Posts tonen met het label HP/De Tijd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label HP/De Tijd. Alle posts tonen

woensdag 17 oktober 2012

Literatuur als citymarketing: Ook literatuur kan stadspromotie dienen (HP/De Tijd)


De AKO Literatuurprijs werd in 2009 niet voor niets in Haarlem uitgereikt. Als eerste gemeente van Nederland gebruikt de stad een literaire prijs voor stadspromotie. De mogelijkheden van literatuur voor citymarketing zijn daarmee nog lang niet uitgeput. Over stadsdichters, boekenmarkten, literatuur in opdracht en het effect van Amsterdam Wereldboekenstad.

De grote zaal van de Philharmonie in Haarlem. Dolgelukkig pakten Erwin Mortier en zijn vriend Lieven Vandenhaute elkaar op het podium vast. De AKO Literatuurprijs 2009 voor Godenslaap! Frontaal in beeld zoenden ze elkaar secondenlang tijdens de live-uitzending van Nova. Pas daarna kreeg Winnie Sorgdrager, voorzitter van het bestuur dat de prijs organiseert, de gelegenheid om de schrijver de prijs te overhandigen. Bedeesd maar dankbaar nam Mortier die in ontvangst.
De scène speelde zich vorig jaar niet toevallig in Haarlem af. De stad had een paar maanden eerder het bestuur van de AKO Literatuurprijs benaderd met de vraag of ze de uitreiking mochten organiseren. Een primeur voor een literaire prijs. Haarlem zou locaties ter beschikking stellen voor twee juryvergaderingen en de uitreiking en een diner voor 150 genodigden verzorgen. In ruil daarvoor zou de stad prominent in beeld zijn in ieder verslag van de uitreiking.
“Deze prijs past heel goed bij de historie en cultuur van Haarlem,” vertelt de evenementenmanager van de gemeente Michael Struis. “Wij hebben een enorme grafische industrie. Al heel lang: volgens de prachtige fabel zou Laurens Janszoon Coster hier de boekdrukkunst hebben uitgevonden. En er komen veel schrijvers uit Haarlem: van Nicolaas Beets en Godfried Bomans tot Harry Mulisch en P.F. Thomése.”
Dat Haarlem als eerste stad in Nederland een literaire prijsuitreiking in huis heeft gehaald om de stad te promoten wist Struis niet. Maar toen hij het idee kreeg, dacht hij meteen: dit moeten we doen. “De uitreiking van landelijke prijzen op het gebied van sport, literatuur of entertainment heeft een enorme mediawaarde. Kijk naar de huldiging van de Olympische ploeg die hier plaats vond. Naar de samenvatting van de live-uitzending keken 1,3 miljoen mensen. Daartegenover staat voor de AKO-prijs een jaarlijkse investering van 10.000 tot 15.000 euro.”
Over de eerste keer is hij niet helemaal tevreden. Veel journalisten legden geen link tussen de AKO Literatuurprijs en Haarlem. “Daarom zijn we in gesprek over de manier waarop de band kunnen versterken. Misschien kunnen we een literaire nacht aan de uitreiking koppelen. We hebben de intentie uitgesproken dat de stad de prijsuitreiking vijf jaar zal hosten. In die tijd moet het besef dat Haarlem een boekenstad is zijn verankerd.”

Het idee van Struis komt niet uit de lucht vallen. Citymarketing, zoals stadspromotie tegenwoordig heet, is sinds de jaren tachtig steeds belangrijker geworden. Hoe verleid je toeristen om de stad te bezoeken? Hoe houd je de stad aantrekkelijk voor inwoners, bedrijven en studenten? Gemeenten laten dat niet meer over aan een pr-medewerker die ad hoc een campagne bedenkt, maar richten aparte diensten in om de sterke punten van de stad structureel uit te spelen. Ook Haarlem heeft pas sinds 2008 een evenementenmanager in dienst.
Vanzelfsprekend worden literatuur en boeken steeds vaker ingezet om de ‘kernwaarden van de stad te vermarkten’, zoals Struis het omschrijft. Deventer maakt goede sier met de boekenmarkt die jaarlijks meer dan 100.000 bezoekers trekt. In Meppel wil een groepje enthousiastelingen de stad als boekenstad op de kaart zetten. Met Boom heeft de stad immers een van de oudste en grootste uitgevers van Nederland binnen de grenzen. En van Nijmegen tot Leiden versterken stads- en dorpsdichters de chauvinistische gevoelens van de inwoners voor hun woonplaats.
“In het buitenland kun je goed zien wat literatuur voor een stad kan doen,” zegt Gert-Jan Hospers, professor citymarketing aan de Radboud Universiteit Nijmegen. “Het heeft Stockholm geen windeieren gelegd dat belangrijke scènes uit de Millennium-trilogie van Stieg Larsson zich in de stad afspelen. Speciale tours trekken veel bezoekers. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor Barcelona na het succes van Carlos Ruiz Zafóns De schaduw van de wind.”
Het aantrekkelijke van literatuur voor een stad is “dat het een vorm van cultuur is die veel mensen raakt,” zegt Hospers. “Interessant is ook dat juist ouderen veel lezen: een doelgroep die veel tijd om te reizen én veel te besteden heeft. Daarbij is literatuur een manier om een clichébeeld van een stad te verrijken met iets hoogwaardigs. Barcelona heeft Ruiz Zafón aangegrepen om meer te zijn dan een architectuurstad.”
Ook de bewoners zelf komen in beweging als hun eigen stad zijn kaarten zet op literatuur. Vooral dat heeft Haarlem gemerkt. Struis kan onmogelijk becijferen hoeveel toeristen de stad na de uitreiking van de AKO Literatuurprijs heeft getrokken, maar heeft wel nieuwe initiatieven zien ontstaan die daar een rechtstreeks gevolg van zijn. “De mensen daarachter bevestigen mij dat ook. De AKO-prijs in Haarlem gaf hen het gevoel: er gebeurt weer iets met het literair erfgoed van de stad.”
Struis somt op: “Het legendarische literair genootschap Teisterbant is heropgericht. Samen met de bibliotheek hebben zij de Haarlem Debuutprijs in het leven geroepen. De eerste winnaar wordt nu aan de vooravond van de uitreiking van de AKO Literatuurprijs op 31 oktober bekendgemaakt. Ook is een Stichting Literatuur Haarlem opgericht die literaire activiteiten organiseert, met afgelopen jaar als hoogtepunt het bezoek van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee.”

De eerste stad in het Nederlandse taalgebied die de literatuur consequent begon te gebruiken voor de stadspromotie is Antwerpen. Begin deze eeuw besefte het gemeentebestuur hoeveel literaire festivals, uitgevers, schrijvers en boekenvakorganisatie de stad huisvestte. In 2003 startte toen de stedelijke dienst Antwerpen Boekenstad om de activiteiten te bundelen en nieuwe evenementen te initiëren. Als eerste jaagde de stad met succes op de UNESCO-titel Wereldboekenstad 2004.
“Antwerpen is bekend als diamantstad, havenstad, Rubensstad,” vertelt coördinator van Antwerpen Boekenstad Michaël Vandebril. “Nu wilde de stad ook een literair verhaal vertellen om mensen in beweging te zetten de stad te bezoeken en om de eigen bewoners te prikkelen meer te lezen. Toenmalig schepen Eric Antonis redeneerde ook: hoe beter de stadsbewoner is geïnformeerd en zicht heeft op verschillende ideeën, hoe democratischer hij zal zijn.”
Alle evenementen tijdens Antwerpen Wereldboekenstad maakten de band tussen de stad en de literatuur in één keer onverbrekelijk. Antwerpen Boekenstad houdt de band levendig door iedere twee jaar een nieuwe stadsdichter te benoemen (momenteel Peter Holvoet-Hanssen) en eens in de vijf jaar een groot evenementen te organiseren. Dit jaar is dat De Stad van Elsschot. Sinds mei bruist Antwerpen van concerten, lezingen, exposities en publicaties rond Willem Elsschot.
Alle inspanningen hebben de stad veel opgeleverd, zegt Vandebril. “De betere voorwaarden om projecten op te zetten verleidt andere organisaties hierheen te komen. Crossing Border bijvoorbeeld die sinds vorig jaar ook in Antwerpen een luik van het festival organiseert. Ook blijven de bezoekersaantallen van bestaande evenementen als de Boekenbeurs stijgen. En vooral de stadsdichters zijn een succes. Ze spreken enorm veel bewoners aan en hebben een grote uitstraling naar buiten.”
Het belangrijkst vindt hij de regelmatig terugkerende grote evenementen. “Die zorgen voor een grote dynamiek omdat heel veel organisaties erop willen inhaken. Niet per se literaire gezelschappen, maar ook musea, theaters enzovoorts. Daaruit ontstaan nieuwe samenwerkingsverbanden die weer geheel nieuwe projecten opleveren.”

