Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen
Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen

vrijdag 26 maart 2021

Interview Sebastiaan Chabot: 'Een boek moet niet te veel op zijn eigen beschrijving lijken' (Schrijven Magazine)

Schrijfles van internationale beroemdheden als Zadie Smith en Jonathan Safran Foer? Debutant Sebastiaan Chabot had deze auteurs als docent aan de master Creative Writing van NYU. 'Alle kritiek had het effect dat mijn tekst werd opengebroken. Alles kon opeens.'

Kill your darlings. Show don't tell. Schrijven is schrappen. Zulke overbekende trucjes leer je in ieder geval niet op de tweejarige master Creative Writing aan de New York University (NYU). Sebastiaan Chabot weet nog goed dat de directrice van het programma in het najaar van 2015 tijdens de welkomstlunch tegen alle nieuwe studenten zei dat ze dát de komende twee jaar niet hoefden te verwachten. Iedereen die alle trucjes toepast, schrijft een slechte roman.

'Kill your darlings – dat is mij dus niet gelukt', vertelt Chabot vijf jaar later, nadat zijn afstudeerproject in het Nederlands is verschenen als De slaap die geen uren kent. 'Voor mij ging het juist om durven schrijven. Laat het maar een boek zijn over taal. Jonathan Safran Foer, die mijn boek begeleidde, zei dan ook dat het onmogelijk was om geen sterke mening over mijn taal te hebben. Een deel zal het niets vinden, een klein groepje houdt er van. Hij zag dat als iets goeds.'

 

Het komt niet vaak voor dat een buitenlandse student wordt aangenomen aan de befaamde Amerikaanse opleiding. Chabot (1989), zoon van de dichter/schrijver Bart Chabot, lukte het wel. Dankzij de liefde. Omdat zijn vriendin Joosje vlak na hun ontmoeting naar New York verhuisde en er ondertussen drie jaar studeerde, zon hij op een plan om ook daarheen te gaan. Op de bonnefooi vertrekken wilde hij niet. Een schrijfopleiding lag het meest voor de hand.

'Schrijven deden we thuis allemaal van jongs af aan', vertelt hij. 'Omdat mijn vader thuiswerkte en wij stil moesten zijn, konden mijn drie broers en ik geen vriendjes meenemen. En ergens anders spelen kon ook niet, anders moest hij de hele stad rondfietsen om ons op te halen. Toen moesten we toch íéts verzinnen om te doen. Ik schreef uitgebreide liefdesbrieven aan alle meisjes in de klas, die ik zelf rondbracht. Dat liep uit op het schrijven van fictie.'

Aan een schrijfopleiding dacht hij nooit. Hij ging liever geschiedenis studeren. En ondertussen kreeg hij wel waardevolle lessen van zijn vader. 'Ik weet nog dat we, na de tsunami van 2004 in Japan, op het Haagse strand wandelden. Mijn vader pakte een enorme stok en ging daarmee de zee te lijf. Wáárom? dachten wij. "De zee is zo te keer gegaan", zei hij, "dat hadden we niet afgesproken". Een zin die hij later in een gedicht gebruikte. Zo leerde hij ons kijken.'

 

Pas toen Chabot na het behalen van een bachelor de opleiding aan NYU ontdekte, wist hij wat hij moest doen. 'Ik was volkomen naïef. Ik dacht niet aan de duizenden aanmeldingen per jaar. Ik had niet gekeken naar de kosten. Ik wist alleen dat ik naar Joosje wilde. Dat schreef ik ook in mijn aanmelding. En toen werd ik na lange tijd gebeld. Ik was niet alleen aangenomen, maar kreeg ook het fellowship van dat jaar. Ik kreeg de master van de universiteit en daar kwam nog een woning en inkomen bij.'

Maar zelfs als hij was afgewezen, had het hem een waardevolle les geleerd. 'Ik moest de eerste twintig pagina's van mijn roman herschrijven in het Engels. Dat was een openbaring. In het Nederlands zag ik altijd meteen de zinnen die niet liepen of de woorden die te pretentieus oogden. In het Engels niet. Een woord als "wandelstokgelukkig", dat nu in de openingszin staat, had ik bijvoorbeeld nooit durven gebruiken. In het Engels durfde ik het wel: "cane-happy".'

 

Twee jaar lang kreeg Chabot met maximaal vijftien medestudenten ieder semester een hoorcollege en een werkcollege. Hoorcolleges van Zadie Smith en Martin Amis, werkcolleges van Joyce Carol Oates en Jonathan Safran Foer. In die periode werkte hij onafgebroken aan zijn afstudeerwerk: een publiceerbaar werk, in zijn geval een roman. 'Na een jaar moet duidelijk zijn bij wie je afstudeert. Bij mij was al snel duidelijk dat Jonathan dat werd.'

Vanaf de eerste les hadden Chabot en Foer een klik. 'Hij moest vaak lachen op momenten dat ik zelf niet het gevoel had dat ik grappig was. Toen ik later nog eens door zijn roman Alles is verlicht bladerde, begreep ik waarom: een van de personages is een slecht Engels pratende tolk. Zijn taalfouten worden geestige vondsten. Dus als ik onbedoeld iets geks zei, vond hij dat fris. Hij vond "cane-happy" ook een prachtig woord.'

 

De studielast klinkt als: weinig. Maar vergis je niet: elk college duurde drie, vier, vijf uur en ging gepaard met een enorme lading leeswerk. Bovendien moest Chabot iedere week vijftig pagina's inleveren. 'In het begin denk je: mijn god, hoe krijg ik vijftig góéde pagina's. Maar omdat je wel moet, laat je het idee los dat het perfect moet zijn. Je schrijft gewoon. Je gaat schrijven als een ambacht zien dat je uitoefent als ieder ander. Al gauw leverde iedereen meer pagina's in.'

Het steeds terugkerende intensieve commentaar op zijn tekst werkte stimulerend. 'Meteen de eerste les besprak Jonathan de twintig pagina's die ik had opgestuurd. Anderen durfden niet. Het is ook pijnlijk: drie uur lang te horen krijgen wat er allemaal niet goed is. Maar ik dacht: dit is mijn kans om mijn werk te laten zien aan een grootmeester die me zeker verder kan helpen. En zo wérkte het. Alle kritiek had het effect dat mijn tekst werd opengebroken. Alles kon opeens.'

In die pagina's beschrijft Chabot het verhaal van meneer Kuschfeld, dat ook in de gepubliceerde versie van De slaap die geen uren kent een belangrijke rol speelt. De Duitser is nog maar 51 jaar, maar voelt zich door de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlg, die nog maar vlak achter hem ligt, vroeg oud. Hij peinst over de levens die hij heeft laten liggen. Had het anders kunnen lopen? Zou hij zich dan niet zo schuldig voelen?

'Wat gaat hier mis? vroeg Jonathan', herinnert Chabot zich. 'De klas bleef stil. Toen zei hij: "Het belangrijkste is dat dit boek niet te veel op zijn eigen beschrijving gaat lijken." Het klonk heel mysterieus, we schreven het allemaal op, maar het duurde even voor ik het begreep. Het komt erop neer dat ik te rechtstreeks over schuld schreef. Het woord kwam er niet in voor, maar het thema was te expliciet. Je moet suggestiever zijn, meer aan de verbeelding van de lezer overlaten. Het leven schetsen, niet uitleggen.'

 

Diezelfde les schreef en las Chabot een autobiografisch verhaal voor over een ervaring op het schoolplein. Een opdracht van Foer om studenten zichzelf te laten voorstellen. 'Maak dát je tweede verhaallijn, zei hij. Maar schrijf ze niet naar elkaar toe. Kijk maar naar wat er gebeurt met je eerste verhaallijn. Ze komen vanzelf bij elkaar. Jonathan citeerde toen W.H. Auden: "Ik lees wat ik schrijf om erachter te komen wat ik denk". Laat je als schrijver ook verrassen.'

De slaap die geen uren kent groeide zo uit tot een roman over vier generaties Kuschfeld, die allemaal op hun eigen manier ernaar verlangen iets gedenkwaardigs te doen. Althans, volgens de achterflap. Chabot heeft geleerd in de tekst zelf weg vante blijven van interpretaties. Het is aan de lezer zelf om conclusies te trekken. Want wat de generaties bindt, kan net zo goed liefde zijn. Of de ontdekking dat het leven altijd anders in elkaar zit dan je dacht.

