zondag 24 januari 2021

'Tekens van leven' - Frederik Willem Daem (De Lage Landen)

Met zijn debuutroman Tekens van leven bevestigt Frederik Willem Daem het beeld dat ook uit zijn verhalenbundel uit 2015 sprak: hij heeft onmiskenbaar talent, maar wil te veel tegelijk.


“Hoe het te zeggen?” Zo luidt de gewaagde openingszin van Frederik Willem Daems eerste roman Tekens van leven. Ja zeg, ben je geneigd te denken, ik lees dit boek omdat jij wel weet hoe “het’” te zeggen. Het voelt alsof de auteur zijn lezer begroet met een voorzichtige waarschuwing om niet te veel te verwachten. Misschien blijkt het lezen een teleurstellende ervaring. Hij weet het ook allemaal niet. Maar Daem is slimmer dan dat. De openingszin past – uiteraard – wonderwel bij het karakter van zijn hoofdpersoon: Andreas.

In het eerste fragment, dat functioneert als proloog, verwijst de zin naar de teloorgang van Andreas’ relatie. Hij was altijd zo dol op Hertjes sproetjes. “Ronduit schattig” waren ze. Maar: met de loop der jaren is door gewenning de betovering ervan gesleten. Hoe kan hij dat precies uitleggen? Het traditionele tellen van haar sproeten loopt uit in seks, maar met tegenzin. Hertje geeft alleen maar toe omdat dit nu eenmaal hun manier van doen is. De volgende ochtend is ze verdwenen. Hoe kan Andreas precies uitleggen wat er is gebeurd?

En hij weet het niet. Dat is de reden waarom Andreas in café De Kauw belandt. Hij voelt de intense pijn van het liefdesverdriet, maar kan er niet over praten. Niet met Hertje, niet met vrienden, niet met zijn collega’s van het reclamebureau. De enige manier waarop hij toch enige verlossing van zijn sores krijgt, is rondhangen in de kroeg. Beetje ouwehoeren over ongevaarlijke onderwerpen als sport, eten, het weer. Biertje erbij. En zo vooral nergens aan denken, tot sluitingstijd je dwingt de echte wereld onder ogen te komen.

Toch gaat Tekens van leven niet over Andreas. Niet echt. Hij is als personage in de eerste plaats een vehikel waarmee Daem zijn eigenlijke verhaal wil vertellen: de teloorgang van cafés als De Kauw, die geleidelijk aan uit het straatbeeld verdwijnen. Kroegen van om de hoek waar een toevallig mengsel van mensen uit de buurt aanspoelt omdat ze – zoals Andreas – op een of andere manier behoefte hebben aan zo’n plek, waar niemand iets van hen verwacht. Kroegen die worden verdrongen door concept bars, grand cafés en hippe tentjes.

Iedereen kent wel zo’n café. Een wat doorrookt hol waar het interieur bestaat uit aftandse meubels, verouderde posters en reclame voor biermerken aan de muur, en soms een biljart of een dartbord. Een tent ook waar alle stamgasten – de een nog verslaafder aan de drank dan de ander – elkaar van haver tot gort lijken te kennen. Het voortdurend herhalen van dezelfde gesprekken, het spelen van dezelfde spelletjes en het maken van dezelfde grappen, geeft hen de illusie deel uit te maken van een gemeenschap. Met de barvrouw als voorganger.

Daem heeft vaker de lof van zulke plekken bezongen. In zijn debuutbundel Zelfs de vogels vallen (2015) merkt de hoofdpersoon van het titelverhaal zijdelings over de Crown Victoria op: “Sommige mannen houden van [dit] soort kroegen waar lauw bier een garantie is, de aanwezigen nooit verrassen. Vaste klanten van de Vic zien zo wie er ontbreekt en laat de Vic nu enkel vaste klanten hebben. Zo’n keet waar stoelen worden opgeëist en er heringericht lijkt als hun eigenaars ontbreken. In de Vic kon je gemist worden als je nergens anders werd gemist.”

Daem zet dit type kroeg ditmaal centraal door Andreas – als snelle reclamejongen een atypische stamgast – uitgerekend hier een plek te laten veroveren. Stap voor stap wint hij het vertrouwen van de andere stamgasten en barvrouw Patricia. Hij doet fanatiek mee aan de eindeloze poolcompetitie, ook al verliest hij iedere keer. Hij springt een keer bij als Patricia hulp nodig heeft achter de tap. Hij neemt haar in vertrouwen. Tot hij het hoogste verwerft wat een stamgast kan verwerven: een uitnodiging voor het kerstfeest.

De sfeertekening van De Kauw en de mooi klein gehouden plot zijn fraai uitgewerkt. Het probleem met Tekens van leven is alleen dat Deam tegelijkertijd meer wil, zoals de proloog onbedoeld illustreert. Want Andreas is, in de tweede plaats, als personage wel degelijk opgezet als een zo realistisch en rond mogelijk psychologisch karakter, die in het reine probeert te komen met het einde van zijn relatie en de schuld die hij daar ook zelf aan heeft, door een ongelukkig slippertje met een collega van het reclamebureau.

Andreas’ verovering van De Kauw gaat daarom gepaard met uitgebreide flashbacks en zijsprongen. Hoe hij Hertje heeft leren kennen. Over de kat die vanaf het balkon naar beneden is gevallen. De webcamseks waar een collega hem wegwijs in maakt. De uitstap naar het internationale reclamefestival in Cannes. Enzovoorts. Maar het gekke is: beide verhaallijnen mengen niet met elkaar. Hoe meer je van Andreas te weten komt, hoe meer je je afvraagt wat iemand als hij in De Kauw te zoeken heeft. Het is als olie en water.

Misschien is het een gevolg van mijn vooroordelen over zulke kroegtijgers. Daem waakt ervoor om de stamgasten van De Kauw te veel achtergrond te geven. Daar praat niemand over. Het punt van vergetelheid zoeken is immers dat je niet wilt worden herinnerd aan de persoon die je bent. De enige over wie je meer te weten komt, is dan ook die ene stamgast die zijn gezicht al maanden niet meer heeft laten zien. Misschien hebben alle zatlappen daarom een vergelijkbare achtergrond als Andreas. Maar toch. Zou Daem Andreas’ aanwezigheid in de kroeg niet geloofwaardig moeten maken?

De onbalans die dat veroorzaakt, wordt versterkt door enkele korte verhalen die de auteur de afgelopen jaren in verschillende literaire tijdschriften heeft gepubliceerd en nu in zijn roman heeft gemonteerd. Ik herkende een verhaal over een zelfmoordterroriste die in het vliegtuig stapt dat ze zal opblazen. En een verhaal over twee Albanese broers die in Brussel doen alsof ze uit Italië afkomstig zijn, om hun pizzeria geloofwaardiger te maken. Geen slechte verhalen. Maar in deze context zijn het waterhoofden zonder relatie met de plot of de personages.

Tekens van leven bevestigt daarmee de indruk die Daems met de Debuutprijs bekroonde verhalenbundel al gaf: een schrijver die onmiskenbaar kan schrijven, maar zichzelf nog niet helemaal heeft gevonden. Zelfs de vogels vallen bevatte een reeks van tien verhalen – sommige intens en intrigerend (‘Kort bij de zon is het warm’), andere onevenwichtige probeersels (‘As seen on tv’) – die onderling zó anders van toon, idioom, reikwijdte en thematiek waren, dat je je afvroeg of de echte Frederik Willem Daem wilde opstaan.

Iets vergelijkbaars kun je zeggen over zijn eerste roman. Tekens van leven bevat fraaie passages. De seksscène in de proloog bijvoorbeeld, waarin mooi de subtiele aarzeling en lichte tegenzin voelbaar worden gemaakt die je ervan doen doordringen: dit is de laatste keer. Maar als geheel is de roman onevenwichtig, omdat de auteur er te veel in heeft willen stoppen: én een toogverhaal én een teloorgang van een liefde én een reeks kortverhalen Als het niet zo flauw had geklonken, zou ik hebben gezegd dat Daem nog niet weet “hoe het te zeggen”.

woensdag 20 januari 2021

Hoe jongeren aan de klassiekers te krijgen? (Boekblad)

Hoe jongeren aan het lezen te krijgen? Ook Schwob probeerde die vraag te beantwoorden voor de leeftijdsgroep 20-35 jaar. De specifieke focus die het programma voor vergeten meesterwerken uit de literatuur aan de vraag gaf, bleek bijzonder vruchtbaar. 'Jongeren zoeken verbinding.'

