woensdag 19 oktober 2011

AKO-nominatie 5 (bis): Grunbergs uitgevers over Grunberg (Knack)


Bij welke uitgever verschijnt Grunbergs beste werk? Vic van de Reijt (Nijgh & van Ditmar) en Reinjan Mulder (onder andere De Geus) wijzen allebei naar zichzelf. Te lezen als vervolg op mijn eigen analyse daarover.

‘Bij ons wordt Grunbergs werk beter geredigeerd’

Natuurlijk wist Vic van de Reijt, uitgever van Arnon Grunberg bij Nijgh & van Ditmar, dat Marek van der Jagt een pseudoniem van zijn auteur was. Niet omdat het hem verteld was, maar omdat hij zijn eigenzinnigheden herkende. ‘Arnon heeft een typerende manier om in de directe rede te schrijven: hij zei, komma en dan de directe rede. Bij ons werden die allemaal weg geredigeerd. Bij De Geus niet. Zij hadden daar blijkbaar geen goede bureauredactie.’
Van de Reijt vertelde deze anekdote maandag op Manuscripta, de opening van het boekenseizoen in Amsterdam. Hij discussieerde daar met Reinjan Mulder, destijds redacteur bij De Geus van Marek van der Jagt en later ook van Grunbergs uitstapjes bij andere uitgeverijen: ‘De joodse messias’ en ‘Onze oom’. Aanleiding was de nieuwe aanwinst van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam: de archieven van Grunberg én van Mulder met betrekking tot Marek van der Jagt.
Van de Reijt en Mulder vonden Grunberg allebei een geweldige auteur om mee te werken. ‘Zeker in zijn beginjaren vereiste Grunbergs werk veel redactie,’ zei Van de Reijt. ‘Zijn debuut “Blauwe maandagen” ontstond uit een enorme hoop papier waarvan hij met mijn hulp een roman heeft gecomponeerd. Nu zijn manuscripten bijna feilloos, maar Arnon is zeer leergierig. Toen ik op ‘De asielzoeker’ weinig commentaar had, reageerde hij bezorgd: “Heb je echt niets aan te merken?” Die professionaliteit is kenmerkend voor de beste auteurs. Alleen goede auteurs staan ingrijpen in hun werk toe.’
Mulder zag ook grote verschillen tussen de eerste en de gepubliceerde versie van bijvoorbeeld ‘Onze oom’. Maar hij wist niet of Grunberg steeds minder redactie nodig had. ‘Arnons werk is in de loop der tijd steeds complexer en dikker geworden. De romans in ik-vorm maakten plaats voor vertellingen met meerdere personages. Dat vergt veel van de schrijver, maar vereist ook meer redactie. In het archief dat ik aan Bijzondere Collecties heb gegeven is te volgen hoe dat ging. Het archief is alleen niet openbaar. Arnon moet toestemming voor inzage geven.’
Van de Reijt had er op zich geen moeite mee dat Grunberg zijn Marek van der Jagt-mystificatie bij een andere uitgeverij onderbracht. ‘Als dat bij Nijgh & van Ditmar zat, was sneller uitgekomen dat hij Van der Jagt was. Wel vond ik het vervelend dat het onze relatie een tijd onder druk heeft gezet, omdat er zo’n leugenachtige sfeer ontstond. Reinjan en Arnon bleven ontkennen. Ook hadden Arnon en ik niet voor niets de afspraak om één grote roman in de drie jaar te publiceren. Door zijn hoge productie werd hij een concurrent van zichzelf: het nieuwe boek verdrong het vorige uit de bestsellerlijsten. Gelukkig ziet Arnon dat inmiddels ook in.’
De vraag blijft wel bij wie Grunberg zijn betere werk publiceerde. ‘Met de boeken die bij ons verschenen won hij prijzen,’ zei Van de Reijt. ‘Omdat ze beter geredigeerd zijn. De boeken die bij andere uitgevers zijn uitgekomen, vind ik ook goed, hoor, maar ze zijn onder te hoge tijdsdruk uitgegeven.’ Maar volgens Mulder winnen de Nijgh & van Ditmar-uitgaven alleen maar literaire prijzen omdat die romans ‘conventioneler’ zijn. De boeken waarin Grunberg werkelijk de grenzen opzoekt heeft hij elders ondergebracht.
Helemaal achter slot en grendel, uitsluitend toegankelijk voor een enkele wetenschapper, zullen de archieven van Grunberg en Mulder overigens niet blijven. Hoofdcurator Garrelt Verhoeven van de Bijzondere Collecties kondigde een tentoonstelling aan over leven en werk van Grunberg. In 2014, als hij twintig jaar geleden is gedebuteerd.

(Gepubliceerd op Knack, 6 september 2011)

dinsdag 18 oktober 2011

Aravind Adiga - 'De laatste man in de toren'


Vanavond gaat de Booker Prize naar Julian Barnes. Of een andere, per definitie verrassende winnaar. Maar waarom maakt Aravind Adiga, die de prijs kreeg in 2008, geen kans met De laatste man in de toren? Net als zijn eerste twee boeken een schitterende roman.
Adiga neemt de tijd om de Vishram Corporatie – de vijf verdiepingen tellende flat – en zijn bewoners te introduceren. Daardoor duurt het even voor je in het boek raakt. Op bladzijde honderd wist ik nog niet automatisch bij welke naam ik welk personage moest voorstellen. Maar juist die kalme aanpak biedt Adiga de mogelijkheid om haarscherp te laten zien hoe iedereen langzaam wordt verdwaasd door de droom van plotse rijkdom: het aanbod van een projectontwikkelaar om hun gebouw te kopen voor 250 procent van de marktwaarde. Wat heet: verdwaasd. Adiga toont de eeuwige waarheid dat de verlokking van het geld het geweten en het fatsoen aantast tot er niets meer van overblijft. De bewoners zijn zelfs bereid de enige man die niet voor de rupeevloed zwicht, maar gewoon wil sterven in zijn vertrouwde omgeving, van het leven te beroven. Een man met wie ze sommigen dertig jaar bevriend zijn geweest, een man die hun kinderen les heeft gegeven.
Of de moordpoging lukt, laat ik in het midden. Wel wil ik kwijt dat Adiga ook in De laatste man in de toren met Tsjechoviaans mildheid een wereld schetst die me somber achterlaat. Het is een wereld waarin een man die misschien ook zijn slechte eigenschappen heeft, maar die een waardig leven belangrijker vindt dan een leven in welstand – dat zo’n man ouderwets is. In deze wereld telt alleen nog je bankrekening. Ook in Mumbai.

Aravind Adiga, De laatste man in de toren (vertaling Arjaan van Nimwegen), De Bezige Bij, 2011

maandag 17 oktober 2011

Morgen uitreiking Man Booker Prize 2011 (Knack)


Britse uitgevers en literaire agenten starten een nieuwe literaire prijs uit protest tegen het weinig literaire gehalte van de Booker Prize 2011. Morgen is de uitreiking.

Nieuwe Britse literaire prijs moet wél literatuur bekronen

Er moet een nieuwe literaire prijs komen die boeken bekroond op basis van hun literaire kwaliteit en niet op basis van hun leesbaarheid. Die aankondiging deden enkele Britse uitgevers en literaire agenten, gesteund door gerenommeerde auteurs als David Mitchell en John Banville, aan de vooravond van de uitreiking van de Man Booker Prize 2011. Deze literaire prijs met een geschiedenis die teruggaat tot 1969, heeft zijn reputatie verloren, nu de jury steeds meer nadruk legt op lekker leesbare boeken.
Komt de Literature Prize, zoals de prijs voor ‘a clear and uncompromising standard of excellence’ moet heten, er echt? Of is het een soort dreigement aan de organisatoren van de Booker Prize om de kandidaten uitsluitend te blijven toetsen aan literaire criteria? Het tijdstip van de aankondiging doet het laatste vermoeden. Plus de onduidelijkheid over de financiering van de prijs en de wijze van jureren. Zo zou de Literature Prize ieder jaar een jury willen samenstellen uit een vaste pool van experts van onbesproken reputatie, maar de invulling is nog vaag.
Echt of niet echt – de aankondiging van de prijs is het toppunt van hevige kritiek op de jury van de Man Booker Prize dit jaar. Direct na bekendmaking van de shortlist begin september stak er een orkaan op. Wat was dit voor selectie van genreboeken en tweederangs literatuur? Een thriller (Snowdrops van A.D. Miller), een western (The Sisters Brothers van Patrick deWitt) en wat slappe aftreksels (Half Blood Blues van Esi Edugyan). Alleen dankzij The Sense of an Ending van Julian Barnes stond er nog een waardige winnaar bij de laatste zes.
De juryleden gooiden olie op het vuur door te wijzen op de leesbaarheid van hun shortlist. Voorzitter Stella Rimington, thrillerschrijfster en oud-hoofd van de geheime dienst MI5, zei dat de jury had gezocht naar ‘genietbare’ boeken. Jurylid Chris Mullin, schrijver en oud-minister, wilde boeken waar je ‘snel doorheen kon komen’. Kritiek van iemand als Leo Robson, die in de New Statesman schreef dat de jury ‘leesbaarheid’ interpreteerde als: ‘is te lezen zonder moeite, na te denken of de tv uit te zetten’, deed Rimington af als: ‘pathetisch’. Zulke critici willen alleen maar dat niemand op hun terrein komt.
Opmerkelijk genoeg deelde het publiek de opinie van de jury. De shortlist van dit jaar was de bestverkopende sinds daar gegevens over worden bijgehouden. En niet een beetje meer, nee, in de eerste twee weken na de bekendmaking gingen er ruim twee keer zo veel exemplaren (van de papieren editie) over de toonbank als in het recordjaar tot 2011. Koploper was – uiteraard – de thriller: Snowdrops van A.D. Miller, gevolgd door Jamrach’s Menagerie van Carol Birch en The Sense of an Ending van Julian Barnes.
In Nederland en Vlaanderen kiezen de critici overwegend voor de grootste literaire naam in de laatste zes. Barnes dus. Kathy Mathys prefereert in De Standaard ‘deze stilistische parel waarin leesplezier en spanning samengaan met diepgang’ boven Birch. Rob van Essen maakt in NRC Handelsblad de tegenovergestelde keuze: Birch is ‘overrompelender en veelomvattender’. De Groene Amsterdammer heeft een aantal losse recensies, maar is duidelijk het enthousiast over Barnes.