Op die manier leerde hij schrijven – zonder trucjes, maar met diepe waarheden aan de hand van eigen teksten en die van anderen. Van de andere docenten net zo goed. 'Martin Amis kon drie uur praten over Nabokov, maar ook schrijvers met één zin wegzetten. Zadie Smith is een godin. Zó slim, dat je geen vraag durft te stellen. Maar wat ze ook zeggen over literatuur, het scherpt de tekst waar je zelf mee bezig bent. Het is niet uit te leggen wát je leert, maar waardevol is het zeker.'

 

KADER Drie schrijftips van Sebastiaan Chabot

1. Noteer al je invallen. 'Het verschil tussen een schrijver en niet-schrijver is dat de laatste denkt dat hij het morgenochtend nog weet. Dat is niet zo. Mijn vader gaat soms ookvier, vijf keer per nacht eruit. Hij heeft expres geen notitieboekje naast zijn bed liggen, omdat je het dan maar half opschrijft. Zo ver ga ik niet. Ik heb wel een notitieboekje op mijn nachtkastje.'

2. Zorg dat je het eerste lichtje in de straat bent. 'Of zoals we in Den Haag zeggen: sta op met de vissers op Scheveningen. Als je wil schrijven, maak je daar tijd voor. Als je om acht uur op kantoor moet zijn omdat je nu eenmaal de huur moet betalen, betekent dat dus dat je om vijf uur eruit moet om daarvoor te kunnen schrijven. Dat werkt voor mij beter dan na je werk schrijven, omdat je dan fris bent.'

3. Durf te schrijven. 'Laat je door niets tegenhouden. Schrijf een eerste versie precies zoals je die zelf wil lezen. Maakt niet hoe gek of afwijkend die is.'

 

maandag 1 maart 2021

Willem Smit: de dichter die bankiers een spiegel voorhoudt (Poëziekrant)

Willem Smit is de eerste corporate dichter in het Nederlandse taalgebied. Als huisdichter van de Rabobank is hij 'de hofnar' die de tienduizenden medewerkers van binnenuit 'ruimte maakt voor een andere taal dan de rationele taal die iedereen op de bank bezigt.'Poëzie is daar bij uitstek geschikt voor.

Het is nooit een strategische keuze van de Rabobank geweest om een huisdichter in te huren. Anders was een van de grootste banken van Nederland wel in zee gegaan met een prominente dichter die past bij de eigen status. Dat de 29-jarige Willem Smit, die kwatrijnen die had gepubliceerd op zijn eigen Facebookpagina en her en der had voorgedragen, in oktober 2019 tot 'Dichter des Rabolands' werd benoemd, is dan ook een 'aaneenrijging van toevalligheden', vertelt hij in zijn woonplaats Utrecht, waar ook het hoofdkantoor van de bank staat.

'Ik hoorde op een symposium een lezing van de directeur Communicatie en Corporate Affairs de bank. Zijn verhaal viel bij me in de smaak, dus toen heb ik hem aangesproken. We bleken dezelfde achtergrond te hebben en we hielden contact. Het zit ook in zijn aard om met jonge mensen te praten over vragen als: wie ben je? Wat heb je te doen in het leven? Na een tijdje liet ik hem mijn teksten lezen. Daar was hij van gecharmeerd. Zo kwam hij op het idee om mij gedichten voor de bank te laten schrijven. Als experiment, om te kijken wat er zou gebeuren.'

Sindsdien publiceert Smit iedere dinsdag een gedicht op het intranet van de Rabobank. Om inspiratie op te doen liep hij een of twee dagen per week bij de bank rond om met medewerkers te praten over hun werk – deels op afspraak, deels spontaan. 'Men zei al snel tegen elkaar: ga eens met Willem praten, hij kijkt anders tegen de dingen aan.' De uitbraak van de pandemie maakte hier een eind aan. Ook plannen om op evenementen van de bank voor te dragen, konden niet doorgaan. Wel houdt hij sinds oktober kantoor, waar medewerkers afspraken met hem kunnen maken.

 

Smits werk voor de bank gaat over de fenomenen die hem verwonderen. 'Hoe hard er wordt gewerkt', geeft hij als voorbeeld. 'Het bulkt van de initiatieven en projecten, mensen lopen het vuur uit hun sloffen. Kan men in deze omgeving "nee" zeggen? vroeg ik me af. In een gedicht heb ik toen onderzocht wat de kracht van "nee" kan zijn.' Dat leidde tot regels als: 'in deze geest is 'nee' geen dwarsboom meer / maar een hefboom tot helder weten / niet het vele is goed / maar het goede is veel.'
Ook viel hem de 'cultuur van beheren en beheersing' op. '
Het is omgeving waarin je met kennis hoge ogen gooit, waarin er de boel stevig wordt gemonitord en het barst van de planningen. Ik heb toen een gedicht gemaakt over de andere kant: het niet-weten, de raadselachtigheid van het bestaan, je daaraan overgeven en erop vertrouwen dat dat louterend is.' In het gedicht 'Mystiekonomie' heet het: 'wat weten wij / van morgen of van later? / hoe ver reikt mijn benul / en wat stut mijn stellage?'

Hij probeert de medewerkers tegelijk te wijzen op de absurditeit van wat ze zelf vanzelfsprekend vinden. Dat velen bijvoorbeeld van binnenkomst tot vertrek onafgebroken achter een scherm zitten. 'En dat is door al het videobellen alleen maar meer aangewakkert. Dat moet iets doen met mensen. Als je erover nadenkt, is dat best ingrijpend.' Dat verwoordde hij zo: 'het scherm werd middelaar / tussen onszelf [   ] en de wereld // tot een huis-aan-huis geleverd inzicht / een op de huid gevoeld gemis / ons niet langer deed vergeten / dat er leven naast de beeldspraak is'.

 

Kun je over alles schrijven wat je wil?

'Zeker. Ik pas me wel aan, maar daar kies ik zelf voor. Ik ben minder kritisch op bepaalde maatschappelijke systemen dan ik privé ben. Wat heeft het voor zin om dat te uiten? Ik probeer in deze functie alle verschillende menstypen die bij de bank werken te bereiken. Niet alleen de mensen die toevallig mijn ideeën delen. Ik wil verbinding maken. Het is comfortabel om een hoge bergtop te zoeken en daar te genieten van het meeslepend uitzicht, maar dat schept ook afstand met de rest van de wereld.'

 

Pas je ook je taal aan?

'Ik zie mezelf als een dienstbaar dichter. Ik zoek een bezielde taal die iets overlaat aan de verbeelding. Maar ook een heldere taal, zo concreet mogelijk. Geen woordkunst om de woordkunst. Dat ligt eens niet zo ver af van mijn eigen werk. Dat is alleen vormvaster: vier regels – zoals in de psalmen en gezangen waar ik mee ben opgegroeid. Als alles kan, geeft de vorm me houvast. Mijn werk voor de Rabobank, iedere week één gedicht, geeft al zoveel structuur dat de vorm vrijer kan zijn. Althans, tot voor kort. Sinds de zomer schrijf ik steeds gedichten van zes verzen van vier zinnen. Ook de werkwijze verschilt niet eens zo veel. Zoals ik voor de bank reageer op wat ik zie of hoor, zo hou ik er voor mijn werk van om 's avonds een gedicht te maken over iets wat ik heb meegemaakt of wat iemand me heeft verteld. Poëzie als dagboek.'

 

De toon is vaak hoopvol, valt me op aan de gedichten die je me liet lezen.

'Ja. Ik probeer in ieder gedicht een transformatie te laten plaatsvinden. Of dat een transformatie op het punt staat te gebeuren. In de hoop dat het mensen raakt en dat ze een beetje onder de spanning vandaan komen waaronder ze werken. De gedichten zijn vaak bemoedigend: om de grootsheid van het leven te midden van de broosheid te tonen en mensen zo de zin van hun werk te laten inzien. Het mooiste zou zijn als de bankmedewerkers zich na het lezen vrijer kunnen verhouden tot het werk dat ze in wezen toevallig doen op die toevallige plek op dat toevallige moment.'