In Jachtseizoen moeten Bekende Nederlanders als kickbokser Rico Verhoeven of rapper Boef vier uur lang uit handen zien te blijven van de mannen van StukTV, die het online tv-programma hebben bedacht. De inmiddels meer dan veertig afleveringen van het achtervolgingsprogramma op het eigen Youtube-kanaal zijn stuk voor stuk miljoenen keren bekeken. De serie heeft ook diverse prijzen voor online media gewonnen, zoals de Hashtag Award en de VEED Awards. Dus waarom zou iemand zich hier níét door laten inspireren?

Het concept laat zich bijvoorbeeld vertalen naar een online serie die jongeren kan verleiden om moderne klassiekers te lezen. Stel je een bekende lezer voor die samen met een vriend in een bibliotheek de opdracht krijgt op zoek te gaan naar een bepaalde titel. Via diverse aanwijzingen en opdrachten wordt het team langs een atlas, geschiedenisboeken, filosofieboeken, dagboeken en meer geleid die gezamenlijk de historische context van een klassieker schetsen – om uiteindelijk het boek zelf te vinden. En dan elke maand een nieuwe aflevering.

Jongeren worden via teasers op sociale media als Instagram en TikTok én de bekendheid van de influencer geprikkeld om de circa twintig minuten durende video's te bekijken op het Youtube-kanaal 'Modern Classics'. Zonder dat ze het in de gaten hebben, krijgen ze zo informatie mee over, zeg, de slavernij, de manier waarop dat nawerkt in het leven van de Afro-Amerikanen in het hedendaagse Amerika en de literaire kracht waarmee Alice Walker dit thema heeft uitgewerkt in De kleur paars – om een van de Schwob-titels van 2020 te noemen.

Wie vervolgens geïntrigeerd genoeg is om naar de plaatselijke openbare bibliotheek te gaan, wordt daar niet aan zijn lot overgelaten. In de bibliotheek kan hij zelf een vergelijkbare escape room-achtige speurtocht volgen die via vergelijkbare aanwijzingen en opdrachten leidt naar een reeks verwante boeken over slavernij en de invloed op het heden. Denk aan romans als Beminde van Toni Morrison of De ondergrondse spoorweg van Colson Whitehead. Wie vastloopt in zijn speurtocht kan deskundige hulp krijgen van een bibliothecaris.

 

Dit idee is bedacht tijdens de hackathon die Schwob – het initiatief van het Nederlands Letterenfonds om vergeten pareltjes uit de wereldliteratuur onder de aandacht te brengen – organiseerde over de vraag: Hoe krijgen we lezers in de leeftijd 20 tot 35 jaar zo ver om een klassieker te lezen? Deze hackathon was het begin van de zoektocht van Schwob om, bijna tien jaar na de introductie van het programma, het potentiële lezerspubliek uit te breiden – naar jongeren, die een andere relatie met klassiekers hebben dan oudere lezers.

'In 2014, een paar jaar na de start had ik alle deelnemende uitgevers uitgenodigd op een lunch', licht beleidsmedewerker Alexandra Koch toe. 'Daaruit bleek dat ze naast geld en tips het allerbelangrijkste vonden dat er ook hulp kwam bij het zoeken naar lezers voor de ondersteunde uitgaven. Geld was er: een subsidieregeling als tegemoetkoming van de productiekosten. Tips ook: via de website en mijn contacten met vertalers en buitenlandse uitgevers, bracht ik auteurs en titels onder hun aandacht. Maar nu de oplagen steeds meer onder druk kwamen te staan, zou er meer moeten worden gedaan om de lezers te bereiken.'

Zo ontstond een jaar later de Schwob-actie. Aanvankelijk twee keer per jaar, nu vier keer per jaar worden de verschillende titels van alle uitgevers (vijf per seizoen) gecombineerd gepresenteerd. Bij de allereerste lancering deden circa dertig boekhandels mee, een jaar later waren dat er al honderd en nu zijn het er zo'n 120. 'Dat zijn eigenlijk alle literaire boekhandels in Nederland en Vlaanderen', zegt Koch. Een paar keer werd de zichtbaarheid van de titels vergroot met eerst een Schwobfest (in Haarlem) en daarna een Leesclubfestival (in Utrecht).

'Toen we steeds dichter bij de lezers kwamen, begon ik ook te zien wie dat zijn. De bekende deelnemers van leesclubs dus: ervaren lezers van in de vijftig jaar of ouder, die vaak al dertig jaar lang veel lezen en een Schwob-boek willen omdat het voor hen een mooie verrassing is. Ze zoeken in het boek een aanvulling op een al rijke leeservaring. Maar als je 23 bent, sluit je je niet aan bij zo'n leesclub. Dat wil je gewoon niet als de gemiddelde leeftijd dertig jaar ouder is, jij de enige onder de vijftig bent en iedereen al veel meer heeft gelezen.'

En dat terwijl jongeren wél een onontgonnen belangstelling hebben voor bewezen klassiekers. Daar raakte Koch van overtuigd toen Schwob – sinds de jaren 2013-2015, toen het Europese subsidie kreeg – een stagiair kreeg. Iedere keer dat ze een nieuwe zoekt, blijkt de animo voor de plek groot. Jongeren moeten alleen op een andere manier worden bereikt. 'Voor hen heeft een Schwob-boek ook een andere functie. Het is geen aanvulling, maar onderdeel van een alternatieve canon. Dát idee prikkelt hen.'

 

Aanvankelijk probeerde Koch jongeren te bereiken met 'eigen' leesclubs. 'Een leesclub heeft voor hen een andere functie dan voor vijftigers. Niet voor niets werd Literaturfest van Das Mag de huwelijksmarkt van Amsterdam genoemd. Ze willen onder elkaar zijn.' Kiki Bolwijn had drie keer een op jongeren gerichte leesclub bij de inmiddels verdwenen Literaire Boekhandel in Utrecht, waar zij toen werkte. Voor dit jaar hadden Janine Mooij en Mathijs Sanders van de Rijksuniversiteit Groningen een leesclub gepland, uitgebreid met lezingen en bijeenkomsten, bij twee filialen van boekhandel Van der Velde.

Twee ontwikkelingen deden Koch besluiten het over een andere boeg te gooien. Dat was ten eerste het PISA-onderzoek, waaruit bleek hoe laag de leesvaardigheid en het leesplezier van Nederlandse 15-jarigen was. 'Ik schrok daar enorm van. En vroeg me af: hoe komt dat? Spreken we ze misschien verkeerd aan? Ze grijpen sneller naar een beeldscherm dan naar een boek. Ze lezen misschien anders: springerig, in plaats van in de diepte te duiken. En wat heeft dat voor gevolgen voor de manier waarop wij ze willen verleiden? Ik wilde hen toen zelf over deze vragen horen.'

Ten tweede bemoeilijkte het coronavirus haar gastbijdrage aan de masteropleiding redacteur/editor aan de Universiteit van Amsterdam. 'Elk jaar moeten studenten een eigen vergeten boek kiezen en daar een presentatie over maken. Zo leren ze nadenken als uitgevers: waarom kies je voor een boek? Hoe breng je het op de markt? Toen Lisa Kuitert van de opleiding en ik dat aan het voorbereiden waren kwam het idee op: ik kan het deze studenten vragen. Dankzij Zoom en het gemak waarmee iedereen dat tegenwoordig gebruikt, was dat makkelijk te organiseren.'

En toen was daar de hackathon. Op vrijdag 6 november kwamen bijna zestig mensen in hun eigen werkkamers digitaal bij elkaar. Niet alleen de toekomstige boekenvakkers van de UvA, maar ook studenten communicatie van de Thomas More Hogeschool in Mechelen – toekomstige reclamejongens en -meisjes – en professionals uit het boekenvak: uitgevers, boekhandelaren en literaire programmamakers. In een middag- en ochtendsessie werkten kleine groepen vanuit verschillende invalshoeken een idee uit voor jongeren

 

De organisatie kijkt met bijzonder groot genoegen terug op de hackathon. Behalve Koch zijn dat boekverkoper Steven van Ammel van Passaporta in Brussel (ook lid van de Schwob-commissie uit de Raad van Advies van het Letterenfonds) en freelancer redacteur, programmamaker en boekverkoper Marieke de Groot (onder andere verbonden aan boekhandel Boekholt Pantheon in Amsterdam). De gerichte aanpak van een hackathon had een veel grotere opbrengst dan een vrije brainstorm ooit had kunnen opleveren.

