vrijdag 18 mei 2012

Koen Peeters - 'Duizend heuvels' (BOEK)


De meeste auteurs beschrijven rechtstreeks de werkelijkheid – hun levensverhaal, de geschiedenis – sec om te laten zien hoe erg het was of hooguit om een visie op de menselijke psychologie te onderbouwen. Koen Peeters is een van de weinige schrijvers die feiten gebruikt voor filosofisch onderzoek.
In De bloemen (2009) gaven de biografieën van zijn vader en grootvader antwoord op de vraag in hoeverre de levens van opeenvolgende generaties op elkaar lijken en in hoeverre ze door omstandigheden kunnen verschillen. In zijn nieuwe roman Duizend heuvels beschrijft hij vanuit verschillende invalshoeken de bloederige geschiedenis van Rwanda, die zijn tragisch hoogtepunt vond in de genocide van 1994, om aan te tonen hoe onkenbaar de geschiedenis blijft.
Alleen indirect, via een droom of een mirakel, kun je de gebeurtenissen uit het verleden benaderen. Praten is zinloos. De Rwandezen zwijgen het liefst – als ze moet spreken, dan indirect of in raadselachtige spreekwoorden. Wetenschappelijk onderzoek heeft evenmin nut. Iedere bron is gekleurd door zijn eigen bril – de Europese bril van de kolonisatoren en missionarissen bijvoorbeeld, die het uiteindelijk zo fatale onderscheid tussen Hutu’s en Tutsi’s definitief vastlegde.
Peeters stapt met Duizend heuvels in de voetsporen van Laurent Binets HhhH of het vrijwel gelijktijdig verschenen Vrij man van Nelleke Noordervliet. Ook die auteurs thematiseren de ongrijpbaarheid van het verleden. Maar niemand doet dat zo lyrisch als Peeters. Zijn toon is weliswaar zakelijk en realistisch, maar de inventieve structuur, geeft het verhaal een poëtische kracht.
Het is die literaire kwaliteit die het filosofisch onderzoek achter Duizend heuvels zo mooi maakt.

Koen Peeters - Duizend heuvels (296 p.) - De Bezige Bij Antwerpen, € 19,95, ISBN 978 90 8542 341 6

(Eerder gepubliceerd in BOEK 4, 2012)

donderdag 17 mei 2012

Lees ik wat iedereen leest?


In de Bestseller 60 van deze week: de Libris Literatuurprijs winnende requiemroman, dat de afgelopen week het een na best verkochte boek was. Voor het eerst in vijf jaar hebben de boekhandelaren van de sponsor weer een winnaar die ze goed kunnen verkopen. Eindelijk, dachten ze na de uitreiking allemaal. Sleur is een roofdier van D. Hooijer (winnaar 2008) kwam binnen op 22, steeg daarna door naar 10 en hield het vijf weken in de lijst vol. Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst (winnaar 2009) kwam binnen op 12 en steeg daarna door naar 11. Het boek bleef acht weken in de lijst staan. Kleine dagen van Bernard Dewulf (winnaar 2010) kwam binnnen op 25, en steeg door naar 20. Na drie weken was het boek uit de lijst verdwenen. De maagd Marino van Yves Petry (winnaar 2011) kwam binnen op 41, steeg door naar 38 en verdween toen direct uit de lijst. Hoe lang zal Tonio van A.F.Th. van der Heijden in de lijst staan? Voor het verkoopeffect van de AKO Literatuurprijs, zie hier.

3 Paulien Cornelisse - En dan nog iets
14 Paulien Cornelisse - Taal is zeg maar echt mijn ding
31 Jamie Oliver - Jamie in 30 minuten
57 Jonathan Safran Foer - Extreem luid & ongelooflijk dichtbij

woensdag 16 mei 2012

De oma’s van Carlos Fuentes schreven de helft van zijn boeken (AD)


De deze week op 83-jarige leeftijd overleden Carlos Fuentes heb ik één keer in levende lijve gezien. Meer dan vijf geleden in Den Haag, waarover ik voor het Algemeen Dagblad verslag deed.

DEN HAAG - ,,De verantwoordelijkheid van een schrijver is alleen maar groter geworden. Een schrijver moet met zijn verbeelding en zijn taal de lezer een andere versie bieden van de platte werkelijkheid van alledag.’’
Carlos Fuentes brak zaterdagavond een lans voor het belang van schrijvers in de moderne maatschapprij. De wereldberoemde Mexicaanse auteur werd in de Border Kitchen, de salon van het Crossing Border Festival, geïnterviewd door literair journaliste Margot Dijkgraaf.
,,Pablo Neruda vertelde me ooit dat schrijvers voor de natie spreken’’, zei Fuentes. ,,In zijn tijd was dat ook zo: in de Latijns-Amerikaanse dictaturen sprak het niet vanzelf dat je je mening kon geven. Gewone boeren en arbeiders werden ook niet gehoord. Nu klinken de woorden van Neruda aanmatigend, omdat er in Zuid-Amerika parlementen, vakbonden en kranten zijn. Maar het belang van verbeelding en taal is onverminderd.’’
Tegelijk relativeerde de 78-jarige schrijver de waarde van de schone letteren: ,,De literatuur is als een mooie prinses die roept: ‘neem me, neem me’. Als je haar laat liggen, prima. Maar als je haar neemt, moet je haar helemaal nemen.’’
Voor Fuentes was het al vroeg duidelijk dat hij zijn leven zou wijden aan deze mooie prinses. Zijn ouders vernoemde hem naar een jong aan de tyfus bezweken oom die gedichten schreef. Zeven jaar oud begon Fuentes met schrijven, vier jaar later debuteerde hij al in een Chileense krant. ,,Het lot van een koperen munt, het was het soort verhaaltje dat je schrijft als je elf bent.’’
Tijdens zijn jeugd als diplomatenzoon verbleef hij langdurig in het buitenland. Toch sprak het voor Fuentes vanzelf dat hij in het Spaans zou schrijven: ,,Ik droom in het Spaans, ik kan alleen in het Spaans de liefde bedrijven – ontdekte ik als jongeman, en ik kan alleen beledigen in het Spaans. Noem me motherfucker en het doet me niets. Noem me hijo de puta en oei oei oei.’’
Zijn afkomst bepaalde ook de sterke invloed van politiek in zijn werk. ,,Mijn vader was iedere dag bezig Mexico te verdedigen. In de jaren ‘30 stond Mexico vaak onder vuur. Ook ik kreeg ermee te maken. Op school in Washington was ik populair. Tot president Cardenis in 1938 tot woede van Amerika de olie nationaliseerde. Opeens waren mijn klasgenoten boos op mij.’’
Alleen zomers was de jonge Fuentes in Mexico. Daar verbleef hij bij zijn oma’s. ,,Zij waren minstens zo belangrijk voor mijn schrijverschap, door alle verhalen die zij mij vertelden. Eigenlijk hebben zij de helft van mijn boeken geschreven.’’