 

Is dat de rol van poëzie in een corporate omgeving?

'Ik denk het wel. Ik heb de rol van hofnar: iemand die van binnenuit anderen op een lichtvoetige manier een spiegel voorhoudt, woorden geeft aan dat waar mensen ongemerkt aan voorbij leven, of op een elegante manier kritische noten kraakt, zó dat het niet afschrikt. Er zijn natuurlijk mensen die dat niet begrijpen. Die denken: wat moet een dichter hier bij ons? Toen ik net begon was ook ik doordesemd van die dekselse doel-middelenrationaliteit. Inmiddels denk ik: dat ik er ben is genoeg, het is goed omwille van zichzelf, ik schep hier ruimte voor een andere taal dan de rationele taal die iedereen bezigt.'

Dat effect bereik je alleen als een dichter van binnenuit werkt?
'Het maakt het minder vrijblijvend. Ik heb zo de mogelijkheid een band op te bouwen met de mensen van de bank. En ik wórd nu ook gezien als iemand die gevoel heeft voor wat er op de bank gebeurt. Ik zou het jammer vinden als ik alleen maar, na afloop van een personeelsbijeenkomst, één keer mijn gedichten voordraag. Dan is het voor het publiek te makkelijk om het naast zich neer te leggen.'

 

Wat voor reacties krijg je op je gedichten?

'Ik heb geen toegang tot de online kanalen van de bank. Ik ben niet in dienst, dus ik zie geen likes of reacties. Ik krijg alleen van de redacteuren van de bank soms een terugkoppeling. "Dat is goed gelezen." "Daar werd positief op gereageerd." Soms reageren de mensen die ik spreek op mijn werk. Daarom heb ik minder interactie dan ik zou willen. Voor mij is een gedicht geen op zichzelf staande vorm, maar het begin van een gesprek. Een uitnodiging daartoe. Ik zou van medewerkers willen weten: hoe sprak dit gedicht tot jou? Wat bleef je bij? Maar dat komt er door al het thuiswerken nauwelijks van.'

 

Maar je loopt toch iedere week rond bij de bank?

'Jawel. Maar niet iedereen heeft iets met taal of poëzie. Dan antwoorden ze op mijn vragen algemene dingen als: "Wat mooi dat je dit doet." Ik denk dat iedere dichter ertegenaan loopt dat op veel plekken poëzie hooguit "iets voor erbij" is. Men scant het snel of heeft niet echt de wil of de innerlijke ruimte om een gedicht echt te laten resoneren. We leven in een tijd van onverschilligheid en ontlezing, dat is bij de bank niet anders. De intensiteit en hartstocht waar ik naar verlang, tref je op deze plek niet direct aan. Dat is jammer. Taal kan je karakter vormen en veranderen, juist ook als je niet meteen snapt wat er staat, maar alleen als je je daar open voor stelt.'

 

Kan het ook zijn dat je taal toch niet helder genoeg is voor bankpersoneel?
'Mogelijk. Humor en luchtigheid doet het tegenwoordig goed. Ik heb de verleiding zeker gevoeld om plezierrijmpjes te maken om de massa te bereiken. Maar dat voelt als zwichten. Als: niet goed. Het is niet wie ik ben. Ik wil mijn ernstige, bedachtzame kant evengoed een plek geven, hoe graag ik die ernst ook vermeng met subtiele humor. Oók voor de medewerkers van de Rabobank.'

(Eerder gepubliceerd in Poëziekrant)

woensdag 3 februari 2021

Febe van der Wardt van Luitingh-Sijthoff: 'Het had zoveel erger kunnen zijn' (Boekblad)

Het afgelopen jaar bijzonder noemen is een understatement. Het coronajaar was voor iedere boekenvakker het uitzonderlijkste jaar uit zijn of haar carrière. Ook voor Luitingh-Sijthoffdirecteur Febe van der Wardt. Hoe kijkt zij terug op wat ze ondanks alles een positief 2020 noemt? 'Je denkt terugkijkend: het had zoveel erger kunnen zijn.'


Drie jaar geleden kwam Febe van der Wardt aan het hoofd te staan van uitgeverij Luitingh-Sijthoff, onderdeel van VBK. Uiteraard vroegen allerlei mensen: Wat gaat er vanaf nu anders? 'Nou, voorlopig niets', dacht ze steevast. Waarom zou het bedrijf de bakens ook verzetten? 'De grote veranderingen vonden net daarvoor plaats. Toen zijn we, naast de thrillers, fantasyboeken en romans, begonnen met kinderboeken en full color non-fictie – in 2015 respectievelijk 2016. Die fondsen, die het goed doen met successen als Julius Zebra en een creatief fonds dat direct op de kaart stond, verdienen de rust en ruimte om verder te groeien. En ondertussen bewegen we mee met de markt. Dat zijn steeds kleine veranderingen, maar als je de uitgeverij van nu vergelijkt met die van toen, zie je vooral grote verschillen.'

De stap van commercieel directeur naar algemene directeur was ook persoonlijk geen grote verandering. 'Natuurlijk is het even wennen aan een nieuwe functie. Maar ik werkte hier al met veel plezier. Het fonds past me goed. En de verhoudingen in het team zijn heel goed. Daar begint het bij Luitingh-Sijthoff mee: samen plezier in het werk hebben, elkaar weten te vinden, lol maken. Als dat goed zit, straal je dat uit naar de auteurs en de relaties van de uitgeverij. Dat is niet iets waar ik mee ben begonnen, maar ik vind het wel belangrijk om dat te blijven stimuleren, zodat de sfeer goed blijft.'

En toen kwam het coronavirus. Even dacht ze, in maart, grote beslissingen te moeten nemen zoals maar weinig directeuren die in hun carrière hoeven te nemen. Zou de omzet met dertig procent kelderen zoals in het vak rondzong? Zou drie tot vijf op de tien boekhandels het loodje leggen, zoals naar voren kwam uit een ledenenquête van de Koninklijke Boekverkopersbond (KBb)? En moest ze daardoor op korte termijn reorganiseren of de manier van werken radicaal anders inrichten? In die eerste chaotische weken na het afkondigen van een 'intelligente lockdown' wist niemand wat hij of zij kon verwachten, maar waren de angsten en onzekerheden groot.

 

Hoe kijk je nu terug op 2020?

'Het gekke is: het lijkt alsof het jaar pas half maart begon. Alsof we niet eerst tweeëneenhalve maand zonder corona hebben gehad. Maar ook als ik aan het jaar vanaf half maart terugdenk, ben ik blij dat we een goed jaar hebben gedraaid. Dat het team in deze omstandigheden een team bleef, en we er ook in zijn geslaagd om mensen buiten Luitingh-Sijthoff aan ons te blijven verbinden. Ook ben ik erg onder de indruk van hoe wij als vak elkaar meteen opzochten en er die geweldige campagne #ikleesthuis kwam. Een hashtag die trouwens werd bedacht door onze auteur en kinderboekenambassadeur Manon Sikkel!'

 

Het jaar stemt je dus positief?

'Ja. Grappig, eigenlijk. Al had ik natuurlijk liever geen coronapandemie gehad. Die heeft veel leed en zorgen gebaard – denk alleen al aan de zorg om de boekhandels. Je moet het vooral zien tegen de achtergrond van die enorme onzekerheid in het voorjaar. Dat het dan toch zó heeft kunnen lopen, is positief. Je denkt: het had voor LS zoveel erger kunnen zijn.'

 

Wat betekent 'een goed jaar gedraaid'?

’We zitten nagenoeg op begroting en daarmee ook zo goed als op hetzelfde niveau als vorig jaar.'  

 

Hoe komt dat?

'De online verkoop groeit bij ons hard – zeker óók van audio- en e-streamingedities. Ons commerciële fictiefonds leent zich daar goed voor. We investeren daar al jaren in: in het produceren van audioboeken, maar ook in het verkrijgen van streamingrechten van onze backlist. Dat betaalt zich nu uit. Folio staat weliswaar onder druk, maar in het najaar hebben we een goede eindsprint ingezet: met Het wilde dierenorkest van Dan Brown, David Attenborough, Man man man, Lee Child. Door die mix hadden we een goed jaar.'