(Gepubliceerd in Knack)

zondag 16 oktober 2011

Patrick Modiano - 'Memory Lane'


Memory Lane is een dun boekje van Patrick Modiano. Vijftien jaar geleden heb ik het geleend uit de bibliotheek toen ik systematisch alles las wat ik van deze Franse schrijver in vertaling kon krijgen. Onlangs kreeg ik het van iemand cadeau en heb ik het herlezen. Ik bleek helemaal niets onthouden te hebben. Zo viel de inhoud van het boek volledig samen met mijn leeservaring.
Zoals Modiano’s gehele oeuvre gaat Memory Lane over de brokstukken van een mythisch verleden. Een buitenstaander herinnert zich zoveel jaar later de vreemde mensen met wie hij een tijdje omging. Ze leefden onduidelijk maar groots. Tot ze verdwenen in het drijfzand van het leven en de verteller, over wie Modiano nog minder helderheid verschaft, verweesd achterblijft.
Er was de mannequin op leeftijd wier schoonheid was gebleven. Er was de oude privé-piloot de Vietnamese keizer. De Amerikaanse manus van alles die na de oorlog in Parijs was blijven hangen. De playboy die leeft voor cabaretuitvoerigen op zijn oude middelbare school en een verloofde achter de hand houdt. Maar allemaal vervaagden ze in de nevel.
Toen ik dit de eerste keer las, had ik ook de leeftijd waarop alles nog mogelijk leek. De melancholieke boeken van Modiano waren krachtige stimuli voor mijn verlangens. Elk detail dat hij over zijn personages prijsgeeft vergroten het raadsel, maar ook de illusie dat een mooier, rijker, intenser leven dichtbij is. Het ligt er voor het grijpen – als de druiven voor Tantalos. als een droom waarvoor je alleen maar hoeft te blijven slapen.
Nu ook ik, toch wel naar tevredenheid, een leven leid dat zich niet onderscheid van het leven van zoveel anderen, een leven vol identiek verlopende dagen, is die periode in mijn leven ongrijpbaar geworden. Wat weet ik er nog van? Weinig. Kan ik me de persoon die ik was nog voorstellen? Nauwelijks. Zou ik hem begrijpen als ik hem ontmoet? Misschien met enige moeite.
Dat ik niets meer kon herinneren van Memory Lane symboliseert die verandering mooi.

Patrick Modiano, Memory Lane, met illustraties van Pierre Le-Tan, De Arbeiderspers, 1983 (verschenen als nieuwjaarsgeschenk van de uitgeverij)

zaterdag 15 oktober 2011

AKO-nominatie 5: Arnon Grunberg - 'Huid en Haar' (Knack)


De nieuwe roman van Arnon Grunberg moest wel een fantastische roman zijn. Huid en haar verschijnt vandaag bij Nijgh & van Ditmar. Bij deze uitgeverij geeft Grunberg zijn hoofdwerk uit. Bij andere uitgeverijen verschijnen alleen experimenten en voorstudies.

Een oeuvre in twee lagen

Liefde is een markt. Niet voor niets is de hoofdpersoon van Huid en haar, de indringende en meeslepende roman van Arnon Grunberg waarin hij deze visie op de liefde uitwerkt, een econoom. Roland Oberstein, een van de veertig meest vooraanstaande experts van Adam Smith, wil alleen geld en energie steken in gevoelens waar hij iets voor terug krijgt: seks, bevrediging, eigenwaarde. Iemand missen? Dat levert hem alleen maar overbodige hunkering op. Jaloezie omdat zijn vriendin vreemd is gegaan? Daar moet hij tijd voor vrijmaken in zijn agenda.
Goed functioneert de markt alleen niet. Vraag en aanbod sluiten niet op elkaar aan. De borough president van Brooklyn moet daarom een UPS-bezorger chanteren die illegaal in Amerika verblijft. Hoe kan hij hem anders ooit bezitten? Sylvie, de ex-vrouw van Oberstein, accepteert daarom dat haar vriend depressief is en soms dagen niets tegen haar zegt. Wie bevredigt anders haar emotionele behoeften? En Violet, zijn nieuwe vriendin, gaat vreemd met een handelaar in satelliettelefoons. Alleen zo denkt ze Oberstein duidelijk te kunnen maken dat hij haar verwaarloost.
Als econoom zou Oberstein bij uitstek moeten weten tot welke excessen een imperfecte markt kan leiden. Al jaren werkt Oberstein aan een studie over de geschiedenis van de economische bubbel. Blind door begeerte kennen mensen soms een excessieve waarde toe aan nutteloze dingen – tot de bubbel klapt. Toch ziet Oberstein niet hoe jaloezie, behoefte aan seks en de concessies die hij doet aan de vrouwen om hem heen, zijn uiterst rationele houding ondermijnen en hem uiteindelijk aanzetten tot een wanhoopsdaad. Kortom: tot ook de bubbel in zijn hoofd klapt.

Met deze tergend langzaam, maar zeer precies beschreven neergang van Roland Oberstein komt de verwachting van de nieuwe Grunberg meer dan uit. Huid en haar is verschenen bij uitgeverij Nijgh & van Ditmar. Sinds zijn debuut Blauwe maandagen (1994) heeft hij hier zijn hoofdwerk ondergebracht. Fantoompijn (2000), De asielzoeker (2003) en Tirza (2006) – zijn beste romans zijn allemaal verschenen bij de uitgeverij van Elsschot-biograaf Vic van de Reijt. Het kon daarom niet anders of ook Huid en haar moest geweldig zijn.
Grunberg is al twintig jaar een zeer productief auteur. Onvermoeibaar schrijft hij columns voor uiteenlopende bladen als Humo, Vrij Nederland en de VPRO-gids. Dagelijks houdt hij zijn weblog bij. Voor NRC Handelsblad schrijft hij als journalist reportages over Afghanistan, Montenegro, Guantánamo Bay, maar ook over een leven als kamermeisje of een alledaagse gezinsvakantie. Lezingen of voorwoorden – hij gaat op bijna alle verzoeken in. En iedere dag schrijft hij aan een nieuwe roman. Dag in dag uit ten minste vierhonderd woorden.
De boeken die uit deze werkdrift voortvloeien konden lang niet allemaal bij één uitgeverij terecht, die ervoor zal waken de markt te overvoeren. Grunberg ging daarom in zee met andere uitgeverijen. Vaak koos hij uit persoonlijke sympathie. De Marek van der Jagt-boeken bracht hij onder bij De Geus toen zijn vriend Reinjan Mulder daar werkte. De joodse messias (2004) en Onze oom (2008) verschenen bij Vassallucci en Lebowski omdat zijn vriend Oscar van Gelderen daar uitgever was. En dat is nog niet alles: zo kwam De mensheid zij geprezen (2001) uit bij Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Maar wat steeds meer opvalt: het verschil in kwaliteit tussen de romans die Nijgh & van Ditmar publiceert en de romans die andere uitgeverijen op de markt brengen. Ieder nieuw boek bevestigt opnieuw dat Grunberg zijn nu al omvangrijke oeuvre niet als een geheel lijkt te zien, maar een onderscheid aanbrengt. Het hoofdwerk verschijnt bij Vic de Reijt, de man die hem op de Frankfurter Buchmesse vroeg of hij al die komische jeugdverhalen niet kon opschrijven en hem zo ontdekte. De experimenten en voorstudies zijn voor anderen.

De twee romans die onder het pseudoniem Marek van der Jagt verschenen zijn dan ook niet alleen een poging van Grunberg om met een nieuwe identiteit aan zijn imago te ontsnappen. Ook literair zijn De geschiedenis van mijn kaalheid (2000) en Gstaad 95-98 (2002) een experiment. Paradoxaal genoeg: een experiment om de reputatie die het werk onder zijn eigen naam had gekregen tot zijn uiterste grenzen te voeren. Haalde hij iedere waarheid met cynische en grappige aforismen onderuit? Prima, dan zou Marek van der Jagt werkelijk met alles spotten.
Vooral in De geschiedenis van mijn kaalheid slaagt hij daar meesterlijk in. Het verhaal van Mareks amour fou en obsessie met zijn ‘penis van een dwerg’ is hilarische slapstick. Hoogtepunt is de scène waarin Marek zich uitkleedt en Andrea en Milena, de twee Luxemburgse meisjes die hij heeft opgepikt, zich verbaasd buigen over zijn pik. Is Marek soms ziek? ‘Niet dat ik weet. Hoezo?’ Is hij dan wel opgewonden? ‘Ja, heel erg’. Dan moet hij liegen. ‘Je doet het expres, hè’, zei Andrea, ‘hij kan best groter worden, hè. Je doet het expres.’
De Arnon Grunberg die onder eigen naam publiceerde, wilde echter meer dan onderbroekenlol. Serieuze thema’s aansnijden. Een echt alternatief zoeken voor de waarheden die hij ontmaskerd had. Een visie ontwikkelen op maatschappelijke problemen. Daarin passen De joodse messias en Onze oom. De eerste is een satire op de moeizame verhouding van het Westen met Israël, dat bang is van antisemitisme te worden beschuldigd maar evenmin accepteert dat Israël steeds minder naar Westerse normen leeft. De tweede is een onderzoek naar de moraal van de oorlog.
Beide romans zijn mislukkingen. De joodse messias slaat door in terzijdes van terzijdes van terzijdes. Alsof Grunberg de vondsten die hij associatief op papier zette, allemaal wilde gebruiken en zo vergat de lezer een logisch en spannend opgebouwd verhaal te vertellen. In Onze oom zet Grunberg zichzelf neer als de afstandelijke waarnemer die het levensverhaal van Lina Siñani Huanca, de dochter van een majoor die wordt ontvoerd door communistische rebellen, alleen maar heeft genoteerd. Dat maakte zijn stijl, die drijft op de kracht van herhaling, saai en bloedeloos.
Tegelijk zijn beide romans voorstudies. Grunberg zocht tevergeefs naar manieren om relevante thema’s zijn eigen watermerk te geven. Hoe kun je een beargumenteerd standpunt over Israël of oorlog geven terwijl je tegelijk alles relativeert en zelfs belachelijk maakt? Hoe kun je over de wereld schrijven zonder te zwijgen over je persoonlijke dilemma’s en thema’s?

Juist het contrast tussen deze twee romans en Huid en haar maakt duidelijk waarin de auteur Arnon Grunberg excelleert. Voor hemzelf, maar vooral ook voor zijn lezers. Met de ondergang van Roland Oberstein aan de liefde – de markt waarin je ten onder gaat als je niet genoeg omzet maakt en consumeert – beeldt hij zijn donkere visie uit in een personage dat zeer dicht bij hemzelf ligt. Sterker: de vele autobiografische verwijzingen maken Oberstein nog meer een afsplitsing van hemzelf dan Beck (De asielzoeker) of Jörgen Hofmeester (Tirza).
Mooi aan Huid en haar is vooral de voor Grunberg nog zo veel soberder, maar precieze taal – de winst die de oefening Onze oom hem heeft opgeleverd. Het scherpe, uitgepuurde proza geven de typische venijnige oneliners, die hij weliswaar schaarser maar nog raker uitserveert, maximale betekenis en optimaal humoristisch effect. ‘Dat is het vuur waarop al het verlangen brandt, vermoeden dat je niets zult krijgen en toch het omgekeerde hopen.’ Of: ‘Andermans verdriet, blijf eruit weg, trap er niet in. Het is de muizenval van het menselijk contact.’
Zulke zinnen zullen van Huid en haar een klassieker maken die nog tientallen jaren in druk blijft. Bij Nijgh & van Ditmar.

(Gepubliceerd in Knack, 27 oktober 2010)

vrijdag 14 oktober 2011

AKO-nominatie 4: P.F. Thomése - 'De weldoener' (Knack)


Zou iemand een nieuwe P.F. Thomése herkennen als zijn naam niet op het omslag stond? Zijn hoekige stijl maakt zijn werk herkenbaar, maar omdat Thomése steeds een volslagen andere toon aanslaat, lijkt ieder boek geschreven door een andere auteur. Na de monkelende satiricus in Vladiwostok! en de onderkoelde humorist in de slapstick J.Kessels: The Novel laat hij nu een monumentale lyricus aan het woord die is aangeraakt door de mysteries van religie en muziek.
De weldoener is een noodlotsdrama dat de grootse symfonieën van Mahler in herinnering roept – ondanks de voorliefde van de hoofdpersoon voor religieuze koormuziek. Componist Sierk Wolffensberger brengt die met Pasen ten gehore in de Haarlemse kerk waar hij wekelijks een amateurkoor dirigeert. Als hij daar op een dag in een bijruimte bij toeval een bewusteloos meisje vindt, dat met pillen zelfmoord probeerde te plegen, voelt hij zich voor het eerst in zijn leven werkelijk een schepper: hij heeft haar gered, hij alleen heeft haar nieuwe leven mogelijk gemaakt. Hij is al meer dan middelbaar, maar eindelijk kan de man zijn die hij altijd heeft willen zijn.
Deze onverwachte euforie blijkt echter de katalysator van Wolffensbergers onvermijdelijke ondergang. Thomése schetst met een wreed genoegen hoe de middelmatige componist even gelooft in zijn wederopstanding en daardoor het laatste restje geloofwaardigheid van zijn eigen bestaan om zeep helpt. Wolffensberger houdt het meisje voor zichzelf omdat ze nergens anders heen kan. Maar een geheel nieuw leven samen zit er niet in. De praktische bezwaren slaan steeds meer barstjes in de droom tot deze voorgoed uiteenklapt.
Wie wil weten hoe, leze De weldoener. Naast een rijke thematiek en een fraaie, bijna Bijbelse welsprekendheid heeft Thomése voor de lezer ook nog enkele verrassingen in petto.
(Eerder gepubliceerd in Knack, 5 januari 2011)

Nog meer Thomése:
- Vladiwostok!
- Het bamischandaal

donderdag 13 oktober 2011

Jarvis Cocker (Pulp) wordt redacteur literaire uitgeverij (Knack)


Zanger Jarvis Cocker van de Britse band Pulp begint in januari als redacteur van de zeer gereputeerde Britse literaire uitgeverij Faber & Faber.

In 1995 scoorde Pulp een wereldhit met Common people – behalve in Vlaanderen, waar het nummer nooit de Ultratop 50 haalde. Nu verruilt de inmiddels 48-jarige zanger Jarvis Cocker zijn gitaar voor een rood potlood. Gedurende twee jaar krijgt het icoon van de Britpop bij Faber & Faber, uitgever van twaalf Nobelprijswinnaars onder wie Günter Grass en Orhan Pamuk, onder leiding van uitgeefdirecteur Lee Brackstone een brede redactionele rol.
Behalve met muziek verwierf Cocker faam met zijn excentriciteit. In 1996 verstoorde hij uit protest een optreden van Michael Jackson tijdens de uitreiking van de BRIT Awards, waarna hij werd vervolgd voor poging tot moord. ‘Ik ben ervan overtuigd dat de titels die hij zal ontwikkelen, zijn excentrieke en tegelijk populaire smaak zullen representeren,’ zei Brackstone dan ook.
Cocker – ‘erg trots’ op zijn benoeming – kwam in aanraking met Faber & Faber toen de uitgeverij zijn collectie songteksten Mother, Brother, Lover kocht. ‘Cocker bleek toen heel goed te passen in de Faber-cultuur’, meende Brackstone. Deze bundel verschijnt volgende week – zodat Faber & Faber ook de primeur heeft van de eerste uitgeverij die een eenvoudige personeelsmededeling inzet voor marketingdoeleinden.
De zanger treedt bij Faber & Faber in de voetsporen van legendarische redacteuren als T.S. Eliot, die van 1925 tot 1965 werkte in het even legendarische pand aan Russell Square in Bloomsbury, Londen. Maar ook van Pete Townshend, de zanger van The Who die vanaf 1983 enkele jaren voor de uitgeverij werkte en toen onder meer de verzamelde toespraken van prins Charles uitgaf. Ook van Townshend verscheen tegelijk werk van eigen hand: de verhalenbundel Horse’s neck.
Mogelijk leidt de aanstelling van Cocker ook tot interessante literaire muziekprojecten. Townshend bewerkte het kinderboek ‘The Iron Man’ van Ted Hughes tot een musical nadat hij met de dichter bevriend raakte. Waarom zou Cocker niet iets soortgelijks doen met Paul Auster, Seamus Heaney, Alan Hollinghurst of de huidige poet laureate Carol Ann Duffy – allemaal Faber-auteurs.

(Gepubliceerd in Knack)

woensdag 12 oktober 2011

Rascha Peper - Zwartwaterkoorts


Zwartwaterkoorts, het voorlaatste boek van Rascha Peper, bevat het verhaal ‘In kalf gebonden’. Ik weet dat schrijvers de werkelijkheid mogen vervormen. Dat literatuur niet gebonden is aan onwrikbare natuurwetten. En dat een recensent ongeschikt voor zijn vak is als hij boeken afwijst simpelweg omdat ze niet realistisch zijn. Maar toch had ik moeite met de retouches van de Leidse plattegrond die Peper zich toestond om ‘In kalf gebonden’ dramatisch te laten eindigen.
Hoofdpersoon van dit verhaal is Leo, die de fictieve Bibliotheca Walsiana op de Nieuwe Rijn in Leiden bezoekt om een zeer kostbaar zestiende eeuws boek te bestuderen. Peper getroost zich veel moeite om de stad die ik toevallig erg goed ken zo precies mogelijk te beschrijven. Leo’s wandeling van Leiden Centraal naar de natuurhistorische bibliotheek klopt exact. De straatnamen. De molen achter café van der Werff. Het uiterlijk van de steeg waar hij als student op kamers zat. Het populaire café bij de Koornbeursbrug met de openslaande deuren. Het klopt allemaal.
Waarom verzint Peper dan op het moment suprême haar eigen Leiden?
De ontknoping van het verhaal vindt plaats op een druk verkeerspunt bij ‘oversteekplaats Morssingel-Rijnsburgersingel’, waar Leo ‘ongeduldig voor een rood licht’ moest wachten, iets te snel oversteekt en daar wordt geschept door een vrachtwagen. In werkelijkheid kan iedere voetganger daar aan beide kanten van de Stationsweg nagenoeg ongehinderd doorlopen.
Op slag stond het tot dan toe boeiende, met een aangename en levensechte toon vertelde verhaal me volledige tegen. Het gemak waarmee Peper van het zo realistisch mogelijk beschreven Leiden afwijkt, is te groot. (Een ongeluk als deus ex machina is natuurlijk ook te makkelijk.)
Waarom probeerde ze niet ook voor haar ontknoping gebruik te maken van de werkelijkheid? Het had best gekund. Het kruispunt Morssingel-Rijnsburgersingel is weliswaar niet gevaarlijk, maar over de Stationsweg rijden wel bussen. Ook daar had Leo in zijn ongeduld niet goed op kunnen letten.

Rascha Peper, Zwartwaterkoorts, Nieuw Amsterdam, 2009

maandag 10 oktober 2011

AKO-nominatie 3: Jeroen Brouwers - 'Bittere bloemen' (Knack)


Ontelbare personages stierven ooit in een roman. Geen hoofdpersoon beleefde zijn dood zo intens als Julius Hammer in het nieuwe meesterwerk van Jeroen Brouwers.