Het succes van Antwerpen heeft veel navolging gekregen in Nederland en Vlaanderen. Vooral het fenomeen stadsdichter – overigens niet door Antwerpen zelf bedacht – heeft een grote vlucht genomen. Toch staat literatuur als citymarketing nog maar in de kinderschoenen, vindt Hospers. “Je merkt aan de promotie van Deventer Boekenstad of Brussel Stripstad dat er de laatste jaren meer aandacht voor is, maar de potentie van literatuur is nog lang niet volledig benut.”
Literatuur in de stad wordt nog te nauw gedefinieerd als: treden in de sporen van schrijvers. “Denk aan een Bomans-wandeling in Haarlem. Maar een stad kan zich ook profileren met boekhandels. Zoals mensen aan de aanwezigheid van een tapas-bar afleiden dat het goed zit met het culinaire klimaat in een stad, zo zijn boekhandels indicatoren voor het culturele klimaat. Middelburg zou bijvoorbeeld meer kunnen doen met de uitstraling van de bekende boekhandel De Drukkerij.”
Ook de literatuur zelf kunnen steden aangrijpen voor citymarketing. “Vroeger was een stad een landscape. Tegenwoordig wordt de stad veel meer gezien als sensescape: een plek waar een bepaalde atmosfeer hangt. Schrijvers zijn bij uitstek de vertolkers van dat gevoel. Jules Deelder bijvoorbeeld. Omdat hij Rotterdam vanaf de jaren zeventig is gaan verheerlijken als kosmopolitische, moderne stad, is dat beeld bepalend geworden. Gemeentebesturen kunnen daar veel actiever en doelbewuster gebruik van maken.”
In feite proberen de stadsdichters, die vaak een vergoeding krijgen van het gemeentebestuur, dat al. Maar Hospers doelt ook op proza. “Joris van Casteren schreef een boek over Lelystad en werd daarna gevraagd om bustours te organiseren. Nijmegen contracteerde A.F.Th. van der Heijden om een roman te schrijven ter gelegenheid van de Vrede van Nijmegen. En Almere heeft Stephan Sanders een half jaar gehuisvest om verhalen over de stad op te tekenen.
Waarom zou Hoofddorp of Hoogeveen dan niet Saskia Noort betalen om haar volgende thriller in die plaats te laten afspelen? En daar vervolgens mee uitpakken? “In Duitsland gebeurt dat al. Münster, München en steden in het het Ruhrgebied laten boeken schrijven, vaak door lokale auteurs, die zich in de eigen stad afspelen. Die zijn erg populair bij de eigen inwoners. Ik denk dat we dit soort initiatieven de komende tijd meer in Nederland zullen gaan zien.”

Hoe ontluikend het besef nog is dat literatuur van groot belang voor de stad kan zijn, toont de gemengde gevoelens die de stad Amsterdam koesterde voor Amsterdam Wereldboekenstad 2008. Hoewel de burgemeester het bidbook officieel moest indienen bij UNESCO, heeft de gemeente het initiatief van het boekenvak vier jaar geleden nooit echt omarmd.
De aarzelingen begonnen al bij de financiering. Omdat er na de toekenning zo weinig voorbereidingstijd was had Berenschot het gemeentebestuur geadviseerd het grootste deel van de benodigde 2,1 miljoen euro te dragen. Dat had de stad er niet voor over: zeven ton, 1 euro per Amsterdammer, moest genoeg zijn. De rest moest de stichting Amsterdam Wereldboekenstad zelf vinden. Bovendien moest de stichting voor dat bedrag op meerdere, niet logisch op elkaar aansluitende collegethema’s inspelen.
“Misschien zag de gemeente de potentie niet in,” zegt oud-directeur van de stichting Amsterdam Wereldboekenstad Lidy klein Gunnewiek. “Antwerpen droeg wel het hele budget die de ambities waar konden maken. Bovendien gaf die stad er een vervolg aan. Er zat beleid achter: dit willen we, zo gaan we dat realiseren. Amsterdam leek alleen maar te denken: we doen het een jaar en zien wel wat het oplevert.”
Desalniettemin was Amsterdam Wereldboekenstad een succes, vindt Klein Gunnewiek. “Ontzettend veel mensen wisten dat de stad de titel heeft gedragen, viel mij op. Uit onderzoek bleek dat in totaal 298 activiteiten 42 procent nieuw publiek trokken. En diverse activiteiten hebben een vervolg gekregen: ‘Poëzie in het park’ en de Boekennacht, die dit jaar voor de tweede keer plaatsvond.”
Ook het stadsbestuur was volgens Klein Gunnewiek achteraf tevreden. Wellicht opende deze resultaten hen de ogen voor de kansen van literatuur voor citymarketing. “Nu stel ik me voor dat de stad, los van de huidige financiële situatie, veel enthousiaster meedoet.”
(Eerder gepubliceerd in HP/De Tijd, nr. 43, 2010)

Noot achteraf: Het liep voor Haarlem wel anders. De AKO Literatuurprijs werd in 2010 in de stad uitgereikt, maar verhuisde in 2011 naar Amsterdam – Het Scheepvaartmuseum deed een offer the AKO-organisatie couldn't refuse – en dit jaar naar Den Haag. De reden is dat er een andere politieke wind is gaan waaien in Haarlem.

maandag 30 april 2012

Interview: Dimitri Verhulst over 'De laatste liefde van mijn moeder' (HP/De Tijd)


Tien jaar geleden deed zijn moeder hem een proces aan. Dimitri Verhulst zou in zijn debuut haar fysieke integriteit hebben aangetast. Nu verwerkt de Vlaamse schrijver in De laatste liefde van mijn moeder de beslissende gebeurtenis uit zijn jeugd: hoe zijn moeder ertoe kwam haar elfjarige zoon het huis uit te gooien. Verwacht Verhulst een nieuw proces? Hij weet niet eens of ze nog leeft.

Twee schoenendozen vol souvenirs

Een stad met een ziel, noemt hij Luik. Een stad van rijkdom en armoede. Een stad met een bisschoppelijk en arbeideristisch verleden die een perfect evenwicht met elkaar hebben gevonden, vertelt hij. De stad van Simenon ook. “Toen ik hem begon te lezen, merkte ik direct aan zijn meest psychologische romans dat hij in Luik de mosterd is komen halen. Hij verwenste de stad wel, maar dat had misschien meer met zijn moeder te maken.” Had hij daar een slechte band mee? “Naar het schijnt, ja.”
Twintig minuten met de auto hiervandaan, op een groene heuvel midden in de Waalse natuur, woont de schrijver Dimitri Verhulst (1972). Zijn vriendin heeft hem afgezet bij brasserie Au Point de Vue en is daarna boodschappen gaan doen. “In november is het zeven jaar geleden dat ik hier naartoe trok. Om heel veel redenen. Echt heel veel, maar ik ga je ze allemaal geven.”
Hij praat over de Vlaamse zelfvoldaanheid die hij beu was. Het racisme waarmee over Walen wordt gesproken. Zelfs een premier durft te zeggen dat Walen intellectueel niet in staat zijn Nederlands te leren. Over de natuur die in Wallonië zo veel mooier is. “Bonsaiboompjes in vitrines van winkels, dat is de Vlaamse natuur – en dat is nog beschermd ook omdat er niets anders is.” Over de andere taal in zijn omgeving die hem minder gevoelig heeft gemaakt voor hypes in de taal waarin hij schrijft. “Ik heb zoiets van. Sinds een jaar of vijf gebruikt iedereen dat in Vlaanderen. Verschrikkelijk. Alsof je zinnen prefab kan kopen bij de Ikea.”
En over de roem. “Ik krimp nog altijd in elkaar als ik word herkend in een café. Ik sta het wel toe, als iemand met me op de foto wil. Ik ben geen norse Willem Frederik Hermans. Maar ik kan er slecht mee overweg. Hier heb ik geen last van mijn bekendheid. Vooralsnog dan: vanavond wordt in Luik de verfilming van De helaasheid der dingen op een groot scherm in de open lucht vertoond.”

De laatste reden is verrassend. Is het Dimitri Verhulst niet om de roem te doen? Dat lijkt hij in ieder geval wel te suggereren in zijn nieuwe roman. De laatste liefde van mijn moeder beschrijft de traumatische breuk tussen de elfjarige Jimmy en zijn moeder. Op een vakantie in het Zwarte Woud blijkt ze zwanger van haar nieuwe vriend. Wil ze soms met die geparfumeerde arbeider een nieuw gezin stichten zonder Jimmy? Hij voelt zich verraden. Zo uit het nieuwe leven van zijn moeder te worden geduwd. Hij zweert wraak: door een beroemde filosoof te worden zal ‘op een dag zijn naam haar in het gezicht slaan. En hard.’.
Het trauma van Jimmy is gebaseerd op de levensgeschiedenis van Verhulst zelf. Hij was elf jaar toen hij door zijn zwangere moeder van de ene dag op de andere dag het huis uit werd gezet: terug naar zijn alcoholistisch vader, waar hij het chaotische leven leidde tussen de marginalen dat hij beschreef in zijn grote doorbraak De helaasheid der dingen (2006). Op woensdag kondigde zijn moeder haar besluit aan, op zaterdag moest hij weg zijn – hij kreeg niets meer mee dan twee schoenendozen vol souvenirs. Sindsdien heeft hij zijn moeder nog maar zelden gezien.
“Ik heb er zelf geen trauma aan overgehouden,” relativeert Verhulst. “Ik heb maar één licht trauma: ik kan zeer moeilijk tegen geweld. Tien jaar lang heb ik geleefd in een gezin waarin elke dag ruzie was. Elke dag oorlog, elke dag vechten. Als ik nu dingen zie stuk gooien reageer ik daar slecht op. Maar met mijn moeder heb ik niets af te reageren. Misschien omdat ik het op het moment zelf helemaal niet als bizar heb ervaren. Zo ging het gewoon. Pas later in mijn leven heb ik gemerkt dat ik iets redelijk unieks heb meegemaakt.”

Je bent geen schrijver geworden uit wraak?
“Ik heb me dat natuurlijk afgevraagd. Maar dat idee klopt niet. Toen we in het tweede leerjaar voor het eerst zelf een vol verhaal mochten lezen, dacht ik: fantastisch, dat wil ik ook, verhalen vertellen. Pros de oude herder, heette dat boek. Daarna deed ik niets anders. Toen ik nog bij mijn moeder woonde, was ik iedere dag bezig met schrijven.”

Misschien had je de motor al, maar waren de wraakgevoelens de benzine die hem op volle toeren deed draaien?
“Nee, echt niet. Ik heb wel eens in een interview gelezen dat Ischa Meijer, die ook door zijn moeder is buitengegooid, bij een boek van zichzelf in de etalage dacht: misschien ziet mijn moeder dat ook en beseft ze nu dat die kleine geniaal is. Die gevoelens bestaan dus wel, maar ik heb ze niet. Voor mij is roem een neveneffect. Zoals een arbeider in de Sovjet-Unie beroemd kon worden als hij iedere dag zeven ton steenkool naar boven haalde, zo vergaar ik ook roem. Door gewoon mijn werk goed te doen.”

Verhulst heeft een reputatie opgebouwd zijn familie ernstig te bruuskeren. Zijn moeder was zo kwaad op de beschrijving die hij van de dikke, waanzinnige moeder gaf in zijn debuut De kamer hiernaast (1999) dat ze hem een proces aandeed. Net als zij heette de moeder in het boek Nicole, het moest wel een afrekening met haar zijn. Ze eiste dat het boek uit de handel werd genomen en een half miljoen Belgische frank schadevergoeding (circa 22.000 euro) voor iedere dag dat auteur en uitgeverij in gebreke bleven. Ook in hoger beroep verloor ze.
Zeven jaar later riep De helaasheid der dingen woede op bij zijn ooms. Waren zij zulke malloten die alleen maar zopen? Werkschuw tuig? Zeker toen de succesvolle verfilming van Felix van Groeningen elf maanden geleden in première ging, lieten de ooms zich door alle media interviewen om hun beklag te doen: hij zit daar veilig en ver in Wallonië en laat ons elke dag met de schande.
Waarom boog hij zich na de eigenzinnige geschiedenis van de mensheid Godverdomse dagen op een godverdomse bol, vorig jaar bekroond met de Libris Literatuurprijs, in hemelsnaam weer over zijn eigen leven? “Als ik slim was geweest, had ik er tien jaar mee gewacht. Maar ik ben niet slim. Ik dacht: ik heb stilistisch en mentaal de maturiteit bereikt om dit nu te schrijven. Twintig jaar geleden zou de verleiding te groot zijn geweest om van mijn moeder een karikatuur te maken en er lacherig over te doen. Nu kan ik alle karakters gelijkelijk berechten.”
Verhulst vindt het ook zijn ‘plaats in de wereldliteratuur’ om geschiedenissen te schrijven zoals ze zich in zijn leven hebben voorgedaan. “Eeuwenlang was iedere armoedzaaier bij geboorte ertoe veroordeeld om nooit literatuur te kunnen maken. Alleen burgerlijke types als Couperus schreven over hun verveling. Ik behoor tot de eerste generatie die onderwijs heeft genoten en zo toch een kans heeft gekregen. Ik moet ervoor zorgen dat de verhalen van deze groep mensen vertegenwoordigd is in de literatuur.”
Vergeet ook niet de functie van schrijvers om te praten over de taboes waarover iedereen zwijgt. “Iedereen doet alsof moederliefde een vaststaand gegeven is en moeders per definitie voor hun kinderen kiezen. Soms haten ze hun kind omdat hij toevallig vreselijk lijkt op een man die ze haten. Zoals Jimmy. Toen ik in een gezinsvervangend tehuis zat, heb ik genoeg moeders zien komen die hun kind brachten. Hier, ik moet hem niet meer. Maar juffrouw, kinderen worden hier geplaatst door de jeugdrechter. En dan zei zo’n vrouw: het zal me worst wezen. En weg waren ze. Zonder kind.”

Beschrijf je de moeder echt evenwichtiger?
“Ja. In De kamer hiernaast is de moeder minder uitgediept. Je voelt daar zit wrok achter. In De laatste liefde van mijn moeder komt alleen Wannes, de minnaar van de moeder, er minder fraai vanaf. Vooral naar het einde toe: dan is hij bijna inhumaan.”

Toch ervaart de lezer dat niet zo. Eerst wordt de moeder neergezet als slachtoffer van een gewelddadige man. Een sympathiek personage dus. Als zij dan haar eigen zoon verraadt komt dat des te harder aan.
“Nee. Zij is een vrouw die zich plots in een situatie bevindt waarop zij nooit meer had gerekend. Ze heeft kans op amoureus, huiselijk geluk. Dat boezemt haar zo veel angst in dat ze Wannes zoveel mogelijk tegemoet wil komen. Ze gaat ieder compromis uit de weg uit vrees dat dat haar geluk zal afzwakken. En dus moet Jimmy weg.”

Haar slechtheid begint met kleine dingen: in een bus op weg naar het Zwarte Woud eet ze voor de ogen van Jimmy de ene chocoladereep na de andere. Hem geeft ze niets.
“Maar dan is ze zwanger. Ze heeft een vreetkick die zwangeren hebben. Alleen weet de lezer op dat moment nog niet dat ze zwanger is.”

Leeft je moeder nog?
“Ik denk het.”

Heb je haar na het proces tien jaar geleden nog gezien?
“Nee.”

Verwacht je een nieuw proces?
“Dat zou ze niet moeten doen. Van mij mag het, maar ik ben niet meer de jongen van mijn debuut. Ze zal ertegen moeten kunnen dat er veel camera’s het proces zullen bijwonen. Ik woon nu in Wallonië. Ze zal me híer moet aanklagen en in het Frans moeten procederen. Net als de vorige keer zal ik van mijn uitgeverij een advocaat krijgen die is gespecialiseerd in intellectueel eigendom. Als zij weer een gewone advocaat neemt, die zijn geld verdient met echtscheidingen, verkeersborden en verzekeringspolissen, heeft ze geen schijn van kans. Maar zulke specialisten zijn onbetaalbaar. Mijn uitgeverij is daarvoor verzekerd. Wie wil beweren dat de rechtspraak democratisch is? Ten slotte: het heeft geen zin. De laatste liefde van mijn moeder gaat niet over mijn moeder.”

O nee?
“Er zit veel van mezelf in Jimmy en veel van mijn moeder in zijn moeder. Maar er is ook veel aan hen dat pertinent in strijd is met hoe ik was. Je kunt alleen zeggen dat ik een zeer gelijkaardig leven heb gehad als Jimmy. Dat doe ik om over anderen te kunnen schrijven. Al die moeders die hun kinderen dumpten in het gezinsvervangend tehuis bewijzen dat. Zo werkt literatuur. Literatuur is een afspiegeling van de werkelijkheid. Als dat niet meer zou mogen, stap ik eruit. Dan hoeft het schrijven voor mij niet meer.”

Ben je niet gewoon bang voor een proces?
“Ik wil best de intellectuele uitdaging aangaan om het bestaan van dit boek te verdedigen tegenover rechters die de wet als norm hanteren. Het is goed voor de literatuur als zij af en toe vaststellen wat een schrijver wel en wat hij niet mag. Maar mag het dit keer een andere schrijver zijn? Na de verschijning van De helaasheid zei één familielid dat ik hoopte op een proces om de verkoop de hoogte in te stuwen. Niets is minder waar. Er is geen schrijver die plezier beleeft aan de stress van een proces. Ook een ruige rocker als Herman Brusselmans die tien jaar geleden werd vervolgd omdat hij een modeontwerpster had beledigd, zat toen als een aangeslagen vogel voor de camera.”

Aan het slot van De laatste liefde van mijn moeder is Jimmy een oude man. Een bescheiden beroemdheid als filosoof. Hij had in de wijsbegeerte ‘iets betekend met enkele theorieën over substraten en superstraten van de beschaving’ – een verwijzing naar Verhulst’ succes met Godverdomse dagen op een godverdomse bol. ’s Avonds laat gaat de bel. Daar zul je mijn halfbroer hebben, denkt Jimmy. Ooit moest het moment komen dat hij zijn nieuwsgierigheid niet langer kon bedwingen naar de zoon die zijn moeder als eerste had gebaard.
In werkelijkheid is dat moment al geweest. Toen Verhulst in 2006 signeerde op de jaarlijkse Boekenbeurs in Antwerpen, stond hij opeens voor hem. Hij vroeg een handtekening, noemt zijn naam, zegt aan het eind: dag broer. En verdwijnt snel tussen de mensen. Verhulst zag aan zijn gezicht dat hij de waarheid sprak. Omdat hij er de volgende dag over vertelde tegen een krant die van hem wilde weten wat het meest bizarre is dat hij ooit op de Boekenbeurs heeft meegemaakt wordt de ontmoeting nationaal nieuws. Tot op televisie aan toe.
Het was de eerste keer in zijn leven dat Verhulst hem ooit zag. “Tijdens de kermis in het dorp kwam mijn moeder wel met die wieg naar de kroeg waar zij wist dat mijn vader zou zitten. Hij zat er altijd, dus zeker tijdens de kermis. Ze kwam hem ostentatief tonen: ik heb een kind van iemand anders. Het café was ongelooflijk vol. Een spanning die ontstond. Ik weet nog dat ik zin had om in die wieg te kijken. Ik was benieuwd hoe hij eruit zag. Waarschijnlijk als een lelijke hoop vlees, zoals alle baby’s. Maar ik heb het niet gedaan.”
De onverwachte ontmoeting twintig jaar later deed Verhulst plezier. “Hij liep er rond met zijn vriendin. Een mooi meisje trouwens. Aan de innige manier waarop hij haar vastpakte kon je zien dat hij haar graag zag. De ontmoeting liet me absoluut niet onverschillig, maar verder valt er niets over hem te zeggen. Ik ken hem niet. Het moet voor hem ook bizar zijn geweest toen hij ontdekte dat de benen van zijn moeder niet alleen voor hem zijn opengegaan. Maar de behoefte er met mij over te praten heeft hij blijkbaar niet gehad. Ik heb hem sindsdien nooit meer gezien.”

De grote uitdaging aan De laatste liefde van mijn moeder vond Verhulst om het drama met een zekere lichtheid te beschrijven. “Bijna als een damesroman,” zegt hij. “Omdat het leven zich afspeelt als een damesroman. De grootste onheil komt op je pad zonder enige waarschuwing. Zo overkwam het mij ook. Vergelijk het met Het diner van Herman Koch – een van de leukste boeken van de laatste jaren. Op een gegeven moment had ik het wel gehad met dat etentje. Hoe lang hou je ons nog aan tafel, vriend? En plots breekt dat verhaal open. Schitterend.”
Die lichtheid vond Verhulst in de uitputtende beschrijving van een groepsreis in de jaren tachtig. Lang denk je dat de roman bijna een essay is over alle rituelen: het inpakken van te veel spullen, de lollige buschauffeur die niemand aan het lachen krijgt, het veilig opbergen van alle D-marken die je in één keer hebt gewisseld, het voornemen om eindelijk weer eens een boek te lezen, het onbeschaamde eten in het hotel, het versturen van een ansicht zodra je bent gearriveerd. Tot opeens, ruim over de helft, de tragedie van Jimmy en zijn moeder naar de oppervlakte borrelt.
“De jaren tachtig – het is de meest recente vorm van archeologie die je kunt bedrijven,” zegt Verhulst. “Het passeren van de douane. Het geld wisselen. Dat moet je uitleggen aan kinderen van vandaag. Dat lijkt nu prehistorisch. Ook moet je uitleggen dat terrorisme en crisis toen heel wat anders betekende dan nu. En heel wat ernstiger werden genomen dan nu. Al Q’aida zal ons worst wezen, dat is zo ver van ons bed. Voor de Baader Meinhof-groep of de CCC in België was toen veel meer angst.”
Ook levert het vaak mooie literatuur op als je kunt beschrijven hoe iets alledaags als de McDonald's toen werd ontdekt door Jimmy en zijn moeder. “Een van de mooiste passages in het werk van Carlos Drummond de Andrade is zijn kennismaking met het fenomeen ijsje. Hoe hij en een vriendje vol angst het ijsje naar hun mond brengen. Zou hun tong eraan vast vriezen? Zulke dingen te mogen beschrijven zijn een cadeau voor een schrijver. Daar kan ik echt ’t immense plezier van het vertellen in kwijt.”

Dimitri Verhulst, De laatste liefde van mijn moeder, Contact (gebonden, 23,95 euro; paperback, 19,95 euro)
(Eerder gepubliceerd in HP/De Tijd, augustus 2010)

Zie ook:
- Dimitri Verhulst, 'De laatkomer'

zondag 2 oktober 2011

AKO-nominatie 1: Interview Peter Buwalda over 'Bonita Avenue' (HP/De Tijd)

Heftig van taal en inhoud. Weergaloos meeslepend. Bonita Avenue van Peter Buwalda dat deze week - eind september 2010 - verschijnt, is een boek dat een groot lezerspubliek verdient. En niet alleen omdat de debutant anders zijn huis moet verkopen. “Toen ik aan mijn eigen roman begon, was het voor mij logisch om een boek proberen te schrijven dat zich kan meten met de boeken waar ik zelf het enthousiastst van word.”


Wat is erger, moord of porno?


In de jaren dat hij zelf voor een uitgeverij werkte, betaalde Peter Buwalda ooit 4.500 euro voorschot aan een debutant. Een enorm bedrag. Hoe moest de uitgeverij dat geld terugverdienen? De meeste debutanten mogen blij zijn als ze hier en daar een goede recensie krijgen. Commercieel succes is zelden voor hen weggelegd. Buwalda moest naar het hoofdkantoor van het concern in Utrecht om toestemming te vragen. Na enig soebatten waagde de directie de gok.

Toen Buwalda zelf een plan voor een debuutroman uitwerkte, vochten de uitgevers die er – tot zijn eigen verassing – via via over hoorden, om het te mogen publiceren. De één bood een nog hoger voorschot dan de ander. 5.000 euro. 10.000 euro. 30.000 euro. 40.000 euro. Uiteindelijk haalde Robbert Ammerlaan van De Bezige Bij Buwalda binnen met een voorschot van 35.000 euro plus de garantie dat de uitgeverij bij verschijnen 10.000 euro aan marketing zou uitgeven.

En dat voor een auteur die nog nooit fictie had geschreven. “Twee verhalen in het literaire poptijdschrift Wahwah. Meer niet. Twee verhalen waarvan ik moest uitleggen: zó gaat mijn debuut in ieder geval niet worden,” vertelt Buwalda tussen de goedgevulde boekenkasten in zijn Haarlemse bovenwoning. “Omdat ze over popmuziek gingen, wilde ik lekker volvet uit de hoek komen. Dat verhield zich niet tot de intensieve, feitelijk ernstige en realistische roman die ik van plan was te maken.”

Hoe is het mogelijk dat hij de uitgevers kon verleiden zo veel geld in iemand te investeren die nog nooit iets had gepresteerd? “Ja, gek hè. Ik vertelde wat voor boek het moest worden. In deze sfeer, over die onderwerpen. Ik zei welke romans mijn voorbeelden waren. Van welke boeken ik wel en niet houd. Gewoon, zoals ik nu ook over mijn boek praat. Maar dan een stuk minder bescheiden, besef ik inmiddels. Vier jaar wijzer weet ik wat er bij komt kijken om zo’n roman te schrijven. Aan het complete VWO heb ik minder werk gehad.”


Bonita Avenue heeft de verwachtingen van de Nederlandse uitgevers meer dan waar gemaakt. Het vuistdikke debuut van Peter Buwalda (38) is een weergaloos familiedrama. Op het scherp van de snede geschreven, in een beeldende, rijke taal volgespoten met testosteron. Steeds switcht hij soepel tussen heden en verleden – precies zó dat je tijdens de flashbacks op adem kunt komen voor je je weer genadeloos laat meeslepen naar een onontkoombaar, schokkend einde.

Zelfbewust geeft Buwalda in de eerste hoofdstukken de uitkomst weg. Siem Sigerius, rector magnificus van de Universiteit Twente, pleegt zelfmoord. Schoonzoon Aaron Bever raakt in een psychose. Zoon Wilbert zat een paar jaar in de gevangenis wegens moord. Oudste stiefdochter Joni verdient miljoenen in de porno-industrie. En dat allemaal tegen de achtergrond van de vuurwerkramp in Enschede.

Is dat niet een beetje over the top? denk je. Maar in de vijfhonderd pagina’s daarna laat Buwalda overtuigend zien hoe zijn personages ten onder zijn gegaan.


De tragische held van Bonita Avenue is Siem Sigerius. Hij heeft zich met discipline en toewijding opgewerkt tot judokampioen en hoogleraar wiskunde. Hij heeft zichzelf na tegenslagen steeds opgericht en wat van zijn leven gemaakt. En gaat dan ten onder aan het enige wat hij niet kan controleren: zijn kinderen, die op essentiële punten een tegenovergesteld karakter hebben. Zijn zoon ontbeert zelfbeheersing, zijn stiefdochter kiest voor het makkelijke succes dat ze met haar lichaam kan bereiken.

“Sigerius is een man die in alle opzichten deugt”, zegt Buwalda. “En toch blijkt hij kinderen te kunnen maken die minder deugen. Zijn zoon die hij heeft verstoten – de enige fout in zijn biografie – gaat het criminele pad op. Zijn dochter maakt internetporno. Hij komt dan voor de vraag te staan wat erger is: moord of porno? Een rare vraag. Feitelijk is moord natuurlijk veel erger. Maar de maatschappij gaat er anders mee om. Porno consumeren, laat staan maken, is zo’n taboe dat het erger lijkt.”

Het idee voor Bonita Avenue ontstond toen Buwalda zich verbaasde over de meisjes die zichzelf naakt laten fotograferen. Zoveel. “Hoeveel ouders zouden daar bij horen? dacht ik. Heel simpel: nog eens twee keer zoveel. Hoe zou het voor hen zijn? Is elke foto een gezinsdrama? Toen ik me realiseerde dat je hier een roman uit kunt halen, begon ik over dit onderwerp te lezen, na te denken over een gezin, schema’s te maken.”

Internetporno noemt hij een publiek geheim. “Vroeger was het moeilijk te krijgen. Tegenwoordig is het als water uit de kraan. Je hoeft de computer maar aan te zetten. Ik heb eens statistieken uit Canada onder ogen gehad: er is geen Canadese jongen boven de tien die nooit internetporno heeft gezien. Maar niemand praat erover. Het is een ondergronds moeras. Een Hades van bits en bytes dat onder onze voeten sist en knispert. Wat doet dat met mensen?”

Het is juist zo’n spannend onderwerp voor een roman omdat de ontwikkelingen zo snel zijn gegaan. Als Sigerius in 2000 zich bij wijze van troost tot porno wendt, moet hij omslachtig te werk gaan met inlogcodes en cd-rom’s waarop hij de foto’s van www.lindaloveslace.com bewaart. En dat voor softcore naaktfoto’s. Tegenwoordig hoef je maar één keer te googlen en je hebt keus uit duizenden sites die alle varianten hardcore porno in ruime keus gratis aanbieden.

Het gevolg is een maatschappij waarin verschillende generaties er een totaal ander zedelijke moraal op na houden. “Sigerius is opgegroeid in een gezin waarin zijn vader na de dood van zijn vrouw bewust niet hertrouwde om voor zijn kinderen te zorgen. Joni is een meisje dat porno ziet als een manier om in korte tijd zeven miljoen euro te verdienen. En dan voelt zij nog het taboe, waardoor ze het heimelijk doet. In sommige kringen lopen nu meisjes rond voor wie porno een normale carrière-optie is.”

Buwalda wilde laten zien hoe die opvattingen op elkaar botsen – zonder daar zelf een oordeel over te vellen. “Ik ken de discussies over de seksualisering van de maatschappij. Ik heb daar ook standpunten over. Maar die interesseren me niet, het gaat me om de standpunten van mijn personages.”


Nog voor Buwalda een contract had getekend zegde hij zijn baan op. In zijn vrije tijd een roman schrijven, merkte hij, was onmogelijk. Hij schoot veel te langzaam op. “In het eerste jaar nam ik me ook voor als een ambtenaar te werken. Vijf dagen in de week van acht tot zes, maar al snel werden dat zeven dagen in de week. Ook met kerst, oud en nieuw en op mijn verjaardag schrijf ik. Altijd. Ik nam nauwelijks tijd om boodschappen te doen.”

In de tussentijd verschenen steeds meer romans die aanverwante thema’s uitdiepten als Bonita Avenue. De Vlaamse auteur Jan Van Loy schreef zelfs een verhaal met hetzelfde uitgangspunt: een vader die zijn dochter in een pornofilm tegenkomt. Dat gaf Buwalda niet alleen haast, maar ook de plicht om het anders te doen. “Ik wilde vooral het complete gezin tekenen, het zedelijk verval binnen een keurige maatschappelijke hoeksteen. Dat kost verdomme tijd! Het omzeilen van het banale, het evenwicht bewaren tussen spanning en diepte. Daar gaan manjaren inzitten.”

Zich ervan af maken kon hij niet. Dan had hij er net zo goed helemaal mee op kunnen houden. “Ik heb vanaf mijn achttiende als een kettingroker romans gelezen. Sommige boeken zijn me zo dierbaar geworden, allemaal om andere redenen. In Cold Blood van Truman Capote. De welwillenden van Jonathan Littell. Publieke werken van Thomas Rosenboom. Toen ik aan mijn eigen roman begon, was het voor mij logisch om een boek proberen te schrijven dat zich met deze boeken kan meten.”

Het gekke is: in de uitgeverij moet hij toch hebben gezien hoe makkelijk halfbakken romannetjes op de markt worden gebracht? “Zeker, een boek is een product. De uitgeverij is een machinerie, waarin de omloopsnelheid van boeken hoog is en er veel dubieus op de markt verschijnt. Toch denk ik dat iedere literaire schrijver het beste uit zichzelf probeert te halen. Niet alle boeken zijn zo dik dat ding van mij, anderen kunnen best ieder jaar een boek publiceren.”

Zo was de uitgeverij inspirerender dan zijn studie Nederlands. ‘Daar kreeg ik de indruk dat de literatuur een periodiek systeem van onwrikbare meesterwerken is waar gediplomeerde Neerlandici met een wierookvat omheen sluipen. Alsof er een wetenschappelijk afgebakende canon bestaat waar geen boek meer bij kan. In de uitgeverij zag ik het tegenovergestelde: een koekjesmachine waaruit de verklaarde meesterwerken tevoorschijn rolden. Het schudde me wakker, de waarheid moest ergens in het midden liggen. Tijd om het zelf te proberen.”


Een beproeving vond Buwalda vier jaar schrijven in volstrekte afzondering niet. Het ging niet ten koste van iets. Zijn relatie ging kapot – maar niet aan het schrijven, bezweert hij. Hij vond het juist prettig na een ‘verstrooid leven’, dat het leven van een redacteur is die iedere dag aan duizend dingen moet denken, een ‘gefocust leven’ te leiden. Op jezelf teruggeworpen, maar ook zonder de eeuwige diplomatie waarmee je collega’s moet benaderen. Vier jaar lang heeft hij met niemand ruzie gemaakt.

Het moeilijkste was om jezelf, zonder hulp van wie ook, “als een baron van Münchhausen steeds weer uit het moeras van de tekst te trekken”, zegt hij. “Om het zelfvertrouwen te behouden. Je moet ervoor waken dat je je tekst te lang bagger vindt. Je moet je binnen een paar uur omhoog sleuren, anders zak je weg in een snel stollende leemlaag waar je nooit meer uitkomt. Dat vond ik de zwaarste momenten.”

Vaak herwon hij zijn schrijfplezier door een boek uit de kast te trekken waar hij bij zweert tot in het graf. Een hoofdstuk De correcties van Jonathan Franzen bijvoorbeeld of “iets warmbloedigs van Vestdijk” en hij voelde een verbetenheid terugkeren om aan zijn schrijftafel iets te maken dat anderen even enthousiast zou maken als deze boeken hem. “Niet dat ik ervan uit ging dat dat zou lukken, maar omdat ik vind dat een romancier het niet voor minder kan doen.”

Dat Bonita Avenue nu eindelijk verschijnt, is maar goed. “Het door de Belastingdienst afgeroomde voorschot was bijna op. Ik had er best een half jaar langer aan willen werken. Maar dan had ik dat op Hoog Catherijne moeten doen. Daar moet ik binnenkort misschien toch heen: als het boek geen succes word, ga ik failliet. Pas nadat er zo’n 17.500 exemplaren zijn verkocht, heb ik me voorschot terugverdiend en krijg ik royalty's.”

Opeens aarzelt hij. “Ik praat over Bonita Avenue alsof het al een succes is. Een grove fout. Jij bent tot nu toe de enige buitenstaander die heeft gezegd dat het boek in orde is. Waarschijnlijk kom ik in dit interview zo zelfingenomen over dat recensenten mij daar straks keihard op afrekenen. Misschien moet ik me voorbereiden op een grandioze zeperd.”


(Gepubliceerd in HP/De Tijd week 40, 2010)

maandag 26 september 2011

Interview: Mark Boog over 'Het lot valt altijd op Jona' (HP/De Tijd)

De zoon van Mark Boog vocht weken voor zijn leven. Zijn mysterieuze ziekte was zo ingrijpend dat de schrijver er wel een boek over moest schrijven. Een literair boek welteverstaan. “De lezer zou anders zijn schouder ophalen: een ziek kind, goh, wat erg.”


'Je moet een doodziek kind helpen vechten'


Meer dan drie jaar geleden is het alweer. De zoon van Mark Boog had, bijna van het ene op het andere moment, zo’n verschrikkelijke hoofdpijn dat zijn ouders hem naar de huisarts brachten. Paracetamol hielp niet. Hij gedroeg zich afwezig. Maar bij de huisarts was de hoofdpijn opeens over. De zevenjarige jongen schreeuwde het uit van de buikpijn. De huisarts vertrouwde het niet en stuurde hem door naar het kinderziekenhuis. Boog en zijn vrouw gingen er direct heen.

Drie weken tussen hoop en vrees volgde. Met hun zoon – Boog zegt liever niet hoe hij heet – ging het steeds slechter. Hij kreeg zware epileptische aanvallen en onverklaarbare rode uitslag. Hij at en dronk niet, sliep alleen maar. Artsen wisten niet wat hem mankeerde en onderwierpen hem aan het ene onderzoek na het andere. Tot een moment waarop Boog dacht dat zijn zoon langzaam onder zijn ogen lag te sterven en opeens een helder moment had. Vanaf toen knapte hij gestaag op.

Moest Boog (1970) hierover een boek schrijven? Dat is tenslotte het beroep dat hij met veel succes uitoefent. Vooral als dichter is hij gelauwerd. Zijn debuut Alsof er iets gebeurt werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Voor De encyclopedie van de grote woorden kreeg hij in 2005 de VSB Poëzieprijs voor beste bundel van het jaar. Maar ook zijn romans worden unaniem geprezen. Ik begrijp de moordenaar stond twee jaar geleden op de longlist van de AKO Literatuurprijs.

Veel schrijvers gingen hem voor. Van P.F. Thomése (Schaduwkind) en A.F.Th. van der Heijden (Tonio) tot een journalist als Aleid Truijens (Geen nacht zonder) – als je kind iets ernstigs overkomt, is de aandrang om daar verslag van te doen te sterk om te weerstaan. Maar Boog is allesbehalve een autobiografische schrijver. Sterker: een afstandelijke, registrerende toon kenmerkt zijn werk. In zijn romans onderzoekt hij eerder thema’s dan dat hij verhalen vertelt.

