Posts tonen met het label Des romans français. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Des romans français. Alle posts tonen

zondag 13 november 2016

Des romans français: Fouad Laroui, 'Les noces fabuleuses du Polonais'

De vijf korte verhalen van Fouad Laroui, naast schrijver ook docent Frans aan de Universiteit van Amsterdam, kenmerken zich door een bepaalde lichtvoetigheid, maar raken tegelijkertijd aan essentiële waarden die ten grondslag liggen aan de omgang tussen mensen. Kun je elkaar altijd geloven of geloof je de ander ook tegen beter weten in? Is liefde te definiëren, en zo ja, moet je je dan ook aan je eigen definitie houden? Is het erg als je door een misverstand of miscommunicatie datgene verwerft wat je altijd nastreefde? Laroui geeft geen antwoord op deze vragen, maar presenteert ze op speelse wijze, bezien van uit de Marokkaanse cultuur.
Enkele verhalen spelen zich af in of rondom plekken waar verteld wordt, gediscussieerd, zoals op een school, in een restaurant of in een café. Mensen komen er samen om hun leven te delen. De lezer waant zich aan een belendend tafeltje, legt zijn oor te luisteren en geniet van de geschiedenissen die er de ronde doen, zoals in Trois mensonges de Torrès, het laatste verhaal van de bundel. Torrès, van wie iedereen weet dat hij dingen verzint, is een begenadig verteller. De luisteraars hangen aan zijn lippen, willen weten hoe het afloopt, proberen zijn verzinsels onderuit te halen. Maar steeds weer weet hij hen op het verkeerde been te zetten. Als ze er iets tegen inbrengen, zegt hij: Je me suis posé la question moi-même. Zo haal je de wind uit de zijlen van de tegenstander, je voegt je bij hem om vervolgens verder te vertellen.
Het titelverhaal handelt over een Poolse werkgever die zich op ludieke wijze in de luren laat leggen. Hij wil graag alles te weten komen van de Marokkaanse cultuur, schrijft woorden en uitdrukkingen op in een klein notitieboekje en slaat het aanbod om een typische lokale bruiloft van dichtbij mee te maken niet af. Maar dat dicht bij is wel heel dichtbij. De Pool is tandarts bij een internationaal bedrijf en heeft als een van de weinige hoger geplaatste medewerkers ook contact met de arbeiders. Een van hen belooft hem de ervaring van de bruiloft en hoewel je als lezer al snel door hebt dat het de verkeerde kant opgaat, ontspint het verhaal zich toch heel geloofwaardig. De naïeve Pool komt steeds een stapje verder in het proces. Hij koopt een mooi pak, doet aanbetalingen en hoewel hij zich verbaast over de hoogte ervan, denkt hij dat het klopt. Tot na de huwelijksnacht, dan wordt hem duidelijk waar het om ging. Maar is dat erg?
Hoe absurd het ook lijkt, juist door de cultuurverschillen, de naïviteit van de een en slinksheid van de ander, wordt het aannemelijk gemaakt. De lezer krijgt mededogen met zowel de Pool als zijn in de scène meegevoerde bruid. Het is een modern sprookje, de karakters hebben duidelijke eigenschappen en worden niet verder uitgediept.
In La toile mystérieuse eet een politiecommissaris met aanzien elke dag op hetzelfde tijdstip in hetzelfde restaurant. Zijn plekje wordt door de restauranthouder vrijgehouden, aan hetzelfde tafeltje. En dan hangt er ineens een schilderij aan de muur tegenover hem. Niet zonder bedoeling, blijkt achteraf. De commissaris wordt door slim nadenken op een spoor gezet en als een Marokkaanse Maigret ontdekt hij met een mysterieus schilderij als begin de waarheid achter een vreemde zelfmoord.
En af en toe neemt Laroui de Marokkaanse cultuur of het geloof op een vrolijke manier op de hak. Zoals in het verhaal van de Pool, die zich voor de zogenaamde bruiloft ook moet bekeren tot de islam. Hij is het er niet mee eens: Qu’est-ce que c’est cette religion ? Tu entres, on te coupe le zizi, tu sors, on te coupe la tête.
Het derde verhaal is meer een script: Géométrie de l’amour. Drie docenten op een middelbare school, twee vrouwen en een man, discussiëren in de pauze, onder andere over de liefde. Maar ook daar speelt weer de vraag: wat is waar? Zijn er universele waarheden, zoals vaak verwoord in spreekwoorden? Alain, de docent wiskunde, is het daar niet mee eens:

La sagesse populaire dit: <<Il n’y a pas de fumée sans feu.>> Or, c’est faux, c’est totalement faux : il y a des rumeurs parfaitement infondées, il y a des calomnies gratuites… Combien de malheureux ont vu leur vie, leur réputation ruinées à cause de ce genre de diction <<Il n’y a pas de fumée sans feu.>>, qui a l’air vrai, mais qui est en fait…une belle connerie.