 

Profiteerde Luitingh-Sijthoff dus bij uitstek van de sterke verschuiving van offline naar online in het coronajaar?

’Nee hoor, wij bewegen mee met de markt. De laatste GfK-cijfers laten voor folio een groei van 26% via het onlinekanaal en een daling van ruim 6% voor het offlinekanaal zien. Die cijfers zijn vergelijkbaar met wat wij zelf zien.'

 

Jullie hadden een van de allereerste grote coronaboeken: Een nieuw beginvan Tony Crabbe. Hoe heeft die het gedaan?

'Niet slecht, we zitten tegen de 8.000 exemplaren aan. Het boek was vooral belangrijk voor wat het voor ons heeft gedaan. Het is bedacht in de tweede week van de lockdown. We zaten middenin titels uitstellen, evenementen afblazen, de omzetverwachting naar beneden bijstellen. En toen we óók nadachten over de kansen vanuit ons fonds in de nieuwe situatie, kwamen we op dit idee. Dat gaf ons veel positieve energie: samen met Tony aan dit boek werken, een auteur die alles aan de kant schoof om dit te maken, samenwerkingen opzetten zoals met The School of Life. Het boek is misschien niet de grote seller als zijn debuut Nooit meer te druk geworden, waar meer dan 100.000 exemplaren van zijn verkocht.  Maar ik ben helemaal niet ontevreden. En: het blijft doorlopen, omdat het nog steeds op de huid van de tijd zit.'

 

Hebben andere titels door de disruptie van corona onverwacht goed – of slecht – verkocht?

'Het was een goede tijd voor commerciële fictie. Uit behoefte aan escapisme, uit de groei van het aantal lezers daarvoor. Maar je zag vooral een versterking van wat al langer gaande is: dat het steeds lastiger wordt om nieuwe auteurs groot te maken. De fysieke boekhandel is daarvoor heel belangrijk. Die heeft het al moeilijk. En in het voorjaar konden ze hun rol als ambassadeur helemaal niet oppakken op hetzelfde niveau als daarvoor. Klanten kwamen niet langer snuffelen – en kozen dus voor bekende namen. De nieuwe Jill Mansell, die wij in het voorjaar brachten, heeft het daarom prima gedaan. Niet beter dan verwacht, maar: op niveau. Nieuwe auteurs hadden daarentegen heel weinig kans.'

 

De bestsellerisering dus. Ligt dat alleen aan het afnemend belang van de boekhandel?

'Zeker niet. Het publiek is zo versnipperd dat het steeds lastiger is te bereiken. Media bieden ook steeds minder ruimte aan het boek. En wat je dan krijgt zijn de snelle trends. Een auteur of titel zit bij een populair tv-programma, zoals tot voor kort De Wereld Draait Door, en heeft dan succes. Even dan, want die trends lopen ook snel weer af.'

 

Krijgt de fysieke boekhandel ooit weer dezelfde positie als voor de pandemie?

'Ik hoop het wel! Als de boekhandel niet hetzelfde marktaandeel terugkrijgt, is het obvious dat dat een kaalslag betekent. Zij vullen zo'n essentiële rol in het nieuwsgierig maken en inspireren van lezers en het faciliteren van ontmoetingen tussen auteur en lezers – ik kan dat niet genoeg benadrukken. Ik heb dit jaar gezien hoe creatief en goed de boekhandel is omgegaan met de situatie, onder andere door ook zelf in te zetten op groei online. Ik heb ook gezien dat klanten op zaterdag rustig twintig minuten in de rij staan om naar binnen te mogen. Dat biedt veel hoop voor de toekomst.'

 

Hoe kan een uitgeverij een boekwinkel juist nu extra ondersteunen?

'Op allerlei manieren. Wij hebben in al onze uitingen de boodschap "koop lokaal" gebruikt. In het voorjaar is onze salesafdeling heel coulant omgegaan met uitstellen van orders. Iedereen van Luitingh-Sijthoff mag in de feestperiode een dag onder werktijd invallen bij de boekhandel. We hebben met de Triple A-winkels een exclusieve actie rond Fifty fifty van Steve Cavanagh gedaan, waarbij de consument gratis het audioboek van zijn vorige boek Dertien kon downloaden. We blijven instore materiaal maken en we besteden steeds meer aandacht aan de uitvoering van onze boeken: iets wat bij uitstek bedoeld is om klanten in de fysieke boekhandel te prikkelen. Komend voorjaar wordt de nieuwe Jill Mansell volledig op roze papier gedrukt. In een webwinkel helpt dat klanten echt niet te verleiden om het boek te kopen, in een fysieke winkel wel.'

 

Kun je de boekhandel ook financieel steunen?

'Met extra korting? Volgens mij krijgen ze al een mooie korting, die vastliggen binnen langlopende contracten op VBK-niveau. En al hebben wij een goed jaar gehad, het is natuurlijk niet zo dat uitgeverijen zwemmen in het geld. Wij moeten zeer kritisch kijken naar de kosten. Neem de groeiende concurrentie van Engelstalig, die de investering in vertalingen steeds risicovoller maakt. Die titels staan echt onder druk.'

 

Hoe beïnvloedt de bestsellerisering het fonds?

'Die invloed zit hem meer in de marketing dan in de opbouw van het fonds. En dan praat ik alleen over de commerciële fictie – kinderboeken en non-fictie kennen een heel andere dynamiek. We kijken weliswaar steeds kritischer naar wat we in vertaling brengen, maar we proberen – zeker bij thrillers – elk jaar een of twee nieuwe auteurs te lanceren. In het verleden deden we dat heel af en toe met één grote klap, zoals met Daniel Cole. Dat zal zeldzamer worden.. Het is nu meer een werk van lange adem: door te zorgen voor een snelle frequentie van nieuwe titels, waarbij je aanschurkt tegen de digitale ervaring van het bingen, en het stap voor stap vergroten van de fanbase. Het merkdenken is daarbij belangrijker dan ooit geworden.'

 

Welke auteurs horen daarbij?

'Steve Cavanagh en de Zweedse schrijfster Sofie Sarenbrant, van wie om het half jaar een nieuw boek uitkomt. In juli verscheen het eerste deel, in januari de volgende. En in de feelgood is dat Jenny Colgan. Omdat we drie boeken per jaar van haar brengen, zie je goed hoe haar fanbase steeds groter wordt. Daarbij monitoren we trouwens goed de exploitatie. Sommige auteurs doen het minder goed in folio, maar juist heel goed in e- en audiovorm. Ook daarom zijn de eerste oplagen bescheidener dan vroeger bij lanceringen van nieuwe auteurs.'

 

Is de marketingaandacht dit jaar sterk verschoven naar online?

'Daar was de organisatie al behoorlijk op ingericht. Ik heb niet meer fte aan online marketing toegewezen. Je zag wel dat mensen die zich met offline pr en marketing bezighielden ook na begonnen te denken over online alternatieven. Daar kwamen interessante dingen uit.'

 

Zoals?

'Voor Man, man, manhadden we een onlinepresentatie met Ronald Giphart bij Broese. Op het moment zelf kijken 200 man, maar inmiddels is de video meer dan 2.000 keer bekeken. Als ik zoveel mensen probeer voor te stellen in een zaal! Of ons jaarlijks feelgood-evenement. Vorig jaar kwamen 150 lezers op het offline-event af. Toen we de online editie van dit jaar aankondigden, hadden we binnen 24 uur 250 aanmeldingen. Dan zet je aan het nadenken voor de toekomst, waar ik het liefst ook met boekhandels over wil sparren. En met online-evenementen leren we ook nieuwe dingen. Door mee te doen aan Broese Bruist van VBK doen we bijvoorbeeld ervaring op in het maken van televisie.'

 

Zijn de medewerkers van Luitingh-Sijthoff het thuiswerken al zat?