Het schrijven gaat Brouwers niet meer zo makkelijk af. Aan twee kleine herseninfarcten heeft hij een lichte verlamming aan zijn rechterhand overgehouden. Hulpmiddelen als een computer of een dictafoon weigert hij te gebruiken. Zoals hij opmerkt in zijn nieuwe roman: ‘Schrijven is een lichamelijke daad, inkt is het bloed van de schrijver. De woorden en zinnen moeten ontstaan op het ritme van zijn hartslag.’ Maar met de aangepaste pen die hij nu hanteert, zet Brouwers de zinnen nog veel langzamer op papier dan hij naar eigen zeggen toch altijd al deed.
Maakt dat Bittere bloemen tot een zwanenzang van een schrijver die voelt dat zijn lichaam hem dwingt te stoppen? Brouwers superieure nieuwe roman gaat over de dood – of beter: over het sterven. In driehonderd pagina’s beschrijft hij hoe zijn hoofdpersoon zijn eigen dood beleeft. Hoe hij het contact met de werkelijkheid verliest, steeds sterker het gevoel heeft dat hij er is en er tegelijkertijd niet is. Hoe hij beseft dat zijn laatste uur geslagen heeft, het afscheid aanvaardt, maar zich tegelijk vastklampt aan gewoontes, rituelen, herinneringen, in de hoop zo dóór te kunnen leven.
Hoofdpersoon is de 81-jarige Julius Hammer. Na een glanzende carrière als rechter, tweevoudig minister van Justitie en gevierd schrijver is hij in alle opzichten uitgerangeerd. Zijn boeken zijn verzwolgen in de ramsj. Schrijven lukt hem niet meer. Als jurist bestaat zijn naam alleen nog in geschiedenisboeken. En hij is ‘in de steek gelaten door de tijd’. Begrippen als Youtube of Google zeggen hem niets meer. Verlaten door iedereen, behalve zijn bemoeizieke dochter Eva, zit hij in zijn sterk naar orchideeën geurende serre zijn dagen uit.
Pagina na pagina klaagt hij in de schitterende bloemrijke taal van Brouwers over het verval. Hij schaamt zich voor zijn ‘perkamenterig rimpelvel met de witte vlekken en de pluizige overschotjes bejaardenhaar’. Hij is ‘in Bijbelse termen thans behorend tot de leeftijd der zeer sterken, hoewel lichamelijk gereduceerd tot kleuter.’ Alle lichaamsfuncties vallen uit. ‘Naarmate hij ouder is geworden verdwenen uit zijn herinnering de verbanden, zijn geheugen produceert alleen nog momenten.’ Hoe pijnlijk is het contrast met de levenslustige jonge vrouw die hij aanbidt.
De cruise door de Middellandse Zee die hij onderneemt op aandringen van zijn dochter is als een mythische tocht naar het hiernamaals. Hij wordt meegevoerd door Pearlene – een voormalige leerlinge van een schrijfcursus en die nu als waarzegster op het schip werkt – naar een filmset op een apocalyptische locatie op Corsica. Zij is de beeldschone Cassandra die de dood van de oude koning Agamemnon aanzegt. Op de set ontmoet hij de oude acteur Maximilian Sedofsk die hij herkent uit een epos van Ingmar Bergman. Daarin speelde hij De Dood.
Tegelijk heeft Hammer de ervaring dat hij zijn eigen begrafenis meemaakt. Als hij is gevallen en in een trailer onder een douche wordt gezet, denkt hij dat hij wordt afgelegd. Als de grimeur van Sedofsk hem vervolgens oplapt, schijnt het hem toe dat hij wordt opgebaard – zoals bij alle doden in schone kleren, gepoetste schoenen en ‘iets parfumigs rond zijn hoofd’ die van hem een man maken die hij nooit is geweest. En de taxi terug naar het schip is natuurlijk de lijkwagen: ‘een vacuüm gesloten metalen kist waar zijn lichaam in is opgeborgen.’
Het einde van de eens eerbiedwaardige Hammer is ontluisterend. Ondersteund door de acteur die hij inmiddels vereenzelvigt met De Dood schuifelt hij in een loeiende zomerstorm het dek op. Er is zweet. Er is een razend lawaai in zijn oor. En opeens stilte. Terwijl hij zelf gewichtsloosheid voelt, stort hij in het schuim van de zee. Alleen de zakdoek die hij dacht vast te hebben, blijft drijven. In werkelijkheid is het een van de fleurige boxershorts die zijn dochter voor hem had gekocht. ‘Met vogelmotiefjes op exotische postzegels’.
Als je daarna de laatste pagina omslaat, kun je – zuchtend van bewondering – maar één ding hopen: dat Brouwers nog lang niet aan zijn zwanenzang toe is. Daarvoor is het te knap hoe hij op mythisch, metaforisch en psychologisch niveau Hammers einde beschrijft. Zelfs het cliché dat iemand in zijn laatste moment zijn leven aan zich voorbij ziet trekken, heeft een plaats gekregen. Denkt Hammer gedurende de roman niet terug aan alle relevante momenten uit zijn leven? Van de tragische dood van zijn moeder tijdens een bombardement tot zijn laatste, mislukte liefde.

(Gepubliceerd in Knack 6 april 2011)

vrijdag 7 oktober 2011

Albert Verweys grafsteen ligt er weer keurig bij (Knack)

Na een impuls van de Koninklijke Boekverkopersbond worden Nederlandse schrijversgraven hersteld. Dichter Albert Verwey was woensdag als eerste aan de beurt.


Een keurig opgepoetste steen, alsof hij gloednieuw is neergelegd, en toch verweerd: met opgevulde barsten en moeilijk leesbare letters. Zo ligt het gerestaureerde graf van Albert Verwey er tegenwoordig, 74 jaar na zijn dood, bij op de Algemene Begraafplaats in het duindorp Noordwijk. De drie brokstukken zijn aan elkaar gelijmd, het mos is van de naam van de dichter geschraapt. Het schoongespoten fragment uit ‘De gerichte wil’ is – met enige moeite – weer te lezen.

Tijdens een toepasselijk winderige herfstmiddag werd het herstelde graf, waar ook vrouw Kitty en dochter Martha liggen, gepresenteerd in het bijzijn van Verweys nabestaanden. Zijn kleinzoon Jacobus Verwey droeg het volledige ‘De gerichte wil’ voor, een gedicht waarin Verwey zich voorstelt hoe zijn dierbaren rond zijn graf staan. Journalist Onno Blom, die aan een boek werkt over 21 schrijversgraven, hield een lezing over Verwey. En alle aanwezigen legden een witte anjer op het graf.

Daarmee was het programma van de plechtige presentatie voller dan van de begrafenis op 11 maart 1937, vertelde Blom. De kist met het lichaam van Verwey werd van zijn woning Villa Nova, achthonderd meter verder, in de dooiende sneeuw naar de begraafplaats gebracht, waar het in stilte in het gat werd gelegd. Op verzoek van de weduwe waren er geen toespraken, alle aanwezige familie en kunstenaarsvrienden wierpen slechts een paar bloemen in het graf.


Lees verder op Knack.