De verhalen van Laroui zijn zeker de moeite waard en geven een interessant inkijkje in de Marokkaanse cultuur. In kleurrijk zinnen geeft hij aan dat de grens tussen waarheid en verzinsel dun is. Het is maar net wie het verhaal hoort en vooral: wat de lezer of luisteraar wil horen.

Arjen van Meijgaard 

zondag 30 oktober 2016

Des romans français: 'Het voorgevoel' van Emmanuel Bove

In 2013 verscheen van Emmanuel Bove De liefde van Pierre Neuhart, in een prachtige vertaling van Mirjam de Veth. Gelukkig bleef het daar niet bij, nu heeft zij al even verdienstelijk Le pressentiment uit 1935 vertaald met als Nederlandse titel Het voorgevoel. Zoals in veel van Bove’s verhalen speelt een man van middelbare leeftijd de hoofdrol. Het zijn onopvallende mannen die iets wezenlijks nastreven. Een onbereikbare liefde in De liefde van Pierre Neuhart, een rehabilitatie na een diefstal of het loskomen van een beknellende relatie in verhalen uit de bundel Reis door het appartement. In Het voorgevoel wil de hoofdpersoon een leven ‘vrij van zekerheden.’

Vijftien maanden geleden heb ik mijn familie en mijn vrienden verlaten uit afkeer en verachting. Ik kon het niet meer aanzien hoe mensen zich druk maken uit eigenbelang. Ik wilde alleen zijn.

Het verhaal speelt een paar jaar na de eerste Wereldoorlog. Charles Benesteau is rond de vijftig en niet gelukkig. Hij is advocaat, getrouwd, heeft een zoon en woont op stand. Wat zijn ongeluk precies behelst is in het begin nog niet duidelijk. Zijn omgeving merkt dat er iets aan schort, hij is ‘neerslachtig, lichtgeraakt, opvliegend.’ Men denkt aan een verlate reactie op de oorlog of aan een ziekte. Op doktersadvies vertrekt hij zelfs met zijn vrouw naar het zuiden, maar het mag niet baten.
Niet veel later stapt hij uit het leven dat hij leidt en trekt zich terug in een klein appartement in een arme wijk bij Montparnasse. Wat hij wil? Hij wil opgaan in zijn omgeving, een sober leven zonder drukte, verplichtingen en poespas. De enige met wie hij nog contact onderhoudt uit zijn vorige bestaan is zijn maîtresse voor wie hij nog steeds vriendschappelijk genegenheid voelt. Al komt hij alleen langs wanneer het hem zint. Zijn broers en zussen en vrouw laten hem koud.
Het lukt hem een onopvallend bestaan de leiden, totdat hij zich in wil zetten voor zijn nieuwe buurtgenoten. Hij is immers advocaat en kan met zijn kennis de armen uit de straat wellicht bijstaan. Naar de rechtbank om zijn confrères te ontmoeten, wil hij niet meer. Maar raad geven kan natuurlijk altijd. Een buurman die zijn vrouw verdenkt van overspel, komt bij hem langs. Hij luistert en verwijst hem door. De man komt terug om te geld te lenen, wat Charles doet. Dat raakt bekend in de straat en van het een komt het ander. Hij ontfermt zich uiteindelijk zelfs over de dochter van de buurman, die na een uit de hand gelopen echtelijke ruzie in de gevangenis belandt. En dan wordt er geroddeld: een man met een jong meisje in huis.
Emmanuel Bove schetst in sobere maar duidelijke beelden de gevolgen van de radicale keuze van Charles Benesteau. Zijn kleding, zijn kamer, de gesprekken met zijn broers en zussen die hem niet begrijpen en hem proberen over te halen weer terug te keren naar zijn oude leven, worden trefzeker weergegeven. Zo ook wanneer een vrouw uit de buurt zich aandient als gouvernante voor het buurmeisje dat nu bij hem in huis woont en met wie hij zich niet zo raad mee weet:

De vrouw was op hem toegestapt, en als iemand die al honderden keren die eerste allesbepalende blik heeft getrotseerd, stond ze kaarsrecht, met geheven hoofd, alsof ze poseerde. Charles bekeek haar niet eens. Het ging hem om het kind. Hij probeerde haar blik te vangen, maar dat lukte niet. Ze bleef met gebogen hoofd zitten en leek onverschillig voor alles wat er om haar heen gebeurde.