'We hebben niet onafgebroken thuisgewerkt. Toen het beter ging met de besmettingen kwam een kleine club op kantoor werken. Een man of vijf. In de zomer groeide dat naar tien. En in september was elke dag één afdeling in zijn geheel op kantoor, zodat er soms vijftien mensen tegelijk waren. Dat was een ongelooflijke verademing. Dus toen we terug moesten naar helemaal thuiswerken, was dat best een stap terug. We proberen dat te verzachten door zo veel mogelijk momenten met elkaar te vinden. Er heerst hier gelukkig een sfeer dat iemand kan uitspreken er helemaal doorheen te zitten – én dat iemand anders dan zegt: ik sleep je er wel doorheen, ik kom een wandeling met je maken.'

 

Gaat het thuiswerken ten koste van de creativiteit?

'Het meest missen we de contacten met onze auteurs, het begint natuurlijk allemaal bij hen. We proberen hen regelmatig te spreken, maar dat is toch anders dan een face to face-afspraak. Ook mis ik de kleine inspiratiemomenten wel. Als je met z'n allen op kantoor zit, hoor ik bijvoorbeeld van [uitgever] Tom [Harmsen] dat hij die en die heeft gesproken die dit en dat zei. Zulke dingen zetten je altijd aan het nadenken. Maar het zijn ook dingen waarvoor je elkaar niet opbelt. En vergeet de boekpresentaties niet. Dat zijn bij uitstek momenten waarop je informatie over de markt krijgt of nieuwe boekideeën bedenkt. Maar je weet natuurlijk niet wat je daardoor allemaal niet hebt bedacht. Ik kan alleen maar kijken naar de ideeën van marketing en sales of naar de acquisitie van de redactie. Die afdelingen doen het nog steeds goed.'

 

Werkt na afloop van de crisis iedereen weer fulltime op kantoor?

'Daar kijken we op dit moment naar, ook binnen VBK. We hebben allemaal gezien dat thuiswerken prima kan. Soms is het zelfs beter. Vergaderingen in Utrecht waaraan ik dankzij het reizen vijf uur kwijt kan, kosten me nu anderhalf uur. Redacteuren kunnen zich thuis beter concentreren op het redigeren van teksten. Thuiswerken maakt het ook makkelijker om niet alleen maar in het nu te leven – eigenlijk het makkelijkste wat er is, schrijft Tony Crabbe – maar om ook afstand tot je werk te kunnen nemen en de diepte in te gaan. Met de huidige doorren-mentaliteit lukt dat niet op het werk. Het wordt dus een mix van kantoor en thuis. Maar hoe die er precies uit gaat zien? Het zwaartepunt zal voor mij bij de uitgeverij liggen, maar het zal per functie verschillen.'

 

Je was ook blij met de collectieve actie in het voorjaar. Moet die sterke collectiviteit behouden blijven?

'Het was heel mooi dat in ons vak bij uitbreken van de crisis de eerste reflex was: elkaar opzoeken, informatie delen, samen nadenken over hoe we de klant kunnen bereiken. Dat is de collectiviteit van het vak in optima forma. Het bewijst dat we die collectiviteit moeten koesteren. En heel goed dat de gezamenlijke najaarscampagne dit jaar extra vroeg wordt ingezet.'

 

Maar moet er meer collectief gebeuren dan voorheen? De CPNB zegt: laten we het momentum gebruiken om vaker als vak met één stem te spreken.

'Luitingh-Sijthoff maakt dankbaar gebruik van de collectiviteit. De campagnes, de prijzen. Maar of we nog meer gezamenlijk moeten optrekken? Ik vind dat de CPNB de afgelopen twee jaar goede stappen heeft gezet. Er is kritisch gekeken naar alle campagnes. Wat werkt? Wat niet? Het gevolg is dat de bestaande campagnes meer focus hebben en er meer wordt gekeken naar de effectiviteit ervan. Geef de CPNB vooral tijd om dat goed op poten te zetten, goed te meten, goed te evolueren. En daarna kijken we wat er nog meer kan.'

 

Wat kenmerkt 2020 nog meer behalve corona?

'Poeh! Corona is zó dominant geweest. De overname van Bruna door Audax misschien? Dat was al in 2019. Maar je zag dit jaar de gevolgen ervan. Het is opnieuw een concentratie aan de inkoopkant. Tien jaar geleden deed ik iedere aanbieding nog zeven grote inkoopgesprekken. Ook met Scholtens, ECI, De Bijenkorf, V&D. Die zijn allemaal verdwenen als zelfstandige partijen. Je hebt nog maar met een paar machtsblokken te maken. Dat is ingewikkeld. Als het vroeger met een partij wat minder ging, zat een andere partij wel in de lift. En met een derde partij kon je een bepaald genre goed uitlichten. Nu is dat speelveld smaller geworden. Ook krijg je daardoor minder feedback uit de markt.'

 

Machtsblokken? Heeft de uitgeverij sterkere tegenstanders gekregen?

'Nee hoor. We zien de boekhandel over het algemeen meer als medestanders waar we meer dan ooit een goede samenwerking mee nastreven.'

 

Volgens Jean Christophe Boele van Hensbroek is Audax uit op één zo centraal mogelijk aangestuurd systeem dat de brede beschikbaarheid van het boek aantast.

'Is het zo veel anders dan vroeger? AKO was al helemaal centraal aangestuurd. Bruna deels ook, al maken we daarnaast afspraken met individuele ondernemers. RDC ook. Dus nee, ik zie het niet zo. Ik weet niet wat de keuzes van Audax voor invloed hebben op CB en de tarieven. Het moet nog blijken wat het effect zal zijn. Ik merk wel dat het nu lastiger is via Audax cijfers over de markt te krijgen. Die zijn minder inzichtelijk. Maar dat lijkt me vooral een overgangsfase: Audax is nog bezig om de organisatie goed op poten te zetten.'

 

En dit jaar stopte DWDD.

'Voor het vak is dat heel erg jammer. De invloed van het boekenpanel was groot. Maar voor Luitingh-Sijthoff was het nooit zo'n belangrijk programma. Wij hadden juist altijd veel aan Late Night met Humberto Tan. Dat dat verdween, was een klap.'

 

Media bieden minder ruimte aan boeken, zei je daarnet.

'Het is geen nieuwe ontwikkeling, maar de cultuurkaternen hebben minder ruimte voor boeken en bespreken vaak meer literaire titels. Al zijn er uitzonderingen. Het Parool heeft sinds een paar jaar een heel fijn boekenkatern met een mooie mix van literatuur, commerciële fictie, kinderboeken, thrillers en non-fictie. Echt een plek waar de lezer geënthousiasmeerd wordt om te gaan lezen. Tijdschriften staan daarnaast onder druk en en het mediagebruik is natuurlijk veel versnipperder geworden door social media. Luitingh-Sijthoff speelt daar op in door nog meer marketinginspanningen te leveren, door via sociale media, nieuwsbrieven, online events en communities rechtstreeks de lezer te bereiken.'

 

In 2020 was er meer aandacht dan ooit voor de leescrisis. Heeft de uitgeverij een rol in de bestrijding ervan?

'Die crisis is heel zorgelijk. Niet alleen voor het boekenvak, maar voor het hele land. We hebben het onderwerp intern wel besproken, maar het enige wat we echt kunnen doen is mooie boeken maken waarmee we lezers kunnen enthousiasmeren. Ons fonds heeft ook voor elk kind een boek: van nul tot achttien jaar, van graphic novels tot mooie literaire YA-parels. Daarnaast zoeken we actief  samenwerking met scholen of met boekhandels die scholen bedienen. Maar als je structurele verandering wil bewerkstelligen heb je de overheid nodig. Gelukkig gebeurt daar nu van alles.'

 

Maar dat komt neer op: doen wat jullie altijd al deden. Kan een uitgeverij niet meer betekenen?

'De leescrisis is zo'n groot issue. Dat kun je als uitgeverij niet oplossen. Thille Dop en Hannerlie Modderman van ons kinderboekenfonds leggen natuurlijk overal hun oren te luister – om daar zo mogelijk op in te spelen. En voor het eerste lustrum van het kinderboekenfonds publiceerden we Waarom je kinderboeken moet lezen, zelfs al ben je oud en wijs van Katherine Rundell. Natuurlijk bedoeld om ook volwassenen het leesplezier van een mooie kinderboek te gunnen, maar ook om voorlezen te stimuleren. Naast het onderwijs ligt er een schone taak voor ouders om hun kinderen te laten kennismaken met het heerlijke gevoel van helemaal te verdwijnen in een boek.'

 

Tot slot: de toekomst. Brengt 2021 een ernstige recessie?

'Dat wordt gezegd. De kans is ook zeker aanwezig. Maar of er een crisis komt? En of die snel komt? Met corona leek het alsof er heel veel heel snel zou veranderen en is dat voor Luitingh-Sijthoff vooralsnog niet gebeurd. We houden natuurlijk wel rekening met allerlei scenario's zodat we kunnen anticiperen als het nodig is. En dan handelen we naar bevind van zaken.'

(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine 1, 2021)

dinsdag 2 februari 2021

Interview: Judith Koelemeijer over Nederland Leest & de openbare bibliotheek (Bibliotheekblad)

Het is uiteraard 'ontzettend leuk' en 'een grote eer' dat Het zwijgen van Maria Zachea centraal staat tijdens Nederland Leest 2020. Maar een beetje verrast was 
Judith Koelemeijer wel. In die campagne is toch een boek uit de literatuurgeschiedenis aanleiding voor gesprekken en debatten in de bibliotheek? Zelf had ze op die manier ooit De grote zaal van Jacoba van Velde uit 1953 ontdekt. 'Ik had nooit gedacht dat mijn boek al als een klassieker zou worden gezien.'
Negentien jaar oud is de familiegeschiedenis inmiddels. Koelemeijer (1967) geeft daarin het woord aan twaalf broers en zussen die gezamenlijk jarenlang hun moeder verzorgen nadat deze een hersenbloeding heeft gehad. Een voor een vertellen ze over hun gezamenlijke jeugd, de relatie met hun ouders, de relatie met elkaar – en dat tegen de achtergrond van een snel veranderend Nederland in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Hoe dicht ze ook op elkaar woonden, ze blijken allemaal andere herinneringen te hebben.

Het zwijgen van Maria Zachea was destijds een waanzinnig succes. Het bleef tot twee jaar na verschijnen een van de best verkochte boeken van Nederland en wordt nog altijd bijna jaarlijks herdrukt. Het won in 2002 de NS Publieksprijs. En Koelemeijer trad avond aan avond op voor volle zalen – óók in bibliotheken. Haar Zaanse familie, op wiens verhalen het boek was gebaseerd, deelde in de immense belangstelling. Een keer lieten ze zich gezamenlijk interviewen op televisie.

'We hadden dat nooit verwacht', herinnert Koelemeijer zich. 'Het was mijn eerste boek, waarvoor ik mijn baan bij de Volkskrant had opgezegd. Het verscheen bij een kleine uitgeverij. De term "literaire non-fictie" was nog niet in zwang. Het voelde daarom als een gok: een waargebeurd verhaal, zonder groot drama, maar opgeschreven als een roman. Zou dat werken? Voor de zekerheid was werd op het omslag duidelijk aangekondigd wat voor boek dit was: "een ware familiegeschiedenis".'

 

Zelf heeft de schrijfster haar debuut nooit herlezen. Af en toe een stukje voorlezen, verder ging het niet. Alleen toen Hanneke Groenteman het luisterboek had ingesproken, alweer jaren geleden, heeft ze het integraal beluisterd. 'Dat deed ze zo goed, dat ik vergat dat ik het zelf had geschreven.' Ook voor Nederland Leest is niet van plan het te herlezen. Waarom zou ze? Ze heeft destijds zo intens gewerkt aan het schrijven en herschrijven, steeds weer een nieuwe versie, dat de inhoud in haar geheugen is gegrift.

Koelemeijer snapte daarom ook zonder opfriscursus onmiddellijk dat Het zwijgen van Maria Zachea goed past bij het thema van Nederland Leest: 'kleine geschiedenis, grote verhalen'. De geschiedenis van één familie staat symbool voor het verhaal van Nederland in die jaren. 'Dat bleek al gauw toen het boek succes kreeg. Zo veel mensen herkenden zich in dit verhaal', vertelt ze. 'Zij kwamen ook uit grote gezinnen. Hadden ook de veranderingen meegemaakt. Hadden hetzelfde onvermogen ervaren om het verleden te bespreken.'

Niet alleen tijdens lezingen bleek die weerklank, ze kreeg ook 'ongelooflijk veel' post. Enkele lezersreactie, die eerder al in de jubileumeditie ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het boek waren opgenomen, zijn ook opgenomen in de Nederland Leest-editie. 'Ik hoop dat ik alle brieven – e-mail was nog niet zo gewoon, zeker niet bij oudere mensen – persoonlijk heb beantwoord, maar ik weet niet of dat altijd is gelukt. Het was zo'n hectische tijd.'

 

De brieven waren vaak bijzonder openhartig en ook ontroerend, schrijft Koelemeijer in het nawoord bij de campagne-editie. Kennelijk maakte mijn boek een stroom van herinneringen los; zowel gelukkige als pijnlijke. Vooral het onderlinge zwijgen bleek een thema waarmee velen zich konden verbinden. Hard werken en niet zeuren; de mentaliteit van de wederopbouwjaren. Ik hoorde vaak dat mijn boek werd doorgegeven in families en dan op verjaardagen veel discussie losmaakte. Hoe zat dat nou, vroeger, bij henzelf thuis?

 

Zou dat bij de heruitgave in een oplage van 216.000 exemplaren (exclusief de grootletter-editie van 7.500 exemplaren) weer gebeuren? De mensen die opgroeiden in grote gezinnen, worden ouder. Ook Jo, Toos, Maarten en alle broers en zussen, die allemaal nog leven, zijn nu tussen de 67 en 86 jaar. De herkenbaarheid neemt daarmee snel af. Maar Koelemeijer koestert het verlangen dat een nieuwe generatie nieuwsgierig is naar de jeugd van hun grootouders. Zoals in haar eigen familie de jongste generatie, die Maria Zachea nooit heeft gekend, ook naar het boek grijpt.

'Ik hoop juist dat Nederland Leest ervoor kan zorgen dat het boek een nieuw publiek vindt. Een publiek dat toen nog niet zo bezig was met zijn eigen familiegeschiedenis.'

 

Een andere verklaring voor het succes begin deze eeuw is de literaire kwaliteit. Het zwijgen van Maria Zachea is allesbehalve een dorre opsomming van levensfeiten. Het zijn twaalf ontmoetingen met mensen van vlees en bloed, waardoorheen Koelemeijer subtiel de veranderingen laat zien – in de maatschappij, maar ook in het gezin die daardoor wordt meegesleurd. Gezamenlijk vertellen ze het verhaal van de ziekte van hun zwijgende moeder, waarvoor ze allemaal andere verklaringen hebben. Dat schept een zekere suspense.

De schrijfster aarzelt om dat te beamen. Zoiets zeg je niet over je eigen boek. Maar ze weet nog wel hoe ze tot de opzet kwam: dankzij haar man, de filmmaker Vuk Janic. 'Ik dacht eerst nog als een journalist: dat worden twaalf interviews. Hij dacht meteen aan een dramatische structuur: op de eerste pagina wordt moeder ziek, op de laatste gaat ze dood en tussendoor laat je zien hoe iedereen daar anders op reageert.'

Knap is ook de subtiele dosering van informatie. Wat de ene broer of zus aanstipt, wordt verderop een verhaal. En andersom. Zo worden de uiteenlopende levensverhalen van al die verschillende karakters tot een hecht geheel gesmeed. 'Mijn man wees me er ook op dat je niet meteen alle informatie moet prijsgeven. De ouderen in het gezin tippen vaak iets aan, wat pas later, bij de jongeren, wordt opgehelderd.'

 

Koelemeijers ooms en tantes waren twee decennia geleden blij met het boek. Het was spannend om mee te doen aan het project. Wat gaven ze niet prijs aan de openbaarheid? Wat zouden hun broers en zussen zeggen over wat toch ook hun jeugd was? Van tevoren kregen ze alleen hun eigen hoofdstuk te lezen, pas na publicatie lazen ze het hele boek. Mede door de respectvolle manier waarop ze iedereen behandelde, zorgde dat voor veel onderling begrip. Dus zo keek jij ertegenaan! Maar dacht jij er zo over!

Het succes konden ze natuurlijk evenmin voorspellen. 'Er waren op dat moment ook nog niet zo veel van dit soort boeken: oer-Hollandse familiegeschiedenissen bezien door de ogen van de familieleden zelf', zegt Koelemeijer. 'Daarna zijn er veel meer verschenen. Het zwijgen van Maria Zachea heeft een trend gezet. Mijn ooms en tantes dachten daarom helemaal niet aan een publiek. Een aantal vond het onmiddellijk leuk om mee te doen, anderen deden daarna mee om niet achter te blijven. Maar dat het iets bijzonders zou zijn? Geen idee.'

Wel heeft het succes bijgedragen aan hun trots op het boek. 'Tot mijn grote geluk kreeg het boek veel positieve respons. Wat zou er zijn gebeurd als de recensies vernietigend waren geweest? Dan hadden ze zich er ver van gehouden. Nu wilden ze er graag over praten. Eerst met mensen uit hun omgeving, die verrast vertelden dat het bij hun ook zo was. En al snel met heel Nederland. Ze waren bij een prijsuitreiking. Ze lieten zich een keer fêteren door de uitgeefster, die een boottocht met een lunch voor ze had georganiseerd.'

Of het boek het gezin dichter bij elkaar heeft gebracht, kan Koelemeijer twintig jaar later moeilijk zeggen. Het was al een hecht gezin zonder dat ze onafgebroken bij elkaar de deur platliepen. Dat heeft het boek niet veranderd. Na de dood van hun moeder is de band was losser geworden, maar als er iets bijzonders gebeurt – zoals de dood van Koelemeijers eigen moeder vorig jaar – merkt ze direct dat die speciale band er nog is. De vertrouwde manier van met elkaar omgaan, de eigen taal die is gegroeid uit decennia met elkaar praten.

 

Een van de redenen waarom Koelemeijer graag meewerkt aan Nederland Leest is de plek waar de actie zich afspeelt: de openbare bibliotheken. Fijne plekken, vindt ze dat. 'Er is een enorme verscheidenheid aan bibliotheken: van kleine jaren zeventig-dorpsbibliotheekjes die nodig moeten worden verbouwd, tot luxe gebouwen die grote cultuurcentra zijn geworden zoals in Almere of Gouda. Maar het is altijd prettig, door de toewijding die je er voelt.'

Door haar lezingen heeft ze veel bibliotheken van binnen gezien. 'Op zo'n avond doen bibliotheken ontzettend hun best om alles goed klaar te zetten, je het naar de zin te maken, dat er veel publiek bij is. Daar komt een hoop liefdewerk bij kijken. Niet dat ik daarmee een voorkeur heb voor bibliotheken boven boekhandels. Ook daar doen ze hun best. En vaak zijn boekhandels aanwezig bij lezingen in de bibliotheek. Dat vind ik geweldig: dat mijn boeken tenminste ook te koop zijn.'

Vanaf haar vroege jeugd in Wormer was ze lid van de bibliotheek. 'De bibliobus kwam daar een keer per week – op het plein bij de brandweer. Ik nam altijd vijf boeken mee, meer mocht niet. Toen ik groot genoeg was, mocht ik op de fiets zelf naar Wormerveer. Daar was wel een echte bibliotheek en stond dus veel meer. Maar ook daar was ik op een gegeven moment klaar met de jeugdbibliotheek en ben ik illegaal overgestoken naar de volwassencollectie. Niemand zei daar ooit iets van.' [Nu is het andersom: Wormer heeft wel een filiaal, Wormerveer niet; md]

Haar kinderen probeert Koelemijer nu dezelfde ervaring te geven. Zodra ze kinderen kreeg, maakte ze hen lid in Amsterdam – waar ze nu woont. In het filiaal-Linneaus. 'De jongste is acht. Ik moedig hen enorm aan er gebruik van te maken. Maar zelf ben ik geen lid meer. Ik heb hier al stapels liggen, en koop veel boeken via Boekwinkeltjes.nl die ik voor mijn werk nodig heb. Vaak voor langere tijd, dus dan is het prettig ze te bezitten.'

 

In de jaren tussen de bibliobus van Wormer en de OBA-Linneaus is er veel veranderd. Dat ziet Koelemijer ook wel. 'De essentie is hetzelfde, maar bibliotheken zijn meer servicegericht, leggen sterker de nadruk op activiteiten, hebben een grotere sociale functie. Vroeger zag je nooit iemand koffie drinken en een krantje lezen in de bibliotheek. Waren er ook geen activiteiten als voorlezen voor kinderen, terwijl sommige bibliotheken nu eigen theaters hebben.'

Ze juicht dat toe. 'Ik ben bang dat als bibliotheken zich niet zouden hebben verbreed, ze het niet hadden gered. Er wordt nu eenmaal minder gelezen, terwijl het ontzettend belangrijk blijft om kinderen aan het lezen te krijgen. Bibliotheken moeten creatiever zijn om hen daartoe te bewegen, en tegelijk moeten ze blijven investeren in de collectie. Volgens mij gebeurt dat ook. Het aanbod is niet minder dan vroeger. We moeten niet doen alsof de kasten vroeger uitpuilden. Ik had niet voor niets al snel de hele bibliobus uitgelezen.'

In november zal ze opnieuw veel bibliotheken bezoeken. Ze onderbreekt er met plezier haar werk aan de biografie van Etty Hillesum voor. En of het er ook van komt? 'Met allerlei aanpassingen is er weer veel mogelijk', zegt ze anderhalve maand voor aanvang van Nederland Leest. 'Ik word er niet zoals Annejet van der Zijl in de Boekenweek door overvallen. Maar niemand weet hoe het er dan voorstaat.' Maar of de campagne in het water valt of niet, de grote eer heeft ze binnen.

(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad, okt 2020)

zondag 3 januari 2021

Interview Johan Fretz over 3PAK, het schrijverschap en bibliotheken (Bibliotheekblad)

Vorig jaar brak Johan Fretz met Onder de paramariboom door naar een groter publiek. Dit jaar is hij een van de auteurs van 3PAK, het geschenk voor de Boekenweek voor Jongeren. Een gesprek over zijn schrijverschap, leesbevordering en de openbare bibliotheek.

Als het aan hem lag, was Johan Fretz al op zijn dertiende gedebuteerd als schrijver. 'Toen had ik mijn eerste boek af. Dieper duiken dan de duisternis, over twee hackende pubers. Ik dacht heel naïef: het is klaar, nu wordt het uitgegeven,' vertelt hij in zijn Amsterdamse woonkamer, vlak voor hij de stad verruilt voor Haarlem. Hij gaf het manuscript aan Wim Daniëls, die – toen vooral bekend als jeugdboekenschrijver – was uitgenodigd op zijn middelbare school in Almere. 'Superbrutaal. Maar hij heeft het wel gelezen.'
Een paar weken later kreeg hij een reactie. 'Ik had talent, schreef hij me, maar dit zou niet worden uitgegeven. Het was nog niet rijp genoeg. Daar moest ik niet verdrietig over zijn. Ik was pas dertien, dus ik moest vooral doorgaan en dan kwam het vanzelf. Hij stuurde een boek mee over taal dat hij had geschreven. Heel aardig van hem.'
Uiteindelijk duurde het tot 2012 voor het eerste boek uitkwam van de inmiddels 34-jarige Fretz. Toen verscheen Fretz 2025, waarin de naar de auteur vernoemde hoofdpersoon op het punt staat minister-president van Nederland te worden en hij terugblikt op de weg daarnaartoe. In 2018 volgde Onder de paramariboom. In deze roman reist een 'dubbelbloed', zoals de half-Nederlandse, half-Surinaamse Fretz er zelf een is, voor het eerst naar het land van zijn moeder en zo beter grip krijgt op zijn identiteit.
Lang was hij zelfs niet eens in de eerste plaats schrijver. Na zijn studie aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunst Academie, afgerond in 2010, maakte hij jarenlang avondvullende voorstellingen met Marcel Harteveld. Dat had het effect dat hij als schrijver werd gezien als 'de cabaretier die ook schrijft' en als cabaretier als 'de schrijver die ook op het podium staat.' Het deed ook hemzelf twijfelen. Tien jaar lang deed hij zeer uiteenlopende dingen. Maar wat ben ik eigenlijk? Wat wil ik precies?

Onder de paramariboom veranderde alles. Aanvankelijk was de respons beperkt. Grotendeels genegeerd in de pers, matige verkoop. Maar Fretz was zelf erg blij met het boek. Dit was het verhaal dat hij wilde vertellen. En de mensen die de roman wel lazen, werden er echt door geraakt, bleek hem uit reacties. 'Vaak van mensen die zelf dubbelbloed zijn. De mensen uit mijn eigen linksige, elitaire bubbel begrepen juist niet dat onder lichtvoetigheid een serieus verhaal over identiteit schuil gaat – een thema dat nog steeds zeer actueel is.'
En toen kreeg hij, begin vorig jaar, voor de roman de Nederlandse Boekhandelsprijs. De verkoop schoot de lucht in: naar bijna 17.000 verkochte exemplaren. Hij werd overal uitgenodigd. En de filmrechten zijn verkocht. 'Soms vertelt het leven zelf je wel welke kant je op moet. Wat ik schrijf, lijkt steeds meer vanzelf zijn publiek te vinden. Terwijl mijn shows eigenlijk al jaren niet echt lekker liepen. Cabaret wordt gezien als "lachen, gieren, brullen", terwijl het niet is wat ik wil maken. Voor mij is de humor meer de bonus bij het verhaal dat ik op het podium wil vertellen.'
Hij heeft zichzelf daarom geherdefinieerd als 'toriman': iemand die 'tori's' wil vertellen, een begrip uit de Surinaamse cultuur dat verwijst naar verhalen die worden verteld bij het kampvuur. Verhalen die zijn gestoeld op de werkelijkheid, maar tot leven zijn gewekt met de verbeelding. 'De basis is voor mij nu het schrijven, maar in wezen doet het er niet toe in welke vorm je een verhaal vertelt. Het kan ook een podcast, film, theatervoorstelling of column worden.'

Door zijn eigen ervaring met Wim Daniëls weet Fretz hoe belangrijk het is als jongeren in aanraking komen met schrijvers. Hij zegde daarom direct toe toen hij door de CPNB werd gevraagd om een bijdrage te leveren aan 3PAK van dit jaar, het geschenk van de Boekenweek voor Jongeren. 'Zo breng je jongeren in aanraking met literatuur. Je laat zien dat schrijver zijn ook een optie is als beroepskeuze. Maar ook heel simpel: hoe tof het is om je onder te dompelen in literatuur. Dat kan hele werelden voor je openen.'
Daarbij, merkt hij terecht op, 'leent mijn werk zich wel voor een jong leespubliek. Het is beweeglijk en filmisch en er zit humor in. Het heeft een bepaalde lichtheid die verleidelijk werkt voor jongere mensen, die vaak het idee hebben dat literatuur alleen maar zwaar is. Tegelijk snij ik wel degelijk serieuze thema's aan. Dat komt bij jongeren ook meer binnen. Sowieso komen veel dingen bij jongeren veel directer en puurder binnen. Hun openheid maakt ze eigenlijk het eerlijkste publiek.'
Ook zijn verhaal Naar Mancora – ondertitel: 'een tori voor 3PAK' – getuigt van deze toon. Fretz geeft het woord aan de 21-jarige Benjamin die voor het eerst in zijn leven door Zuid-Amerika backpackt. 'Of backpacken nog steeds een dingetje is voor jongeren, weet ik eigenlijk niet. Maar mij sprak reizen op die leeftijd enorm aan. Het prikkelde mijn verbeelding. Op reis, dacht ik, kan ik lol beleven, nieuwe dingen zien, maar vooral de ultieme versie van mezelf zijn. Om dan natuurlijk te ontdekken dat die niet bestaat.'

Fretz' inzet voor de Boekenweek van Jongeren wil niet zeggen dat hij zich zorgen maakt over de ontlezing. 'En dan zeker jongeren voorhouden dat lezen goed voor je is? Ik heb niet zo'n affiniteit met die redenering. Jongeren die lezen toch al zien als "iets wat moet" – zelfs, destijds, door mij, die de hele tijd met schrijven en boeken bezig was – overtuig je daar ook niet mee. En het is onoprecht. Je wordt al gauw verdacht van dezelfde commerciële motieven als wanneer een slager zich zorgen zegt te maken over de ontvlezing.'
Voor hem is het veel simpeler: 'Lezen is gewoon te gek. Alleen niet voor iedereen. Sommigen hebben nu eenmaal meer met andere vormen van kunst. Prima. Het is alleen zonde als het wél iets voor je is, maar je wordt nooit gewezen op het bestaan ervan. Daarom moet je literatuur alleen maar aanbieden en verder niets. Dat is zo aardig aan het idee achter 3PAK. Je vraagt een paar relatieve jonge auteurs om een verhaal te schrijven. Dat laat je ze lezen. En dan komen ze ook nog langs om erover te vertellen.'
Zelf bewaart hij goede herinneringen aan die ontmoetingen. 'Ik vertel vaak over de weg die ik zelf heb afgelegd. Na Fretz 2025 kwam ik veel op tv. Totdat ik er heel ongelukkig van werd, omdat het niet langer over mijn werk ging, en ik er rigoureus mee stopte. Dat spreekt tot de verbeelding van jongeren, merk ik. Ze leven in een tijd waarin succes – het aantal volgers! – allesbepalend lijkt te zijn voor wie je bent. En ik vertel dat het helemaal geen vervulling geeft om op tv te komen. Dat alleen doen wat je echt wil, je je vervulling geeft.'

Het is tegen deze achtergrond niet verrassend dat Fretz op dezelfde nuchtere toon praat over de openbare bibliotheken van zijn jeugd. Ze waren de plek waar hij vond wat hij toevallig zocht. Niets meer, niets midner. 'Ik hield van lezen en daar had je boeken. Kopen was geen optie, wij hadden niet veel geld thuis. Je kon er ook tips krijgen: probeer dit eens, lees dat is. Het is natuurlijk een briljant concept: dat je alle boeken die uitkomen gewoon kunt lenen. Maar op je tiende of elfde ben je daar niet bewust van.'
Tot zijn tiende kwam hij in de bibliotheek van Dordrecht, daarna die van Almere. 'Het waren allebei fijne plekken. Als een soort huiskamers. Ik kwam er graag en veel. Niet alleen om te lenen, ook om te bladeren en een tijdje om te typen. Ik had een typdiploma gehaald, maar wij hadden geen computer thuis. De bibliotheek wel. Zat ik daar te typen terwijl op de computer alleen maar een catalogus had.'
Die tijd hield na zijn jeugd op. Sinds hij is verhuisd is hij nooit meer lid geweest. 'Ik kwam er nog wel om te werken. De Pintobibliotheek, de OBA op het Oosterdokseiland. Het was lekker om tussen de boeken achter je laptop te zitten. Maar dat hield na enige tijd ook op. Ik kom er nu alleen nog om op te treden. Het zijn vaak leuke plekken, zeker als ik na sluitingstijd of in een afgesloten ruimte kan optreden. En meestal wordt je hartelijk ontvangen en is het goed georganiseerd. En er komen opvallend veel mensen op af.'
Fretz vermoedt dat de jeugd nu niet meer op dezelfde intensieve manier gebruik maakt als hij destijds. 'Ik ben van de laatste generatie die zich nog kapot verveelde. Niets te doen, niets op tv – en dan ging je naar de bibliotheek om prikkels te vinden. Nu hoef je niet meer van je luie reet op te staan om prikkels te krijgen. Gelukkig zijn bibliotheken heel veel meer gaan doen. Sommige zijn echt cultuurcentra. Onderschat niet dat nog steeds veel mensen weinig geld hebben en daarom geen boeken kunnen kopen. Dan is een bibliotheek voor hen nog steeds een uitkomt om echt te kunnen lezen. Toch zal de bibliotheek minder populair worden dan hij was.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

zie ook: