bloeien en groeien. Een kennismakingsgesprek.

Aanvankelijk voelde Kris Van de Poel geen behoefte om te solliciteren. Ze zag zichzelf Antwerpen niet verruilen voor Den Haag om er algemeen secretaris van de Taalunie te worden. 'Maar mijn thuissituatie veranderde, omdat mijn kinderen beslisten in het buitenland te gaan studeren', vertelt ze. 'En ik had een hele groep van tien promovendi begeleid, waarvan de laatsten klaar waren. Het kon dus plots wél.'
Het is een bijzondere organisatie met een cruciale rol voor het Nederlands. 'Als je alleen al kijkt naar het netwerk van neerlandici extra muros, heeft de Taalunie in veertig jaar iets moois opgebouwd. En zo is er een heel scala aan projecten, instrumenten en netwerken om het Nederlands te ondersteunen en het een levende taal in een internationale context te laten zijn. Het helpt iedere gebruiker om zich goed te voelen in het Nederlands.'

En toen werd Van de Poel, afgelopen september, gevraagd zich te kandideren. Zij is immers een van de weinige neerlandici die zo'n brede loopbaan heeft gekend dat ze zich bezig heeft gehouden met alle aandachtsgebieden waarop de Taalunie zich inzet voor het Nederlands: 1) Standaardtaal, 2) Nederlands en andere talen, 3) Taal en onderwijs in Nederland, Vlaanderen en Suriname, 4) Nederlands wereldwijd, en 5) Nederlandstalige cultuur.
'Waarom anderen mij voordroegen, moet je aan hen vragen', reageert ze. 'Ik merkte wel dat de medewerkers van de Taalunie blij verrast waren dat ik met alle aandachtsgebieden voeling heb, maar dat is gewoon zo gegroeid. Ik ging in 1984 bijvoorbeeld naar Denemarken omdat er op dat moment geen vaste, volledige baan aan een universiteit in België was. En in Aarhus kon ik Nederlands van keuzevak bij Duits uitbouwen tot een hoofdvak.'

Haar professionele leven heeft wel vaker zo'n onverwachte wending genomen. Sterker: ze is deels door een samenloop van omstandigheden neerlandicus geworden. 'Ik wilde geschiedenis studeren', glimlacht ze. 'Maar dat mocht niet van mijn ouders. Ik moest talen doen, zoals mijn vader. Welke taal dan? Nederlands? Een vriend van mijn vader adviseerde: als je slim bent, studeer je Engels en Duits. Nederlands kun je er altijd bij doen. En zo deed ik het.'
Zelfs toen ze aan de slag was gegaan in Denemarken, twijfelde ze nog serieus over een andere carrière. 'Ik heb daar conservatorium gevolgd. Ook afgemaakt. Muziek is net zo goed een vorm van communicatie, een heel emotionele vorm om iets over te brengen. Het is nog altijd een passie voor me, waar ik veel mee bezig ben – naast genieten van mooie dingen, van kunst tot meubelstukken, en van de natuur.'
Toch verkoos ze, zoals ze zegt, het taalpad boven het muziekpad. 'Mijn hart klopt toch anders als ik me bezighoud met communicatie en taal. Als ik wakker word, ben ik nog steeds blij dat ik dat mag doen. Het heeft me ook van kinds af aan gefascineerd: spelen met taal, met stemmetjes dingen doen, bezig zijn met verschillende soorten uitspraak, onderzoeken hoe je taal kunt inzetten om een ander iets mee te delen – al die dingen bij elkaar.'

Daarop volgde een mooi bestaan als taalkundige. Na terugkeer naar België zette Van de Poel het universitair talencentrum van de Universiteit Antwerpen op, waar ze zeventien jaar leiding aan gaf. Daarna werd ze hoogleraar taalkunde. Ze was er ook adviseur voor internationalisering. En ze leidde meer dan honderd internationale projecten. 'Ik moest ze tellen voor mijn sollicitatie. Ik wist ook niet dat het er zó veel waren.'
De laatste jaren heeft ze zich geconcentreerd op 'academische en professionele communicatie', vertelt ze. 'Ik vind het bijzonder belangrijk dat als mensen professioneel communiceren in een vreemde taal, zij hun identiteit niet verliezen. Ik wilde hen daarbij helpen, met taaladvies en taalonderbouwing. En dat onderbouwd door onderzoek. Bijvoorbeeld: Hoe kunnen mensen een betere uitspraak krijgen zodat ze persuasiever communiceren in een vreemde taal?'

Van de Poel ziet zich daarbij als een mengeling van onderzoeker, pedagoog en consultant. 'Ik zag mezelf altijd als de motor die mensen kon laten zijn wie ze wilden of moesten zijn. Soms was dat in een onderwijscontext, met promovendi, soms was dat in een professionele context, waar ik dan een soort projectmanager was. Zo heb ik veel Europese projecten geleid in de zorgsector, om mensen te helpen intercultureel te communiceren.'
Dienstbaar dus? 'Nee, nee, nee,' haast ze zich om die indruk te weerleggen. 'Dat klinkt zo zelfloos. Religieus bijna, als een soort opoffering. Ik heb er juist altijd erg van genoten en ook veel voor teruggekregen. Neem het begeleiden van promovendi, wat ik veel maar ook ontzettend graag heb gedaan. Je helpt een jong iemand om zichzelf te ontplooien, maar leert daar net zo goed van. Bij alles wat je geeft, neem je ook iets.'

Ook bij de Taalunie zal Van de Poel de medewerkers stimuleren om zich op alle al genoemde aandachtsgebieden – op de gloednieuwe website van de Taalunie (https://taalunie.org/ ) worden ze helder gepresenteerd – ten volle te kunnen inzetten. Dat zal zeker mogelijk zijn. Nadat haar voorganger Hans Bennis het vertrouwen in de organisatie en van het veld heeft hersteld, is de Taalunie momenteel een heel aangename plek om te werken, met veel competente mensen en mooie projecten.
Dat neemt niet weg dat er serieuze uitdagingen zijn. 'We weten allemaal dat de leesvaardigheid en het leesplezier in Vlaanderen en Nederland niet schitterend zijn. Er zijn dan ook veel organisaties die zich daarmee bezighouden. De Taalunie hoeft hun werk niet over te doen, maar kan wél een verbindende rol spelen, zodat niet overal het warme water opnieuw wordt uitgevonden. Zo kunnen alle organisaties krachtiger opereren.'
Een ander speerpunt voor haar moet de instroom van studenten Nederlands zijn, die zowel in Vlaanderen als in Nederland stokt. 'We zien ook in het buitenland een daling van het aantal inschrijvingen. Hoe komt dat? We weten dat alle moderne Europese talen hetzelfde probleem kennen. Kunnen we leren van hun ervaringen? En kunnen de opleidingen intra en extra muros elkaar ondersteunen om te groeien? De Taalunie moet daarin het voortouw nemen.'

Tegen deze achtergrond kan Van de Poel alleen maar blij zijn dat ze toch heeft gesolliciteerd. 'Als je kijkt naar het groeiend belang van taal voor de creativiteit van het individu, maar ook naar de internationalisering van taal, kan het belang van zo'n unieke instelling als de Taalunie – als de as waar alles met betrekking tot het Nederlands om draait – de komende jaren alleen maar groeien. Ik zie nog zo veel kansen en mogelijkheden.'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie.org)

woensdag 6 mei 2020

Paolo Giordano, 'In tijden van besmetting' (Bibliotheekblad)

De Italiaanse bestsellerauteur Paolo Giordano komt als eerste met een boek over het coronavirus. Te snel? In tijden van besmetting is een tijdloze oproep aan de mens om voorzichtig om te gaan met de planeet waarop hij woont.