Alsof je als lezer naar een schilderij uit het realisme kijkt. Drie mensen die ieder op hun eigen manier contact zoeken met de ander. Emoties, miscommunicatie, verwachtingen. Alles in die paar woorden.
Bove wordt door schrijfster Marie Darrieussecq de voorloper van Patrick Modiano genoemd. Wat betreft de zoektocht van de hoofdpersoon, dwalend door de vaak verlaten straten van Parijs klopt dat zonder meer, maar Bove is veel uitgesprokener. Hij laat minder in het midden. Bij Modiano zijn het de herinneringen die leidend zijn, een zoektocht terug naar vroeger om het heden te kunnen duiden. Bove laat de nostalgische verlangens buiten beschouwing. Het gaat hem om de het innerlijk van de gewone man, het blootleggen van die binnenwereld, hier en nu. In dit geval het juist niet groots en meeslepend te willen leven, maar onopvallend en gewoon.
De titel van het boek verwijst wellicht naar een niet verder uitgewerkt voorgevoel dat Charles zou kunnen hebben. Zoals een duif die voelt dat het einde nadert en zich terugtrekt, in een hoekje, weg van het gefladder en hebberige gepik naar voer van zijn mededuiven. Je voelt compassie met Charles, benijdt hem om zijn durf een duidelijke keuze te maken. Maar toch zou je niet in zijn schoenen willen staan.
Een prachtig verhaal dat zeker niet misstaan zou hebben in een uitgave van Coppens & Frenks, maar gelukkig komt de uitgave van de Arbeiderspers dicht in de buurt.

Arjen van Meijgaard

zondag 16 oktober 2016

Des romans français: Philippe Claudel, 'L’arbre du pays Toraja'

De boom en het leven

Met L’arbre du pays Toraja trakteert de schrijver ons als lezer op een prachtige reflectie op het leven en de dood. En vooral de wisselwerking daartussen. Welke impact heeft de dood van een dierbare op ons leven? Wordt alles dan ineens relatief, gaan we zelf proberen er meer van te maken, of brengt het ons aan het wankelen en is het iets om zelf constant rekening mee te houden?
Een filmmaker van middelbare leeftijd is in Indonesië voor een project en komt daar in contact met het Toraja-volk. Begrafenissen bij dit volk duren weken, maanden, soms zelfs een jaar.  Alle familieleden moeten aanwezig zijn, en dat kan een flink aantal mensen betekenen die van allerlei eilandjes uit de archipel moeten afreizen naar de plechtigheid. Dat kost tijd. En gedurende die tijd wordt de dode niet beschouwd als dode, maar als zieke. Overleden baby’s worden in een holte in de stam van een grote boom gelegd. In de loop der jaren reizen ze op die manier richting de hemel. Het zijn rituelen die de dood een andere plek geven in het bestaan dan wij dat doen. De dood is daar geen afsluiting van het leven, maar een overgang naar iets anders.
Bij thuiskomst in Parijs hoort de ik-persoon op zijn antwoordapparaat een berichtje dat Eugène, zijn beste vriend, kanker heeft: Tu vas rire, me disait il, j’ai un vilain de cancer.
Naast ‘dood’ en ‘leven’ speelt ook de liefde een belangrijke rol in dit boek. Aloude thema’s die Claudel op lichtvoetige maar indringende wijze voor het voetlicht weet te brengen zonder in clichés te vervallen. Eugène heeft een aantal kinderen uit verschillende huwelijken. Steeds raakt hij weer verliefd. Zelfs in het ziekenhuis doet hij de verpleegster een huwelijksaanzoek. Gekscherend, maar toch met een kern van waarheid. Is hij bang om alleen te zijn? Om alleen te sterven? De ik-persoon maakt het minder bont, maar moet wel kiezen tussen twee vrouwen. Zijn ex Florence, met wie hij nog steeds goed bevriend is en met wie hij ook nog van tijd tot tijd naar bed gaat. En een benedenbuurvrouw, Elena, die hij vaak observeert wanneer ze uit haar werk komt en op bed gaat liggen met haar laptop. Vanuit zijn studeerkamer kan hij haar precies zien. Haar aanwezigheid, zo op afstand, stelt hem gerust. Als ze elkaar later op een andere manier echt ontmoeten, groeit er al snel een relatie.
Eugène is niet de enige die de ik-persoon met de dood confronteert. Al eerder zijn naasten hem ontvallen, maar dat beseft hij pas nu hij zijn beste vriend ziet langzaam het leven ziet verlaten. Hierdoor besluit hij zich te laten onderzoeken, want hoe weet je eigenlijk wanneer je ernstig ziek wordt?