'Het was electrifying', zegt Van Ammel. 'Op voorhand denk je: de tijd is zeer beperkt, mensen kennen elkaar nog niet en komen nu digitaal bij elkaar. Maar het werkte juist heel goed. Ik denk dat het ook heeft geholpen dat het nu niet eens breed ging over: hoe jongeren weer aan het lezen te krijgen. Door de invalshoek van Schwob, dat nu eenmaal over moderne klassiekers gaat, spitste de vraag zich toe: hoe krijgen we ze aan het lezen van de lijst van inmiddels meer dan honderd boeken op de Schwob-lijst. Dat leverde veel gefocuster ideeën op.'

Ook een deelnemer als Bas Steman was enthousiast. De Zutphense schrijver heeft als initiatiefnemer van leesclub Nescio, waarover hij eerder dit jaar Lekker Boekie! publiceerde, al veel ideeën bedacht én uitgevoerd om pubers (zijn zoon en diens vrienden) aan het lezen te krijgen – een iets jongere doelgroep dan waar Schwob zich nu op richt. Toch vond hij de hackathon 'veel inspirerender dan gedacht'. Deels omdat het digitale format zo goed werkte, deels omdat hij ervan overtuigd is dat de gespuide ideeën tot iets echt bruikbaars kan leiden.

 

Veel ontwikkelde formats vertonen overeenkomsten met de boekenspeurtocht in de bibliotheek. De inzet van sociale media als promotiekanaal of plek om lijstje met je favoriete klassiekers te delen. Het gebruik van podcasts en video's. Het toevoegen van een spelelement, zoals quizjes, waarmee je de strijd kunt aangaan met andere lezers of groepen lezers. Het organiseren van en bijeenkomst, waar jongeren kunnen praten over het boek, maar óók feest kunnen vieren. Het kwam allemaal steeds terug. (Zie kader voor een selectie ideeën.)

Wat bij alles opvalt, analyseert Koch, is dat je jongeren 'ergens moet ophalen', zoals zij het noemt. 'Het lezen an sich is geen reden genoeg om een boek op te pakken. Je moet ze een reden geven om er tijd voor vrij te maken. Dat kan op drie manieren. Via het onderwerp: het thema is ook nu relevant. Via een spel: leuk, je kunt iets winnen. Of via een sociaal aspect: het boek als aanleiding tot ontmoetingen. Iemand opperde daarom een feest waarbij iedereen via de kleur van zijn kleding aangeeft welk boek hij heeft gelezen.'

Ook Steman is dat opgevallen – zowel in zijn leesclub als tijdens de Hackathon. 'Interesse is er wel degelijk. Alleen denken pubers en jongeren dat literatuur iets is voor oude mannen. Dat lezen saai is. De vraag is dan: hoe creëer je ondanks het vooroordeel toch leesbereidheid? Dan helpt het wel degelijk als je een boek pitcht in een filmpje van twee minuten waarin iemand enthousiast als ambassadeur optreedt. Dat hoeft geen BN'er te zijn. Dat het enthousiasme geloofwaardig is, is het belangrijkste.'

'We moeten ook niet vergeten dat voor mensen buiten het vak het boek maar een klein percentage van hun leven is', zegt De Groot. 'Hun wereld is veel groter. En dus is het helemaal niet erg om hen te bereiken via influencers – als we maar de goede kiezen. Of om sociale media te gebruiken. Zoals iemand zei: hiphop en Instagram Stories vertellen óók verhalen. Ze gebruiken andere middelen en bereiken een andere diepte, maar het zijn wel verhalen. Dus via die weg kun je mensen naar boeken leiden: van Lady Gaga naar Jane Austen.'

 

De hackaton bevestigde voor Koch de stelling van de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco dat de nieuwe generatie eerder horizontaal dan verticaal leest. 'Ze zoeken verbinding: met de thema's uit het boek, met populaire tv-series, met passende muziek – terwijl ik eerder nadenk over vragen als: hoe verhouden personages zich tot elkaar. Vanuit die achtergrond is het logisch dat ze benaderd willen worden via Youtube-filmpjes of influencers. Vroeger zou ik hebben gedacht: wat oppervlakkig. Maar vanuit hun wereld is dat helemaal niet zo.'

Niet voor niets is de gezochte verbinding vaak thematisch. Dus: bloedserieus. Een klassieker gaat voor jongeren niet over de positie in de literatuurgeschiedenis of de autobiografische achtergronden van de auteur, maar over de betekenis voor actuele discussies over de opwarming van de aarde, het feminisme, Black Lives Matters, enzovoorts. 'Ze zoeken allemaal de koppeling met wat er in de wereld om hen heen gebeurd,' zegt ook De Groot. 'En dat linken ze aan een festival, een talkshow, bibliotheken, een podcast.'

Belangrijk is alleen dat je de juiste terminologie gebruikt.Laat een woord als 'leesclub' vallen en een jongeren begint al te gapen, bleek tijdens de hackathon. Herhaaldelijk zeiden de deelnemers bij het opwerpen van een dergelijke idee 'dat je het dan wel anders moet noemen'. Steman heeft dezelfde ervaring. 'Ze willen graag reflecteren. Hoe dieper hoe beter. Maar je moet ze niet op zoek laten gaan naar thema's, motieven, perspectieven. Ik noemde het liever "paaseitjes".'

En: dat je verbindt met het juiste boek. 'Het belang van matching', noemt Koch dat. 'Niemand wil tijd besteden aan een boek waarvan je na vijftig bladzijden denkt: niets voor mij. Zelfs in deze groep lezers, die redacteur willen worden, zeggen ze dat het voorschrijven van boeken die niet aansluiten funest waren voor het leesplezier. Daarom waren er veel ideeën die begonnen met óf een cliffhanger, zoals boektrailers op Youtube, die interesse moeten opwekken, óf vragenlijstjes over je eigen smaak die het matchen vergemakkelijken.'

 

Het is nu zaak de ideeën uit te bouwen. Koch wil een alliantie vormen met een aantal grotere organisaties met een belang om jonge lezers 'literatuur met hoofdletter L' te laten lezen, zoals zij zegt. Denk aan Stichting Lezen, uitgevers uit de Schwob-kerngroep, boekverkopers, maar ook een mediapartner die eventuele podcasts en Youtube-kanalen kan promoten. Gezamenlijk moeten zij een shortlist aan projecten kiezen, zodat er in 2021 enkele pilots kunnen worden uitgevoerd. 'Om te zien wat de potentie heeft om uit te groeien tot iets blijvends'.

En waarom zou dat niet de boekenspeurtocht in de bibliotheek à la Jachtseizoen kunnen zijn?

 

Hoe jongeren aan klassiekers te krijgen?

* Een 'cheat sheet-podcast' waarin je in 15 minuten op een aansprekende manier wordt bijgepraat over klassiekers. Je bevredigt zo de behoefte om 'mee te kunnen praten', maar prikkelt de luisteraar en passant zo sterk dat hij het boek ook wil lezen.

* Benader jongeren op de plek waar ze zijn: het ov. Met pop-upwinkel op Utrecht CS, exclusieve uitgaven bij stationskiosken (AKO's) en kortingen bij aankoop van een internationale treintickets op literatuur uit het land van bestemming.

* Maak het persoonlijk. Wie wordt getriggerd door een booktrailer kan juist niet het eerste hoofdstuk downloaden, maar krijgt daar per post een mooi vormgegeven, gepersonaliseerd boekje

* Bied een stappenplan. Ben je geïnteresseerd in Lady Gaga? Lees dan wat zij leest of lees boeken over andere sterke vrouwen? En zo leid je jongeren stap voor stap naar Jane Austen.

* Een leesclubplatform: maandelijks bespreken clubs online of live een klassiekers. Live bijeenkomsten bieden meer dan alleen het bespreken van het boek, bijvoorbeeld een rondleiding langs het Amsterdam van Joseph Roth. Lidmaatschap van het platform biedt (financiële) voordelen.

* Een Schwobdag, bijvoorbeeld ingebed in een festival als ILFU, met diverse activiteiten (van lezingen tot poetry slams). Wie het hele jaar via het platform heeft gelezen, heeft voor iedere deelname een button gekregen. Die neemt hij mee op zijn totebag, zodat hij ter plekke andere lezers kan ontmoeten.

* Een app, waarop je over boeken kunt chatten. Maar ook: vriendenlijsten kunt maken, punten kunt verzamelen (ook met quizjes en spelletjes), daarmee iets winnen én gelijkgestemde kunt leren kennen. Schwobbelen als het nieuwe tinderen.

* De meme van de week. Verrassende vondsten die viral kunnen gaan. Zoals: wat is de connectie tussen Harry Mulisch en hiphop?

* Een alternatieve canon, samengesteld door jongeren zelf – waarbij verschillende studenten- of studieverenigingen hun eigen keuzes verdedigen in debatwedstrijden.

(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, nov/dec 2020)

 

zondag 3 januari 2021

Interview Johan Fretz over 3PAK, het schrijverschap en bibliotheken (Bibliotheekblad)

Vorig jaar brak Johan Fretz met Onder de paramariboom door naar een groter publiek. Dit jaar is hij een van de auteurs van 3PAK, het geschenk voor de Boekenweek voor Jongeren. Een gesprek over zijn schrijverschap, leesbevordering en de openbare bibliotheek.

Als het aan hem lag, was Johan Fretz al op zijn dertiende gedebuteerd als schrijver. 'Toen had ik mijn eerste boek af. Dieper duiken dan de duisternis, over twee hackende pubers. Ik dacht heel naïef: het is klaar, nu wordt het uitgegeven,' vertelt hij in zijn Amsterdamse woonkamer, vlak voor hij de stad verruilt voor Haarlem. Hij gaf het manuscript aan Wim Daniëls, die – toen vooral bekend als jeugdboekenschrijver – was uitgenodigd op zijn middelbare school in Almere. 'Superbrutaal. Maar hij heeft het wel gelezen.'
Een paar weken later kreeg hij een reactie. 'Ik had talent, schreef hij me, maar dit zou niet worden uitgegeven. Het was nog niet rijp genoeg. Daar moest ik niet verdrietig over zijn. Ik was pas dertien, dus ik moest vooral doorgaan en dan kwam het vanzelf. Hij stuurde een boek mee over taal dat hij had geschreven. Heel aardig van hem.'
Uiteindelijk duurde het tot 2012 voor het eerste boek uitkwam van de inmiddels 34-jarige Fretz. Toen verscheen Fretz 2025, waarin de naar de auteur vernoemde hoofdpersoon op het punt staat minister-president van Nederland te worden en hij terugblikt op de weg daarnaartoe. In 2018 volgde Onder de paramariboom. In deze roman reist een 'dubbelbloed', zoals de half-Nederlandse, half-Surinaamse Fretz er zelf een is, voor het eerst naar het land van zijn moeder en zo beter grip krijgt op zijn identiteit.
Lang was hij zelfs niet eens in de eerste plaats schrijver. Na zijn studie aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunst Academie, afgerond in 2010, maakte hij jarenlang avondvullende voorstellingen met Marcel Harteveld. Dat had het effect dat hij als schrijver werd gezien als 'de cabaretier die ook schrijft' en als cabaretier als 'de schrijver die ook op het podium staat.' Het deed ook hemzelf twijfelen. Tien jaar lang deed hij zeer uiteenlopende dingen. Maar wat ben ik eigenlijk? Wat wil ik precies?

Onder de paramariboom veranderde alles. Aanvankelijk was de respons beperkt. Grotendeels genegeerd in de pers, matige verkoop. Maar Fretz was zelf erg blij met het boek. Dit was het verhaal dat hij wilde vertellen. En de mensen die de roman wel lazen, werden er echt door geraakt, bleek hem uit reacties. 'Vaak van mensen die zelf dubbelbloed zijn. De mensen uit mijn eigen linksige, elitaire bubbel begrepen juist niet dat onder lichtvoetigheid een serieus verhaal over identiteit schuil gaat – een thema dat nog steeds zeer actueel is.'
En toen kreeg hij, begin vorig jaar, voor de roman de Nederlandse Boekhandelsprijs. De verkoop schoot de lucht in: naar bijna 17.000 verkochte exemplaren. Hij werd overal uitgenodigd. En de filmrechten zijn verkocht. 'Soms vertelt het leven zelf je wel welke kant je op moet. Wat ik schrijf, lijkt steeds meer vanzelf zijn publiek te vinden. Terwijl mijn shows eigenlijk al jaren niet echt lekker liepen. Cabaret wordt gezien als "lachen, gieren, brullen", terwijl het niet is wat ik wil maken. Voor mij is de humor meer de bonus bij het verhaal dat ik op het podium wil vertellen.'
Hij heeft zichzelf daarom geherdefinieerd als 'toriman': iemand die 'tori's' wil vertellen, een begrip uit de Surinaamse cultuur dat verwijst naar verhalen die worden verteld bij het kampvuur. Verhalen die zijn gestoeld op de werkelijkheid, maar tot leven zijn gewekt met de verbeelding. 'De basis is voor mij nu het schrijven, maar in wezen doet het er niet toe in welke vorm je een verhaal vertelt. Het kan ook een podcast, film, theatervoorstelling of column worden.'

Door zijn eigen ervaring met Wim Daniëls weet Fretz hoe belangrijk het is als jongeren in aanraking komen met schrijvers. Hij zegde daarom direct toe toen hij door de CPNB werd gevraagd om een bijdrage te leveren aan 3PAK van dit jaar, het geschenk van de Boekenweek voor Jongeren. 'Zo breng je jongeren in aanraking met literatuur. Je laat zien dat schrijver zijn ook een optie is als beroepskeuze. Maar ook heel simpel: hoe tof het is om je onder te dompelen in literatuur. Dat kan hele werelden voor je openen.'
Daarbij, merkt hij terecht op, 'leent mijn werk zich wel voor een jong leespubliek. Het is beweeglijk en filmisch en er zit humor in. Het heeft een bepaalde lichtheid die verleidelijk werkt voor jongere mensen, die vaak het idee hebben dat literatuur alleen maar zwaar is. Tegelijk snij ik wel degelijk serieuze thema's aan. Dat komt bij jongeren ook meer binnen. Sowieso komen veel dingen bij jongeren veel directer en puurder binnen. Hun openheid maakt ze eigenlijk het eerlijkste publiek.'
Ook zijn verhaal Naar Mancora – ondertitel: 'een tori voor 3PAK' – getuigt van deze toon. Fretz geeft het woord aan de 21-jarige Benjamin die voor het eerst in zijn leven door Zuid-Amerika backpackt. 'Of backpacken nog steeds een dingetje is voor jongeren, weet ik eigenlijk niet. Maar mij sprak reizen op die leeftijd enorm aan. Het prikkelde mijn verbeelding. Op reis, dacht ik, kan ik lol beleven, nieuwe dingen zien, maar vooral de ultieme versie van mezelf zijn. Om dan natuurlijk te ontdekken dat die niet bestaat.'

Fretz' inzet voor de Boekenweek van Jongeren wil niet zeggen dat hij zich zorgen maakt over de ontlezing. 'En dan zeker jongeren voorhouden dat lezen goed voor je is? Ik heb niet zo'n affiniteit met die redenering. Jongeren die lezen toch al zien als "iets wat moet" – zelfs, destijds, door mij, die de hele tijd met schrijven en boeken bezig was – overtuig je daar ook niet mee. En het is onoprecht. Je wordt al gauw verdacht van dezelfde commerciële motieven als wanneer een slager zich zorgen zegt te maken over de ontvlezing.'
Voor hem is het veel simpeler: 'Lezen is gewoon te gek. Alleen niet voor iedereen. Sommigen hebben nu eenmaal meer met andere vormen van kunst. Prima. Het is alleen zonde als het wél iets voor je is, maar je wordt nooit gewezen op het bestaan ervan. Daarom moet je literatuur alleen maar aanbieden en verder niets. Dat is zo aardig aan het idee achter 3PAK. Je vraagt een paar relatieve jonge auteurs om een verhaal te schrijven. Dat laat je ze lezen. En dan komen ze ook nog langs om erover te vertellen.'
Zelf bewaart hij goede herinneringen aan die ontmoetingen. 'Ik vertel vaak over de weg die ik zelf heb afgelegd. Na Fretz 2025 kwam ik veel op tv. Totdat ik er heel ongelukkig van werd, omdat het niet langer over mijn werk ging, en ik er rigoureus mee stopte. Dat spreekt tot de verbeelding van jongeren, merk ik. Ze leven in een tijd waarin succes – het aantal volgers! – allesbepalend lijkt te zijn voor wie je bent. En ik vertel dat het helemaal geen vervulling geeft om op tv te komen. Dat alleen doen wat je echt wil, je je vervulling geeft.'

Het is tegen deze achtergrond niet verrassend dat Fretz op dezelfde nuchtere toon praat over de openbare bibliotheken van zijn jeugd. Ze waren de plek waar hij vond wat hij toevallig zocht. Niets meer, niets midner. 'Ik hield van lezen en daar had je boeken. Kopen was geen optie, wij hadden niet veel geld thuis. Je kon er ook tips krijgen: probeer dit eens, lees dat is. Het is natuurlijk een briljant concept: dat je alle boeken die uitkomen gewoon kunt lenen. Maar op je tiende of elfde ben je daar niet bewust van.'
Tot zijn tiende kwam hij in de bibliotheek van Dordrecht, daarna die van Almere. 'Het waren allebei fijne plekken. Als een soort huiskamers. Ik kwam er graag en veel. Niet alleen om te lenen, ook om te bladeren en een tijdje om te typen. Ik had een typdiploma gehaald, maar wij hadden geen computer thuis. De bibliotheek wel. Zat ik daar te typen terwijl op de computer alleen maar een catalogus had.'
Die tijd hield na zijn jeugd op. Sinds hij is verhuisd is hij nooit meer lid geweest. 'Ik kwam er nog wel om te werken. De Pintobibliotheek, de OBA op het Oosterdokseiland. Het was lekker om tussen de boeken achter je laptop te zitten. Maar dat hield na enige tijd ook op. Ik kom er nu alleen nog om op te treden. Het zijn vaak leuke plekken, zeker als ik na sluitingstijd of in een afgesloten ruimte kan optreden. En meestal wordt je hartelijk ontvangen en is het goed georganiseerd. En er komen opvallend veel mensen op af.'
Fretz vermoedt dat de jeugd nu niet meer op dezelfde intensieve manier gebruik maakt als hij destijds. 'Ik ben van de laatste generatie die zich nog kapot verveelde. Niets te doen, niets op tv – en dan ging je naar de bibliotheek om prikkels te vinden. Nu hoef je niet meer van je luie reet op te staan om prikkels te krijgen. Gelukkig zijn bibliotheken heel veel meer gaan doen. Sommige zijn echt cultuurcentra. Onderschat niet dat nog steeds veel mensen weinig geld hebben en daarom geen boeken kunnen kopen. Dan is een bibliotheek voor hen nog steeds een uitkomt om echt te kunnen lezen. Toch zal de bibliotheek minder populair worden dan hij was.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

zie ook:

donderdag 24 december 2020

recensie: Gerrit Komrij, 'De ultieme vergaarbak' (Athenaeum)


Hoe langer Gerrit Komrij dood is, hoe meer er van zijn teksten alleen het taalplezier overblijft. Gelukkig blijkt uit De ultieme vergaarbak hoe fris dat nog altijd is.
 

'Van alle kwade sappen', schrijft Gerrit Komij, 'is de walging de ultieme vergaarbak'. De bloemlezing columns, essays en gedichten van de in 2012 overleden taalvirtuoos, die als zevende deel is verschenen in de fraaie reeks Gedundrukt door Van Oorschot, heet De ultieme vergaarbak. Je vraagt je daardoor onwillekeurig af: is walging de overheersende emotie waarmee al die stukken zijn geschreven? Zeker, Komrij had een pot vitriool op zijn bureau staan waarin hij dagelijks zijn pen doopte voor hij zijn afkeer van politici, koopmannen en andere kleingeestigen beleed. Maar walging? Ook na herlezing van deze hoogtepunten blijft je vooral het plezier bij waarmee hij iedereen tot de grond toe afbrandde.

 

Neem het gedicht 'De Kalverstraat' – Komrij's pastiche van J.C. Bloems 'De Dapperstraat', waarmee hij de cultuurhaat van de typische middenstander hekelt. Als je dat leest, krijg je toch geen van afschuw en aversie briesende auteur voor ogen, maar een sardonisch lachende schrijver die geniet van zijn eigen vondsten?

 

Cultuur is om m'n reet mee af te vegen.

En dan: wat is cultuur nog in dit land?

Een steekje los, een stukje in de krant,

Gekeuvel met wat prietpraatjes ertegen.

 

Achter de titel De ultieme vergaarbak moet je daarom niet meer zoeken dan wat er staat. De bloemlezing is een ruim driehonderd pagina's tellende 'vergaarbak' van ongelijksoortige stukken. En hij is 'ultiem' omdat de samenstellers – anonieme medewerkers van de uitgeverij – de pretentie hebben dat hierin het beste bij elkaar is gebracht. De titel heeft wel een ironische ondertoon, waarvan ik vermoed dat Komrij die had kunnen waarderen. Dat juist een bundeling in een reeks die 'kleine' auteurs als Simon Carmiggelt, Godfried Bomans en Annie M.G. Schmidt wil eren, als de 'ultieme' grafzerk op zijn oeuvre wordt beschouwd.

 

Of is de walging belangrijker dan ik denk? Omdat de bundel je dwingt om voorbij de aangesneden kwesties te kijken en je aandacht volledig te richten op Komrij's taalgenot? Veel stukken richten zich namelijk op thema's waar nog altijd iets zinnigs over te zeggen valt. Christelijke politiek, bijvoorbeeld. Maar ze zijn gedrenkt in een actualiteit die, wel, niet actueel meer is. In genoemd stuk vallen bijvoorbeeld namen als Erik Jurgens, bisschop Ernst, de KVP. Die zijn van het podium verdwenen, dood, opgeheven. Dat geeft Komrij's aanval iets tandeloos. Ook in zijn kraakrecensie van Huub Oosterhuis vallen direct namen als Martien Beversluis en Gabriël Smit. Eh... Wie? (Ik weet het wel, maar de namen roepen geen enkele associatie op.)

 

Zo blijft vanzelf de stilistische brille en het retorische meesterschap als enig criterium over. Het is zoals je in het Rijksmuseum naar 'De bedreigde zwaan' van Jan Asselijn kijkt. Het is bekend dat het een allegorie is op de politieke situatie rond 1650. Op verschillende plekken staan toelichtende teksten zoals 'de raad=pensionaris' onder de zwaan en 'holland' op een van de eieren in het nest. Maar je ziet vooral de emotie in de zwaan, het na 370 jaar nog altijd even fraai blinkende wit, de heldere compositie. De betekenis doet er in zijn geheel niet toe. Johan de Witt zal zich bedreigd voelen, nou, oké.

 

Gelukkig oogt het taalspel vaak nog even fris als bij de eerste druk in een krant of tijdschrift. De reikwijdte van zijn woordenschat, de puntigheid van formulering, de soepelheid van zijn zinnen, die tezamen een spervuur van speldenprikken en uithalen veroorzaken – het is nog steeds heerlijk om te lezen. Ook al kun je soms nauwelijks uit het stuk zelf afleiden waarom Komrij zich zo opwond, zoals in 'Waar zijn de Vijftigers gebleven?' (de dichters hadden een rechtszaak tegen zijn bloemlezing aangespannen), de manier waarop hij daar uiting aan geeft, doet je het stuk gerust twee of drie keer herlezen.

 

Als de Vijftigers eens met een stel tegelijk een lift zouden binnenstappen, hoefde er niemand op de knoppen te drukken. Door hun eigen winderigheid en ijlheid stegen ze als vanzelf omhoog. Ze zouden door het dak rechtstreeks de vergetelheid in schieten. Daarom dragen ze nu, om zichzelf gewicht te verlenen, medailles op hun borst, lauwerkransen op hun hoofd en staatsoorkondes onder hun arm. Ach, als ze zó een lift zouden binnenstappen, zakten ze prompt in het keldergat.

 

Toch is Komrij's spijtige maar onvermijdelijke metamorfose van spraakmakend essayist in icoon uit de laat-twintigste eeuwse literatuurgeschiedenis, nog niet voltooid. Dat blijkt bij een stuk als 'Eva in de frigidaire'. Het is erg pijnlijk om te lezen hoe Komrij het opneemt voor twee directeuren die zijn veroordeeld tot het betalen van smartengeld aan een voormalige typiste wegens ongewenste intimiteiten. Was het echt zo erg, hoont Komrij, dat ze hadden gesuggereerd dat het haar carrière ten goede zou komen als ze met hen naar bed was gegaan? Het is toch sympathiek dat ze lieten blijken graag haar te kijken en haar tot iets beters in staat achten dan wezenloos brieven tikken?

 

Op zulke momenten kun je maar het beste hopen dat het niet te lang meer duurt voor we naar als stukken als deze kijken met een historische blik. 'O ja, zo dacht men toen.' Maar ook dan is het te hopen dat er af en toe bloemlezingen verschijnen zoals De ultieme vergaarbak.

(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 21 dec)

zondag 20 december 2020

De groeiende betekenis van festivals voor de literaire keten (Boekblad)

Literaire festivals transformeren steeds meer tot literaire productiehuizen. Een groot evenement staat nog altijd centraal, maar de activiteiten eromheen worden almaar gevarieerder en omvangrijker. Tilt verruilt zelfs het gezichtsbepalende jaarlijkse festival in Tilburg ten gunste van meerdere kleinschalige publieksactiviteiten in heel Noord-Brabant.
 
Giel van Strien weet nog goed hoe het bijna een kwart eeuw geleden begon. Het leek de redactie van het Rotterdamse literaire tijdschrift Passionate, waar hij hoofdredacteur van was, leuk om een avond te organiseren waarop de auteurs uit het blad en andere schrijvers uit eigen werk konden voorlezen. Zoiets bestond helemaal niet in de stad. Zo organiseerde Passionate Bulkboek, zoals de stichting tegenwoordig heet, in 1997 de eerste editie van het Geen Daden Maar Woorden Festival (GDMW) in het plaatselijke Bibliotheektheater. 'Het was een hartstikke leuke avond, met best veel publiek: zo'n 80 man.'
Maar: het festival was niets meer dan één lange voorleesavond. 'Geen Daden Maar Woorden voorzag in een behoefte in de regio', vertelt Van Strien. 'Dat is eigenlijk niet veranderd. Een tijdje had je ook het Lezersfeest, totdat de bibliotheek daar weer mee ophield. Maar na de eerste editie wisten we ook: het moet anders. Op zo'n avond gáát het maar door. De ene na de andere schrijver die het podium betreedt. Wie houdt het vol daar uren geconcentreerd naar te luisteren?'
GDMW koos voor een multidisciplinaire aanpak: literatuur werd gecombineerd met beeld, muziek en dans. Dat leidde tot nieuwe voorstellingen, die op het festival in première gingen. Zo maakte Scapino Ballet Rotterdam jaarlijks een nieuwe choreografie op basis van een gedicht. En de schrijvers werden zo veel mogelijk op aparte plekken geprogrammeerd, zoals het dak of de kleedkamer van de Rotterdamse Schouwburg. In die afwisselende context heeft het jonge publiek wél aandacht voor een kale literaire voordracht van twintig minuten. 
Sinds 2015 heeft het festival een nieuw format. 'Het publiek was geleidelijk een stuk ouder geworden: van gemiddeld 26 jaar tot tweede helft dertig. Omdat het onze missie is om jonge mensen met literatuur in aanraking te brengen, besloten we ons te richten op het presenteren van nieuw talent. Je moet kunnen zeggen: op Geen Daden Maar Woorden zag ik die schrijver voor het eerst. Dat past ook bij Rotterdam, een jonge stad met veel twintigers die zich echt openstellen voor ontdekkingen. Als zij op zaterdagavond uitgaan, willen ze geen bekende namen, maar een spannende avond.'
 
De ontwikkeling van GDMW is exemplarisch voor de veranderende rol van literaire festivals in Nederland. Het beeld bestaat nog altijd dat zij één keer per jaar een of meerdere dagen mensen bij elkaar brengen om naar schrijvers te luisteren. En verder niets. Dat is volkomen onterecht. Festivals hebben nu ook een rol als producent – door nieuwe teksten of voorstellingen te initiëren. Als motor van nieuw talent – door hen kansen of zelfs een opleiding te geven. Als leesbevorderaar – door nieuw publiek in aanraking te brengen met literatuur. En dat gebeurt zeker niet meer op één moment in het jaar, zoals op dit Rotterdamse festival.
Literaire festivals zijn daarmee een steeds belangrijkere schakel in de literaire keten. Iets wat het Nederlands Letterenfonds onderkent. 'Vroeger konden festivals bij ons een exploitatiesubsidie krijgen voor hun centrale evenement, nu voor al hun activiteiten', zegt beleidsmedewerker Pieter Jan van der Veen. 'Ze doen aan talentontwikkeling, maken nieuwe producties, gaan samenwerkingen aan met maatschappelijke organisaties, zetten participatieprojecten op. En dat grijpt vaak allemaal in elkaar. De adviescommissie literaire manifestaties wil dat graag honoreren, mede omdat er steeds meer literatuur buiten het boek is. Denk aan de groei van performances en verbindingen met andere kunstvormen.'
 
De organisatie die als eerste structureel voor een andere weg koos, is Wintertuin. Begonnen als organisator van een festival in Arnhem (eerste editie: 1991), vormde het zichzelf in 2005 formeel om tot productiehuis. De activiteiten daarvan omvatten een reeks festivals en evenementen in binnen- en buitenland, een uitgeverij (sinds 2009) en een agentschap (sinds 2014). Ook werd vanuit Wintertuin de opleiding Creative Writing aan de ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem opgezet en initieerden de organisatie het internationale Connecting Emerging Literary Artists­-netwerk voor talentontwikkeling.
'Het komt allemaal voort uit de veranderingen in de beroepspraktijk van de schrijver', zegt directeur Frank Tazelaar van Wintertuin. 'Halverwege de jaren nul zagen we veel schrijvers die net waren gedebuteerd of op het punt stonden dat te doen. Zij hadden in economische en artistieke zin behoefte om publiek te vinden. Wij vonden dat we hen daarin konden ondersteunen – via het festival, waar zij eigen dingen konden maken, zonder dat dat een boek hoeft te zijn. Schrijvers denken tegenwoordig veel breder dan alleen een boek als heilig einddoel. Een programma samenstellen hoort er bijvoorbeeld ook bij.'
Daarmee sprong Wintertuin in een gat dat uitgevers lieten vallen. 'Uitgevers investeerden vroeger duurzaam in een auteur. Eerst kreeg hij de kans om bij een literair tijdschrift te groeien, dat heel vaak was ingebed in een uitgeverij. En als daarna zijn debuut niet gigantisch verkocht, was er geen enkele reden om te twijfelen aan het uitgeven van een tweede boek. Uitgeverijen hebben gedwongen door een krimpende markt andere keuzes moeten maken. En dus zijn wij begonnen aan talentontwikkeling: via de opleiding, maar ook via onze chapbooks. Met die uitgaven kan een schrijver een eerste stap zetten in zijn carrière.'
Voor Tazelaar is het vanzelfsprekend dat uitgerekend een literair festival deze rollen van uitgevers overneemt. Wintertuin is een gesubsidieerde instelling. Met behulp daarvan voert de organisatie overheidsbeleid uit, in dit geval: literaire talentontwikkeling. 'Wij verdienen echt niet aan de chapbooks. De energie en kosten om het uit te geven staat in geen verhouding tot de inkomsten. Maar wij kunnen het dankzij de subsidies toch doen. En het heeft effect: steeds meer auteurs die de opleiding aan de ArtEZ hebben gevolgd en bij ons hebben uitgegeven, zitten nu bij een reguliere uitgeverij: van Simone Atangana Bekono tot Lisa Huissoon.'
 
Maar het zijn niet alleen de veranderingen in de beroepspraktijk van schrijvers. Kijk naar Poetry International. Het is niet alleen het oudste bestaande literaire festival van Nederland, dat dit jaar – als het coronavirus het niet had verhinderd – zijn 51e editie zou hebben gevierd. Het is ook het festival met misschien wel het trouwste publiek, vermoedt directeur Inez Boogaarts: de helft van de bezoekers koopt ongezien een kaartje. Waar anders hoor je immers dichters uit de hele wereld? Bovendien is poëzie meer dan andere genres vanzelf geschikt voor het podium. En toch moet ook dit festival met zijn tijd meegaan.
'De afgelopen vijftien jaar is er zo veel gebeurd in de poëziewereld. Woordkunst, spoken word, poetry slams – daar moeten we ons toe verhouden. Tegelijk wordt het minder vanzelfsprekend dat mensen, nadat ze een liefde voor poëzie hebben opgevat, ons festival ontdekken. Het is belangrijker om hen actief te betrekken. Dat kan bijvoorbeeld door de verandering te omarmen dat steeds meer mensen komen voor het festival en de sfeer die daar heerst, en niet altijd in de eerste plaats voor de poëzie.'
Poetry International kiest daarom 'nog meer' voor een multidisciplinaire aanpak, zegt Boogaarts. 'We organiseerden al sinds 1988 de C. Buddingh'-prijs en laten al dertig jaar Rotterdamse vuilniswagens jaarlijks met nieuwe citaten van festivaldichters rondrijden. Dat breiden we steeds uit. Voor onze jubileumeditie in 2019 hadden we een samenwerking met de Last Poets en het Metropole Orkest. Om nieuw publiek te trekken proberen we andere programmavormen uit: van workshops poëzie lezen tot programma's samengesteld door buitenstaanders –mensen met een eigen achterban die we zo kunnen verbinden met Poetry. De komende jaren gaan we absoluut verder op deze weg.'
 
Een festival waar het sterk gegroeide belang om zelf te produceren goed zichtbaar wordt, is Explore the North, dat sinds 2011 jaarlijks plaatsvindt in Leeuwarden. Het werd op de agenda gezet door de lokale ambities om Culturele Hoofdstad van Europa te worden. 'Dan moest er een festival zijn met internationale uitstraling', zegt directeur Mark Hospers. De focus lag op muziek, passend bij de muziekcultuur van de Friese hoofdstad, maar literatuur was net zo belangrijk. Explore the North wilde vanaf het begin nadrukkelijk multidisciplinair zijn.
'Maar het eerste jaar presenteerden we vooral schrijvers op een podium: met voordrachten en interview', zegt Hospers. 'Binnen die context delfden de schrijvers het onderspit naast de muziek. Het was daarom belangrijk dat vanaf 2014 Marleen Nagtegaal en Joost Oomen de programmering deden. Zij organiseerden in Groningen spannende nieuwe dingen waar veel jonge mensen op af kwamen. Zij brachten die stijl mee. Zij bedachten bijvoorbeeld een middag over zelfmoord bovenop de Oldehove-toren. Of een project middenstandsproza, waar schrijvers teksten schreven naar aanleiding van gesprekken met middenstanders, die deze vervolgens zelf voorlazen. Dat gaf een prachtig theatraal effect.'
Eigen producties dus, die elk jaar een groter deel van het programma uitmaken – zoveel dat Explore the North óók een meerjarige subsidie heeft gekregen van het Fonds Podiumkunsten. Hospers: 'Dat zijn vaak experimentele producties, met een hoog gehalte aan spoken word en performance. Dat kan bij uitstek een plek krijgen in de setting van een literaire festival, omdat daar al een groot publiek op de been is. Zij komen voor een aantal blikvangers en kijken dan gretig: wat is er nog meer te zien? Het mooiste zou zijn als we zelfs die blikvangers niet meer nodig hebben en mensen blind een kaartje kopen omdat ze weten dat bij ons altijd iets interessants te ontdekken is. Daar groeien we geleidelijk aan naartoe.'
Vervolgens is het een kleine stap, vindt Hospers, om die producties ook elders te programmeren. Een literair festival trekt immers publiek tot enkele tientallen kilometers in de wijde omtrek. Daarbuiten is men al gauw niet bereid ervoor te reizen. 'Je stelt een keer 2000 euro beschikbaar voor een programma dat een keer bij ons te zien is. Waarom? Met een beetje extra van partners kun je het upgraden tot iets groters. Zeker nu de netwerken tussen literatuur en podiumkunst – de wereld waar ik zelf vandaan kom – nauwer verweven raken, is dat heel interessant. Het festival is zo niet alleen presentatie-, maar ook lanceerplek.'
 
Bij het International Literature Festival Utrecht (ILFU) zie je goed hoe een festival actief nieuw publiek probeert te winnen voor literatuur. Voortgekomen uit een reeks Utrechtse organisaties met een geschiedenis van soms decennia, heeft het ILFU gekozen voor één centraal festival aan het einde van september, dat vanaf nu jaarlijks plaatsvindt. Analoog aan het befaamde Edinburgh Book Festival herbergt Utrecht gedurende twee weken een reeks uiteenlopende evenementen: van de Nacht van de Poëzie en het NK Poetry Slam tot Book Talks gericht op internationale literatuur. Er is nu zelfs ook een fringe programma.
Alle genres versterken elkaar door ze gecombineerd aan te bieden, zegt directeur Michaël Stoker. 'Alle genres, dus ook young adult en thrillers.' Wie voor het NK Poetry Slam kwam, wordt zo sneller verleid ook naar andere programmaonderdelen te kijken als het wordt geprogrammeerd onder de paraplu van het ILFU. 'Tegelijk biedt het ons de ruimte om breder te programmeren en crossover te stimuleren, tot over de grenzen van literatuur. Want verhalen vertellen: dat is ook Netflix; zijn ook podcasts; zijn ook liedjes. Vroeger hadden we het frustrerende gevoel dat we dingen moesten laten liggen.'
Maar er is meer. 'De literaire sector is een driehoek', legt Stoker uit. 'Op de punten heb je de schrijver die literatuur maakt, de uitgever die het publiceert en de boekhandel en bibliotheek die het distribueert. Het festival zit in het midden. En alle spelers in de punten hebben het festival nodig. De schrijver om op te treden en te experimenteren. Een uitgever om nieuwe titels te presenteren. En boekhandel en bibliotheek om hun klanten te vinden. Die behoefte is alleen maar groter geworden nu het boekenvak krimpt. Zo zijn optredens een steeds groter deel van het schrijversinkomen geworden.'
En dat schept een verantwoordelijkheid voor een festival om méér te zijn dan alleen mediator. Aan de ene kant door zelf werk te initiëren, aan de andere kant om ook het publiek aan de hand te nemen in de wereld van de literatur. 'Een van de redenen dat we inzetten op crossover is de ontlezing. Het publiek leest minder. Maar: het publiek consumeert nog wel volop literatuur in andere vormen. Door aan te sluiten bij die vormen, kun je de drempel naar literatuur minder hoog maken. Zo kan je via een hiphopplaylist op Spotify iemand naar spoken word krijgen.'
Een ander voorbeeld is de focus op vertaalde literatuur uit niet-westerse talen. Het ILFU zette in het verleden Chinese, Turkse en Syrische literatuur centraal, dit jaar zou de Marokkaanse literatuur het thema zijn. Stoker: 'Dan kun je niet volstaan met tien schrijvers op een podium zetten. Je moet het publiek ook wegwijs maken in de traditie waarin die auteurs staan, die soms totaal anders is dan wij gewend zijn. Dat doen we door een boek uit te geven en door cursussen te organiseren: een groepje duikt acht weken lang voorafgaand aan het festival in de taal. Voor anderen is er een masterclass – een soort crash course.'
 
In sommige gevallen zijn de activiteiten buiten het centrale evenement zo belangrijk geworden dat je je zelfs kunt afvragen: is dat uithangbord nog wel nodig? Voor Tilt niet meer. Een groep culturele organisaties en schrijvers zette in 2011 voor het eerst een festival in Tilburg neer, omdat zoiets ontbrak in Brabant. Met succes. Toen Tilt subsidie kreeg, werd het in staat gesteld om de werkzaamheden uit te breiden richting talentontwikkeling en residenties. Ook dat werd een succes. Maar nu de organisatie door bezuinigingen bij de provincie wordt gedwongen om keuzes te maken, kiest Tilt ervoor het festival in de huidige vorm te laten vallen – en dus niet de spin-offs ervan.
'Het festival is harstikke leuk,' vertelt directeur Bijke Aarts. 'Voor de ontmoetingen, voor het feestje. Maar eigenlijk is het zonde om zo veel tijd te steken in iets wat toch een relatief klein bereik heeft. Ook als het festival is uitverkocht, komen minder mensen in aanraking met literatuur dan met het Brabants Boek Present waar we in 2019 mee begonnen. De terugkeervan Jeroen Thijssen kende een oplage van meer 10.000 exemplaren en werd in september door 61 Brabantse boekhandels uitgereikt aan iedereen die voor 12,50 euro boeken kocht. Het festival is bovendien alleen in Tilburg, terwijl onze andere programma's de hele provincie bestrijken. Zo deed Dean Bowen een residentie op de Oude Buisse Hei, waar hij een podcast heeft gemaakt. We werkten daarin samen met Natuurmonumenten en bereikten zo heel veel mensen'
Bovendien kan Tilt meer betekenen als broedplaats voor regionaal talent dan als organisator van een evenement. Aarts: 'In Brabant zit sinds het vertrek van De Geus naar Amsterdam geen uitgeverij van betekenis meer. Schrijvers van hier hebben daarom moeite om de stap naar een uitgeverij te maken. Wij kunnen daarbij helpen. Dat bleek toen Bart Smout ons benaderde. De Tilburger was gedebuteerd bij Prometheus, maar kon daar geen tweede boek uitgeven. Hij benaderde ons: of hij bij ons iets kon doen. Wij hebben hem een podium gegeven en vorig jaar kwam zijn nieuwe roman uit – toevallig bij De Geus.'
Tilt biedt op verschillende niveaus talentontwikkeling. Voor jonge talenten is er het project WOLK, voor auteurs die al hun eerste stappen hebben gezet, worden ontmoetingen met redacteuren van uitgeverijen georganiseerd. En: er is nu een residentieproject. 'Vorig jaar hebben we vijf auteurs bij bedrijven ondergebracht. Dat heeft geresulteerd in een verhalenbundel. Het werkt zo twee kanten op: schrijvers krijgen niet alleen een kans, ze laten ook hun licht schijnen op Brabant. De provincie krijgt zo nieuwe literatuur. Die regionale functie is heel belangrijk geworden, zoals je dat ook bij andere organisaties steeds meer ziet.'
 
En Passionate Bulkboek? Voor deze organisatie is Geen Daden Maar Woorden tegenwoordig één van de vele programma's. Sinds de overname van Bulkboek in 2008 heeft het zich volledig gefocust op literair-educatieve projecten – aanvankelijk alleen voor het voortgezet onderwijs, in de afgelopen jaren bereikte het duizenden leerlingen in het vmbo en het mbo, en pabo-studenten. 'We blijven GDMW, en de schrijfwedstrijd Write Now!, vooral organiseren om gevoel te houden met de taal en gewoontes van die generatie, zodat we weten dat onze projecten voor het onderwijs de juiste toon hebben', zegt Van Strien. 'Als wij als leesspecialist de plank misslaan, schieten we ons doel voorbij.'
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, okt 2020)

woensdag 16 december 2020

Groepsportretten: Als er dan toch woorden voor transgender personen moeten zijn (Onze Taal)

Het zou simpel kunnen zijn. Een man, geboren met de uiterlijke kenmerken van een meisje, noem je: man. Een vrouw, geboren in het lichaam van een jongen, noem je: vrouw. Waarom zou je iemand die in transitie is geweest om hem of haar van zijn genderdysforie (het gevoel van onvrede met het eigen geslacht) af te helpen, willen betitelen als transmanof transvrouw? Wie is geopereerd aan zijn kaakbeen noem je toch ook niet zijn hele leven ‘ex-kaakpatiënt’? 
Transgender personen deden vroeger zo veel mogelijk hun best niets anders dan man of vrouw te zijn, vertelt de historicus Alex Bakker (51). Zelf hield hij zijn transitie, die hij eind jaren negentig onderging, lang geheim. Pas nadat hij in Mijn valse verleden (2014) zijn verhaal te boek had gesteld, is hij er open over geworden. Zwijgen was de norm. Je wilde jezelf niet ontmaskeren. Onder elkaar hanteerden we codewoorden om bijvoorbeeld niemand per ongeluk te ‘outen’. In het openbaar, maar ook in zelfhulpgroepen zeiden we: ‘Dat is een collega.Of voor en na de oorlogin plaats van voor en na de transitie.

 

Voor altijd online

Maar zo onzichtbaar zijn transgender personen natuurlijk niet. Sterker: ze zijn zichtbaarder dan ooit. Mede door de sterk gegroeide maatschappelijke acceptatie van de laatste jaren is de groep veel zelfbewuster en daarmee zichtbaarder geworden. Neem Beau Geraeds (19). In juni vorig jaar realiseerde hij zich man te zijn; in december maakte hij dat bekend op Instagram. Het is out there. Ik doe dat om te zorgen voor representatie. Om anderen te kunnen helpen, die nog niet zo ver zijn. En nu staat het voor altijd online. Iedereen die op mij googelt, vindt het zo.

En dus zijn er woorden nodig om de groep aan te duiden. Maar welke woorden? Transgender Netwerk Nederland (TNN) raadt journalisten in zijn mediawegwijzer aan te spreken over transgender personen–  en ook bijvoorbeeld transgender sporterof transgender UtrechterTransgender noemt TNN nadrukkelijk “geen zelfstandig naamwoord”, omdat het een omschrijving is van een van iemands kenmerken. Transman en transvrouw kunnen ook wel, maar volgens het netwerk alleen in informele context. 

 

Een lomp woord 

Individueel redeneert echter niemand zo strikt.Als iemand over mij schrijft dat ik transgender ben, laat ik dat staan, vertelt Thomas van der Meer (34), auteur van Welkom bij de club (2019), een roman over een transitie. De nuance die het Transgender Netwerk aanbrengt, is voor media te ingewikkeld. Maar transman mijd ik juist helemaal. Men denkt te vaak ten onrechte dat dat iemand is die ooit man was. Het werkt te verwarrend. Zelf zeg ik, alleen als het relevant is, dat ik een transgender achtergrond heb. Ooit was ik transgender, maar daarvoor ben ik behandeld door in transitie te gaan. Nu ben ik man, maar wel één met een transgender achtergrond.

Wat daarentegen niet kan, zijn woorden die de plank misslaan. Travestiet bijvoorbeeld: Mannen die het leuk vinden om als vrouw verkleed te gaan, dat is een wereld van verschil, zegt Nathalie van Vugt (55). Helaas wordt het vaak op één hoop gegooid, zoals in het nieuwe programma van Fred van Leer over dragqueens.Of transseksueel: dat suggereert dat het gaat over de seksuele voorkeur van transgenders in plaats van hun sekse.

Dat die woorden toch circuleren, komt door de snelle emancipatie van transgender personen én de verschillende termen die de afgelopen decennia zijn gebruikt, legt Bakker uit, die met Transgender in Nederland (2018) de geschiedenis van de groep beschreef. Een van de eerste artsen in Nederland die transgenders behandelde, bedacht het woord transseksisme. Maar dat gaat niet makkelijk over de tong. Dat werd toen transseksueel, ook al was het fout. Zelf vind ik het een lomp, onprettig woord, maar sommige ouderen noemen zichzelf nog steeds zo. Uit gewenning.

 

Omgebouwd

Daarnaast zijn er – helaas – woorden die kwetsen. Het bekendste voorbeeld is omgebouwdAlsof ik een stuk timmerwerk ben!, zegt Van Vugt fel, die veel van zulke ervaringen beschreef in Hoe ik werd wie ik altijd al was (2014). Mijn lichaam is gerepareerd, kun je hooguit zeggen. Maar ik ben geen bouwpakket, waarmee je naar eigen smaak iets kunt maken.Ik kom het online tegen in reacties, zegt ook Geraeds. Vreselijk. Wie dat gebruikt, heeft echt geen idee wat het is om transgender te zijn.

Ook onprettig zijn complimenten als Je ziet het helemaal nietof Wat ben jij goed gelukt.’ Van Vugt: Ik haak er altijd maar op in met een grap. Maar jij hebt ook geen roze aan!of zoiets.Sommige zinnen jeuken omdat ze verraden dat iemand een transman of -vrouw niet helemaal normaal vindt. Van der Meer: Vragen als: ‘Dus je bent eigenlijk een meisje?’,of: Wat is je echte naam?Is Thomas soms mijn nepnaam?

Vaak komt het voort uit onwetendheid of onhandigheid. De transgender personen hebben zelden het gevoel dat iemand erop uit is hen te kwetsen. Soms ligt de pijn ook aan hemzelf, erkent Bakker. Laatst sprak ik voor het eerst in lange tijd een kennis, die het in een bijzin had over vroeger toen je nog een meisje was. Erg vervelend, maar eerlijk gezegd komt dat omdat ik er liever niet aan word herinnerd dat ik inderdaad zo’n lichaam had.

 

Activistisch

Gelukkig groeit de kennis bij het brede publiek. En daarmee het gebruik van de juiste woorden. Bakker: Het is nog helemaal niet zo lang geleden dat media een transvrouw een hijnoemden. Ook omgebouwd kwam je vijf jaar geleden geregeld tegen.Van der Meer heeft dezelfde ervaring. Als ik met een groep mannen praat die mijn achtergrond niet kennen, zeggen ze gerust omgebouwd. Maar als een gezelschap het wel weet, hoor ik dat woord nooit. Er is dus een besef dat het een fout woord is.

Als de gevoeligheid toch ontbreekt, zijn er altijd nogactivistische transgender personen, heeft hij gemerkt. Op Scholieren.com stond een verslag van mijn roman vol foute termen. De hoofdpersoon, een man, werd bijvoorbeeld zijgenoemd. Heel vervelend, omdat zo’n verslag een educatief doel heeft. Ik heb er toen zelf alleen maar een story op Instagram over gemaakt. Mijn volgers stuurden echter allemaal mailtjes naar de site. Daarna is het aangepast.

Dat is maar goed ook. Als transmannen en -vrouwen niet uitsluitend mannen en vrouwen genoemd kunnen worden, dienen wel de juiste termen worden gehanteerd.

(Eerder gepubliceerd in Onze Taal)


Zie ook aflevering 1 en aflevering 2 van deze serie.