Het tijdperk van besmetting is al decennia geleden begonnen

Als er een beroepsgroep gewend is om in afzondering te werken, zijn het wel schrijvers. Zij zullen zich wellicht het makkelijkst kunnen aanpassen aan de verplichte quarantaine waarin regeringen wereldwijd hun bevolking toe verplichten. Bovendien roept het coronavirus zo veel emoties op dat veel schrijvers het gevoel zullen hebben dat zij een panklaar onderwerp krijgen aangereikt.
Of zoals de Italiaanse romancier Paolo Giordano noteert: 'Ik heb besloten deze [onverwachte] leegte [in mijn agenda] te gebruiken om te schrijven. Om mijn bange voorgevoelens in bedwang te houden en een betere manier te vinden om over dit alles na te denken. Soms kan schrijven dienen als ballast om met beide benen op de grond te blijven staan.'

Bibliotheken zullen dus na heropening snel een paar kasten kunnen reserveren voor een hausse aan boeken – romans, non-fictie, kinderboeken enzovoorts – over corona, die door de wereldwijde impact van het virus de golf aan boeken over bijvoorbeeld 9/11 ver zal overtreffen. Alleen de impact van de Tweede Wereldoorlog op de boekproductie zal wel altijd onovertroffen blijven.
Er kan er echter maar één de eerste zijn. En dat is Giordano, die het afgelopen decennium wereldwijde roem vergaarde met romans als De eenzaamheid van de priemgetallenHet menselijk lichaam en De hemel verslinden. Begin april verscheen zijn korte beschouwing In tijden van besmetting, tachtig pagina's slechts, in Nederlandse vertaling bij De Bezige Bij.

De eerste vraag is natuurlijk: is dat niet te vroeg? De Italiaan schreef zijn essay, blijkens enkele zijdelingse opmerkingen, in de eerste week van maart. In die periode was Noord-Italië sinds kort een brandhaard, legde de Italiaanse regering de eerste beperkende maatregelen op en waren in Nederland slechts een handvol bevestigde gevallen bekend. De pandemie stond aan het zeer prille begin.
Het doet er niet toe, schrijft Giordano zelf. Het gaat hem om iets anders: de reden waarom een onzichtbaar virus juist nu toeslaat en waarom iets vergelijkbaars in de nabije toekomst vaker zal voorkomen. En wat dat van de samenleving vraagt – niet alleen in deze fase waarin iedereen met social distancing moet bijdragen aan het afremmen van virus, maar ook op de lange termijn.

Hij begint weliswaar met een korte uitleg van wat de meeste mensen inmiddels hebben bijgeleerd. Wat R0is bijvoorbeeld. Hoe belangrijk het is dat deze reproductieratio onder de één blijft om de verspreiding van het virus tot stilstand te brengen. Of het belang om zo veel mogelijk thuis te blijven. Ook uit de wiskundige modellen waarmee de auteur vertrouwd is, blijkt dat je daarmee de meeste mensen redt.
Maar al gauw maakt Giordano zijn centrale punt: deze pandemie is niet zo uniek als we geneigd zijn te denken. De mens, redeneert hij, heeft zo fundamenteel ingegrepen in de natuur dat nieuwe bacteriën, protozoën en schimmels veel sneller de kans krijgen om ziekte te veroorzaken. Dankzij het globale netwerk dat wij hebben opgericht, kunnen ze bovendien makkelijk met ons mee reizen.

Kijk ook verder dan alleen naar onszelf. Neem de olijfbomen in Apulië waar de auteur in zijn jeugd zo van hield. Twintig jaar later waren ze allemaal gedood door de Xylella fastidiosa, die zich dankzij de klimaatverandering steeds eenvoudiger over de wereld kan verspreiden. Ook dat is een pandemie die door de mens is veroorzaakt en even radicaal moeten worden bestreden als Covid-19.
Als Giordano een essay schrijft onder de titel In tijden van besmetting doelt hij dan ook niet op deze maanden waarin we verschanst in ons eigen huis wachten op de komst van het verlossende vaccin. Voor hem zijn deze tijden al decennia aan de gang. En zullen ze ook decennia blijven duren als we deze pandemie niet als wake up-call zien. Die boodschap is even tijdloos als helder verwoord.
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad apr 2020)

zondag 3 mei 2020

'Toen het oorlog was' - Wat vertel je kinderen van tien jaar over de oorlog? (Bibliotheekblad)

Als iemand gaten in het boekenaanbod kan aantreffen, is het wel een collectiespecialist. Maaike Landman van Probiblio spande zich ook in om het gat te vullen. Dankzij haar maakte het educatief bureau Patsboem! een schitterend boek over de Tweede Wereldoorlog voor kinderen vanaf 10 jaar.

Het is zo'n informatief jeugdboek waarvan volwassenen een hoop kunnen opsteken – óók als ze denken al het nodige van het onderwerp te weten. Toen het oorlog was behandelt alle denkbare aspecten van de Tweede Wereldoorlog: van een opsomming van de hoofdrolspelers tot een uitleg van de relevante symbolen; van een korte tijdlijn tot een schets van onze tradities om te herdenken. Het is een overzichtelijk, helder geschreven, rijk geïllustreerd en aantrekkelijk vormgegeven boek. En alles aangevuld met ervaringsverhalen.'Ik was zó blij toen ik het kreeg opgestuurd dat ik drie dagen heb lopen stuiteren', zegt Maaike Landman dan ook, collectiespecialist jeugdboeken van Probiblio. 'Meteen toen ik de envelop opendeed, dacht ik: wauw! Het is geen boek om achter elkaar door te lezen. Je bladert erin, je pikt er wat uit, je legt het weer weg. Maar het is zo prachtig geïllustreerd, door de tekeningen van Irene Goede en de keuze van de foto's, en de informatie is zo goed leesbaar, dat je het steeds opnieuw oppakt. Dat hoor ik ook van de mensen om mij heen.'

Dat Landman zo verheugd is, is niet voor niets. Zij legde de kiem voor een non-fictieboek over de Tweede Wereldoorlog als Toen het oorlog was. Omdat zij BoekToer collecties voor basisscholen in Noord- en Zuid-Holland heeft samengesteld, viel haar al langer een belangrijke lacune op. 'De pakketten over de Tweede Wereldoorlog bevatten een aantal mooie leesboeken, maar informatieve boeken waren er nauwelijks. Heel suf eigenlijk. Het is een onderwerp dat ieder jaar terugkomt en dat behandeld moet blijven worden. Een onderwerp ook waar kinderen graag werkstukken of spreekbeurten over maken. En dan is er bijna niets!'
Voor alle duidelijkheid: er bestaan wel degelijk informatieve boeken over de oorlog. Maar meestal voor een oudere doelgroep dan 10-12 jaar. 'Je hebt bijvoorbeeld de Ooggetuigen-serie, een deel uit de serie Vet Oud! of kleine Junior-boekjes. Prachtige boeken, maar de informatie is gericht op 12- tot 15-jarigen en daarom te moeilijk voor de basisschool. De Ooggetuigen-serie zijn bovendien flink verouderd en oorspronkelijk uitgegeven door een Engelse uitgeverij, waardoor de informatie vanuit de Engelse situatie wordt beschreven. Toch heel anders dan de Nederlandse situatie.'