(Eerder gepubliceerd in Algemeen Dagblad, 17 december 2006)

zaterdag 12 mei 2012

Verhalenbundels van Sander Kollaard en Gilles van der Loo (BOEK)


Twee debutanten die, begeleid door radiospotjes, tegelijkertijd een verhalenbundel publiceren. Als uitgever moet je een stunt bedenken om korte verhalen op de markt te brengen, zoals uitgeverij Van Oorschot heeft gedaan, anders is er helemaal geen belangstelling voor. Dan dringt de gedachte zich op dat tenminste een van de twee schrijvers er met de haren is bijgesleept om de marketingactie te kunnen uitvoeren. In het geval van Sander Kollaard en Gilles van der Loo geldt dat echter niet.
Kollaard valt op door zijn meanderende, mijmerende zinnen. In ieder verhaal probeert hij – tevergeefs – met precieze beschrijvingen de ongrijpbare emoties van zijn alter ego Erik van Duijn op de staart te trappen. Vaak geeft dat een mooi melancholiek effect. Het best lukt dat in ‘En Dassajev verbijsterd achterliet’. Wat aanvankelijk een heldere analyse lijkt te zijn van de magische goal van Marco van Basten in de finale van het EK 1988 mondt onverwacht uit in een ontroerende bespiegeling over troost. Wat biedt meer troost: het geloof of het geluk van het alledaagse?
Van der Loo schuwt juist het opzichtig autobiografische, en veel meer dan op sfeer en emotie mikt hij op plot. In zijn verhalen schetst hij personages van wie je gaandeweg weet wat hen drijft (‘Redención’), hoe hun onderlinge verhouding is (‘Palermo’) of wat hen overkomen is (‘De plantage’). De ontknoping is zelden verrassend, maar Van der Loo weet in de beste verhalen, even verzorgd geschreven als die van Kollaard, precies zo weinig te vertellen dat er als lezer nog iets te raden over blijft.
Welke van de twee de beste is, is eigenlijk niet te zeggen. Dat is een kwestie van smaak: van wat voor proza hou je het meest? Maar dat Van Oorschot ze allebei heeft uitgegeven, is volkomen terecht.

Sander Kollaard - Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (166 p.) - Van Oorschot, € 17,50, ISBN 978 90 282 4189 3
Gilles van der Loo - Hier sneeuwt het nooit (216 p.) - Van Oorschot, € 17,50, ISBN 978 90 282 4187 9

(Eerder gepubliceerd in BOEK 4, 2012)

donderdag 10 mei 2012

Joost Nijsen - 'ABC van de literaire uitgeverij'


Joost Nijsen besluit het Abecedarium over de literaire uitgeverij, geschreven ter gelegenheid van het 15-jarig jubileum van zijn eigen literaire uitgeverij: Podium, met een citaat dat in meer non-fictieboeken thuis hoort. Hij vond het in het 82 jaar oude De uitgever en zijn bedrijf van J. Tersteeg: ‘Is hiermede nu alles van den uitgever en zijn bedrijf gezegd? Dit zou slechts in een omvangrijk boekdeel mogelijk zijn. (...) Zal dus nu de lezer, die zich spitste op een leidraad door alle détours van het vak, teleurstelling gevoelen? Hij wijte het aan zijn te hoge verwachtingen.’
Inderdaad had ik te hoge verwachtingen van ABC van de literaire uitgeverij. Ik had gehoopt dat Nijsen in zijn alleszins amusante en prettig leesbare boek minder aan de leek zou uitleggen waarvoor pre-empt vakjargon is, waarom interne subsidiëring belangrijk is of wat een Franse pagina is. Dat weet ik allemaal wel na zelf meer dan tien jaar het vak van dichtbij te hebben gevolgd. Ik had graag gezien dat Nijsen veel meer een voorschot op zijn mémoires had genomen, zoals hij in de inleiding zegt dat zijn boek soms óók is. Anekdotes had ik gewild. Bekentenissen. Een onbeschaamde blik achter de schermen. Liefst met naam en toenaam.
Maar helaas. Slechts een enkele keer biecht hij iets op. Dat hij inderdaad ooit gevraagd is om De Bezige Bij te leiden. Dat er A-, B- en C-auteurs zijn. Dat uitgevers vaak moeten bluffen. Of welke titels hij ooit heeft afgewezen: Het refrein is Hein van Bert Keizer, Wilde zwanen van Jung Chang en The Diary of Bridget Jones van Helen Fielding. Maar een diepe inkijk in zijn relatie met sterauteurs Ronald Giphart en Kluun? Of de reden waarom Manon Uphoff naar een andere uitgeverij is overgestapt? Daarvoor zal ik moeten wachten tot Nijsen daadwerkelijk zijn mémoires publiceert. Zo oud is hij nog niet, dus dat wachten zou nog wel eens twee decennia kunnen duren.
Overigens vond ik het interessant om Nijsens visie te lezen op al die rollen die ik in verleden en heden voor uitgeverij Podium heb gespeeld: lector, inval-redacteur, ghostwriter (van een boek van Ruud de Wild), freelancer, recensent en jurylid. Al had hij ook in deze lemma’s best persoonlijker mogen zijn. 