Quand donc tombons-nous gravement malade ? Quand tout va bien ou quand tout va mal ? Dans la monotonie de jours qui se ressemblent ? Ou bien dans le dérèglement, la rupture d’un quotidien égal

Dit soort treffende overdenkingen  ventileert Claudel vaker. Hij stuurt de lezer niet, maar vertelt zijn verhaal, zijn gedachten, vol twijfel, nuances en relativeringen. Er is geen houvast, geen lijstje met do's and don'ts, het leven ontrolt zich en je hebt erin mee te gaan. Liefde kan daarbij een grote steun zijn. Maar wie heb je lief, en wat als die geliefde je ontvalt? Wordt daardoor de liefde sterker? Kan je iemand nog liefhebben die er niet meer is?
Eugène was niet alleen zijn beste vriend, maar ook zijn producer. Er komt een nieuwe film, de eerste zonder Eugène. De dood die naast het leven altijd aanwezig is, heeft de ‘ik’ niet uit het veld kunnen slaan. Hij herneemt zijn werk en slaat nieuwe paden in. Al blijft de twijfel.

Laquelle des deux, d’Elena ou de Florence, me faisait être le plus vivant ? Faire l’amour avec Florence me rendait à moi-même. Faire l’amour avec Elena me forçait à devenir un autre.

Toch kiest hij voor de laatste. Met het mooie gevolg dat uit die relatie weer nieuw leven ontstaat. En Eugène blijft ook voortbestaan. In zijn gedachten, in zijn woorden, in dit boek :

Eugène n’est plus en dessous. Il est ici. Le texte est devenu l’arbre du pays Toraja.

Een optimistisch verhaal, dat met de dood begint en met het leven eindigt. Claudel laat ons zien dat we ook zo ook naar ons bestaan op aarde kunnen kijken.


Arjen van Meijgaard

Meer Philippe Claudel:

zondag 2 oktober 2016

Des romans français: 'Journal d’un vampire en pyjama' van Mathias Malzieu

Mathias Malzieu, zanger van de Franse rockgroep Dionysos, beschrijft in dit autobiografisch werk op een innemende en humoristische manier zijn gevecht om in leven te blijven. Hij moet een beenmergtransplantatie ondergaan, maar voordat er een donor gevonden is, moet men op zoek naar ‘gezond’ bloed, vandaar de titel van zijn boek: Vampire en pyjama. Een lieve en ongevaarlijke vampier, overgeleverd aan artsen en verpleegsters en de goedgevigheid van bloeddonors.

Aan zijn hectische leven als zanger, die zich tijdens concerten graag in het publiek stort en zich vol adrenaline overgeeft aan de muziek, komt abrupt een einde als bij een bloedonderzoek blijkt dat hij te weinig zuurstof in zijn bloed heeft en een te lage hoeveelheid bloedplaatjes, die bij bloedingen voor stolling zorgen. Als hij de uitslag thuis hoort, moet hij direct per ambulance naar het ziekenhuis. De vitale veertiger die zich liever op zijn skatebord door Parijs begeeft, wordt zittend afgevoerd. Zijn beenmerg moet onderzocht worden om de oorzaak te vinden.
Het is het begin van een ruim een jaar vol ziekenhuisbezoeken, chemobehandelingen en onderzoeken waarbij hij steeds meer geïsoleerd raakt en het leven aan zich voorbij ziet trekken zonder er zelf aan deel te nemen. Zijn ukelele, kleine rode piano en zijn skatebord wijken niet van zijn zijde. Zelfs in de steriele kamer waar hij vele weken doorbrengt, zijn ze bij hem. Rosy, zijn vriendin, mag hem daar alleen gemaskerd bezoeken en hem niet aanraken. Ze is zijn steun en toeverlaat en laat zich niet uit het veld slaan, zelfs als hij kaal en als een oud kind in zijn Spidermanpyjama in een ziekenhuisbed ligt.

Les yeux de Rosy n’ont pas bougé un iota. Elle obtient son diplôme d’amourologie avec les félicitations du jury.

De naam van zijn rockgroep, Dionysos, koppelt hij op gevatte wijze aan zijn situatie. Dionysos werd twee keer geboren, eerst uit zijn overleden moeder Semele en omdat hij nog niet volgroeid was vervolgens uit het dijbeen van zijn vader Zeus. Ook Malzieu voelt zich twee keer geboren. Hij heeft er een nieuwe moeder bij, de donor van het beenmerg. Hij kent haar niet, maar geeft aan dat wel te willen. Om iets terug te doen, al beseft hij dat wat zij hem gegeven heeft onbetaalbaar is.
In een van de eerste weken krijgt hij ’s nacht bezoek van Dame Oclès. Pas toen ik naar het gelijknamige nummer van Dionysos luisterde, viel het kwartje. Deze Vrouwe Damokles achtervolgt Malzieu. Ze trekt aan hem, zegt dat hij het niet zal halen, en wanner hij vlak na de transplantatie uit bed valt en zelfs even van de wereld is, met bijna catastrofale gevolgen, zegt ze dat haar zwaard in zijn hoofd zit. Een mooie vondst, zowel in naam als personage.
Wanneer hij bloed toegediend krijgt van een van de nymphirmières, zoals hij de verpleegsters noemt, en hij voelt dat het zal helpen, geeft hij dat gevoelig en tegelijkertijd lichtvoetig weer:

J’ai l’impression que le sang vient directement de sons sourire. J’ai envie de la prendre dans mes bras et de l’empêcher de quitter la chambre. Une joie profonde se diffuse en moi avec une telle intensité que je sens venir les larmes, mais je ne veux pas chialer devant l’infirmière avec mon T-shirt Spiderman et tout.

Malzieu speelt met taal, is een dichter die weet wat woorden kunnen doen. Hoewel er veel medische termen worden gebruikt om alle onderzoeken en uitkomsten daarvan de beschrijven, is het verhaal verre van een medisch verlag van iemand die in het ziekenhuis ligt. Journal d’un vampire en pyjama  is opgebouwd uit dagboekfragmenten met steeds een eigen, vaak poëtische titel. Soms worden er weken overgeslagen, dan weer volgen we Malzieu op de voet. Hij verweeft hij de gebeurtenissen met zijn gedachten, vertwijfelingen, rake observaties en toekomstdromen. Een prachtig boek over hoe delicaat en waardevol het leven is.


Arjen van Meijgaard

zondag 18 september 2016

Des roman français: '2084' van Boualem Sansal is verontrustender dan 'Soumisson'

De meest recente roman, 2084, van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal stond op veel lijstjes van gerenommeerde literaire prijzen en won Le grand prix du Académie Française 2015. De titel doet direct al denken aan 1984 van George Orwell en de ondertitel heeft een verontrustende bijsmaak: La fin du monde. Het toekomstbeeld dat in het boek geschetst wordt is dat van een streng geloof dat aan de macht is en de bevolking geheel aan zich onderwerpt en alles van het verleden heeft uitgewist. Is het de voorspelling van een dystopie (tenminste voor ons, voor anderen is het wellicht een utopie) of is het louter een spannend verhaal?
Het is niet moeilijk de vergelijking te maken met Soumission van Michel Houellebecq waarbij Frankrijk al in 2022 een islamitische president krijgt. 2084 gaat echter veel verder en is daardoor onrustbarender; zeker gezien de krachtmetingen van IS met het westen zou er meer realiteit in kunnen schuilen dan we denken. Als je het boek puur als roman leest, is het een spannend verhaal waarin op beeldende en gedetailleerde wijze een niet bestaande, weliswaar verre van prettige, maatschappij wordt geschetst. Het gaat om een zoektocht naar wat er achter de façade van dit streng gelovige Abistan-regime schuilt, en wat er voor en buiten dit machtige rijk bestond en bestaat. Dat levert een intrigerend verhaal op, vooral omdat de beknelling van dit machtige rijk gezien wordt door de ogen van de hoofdpersoon, Ati, die door bepaalde gebeurtenissen gaat twijfelen aan de hem voorgeschotelde waarheid.
In zijn wat rouwere en cynische stijl beschrijft Houellebecq de gebeurtenissen rond 2022 vanuit de ik-persoon, het is een persoonlijke beleving. Sansal houdt het bij een alwetende verteller die aan de lezer uit de doeken doet wat de kenmerken en eigenaardigheden van het totalitaire regime zijn. Deze beschrijvingen worden afgewisseld met de belevenissen van de hoofdpersoon Ati. De camera zoemt in en uit en wisselt tussen de personages. Ook dat is natuurlijk fictie, maar omdat de lezer door deze auctoriale verteller meer afstand ervaart, lijkt het juist misschien beter voorstelbaar. Je krijgt een totaalbeeld en minder een persoonlijk relaas zoals bij Houellebecq.
L’Abistan is een machtig rijk, vernoemd naar de profeet Abi, de vertegenwoordiger van de god Yölah. Met een beetje goede wil is daar Allah uit te herleiden. Het achtervoegsel – stan, wat veel namen van Arabische landen kennen, is afgeleid van het Perzisch en betekent zoveel als ‘plaats van’.
Dit geloof heeft de eigen gedachte van haar bevolking uitgebannen eist volledige onderwerping (soumission) van iedere bewoner. Abi is de almachtige heerser, die niemand ooit gezien heeft:
(…) il était le père des croyants, le chef suprême du monde, enfin il était immortel par de grâce Dieu et de l’amour de l’humanité. Et si personne ne l’a jamais vu, c’était simplement que sa lumière était aveuglante.
Het paleis van deze heerser wordt omringd door tot de tanden bewapende mannen van wie de hersens vlak na hun geboorte zijn verwijderd, waardoor ze volledig volgzaam zijn en een hallucinerende en angstaanjagende blik in hun ogen hebben.
Reizen door het land is verboden, behalve voor de mensen die op bedevaart zijn naar een van de heilige plaatsen. Dat gaat echter niet op eigen initiatief, maar volgens een vaste kalender en over vastgestelde paden met van tevoren bepaalde tussenstops. Soms duren die pauzes zo lang, dat er sloppenwijken ontstaan. Men wacht, en weet niet wanneer er weer doorgelopen wordt. En bovenal, men weet niet waarom. Het is altijd zo gegaan.
Naast het feit dat iedereen overal in de gaten gehouden wordt en elke twijfel of onzekerheid, oftewel afwijkende acties of ideeën, is weggenomen en er dus geen vragen zijn, is er ook geen besef van heden of verleden. Het is bijvoorbeeld niet bekend waar het jaar 2084 vandaan komt. Men weet dat er een heilige oorlog, le Char,  is geweest en dat de vijand verdreven is. Zelfs helemaal verdwenen. De overwinning was ‘totale, définitive, irrévocable’. Maar heeft het jaar 2084 met de overwinning te maken?  Is het het geboortejaar van Abi? Numerologie is een nationale sport, men probeert van alles met de getallen 2 0 8 4.
Toch is er één iemand die twijfelt: Ati. Hij moet op bedevaart naar een keuroord om van zijn tuberculose te genezen. Hij is twee jaar op pad geweest en heeft een archeoloog, genaamd Nas, ontmoet die in dienst is van ‘l’Aparreil’.  Nas heeft een dorp gevonden dat dateert van voor de heilige oorlog. Dit gegeven maakt dat Ati gaat twijfelen. Er is dus iets voor Abistan geweest. En bestaat er nu ook nog iets buiten dit machtige rijk? Zijn er grenzen? Wat ligt daarachter?
Bij bepaalde boeken is het soms lastig zoeken naar maatschappijkritische gedachten of naar de onderliggende boodschap van de auteur. Bij Houellebecq en Sansal hoeft dat geen probleem te zijn. Beperkte Soumission zich nog tot een overname van Frankrijk door de Islam, Sansal beschrijft een veel heftiger scenario. Hoewel hij zelf voor in het boek aangeeft dat het pure fictie is:
Le lecteur se gardera de penser que cette histoire est vraie ou qu’elle emprunte à une quelconque réalité connue. Non, véritablement, tout est inventé, les personnages, les faits et le reste, et la preuve en est que le récit se déroule dans un futur lointain qui ne ressemble en rien au nôtre.
Maar deze waarschuwing haalt zichzelf al onderuit. Het verhaal is niet waar omdat het zich afspeelt in de verre toekomst. Er staat echter niet dat het geen waarheid kan worden. De lezer zou het zo maar kunnen denken. Je kunt je troosten met de gedachte dat Orwells 1984 ook niet is uitgekomen. Maar is dat voldoende?

Arjen van Meijgaard 

Zie ook:

zondag 4 september 2016

Des romans français: Binet houdt in 'De zevende functie van de taal' de taal en de lezer volledig in zijn greep

Laurent Binet heeft met La septième fonction du language een prachtig en veelkleurig palet geschetst waarbij de functies van de taal een rol spelen en spanning de leidraad is.

Het verhaal begint bij een aanrijding van Roland Barthes in 1980, een Franse filosoof en taalkundige die zich vooral bezighield met semiologie, het ontstaan en het gebruik van tekens. Het lijkt in eerste instantie te gaan om een noodlottig ongeluk, maar aangezien Barthes van een lunchafspraak met presidentskandidaat Mitterand kwam, wordt er toch iets achter gezocht. Giscard d’Estaing, op dat moment president, gelast een onderzoek, want stel nu dat Mitterand zijn gasten te diep in het glaasje heeft laten kijken, dat zou toch een mooi schandaal opleveren en Giscard meer kans geven op een overwinning bij de op handen zijnde verkiezingen.
Commissaris Bayard, een Maigret type dat belast wordt met deze zaak, heeft weinig op met het intellectuele milieu waarin Barthes vertoefde en kent in sommige gevallen alleen de namen van grote filosofen en essayisten uit de omgeving van de taalkundige, zoals Foucault, Derrida en Sollers. Tijdens een verhoor in het ziekenhuis blijkt dat Barthes papieren op zak had die na het ongeluk zijn verdwenen. Bayard probeert zich te verdiepen in het werk van Barthes, maar ‘(…) comprend qu’il ne comprend rien, ou pas grand-chose, à toutes ces conneries. Il lui faudrait (…) un spécialiste, un traducteur, un transmetteur, un formateur.’ Bij de afdeling semiologie van de universiteit vindt hij universitair docent Simon Herzog, die juist een lezing geeft over de betekenis van tekens in de James Bond-films. Tijdens het gesprek na het college blijkt Herzog een soort Sherlock Holmes die aan slechts enkele uiterlijke kenmerken van Bayard diens hele levensgeschiedenis kan herleiden.
Bayard en deze academicus zullen samen proberen het mysterie rond het ongeluk en inmiddels het overlijden, dat ook onder verdachte omstandigheden in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden, te ontrafelen. Ze komen op de thee bij Giscard d’Estaing, kruisen verschillende keren het pad van Foucault, zelfs in een duistere homosauna, en worden op hun zoektocht gevolgd door moordlustige besnorde Bulgaren en behulpzame Japanners. Het boek dat zij op het bureau bij Barthes thuis vinden is van de taalkundige Roman Jakobson, en bij het hoofdstuk over de functies van de taal zit een bladwijzer.
Daar blijken Bayad en Herzog het begin van de oplossing in handen te hebben. De zes functies van de taal volgens Jakobson zijn: ergens over praten en informatie geven; emoties uitdrukken aan de hand van tussenwerpingen en bijwoorden; een boodschap over brengen aan de ander; het praten om het praten, keuvelen zonder dat het echt om de inhoud gaat; over taal praten en als laatste de poëtische functie waarbij het gaat om de schoonheid van de taal, de klank en het ritme. Maar er moet een zevende functie zijn. En stel dat Barthes deze op het spoor was en dat deze functie wie dan ook kon aan zetten om wat dan ook te doen. Dat zou macht geven.
De zoektocht naar deze zevende functie, die ergens op een blaadje moet staan, doet de twee detectives, hoewel Simon dat tegen wil en dank is, belanden in Bologna bij Umberto Eco. Daar, evenals in Parijs, zijn ze aanwezig bij een internationale debatersvereniging waar het er hard aan toe gaat en waar taal het onontbeerlijke wapen is en zijn ze getuige van de bloedige bomaanslag op station. Was die voor hen bedoeld? Uiteindelijk moeten ze naar de Verenigde Staten op zoek naar de Amerikaanse filosoof Austin die wellicht meer weet over deze zevende functie.
Al naar gelang het verhaal vordert, vraagt Simon zich af en toe ook af of het allemaal wel echt gebeurt, of Bayard en hij niet in een roman leven. Hij overpeinst op cruciale momenten wat hij zou doen als hij in een roman zat en confronteert Bayard met zijn twijfel over wat realiteit is.

“Comment tu sais que tu n’es pas dans un roman? Comment tu sais que tu ne vis pas à l’intérieur d’une fiction? Comment tu sais que tu es réel?

Zeker aan het eind, wanneer Simon tegenover de maffia komt te staan en voor zijn leven moet vrezen, beklaagt hij zich over de schrijver van de roman waar hij in speelt. Dat deze wel een hardgrondige hekel aan Simon moet hebben om hem zo aan zijn einde te laten komen. Het lijkt op de film Ober van Alex van Warmerdam, waarin de hoofdpersoon in discussie gaat met zijn schepper. Simon weet net op tijd het tij te keren (of doet de schrijver dat?), door net als bij de eerste keer dat hij Bayard ontmoette, te letten op de uiterlijke tekens van degene die hem op het punt staat om te brengen en diens jeugd en afkomst te herleiden en zo een ander licht op de situatie te laten schijnen. Zo redt hij zijn eigen leven. Dat is ook taal, het omzetten van tekens naar een betekenis die weer leidt tot iets wat eerst niet leek te kunnen.
In meeslepende zinnen waarbij dialogen en gedachten de vaart erin houden wordt de lezer langs allerlei op het eerste gezicht vervreemdende plekken en situaties geleid. Dat het mogelijk toch realiteit kan zijn, komt door de bestaande personages en gebeurtenissen die een belangrijke rol spelen, zoals de bomaanslag op het station in Bologna in 1980. Binet lijkt er geen moeite mee te hebben de filosofieën en onderzoeken van grote denkers en taalkundigen uit die tijd samen te smeden tot toegankelijk een spannend verhaal. Tegelijkertijd speelt hij met fictie en realiteit en daagt hij de lezer uit na te denken over de functies van de taal. Wat kan er zo krachtig zijn dat het andere overtuigt en mee kan slepen in een wereld die eerst niet de zijne was? Wat is taal? Waarom en waartoe gebruiken we taal? En is taal voldoende om te communiceren? Zoals Uberto Eco gezegd zou kunnen hebben:

'pour communiquer, la langue, c’est parfait, on ne peut pas faire mieux. Et cependant, la langue ne dit pas tout. Le corps parle, les objets parlent, l’Histoire parle, les destins individuels parlent sans arrêt de mille façons differents.’

En deze roman spreekt. Gelukkig maar.


Arjen van Meijgaard

Zie ook:

donderdag 21 april 2016

Nieuwe uitgeverij Oevers herintroduceert Arsène Lupin (Boekblad)

Voormalig De Slegte-medewerker Martijn Couwenhoven is uitgeverij Oevers begonnen. Op 13 mei verschijnen zijn eerste landelijke uitgaven: twee titels over de Franse gentleman-inbreker Arsène Lupin.

Couwenhoven richtte Oevers eigenlijk al in 2014 op. Hij was na het faillissement van Polare zijn baan als webredacteur kwijt geraakt en bedacht toen: ‘boeken, uitgeven en schrijven is het mooiste wat er is, dus daar wil ik mee door gaan’, vertelt hij. Zijn eerste uitgave was het kinderboek De schatkaart van Monet. ‘Maar dat gaat over het bezoek van Monet aan de Zaanstreek. Dat zou alleen lokaal verspreid worden, al is het landelijk opgepikt en zijn er duizend exemplaren van verkocht. Later volgde nog Mijn eerste keer, naar aanleiding van een verhalenwedstrijd in samenwerking met het Noord-Hollands Dagblad.’ 
Pas nu Oevers zijn werkterrein naar het hele taalgebied verlegt, presenteert Couwenhoven zich als nieuwe uitgeverij. ‘Ik vond het daar nu tijd voor. Ik ben ook in gesprek met een vertegenwoordiging in Nederland en ben voor België in zee gegaan met Elkedag boeken. Ik heb voor mijn eerste uitgave gezocht naar iets wat met Frankrijk of schilderkunst te maken heeft. Dat worden de speerpunten van mijn fonds. Ik ben achttien jaar geleden afgestudeerd aan de kunstacademie en heb me later veel met Frankrijk bezig gehouden. Ik had ooit een site over Franse literatuur en schreef recensies voor En France.’
Vorig jaar stuitte Couwenhoven op de creatie van Maurice Leblanc (1864-1941): de inbreker Arsène Lupin, die al sinds de jaren 1970 niet meer in het Nederlands verkrijgbaar was. ‘Het heeft een heel fijne toon en is echt goed geschreven. Je merkt dat Leblanc als romanschrijver is begonnen. Ook de vertaalsters Lidewij van den Berg en Katrien Vandenberghe waren blij verrast toen ze hun boek lazen voordat ze de opdracht aanvaarden. Op Facebook las ik, vorig jaar al, dat Bart Van Loo Lupin op zijn vakantie las. Toen heb ik hem gevraagd om een voorwoord. Dat is een enthousiasmerend stuk geworden.’
Arsène Lupin, gentleman-inbreker en Arsène Lupin versus Herlock Sholmes verschijnen op 13 mei in een oplage van duizend stuks. Beide boeken worden die dag in Scheltema gepresenteerd, tegelijk met twee nieuwe Maigret-vertalingen bij De Bezige Bij. Voor daarna heeft Couwenhoven genoeg plannen, waaronder nieuwe Lupin-uitgaven. ‘Maar ik heb een eenmanszaak – uiteraard met wat hulp eromheen. Ik moet eerst afwachten wat Lupin gaat doen voor ik nieuwe stappen kan doen. In het najaar kom ik wel met Keizer Claude, waarin ik mijn ervaringen met Monet beschrijf. Het is een soort biografie in reisverhalen.’
De kans op succes voor Lupin is in ieder geval toegenomen dankzij de Schwob-subsidie die Oevers voor beide boeken heeft gekregen. Zo gaan de titels mee in de halfjaarlijkse Schwob-actie, waarbij ze meedoen aan de leesclubs in Utrecht, Maastricht, Groningen en Brussel. Ook zullen ze komen te liggen in de honderd deelnemende boekhandels.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 18 apr)