woensdag 18 april 2012

Plantyn brengt éénmiljoenste atlas op de markt (Boekblad)


Met de eerste oplage van de zevende editie van de Algemene Wereldatlas overschrijdt de Vlaamse educatieve uitgeverij Plantyn de grens van één miljoen. Een gelijktijdig uitgegeven digitaal bordboek voor docenten is de eerste stap van de transitie naar digitaal.

De eerste editie van de educatieve atlas verscheen in 1989, toen nog onder de naam Wolters’ Algemene Wereldatlas. Om de vier jaar verschijnt een nieuwe editie, waarvan er jaarlijks 45.000 tot 50.000 worden gedrukt. ‘In de loop der jaren is dit aantal licht opgelopen’, zegt uitgever Michel Sanne. ‘In vergelijking met de leerlingengroei is de verkoop redelijk stabiel. We hebben ook een Kleine Wereldatlas – gericht op 12- tot 14-jarigen, iets eenvoudiger, met iets andere onderwerpen. Dat zijn verbonden vaten. Als de verkoop van de een daalt, stijgt die van de ander en andersom.’
Het marktaandeel van de Atlas is zo’n tachtig procent. Alleen De Boeck heeft een concurrerende uitgave. Sanne: ‘De Algemene Wereldatlas is ook in de boekhandel te koop, maar in verhouding is de verkoop via dat kanaal minimaal. Anders dan Nederland heeft België geen cultuur waarin ieder gezin een atlas in huis heeft. Toen we een paar jaar geleden een versie van de fantastisch mooie De Wereld Bosatlas van ons zusterbedrijf Noordhoff met een sectie België uitgaven, heeft dat geen brokken gemaakt. Wél hebben we een quiz-cultuur. Ik ben ervan overtuigd dat iedere quiz-ploeg onze atlas als bron gebruikt.’
Tegelijk met de zevende editie heeft Plantyn een digitaal bordboek voor docenten gelanceerd, die iedere leerkracht kan verrijken met foto’s, video’s, links, grafieken enzovoorts. ‘Bij de vorige editie kon iedereen online de kaarten van België en Europa gelaagd bekijken. Dus alleen de rivieren of alleen de landgrenzen. Nu was de tijd rijp voor een bordboek. Van onze methoden voor het voortgezet en basisonderwijs is van zeker tachtig procent al zo’n bordboek, dus konden wij niet achterblijven. De technologie is er en de prijs is schappelijk: 25 euro per jaar per school.’
Of de volgende editie over vier jaar een volledig digitale uitgave is, kan Sanne niet voorspellen. ‘We zijn nu op een scharnierpunt van de transitie van folio naar digitaal. We bereiden dat ook al voor. Ik kan de uren niet tellen dat we brainstormen over verdienmodellen, bezig zijn met het claeren van de rechten op het cijfermateriaal uit databanken of praten met technologiebedrijven die mogelijk onze partners kunnen worden. Maar de eerste tijd lijkt me de definitieve overstap niet aan de orde. Als producent kun je niet alleen digitaal aanbieden als er nog veel leerlingen zijn zonder laptop of tablet.’
Toevallig speelt er deze week in Vlaanderen een hoogoplopende discussie over ‘Steve Jobsscholen’. Een aantal scholen in Sint-Niklaas en Blankenberge verruilen vanaf komend schooljaar de schoolboeken in voor iPads. Een bekende it-onderneemster roept andere scholen op hen te volgen. Sanne: ‘Als ik het wel heb, zijn ze van plan dat te bekostigen door op atlassen te besparen. Ik vraag me af of dat goed is. Onze kaarten zijn een synthese van heel veel statistische data, door fantastische cartografen in kaart gebracht. Er is niets vergelijkbaars op internet te vinden.’
Maar de scholen kunnen ook geen iPad-versie van de Algemene Wereldatlas kopen, geeft Sanne toe. En of die snel komt, weet hij niet. ‘Ook andere platformen zoals Android zullen zich met het onderwijs gaan bemoeien. Moeten we dan op alle platformen gaan zitten? Of de keuze maken voor één of een paar platformen? Dat vraagt nog enig strategisch puzzelwerk. Het heeft in ieder geval geen zin om nu zomaar een app op de markt te gooien.’

(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 16 april 2012)

dinsdag 17 april 2012

Matchboox zijn de miniatuurboeken voor de massa (Knack)


Een eigen collectie miniatuurboeken opbouwen, zoals de schitterende Bibliotheca Thurkowiana Minor, is een dure grap. Tenzij je de fraaie Matchboox spaart: boekjes in een luciferdoosje.
Het is een spectaculaire aanwinst, die Museum Meermanno in Den Haag afgelopen vrijdag aankondigde: de miniatuurbibliotheek van Guus en Luce Thurkow. De kast bevat 1515 titels, onderverdeeld in twintig thematisch gerangschikte kasten, speciaal gemaakt mini-gereedschap zoals een wastafeltje, inclusief schrijfstift, en een standbeeld van Don Quichote, beschermheer van de bibliotheek. De oudste miniatuuruitgave is een kleitablet van 1803 vóór Christus.
Om zelf een dergelijke verzameling op te bouwen, is een goedgevulde portemonnee een eerste vereiste. Omdat ze met de hand zijn gemaakt in een lage oplage, is de verkoopprijs hoog. Of je moet, zoals het echtpaar Thurkow met hun The Catharijne Press, zélf miniatuurboekjes maken en je eigen uitgaven via het internationale netwerk van uitgeverijen, vaak verbonden aan de Miniature Book Society (2), kunnen ruilen. De meeste miniatuurboeken worden dan ook aangeschaft door fanatieke verzamelaars.
Maar er is een democratisch alternatief. De Matchboox (3) zijn in ongeveer 600 boekhandels in Nederland en Vlaanderen te koop à 4,95 euro per stuk. Sinds Emmanuel van Leewe drie jaar geleden begon met het uitgeven van luciferdoosjes, waarin een uitvouwbaar boekje van twintig pagina’s zit, heeft hij ongeveer tachtig titels op de markt gebracht. En niet van de minste auteurs. Onder meer Arnon Grunberg, Joke van Leeuwen, Arthur Japin en Herman Brusselmans deden mee.
‘In het begin werkte ik met onbekende schrijvers en kunstenaars,’ zegt Van Leeuwe. ‘Dan kom je terecht in het kleine wereldje van boekenliefhebbers en verzamelaars die ook miniatuurboeken sparen. Pas toen ik bekende auteurs vroeg, kreeg ik de vraag vanuit de boekhandel of ze Matchboox konden verkopen. Toen dat na een pilot van een paar maanden bleek te werken, ben ik ze echt in het groot gaan distribueren. De massa koopt ze vooral om cadeau te geven.’
Ter vergelijking. Zo’n twintig hardcore verzamelaars kopen via de site van Matchboox iedere uitgave op de dag van verschijnen. Van de bestseller onder de Matchboox, Minestrone van [de Nederlandse columniste] Sylvia Witteman, zijn ongeveer 4500 exemplaren verkocht. ‘Het gaat over wat je moet koken als de kinderen van president Obama komen eten, met een receptje erin verweven,’ zegt Van Leeuwe. ‘Dat vinden veel vrouwen heel leuk. Vooral vrouwen kopen Matchboox.’
Alle auteurs die Van Leeuwe vraagt om mee te werken, stemmen toe – met uitzondering van Maarten ‘t Hart. Iedere auteur schrijft een verhaal van vier- tot zeshonderd woorden, waarna Van Leeuwe er een kunstenaar bij zoekt om er illustraties bij te maken. ‘Mensen kopen Matchboox, denk ik, vanwege de combinatie van het concept en de bekende namen. Maar zelf vind ik die combinatie tekst en illustratie heel mooi. Matchboox zijn echt kunstboekjes, die ook zijn geëxposeerd.’
De handgemaakte Matchboox zijn, zeker in vergelijking met echte miniatuurboekjes, erg betaalbaar. Van Leeuwe laat ze in China produceren. ‘Er zijn geen machines waarbij je een vel kunt vouwen tot twintig pagina’s. Wel tot veertien, maar ik heb toch besloten het bij twintig te laten. Alleen als ik voor een speciaal project voor een stichting of zo een kleine oplage maakt, laat ik die in Nederland produceren. Dan kosten ze overigens niet meer, want anders zou ik zulke projecten ook niet kunnen doen.’
Van Leeuwe timmert enorm aan de weg om het product aan de man te brengen. Zo maakte hij met de Efteling een collectie sprookjesbewerkingen, liet hij de Nederlandse astronaut André Kuipers een sf-verhaal schrijven en bedacht hij een cadeauservice. Het is mogelijk om in het sieradendoosje waarin de Matchboox wordt geleverd een persoonlijke boodschap te laten plakken op een etiket. Rond cadeaumomenten als Moederdag en Valentijnsdag bleek dat een enorme hit.
Van zijn uitgaven leven kan Van Leeuwe evenwel niet. ‘Dat is ook nooit de opzet geweest. De uitgeverij draait ongeveer break-even, ook omdat we alle inkomsten telkens investeren – in nieuwe voorraad, in een aansluiting bij Centraal Boekhuis, enzovoort.’

(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 16 apr 2012)

maandag 16 april 2012

Christiaan Weijts - 'Via Cappello 23' (BOEK)


De twee kanten van de mediamachine
In zijn debuutroman Art. 285b verwerkte Christiaan Weijts zijn eigen veroordeling voor stalken tot meesterlijke literatuur. Voor de briljante opvolger heeft hij zich gebaseerd op wat er met hem gebeurde na de publicatie van zijn debuut. Veel journalisten spraken hem niet aan om zijn boek, maar om het verhaal erachter. Hij werd genadeloos neergezet als een gewetenloze stalker.
In Via Cappello 23 laat Weijts – die zelf jarenlang als journalist werkte – twee kanten zien van de moderne mediamachine. Aan de ene kant staat de journalist Daniël Schaaf die alleen aan zijn eigen verhaal denkt. Hij reist naar Venetië om een staking van gondeliers te verslaan. Toevallig blijkt hij het laatste interview te hebben gehad met een gondelier die tijdens ongeregelheden het leven laat. Zijn naam is gemaakt.
Aan de andere kant wordt kunsthistoricus Arthur Citroen slachtoffer van de pers. Zijn promotieonderzoek richt zich op de overeenkomst tussen portretkunst in de Renaissance en amateurporno. Dat wekt de belangstelling van een op GeenStijl gebaseerd weblog. Als hij op die manier een kleine BN-er wordt, ontstaat ook interesse voor de rest van zijn privé-leven. Een uitgelekt filmpje verwoest zijn leven.
Waar Art. 285b gebukt ging onder een te veel aan thema’s en een rommelige structuur, weet Weijts in Via Cappello 23, zonder een minder rijke roman te willen schrijven, ditmaal beide verhaallijnen perfect bij elkaar te brengen. Schaaf, die inmiddels voor de radio werkt, probeert Citroen live in de uitzending vrij te pleiten. Alles voor de hoogste luistercijfers, nietwaar?
Het eindresultaat is een scherpe roman die de lezer met andere ogen naar de media doet kijken.

Via Cappello 23 - Christiaan Weijts, De Arbeiderspers, € 18,95, 9789029566988, 330 pag.
(Eerder verschenen in BOEK, 2008)

Zie ook:

zaterdag 14 april 2012

Interview: Tim Krabbé over 'Wij zijn maar wij zijn niet geschift' (BOEK)

De onbegrijpelijke schietpartij op Columbine Highschool, die in 1999 het leven kostte aan vijftien mensen, heeft al talloze filmmakers, schrijvers en journalisten geïnspireerd. Ook Tim Krabbé raakte in de ban van de daders Eric Harris en Dylan Klebold. Hij schreef de nauwgezette feitelijke reconstructie die er nog altijd niet was. ‘Misschien had niemand er het werk voor over. Moest ik het boek schrijven omdat ik het vermogen tot obsessie combineer met het vermogen om hard te werken en het vermogen om het op papier te zetten.’


‘Een Amerikaanse uitgeverij voor mijn boek over Columbine is er nog niet’, zegt Tim Krabbé met een mengeling van frustratie en gelatenheid. ‘Mijn uitgever heeft wel een poging gedaan hen te interesseren. Maar dat stuit op het idee dat er al een goed boek over die schietpartij bestaat. Hoe kan een Nederlandse auteur nu een beter boek schrijven? Ik ben bezig met een epistel voor buitenlandse uitgevers waarin ik uitleg waarom dat goede boek in werkelijkheid slecht is. Hopelijk helpt het.’

Het boek met de reputatie van standaardwerk is Columbine van Dave Cullen, die als journalist van een lokale krant vanaf het begin bij de schietpartij betrokken was en wereldwijd geldt als de expert van de op dat moment grootse schoolschietpartij ter wereld. ‘Hij heeft het onderwerp heel handig weten te claimen. Ook toen Tristan van der Vlis vorig jaar in Alphen aan den Rijn zes mensen, exclusief hemzelf, doodschoot, rechtstreeks geïnspireerd op de moordpartij van Columbine, belden Nederlandse journalisten hem om commentaar.’

Het boek won prijzen ‘en kreeg, in zijn recensie, zelfs lof van iemand als Bas Heijne’, schudt Krabbé niet-begrijpend zijn hoofd. ‘Waarschijnlijk heeft hij de vergissing begaan dat de zaak zélf boeiend is. Hij zou Cullen eigenlijk moeten herlezen om te zien hoe slecht het is. Als niet-ingewijde besef je niet hoeveel fouten hij maakt. Maar iedereen kan wel zijn toon beoordelen. Readers Digest-niveau. Tweederangs provinciale journalistiek. Cullen is constant snerend. Zoals alle slechte schrijvers vertelt hij zijn publiek wat ze moeten vinden.’

Krabbé schreef een neutraler en eerlijker boek. Wij zijn maar wij zijn niet geschift is een gedetailleerde reconstructie van de schietpartij en de voorgeschiedenis, gebaseerd op uitgebreid bronnenonderzoek. Niet om psychiatrische etiketten te kunnen plakken, wat Krabbé een ‘inzicht verminderend’ werkwijze vindt, maar om te proberen te begrijpen hoe en waarom Eric Harris en Dylan Klebold tot hun daad kwamen. ‘Daarom zeg ik: zelfs als Wij zijn... geen goed boek is, dan is het nog wel het beste boek over Columbine. Zo’n boek als dit bestond nog niet.’


Columbine vond plaats op 20 april 1999. Aan het eind van de ochtend liepen de 18-jarige Eric Harris en 17-jarige Dylan Klebold, beladen met wapens en zelfgemaakte explosieven, hun middelbare school in Littleton binnen. Ze schoten willekeurig twaalf leerlingen en één docent dood. Ze hoopten dat de bommen honderden slachtoffers zouden maken, het schieten was bedoeld als bijzaak om nog meer mensen te doden maar draaide uit op de hoofdzaak. Drie kwartier na het eerste schot pleegden ze zelfmoord in de bibliotheek.

De opwinding die de daad veroorzaakte is zoveel jaar later nog altijd niet gaan liggen. Iedere keer als de politie materiaal vrijgeeft, is dat nog steeds groot nieuws in Amerika. En overal ter wereld verschijnen regelmatig nieuwe boeken en films over de zaak. De bekendste zijn in Nederland de documentaire Bowling for Columbine van Michael Moore, waarin hij de aanslag gebruikt om een punt te maken tegen het vrije wapenbezit in Amerika, en de speelfilm Elephant van Gus van Sant.

‘De magische aantrekkingskracht van Columbine is dat het een aanslag vanuit Pleasantville zelf was,’ probeert Krabbé te verklaren. ‘Pearl Harbor en 9/11 kun je duiden als aanslagen van buiten. Eric en Dylan waren twee intelligente jongens uit intacte gezinnen die leefden in de vredige suburbs. Er zijn miljoenen jongens zoals zij. Bovendien waren ze met zijn tweeën. Je kon niet denken: een eenzame gek. Er moesten rationele overwegingen aan vooraf zijn gegaan. Dat bleek later ook, Eric en Dylan zagen het zelf als een filosofische daad.’

Ook het aantal doden was onbevattelijk – al hebben latere schietpartijen in Amerika en Duitsland meer slachtoffers gemaakt. ‘En de naam en plek van de school speelt een rol’, zegt Krabbé. ‘Columbine, dat doet denken aan duifjes. De plek past daarbij. Rond de school is het stil en rustig. En heel vaak schijnt de zon. Hoe kon zoiets gebeuren waar zo’n vredige sfeer heerst?’


Zelf was Krabbé in 1999 bezig met andere dingen. De verfilming van zijn roman De grot stond op stapel. Pas in 2007 raakte hij gefascineerd toen een student op een Amerikaanse universiteit 32 mensen doodschoot en hij in een nagelaten videoboodschap zei te zijn geïnspireerd door Columbine. Hoe zat het ook alweer? vroeg Krabbé zich af en hij surfte naar de Wikipedia-pagina over de schietpartij.

Waarom hij vervolgens al snel alles over Columbine wilde weten, kan de schrijver niet verklaren. ‘Ik was op dat moment gewoon meteen gefascineerd en voor ik het wist, was ik simpelweg hooked. De enige ben ik in ieder geval niet. De belangrijkste website over de aanslag haalt nog altijd een miljoen hits per maand.’

Wat zeker bijgedragen heeft aan zijn verlangen in het verhaal te duiken, zijn de vele onjuiste mythen die steeds weer opduiken. Dat Eric en Dylan de ochtend van de aanslag gingen bowlen. Dat ze een meisje hebben neergeschoten omdat ze op hun vraag of ze in God geloofde, ja had gezegd. Al bij de eerste keer dat hij zich over Columbine boog, werd het Krabbé duidelijk dat deze verhalen gebaseerd zijn op leugens. Hoe zat het dan echt? wilde hij weten.

‘Op een gegeven moment was ik bezig zelf de schietpartij te construeren,’ zegt Krabbé. ‘Maakte ik lijsten van alles wat Eric en Dylan tijdens de schietpartij zeiden op basis van getuigenverklaringen en de opname van een 911-telefoongesprek vanuit de bibliotheek. “Sayings”, noemde ik dat eerste WordPerfect-document dat ik aanmaakte. Daarmee was ik eigenlijk politiewerk aan het doen, dat vond ik gewoon leuk. Ook omdat ik merkte dat ik zelfs de politie kon corrigeren. In het officiële politierapport staat Eric en Dylan terug gingen naar de auto nadat ze bommen hadden geplaatst, maar dat kan onmogelijk het geval zijn.’

Aan een boek dacht hij toen nog niet. Dat ‘definitieve’ boek van Dave Cullen kwam er immers aan. ‘Ik zei tegen mijn uitgever dat Cullens boek misschien iets voor hen was. Hij heeft toen een pdf van de tekst opgevraagd – het was nog niet verschenen. Ik heb het toen gelezen en gezegd dat het een prul was. Pas toen besefte ik het boek dat mij voor ogen stond, een open en nauwkeurige reconstructie, nog niet bestond en heb ik me opgeworpen als boekstaver en begrijper van Eric en Dylan.’

Waarom niemand hem voor was, vindt Krabbé vreemd. ‘Misschien houdt de angst om als exploitatief te worden gezien Amerikaanse auteurs tegen. Douglas Coupland bijvoorbeeld zegt letterlijk in het voorwoord van de roman die hij geïnspireerd door Columbine schreef, dat hij niet moet worden gezien als exploitative. Misschien had niemand er ook het werk voor over. Moest ik het boek schrijven omdat ik het vermogen tot obsessie combineer met het vermogen om hard te werken en het vermogen om het op papier te zetten.’


Een paar jaar heeft Krabbé in het geheim maniakaal gewerkt aan Wij zijn maar wij zijn niet geschift. Hij vertelde alleen een paar intimi over zijn plan. ‘Ik wilde niet ontmoedigd worden omdat mensen schouderophalend zeggen: O, Columbine. In Nederland weet men er weinig van. Er is ook geen noodzaak om er iets van af te weten. Tegelijk vond ik het een leuk idee om te verrassen. De naam Tim Krabbé is bekend van behoorlijk korte romans. En dan nu bijna vijfhonderd pagina’s non-fictie.’

Het boek is uitsluitend gebaseerd op bronnenonderzoek. Het volledige dossier: 26.859 pagina’s dik. En alle mogelijk relevante boeken, artikelen, documentaires en ander materiaal. ‘Interviews heb ik niet afgenomen. Ik zou niet weten wat dat zou toevoegen. Iedereen heeft alles al gezegd: in getuigenverklaringen of in boeken. Dichtbije vrienden die misschien iets kunnen toevoegen, hebben tot nu toe contact met journalisten altijd afgewezen. Bewonderenswaardig eigenlijk, ze hadden waarschijnlijk contracten voor boeken van tienduizenden dollars kunnen tekenen.’

Iemand benaderen zou daarom verspilde moeite zijn. ‘Natuurlijk zou ik best een aantal betrokkenen willen spreken. De familie Harris. Of Marla Foust, de schoolgenote voor wie Dylan een religieuze aanbidding koesterde en met wie hij het hiernamaals – de halcyon, zoals hij het noemde – wilde betreden. Maar van haar is bekend dat ze uitermate geïrriteerd reageert op toenaderingspogingen. Waarom zou ze wel met iemand uit Nederland willen praten? Nou ja, misschien juist. Dat is dan een gemiste kans.’

Wel is Krabbé vorig jaar oktober naar Littleton afgereisd. ‘Toen alles af was, wilde ik het toch met eigen ogen zien. Ook als afscheid van het project waar ik zo lang aan had gewerkt. Ik heb wel kleine fouten kunnen herstellen. Maar eigenlijk had ik alles al gezien. En beter ook. Hun huizen, de school, er zijn miljoenen foto’s op internet van, vanuit alle mogelijke hoeken. En op Google Streetview kun je langer voor het huis van de Klebolds stilstaan dan in het echt, waar je je toch gegeneerd voelt als de zoveelste gek die hun privacy stoort.’


Aanvankelijk sloot Krabbé zich aan bij de algemene mening over Columbine. Eric was de gevaarlijke gek, Dylan de gedweeë volger. Gaandeweg, na herhaaldelijke herlezing van hun dagboeken, opstellen en andere bronnen, begon Krabbés beeld te kantelen. Eric was juist een gefrustreerde puber waar er zo veel van zijn. Zonder liefde en in zijn ogen omgeven door belachelijke volwassenen, bralde hij over de haat die hij zei te voelen en de moorden die hij ging plegen. Dylan was de ijskoude romanticus, die Eric erin luisde.

‘Ik had geen aha-moment’, zegt Krabbé. ‘Het besef kwam gradueel. Ik stelde het laatste hoofdstuk, waarin ik mijn eigen analyse geef, zo lang mogelijk uit. Eerst wilde ik de andere hoofdstukken goed hebben: de reconstructie van de schietpartij, het commentaar daarop, de voorgeschiedenis en de aftermath. Pas toen ik kon verklaren waarom Dylan tegelijk zo liefdeloos tegenover Eric stond, wat uit zijn dagboeken blijkt, én tot op het allerlaatst indruk op hem wilde maken, zoals ook een getuigen zei, zag ik steeds meer details die deze theorie ondersteunden.’

Krabbé ziet de schietpartij als gevolg van een toevallige ontmoeting van twee jongens die een fatale combinatie vormden. Een ‘freak accident’. Eric was de snoever die voortdurend bralde dat hij mensen wilde vermoorden. Dylan koesterde hysterische religieuze fantasieën: hij wilde samen met iemand gaan moorden, zoals in de film Natural Born Killers van Oliver Stone, en dan samen sterven. De vernedering en schaamte van de straf, nadat ze waren betrapt bij een auto-inbraak, bracht hen voorgoed bij elkaar. Ze bekenden hun verlangens en ideeën aan elkaar en besloten de massamoord daadwerkelijk te plegen.

‘Eric was een kruitvat zoals er velen zijn, Dylan een lont waarvan er maar één is’, zegt Krabbé. ‘Eric moet in zijn achterhoofd hebben gedacht dat de schietpartij nooit echt zou gebeuren, maar hij had zich in een situatie gemanoeuvreerd waarin hij niet meer terug kon. Hij had eindelijk een vriend gevonden die zo iets vergaands met hem wilden doen. Die wilde hij niet kwijt raken. Misschien moordde hij daarom lachend: om zijn afschuw en gêne te overschreeuwen. Hij moest zich een houding geven.’

Dylan heeft volgens Krabbé nooit getwijfeld. Maar zoals Eric met zijn voorgewende vastberadenheid hem bedroog, zo overdreef Dylan zijn gretigheid om schoolgenoten neer te schieten om Eric te misleiden. ‘Hij wilde dit eigenlijk met Marla doen. Zoals in Natural Born Killers ook een man een vrouw samen al die moorden plegen. Voor hem was Eric tweede keus. Hij gaf niets om Eric. Waar Eric hem heel vaak noemt in zijn dagboek, noemt hij Eric nauwelijks. Onthullend is wat ze over elkaar schreven toen ze gepakt waren. Voor Eric is Dylan zijn beste vriend in heden en verleden, Dylan noemt hem gewoon een goede vriend.’

Voorkomen had Columbine dan ook niet kunnen worden volgens Krabbé. ‘Ja, door de politie. Als die de informatie bij elkaar had weten te krijgen. Een licht criminele jongen die op het internet schreef over het leggen van bommen. Misschien had dat ze op het idee gebracht om de huiszoeking bij de familie Harris die ze van plan waren ook echt te doen. Maar Eric en Dylan leefden in een cultuur die geweld verheerlijkte. Iedereen riep in die tijd dat ze de school gingen opblazen. En ze konden makkelijk aan wapens komen.’


Wie het werk van Krabbé kent, zal verrast zijn door Wij zijn maar wij zijn niet geschift. Geen spannend plot met verassende einde en een ondertoon van melancholie en levenswijsheid, maar een lang uitgesponnen studie, waarin hij de ruimte neemt om zijn materiaal ten toon te spreiden. De uitgebreide voorgeschiedenis is daarom – hoe helder Krabbés pen ook is – bij vlagen taai. De lange citaten uit de gewelddadige opstellen of dagboeken van een van de hoofdpersonen, ben je soms geneigd te scannen.

Krabbé zelf ziet zijn nieuwe boek niet als een anomalie in zijn oeuvre. ‘Dat is nogal ongelijksoortig. Ik heb ook een Engelstalig schaakboek geschreven: Chess curiosities. De vergelijking is misschien ontmoedigend, maar daarin zie je dezelfde volledigheidsdrang, werklust en onderzoeksvermogen waaruit ook dit boek over Columbine is voortgekomen. Ook binnen mijn fictie is veel ongelijksoortigheid. Het gouden ei is een heel ander boek dan De renner.’

Even heeft hij wel overwogen om een roman over de schietpartij te schrijven. ‘Ik wilde die vanuit de vader van Dylan schrijven: Tom Klebold. Dat was toen ik nog dacht dat Dylan een zielige meeloper was. Maar al snel zag ik in dat het onderwerp te interessant was om een roman over te schrijven. Een roman is te vrijblijvend. Wel heb ik het thema van de vader/zoon-relatie gebruikt in het Boekenweekgeschenk Een Tafel vol Vlinders, dat ik schreef in 2008, toen ik me al erg had verdiept in Columbine.’

Dat Dylan en Eric adolescenten waren legt een sterk verband met Krabbés oeuvre. ‘Daar heb ik veel over geschreven,’ erkent hij. ‘Marte Jacobs uit Marte Jacobs is 14. Egon en Axel uit De grot zijn 14. Het niet zo opgemerkte Een goede dag voor de ezel gaat ook vooral over de relatie van een vader met een kind van 14. Tegelijk zijn Dylan en Eric volkomen nieuwe figuren voor me. Eric heeft misschien iets van Axel door zijn vermogen mensen in te palmen, maar iemand als Dylan – die ik hoofdzakelijk beschrijf als gestoord – is nooit eerder voorgekomen in mijn werk.’

De opbouw van Wij zijn maar wij zijn niet geschift is erop gericht dat de lezer Dylan en Eric echt leert kennen. ‘Ik heb wel wat overgeslagen, maar niet vreselijk veel. Ik wilde de lezer zo veel mogelijk materiaal geven om zelf de onbekende wereld van de suburbs, de highschool en hun denken te ontdekken en eventueel een andere conclusie te trekken. Ik wilde de jongens ook niet censureren of zelf hun vertolker zijn. Als het goed is voel je dan aankomen dat niet Eric maar Dylan de gestoorde genius is.’


Of het boek in Nederland aanslaat, zal volgens Krabbé moeten blijken. Wie de zaak niet tot in de kleine details kent – en dat geldt voor bijna alle lezers, op vijf uitzonderingen na die de schrijver op de Columbine-fora tegenkwam waar hij zijn eigen ideeën toetste – kan ook niet verrast zijn door de nieuwe visie van Krabbé op de schietpartij. Natuurlijk hoopt hij wel dat de combinatie van zijn populaire naam en de even dwingende als boeiende beschrijving van de aanslag, leidt tot een verkoopsucces. Dat zou weer helpen bij toekomstige vertalingen.

‘Het zou lullig zijn als het boek beperkt bleef tot Nederland,’ zegt Krabbé. ‘Ook al betekent dat veel extra werk voor mij. Al die citaten van Dylan en Eric moeten natuurlijk niet uit het Nederlands worden vertaald. Daar moeten in de Amerikaanse uitgave de originele teksten staan. En voor bijvoorbeeld de Duitse uitgave moeten die rechtstreeks uit het Amerikaans schoolengels worden vertaald. Helaas heb ik geen apart document bijgehouden waarin alle citaten onvertaald bij elkaar staan.’


(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2012)


donderdag 12 april 2012

Is samengaan van Selexyz en De Slegte zinvol? (Boekblad)


Onderstaand artikel schreef ik bijna driekwart jaar geleden. Selexyz was nog zelfstandig. De Slegte was nog zelfstandig. Maar nagedacht over het in één winkel verkopen van nieuw en tweedehands werd er wel in het boekenvak.

Boekhandel kan prijsgevoel klant tegengaan met tweedehands boeken

Anders dan in de verkoop van nieuwe boeken vertoont de omzet van tweedehands boeken wel groei. Dat blijkt uit alle signalen van de grote spelers op deze markt. De winkels die een nieuw en tweedehands assortiment combineren boeken er ook goede resultaten mee. Toch is het niet eenvoudig om de tweedehands markt te betreden. Veel verstand van het assortiment, voldoende ruimte voor opslag en een gerichte keuze van het aanbod zijn vereisten.

Eric Kaizer van Boekwinkeltjes.nl heeft niets te klagen. Ook in 2011 houdt de groei aan van het platform dat hij tien jaar geleden heeft opgezet. Het aantal aanbieders van tweedehands boeken, van kleine particulieren tot professionele bedrijven als Kok en De Slegte, blijft stijgen: van 5300 begin dit jaar naar 6000 nu. Het aantal titels dat ze gezamenlijk te koop aanbieden, groeide door van 4,8 naar 5,4 miljoen titels. En de totale waarde van de verkochte boeken pluste circa tien procent naar 10.000 euro per dag. Dat is op jaarbasis ruim 3,5 miljoen euro.
Boekwinkeltjes.nl is niet de enige verkoper van tweedehands boeken met wie het goed gaat. Bol.com, die bij de presentatie van de jaarcijfers claimt ‘met afstand’ marktleider te zijn op dit gebied, kende vorig jaar een ‘explosieve stijging’ van de verkoop in dit segment. De standhouders op de Deventer Boekenmarkt zagen begin augustus even veel boekenliefhebbers langs slenteren als vorig jaar. En alle 26 winkels van De Slegte dragen naar eigen zeggen bij aan de winstgevendheid – het enige filiaal dat dat niet deed, in Brussel, werd enkele maanden geleden dan ook gesloten.
Zou het soms een idee voor de algemene boekhandel zijn om de negatieve spiraal – ruim drie procent omzetverlies in de afgelopen twaalf maanden – te doorbreken door tweedehands boeken te gaan verkopen?

Hoe groot de tweedehands markt is, is onbekend. GfK, of een ander onderzoeksbureau, heeft er nog nooit onderzoek naar gedaan. Welk segment het grootst is, is dus evenmin met zekerheid vast te stellen. Op de homepages van de belangrijkste spelers Bol.com, Deslegte.com, Boekwinkeltjes.nl en Antiqbook.nl ligt de nadruk op het algemene segment – naar actualiteit: wielerboeken bij de start van de Tour de France, of naar populariteit: de koplopers in de Bestseller 60. Maar in de zomer zijn studenten massaal op zoek naar tweedehands alternatieven voor vaak dure studieboeken.
Bij De Slegte worden voornamelijk algemene boeken tweedehands verkocht. In de winkels, goed voor tachtig procent van de 25 miljoen euro omzet, stelt de handel in gebruikte studieboeken weinig voor. Online is de omzetverdeling: dertig procent nieuw, vijftig procent tweedehands algemeen en twintig procent tweedehands studieboeken. Vorig jaar was het percentage studieboeken groter omdat die categorie meteen in het begin volledig online werd aangeboden. Nog altijd staat nog maar een derde van het algemene tweedehands aanbod online.
Hoeveel procent van de markt bestaat uit boeken die ook nieuw te krijgen zijn, kun je alleen gokken. Toch lijkt dat percentage niet gering te zijn. Juist naar populaire boeken is vraag, legde directeur Daniel Ropers van Bol.com al een paar jaar geleden uit. Wie een Karen Slaughter of Dick Swaab wil en de kans heeft om, voor een paar euro goedkoper, een zo goed als nieuw exemplaar aan te schaffen, laat dat niet liggen. Die neemt geen tien jaar oud ander boek als alternatief. Wie de bestsellers op Bol nauwgezet volgt, ziet ook veel tweedehands exemplaren snel verkocht worden.
Aangenomen mag daarom worden dat prijs de hoofdreden is om genoegen te nemen met een gebruikt exemplaar. Hoeveel euro klanten gemiddeld neerleggen voor een tweedehands boek, is onbekend, maar het is zonder twijfel significant lager dan de gemiddelde prijs van een nieuw boek. Dat blijkt uit gegevens van individuele handelaren. Bij De Slegte kost een gemiddeld tweedehands boek 9 euro – tegen 13 à 14 euro voor een nieuw A-boek. Bol.com beweert op haar site dat studieboeken tweedehands gemiddeld half zo veel kosten als nieuwe exemplaren.
Het belangrijkste verkoopkanaal is internet. De verkoop via websites en platformen groeit, de verkoop via antiquarische boekhandeltjes is fors teruggelopen. Op internet kun je in een oogwenk uit honderdduizenden, miljoenen titels die ene vinden die je zoekt. En als je meerdere hits hebt, is het gemakkelijk prijs en conditie met elkaar te vergelijken. In een winkel moet je alle bakken individueel afstruinen, is de kans groot dat je het boek niet vindt waar je naar op zoek bent, en moet je maar hopen dat er achterin met potlood een schappelijk bedrag in geschreven is.
Het beste bewijs is voor de transitie naar internet is De Slegte. Sinds het bedrijf serieus werk maakte van zijn webshop is online in een twee jaar gegroeid naar circa twintig procent van de totale omzet. De verkoop in de winkels loopt gestaag terug. Weliswaar maakt de internetverkoop dat ruimschoots goed, de winkels moeten experimenteren met ander aanbod – zoals, sinds vorig jaar, actuele bestsellers – om rendabel te blijven. Toch helpt de site ook de filialen: de verkopers merken steeds vaker dat klanten eerst online hebben gekeken of de winkel een titel op voorraad heeft.

De drie grote spelers op de tweedehands markt combineren de verkoop allemaal met een aanbod nieuwe titels. Met succes. Zo houdt Bol.com vol dat het kannibaliserende effect van het tweedehands verkoop wordt gecompenseerd doordat Bol dankzij dit extra aanbod méér klanten trekt (al heeft Daniel Ropers ooit toegegeven dat het niet zo werkt). De Slegte en Boekwinkeltjes bedienen met hun nieuw aanbod klanten die toch al op hun site terecht waren gekomen. Met succes. Zo draait Boekstra.nl van Boekwinkeltjes enkele honderdduizenden euro’s omzet.
Waarom zouden de boekhandels de verkoop dan ook niet combineren met een tweedehands aanbod? Behalve een uitbreiding van het assortiment met een, dankzij de recessie, goedlopende categorie, kan het ook het prijsgevoel van de klant tegengaan. Juist het overvloedig aanbod aan tweedehands titels, ook van gloednieuwe titels en nagenoeg de complete Bestseller 60, is er de oorzaak van dat maar liefst zeventig procent van alle consumenten op internet koopt omdat ze denken dat boeken daar goedkoper is. Dat vertelde Mariëtte Koekoek van de KBb op Boekblad aan Zee.
Een enkele boekwinkel combineert nieuw en tweedehands al. Grimbergen (Lisse), Blankevoort (Amstelveen), De Zondvloed (Mechelen) bijvoorbeeld. Doorgaans zorgt het nieuwe aanbod voor het leeuwendeel van de omzet. Bij De Zondvloed is tweedehands goed voor 15 procent. Maar dat heeft vooral te maken met het verschil in prijs. Eigenaar Johan Vandenbroucke van De Zondvloed schat de afzet in procenten twee keer zo hoog als de omzet. Maar de combinatie trekt wel veel klanten. Juist omdat het antiquarische aanbod zijn imago als literaire boekhandel versterkt.

Toch is verkoop van tweedehands boeken zeker niet vanzelfsprekend. Zomaar een partijtje opkopen en een kast inruimen heeft geen zin. Je moet verstand hebben van de markt om te voorkomen dat je onverkoopbare rommel neerzet. Je moet de vraag en de waarde van het aanbod kunnen inschatten. Dat is eigenlijk alleen te leren door ervaring op te doen. Een boekverkoper die begint met nieuwe titels kan zich aansluiten bij een partij als Scholtens die op grond van het boeken-DNA boeken uitlevert. Wie begint met tweedehands kan nergens zulke assistentie inkopen.
Ook moet de winkel echt de ruimte hebben. De marge op tweedehands boeken is groter – al is die niet precies te berekenen omdat boeken vaak per partij worden ingekocht, Vandenbroucke schat dat hij boeken gemiddeld inkoopt voor 1,2 à 2 euro en verkoopt voor 6 à 7 euro. Maar de doorloopsnelheid is een stuk lager. In plaats van in een paar weken een stapel nieuwe Tatiana de Rosnays verkopen, moet je soms maanden wachten voor iemand Hermans’ De donkere kamer van Damocles meeneemt. Grimbergen en De Zondvloed zijn dan ook geen kleine winkels.
Niet iedereen zou boekhandels daarom willen adviseren te beginnen aan de verkoop van tweedehands. Maar wie het toch wil doen, zal zich – behalve de twee bovenstaande adviezen ter harte nemen – moeten specialiseren. Richt je op een genre die het karakter van de winkel versterkt. Zoals De Zondvloed, die mede dankzij het aanbod tweedehands in een paar jaar bekend is geworden als dé literaire boekhandel van Vlaanderen. Of theologische speciaalzaak Wever Van Wijnen (Franker). Licht anders een genre eruit dat past bij de vestigingsplaats. Of adopteer de schrijvers van de stad.
Een andere optie is het opstarten van een soort terugkoop-regeling opstarten waarmee Plantage Overtoom en Studystore sinds kort experimenteren. Zo kunnen de klanten van Plantage Overtoom bepaalde boeken, voorzien van een sticker, terugverkopen voor een tegoedbon ter waarde van veertig procent van de nieuwprijs. De boeken mogen niet meer dan een jaar oud zijn. Maar meer dan om de opbouw van een assortiment tweedehands ligt de nadruk op reclame: klanten worden gelokt met argumenten van goedkoper (terugverkoopbaar!) en groen (hergebruik).
Toch zou eigenaar Koos Boukens van Plantage Overtoom wel eens aangenaam verrast kunnen worden door de belangstelling voor zijn tweedehands boeken. En wat doet hij dan?

(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine 14, 2011)

dinsdag 10 april 2012

1962: Steven Membrecht wint Reina Prinsen Geerlingsprijs (BOEK)

Vijftig jaar geleden zag het literaire landschap er heel anders uit. Zijn de hypes, de bestsellers en de laureaten van 1962 vergeten? Aflevering 1: hier. Aflevering 2: Steven Membrecht wint dé prijs van de Nederlandse literatuur voor beginnende auteurs.


Vijf keer in slaap gevallen


Gerard Reve won hem. Harry Mulisch. Remco Campert. Bernlef. Oek de Jong. Leon de Winter in 1979 als laatste. En precies vijftig jaar geleden Steven Membrecht, die de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg voor zijn roman Het einde komt vanzelf. De jury met daarin indertijd befaamde letterkundigen als Karel Jonckheere roemde de ‘originele compositie’ en ‘zorgvuldige schrijftrant’ van de adolescentenroman over Walt en Caro wiens vriendschap onder druk staat van een onverwerkt verleden. De prijs bestond uit een geldbedrag van 200 gulden.

De 25-jarige Jochem van Beek, die achter het pseudoniem schuil ging, moest het gevoel hebben gehad dat hij op een schild gehesen de Nederlandse literatuur betrad. Sinds de ouders van Reina Prinsen Geerligs direct na de oorlog deze prijs voor schrijvers tussen de twintig en vijfentwintig jaar hadden gesticht om de naam van de gefusilleerde verzetsheldin in leven te houden, kreeg de laureaat gegarandeerd instant naam en faam bij het literaire publiek.

Maar niet iedere winnaar van een debutantenprijs kan rekenen op eeuwige roem. Integendeel. Slechts bij een enkele zeventigplusser doet de naam Membrecht nog een belletje rinkelen. Was dat niet zo’n prozavernieuwer uit de jaren zestig – het decennium waarin het experiment hoogtij vierde? Maar titels noemen kan niemand meer. Het einde komt vanzelf niet. De waarachtige driehoek niet, dat het Boekenweekessay van 1966 was. Alle homo’s vliegen niet, een van de toegankelijke boeken over homoseksualiteit die Membrecht ook schreef.

De schrijver had kunnen vermoeden dat zijn carrière in anonimiteit zou eindigen. Vanaf zijn debuut Wachten op de zon, in hetzelfde jaar verschenen als zijn prijswinnende boek, kreeg hij bakken kritiek over zich heen. ‘Het ergerlijkste geschrift dat ik in jaren las’, oordeelde een criticus ooit. ‘Ik moet helaas bekennen dat ik tijdens lezing ervan vijf keer in slaap ben gevallen’, schreef een ander. ‘Een stuk schroot’, betitelde een derde een besproken werk. De Reina Prinsen Geerlingsprijs was een gunstige uitzondering van lof.

Verkopen deed Membrecht, die in een hoog tempo het ene boek na het andere voltooide, ook al niet. Slechts een paar titels kregen ooit een herdruk. In 1971 gaf zijn uitgever het op. Experimenteel proza raakte toch uit de mode. Woedend zette Membrecht een ‘literaire overlijdensadvertentie’ in drie landelijke kranten: ‘Deel mijn lezers mee, dat ik vanaf heden door benauwde tegenwerking niet meer zal schrijven. Liever geen bloemen – geen bezoek. Steven Membrecht.’ Niet alleen de uitgever gaf hij de schuld, ook collega’s van wie de kritiek hem zo kwetste.

Schrijven bleef Membrecht echter wel. Eerst publiceerde hij nog twee boeken bij reguliere uitgeverijen. Sinds medio jaren zeventig liet hij op eigen kosten vanity presses zijn gedichten en aforistische teksten uitgeven. De laatste boeken kwamen uit bij de vermoedelijk door hemzelf opgerichte Janet Kenswil Stichting, genoemd naar de vrouw die het kindertehuis leidde waar Membrecht als drie maanden oude baby terecht kwam. Volgens de aan de schrijver gewijde Wikipedia-pagina publiceert de stichting tot en met 2014 nog zes titels van hem.

Ooit zullen duizenden fijnproevers deze werken ontdekken, is Membrechts vaste overtuiging. ‘Na mijn dood wacht hier een literaire schat die grondig bestudeerd zal moeten worden,’ zei hij tien jaar geleden tegen de journalist Joris van Casteren. Juist omdat hij niet met uitgevers in zee gaat, heeft hij nooit meer concessies hoeven te doen. Hij had al een ‘harde jongen’ benoemd als executeur testamentair die zijn vriend en enig erfgenaam moest beschermen tegen de uitgevers die een slaatje uit zijn werk zouden willen slaan.

En ook de jury van de Reina Prinsen Geerlingsprijs 1962 zou alsnog de reputatie krijgen dat ze een groot talent in een vroeg stadium had herkend.


KADER Debutanten uit 1962

Margaretha Ferguson - Onmogelijke mensen

F. Springer - Bericht uit Hollandia

Willy Roggeman - Het goudvisje

Gerrit Krol - De rokken van Joy Scheepmaker

Peter van Gestel - Drempelvrees

Nic van Bruggen - Een kogel


(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2012)


maandag 9 april 2012

Will Jansen (Bouillon): ‘Ik kan redelijk leven van een oplage van 5000 exemplaren’ (Boekblad)


Will Jansen begon in 2004 met het uitgeven van Bouillon Magazine bij Komos. Toen de uitgeverij ervan af wilde, heeft Jansen het met zijn vrouw overgenomen. Met de opbrengsten van Wat zit er in uw eten? kan hij het magazine in full colour uitgeven.
‘Aanvankelijk gaf Kosmos Bouillon Magazine uit, dat ik in 2004 begon. Dat viel hen tegen. Ze misten expertise om tijdschriften uit te geven. Advertentieacquisitie, abonnementenbeheer. Toen een nieuwe directeur, die een hekel aan dit project had, ermee wilde ophouden, vond ik dat zonde. Samen met mijn vrouw heb ik het opgepakt en sindsdien is het gestaag gegroeid. Ieder nummer hebben we weer dertig, veertig, vijfenveertig abonnees erbij.
In de winkel loopt Bouillon niet. Als er een nieuw nummer uitkomt, willen boekverkopers het vorige retour sturen. Ze snappen niet dat het eerder een kookboek dan een tijdschrift is. Nu mijn dochter bij ons werkt, gaan we de boekhandel penetranter benaderen. Een boekwinkel die vijf exemplaren bestelt, hoeft er maar vier te betalen. Dat is dus 20 procent extra korting.
De oplage is 5000 exemplaren per nummer. Daar kan ik redelijk van leven. We hebben hoegenaamd geen overhead. En van een boekje over e-nummers in ons eten, dat ik in 2007 op een beurs in Monaco vond, heb ik 115.000 exemplaren verkocht. Het loopt nog altijd. Daar kan ik Bouillon in full colour van uitgeven.
Ook ga ik mee in de digitalisering. Het magazine is te downloaden en er bestaat een app van. Zo duur is dat het niet om dat te ontwikkelen. Op een vraag in de nieuwsbrief kreeg ik een paar offertes. Een whizzkid van 16 kon er één maken voor 2000 euro. Het gaat niet hard, zo’n twintig downloads per dag, maar die investering heb ik er al uit. Ik ben nu bezig met de ontwikkeling van een nieuwe, productgerichtere app.
Mijn dochter gaat ook de social media coördineren. Ik weet niet wat er uit komt, maar ik blijf denken dat Bouillon goed genoeg is voor tien- tot twaalfduizend abonnees. Daar moeten de social media bij kunnen helpen.’
(Eerder gepubliceerd in Boekblad Magazine 4, 2012 als kader bij dit artikel over kleine uitgeverijen)

Zie ook:

zondag 8 april 2012

Des romans français: Frédéric Beigbeder, 'Un roman français'


In de Franse cel: een modern leven

Waar een lijntje coke snuiven op straat al niet toe kan leiden: een arrestatie, 36 uur in de cel en uiteindelijk een roman. Un roman français ontstaat tijdens de eenzame uren die Frédéric Beigbeder doormaakt in de politiecel. Hij ervaart claustrofobische momenten en ondervindt hoe vreselijk het is om van zijn vrijheid beroofd te zijn. Opgesloten tussen vier celmuren begint hij deze roman te schrijven, zonder pen of potlood, in zijn hoofd, met zijn ogen dicht.

Hij wil proberen zijn kinderjaren te reconstrueren en terug te vinden wie hij was en hoe hij is opgegroeid. Want het probleem is dat Beigbeder zich niets kan herinneren van zijn kindertijd, de periode tussen 1965 en 1980. Hij heeft slechts één houvast: een beeld van hem en zijn grootvader aan het strand bij Guerthy, aan de Atlantische kust. Zijn opa zeilt platte steentjes over het water die steeds weer opspringen.
Vanuit deze herinnering komt er meer boven en kan hij de jaren terughalen die hij vergeten leek te zijn. Hij vertelt over het landhuis van zijn vermogende grootouders waar hij later nog vaak kwam, over de jaren in Parijs waar zijn ouders uit elkaar gingen en hij en zijn oudere broer voortaan twee levens zouden leiden: eenvoudig en alledaags bij hun moeder, chique en overdadig bij hun vader. Hij schetst hoe hij altijd in de schaduw van zijn broer moest staan, zelfs op dit moment nog, terwijl hij in de cel zit, zal zijn broer geridderd worden in het presidentiële paleis niet ver van hem vandaan.
De zoektocht naar zijn verleden wordt afgewisseld door belevenissen in de cel. Hij wordt voorgeleid aan de officier van justitie en belandt uiteindelijk voor een extra nacht opsluiting in de gevangenis onder het Paleis van Justitie op Ile de la Cité waar middeleeuwse toestanden heersen. Deze hoofdstukken zijn een regelrechte aanklacht tegen het Franse rechtssysteem en het gevangeniswezen. Sterker nog, enkele pagina’s zijn eruit gehaald vanwege de juridische implicaties – ze zouden te beledigend zijn. Met zijn cokegebruik heeft hij niemand anders kwaad gedaan dan zichzelf is zijn redenering, maar een agent vertelt hem dat het onbegonnen werk is om de broeinesten van mensenhandel, kinderporno en cokehandel aan te pakken en dat daarom de gebruikers gestraft worden en op die manier ontmoedigd worden, zodat de vraag afneemt en daarmee ook de ‘productie’. Criminaliteit wordt bestreden met de economische formule van vraag en aanbod.
Er staan mooie vondsten in de tekst die de vlot leesbare stijl op een prettige manier onderbreken waardoor de lezer even aangezet wordt tot nadenken:

L’être humain est un explorateur, peut-être qu’à partir d’un certain âge, il cesse de regarder devant lui, et se retourne. S’il s’est reproduit, il dispose alors d’un guide pour revisiter.

En wanneer hij het leven van zijn ouders naast dat van hem legt, merkt hij scherp op:

La grande différence entre mes parents et moi: dans leur jeunesse les libertés augmentent; durent la mienne elles n’ont fait que diminuer, année après année.

Langzaamaan vormen de fragmenten van Frédérics jeugd een geheel, maar de roman beoogt veel meer te zijn dan een aaneenschakeling van opgehaalde herinneringen:

C’est une histoire d’un garçon mélancholique parce qu’il a grandi dans un pays suicidé, élevé par des parents déprimés par l’échec de leur mariage.
C’est une histoire de la mort de la grande bourgeoisie cultivée de province et de la disparition des valeurs de la veille noblesse chevaleresque.
C’est une histoire d’un pays qui a réussi à perdre deux guerres en faisant croire qu’il les avait gagnées.

Hij zet hoog in, zijn eigen kinderjaren ter illustratie van een veranderend Frankrijk, de teloorgang van de rijke adel, de opkomst van de moderne cultuur, de relaties die stukliepen in de jaren zeventig en zorgden voor een ontheemde generatie die nu in de dertig is en het zelf vaak ook niet lang uithoudt met een en dezelfde persoon.
Velen zullen zich in zijn levensbeschrijving kunnen herkennen, maar nog meer zullen ver afstaan van het milieu waarin Beigbeder is opgegroeid. Als je roman echter als ‘verhaal’ vertaald, dan is Beigbeders leven een Frans verhaal. Niet interessanter dan de levens van anderen, zoals hij zelf aan het einde opmerkt, maar ook niet minder interessant: ‘C’est juste une vie et c’est la seule dont je dispose.’

(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 12 oktober 2010)