Joost Nijsen, ABC van de literaire uitgeverij, Podium 2012

woensdag 9 mei 2012

A.F.Th. van der Heijden: een Libris-winnaar om vrede mee te hebben (Knack)


De uitreiking van de Libris Literatuurprijs 2012 aan Tonio van A.F.Th. van der Heijden had een ingetogen karakter. Voor zo’n pijnlijk boek durft niemand hardop te juichen.

Kun je de auteur van een rauw boek over het dodelijke ongeluk van zijn zoon laten opdraven voor zoiets triviaals als een literaire prijsuitreiking en hem vervolgens níet bekronen? Een half jaar geleden verweten kwaadsprekende critici de jury van de AKO Literatuurprijs dat ze Tonio van A.F.Th. van der Heijden daarom niet durfden te nomineren. Nu kunnen ze beweren dat de Libris-jury voor hetzelfde dilemma is gezwicht. Met dit verschil dat deze jury Van der Heijden wel nomineerde en zich dus gedwongen zag hem de prijs toe te kennen.
De Libris Literatuurprijs voor Tonio beroofde de avond van zijn feestelijkheid. Als de uitgesproken favoriet daadwerkelijk wint voelt dat altijd als een anticlimax. Maar in dit geval speelde meer. De beschreven rouw van Van der Heijden is zo wanhopig, zo echt en twee jaar na de ramp nog zo zichtbaar in het aangeslagen gezicht van de auteur dat niemand uitgelaten kan juichen. Ook zijn uitgever Henk Pröpper van De Bezige Bij niet. Ook de aanwezige boekverkopers van de sponsor niet, die voor het eerst in vijf jaar een commercieel interessante winnaar hebben.
Op een normale Libris-uitreiking storten fotografen, journalisten en vrienden zich in het Amstel Hotel direct op de winnaar, waarna de spanning uit de zaal vervliegt en iedereen opgewonden met elkaar napraat. Nu bleven de aanwezigen zitten na het dankwoord dat Henk Pröpper namens de auteur uitsprak in afwachting van het interview met de winnaar dat Nieuwsuur later zou uitzenden. En toen dat een half uur later had plaatsgevonden – Van der Heijden beleefd en welbespraakt als altijd – was het moment voorbij. Die typische sfeer als van een post-coïtus bleef uit.
Lang had Van der Heijden zich niet kunnen voorbereiden op de overwinning. In het diepste geheim had de Nederlandse omroep een uitzendwagen om de hoek bij Van der Heijden geparkeerd. Pas een uur voor de bekendmaking werd bij hem aangebeld om hem het goede nieuws te vertellen en te vragen of ze hem mochten filmen. Zelfs na afloop wilde de organisatie nog niet kwijt hoeveel moeite het had gekost om de geheimhouding te bewaren. De kans moest zo klein mogelijk worden gemaakt dat een geïnformeerde passant de naam van de winnaar zou twitteren.
De andere genomineerde auteurs hadden vrede met deze laureaat. Jan van Mersbergen en Ivo Victoria dropen snel af naar de bar om hun teleurstelling weg te drinken – vooral bij de eerste was die toch wel groot. Maar Miquel Bulnes haalde zijn schouders op: zo gaat dat, volgende keer beter – om vervolgens zijn dessert alsnog te nuttigen. En Jan Van Loy erkende het jammer te vinden dat hij niet had gewonnen, maar maakte geen ontgoochelde indruk. Jeroen Brouwers, de laatste van de zes genomineerde, was zo gebruikelijk niet aanwezig bij de uitreiking.
Toch hadden de vijf verliezers alle redenen om zich boos te maken. Omdat de Libris-prijs uitsluitend voor romans is bedoeld, zou Tonio niet eens in aanmerking mogen komen. Tijdens het voorlezen van de juryrapporten bleek nog eens hoezeer de jury zich in alle bochten had moeten wringen om het boek tot een roman te bestempelen. Iedereen weet dat Van der Heijden een op een de werkelijkheid heeft beschreven, hoe literair gestileerd ook. Maar jurylid Theo Hakkert sprak in zijn laudatio onomwonden van personages met de namen Adri, Mirjam en Tonio.
Waarom schopte niemand daar toch een relletje over? Een auteur van een rauw boek over het dodelijke ongeluk van zijn zoon doe je dat natuurlijk niet aan. En Tonio is een schitterend boek – of het nu een roman is of niet.

(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 8 mei 2012)

Zie ook:

dinsdag 8 mei 2012

Joost Nijsen over het bluffen van uitgevers en juryleden


Heeft een uitgever tijd om te lezen, vraagt Joost Nijsen zich in zijn ABC van de literaire uitgeverij onder het toepasselijke lemma ‘bluffen’ af. Overdag is het te druk. ‘s Avonds ook steeds meer door de wildgroei aan literaire festivals, prijsuitreikingen en media-optredens. Dus Nijsens eerlijke antwoord is het instemmend citeren van oud-collega Maarten Asscher: ‘Overdag  lezen is er op een literaire uitgeverij nauwelijks bij. Gelukkig zijn er vele manieren om een boek te lezen, variërend van tien minuten tot een heel weekend.’ Zo probeert de uitgever toch net voldoende kennis van boeken op te doen om nieuwe auteurs te ontdekken, het contact met fondsauteurs te onderhouden en andere auteurs te verleiden – heel subtiel uiteraard – om over te stappen. Maar waar het mij nu om gaat: Nijsen constateert terecht dat niet alleen uitgevers te weinig tijd hebben om te lezen. Schrijvers, agenten, boekverkopers, minder actieve leden van leesclubjes – iedereen verdenkt hij ervan niet zo veel te lezen als zou moeten en zich daarom belezener voor te doen dan hij is. En dan komt het: ‘Wat er in de leesstoelen van de critici en juryleden aan pagina’s overgeslagen wordt weten we niet.’ Daar zou ik nog eens een boekje over willen open doen, nog eerlijker dan Nijsen over zíjn vak vertelt.

Zie ook:

zondag 6 mei 2012

Des romans français: Jean Echenoz, 'Des éclairs'


Iedere ochtend eenentwintig smetteloze servetten

Met Des éclairs sluit Echenoz een serie van drie romans af over de levens van beroemdheden die wellicht wat in de vergetelheid dreigen te raken. Niet hun namen, wel hun levens. Na de romans Ravel en Courir (over de langeafstandloper en Olympisch kampioen Emil Zátopek) is nu Nikola Tesla de hoofdpersoon, al krijgt hij in het boek een andere naam: Gregor.

Hoewel het leven van deze geniale uitvinder bijzonder en turbulent was, blijft Echenoz dichtbij Gregor en schetst hij tussen de grootse uitvindingen het tragische en eenzame leven dat deze man geleid moet hebben. Zoveel roem en succes kan tenslotte niet anders dan een keerzijde hebben.
Geboren tijdens een heftige onweersbui in een afgelegen gebied in Zuid-Europa geeft hij al snel blijk van een hoge intelligentie en veel leergierigheid waardoor hij na enkele studies uiteindelijk in New York terecht komt. Daar gaat hij werken voor Thomas Edison en overtroeft diens ontdekking van de gelijkstroom met zijn eigen uitvinding van de wisselstroom. Vervolgens begeeft hij zich onder de jetset en ontmoet hij rijke industriëlen die zijn uitvindingen subsidiëren. Op congressen presenteert hij vol overgave zijn nieuwste ideeën en hij schuift aan bij exclusieve diners om te netwerken. Maar uiteindelijk trekt hij zich het liefst terug in zijn hotelkamer of in zijn laboratorium om zich over te geven aan zijn immer ratelende brein waaruit de meest fantastische ideeën worden geboren. Vondsten waarmee hij aan de slag gaat, maar die hij niet uitwerkt, waardoor anderen ermee aan de haal gaan (zoalde Röntgen met de X-ray en Marconi met de radio). Dat gegeven, samen met zijn onzakelijkheid zullen uiteindelijk tot zijn ondergang leiden.
Op knappe wijze verweeft Echenoz fictie en biografische feiten. Wie de Wikipedia-pagina van Nikola Tesla erop naleest, herkent er zonder meer Gregor in. Maar hoewel de schrijver Gregor ook de eigenaardigheden geeft die toegeschreven werden aan Tesla, krijgt de lezer toch meer te zien dan alleen de uitvinder.

Quand il descend au salon, vingt et une serviettes immaculées se trouvent empilées par avance sur la table attribuée à Gregor. Pourqoui tant de serviettes pour un homme seul, dites-vous : eh bien parce que sa hantise des microbes est devenue telle qu'il lui faut, avant de manger, soigneusement nettoyer lui-même ses couverts, ses assiettes et ses verres, même si les cristaux du salon des palmiers étincelles aussi fort que son argenterie. Et pourqoui spécialement vingt et une, insistiez vous : eh bien, on vous l'a dit, parce que c'est divisible par trois donc bien mieux, presque aussi bien que l'adresse de son laboratoire, 33 Third Avenue.

Echenoz (die ons op amusante wijze nauw bij het verhaal betrekt) legt hier een persoonlijk aspect bloot dat later voor een groot contrast zal zorgen. Gregor heeft moeite met het aangaan van persoonlijke relaties, laat staan intieme relaties met vrouwen. De enige levende wezens waar hij zich om zal bekommeren en voor wie hij zelfs wil zorgen zijn de duiven uit het park en ondanks zijn smetvrees neemt hij zelfs gewonde exemplaren onder zijn jas mee naar zijn hotelkamer. Tegenover de uitvindingen die invloed zullen hebben op de hele mensheid staan deze nietszeggende en fragiele vogels.
De jaren glijden voorbij en zijn uitvindingen worden, omdat zij hun tijd ver vooruit blijken te zijn (hij presenteert zelfs het concept van internet), met steeds meer scepsis ontvangen. Investeerders trekken zich terug en hij steekt zich diep in de schulden om nog een beetje het leven te kunnen blijven leiden waar hij zo gewend aan was.
Tegen het einde van het boek maakt Echenoz sprongen van tien jaar en laat hij een steeds oudere, excentriekere en wereldvreemdere man zien. Dit is wat overblijft van iemand die ooit roemvol bovenop de berg stond en langzaam afdaalt naar het dal waar hij nooit meer uit zal opklimmen. Af en toe borrelt er nog een superieure uitvinding in hem op, maar voornamelijk luistert hij naar het onweer en bekommert hij zich om de duiven in het park, tot die zelfs niets meer van hem moeten hebben.

Personnellement je n'en peux plus, de ces pigeons. Vous n'en pouvez plus également, je le sens bien. Nous n'en pouvons plus et, en vérité, ingrats et versalites comme ils sont. Eux-mêmes n'en peuvent plus de Gregor. Fatigués de sa personne et jugeant trop à la baisse la qualité de ses approvisionnements, ils sont donc décidé de s'en défaire.

Zelfs de schrijver lijkt zich hier van Gregor af te keren en benadrukt daarmee dat het niet uitmaakt hoe beroemd en gevierd men is: achter ieder leven schuilt uiteindelijk een persoonlijke tragiek en een eenzaamheid die niets of niemand kan wegnemen.

(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 1 dec 2010)

donderdag 3 mei 2012

Joost Zwagerman is aanwezig

Er was een tijd dat Joost Zwagerman synoniem stond voor postmodernisme. Wie over Zwagerman schreef, zei er altijd bij: de postmoderne auteur. Hij was de schrijver die gretig hoge en lage cultuur vermengde, ongegeneerd speelde met literaire verwijzingen en citaten van anderen, naar hartenlust verschillende stijlen door elkaar gebruikte en zich bij voorkeur liet inspireren door de actualiteit.
Zelf hielp de op 18 november 1963 in Alkmaar geboren auteur graag mee dit beeld in stand te houden. Hij ventte zijn literair credo stellig en vastberaden uit. Zelfs over de Zwagergids, een blaadje dat hij op negenjarige leeftijd samenstelde uit foto’s en teksten uit de VARA-gids, zei hij: ‘Ik annexeerde, plagieerde en componeerde – misschien was ik wel de jongste postmodernist van Nederland.’
De reputatie was niet ten onrechte. Toen de Nederlandse poëzie in de jaren tachtig van de vorige eeuw hermetisch en verstild hoorde te zijn, toonde Zwagerman durf, vitaliteit, fantasie en vrijheid. In Langs de doofpot (1987) en De ziekte van jij (1988) mengde hij vrolijk Vijftigers-idioom en anti-hermetiek met woordspelletjes, alledaagse tussenwerpsels, ludieke neologismen en stijlbreuken.
Ook in zijn proza verrijkte hij het echte leven dat hij beschreef – de losbandige, van cocaïne verzadigde kunstenaarsscene in de jaren tachtig in Gimmick! (1989), de wereld van de prostitutie in Vals licht (1991) en de buitenwijken en allochtone gemeenschappen in De buitenvrouw (1994) – met literaire verwijzingen, samples en commentaren die Zwagermans belezenheid verraadt.
Sommige kwaadsprekers deden zijn werk af als overschrijverij, maar Zwagerman heeft zich er nooit iets van aangetrokken. Hij knipte en plakte erop los. Hij recyclede, parodieerde, kopieerde, flirtte met intertekstualiteit, citeerde, gapte, plagieerde, grabbelde en bovenal: hij had plezier. Dat lees je aan al zijn werk af: dat de auteur met plezier achter zijn bureau heeft zitten schrijven.

Tegenwoordig is postmodern niet meer het vanzelfsprekend epitheton voor Joost Zwagerman. Lees de biografie op de eigen site van de schrijver. Nergens valt het p-woord. De schrijver legt de nadruk op essayistiek. Meer dan de auteur van Gimmick!, zijn belangrijkste roman, of Roeshoofd hemelt, zijn belangrijkste dichtbundel, is hij de auteur van beschouwende stukken geworden.
Ook dat is niet ten onrechte. Wie het recente werk van Zwagerman voor de geest haalt, denkt: de lijvige essaybundel Transito die werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2007. De gedreven columns voor NRC Handelsblad. Het pamflet De schaamte voor links. Of de bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, dat in het najaar 2008 verschijnt.
Zijn meest opvallende eigenschap als essayist is zijn talent voor bewondering. In veel stukken over popmuziek, literatuur en beeldende kunst schrijft hij met aanstekelijk enthousiasme over zijn helden: kameleontische artiesten, schrijvers die de flirt met seks, drugs en rock-’n-roll verliezen, kunstenaars die met totale overgave durven te stelen van hun voorgangers. Van Andy Warhol tot Madonna.
Naarmate hij langer actief is als essayist, verbreedde hij zijn onderwerpkeuze aanzienlijk. Zo schreef hij in Door eigen hand uitputtend over zelfmoord en analyseerde hij in De schaamte voor links de onmacht van de progressieve elite om een antwoord te geven op de problemen van deze tijd. In zijn columns, die hij alweer tien jaar schrijft, snijdt hij steevast de brandende kwesties van het moment aan.
De Gouden Ganzenveer is voor hem ook vooral een bekroning voor deze ontplooiing, zei hij in Boekblad.

Bij deze gedaantewisseling als schrijver is één constante. Zwagerman is aanwezig. Hij verstuurt niet vanuit zijn ivoren toren proza, poëzie en beschouwingen de wereld in. Hij verlaat geregeld zijn werkkamer om zijn oeuvre te verdedigen en te promoten en hij neemt nadrukkelijk stelling – of het nu gaat om een protest tegen de navelstaarderij in de Nederlandse letteren of de verwarring bij links.
Al direct nadat in 1984 zijn eerste verhalen verschenen in literaire tijdschriften als Tirade, De Revisor en Optima en twee jaar later De Arbeiderspers zijn debuutroman De houdgreep publiceerde, roerde Joost Zwagerman zich. Hij schreef ‘het meestbelovende debuut sinds jaren’ (Vrij Nederland). Hij was ‘de kroonprins van de Nederlandse literatuur’ (De Tijd). En de wereld mocht weten wat hij vond.
Als dichter wierp hij zich op als woordvoerder van de Maximalen die zich in 1988 presenteerden. Namens jonge dichters als René Stoute en Arthur Lava proclameerde hij in ‘Het juk van het grote Niets’ de toekomst van de Nederlandse poëzie. Hij verwierp de tegenstelling tussen anekdotische en hermetische poëzie en pleitte voor een poëzie die ‘krachtig en vol lawaai, ronkend en licht vandalistisch is’.
Ook als romanschrijver veroorzaakt Zwagerman veel rumoer. Na de grootse presentatie in Paradiso van Gimmick!, een vrolijke avond met Hans Liberg en Soviet Sex, schreef De Groene Amsterdammer dat ‘de Veronica-sound de literatuur was binnen gemarcheerd’. De gedetailleerde beschrijving van de seks, drugs en roll-’n-roll in het Amsterdamse kunstenaarsmilieu maakte van de roman een schandaalsucces.
In het drie jaar later verschenen Vals licht, later verfilmd door Theo van Gogh met in de hoofdrol Amanda Ooms en Ellik Bargai, werd televisiepresentator Ron Brandsteder herkenbaar geportretteerd als hoerenloper. ‘Die olijke presentator met zijn vette grijns en o zo spontane geintjes’, in Zwagermans beschrijving, was not amused toen roddelbladen de fictie voor werkelijkheid presenteerden.
Maar om het rumoer zelf, is het de schrijver nooit te doen geweest. Zwagerman is een serieus auteur. De literaire kwaliteit staat voor hem voorop. Dat bewees hij door in de tweede druk van Vals licht de Brandsteder-passage te herschrijven. De ophef leidde te veel af van waar het boek echt om draait. Ook de verwijzing naar het hoerenbezoek van Sting moest sneuvelen.

Met zijn inzet, zijn stellingname in het publieke debat en rumoer dat hij wist los te maken, bereikte Zwagerman wel waar hij als negenjarig jongetje van droomde. Hij groeide uit tot de meest gelezen auteur van zijn generatie. Op zijn veertigste verjaardag, maakte de uitgeverij bekend, stond de teller – exclusief vertalingen in onder meer het Duits, Frans en Japans – op 800.000 verkochte exemplaren.
Het is een lezersschaar die Zwagermans postmoderne proza en poëzie én zijn fascinerende essays verdienen.

(Eerder gepubliceerd in de uitgave Gouden Ganzenveer 2008)


Zie ook:
- Joost Zwagerman en Gerrit Komrij in gesprek over kunst
- Joost Zwagerman, 'Alles is gekleurd'

maandag 30 april 2012

Interview: Dimitri Verhulst over 'De laatste liefde van mijn moeder' (HP/De Tijd)


Tien jaar geleden deed zijn moeder hem een proces aan. Dimitri Verhulst zou in zijn debuut haar fysieke integriteit hebben aangetast. Nu verwerkt de Vlaamse schrijver in De laatste liefde van mijn moeder de beslissende gebeurtenis uit zijn jeugd: hoe zijn moeder ertoe kwam haar elfjarige zoon het huis uit te gooien. Verwacht Verhulst een nieuw proces? Hij weet niet eens of ze nog leeft.

Twee schoenendozen vol souvenirs

Een stad met een ziel, noemt hij Luik. Een stad van rijkdom en armoede. Een stad met een bisschoppelijk en arbeideristisch verleden die een perfect evenwicht met elkaar hebben gevonden, vertelt hij. De stad van Simenon ook. “Toen ik hem begon te lezen, merkte ik direct aan zijn meest psychologische romans dat hij in Luik de mosterd is komen halen. Hij verwenste de stad wel, maar dat had misschien meer met zijn moeder te maken.” Had hij daar een slechte band mee? “Naar het schijnt, ja.”
Twintig minuten met de auto hiervandaan, op een groene heuvel midden in de Waalse natuur, woont de schrijver Dimitri Verhulst (1972). Zijn vriendin heeft hem afgezet bij brasserie Au Point de Vue en is daarna boodschappen gaan doen. “In november is het zeven jaar geleden dat ik hier naartoe trok. Om heel veel redenen. Echt heel veel, maar ik ga je ze allemaal geven.”
Hij praat over de Vlaamse zelfvoldaanheid die hij beu was. Het racisme waarmee over Walen wordt gesproken. Zelfs een premier durft te zeggen dat Walen intellectueel niet in staat zijn Nederlands te leren. Over de natuur die in Wallonië zo veel mooier is. “Bonsaiboompjes in vitrines van winkels, dat is de Vlaamse natuur – en dat is nog beschermd ook omdat er niets anders is.” Over de andere taal in zijn omgeving die hem minder gevoelig heeft gemaakt voor hypes in de taal waarin hij schrijft. “Ik heb zoiets van. Sinds een jaar of vijf gebruikt iedereen dat in Vlaanderen. Verschrikkelijk. Alsof je zinnen prefab kan kopen bij de Ikea.”
En over de roem. “Ik krimp nog altijd in elkaar als ik word herkend in een café. Ik sta het wel toe, als iemand met me op de foto wil. Ik ben geen norse Willem Frederik Hermans. Maar ik kan er slecht mee overweg. Hier heb ik geen last van mijn bekendheid. Vooralsnog dan: vanavond wordt in Luik de verfilming van De helaasheid der dingen op een groot scherm in de open lucht vertoond.”

De laatste reden is verrassend. Is het Dimitri Verhulst niet om de roem te doen? Dat lijkt hij in ieder geval wel te suggereren in zijn nieuwe roman. De laatste liefde van mijn moeder beschrijft de traumatische breuk tussen de elfjarige Jimmy en zijn moeder. Op een vakantie in het Zwarte Woud blijkt ze zwanger van haar nieuwe vriend. Wil ze soms met die geparfumeerde arbeider een nieuw gezin stichten zonder Jimmy? Hij voelt zich verraden. Zo uit het nieuwe leven van zijn moeder te worden geduwd. Hij zweert wraak: door een beroemde filosoof te worden zal ‘op een dag zijn naam haar in het gezicht slaan. En hard.’.
Het trauma van Jimmy is gebaseerd op de levensgeschiedenis van Verhulst zelf. Hij was elf jaar toen hij door zijn zwangere moeder van de ene dag op de andere dag het huis uit werd gezet: terug naar zijn alcoholistisch vader, waar hij het chaotische leven leidde tussen de marginalen dat hij beschreef in zijn grote doorbraak De helaasheid der dingen (2006). Op woensdag kondigde zijn moeder haar besluit aan, op zaterdag moest hij weg zijn – hij kreeg niets meer mee dan twee schoenendozen vol souvenirs. Sindsdien heeft hij zijn moeder nog maar zelden gezien.
“Ik heb er zelf geen trauma aan overgehouden,” relativeert Verhulst. “Ik heb maar één licht trauma: ik kan zeer moeilijk tegen geweld. Tien jaar lang heb ik geleefd in een gezin waarin elke dag ruzie was. Elke dag oorlog, elke dag vechten. Als ik nu dingen zie stuk gooien reageer ik daar slecht op. Maar met mijn moeder heb ik niets af te reageren. Misschien omdat ik het op het moment zelf helemaal niet als bizar heb ervaren. Zo ging het gewoon. Pas later in mijn leven heb ik gemerkt dat ik iets redelijk unieks heb meegemaakt.”

Je bent geen schrijver geworden uit wraak?
“Ik heb me dat natuurlijk afgevraagd. Maar dat idee klopt niet. Toen we in het tweede leerjaar voor het eerst zelf een vol verhaal mochten lezen, dacht ik: fantastisch, dat wil ik ook, verhalen vertellen. Pros de oude herder, heette dat boek. Daarna deed ik niets anders. Toen ik nog bij mijn moeder woonde, was ik iedere dag bezig met schrijven.”

Misschien had je de motor al, maar waren de wraakgevoelens de benzine die hem op volle toeren deed draaien?
“Nee, echt niet. Ik heb wel eens in een interview gelezen dat Ischa Meijer, die ook door zijn moeder is buitengegooid, bij een boek van zichzelf in de etalage dacht: misschien ziet mijn moeder dat ook en beseft ze nu dat die kleine geniaal is. Die gevoelens bestaan dus wel, maar ik heb ze niet. Voor mij is roem een neveneffect. Zoals een arbeider in de Sovjet-Unie beroemd kon worden als hij iedere dag zeven ton steenkool naar boven haalde, zo vergaar ik ook roem. Door gewoon mijn werk goed te doen.”

Verhulst heeft een reputatie opgebouwd zijn familie ernstig te bruuskeren. Zijn moeder was zo kwaad op de beschrijving die hij van de dikke, waanzinnige moeder gaf in zijn debuut De kamer hiernaast (1999) dat ze hem een proces aandeed. Net als zij heette de moeder in het boek Nicole, het moest wel een afrekening met haar zijn. Ze eiste dat het boek uit de handel werd genomen en een half miljoen Belgische frank schadevergoeding (circa 22.000 euro) voor iedere dag dat auteur en uitgeverij in gebreke bleven. Ook in hoger beroep verloor ze.
Zeven jaar later riep De helaasheid der dingen woede op bij zijn ooms. Waren zij zulke malloten die alleen maar zopen? Werkschuw tuig? Zeker toen de succesvolle verfilming van Felix van Groeningen elf maanden geleden in première ging, lieten de ooms zich door alle media interviewen om hun beklag te doen: hij zit daar veilig en ver in Wallonië en laat ons elke dag met de schande.
Waarom boog hij zich na de eigenzinnige geschiedenis van de mensheid Godverdomse dagen op een godverdomse bol, vorig jaar bekroond met de Libris Literatuurprijs, in hemelsnaam weer over zijn eigen leven? “Als ik slim was geweest, had ik er tien jaar mee gewacht. Maar ik ben niet slim. Ik dacht: ik heb stilistisch en mentaal de maturiteit bereikt om dit nu te schrijven. Twintig jaar geleden zou de verleiding te groot zijn geweest om van mijn moeder een karikatuur te maken en er lacherig over te doen. Nu kan ik alle karakters gelijkelijk berechten.”
Verhulst vindt het ook zijn ‘plaats in de wereldliteratuur’ om geschiedenissen te schrijven zoals ze zich in zijn leven hebben voorgedaan. “Eeuwenlang was iedere armoedzaaier bij geboorte ertoe veroordeeld om nooit literatuur te kunnen maken. Alleen burgerlijke types als Couperus schreven over hun verveling. Ik behoor tot de eerste generatie die onderwijs heeft genoten en zo toch een kans heeft gekregen. Ik moet ervoor zorgen dat de verhalen van deze groep mensen vertegenwoordigd is in de literatuur.”
Vergeet ook niet de functie van schrijvers om te praten over de taboes waarover iedereen zwijgt. “Iedereen doet alsof moederliefde een vaststaand gegeven is en moeders per definitie voor hun kinderen kiezen. Soms haten ze hun kind omdat hij toevallig vreselijk lijkt op een man die ze haten. Zoals Jimmy. Toen ik in een gezinsvervangend tehuis zat, heb ik genoeg moeders zien komen die hun kind brachten. Hier, ik moet hem niet meer. Maar juffrouw, kinderen worden hier geplaatst door de jeugdrechter. En dan zei zo’n vrouw: het zal me worst wezen. En weg waren ze. Zonder kind.”

Beschrijf je de moeder echt evenwichtiger?
“Ja. In De kamer hiernaast is de moeder minder uitgediept. Je voelt daar zit wrok achter. In De laatste liefde van mijn moeder komt alleen Wannes, de minnaar van de moeder, er minder fraai vanaf. Vooral naar het einde toe: dan is hij bijna inhumaan.”

Toch ervaart de lezer dat niet zo. Eerst wordt de moeder neergezet als slachtoffer van een gewelddadige man. Een sympathiek personage dus. Als zij dan haar eigen zoon verraadt komt dat des te harder aan.
“Nee. Zij is een vrouw die zich plots in een situatie bevindt waarop zij nooit meer had gerekend. Ze heeft kans op amoureus, huiselijk geluk. Dat boezemt haar zo veel angst in dat ze Wannes zoveel mogelijk tegemoet wil komen. Ze gaat ieder compromis uit de weg uit vrees dat dat haar geluk zal afzwakken. En dus moet Jimmy weg.”

Haar slechtheid begint met kleine dingen: in een bus op weg naar het Zwarte Woud eet ze voor de ogen van Jimmy de ene chocoladereep na de andere. Hem geeft ze niets.
“Maar dan is ze zwanger. Ze heeft een vreetkick die zwangeren hebben. Alleen weet de lezer op dat moment nog niet dat ze zwanger is.”

Leeft je moeder nog?
“Ik denk het.”

Heb je haar na het proces tien jaar geleden nog gezien?
“Nee.”

Verwacht je een nieuw proces?
“Dat zou ze niet moeten doen. Van mij mag het, maar ik ben niet meer de jongen van mijn debuut. Ze zal ertegen moeten kunnen dat er veel camera’s het proces zullen bijwonen. Ik woon nu in Wallonië. Ze zal me híer moet aanklagen en in het Frans moeten procederen. Net als de vorige keer zal ik van mijn uitgeverij een advocaat krijgen die is gespecialiseerd in intellectueel eigendom. Als zij weer een gewone advocaat neemt, die zijn geld verdient met echtscheidingen, verkeersborden en verzekeringspolissen, heeft ze geen schijn van kans. Maar zulke specialisten zijn onbetaalbaar. Mijn uitgeverij is daarvoor verzekerd. Wie wil beweren dat de rechtspraak democratisch is? Ten slotte: het heeft geen zin. De laatste liefde van mijn moeder gaat niet over mijn moeder.”

O nee?
“Er zit veel van mezelf in Jimmy en veel van mijn moeder in zijn moeder. Maar er is ook veel aan hen dat pertinent in strijd is met hoe ik was. Je kunt alleen zeggen dat ik een zeer gelijkaardig leven heb gehad als Jimmy. Dat doe ik om over anderen te kunnen schrijven. Al die moeders die hun kinderen dumpten in het gezinsvervangend tehuis bewijzen dat. Zo werkt literatuur. Literatuur is een afspiegeling van de werkelijkheid. Als dat niet meer zou mogen, stap ik eruit. Dan hoeft het schrijven voor mij niet meer.”

Ben je niet gewoon bang voor een proces?
“Ik wil best de intellectuele uitdaging aangaan om het bestaan van dit boek te verdedigen tegenover rechters die de wet als norm hanteren. Het is goed voor de literatuur als zij af en toe vaststellen wat een schrijver wel en wat hij niet mag. Maar mag het dit keer een andere schrijver zijn? Na de verschijning van De helaasheid zei één familielid dat ik hoopte op een proces om de verkoop de hoogte in te stuwen. Niets is minder waar. Er is geen schrijver die plezier beleeft aan de stress van een proces. Ook een ruige rocker als Herman Brusselmans die tien jaar geleden werd vervolgd omdat hij een modeontwerpster had beledigd, zat toen als een aangeslagen vogel voor de camera.”

Aan het slot van De laatste liefde van mijn moeder is Jimmy een oude man. Een bescheiden beroemdheid als filosoof. Hij had in de wijsbegeerte ‘iets betekend met enkele theorieën over substraten en superstraten van de beschaving’ – een verwijzing naar Verhulst’ succes met Godverdomse dagen op een godverdomse bol. ’s Avonds laat gaat de bel. Daar zul je mijn halfbroer hebben, denkt Jimmy. Ooit moest het moment komen dat hij zijn nieuwsgierigheid niet langer kon bedwingen naar de zoon die zijn moeder als eerste had gebaard.
In werkelijkheid is dat moment al geweest. Toen Verhulst in 2006 signeerde op de jaarlijkse Boekenbeurs in Antwerpen, stond hij opeens voor hem. Hij vroeg een handtekening, noemt zijn naam, zegt aan het eind: dag broer. En verdwijnt snel tussen de mensen. Verhulst zag aan zijn gezicht dat hij de waarheid sprak. Omdat hij er de volgende dag over vertelde tegen een krant die van hem wilde weten wat het meest bizarre is dat hij ooit op de Boekenbeurs heeft meegemaakt wordt de ontmoeting nationaal nieuws. Tot op televisie aan toe.
Het was de eerste keer in zijn leven dat Verhulst hem ooit zag. “Tijdens de kermis in het dorp kwam mijn moeder wel met die wieg naar de kroeg waar zij wist dat mijn vader zou zitten. Hij zat er altijd, dus zeker tijdens de kermis. Ze kwam hem ostentatief tonen: ik heb een kind van iemand anders. Het café was ongelooflijk vol. Een spanning die ontstond. Ik weet nog dat ik zin had om in die wieg te kijken. Ik was benieuwd hoe hij eruit zag. Waarschijnlijk als een lelijke hoop vlees, zoals alle baby’s. Maar ik heb het niet gedaan.”
De onverwachte ontmoeting twintig jaar later deed Verhulst plezier. “Hij liep er rond met zijn vriendin. Een mooi meisje trouwens. Aan de innige manier waarop hij haar vastpakte kon je zien dat hij haar graag zag. De ontmoeting liet me absoluut niet onverschillig, maar verder valt er niets over hem te zeggen. Ik ken hem niet. Het moet voor hem ook bizar zijn geweest toen hij ontdekte dat de benen van zijn moeder niet alleen voor hem zijn opengegaan. Maar de behoefte er met mij over te praten heeft hij blijkbaar niet gehad. Ik heb hem sindsdien nooit meer gezien.”

De grote uitdaging aan De laatste liefde van mijn moeder vond Verhulst om het drama met een zekere lichtheid te beschrijven. “Bijna als een damesroman,” zegt hij. “Omdat het leven zich afspeelt als een damesroman. De grootste onheil komt op je pad zonder enige waarschuwing. Zo overkwam het mij ook. Vergelijk het met Het diner van Herman Koch – een van de leukste boeken van de laatste jaren. Op een gegeven moment had ik het wel gehad met dat etentje. Hoe lang hou je ons nog aan tafel, vriend? En plots breekt dat verhaal open. Schitterend.”
Die lichtheid vond Verhulst in de uitputtende beschrijving van een groepsreis in de jaren tachtig. Lang denk je dat de roman bijna een essay is over alle rituelen: het inpakken van te veel spullen, de lollige buschauffeur die niemand aan het lachen krijgt, het veilig opbergen van alle D-marken die je in één keer hebt gewisseld, het voornemen om eindelijk weer eens een boek te lezen, het onbeschaamde eten in het hotel, het versturen van een ansicht zodra je bent gearriveerd. Tot opeens, ruim over de helft, de tragedie van Jimmy en zijn moeder naar de oppervlakte borrelt.
“De jaren tachtig – het is de meest recente vorm van archeologie die je kunt bedrijven,” zegt Verhulst. “Het passeren van de douane. Het geld wisselen. Dat moet je uitleggen aan kinderen van vandaag. Dat lijkt nu prehistorisch. Ook moet je uitleggen dat terrorisme en crisis toen heel wat anders betekende dan nu. En heel wat ernstiger werden genomen dan nu. Al Q’aida zal ons worst wezen, dat is zo ver van ons bed. Voor de Baader Meinhof-groep of de CCC in België was toen veel meer angst.”
Ook levert het vaak mooie literatuur op als je kunt beschrijven hoe iets alledaags als de McDonald's toen werd ontdekt door Jimmy en zijn moeder. “Een van de mooiste passages in het werk van Carlos Drummond de Andrade is zijn kennismaking met het fenomeen ijsje. Hoe hij en een vriendje vol angst het ijsje naar hun mond brengen. Zou hun tong eraan vast vriezen? Zulke dingen te mogen beschrijven zijn een cadeau voor een schrijver. Daar kan ik echt ’t immense plezier van het vertellen in kwijt.”

Dimitri Verhulst, De laatste liefde van mijn moeder, Contact (gebonden, 23,95 euro; paperback, 19,95 euro)
(Eerder gepubliceerd in HP/De Tijd, augustus 2010)

Zie ook:
- Dimitri Verhulst, 'De laatkomer'