Drie jaar geleden besloot Landman zelf het initiatief te nemen. Ze sprak tijdens een busreis naar de Frankfurter Buchmesse met Frans Meijer, oud-directeur van de Bibliotheek Rotterdam. Door Groeten van Leo, het boek dat Martine Letterie in 2013 over zijn in de oorlog vermoorde halfbroertje had gepubliceerd, kwamen ze over het gebrek aan geschikte jeugdboeken te spreken. Meijer stimuleerde haar daarop om er werk van te maken. Als ze eenmaal de juiste uitgever enthousiast had gemaakt, zou dat boek er heus wel komen.
'Ik wist een ding zeker: ik ging het niet zelf schrijven. Ik zitten middenin de kinderboeken, ik heb geen enkele illusie dat ik het beter kan dan al die fantastische schrijvers. Maar een uitgeverij vinden bleek een werk van lange adem. Ik ben niet zo thuis in die wereld. En als ik dan toch een gesprek had bij een organisatie of instelling, zei men bijvoorbeeld: goed idee, maar er is toch dat Vet Oud!-boek? En dan liep het spoor dood. Tot ik via via in contact kwam met Gottmer. Die uitgeverij was heel enthousiast.'

De schrijver werd uiteindelijk een collectief: Annemiek de Groot, Roos Jans, Juul Lelieveld en Liesbeth Rosendaal van Patsboem! – een bureau van zes medewerkers dat educatief materiaal maakt voor onder andere uitgeverijen, musea, instellingen en bibliotheken. Patsboem! denkt mee over concepten en werkt dat vervolgens uit tot lesmethodes, workshops, lesbrieven, tentoonstellingen, scheurkalenders, wat dan ook. Voor de OBA maakte het bedrijf een 'mediawijsheid tablettour', waarmee kinderen de bibliotheek kunnen ontdekken.
'Hoewel het nooit zo is bedoeld, is geschiedenis ons specialisme geworden', vertelt Rosendaal. 'Drie van ons zijn historicus. Een van onze grootste opdrachtgevers is het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Wij maken voor hen al vijf jaar ieder jaar het Denkboek voor kinderen: een boek vol verhalen over het herdenken van de oorlog en het vieren van de vrijheid, bedoeld om hen aan het denken te zetten. Daarom kwam Gottmer bij ons uit. De uitgeverij heeft natuurlijk zelf auteurs in huis, maar ik vermoed dat die hun vingers er niet aan wilden branden.'

Bijna iedereen die Toen het oorlog was in handen krijgt of erover hoort, is verbaasd. Bestond zo'n boek echt niet? Ook bij Patsboem! krabden ze zich achter de oren: wáárom hebben we dit niet eerder opgepakt? 'Wij zitten zo in het onderwerp', zegt Rosendaal. 'We hebben veel over de oorlog voor kinderen geschreven. En toch kwamen we niet op het idee.' Pas nu het boek is geschreven en verschenen, is het duidelijk geworden: het is nogal een complexe opdracht. 'Dit was een van onze moeilijkste projecten.'
Waarom? 'Probeer maar eens te omschrijven wat voor boek het is', vervolgt Rosendaal. 'Zelfs de uitgever had er moeite mee de juiste woorden te vinden voor de opdracht die ze ons gaven. "Een leuk boek over de oorlog", dat kan je niet zeggen. "Een luchtig boek over de oorlog" evenmin. Maar zoiets moest het wel worden: een boek dat duidelijk en correct is zonder iets te bagatelliseren, maar dat ook niet te zwaar is zodat je het toch wil lezen. Dat betekent dat je heel goed moet zoeken naar de juiste toon.'
En: goed weten wat je kinderen wel en niet voorschotelt. 'Het uitgangspunt was steeds: wat moet je weten?, en: wat hoort een kind om zich heen?', zegt Jans. We moesten daarom wel uitleggen wat de Holocaust is, een heel belangrijk onderdeel van de oorlog. Alleen: zonder stapels lijken laten zien. Kinderen hoeven er geen nachtmerries van te krijgen. En we maakten juist een hoofdstuk over dieren. Dat is niet het belangrijkste onderdeel van de oorlog, maar via dieren kun je goed duidelijk maken hoe groot de impact van de oorlog is zonder het meteen gruwelijk te maken.'

De structuur van het boek was even belangrijk, leggen Rosendaal en Jans uit. 'Het is zo'n groot onderwerp. Waar begin je?', vertelt de laatste. 'En niet ieder kind vindt elk onderwerp even boeiend. De een vindt techniek heel interessant, de ander juist niet. Zo kwamen we al snel uit op een boek om in te bladeren. En dan niet: hier heb je 500 lemma's, veel plezier ermee. Dan verzuip je erin. We hebben ze zo geordend dat we én de chronologie vasthielden én onderwerpen konden groeperen rond uiteindelijk tien thema's.'
De lemma's zijn verrijkt met kaders 'om over na te denken'. Zo werd het geen puur informatief boek. 'Het is bij ons ingebakken om er een educatieve draai aan te geven. Daarom zijn er ook lesbrieven', zegt Rosendaal. 'Die kaders zijn daarnaast een plek om grijze gebieden te kunnen laten zien. De tijd is voorbij dat we zwart-wit over de oorlog denken, we kunnen tegenwoordig kritisch zijn op de gebeurtenissen van destijds. Was het bijvoorbeeld wel echt nodig om een bom op Hiroshima te gooien? Kinderen stellen zich misschien dezelfde vragen.'

Met Toen het oorlog was is er nu een mooie aanvulling voor educatieve themacollecties voor scholen of presentaties in bibliotheken ter gelegenheid van 75 jaar bevrijding – al is het ten tijde van schrijven onduidelijk of de coronacrisis dat wel mogelijk maakt. 'Bibliotheken hebben het goed aangeschaft', zegt Landman. 'Dat is een goed begin. Ik heb alleen nog geen initiatieven gehoord om er ook iets mee te doen. Misschien komt dat nog. En ik zit in de commissie Tiplijst Makkelijk Lezen. Daar komt het boek op.'
Maar het sloeg zeker niet alleen aan bij bibliothecarissen. De eerste druk van het in november verschenen druk is op: 4.000 exemplaren. De tweede druk verscheen medio maart. 'Vooral leerkrachten stonden hierom te trappelen, merken we. We krijgen heel veel reacties van hen. Dat ze zelf lesmateriaal erbij maken of nu bijvoorbeeld bij vragen van kinderen kunnen verwijzen naar het boek. En we lezen ook heel graag recensies van kinderen zelf. Heel mooi, zelfs wanneer ze zeggen dat ze er niets aan vonden omdat ze de oorlog als onderwerp saai vinden.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad apr 2020)

woensdag 29 april 2020

De Vrije Uitgevers: dienstverlener en vraagbaak voor uitgeverijen (Boekblad)

 Het aantal aangesloten uitgeverijen bij De Vrije Uitgevers is al jaren stabiel. Dat stelt eigenaar Gerard Keijsers en zijn team des te beter in staat zijn uitgevers in woord en daad bij te staan bij hun verdere professionalisering. Met succes: het gezamenlijke marktaandeel is vorig jaar licht gestegen.