“Ik heb er heel lang over nagedacht,” zegt Boog aarzelend. “Bijna twee jaar. Maar zoiets ingrijpends, daar moest ik wel over schrijven. Het is geen mislukte vakantie of zo. Dat maakt het ook een beslissing om hier géén boek over te schrijven. Uiteindelijk besefte ik: vroeg of laat doe ik het toch. Ik heb toen toestemming gevraagd aan mijn vrouw en zoon. Gelukkig vonden ze het goed. Mijn zoon vond het zelfs logisch: boeken schrijven is toch wat papa doet.”

In de nare weken van 2008 schreef Boog wel gedichten. “Verrassend veel zelfs. Bijna dertig. En erg goed ook. Ik beschouw ze als mijn beste werk. Misschien omdat ik ze in een roes schreef. Het voelt ook alsof ik de gedichten heb bezorgd in plaats van geschreven. Ik heb ze, na een witte pagina, in chronologisch volgorde gepubliceerd in Er moet sprake zijn van een misverstand. Veel gedichten gaan expliciet over het ziekenhuis, maar alle critici vatten dat metaforisch op.”

Toch was poëzie niet genoeg. Boog wilde explicieter en alomvattender overbrengen hoe ingrijpend de ziekte van zijn kind voor hem was. Daarvoor moest hij een roman schrijven: Het lot valt altijd op Jona.


In zijn opzet is Boog zonder meer geslaagd. Als de roman iets duidelijk maakt is het de heftigheid van de weken in het kinderziekenhuis. De zuurstofsaturatie die een epileptische aanval aankondigt als hij onder de 95 zakt. De medicijnen die voor de zekerheid worden toegediend en de scans en test die Jonas, gebaseerd op Boogs zoon, moest ondergaan. De stoet van steeds nieuwe artsen en verplegers. De tergende uitzichtloosheid van alles grijpt de lezer bij de keel.

“Het was een ontzettend vreemde periode,” blikt Boog terug met de nuchterheid van de man voor wie het allemaal achter zich ligt. “Het komt volslagen onverwachts. je hebt niets bij je. En dan verkeer je een paar weken in een totaal andere wereld, ver weg van de echt wereld. Er gebeuren daarin dingen met je die je niet voor mogelijk hield. Simpele dingen: hoe lang je zonder slaap komt. Een uur slapen per nacht en nauwelijks eten, dat kun je gerust weken volhouden.”

Tegelijk verloor hij iedere controle over zijn bestaan. “Je bent ontzettend moe en volkomen van slag. Je laat je daardoor heel gemakkelijk meevoeren in een maalstroom. Willoos, machteloos. Een roes, dat is de beste omschrijving voor je toestand. Je tijdsbeleving raakt ook helemaal weg. Ik dacht dat hij twee weken in de intensive care lag. In de ziekenhuisverslagen las ik later: vijf dagen. Ik dacht ook dat tussen de twee zware aanvallen vijf dagen zat. Dat bleek twee uur. Maar twee uur!”


Durfde je je toe te staan om te denken: hij gaat dood?

“Niet zo letterlijk. Het was wel een keer zo erg dat ik me niet anders kon voorstellen. Maar of ik dat ook uitgesproken heb? Ik weet het niet. We hebben niet zo veel gesproken. De dagen duren wel heel lang en er gebeurt heel weinig, tegelijkertijd heb je geen vrij moment. Dan is er weer een onderzoek, dan moet je thuis iets regelen. We waren er zo moe van dat we alleen maar tegen elkaar aan hebben gezeten. Eigenlijk weet je dan ook niet meer waar je bang voor bent.”


Je bent al die weken bij je zoon geweest?

“Ja. Dat is het enige wat je kunt doen. Hem helpen om te vechten. Dat gevoel heb ik ook echt gehad. Er zijn verpleegsters die je weg willen hebben, zoals ik in het boek beschrijf: ‘ga maar naar huis, rust goed uit, dat is beter voor het kind.’ Maar dat moet je niet laten gebeuren. Je laat een doodziek kind toch niet alleen in het ziekenhuis? Het is niet eens in me opgekomen. Gelukkig zeggen de meesten dat je je kind het best helpt door bij hem te zijn, zijn hand vast te houden. Volkomen logisch.”


Waarom willen verpleegster ouders bij hun kind weg hebben?

“Omdat je in de weg loopt, denk ik. In het boek beschrijf ik dat de ouders niet mee mogen naar een MRI-scan. Omdat er geen plaats is voor de ouders, zeggen ze. Maar bij de tweede MRI-scan blijkt dat er nota bene een zitplaats is voor de ouders. De verpleegsters liegen tegen je omdat ze rustig hun werk willen doen. Dat is echt gebeurd. Daar ben ik zo kwaad om geworden. Deden ze soms iets met hem wat ik niet mocht zien? Ik voelde me ook schuldig, dat ik hem even alleen had gelaten.’


Voel je je slecht behandeld in het ziekenhuis?

‘Over negen van de tien artsen en verpleegkundigen ben ik heel tevreden. Ze hebben hun best gedaan. We hebben alleen een paar keer flink ruzie moeten maken. De meeste gaan er namelijk van uit dat je vrij dom bent. Ze leggen je slecht uit wat ze gaan doen en waarom. Iedere keer moet je weer bewijzen dat het bij jou wel meevalt met die domheid. Pas als ze je langer kennen, wordt je langzaam serieus genomen. Heel vervelend is dat.”


Kwam het vaak voor dat ze je niet serieus namen?

“Op een gegeven moment had hij steeds epileptische aanvallen. Als ouders zagen wij die omdat wij altijd bij hem waren. Maar je wordt gewoon niet serieus genomen. Artsen accepteren iets pas als ze zelf de diagnose hebben gesteld – zíj en niemand anders. Het enige wat je daartegen kan doen is boos worden. Een keer hebben we een brief geschreven over wat allemaal anders moest. Zo niet, dan gingen we naar een ander ziekenhuis. Dezelfde middag was het nog geregeld.”


Hoe heb je het herstel beleefd?

“Zoals het in het boek gebeurt: als een wonder. Hij werd naar de i.c. gebracht, in coma en ineens kwam hij bij. Ik dacht echt: hij heeft het zelf gedaan, hij heeft zich eruit gevochten. Maar hoe? Ik weet het niet. De artsen evenmin. Ik dacht niet: nu komt het goed. Daarvoor was het te onzeker. De angst en onzekerheid sleet daarna langzaam weg. En helemaal gesleten is het niet. Zal het ook nooit zijn, de angst is alleen maar minder acuut geworden.’


Boog vertelt zo eerlijk mogelijk over de gevoelens en gedachten die zijn voorjaar van 2008 hebben beheerst. Daar heeft hij geen moeite mee – zolang hij maar zijn mond mag houden over de emoties van zijn familieleden. Die hebben ook recht op privacy, vindt hij. Maar in Het lot valt altijd op Jona wilde Boog absoluut niet onverbloemd vertellen over de weken in het kinderziekenhuis. Het boek zou veel te saai worden. “De lezer zou zijn schouder ophalen: een ziek kind, goh, wat erg.”

Boog koestert een sterke afkeer tegen het autobiografische. Dat blijkt al uit de manier waarop hij over zijn eigen leven praat: in de jij-vorm, alsof het om algemene in plaats van persoonlijke waarheden gaat. “Films die worden aangekondigd als waargebeurd kijk ik niet. Reality shows: het is onmogelijk om één aflevering van begin tot eind te kijken. En boeken ook. Ik wil een boek als Tonio alleen lezen omdat ik heb begrepen dat A.F.Th. van der Heijden er literatuur van heeft gemaakt.”

Hij onderschrijft het dictum van Gerard Reve: echt gebeurd is geen excuus. “Het gaat er niet om dat je vertelt wat voor bijzonders en unieks je hebt meegemaakt. Want er is niets unieks aan een ziek kind. Er worden zo veel kinderen ziek. Sommigen erger dan het jouwe, dat merk je gauw genoeg in het ziekenhuis. Sommigen gaan zelfs dood. Het gaat erom dat je voelbaar maakt dat het bijzonder en uniek is voor diegene die het overkomt. Dat kan alleen door er literatuur van te maken.”

Ook een journalistiek boek of essay beschouwt hij als volstrekt ontoereikend. “Alleen mensen die in het onderwerp zijn geïnteresseerd lezen zulke non-fictie. Zoals je over auto’s of over muziek leest, kun je ook over zieke kinderen lezen. Daar wilde ik het niet voor doen. Zo’n boek zou absoluut geen recht doen aan wat mijn vrouw en ik hebben doorgemaakt.”


Wie Boog ontmoet, zal onmiddellijk beseffen dat zijn vrouw en hij niet model stonden voor Daan en Sandra, de ouders van Jonas in Het lot valt altijd op Jona. De ingetogen, aanvankelijk wat zenuwachtige, precies formulerende Boog heeft niets van de eeuwig schouderophalende, wat ordinaire Daan, die zelfs in de ernstigste omstandigheden met flauwe woordgrapjes zijn relatie met Sandra op het spel zet – genre: Hoe is het op de afdeling Stervende Zwaan?

“Ik had de ziekenhuisverslagen opgevraagd,’ vertelt Boog. “Om mijn eigen geheugen aan te vullen. In het ziekenhuis had ik geen aantekeningen gemaakt en in de roes ontgaat je zo veel. Door die verslagen besefte ik dat ik er fictie van kon maken door de ouders de hoofdpersoon te maken. Over ons staat er niets in. Hooguit opmerkingen als: ‘maatschappelijk werk aangeboden’, of ‘ouders terecht bezorgd’. Daardoor kon ik zelf invullen hoe zij het hadden beleefd.”

De ervaringen van Daan en Sandra zijn een mix geworden van gevoelens die Boog of zijn vrouw echt hebben gehad en wat hij zich kan voorstellen dat ouders denken. “Ik kan per zin aanwijzen wat echt is gedacht, door wie en wat ik heb verzonnen. Zo was ik bij het verlaten van het ziekenhuis helemaal niet opgelucht, zoals Sandra. Ik was veel te veel met praktische zaken bezig om iets te voelen, maar het lijkt me logisch dat je op zo’n moment opluchting voelt.”

In eerste instantie heeft Boog de ziekenhuisverslagen integraal uitgewerkt. Die versie is hij gaan stileren. “Als je één op één het ziekteverloop beschrijft, krijg je een saai verhaal. De lezer moet niet denken: wéér een aanval, alleen omdat er weer een aanval plaatsvond. Maar hij moet wel tot een punt van wanhoop worden gebracht, zodat hij dezelfde opluchting voelt als Jonas een keer geen aanval krijgt. Dat is de balans die je moet zoeken. Ontzettend ingewikkeld is dat.”

Om de lezer voort te stuwen greep hij alles om meer verhaal in het boek te stoppen. “Daarom laat ik de relatie tussen Daan en Sandra kapot gaan. Niet defintief, dat zou te dramatisch zijn. Het herstel van Jonas komt daarom net op tijd. In werkelijkheid bleek de ervaring mijn vrouw en mij dichter bij elkaar te brengen. Gelukkig wel, je weet dat nooit van tevoren. Evengoed denken mensen vaak dat je in boeken de echte waarheid beschrijft. Daar heb ik mijn vrouw voor gewaarschuwd.”

Boog wilde in Het lot valt altijd op Jona vooral de onwezenlijke roes benadrukken die hij, afgesloten van de echte wereld, heeft ervaren. “Daarom krijgt Jonas bijvoorbeeld nooit bezoek. Dat is in het echt niet gebeurd natuurlijk. Daarom ook krijgen alle personages – verpleegsters, artsen – geen namen en verdwaalt Sandra herhaaldelijk in de lange gangen. Het ziekenhuis is een onpersoonlijk, maar hongerig monster dat het heeft voorzien op een onschuldig kind.”

Cruciaal is de titel van de roman, een citaat uit het Bijbelboek over Jonas in de walvis. “Juist zo’n literaire vergelijking maakt van het boek een roman. Deze zin benadrukt goed de noodlottigheid van de situatie. De hopeloosheid van het noodlot ook. Maar de zin moest wel terloops gezegd worden in het boek – door een gelovige moeder van een ander, veel ernstiger ziek kind. Anders zou het te geforceerd worden.”


Het schrijven van Het lot valt altijd op Jona ging Boog niet makkelijk af. Het eerste jaar nadat hij begin vorig jaar aan deze roman begon, schoot hij nauwelijks op. De angst dat het een slecht boek werd. De grote zorg voor de juiste, niet te jammerlijke toon. De noodzaak om de gebeurtenissen opnieuw te beleven. Het hield hem iedere dag tegen om meer dan een heel kleine passage te schrijven. “Ik heb zelfs af en toe een huisje gehuurd. Dan móést ik wel, omdat dat dat geld had gekost.”

Vooral het herbeleven, door het overtikken van de ziekenhuisverslagen, viel hem zwaar. Niet dat hij moest huilen. “Dat zou niet productief zijn”, zegt hij droogjes. Maar hij had voortdurend spijt dat hij eraan begonnen was. “Het was te zwaar, te indringend. Ik wilde eerst de volledige ziektegeschiedenis uitschrijven om dat vervolgens in te dikken en te bewerken tot een verhaal. Maar ik kon me er niet toe zetten. Het lukte gewoon niet. En tegelijk móést dit boek er komen.”

Pas toen Boog met de uitgeverij had afgesproken dat de roman in september 2011 zou verschijnen, lukte het opeens. Iedere dag van 8 tot 8 werken, minimaal 1000 woorden per dag. “Een deadline is sowieso goed, maar nu bleek het echt nodig. Natuurlijk had ik me er dan nog niet aan hoeven te houden, maar kennelijk ben ik daar te netjes voor. Het boek was nu eenmaal aangekondigd door de uitgever.”


Boogs zoon heeft aan de mysterieuze ziekte epilepsie overgehouden. “Je schijnt er overheen te kunnen groeien, maar zeker is dat niet,” zegt Boog. “Hij heeft nog steeds regelmatig aanvallen. Gelukkig geen zware, daar heeft hij medicijnen voor. Maar de bijwerkingen zijn ook vervelend. Het verandert zijn persoonlijkheid. En ook moet hij, als hij zwaarder wordt, meer medicijnen en mogelijk andere. Dan moet hij onder supervisie in het ziekenhuis overstappen. Dan moet maar blijken of die aanslaan.”

Zelf voelt Boog zich een ander mens geworden. Hoe, kan hij eigenlijk niet zeggen. “Het is net als wanneer je een kind krijgt. Je blijft dezelfde persoon en toch voel je een ander mens. Wel ben ik vastbeslotener geworden. Net als Sandra was ik in het ziekenhuis tien, vijftien kilo’s afgevallen en net als zij dacht ik: als ik dat vasthoudt, heeft dit alles nog iets goeds opgeleverd. Dat is ook gelukt. Ik sportte altijd al, maar nu is het echt belangrijk. Het is een erezaak geworden.”

Diezelfde vastbeslotenheid voelt hij in zijn werkkamer. “Iets goeds schrijven is ook belangrijk geworden. Je moet natuurlijk niet alles toeschrijven aan deze gebeurtenis in mijn leven. Het is sowieso de bedoeling dat je steeds beter wordt als schrijver. Dat je leert van ieder boek. Maar je zult het nooit weten: hoe is deze ziekte van invloed geweest op mijn schrijverschap? Dan kan ik net zo goed geloven dat het positieve invloed had. Zulke mooie verhalen helpen je om greep te krijgen op je leven.”


(Gepubliceerd in HP/De Tijd 38, 2011, 23 september 2011)