Het is geen jubileumjaar. De Vrije Uitgevers (DVU) bestaat in 2020 immers zestien jaar. Oprichter en directeur Gerard Keijsers is ook niet bezig met jubilea. Toen het kennishuis voor kleine uitgeverijen zijn tienjarig jubileum wilde vieren, kwam het bedrijf er vlak voor de feestelijkheden achter dat het een jaar ouder was dan gedacht. ‘Dat heeft ermee te maken dat De Vrije Uitgevers eerst onder mijn eigen uitgeverij Klapwijk & Keijsers viel en later pas een apart bedrijf werd. Ach, het houdt me ook niet bezig hoe lang iets bestaat. Als het maar goed gaat met het bedrijf.’ En dat gaat het, verzekert hij.
De aanleiding om De Vrije Uitgevers in 2004 te starten was een forse verhoging van de vaste kosten van CB. Klapwijk & Keijsers nam daarop een gezamenlijke aansluiting met twee andere uitgeverijen. Dat bespaarde kosten. Toen volgde al snel de gedachte: waarom de aansluiting niet delen met nog meer uitgevers? Zo ontstond een clusteruitgeverij, die snel groeide. In 2008 waren er vijftig aangesloten uitgeverijen, in 2010 al meer dan honderd en in 2015 werd de grens van 300 overschreden. Tegen die tijd was De Vrije Uitgevers eigenlijk al geen dienstverlener meer die uitsluitend voor distributie zorgde.

Hoeveel uitgeverijen zijn momenteel aangesloten?
'Rond de 400. Dat aantal is al een jaar of drie stabiel. Blijkbaar is dat onze natuurlijke omvang. Maar dat is prima. Dat biedt ons de mogelijkheid om meer aandacht te besteden aan kennisoverdracht aan de aangesloten uitgevers, tools voor hen te bouwen, onze webshop verder te ontwikkelen, het buitenland te ontsluiten – en nog veel meer. Ik moet er niet aan denken dat we ineens naar 450 zouden groeien. Dan wordt de werkdruk te groot voor ons kernteam van acht mensen en drie medewerkers die erom heen hangen, die alle elf parttime werken. Dan zijn we alleen maar bezig met het managen van de groei.'

Waarom is de groei gestokt?
'Géén idee. We hebben nooit aan acquisitie gedaan. Als iemand een uitgeverij wilde beginnen of alleen zijn eigen boek wilde uitgeven, wees altijd wel een boekhandelaar, vertegenwoordiger, CB of drukker deze persoon op ons. Misschien is 400 wel de saturatiegraad van het aantal kleine, professionele uitgeverijen in Nederland dat met ons matcht. En die groeien wel hoor, kwalitatief. Kijk alleen al naar het aantal DVU-boeken dat de landelijke pers haalt, dat is behoorlijk toegenomen.'

En dat terwijl er geen concurrentie voor De Vrije Uitgevers is...
'Er zijn anders wel een paar andere clusteruitgeverijen. Maar die bieden niet hetzelfde scala aan diensten als wij. Sterker, bedenk wat een uitgeverij nodig heeft en je kunt het bij ons krijgen. Dan zijn er ook nog clusters voor een andere doelgroep, die een aansluiting bij CB Compact hebben. Dat is een prima dienst van CB, vooral geschikt voor auteurs die denken niet zo veel exemplaren van hun titels te verkopen. Maar je kunt er niet alles mee. Je kunt bijvoorbeeld niet zelf orders invoeren, dus heb je een vertegenwoordiger die orders moet invoeren, dan werkt het niet. Wij hebben daarentegen, wat wij noemen, een grote mensen-aansluiting: een IF-aansluiting. Dat maakt het iets duurder voor de aangesloten uitgeverijen, maar je kunt veel meer. '

En, wou ik vervolgen, terwijl er toch nog altijd steeds meer mensen een boek willen uitgeven – meestal hun eigen.
'Inderdaad. Maar er zijn ook partijen die – laat ik me voorzichtig uitdrukken – een markt zien in alle mensen die een boek hebben geschreven, zich laten aansporen door hun familie om er iets mee te doen, nauwelijks om zich heen kijken en het heel normaal vinden dat ze flink moeten betalen om een boek uitgegeven te krijgen of zelf uit te geven. Mensen die er niet over nadenken, dan aan een contract vastzitten en vervolgens ontdekken dat ze hun auteursrecht hebben overgedragen of dat hun boek in slechts één webshop te koop is. En de groep mensen die daarin uit onwetendheid intrappen, is behoorlijk groot.'

Aan wat voor bedrijven moet ik denken?
'Amazon, met zijn Direct Publishing-contracten. Ga je met hen in zee, dan claimt Amazon vervolgens het alleenrecht op van alles. Je bent je zeggenschap kwijt als uitgever. Of drukkers. Geen reguliere boekdrukkers als Wilco, laat ik daar helder in zijn. Nee, lokale bedrijfjes. Soms heb ik iemand hier op bezoek voor een oriënterend gesprek die bij een lokale drukker het boek in productie heeft. Als ik dan zie hoe die mensen genááid worden! Er is geen ander woord voor. Zo'n drukker rekent gerust 25 euro per exemplaar bij een oplage van 2000 exemplaren. Als je weet dat de productieprijs vier of vijf keer over de kop moet om een marge te maken, zou zo'n boek dus 100 euro in de winkel moeten kosten. Daar kan ik me echt boos om maken.'

Dat zijn geen concurrenten van jullie, neem ik aan.
'Zeker niet. Maar ik zie het wel als onze taak om iedereen die een boek wil uitgeven bewust te maken van wat daar bij komt kijken. Mede daarom organiseren we workshops voor mensen die overwegen te gaan uitgeven. Er is veel behoefte aan kennis op dit gebied. Kijk naar het aantal publicaties over zelf uitgeven. Daar zit een wildgroei in, al zijn de boeken die ik heb gelezen, gelukkig allemaal inhoudelijk goed.'

Hoe maakt DVU nieuwe uitgevers 'bewust'?
'Komt iemand voor het eerst bij mij, dan ga ik altijd samen calculeren. Nieuwe uitgevers zeggen vaak: "Ik hoef er niet aan te verdienen". Maar het is toch veel prettiger om er aan het einde van het jaar iets aan te hebben overgehouden, al is maar net genoeg voor één glas wijn, dan dat een boek je duizenden euro's verlies heeft opgeleverd en je met een stapel onverkochte exemplaren bent blijven zitten. Mensen hebben vaak ook geen idee wat er allemaal aan kosten bij komt kijken. Ze betalen factuur na factuur en aan het einde van het jaar ontdekken ze pas dat ze 8.000 euro hebben geïnvesteerd. Daarom: calculeer. Breng alle kosten in kaart, denk voor iedere kostenpost na of het ook goedkoper kan, en reken uit hoeveel exemplaren je moet verkopen om break-even te draaien. Iemand die nieuw de markt betreedt, laat zich te veel leiden door de gedachte: "Ik wil een mooi boek maken." Ik hou ze voor om het andersom te bekijken. Wat zijn de kosten? Wat de verwachte inkomsten? En hoe kun je dan binnen die marge een zo mooi mogelijk boek maken?'

Sinds wanneer is DVU eerder kennishuis dan dienstverlener?
'Die verandering is geleidelijk gegaan. Sinds een jaar of drie zijn we ons ook zo gaan noemen, omdat we ons realiseerden dat we zo veel meer dan dienstverlener waren. We dragen kennis over. We denken strategisch met een uitgever mee – niet alleen aan het begin van een traject, maar al die jaren daarna waarin je tijd en geld in een boek moet investeren. Ook dat is een fout die sommige nieuwkomers maken. Ze denken te vaak dat als je een boek hebt gemaakt, je vervolgens bij de telefoon kunt afwachten tot hij begint te rinkelen. Nog steeds.'

Heeft de omslag naar kennishuis gevolgen voor het type uitgeverij dat zich aansluit?
'Er komen ook grotere kleine uitgeverijen naar ons. Een uitgever moet zo veel doen, maar kan niet alles in zijn eentje of met een team van hooguit anderhalve man zelf doen. Of uitgeverijen die een eigen aansluiting hadden, maar bij ons iets vinden wat ze zelf niet kunnen regelen: een eigen webshop bijvoorbeeld. Nivon is een voorbeeld daarvan, die zijn boeken via een webshop van ons verkoopt. ISVW zat al lang bij ons, maar doet steeds meer met ons.'

Wat voor diensten biedt De Vrije Uitgevers aan aangesloten uitgevers?
'Boven alles: kennis. Het boekenvak is geen rocket science, maar er komt tegenwoordig heel veel bij kijken. Content via digitale wegen verkopen. E-commerce. Digitale marketing. Audioboeken. En gá zo maar door. Zelfs uitgevers die al langer bezig zijn, weten niet alles. En dus sturen wij nieuwsbrieven, nodigen we hen vaak uit in Amersfoort, organiseren we workshops – over algemene, maar ook specifieke onderwerpen als social media of printing on demand. We geven zo nodig ongevraagd advies, als ik iemand iets zie doen waarvan ik denk: pas daar mee op. Onze droom is om uiteindelijk een kennisinstituut te worden voor de uitgeverijsector, en het beroep van uitgevers te beschermen zoals voor andere beroepen het geval is.'

Hoe kom je erachter als iemand ongevraagd advies nodig heeft?
'Als je elkaar spreekt. Ook als een uitgeverij voor iets heel specifieks contact zoekt, neem je al gauw alle bedrijfsgeheimen door. En dan begrijp ik opeens: de voorraden zijn te hoog. Of kan ik ze een spiegel voorhouden: zou je wel doorgaan met kinderboeken als het zo veel werk voor zo weinig inkomsten is? Als uitgevers in hun eentje werken, met wie moeten ze dan hun zakelijke problemen bespreken? Met ons dus. We kennen van bijna 400 uitgeverijen alle cijfers, voor zover de boeken via CB gaan, en kunnen dus echt wel iets zinnigs zeggen.'

Verdient DVU hieraan?
'Uitgeverijen die niet zijn aangesloten kunnen individueel adviesgesprekken aanvragen. Tot anderhalf jaar geleden deden we dat voor niets. Het zit ook in ons dna om kennis te delen. Om het gewoon weg te geven. Maar nu maken we die kennis ten gelde. De workshops zijn nog steeds gratis, maar worden op termijn ook betaald – maar nooit de hoofdprijs.'

Het hangt dus niet meer alleen af van contributie.
'Nee. Aangesloten uitgevers betalen maandelijks 3,5% van hun bruto omzet via CB met een minimum van 37,50 euro per maand en een maximum van 250 euro per maand. De
meeste uitgevers zitten niet aan dat maximum, omdat je daar véél boeken voor moet verkopen. Daarnaast betaal je voor allerlei diensten: van een adviesgesprek tot het aanmaken van een ePub-bestand of een tailormade marketingplan. En al blijft de contributie het grootste deel van onze omzet, de inkomsten uit deze diensten nemen absoluut toe. Alle kosten van CB rekenen we overigens per ISBN 1 op 1 door. En aangesloten uitgevers krijgen nog steeds veel gratis: van een jaarlijks gesprek tot toegang tot een hele reeks handige tools.'

Wat voor tools?
'Waar hebben we geen tools voor? Van het maken van een begroting tot het beheer van de auteursafdracht. Wij trekken alle gegevens uit CB, daar kun je makkelijk mooie dingen mee maken. Ik heb wel eens gehoord dat als CB moet uitrekenen wat een zending naar Delfzijl ook alweer kost, ze daar óók onze tools voor gebruiken. Want: een stuk handiger dan dat opzoeken in de tarievenlijst.'

De Vrije Uitgevers biedt dus ook meer diensten aan.
'Het is eerder dat we de bestaande diensten verbeteren. Die diensten zijn ontwikkeld op basis van een enquête vier jaar geleden naar de behoefte van de uitgevers. Marketingondersteuning. Persbenadering via het ANP. Informeren van de boekhandel via nieuwsbrieven en brochures. Ondersteuning bij het ontwikkelen van strategie. We hebben een uitgebreid netwerk van redacteuren, correctoren, vormgevers, vertalers. Daar brengen we uitgeverijen mee in contact.'

Kun je een voorbeeld geven van een recente verbetering?
'Sinds een jaar steken we bijvoorbeeld veel tijd en moeite in de webshops voor uitgevers, die ze bij ons gratis kunnen aanmaken. Ik zie daar veel mogelijkheden in. Met het aanbod van bijna 400 uitgevers bij elkaar kun je een klantenbestand opbouwen waar je van alles mee kunt doen aan acties. En het werkt: de omzet is misschien nog niet heel hoog, maar de groei is behoorlijk. En dat is lang niet het enige. Het is dat ik het geld, tijd en mensen niet heb om alle ideeën uit te werken, zeker als het it-projecten zijn. Denk aan administratie of productiebeheer, het biedt zo veel voordelen als je diensten op dat gebied kunt bundelen voor een grote groep uitgeverijen.'

Nog meer voorbeelden?
'Voor het netwerk van professionals voor specifieke diensten gaan we een online tool maken, zodat iedere uitgeverij die makkelijk zelf kan vinden.'

Hoe gaat het met het platform om internationaal rechten te verkopen aan independent publishers elders: FindmyPublisher?
'Dat is dé droom van iedere nieuwe uitgever: de grens over. Ik was destijds niet anders. Had ik een kookboek, stond ik daarmee op de Frankfurter Buchmesse in een hal van drie voetbalvelden groot met alleen maar kookboeken. Wat doe ik hier in godsnaam? vroeg ik me af. Maar toch: moet je het laten? Samen met het Duitse BoD is wereldwijde distributie mogelijk. FindmyPublisher wordt daarvoor de marketingtool. Het wordt een platform waar de grote groep kleine, maar professionele uitgeverijen over de hele wereld elkaar kunnen ontmoeten, van elkaar kunnen leren en rechten van elkaars boeken kunnen kopen. En een keer – dat is mijn droom – komt iedereen samen in Frankfurt.'

Wat wil je nog meer oppakken?
'De samenwerking met de boekhandel intensiveren. We zijn, via een aparte stichting Books on Tour begonnen: evenementen met drie of vier auteurs, niet alleen van DVU-uitgeverijen, rond één thema. We hebben al pilots gedaan in Eindhoven, met boekhandel Van Piere en de bibliotheek, over Suriname en "Hoe een reis je leven kan veranderen". In maart volgt een derde over bipolariteit. Dat moeten een soort happenings zijn, met eten, met een kleinkunstenaar, noem maar op. Dit jaar organiseren we drie van zulke avonden in Eindhoven. Ik denk dat dit een heel zinvolle manier is voor uitgeverijen om hun content anders te presenteren en titels zichtbaar te maken.'

Is dat de enige manier om de samenwerking te intensiveren?
'We willen de aanbieding naar de boekhandel verbeteren. We hebben wel nieuwsbrieven en folders. We stonden een tijdje ook op de beurs. Maar we willen experimenten met e-commerce naar de boekhandel. Dát is de toekomst.'

Is het nodig de toegang tot de boekhandel te verbeteren?
'Het blijft een punt van zorg. Boekhandels kopen voorzichtiger in dan vroeger, mede omdat enerzijds hun cashflow kleiner is geworden en anderzijds het makkelijker is geworden om bij te bestellen. En dan merk ik dat ze ons nog steeds te weinig zien als een groep professionele uitgeverijen, maar als een bepaald type bedrijf – ik noem expres geen naam en noem het al helemaal geen uitgeverij – dat verdient aan het ego van schrijvers en niets doet om de boeken zo goed mogelijk te exploiteren. Aan de andere kant: als een uitgeverij een titel heeft met goede verkooppotentie of erin slaagt vraagt de creëren, koopt de boekhandel die net zo goed in. Boekhandels hebben vaak meer titels van ons liggen dan ze zelf beseffen.'

Vertaalt de inzet van DVU in kennisoverdracht zich in groter succes van de aangesloten uitgeverijen?
'Kijk naar de totale markt: 5% titels doet het heel goed, 20% doet het redelijk en 75% haalt het break even-punt niet. Dat is voor onze uitgeverijen niet anders. Een aantal doet het echt goed, met verkopen boven de 100.000 exemplaren. En anderen redden het niet. Maar over de hele lijn gaat het goed. Ons gezamenlijk marktaandeel is gestegen van 1% in 2018 naar 1,3% vorig jaar. Let wel: van verkoop via CB. De rest zie ik niet, terwijl wij van oudsher uitgeverijen vertegenwoordigen die relatief veel rechtstreeks verkopen op de zakelijke markt. Maar wat belangrijker is: ook de winst en het rendement gaat omhoog, omdat uitgeverijen beter nadenken over wat zij doen. Als er meer rendement is, is er ook meer budget om vraag te creëren.'

Geeft Klapwijk & Keijsers – ofwel: jijzelf – eigenlijk nog uit?
'Nauwelijks. Daar heb ik geen tijd meer voor. Ik vind het wel belangrijk om zelf voeling te houden met het vak waarover ik iedereen adviseer. Mede daarom had ik vorig jaar één titel: Echt lachen zo'n depressie van Patricia Idsinga, een verzameling van haar columns over bipolariteit in het Noord-Hollands Dagblad. Ik heb een vriend die eraan lijdt, ik begreep dankzij haar voor het eerst wat een hel het ook is als je in een manie zit.  Het past ook goed bij mijn fonds. En ja, ik heb er aan verdiend. Niet veel, maar toch.'

Wat heb je zelf geleerd van deze uitgave?
'Goede vraag. Mmm. Ik heb wel geleerd van De Krokodil van Marco Termes dat nu uitkomt. Mijn vormgeefster had een paperback met flappen gemaakt. Leuk, maar het boek zal niet per se tienduizenden exemplaren verkopen. Daarom moet het pod-waardig zijn. En als het dan flappen heeft, zit ik aan één producent vast, ontdekte ik. Dat wil ik niet. Ik moet kunnen switchen. Het is maar een detail, maar het zijn al die kleine dingen bij elkaar waar het uitgeven van een boek op neer komt.'
(Eerder gepubliceerd in Boekblad Magazine, mrt 2020)

maandag 27 april 2020

Uitgeverij Oevers: 'Heel fijn, dat het systeem in Nederland zo toegankelijk is' (Boekblad)

Uitgeverij Oevers was bedoeld om Franse literatuur over kunst uit te geven. Vier jaar na de start geeft Martijn Couwenhoven een veel breder palet aan titels uit. Toch voelen steeds meer mensen aan wat een typisch Oevers-boek is, constateert hij tot zijn genoegen.

Martijn Couwenhoven begreep het niet. Erik Hoekstra, inkoper van boekhandel Broekhuis, had zich lovend uitgelaten over de uitgaven van Oevers. Waarom legde hij dan in Twente geen stapels van Jon Fosse, Knud Sønderby of De rode lantaarn neer? 'Toen heeft hij me uitgelegd dat de inkoop een piramide is. Bovenin zitten een handvol bestsellers. Daaronder titels met een redelijke afzet. En helemaal onderin het gros. Wat óók nog verschijnt. Als er geld over is, kiest een boekverkoper daaruit de mooiste titels.'
Als hij maar lang genoeg dezelfde kwaliteit zou brengen, voorspelde Hoekstra, zou Oevers vanzelf het vertrouwen van de boekhandel winnen en gestaag hoger in de piramide komen. 'Dat blijkt uit te komen', zegt de uitgever met een glimlach. 'Ik merkte het aan de inkoopbeurzen in januari. Boekhandels die vroeger drie exemplaren inkochten, bestelden er nu zes of tien. Er kochten ook boekhandels in waarvan ik de naam nog nooit eerder voorbij had zien komen.'
Vanaf het begin moet hij het van de fysieke boekhandel hebben. Vooral de echt literaire boekhandels. 'Scheltema, Athenaeum, Van Rossum, Lovink, Bijleveld, Het Colofon', somt hij op. 'Vaak steunden ze me vanaf het begin. Eerlijk gezegd tot mijn verbazing. Ik dacht dat de literaire wereld gesloten was. Niet dus. En dat is eigenlijk cruciaal. Ik haal hooguit 30% via Bol.com. Mijn titels staan niet op bestsellerlijsten; alleen als mensen er online gericht naar zoeken, komen ze daar terecht. In de winkel kunnen ze er wel op stuiten.'

Vier jaar bestaat Oevers nu. Couwenhoven (1972) richtte de uitgeverij op toen omstandigheden hem dwongen na te denken over zijn carrière. 'Ik had de grafische school en de kunstacademie gedaan. Omdat ik veel las en schreef, nam ik een bijbaan bij De Slegte in Amsterdam. Op de afdeling tweedehands. Daar bleef ik hangen. Juist toen ik op het punt stond dat ik wat anders wilde, kwam de vacature van webredacteur voorbij. Heel leuk. Dat was ik voor De Slegte en later voor Polare, waar het in opging. Maar ja, Polare.'
Nadat de Zaankanter op straat kwam te staan, wilde hij terug naar de basis van zijn loopbaan: creatief zijn – bijvoorbeeld met het uitgeven van boeken. 'Ik dacht: hoe moeilijk kan het zijn? Ik ben belezen genoeg. Ik kan zelf binnenwerken en omslagen maken. Wat zou het dan kosten om duizend exemplaren te drukken? Ik heb een offerte bij een drukker gevraagd. Ik rekende uit hoeveel ik tegen welke prijs moest verkopen om quitte te spelen. Goed, je moet het boek de boekhandel in zien te krijgen, maar het leek me te doen.'
De vraag was alleen: wát uit te geven? 'Ik zocht iets met kunst en iets met Frankrijk. Dat sloot ook goed aan bij mijn interesse in Monet. Via allerlei omwegen stuitte ik op Maurice Leblanc, die in de eerste helft van de vorige eeuw een serie had geschreven over Arsène Lupin – die als gentleman-inbreker in die tijd de tegenpool van Sherlock Holmes was. Het was en is in Frankrijk een grote hit, maar in het Nederlands al decennia niet meer te krijgen. En: erg goed. Het zijn heel sfeervolle boeken.'
Leblanc uitgeven had twee voordelen. Het is rechtenvrij. En: het werk kwam misschien in aanmerking voor een Schwob-subsidie voor vergeten klassiekers. 'Het voldeed aan alle criteria. Ik betwijfelde of het Letterenfonds een subsidie zou toekennen aan een uitgeverij die nog niets had gepubliceerd, maar ik wilde het toch proberen. En zowaar, ik kreeg hem! Heel fijn, dat het systeem in Nederland zo toegankelijk is. Dat scheelde niet alleen in de kosten, het gaf me een entree bij de honderd deelnemende boekhandels. Dat was me anders nooit gelukt.'

Couwenhoven beschouwt de twee Arsène Lupin-uitgaven als het begin van Oevers. Helemaal waar is het echter niet. Neem alleen al de naam van de uitgeverij. Die bestond op dat moment bijna vijftien jaar. Couwenhoven had begin deze eeuw een column in het Noordhollands Weekblad. 'Ik wilde de Martin Bril van de Zaanstreek zijn. Dus toen ik een naam voor de columns moest bedenken, dacht ik: alle inwoners wonen aan de oevers van de Zaan. Oevers. Dat vond ik een heel mooie ingeving. En toen ik de uitgeverij begon nog steeds.'
Vanuit die journalistieke nevenwerkzaamheden – bijvoorbeeld ook recensies voor het tijdschrift En France – gaf hij ook al vóór 2016 enkele boeken uit. Van eigen hand: het jeugdboek De schatkaart van Monet, naar aanleiding van het bezoek van de Franse schilder in 1871 aan de Zaanstreek. En van anderen: de verhalenbundel De eerste keer, waarin de zestien mooiste inzendingen van een verhalenwedstrijd van het Noordhollands Dagblad in werden verzameld.
'Dat waren niet meer dan vingeroefeningetjes', vertelt Couwenhoven. 'Het waren eerder uitgaven in eigen beheer. Ik liet De schatkaart van Monet bij een plaatselijke drukker maken en verkocht hem beperkt: bij plaatselijke boekhandels en – vanwege het soort boek – bij kinderboekhandels in het hele land en sommige museumwinkels. En via Bol.com natuurlijk. Het was ook bedoeld om naar aanleiding daarvan schilderlessen te geven op lagere scholen, wat ik ook heb gedaan. Met Lupin wilde ik echt overal liggen.'

In vier jaar tijd heeft Oevers een breed fonds opgebouwd. Het aanvankelijke doel was vertaalde Franse literatuur brengen, bij voorkeur boeken die een link met kunst hebben. Het meesterwerk van Emile Zola, dat Oevers in mei van dit jaar brengt, zou je daarom kunnen beschouwen als de kwintessens van de uitgeverij: een Franse klassieker uit 1886 over een impressionistische schilder die alles opoffert voor zijn kunst. Het is, zoals Julian Barnes meent, 'de beroemdste roman over kunst'.
In de praktijk volgt de uitgeverij daarentegen de per definitie veelzijdige, individuele smaak van de uitgever. Hij stuit zelf op titels of wordt getipt door vertalers – 'en dan heb ik opeens vier Noorse schrijvers in mijn fonds. Het begon met Jon Fosse, een van de grootste Europese schrijvers van het moment die gek genoeg hier niet meer werd uitgegeven, wiens roman Melancholie I over een kunstenaar gaat. Daardoor paste het in eerste instantie goed bij mij. En nu heb ik ook Rune Christiansen en Edvard Hoem, een van de meest toonaangevende literaire schrijvers van Noorwegen.'

Couwenhoven vindt het lastig die smaak zo te omschrijven dat al zijn uitgaven erbij passen. 'Het moeten in ieder geval sfeervolle boeken zijn. Dat zie je al bij Lupin, wiens taal met niemand anders is te vergelijken en daarom terecht door het Letterenfonds wordt beschouwd als literatuur. Maar ook in andere boeken komt dat steeds terug. Soms zijn dat minder toegankelijke boeken, zoals Fosse. Soms zit het op het grensvlak, zoals Christiansen. Dat kun je lezen om de poëtische taal, maar ook alleen om het verhaal.'
Toch krijgen steeds meer mensen om hem heen een beeld van wat die smaak is – en wat dus een typisch Oevers-boek is. 'Laatst benaderde vertaalster Marijke Scholts mij. Een collega van haar had La lucina van Antonio Moresco uit het Italiaans vertaald: een roman over een man die zich heeft teruggetrokken in de bergen en geïntrigeerd raakt door het lichtje dat hij iedere avond aan de overkant ziet. Dat bleek inderdaad typisch Oevers: melancholiek, mooi van sfeer. Ik vind het heel fijn dat dat ontstaat: een clubgevoel van gelijkgestemden om me heen.'
Hetzelfde geldt voor de redactie van het literaire tijdschrift Terras, dat zich toelegt op vertaalde literatuur. 'Ik leerde hoofdredacteur Tommy van Avermaete kennen via een boek over Lucebert dat we brachten. Dat beviel goed. Toen bleek dat Terras, dat zat bij Perdu en Poëziecentrum, een uitgever zocht om breder te kunnen worden verspreid. Hij vond ons het beste passen, omdat we allebei het ontdekken van literatuur centraal stellen. Had ik interesse? Natuurlijk! Ik vind zo'n aanbod een groot cadeau.'

Binnen de definitie van een Oevers-boek blijkt plek voor alle mogelijke genres. Ook non-fictie als De keizer, dat ben ik van Hugo Horiot, waarin de auteur vertelt over zijn leven met autisme. Of fietsboeken als Ik en mijn fiets van Paul Fournel en Beste Bauke van zijn oom en voormalige Telegraaf-journalist Ron Couwenhoven. 'Ik wilde graag iets met de Tour doen. Dat is ook Frankrijk. Als iemand Fournel vergelijkt met Tim Krabbé's De Renner móét ik dat gewoon lezen. Vervolgens blijkt het heel goed.'
Daarnaast is Oevers in beeld gekomen bij Nederlandse schrijvers. Couwenhoven krijgt steeds meer manuscripten opgestuurd. Dat heeft ondertussen geleid tot de roman En in de nacht een riem van Chrétien Breukers, een dichtbundel en een non-fictieboek van Sabine van den Berg en een dichtbundel van Annelie David. 'Er zijn meer schrijvers die eerst elders hebben uitgegeven en nu bij mij aankloppen. Een van hen zei dat een andere uitgeverij ook geïnteresseerd was. Dan hoeft het voor mij niet. Je moet echt voor Oevers kiezen.'
Ook bracht Couwenhoven een roman van de debutante Anne Moon Disko. Hoewel het geen onbekende voor hemzelf is: zij is een pseudoniem van hemzelf. 'Het was oorspronkelijk een bundel verhalen dat ik al jaren had liggen. Toen Thomas Verbogt had gezegd dat het gepubliceerde verdiende te worden, zeker zes jaar geleden, heb ik het aan verschillende uitgevers opgestuurd. Het ketste steeds af. Ik kon wel schrijven, hoorde ik steeds, maar er was geen markt voor verhalen of het was niet toegankelijk genoeg.'
Dus dan maar zelf uitgeven. Na een laatste kritische blik bleken de verhalen wonderwel samen te klonteren tot één novelle: Kleine hellen. 'Het kreeg een goede recensie van Arjan Peters in de Volkskrant. Een aantal boekhandels en lezers lieten me weten het goed te vinden. Uitgever Jurgen Maas tipte Kleine hellen in De Morgen. Erg leuk allemaal. Ik heb het zelfs kunnen herdrukken. Maar een volgend boek doe ik niet meer zelf. Als museumdirecteur hang je ook niet je eigen werk op. Door Kleine hellen is nu een uitgever geïnteresseerd. Maar het boek is nog niet klaar, ik hoop het dit jaar af te ronden.'
Na vier jaar heeft Oevers een kleine dertig boeken uitgegeven. De verkoop daarvan valt Couwenhoven niet tegen. Van De andere naam van Jon Fosse Is de eerste druk van 1000 exemplaren uitverkocht en zojuist de tweede druk verschenen. 'En dat in drie maanden.' Ook van De rode lantaarn van Max Leonard, een boek over de nummer laatst in de Tour de France, is nog maar een klein stapeltje over van de eerste druk van 1250 exemplaren. 'Als straks de Tour weer begint, gaat dat weer lopen.'
En zo zijn er meer – voor zijn schaal – mooie successen. Couwenhoven rekent daar met nadruk ook de prijzen bij die zijn uitgaven hebben gekregen. 'Fosse's Melancholie I stond in 2018 op de longlist van de Europese Literatuurprijs', somt hij direct op. 'Michal van Zelm kreeg in hetzelfde jaar voor de vertaling van Een van ons slaapt van Josefine Klougart de Amy van Markenprijs. En De keizer, dat ben ik van Hugo Horiot werd bekroond met de Euregio Literatuurprijs voor Scholieren 2019.'
Zelf ervan leven kan hij nog niet. Couwenhoven werkt de helft van de tijd als redacteur van het gratis maandblad Uit de Zaanstreek.  'Al met al maak ik steeds genoeg winst om een volgend boek te financieren. Het scheelt ook dat ik voor veel titels subsidie voor de vertaalkosten kan aanvragen. In Noorwegen bij NORLA. In Denemarken bij een vergelijkbaar letterenfonds, die me ook al voor vier titels hebben ondersteund. In Nederland heb je het Letterenfonds: de Schwob-subsidie dus, maar ik heb ook een productiesubsidie gekregen voor het boek over LucebertDoor de schaduwen bestormd. En mijn vertalers kunnen zelf ook subsidie krijgen.'
Maar: ooit komt het moment dat hij zich wel fulltime op de uitgeverij kan richten. Daarvan is hij overtuigd. Dat blijkt uit de groei die Erik Hoekstra had voorspeld, maar ook uit de stappen die hij zelf neemt. Hij ging van vier naar tien, twaalf titels per jaar. 'En sinds 1 januari is New Book Collective mijn vertegenwoordiger, die ook fondsen als Koppernik en Orlando in zijn portefeuille heeft. Die combinatie is heel tof: dat zijn allemaal uitgeverijen die hun eigen koers varen. Dat moet het fonds naar een hoger plan kunnen tillen.'
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, feb 2020)

zie ook:

donderdag 16 april 2020

Recensie: 'Beschavingen', Laurent Binet (Athenaeum.nl)

Dezelfde historische personages, andere historie

Wat als de Inca's in de jaren 1530 Europa hadden veroverd? In zijn nieuwe roman Beschavingen(vertaald door Liesbeth van Nes) werkt Laurent Binet dat gedachtenexperiment vernuftig uit. Je moet alleen wel behoorlijk vertrouwd zijn met de geschiedenis om het resultaat op waarde te kunnen schatten.

Koning Henry VIII van Engeland wilde scheiden van Catharina van Aragon omdat ze na meer dan twintig jaar huwelijk nog steeds geen mannelijke nakomeling produceerde. Als katholiek had hij toestemming van de paus nodig. Maar die kreeg hij niet. Dus wat deed hij? Zoals iedereen weet bekeerde hij zich daarop in 1534 tot de godsdienst van Inca's. In die religie kan men, zoals Thomas More in een beroemde brief aan Erasmus schreef, 'de echtgenotes vermenigvuldigen zoals Onze Heer met de broden en de vissen deed'. In Londen stichtte hij nog hetzelfde jaar een Zonnetempel gevuld met maagden die tot zijn beschikking stonden.

Dit keer nog radicaler
Eh... Zoals iedereen weet? In ieder geval de lezers van Laurent Binets nieuwste roman Beschavingen. De Franse auteur schetst hierin de geschiedenis van Europa in het begin van de zestiende eeuw als ons continent niet Amerika verovert, maar als het tegenovergestelde gebeurt: de Inca's duiken op een onverwacht moment op in de haven van Lissabon en weten, ondanks een gigantische numerieke minderheid, onder aanvoering van Atawalpa binnen enkele jaren de macht op het Iberische schiereiland te veroveren, waarna mede dankzij de onafgebroken stroom goud en zilver uit Zuid-Amerika binnen de kortste keren het gehele werelddeel onder invloed van de indianen komt te staan.
Zo'n onderwerp is Binet – zoon van een geschiedenisleraar – wel toevertrouwd. In HhhH (2010) en, nog meer, in De zevende functie van de taal (2016) slaagde hij erin om de historische werkelijkheid van respectievelijk de moordaanslag op Heydrich in Praag en het Franse intellectuele milieu van de jaren '60 en '70 te gebruiken voor zijn eigen fictionele wereld. Dat doet hij dit keer nog radicaler. Beschavingenis een verzameling van vier historische documenten: de saga van een IJslandse vikingdochter, het dagboek van Columbus, de kronieken van Atawalpa, en de avonturen van Cervantes. Alleen al de vorm en stijl daarvan doet zo authentiek aan dat je geneigd bent ze te interpreteren als echte archiefstukken.

Op minutieuze wijze aannemelijk
Maar Binet doet meer. Hij maakt de komst van de Inca's op minutieuze wijze aannemelijk. Daarom zijn de Vikingsaga en Columbus' dagboek zo belangrijk. Door de Vikingen verder in Amerika door te laten dringen dan Leif Erikson deed in de elfde eeuw, begrijp je waarom de Inca's al vuurwapens hadden. Door Columbus' expeditie te laten mislukken, snap je hoe ze – dankzij de boten waarmee de Genuees hoopte Indië te ontdekken – aan schepen kwamen die een Atlantische oversteek konden maken. Bovendien geeft Binet de Inca's een reden om naar Europa te vertrekken: de echtgebeurde broederstrijd tussen Waskar en Atawalpa, die de laatste verloor.
Daarbij blijft deze alternatieve geschiedenis zo dicht mogelijk bij de historische werkelijkheid. Alle personages gedragen zich zoals ze zich in het echt gedroegen. Henry VIII is dus ook in Beschavingen een narcistische erotomaan die er niet voor terugschrikt zijn hele land een nieuwe godsdienst op te dringen om zijn persoonlijke en politieke zin door te kunnen drijven. Alleen de context waarin hij dat doet, is anders. Hetzelfde geldt voor de humanisten Thomas More en Erasmus in deze specifieke episode en voor alle andere historische figuren: van Columbus en Karel V tot El Greco en Miguel de Cervantes. Iedereen is zijn karakter trouw gebleven.

Bewonderenswaardig maar één nadeel
Alles bij elkaar maakt dat Beschavingen buitengewoon bewonderenswaardig. Het vernuft en de vindingrijkheid van Binet is oneindig groot, waarmee hij zijn lezers niet zelden doet glimlachen. Van de reden voor Henry VIII zijn bekering tot de piramide die de rivaliserende Mexicanen – die na enige tijd óók Europa binnenvallen – op het plein voor het Louvre oprichten om mensenoffers te brengen: het zijn stuk voor stuk grappige vondsten. Of wat te denken van de vlag die de Inca's adopteren omdat de machthebbers in Europa nu eenmaal zo'n symbool gebruiken? De regenboogvlag, die tegenwoordig heel andere associaties oproept.
Er is alleen één groot nadeel aan Beschavingen: je moet een gedegen kennis van de oorspronkelijke geschiedenis hebben om van deze roman te kunnen genieten. De veelwijverij van Henry VIII kennen de meesten wel. Maar als je niet ziet hoe slim Binet bijvoorbeeld de ideeën van de Inca's over spreiding van de welvaart afzet tegen die van Luther om het Zonnegeloof voet aan de grond te laten krijgen in Duitsland, dan resteren slechts elementen als stijl en plot om de roman te kunnen waarderen. En dan is het jammer dat de imitatie van historische dagboeken of kronieken niet bepaald de meest elegante stijl oplevert en zulke type boeken ook nooit een zorgvuldig uitgewerkt plot hebben.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl)