Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen

maandag 12 april 2021

Over het uitgeven van poëzie (Poëziekrant)

Het cliché wil: poëzie verkoopt niet. En ook nog eens steeds slechter. Toch slagen de meeste uitgeverijen er goed in om gedichtenbundels gezond te exploiteren. Hoe doen ze dat? Een blik op de kosten en baten van poëzie-uitgaven. 

Al drie decennia geeft Uitgeverij P poëzie uit. Bloemlezingen van thematisch bij elkaar gebrachte gedichten. Bundels van dichters zo uiteenlopend als Claude van de Berge en Hubert van Herreweghen. Vertaalde poëzie van Plato tot Hans Magnus Enzensberger. De webshop van de uitgeverij biedt op moment van schrijven exact 465 titels aan. En wat zegt uitgever Leo Peeraer? 'In de dertig jaar dat ik bezig ben, waren er twee waarin ik géén verlies heb geleden.'

Uitgeverij Vrijdag heeft in de loop van haar 12-jarige geschiedenis steeds vaker poëzie uitgegeven. Van Max Temmerman en Sylvie Marie verschenen al vier bundels. Andere namen op de fondslijst zijn Dorien De Vylder en Moya de Feyter. Uitgever Rudy Vanschoonbeek mikt op zes nieuwe bundels per jaar. 'En dan hoor ik soms: wat moedig en knap dat je poëzie uitgeeft. Ik antwoord altijd: ik moet erg mijn best doen om er géén verlies op te lijden.'

Dus wat is het nou? Is poëzie uitgeven een kwestie van liefdewerk oud papier waar altijd geld op moeten worden toegelegd? Of kun je gedichten net zo goed exploiteren als welk ander genre dan ook?

 

De kosten van iedere uitgegeven bundel beginnen bij de dichter. Auteurs krijgen een vast percentage royalty op ieder verkocht exemplaar van hun bundel. In Nederland en Vlaanderen is dat – als de richtlijnen uit het modelcontract worden gevolgd – 10% op de verkoopprijs exclusief btw voor de eerste 4.000 exemplaren. Daarna loopt het percentage stapsgewijs op tot 15%. Het is goed gebruik dat uitgeverijen hun auteurs een niet terugvorderbaar voorschot geven op deze inkomsten – met het risico dat het te veel blijkt.

Voor dichters wordt daarop geen uitzondering gemaakt. 'Ze hoeven het niet allemaal te hebben. Rodaan Al Galidi bijvoorbeeld. Maar ik bied het altijd aan', zegt Jurgen Maas van de gelijknamige uitgeverij met een klein, maar groeiend fonds van dichters met veelal Midden-Oosterse roots. 'Het is fijn om iemand bij ondertekening van het contract een bedrag over te kunnen maken', meent ook Merijn Hollestelle, redacteur Nederlandstalige literatuur van De Bezige Bij, een van de grootste poëzieuitgevers in het taalgebied (van Peter Verhelst tot Asha Karami).

Wel is een voorschot aan dichters 'minder gebruikelijk' dan voor auteurs van proza of non-fictie, zegt Vanschoonbeek. Bij uitgeverij P gebeurt het helemaal niet. 'Tenzij ik de rechten van buitenlandse dichter aankoop', legt Peeraer uit. Daar staat tegenover dat Atlas Contact enkele jaren geleden een einde aan die gewoonte heeft gemaakt. 'Het idee was: er zijn nauwelijks royalty's te verwachten, dus waarom een voorschot?', vertelt uitgever Sander Blom, die onder andere Charles Ducal en Ellen Deckwitz in het fonds heeft. 'Maar dat is principieel onjuist. Dichters verdienen beloning voor hun werk.'

Hoge bedragen zijn de voorschotten echter niet. Vanschoonbeek spreekt van 'gemiddeld 500 euro'. Maas heeft het over 'tussen de 500 en 1000 euro'. Peeraer betaalde ooit 750 euro voor de vertaalrechten van Neruda. Hollestelle geeft aan dat het soms ook beduidend meer kan zijn. 'Als je per se een nieuwe auteur wil binnenhalen in wie ook andere uitgeverijen geïnteresseerd zijn. Maar als dat het begin is van een samenwerking van vijftig jaar, is dat het waard.'

 

De productiekosten zijn bescheiden. In vergelijking met de memoires van Barack Obama of de nieuwe roman van Lize Spit, vuistdikke boeken die in enorme oplagen zijn gedrukt, zijn de facturen van de drukker en de distributeur voor een dichtbundel laag. Ook de opslagkosten van nog niet verkochte voorraad bij CB in Culemborg (Nederland) en Zele (Vlaanderen), zijn beperkt. Soms, zoals bij uitgeverij P, ligt de voorraad op kantoor. Dat is nog goedkoper.

Ga maar na. De oplage is beperkt. Bij De Bezige Bij is dat '1000 tot 2000 exemplaren, zelden minder', zegt Hollestelle. En dat zijn nog relatief hoge aantallen. De anderen spreken van: '500 tot 1000' (Jurgen Maas), '500 voor een totaal onbekende dichter tot boven de 1000 voor een nieuwe K. Michel' (Blom), '300 tot 1000' (Vanschoonbeek) en '250, soms meer' (Peeraer). En dik zijn de bundels ook al niet: meer dan 100 pagina's is al een uitzondering.

Ook de overige uitgaven zijn beperkt. Soms, zoals bij Jurgen Maas, wordt de redactie uitbesteed: het samen met de auteur samenstellen van een bundel en het minutieus lezen van ieder gedicht. Maar dan wordt niet de hoofdprijs betaald. 'Mijn freelanceredacteurs krijgen een vast bedrag per uitgave. Dat staat, anders dan bij proza, niet in verhouding met het werk dat ze erin steken. Ze doen het daarom vooral omdat ze het leuk vinden', zegt de uitgever.

Hetzelfde geldt voor de tekstredactie: het corrigeren en persklaarmaken van een bundel. Die afrekening is immers, op z'n minst voor een deel, gebaseerd op de omvang van de klus. En bij een bundel met, zeg, veertig sonnetten is die nooit zo groot als bij een roman van 500 pagina's. Bij De Bezige Bij, vertelt Hollestelle, is een poëzie-uitgave na redactie al zo 'schoon' dat persklaarmaken niet nodig is. 'Al kost dat misschien 60 euro. Daarvoor hoeven we het niet te laten.'

 

Waarin bewust wél wordt geïnvesteerd is de vormgeving. In een tijd waarin iedereen veel teksten, niet zelden gratis, op internet kunt lezen – zeker ook gedichten – moet het boek als object begeerlijk zijn. Je oog moet er in de boekhandel naartoe getrokken worden, je moet het willen vasthouden, je moet het trots op je koffietafel kunnen leggen. Je moet het kortom zo graag willen hebben dat je bereid bent er 15 tot 20 euro voor neer te leggen.

'In het algemeen worden alle boeken steeds mooier', zegt Hollestelle. 'Ze moeten zo mooi zijn dat je een foto ervan wil delen op Instagram. En dat geldt zéker voor poëzie, omdat die bundels vaak lang mee gaan. De uitgave moet niet na één keer lezen beduimeld zijn, maar lange tijd uitnodigend blijven. Daarom hebben we bijvoorbeeld voor Xenomorfvan Jens Meijen een bijzonder, zacht soort papier gebruikt, zodat je het gewoon wil aanraken.'

Anderen zeggen het hem na. Vanschoonbeek: 'De tactiele verzorging is een belangrijk onderscheid ten opzichte van het digitale. Wij kijken dus altijd of iets speciaals met papier, typografie, omslag uit kan.' Peeraer: 'Wij doen geen concessies aan de uitvoering. Linnen band, mooi papier. Naast de diverse reeksen die we hebben, doen we af en toe ook iets extra's met de vormgeving. Zoals met de bundel gedichten van Karel Sergen op basis van weerberichten van Frank Deboosere, met foto's van hem.'

Blom bevestigt ook de trend naar mooier. 'Vroeger zagen de uitgaven van Atlas Contact er eerlijk gezegd wat goedkopig uit. Dat is de laatste jaren echt veranderd. Onze nieuwe commercieel directeur heeft daar een verfrissende visie op. Je maakt met poëzie weinig winst, daarom moet je het goedkoop op de markt brengen. Maar, redeneert hij juist, door de beperkte kosten loop je óók weinig risico om er groot verlies op te maken. Zorg dan dat het er echt goed uitziet.'

 

Daar staat tegenover dat er in de calculaties weinig budget is voorzien voor marketing. Bij de grotere uitgaven is er wel een bedrag voor gereserveerd. Maar: bescheiden. 'Dat gaat om ongeveer 5% van de verwachte opbrengst', zegt Vanschoonbeek. 'Maar ik vind het belangrijk om in ieder geval íets te doen. Dat gaat van een boekvoorstelling tot het verspreiden van leesxemplaren, een Facebook-campagne of ansichtkaarten met één gedicht uit de bundel.'

Bij De Bezige Bij en Atlas Contact is het beleid vergelijkbaar. Bij deze grote uitgeverijen wordt ook geadverteerd. Want het publiek voor poëzie mag dan gering zijn, het is wél goed in te schatten hoe ze te bereiken zijn. Hollestelle noemt media als NRC Handelsbladen De Groene Amsterdammernaast poëziemagazines als Awater. Blom voegt daar festivalkrantjes, zoals bijvoorbeeld de programmakrant van de Nacht van de Poëzie.

Bij kleinere uitgeverijen is er minder ruimte voor. Jurgen Maas doet niet aan betaalde marketing – ook niet voor zijn prozatitels. 'De bundels staan in de aanbiedingsbrochures die ik naar de pers stuur. Ik verstuur ook recensie-exemplaren, benader festivals en boekhandels voor optredens, en organiseer presentaties. Maar advertenties in kranten of op sociale media? Nee. Dat hoeft ook niet. Het gaat erom dat de boekverkoper, recensent en het publiek weet dat de bundels er zijn. Via de poëziecommunities op internet lukt dat goed.'

 

Alle kosten moeten worden terugverdiend met de verkoop van de bundel. In het algemeen geldt daarbij: de eerste druk moet in zijn geheel worden verkocht om uit de kosten te komen. Dat kan via verschillende kanalen. De boekhandel natuurlijk, maar ook rechtstreekse verkoop: via de eigen webshop van de uitgeverij, op de festivals waar de dichter optreedt, tijdens de boekvoorstelling, via de dichter zelf op alle plekken waar hij zijn werk laat horen, enzovoorts.

Het idee bestaat dat de boekhandel steeds minder aan poëzie doet. Om die reden heeft Leo Peeraer de startoplage verlaagd van 300 naar 250 exemplaren. Hij krijgt er gewoon niet genoeg ingekocht. 'Een keten als Standaard Boekhandel koopt alleen de bekendste namen in. Maar dat zijn geen grote aantallen, en dan nog krijg je na zes maanden of een jaar een deel retour – vaak nog beschadigd ook. Daarnaast liggen mijn uitgaven bij een tiental literaire boekwinkels. Daarvoor geldt een depotformule: ze betalen na verkoop van een titel.'

Maar de meeste uitgevers willen er niet aan. 'Toen ik 35 jaar geleden begon, was het óók hard werken om bundels de boekhandel in te krijgen', zegt Vanschoonbeek, wiens uitgaven voor 70% via de boekhandel worden verkocht. 'De nieuwe Hugo Claus namen ze wel, maar de rest? De markt was toen ook klein.' Blom zegt dat er wel sprake is van enige verschraling: minder literaire boekhandels kopen terughoudender in. 'Maar: alle goede boekhandels hebben nog altijd een kast poëzie. Door de omvang van een bundel staat daar toch best veel.'

Er zijn in vergelijking met, zeg, twintig, dertig jaar geleden ook nieuwe mogelijkheden bij gekomen. Internet, waar je makkelijk het complete fonds kunt aanbieden. Dat loopt heel behoorlijk bij uitgeverij P, vertelt Peeraer, die niet via Bol.com verkoopt. Alleen al uit Nederland krijgt hij 'vijf tot tien bestellingen per week'. Eens in de tien dagen rijdt hij daarom naar Limburg om zo op verzendkosten te besparen.

Ook is er een bloeiend circuit ontstaan van poëzieavonden en festivals. Daar is altijd een verkoopstand. Om aan te geven hoe goed verkoop bij optredens kan lopen, zijn de boekvoorstellingen van uitgeverij P exemplarisch. 'Dan verkopen we al gauw dertig, veertig bundels. In een normaal jaar hebben we dan ook ieder jaar wel een boekvoorstelling. Ik presenteer álle bundels. Daarom is de coronacrisis ook zo'n enorme tegenvaller voor de uitgeverij.'

Maar ondanks deze mogelijkheden naast de boekhandels zeggen de meeste uitgevers: de boekhandel blijft het belangrijkste. 'Poëzielezers zijn bij uitstek een publiek dat graag naar de boekhandel gaat', zegt Hollestelle. 'En ze horen bijvoorbeeld op de Nacht van de Poëzie wel nieuwe dichters, maar het grootste deel koopt vaak later. Hoeven ze er op de Nacht niet mee rond te lopen.' Blom beaamt dat: 'ze volgen online wat er gebeurt, maar kopen in de winkel.'

Om die reden ziet bijvoorbeeld Maas optredens in de eerste plaats als een promotionele activiteit. 'Veel van mijn uitgaven zijn vertaalde poëzie. Daar is nóg minder aandacht voor in de media. Daar zijn ook geen prijzen voor. Optreden is daarom cruciaal. Pas als je iemand hebt gehoord en gezien denk je: die wil ik hebben. Dat hoeft niet op dezelfde avond te zijn, dat kan ook twee maanden later. Het is vaak de enige manier waarop je met nieuwe namen in aanraking komt.'

 

Al met al lukt het de uitgevers doorgaans goed om, zoals Vanschoonbeek in het begin van dit stuk, ten minste de eerste oplage te verkopen. 'Bijna altijd wel', zegt Hollestelle. 'En dan is een herdruk snel gemaakt. En je kunt het gebruiken in advertenties: "nu al derde druk", waardoor je het gevoel bij het publiek kun versterken dat het déze bundel in ieder geval wil kopen.'

Maas is bij 'zeker 9' van zijn 12 poëzietitels uit de kosten gekomen, rekent hij uit. 'Soms maak je een verkeerde inschatting', vertelt hij over de missers. 'Bij een uitgave van Nazim Hikmet dacht ik: grote naam, en dus maakte ik een dure hardcover met flappen en een stoffen omslag. Maar dat bleek niet te lopen. En soms wordt er helaas gewoon niet genoeg verkocht, zoals de bundel van Asmaa Azaizeh. Dat is het risico van het vak.'

Ook Peeraer is helemaal niet ontevreden over de verkoop: 'Een op de drie uitgaven krijgt een herdruk', schat hij in. 'En we verramsjen principieel nooit, dus we kunnen desnoods twintig jaar wachten tot de eerste oplage weg is. Daar staat tegenover dat we óók mooie successen hebben: van Aambeien & zetpillenvan Johan Borghys, waarin hij doktersvoorschriften in de vorm van een gedicht geeft, hebben we er 1000 verkocht. Sommige backlisttitels blijven ook goed doorlopen, zoals Pablo Neruda en Emile Verhaeren.'

 

Hoe kan het dan toch dat sommige uitgeverijen poëzie met winst en andere met verlies publiceren? De crux zit hem in de kosten die hierboven niet zijn benoemd omdat ze niet zijn toe te schrijven aan de uitgave van één titel. De vaste kosten: personeel, huur, electra, een wifi-abonnement, een computer – noem maar op. Als je die, uitgesmeerd over alle uitgaven, moet terugverdienen met poëzie, wordt de exploitatie wél een moeilijk verhaal.

Neem uitgeverij P. Peeraer keert zichzelf geen salaris uit voor zijn uitgeverswerk en gebruikt de conciërgewoning van zijn huis in Leuven als kantoor. Dat bespaart hem heel wat. Een parttime personeelslid voor een, twee dagen in de week heeft hij tien jaar geleden wegbezuinigd. En dan nóg kost 'verwarming, licht, e-mail, telefoon en zo al gauw 350 euro per maand', zegt hij. 'Maal 12, en het loopt richting de 5.000 euro per jaar. Daar moet je al veel boeken voor verkopen.'

De andere uitgeverijen geven dan ook allemaal poëzie uit naast andere genres waar de markt veel groter voor is. Zo heeft Atlas Contact in 2020 het grote geld verdiend met auteurs als Oek de Jong, Marieke Lucas Rijneveld en Sander Heijne (Fantoomgroei). Of leg de bestverkopende titels van Vrijdag naast elkaar: voor poëzie is dat Ben jij liefdevan Mustafa Kör (6 drukken, 3.000 exemplaren), voor proza de roman Woestenvan Kris Van Steenberge (45.000 exemplaren). 

 

Dat betekent niet dat uitgeverijen die het grote geld met non-fictie of romans verdienen, zonder hart voor deze titels poëzie op de markt slingeren. De investeringen in vormgeving alleen al wijzen daarop. Maar ook de tijd en aandacht die in de redactie wordt gestoken is maximaal. 'Het is ook symbolisch kapitaal', zegt Blom. 'Je laat zien dat je een echte literaire uitgeverij bent – geen drukkerij. En dan doe je dat zo goed mogelijk.'

Je kan denken: juist een dichter, die ieder woord wikt en weegt, levert een kant en klare uitgave aan. Maar redacteuren en uitgeverijen spreken dat met klem tegen. 'In een bundel staan veertig tot zestig gedichten. Dan neem je dus veertig tot zestig keer een tekst op microniveau grondig door', zegt Vanschoonbeek. 'Een bundel van zestig bladzijden kost net zo veel tijd als een roman van driehonderd pagina's', vult Blom aan. 'Je moet zó goed lezen.'

Het betekent evenmin dat grote uitgeverijen de commercieel interessantste dichters kiezen en de restjes aan gespecialiseerde poëziehuizen overlaat. 'Natuurlijk weeg je bij een uitgeefbeslissing mee of een dichter het goed doet als performer', vertelt Vanschoonbeek. 'Dat maakt de kans op een goede verkoop groter. Maar dat kan nooit het enige criterium zijn, omdat je anders als uitgeverij in één bepaalde plooi zit. Het is juist goed om meerdere plooien te bedienen.'

 

De exploitatie van poëzie betekent wél dat uitgeverijen als De Bezige Bij en Jurgen Maas maar een beperkt aantal dichtbundels per jaar kunnen doen verschijnen. Bij Atlas Contact gaat het om 'zes per jaar, soms zeven of acht als het zo uitkomt'. Bij De Bezige om 'vijf, zes per jaar', al is dat geen harde richtlijn. Bij het kleinere Maas om 'maximaal twee per jaar'. Als het meer uitgaven zouden zijn, zou de verhouding tussen de tijd die erin wordt gestopt en de potentiële verdiensten scheef gaan lopen.

Bij een gespecialiseerde uitgeverij is dat precies andersom – om de vaste kosten goed uit te smeren. Peeraer schat het aantal uitgaven dan ook op '25 tot 30' per jaar. 'De oorspronkelijke Nederlandstalige uitgaven zijn daarbij duidelijk in de meerderheid: zeker 70 tot 75%. Vertalingen zijn duurder. Ook doe ik steeds minder bloemlezingen, omdat het erg veel werk is én je iedere dichter apart moet betalen. Soms kost opname van een gedicht wel 50 euro. Schandalig veel.'

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat er verhalen rondzingen van dichters die soms jaren op hun beurt moeten wachten. Bij Atlas Contact speelt dat probleem inderdaad, maar moet je het niet overdrijven, zegt Blom. 'Vaak komt het vanzelf goed terecht. Sommige dichters laten zeven jaar niets van zich horen. Alleen wie veel schrijft, kunnen we niet garanderen dat we elk jaar een bundel brengen. Nachoem Wijnberg is daarom overgestapt.'

Hollestelle ziet het anders. De Bezige Bij heeft veertig tot vijftig dichters onder contract. En ja, die komen allemaal in hun eigen tempo tot nieuw werk. 'Maar dan is er nog geen wachtrij. Je moet een goede planning maken door de vinger aan de pols te houden van waar iedereen aan werkt, zodat je precies weet wanneer je de bundel van x en wanneer de bundel van y brengt. Of wanneer je op een slimme manier een paar debuten tegelijk kunt brengen.'

Ook dát hoort bij een gezond uitgeven van poëzie, wil hij maar zeggen.

(Eerder gepubliceerd in Poëziekrant 2/2021)

maandag 1 maart 2021

Willem Smit: de dichter die bankiers een spiegel voorhoudt (Poëziekrant)

Willem Smit is de eerste corporate dichter in het Nederlandse taalgebied. Als huisdichter van de Rabobank is hij 'de hofnar' die de tienduizenden medewerkers van binnenuit 'ruimte maakt voor een andere taal dan de rationele taal die iedereen op de bank bezigt.'Poëzie is daar bij uitstek geschikt voor.

Het is nooit een strategische keuze van de Rabobank geweest om een huisdichter in te huren. Anders was een van de grootste banken van Nederland wel in zee gegaan met een prominente dichter die past bij de eigen status. Dat de 29-jarige Willem Smit, die kwatrijnen die had gepubliceerd op zijn eigen Facebookpagina en her en der had voorgedragen, in oktober 2019 tot 'Dichter des Rabolands' werd benoemd, is dan ook een 'aaneenrijging van toevalligheden', vertelt hij in zijn woonplaats Utrecht, waar ook het hoofdkantoor van de bank staat.

'Ik hoorde op een symposium een lezing van de directeur Communicatie en Corporate Affairs de bank. Zijn verhaal viel bij me in de smaak, dus toen heb ik hem aangesproken. We bleken dezelfde achtergrond te hebben en we hielden contact. Het zit ook in zijn aard om met jonge mensen te praten over vragen als: wie ben je? Wat heb je te doen in het leven? Na een tijdje liet ik hem mijn teksten lezen. Daar was hij van gecharmeerd. Zo kwam hij op het idee om mij gedichten voor de bank te laten schrijven. Als experiment, om te kijken wat er zou gebeuren.'

Sindsdien publiceert Smit iedere dinsdag een gedicht op het intranet van de Rabobank. Om inspiratie op te doen liep hij een of twee dagen per week bij de bank rond om met medewerkers te praten over hun werk – deels op afspraak, deels spontaan. 'Men zei al snel tegen elkaar: ga eens met Willem praten, hij kijkt anders tegen de dingen aan.' De uitbraak van de pandemie maakte hier een eind aan. Ook plannen om op evenementen van de bank voor te dragen, konden niet doorgaan. Wel houdt hij sinds oktober kantoor, waar medewerkers afspraken met hem kunnen maken.

 

Smits werk voor de bank gaat over de fenomenen die hem verwonderen. 'Hoe hard er wordt gewerkt', geeft hij als voorbeeld. 'Het bulkt van de initiatieven en projecten, mensen lopen het vuur uit hun sloffen. Kan men in deze omgeving "nee" zeggen? vroeg ik me af. In een gedicht heb ik toen onderzocht wat de kracht van "nee" kan zijn.' Dat leidde tot regels als: 'in deze geest is 'nee' geen dwarsboom meer / maar een hefboom tot helder weten / niet het vele is goed / maar het goede is veel.'
Ook viel hem de 'cultuur van beheren en beheersing' op. '
Het is omgeving waarin je met kennis hoge ogen gooit, waarin er de boel stevig wordt gemonitord en het barst van de planningen. Ik heb toen een gedicht gemaakt over de andere kant: het niet-weten, de raadselachtigheid van het bestaan, je daaraan overgeven en erop vertrouwen dat dat louterend is.' In het gedicht 'Mystiekonomie' heet het: 'wat weten wij / van morgen of van later? / hoe ver reikt mijn benul / en wat stut mijn stellage?'

Hij probeert de medewerkers tegelijk te wijzen op de absurditeit van wat ze zelf vanzelfsprekend vinden. Dat velen bijvoorbeeld van binnenkomst tot vertrek onafgebroken achter een scherm zitten. 'En dat is door al het videobellen alleen maar meer aangewakkert. Dat moet iets doen met mensen. Als je erover nadenkt, is dat best ingrijpend.' Dat verwoordde hij zo: 'het scherm werd middelaar / tussen onszelf [   ] en de wereld // tot een huis-aan-huis geleverd inzicht / een op de huid gevoeld gemis / ons niet langer deed vergeten / dat er leven naast de beeldspraak is'.

 

Kun je over alles schrijven wat je wil?

'Zeker. Ik pas me wel aan, maar daar kies ik zelf voor. Ik ben minder kritisch op bepaalde maatschappelijke systemen dan ik privé ben. Wat heeft het voor zin om dat te uiten? Ik probeer in deze functie alle verschillende menstypen die bij de bank werken te bereiken. Niet alleen de mensen die toevallig mijn ideeën delen. Ik wil verbinding maken. Het is comfortabel om een hoge bergtop te zoeken en daar te genieten van het meeslepend uitzicht, maar dat schept ook afstand met de rest van de wereld.'

 

Pas je ook je taal aan?

'Ik zie mezelf als een dienstbaar dichter. Ik zoek een bezielde taal die iets overlaat aan de verbeelding. Maar ook een heldere taal, zo concreet mogelijk. Geen woordkunst om de woordkunst. Dat ligt eens niet zo ver af van mijn eigen werk. Dat is alleen vormvaster: vier regels – zoals in de psalmen en gezangen waar ik mee ben opgegroeid. Als alles kan, geeft de vorm me houvast. Mijn werk voor de Rabobank, iedere week één gedicht, geeft al zoveel structuur dat de vorm vrijer kan zijn. Althans, tot voor kort. Sinds de zomer schrijf ik steeds gedichten van zes verzen van vier zinnen. Ook de werkwijze verschilt niet eens zo veel. Zoals ik voor de bank reageer op wat ik zie of hoor, zo hou ik er voor mijn werk van om 's avonds een gedicht te maken over iets wat ik heb meegemaakt of wat iemand me heeft verteld. Poëzie als dagboek.'

 

De toon is vaak hoopvol, valt me op aan de gedichten die je me liet lezen.

'Ja. Ik probeer in ieder gedicht een transformatie te laten plaatsvinden. Of dat een transformatie op het punt staat te gebeuren. In de hoop dat het mensen raakt en dat ze een beetje onder de spanning vandaan komen waaronder ze werken. De gedichten zijn vaak bemoedigend: om de grootsheid van het leven te midden van de broosheid te tonen en mensen zo de zin van hun werk te laten inzien. Het mooiste zou zijn als de bankmedewerkers zich na het lezen vrijer kunnen verhouden tot het werk dat ze in wezen toevallig doen op die toevallige plek op dat toevallige moment.'

 

Is dat de rol van poëzie in een corporate omgeving?

'Ik denk het wel. Ik heb de rol van hofnar: iemand die van binnenuit anderen op een lichtvoetige manier een spiegel voorhoudt, woorden geeft aan dat waar mensen ongemerkt aan voorbij leven, of op een elegante manier kritische noten kraakt, zó dat het niet afschrikt. Er zijn natuurlijk mensen die dat niet begrijpen. Die denken: wat moet een dichter hier bij ons? Toen ik net begon was ook ik doordesemd van die dekselse doel-middelenrationaliteit. Inmiddels denk ik: dat ik er ben is genoeg, het is goed omwille van zichzelf, ik schep hier ruimte voor een andere taal dan de rationele taal die iedereen bezigt.'

Dat effect bereik je alleen als een dichter van binnenuit werkt?
'Het maakt het minder vrijblijvend. Ik heb zo de mogelijkheid een band op te bouwen met de mensen van de bank. En ik wórd nu ook gezien als iemand die gevoel heeft voor wat er op de bank gebeurt. Ik zou het jammer vinden als ik alleen maar, na afloop van een personeelsbijeenkomst, één keer mijn gedichten voordraag. Dan is het voor het publiek te makkelijk om het naast zich neer te leggen.'

 

Wat voor reacties krijg je op je gedichten?

'Ik heb geen toegang tot de online kanalen van de bank. Ik ben niet in dienst, dus ik zie geen likes of reacties. Ik krijg alleen van de redacteuren van de bank soms een terugkoppeling. "Dat is goed gelezen." "Daar werd positief op gereageerd." Soms reageren de mensen die ik spreek op mijn werk. Daarom heb ik minder interactie dan ik zou willen. Voor mij is een gedicht geen op zichzelf staande vorm, maar het begin van een gesprek. Een uitnodiging daartoe. Ik zou van medewerkers willen weten: hoe sprak dit gedicht tot jou? Wat bleef je bij? Maar dat komt er door al het thuiswerken nauwelijks van.'

 

Maar je loopt toch iedere week rond bij de bank?

'Jawel. Maar niet iedereen heeft iets met taal of poëzie. Dan antwoorden ze op mijn vragen algemene dingen als: "Wat mooi dat je dit doet." Ik denk dat iedere dichter ertegenaan loopt dat op veel plekken poëzie hooguit "iets voor erbij" is. Men scant het snel of heeft niet echt de wil of de innerlijke ruimte om een gedicht echt te laten resoneren. We leven in een tijd van onverschilligheid en ontlezing, dat is bij de bank niet anders. De intensiteit en hartstocht waar ik naar verlang, tref je op deze plek niet direct aan. Dat is jammer. Taal kan je karakter vormen en veranderen, juist ook als je niet meteen snapt wat er staat, maar alleen als je je daar open voor stelt.'

 

Kan het ook zijn dat je taal toch niet helder genoeg is voor bankpersoneel?
'Mogelijk. Humor en luchtigheid doet het tegenwoordig goed. Ik heb de verleiding zeker gevoeld om plezierrijmpjes te maken om de massa te bereiken. Maar dat voelt als zwichten. Als: niet goed. Het is niet wie ik ben. Ik wil mijn ernstige, bedachtzame kant evengoed een plek geven, hoe graag ik die ernst ook vermeng met subtiele humor. Oók voor de medewerkers van de Rabobank.'

(Eerder gepubliceerd in Poëziekrant)

donderdag 30 januari 2020

Interview Dean Bowen: 'In taal vangen wat niet in taal te vangen is' (Bibliotheekblad)

Een van de opvallendste dichters uit het Poëziegeschenk 2020 is Dean Bowen. Een grote eer? De stadsdichter van Rotterdam is daar nuchter over. Een geslaagde 'heksenspreuk' maken is belangrijker. 'En toch wil ik met taal iets vangen wat zich nooit in taal laat vangen.'

Dean Bowen is niet in dienst van de Bibliotheek Rotterdam. De dichter voelt zichzelf ook geen werknemer van deze instelling, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar als je hem hoort praten, zou je bijna denken dat hij wel degelijk op de loonlijst staat. Als marketeer bijvoorbeeld, zo warm praat hij over de bibliotheek. Of als naaste collega van medewerker programmering Renee van Randwijk, die het stadsdichterschap coördineert. Bowen – die deze functie in 2019 en 2020 vervult – werkt zeer nauw met haar samen.
'De bibliotheek is ongelooflijk belangrijk', zegt hij zonder enig voorbehoud. 'Vooral in een stad als Rotterdam, waar het meer dan in een kleine gemeenschap een heel specifieke functie heeft. Het is als huis van boeken, ideeën en verhalen een gemeenschappelijke plek waar heel veel mensen samen komen en waar ze van alles kunnen doen. De bibliotheek neemt volledig de verantwoordelijkheid voor de gemeenschap waarin ze zich bevindt. Ze geven ruimte aan andere instellingen, ze zoeken samenwerkingen met sociale en maatschappelijke partners en slagen er zo keer op keer in heel verschillende doelgroepen aan te spreken.'

Zelf komt Bowen al van jongs af aan in de bibliotheek. In die van Zoetermeer, waar hij opgroeide. 'Mijn moeder vond dat superbelangrijk. Als mijn zusje of ik vijf leuke boeken zagen, zei ze: "Neem je ze toch alle vijf mee"? Mijn ouders probeerden ook op alle vragen zo eerlijk mogelijk antwoord te geven. Maar als ze het niet wisten, wezen ze naar de bibliotheek. Dáár kun je de kennis en ervaringen van 10.000 verschillende mensen tot je nemen. Wees daarom bekend met de bibliotheek, voel je daar comfortabel.'
Dus toen hij in 2015 naar Rotterdam verhuisde, werd hij ook hier vanzelfsprekend lid. Niet meer om boeken te lenen. Die koopt hij wel. Bovendien: de nieuwste poëzie die hij leest, is niet altijd opgenomen in de collectie. 'Maar ik kom hier wel eens werken. Ik vind dat ook een bepaalde schoonheid hebben: al die scholieren en studenten die hier rust vinden voor hun huiswerk. Dat communale aspect daarvan. En ik drink hier soms een bakje koffie of kijk naar het schaken. Het is prettig om hier de doorsnee Rotterdammer te zien.'
En nu werkt hij zelfs samen met de bibliotheek. 'Ik ben als stadsdichter benoemd door het college van B&W, op voordracht van een externe commissie. Maar ik heb feitelijk alleen te maken met de bibliotheek. Ik heb continu gesprekken met Renee over mijn ideeën en de uitvoering ervan. Zo wilde ik een jeugdstadsdichter. Zonder haar was die er nooit gekomen. Ik vind dat heel logisch. Als stadsdichter wil ik verhalen over de stad aan de stad geven. Dat is precies wat de bibliotheek ook doet.'

Dankzij zijn stadsdichterschap is Bowen (1984) in de korte tijd dat hij in de stad woont een bekende Rotterdammer geworden. Tijdens de Poëzieweek 2020 zal zijn bekendheid in de rest van Nederland groeien. Zijn gedicht 'Apathy, de dagen' is een van de tien gedichten die de CPNB heeft opgenomen in de bloemlezing Nu, dat tijdens de actieperiode cadeau wordt gedaan aan iedereen die voor 12,50 euro aan poëzie koopt (zie kader). De oplage van de geschenkbundel is 10.000 exemplaren.
Een eer noemt Bowen het dat hij is geselecteerd bij de tien talentvolste dichters van een nieuwe generatie. Natuurlijk, 'het is altijd mooi als je werk wordt gezien en gewaardeerd'. Maar hij relativeert het ook. De bloemlezing bevat niet per se dé tien beste dichters. Het is een strategische keuze van de CPNB om een heel divers beeld van de poëzie te geven. De CPNB heeft niet voor niets het woord "propaganda" in de naam. Ik kan zo een paar jonge dichters noemen waar ik waanzinnig enthousiast over ben die er niet in staan.'
Bowen mocht zelf werk voor de bloemlezing aandragen. Dat was moeilijker dan het lijkt. 'Ik mocht er twee of drie opsturen en mijn voorkeur uitspreken. Maar het gedicht moest al zijn gepubliceerd, zodat iedereen die het mooi vindt makkelijk meer werk van dezelfde dichter kan vinden, en het mocht niet langer zijn dan een bladzijde. En dat ik maar een bundel heb gepubliceerd: Bokman, en ik de neiging heb om uitgebreider werk te maken. Dat maakte de keuze beperkt. Van mijn korte gedichten werkt deze het beste.'

'Apathy, de dagen' komt uit de derde en laatste afdeling van Bokman: Chansons van de diaspora. Het is na de ontroerende, pijnlijke, zoekende en boze gedichten uit de eerste twee afdelingen, waarin hij zijn eigen positie in de samenleving en geschiedenis probeert vast te leggen, het meest hoopvolle deel van de bundel – zoals Bowen ook zelf zegt. Het lijkt te laten zien hoe we, met vallen en opstaan, samen kunnen leven. Maar de reeks is ook moeilijk toegankelijk omdat hij zo veel andere talen door zijn Nederlands mengt. Oók in 'Apathy, de dagen', dat flarden Engels, Arabisch en Sranan bevat.
'Het Nederlands is ongelooflijk mooi,' zegt hij daarover, 'maar de taal is altijd in flux. Ik wilde daarom rommelen aan de puurheid van de taal. En de invloeden zijn nu eenmaal anderstalig, zeker in mijn stad. Rotterdam is een majority-minority stad, waar meer dan 50% van de inwoners een migratie-achtergrond heeft. Ik heb er ook bewust geen verklarende voetnoten bij gezet, omdat ik wil dat iedereen moeite doet om de gedichten te begrijpen – zoals iedereen moeite moet doen om elkaar te begrijpen, zelfs als we dezelfde taal spreken.'

Schrijven doet Bowen al sinds hij een jaar of negen was. Preciezer: sinds een dichter enkele weken in zijn klas van het Montessorischool met de kinderen kwam schrijven. 'Zo ontdekte ik hoe leuk schrijven is. Het is nog altijd het enige wat ik ooit heb gedaan zonder dat iemand zei dat ik het móést doen.' Maar dat betekende niet dat hij als vanzelf uitgroeide tot de dichter met een nominatie voor de C. Buddingh'-prijs voor beste debuutbundel op zak. Hij had geen idee hoe de literaire wereld in elkaar stak.
Zijn carrière kreeg vaart op het podium. Als rapper bij een hiphop-formatie was hij daar begin jaren 2000 mee vertrouwd geraakt. Maar belangrijker: hij voelde zich daar welkom. 'Als je kijkt naar wie wordt uitgegeven of publiceert in tijdschriften zie je daar ander soort demografie dan op het podium. Op het podium kan iedereen terecht die anders is. Het zou goed zijn als de letterensector daar het gesprek over voert, zodat ook de jongen van 15 die nu bezig is en ook de weg niet weet, op weg kan worden geholpen.'
Hijzelf is er ook alleen maar gekomen omdat, zoals hij zegt, hij geluk heeft gehad. 'Als je wil publiceren, helpt het om zichtbaar te zijn in Amsterdam. Het is een netwerk-ding. Maar dat wist ik ook niet. Ik ging daar optreden en programma's maken bij Perdu – niet als bewuste keuze, maar omdat het me interesseert wat er in de literatuur gebeurt. Ik had daarna ook steeds geluk: dat ik in gesprek raakte met een redacteur van uitgeverij Maas. Dat Bokmangoede recensies kreeg en werd de bundel genomineerd. Dat ik werd gevraagd voor de bloemlezing van de CPNB.'

Dat neemt niet weg dat het daar niet om gaat. 'Al die stappen in mijn ontwikkeling waren stippen aan de horizon', zegt Bowen. 'Het werkte als richtingaanwijzer. Maar het belangrijkst is de route die je aflegt: het werk dat je maakt.' Het ultieme doel is dan ook een gedicht te maken dat hij zelf herkent als 'heksenspreuk'. 'Een goed gedicht verandert fundamenteel iets aan de lezer of aan hoe hij de wereld waarneemt. Maar als schrijver zal ik er vrede mee moeten hebben dat ik zelf nooit weet of mijn werk dat bereikt.'
Kan 'Apathy, de dagen' dat effect hebben? Het gedicht geeft in ieder geval een indicatie van wat hem beweegt als dichter voor wie de poëzie het neefje van de filosofie is. 'Ik zoek naar de ruimte die de taal kan in nemen. Taal is een van de lastigste materialen voor een kunstenaar, omdat taal al iets betekent. Om ieder woord hangt een wolk van betekenis. En toch wil ik met taal iets vangen wat zich nooit in taal laat vangen. Daarom grijp ik op verschillende manieren in de taal in – bijvoorbeeld door woorden soms van het verkeerde lidwoord te voorzien. Ik probeer zo nieuwe betekenissen aan te boren.'
Het spijt hem dat dat aspect van zijn werk niet altijd wordt herkend. In recensies gaat het vaak over zijn achtergrond als zwarte dichter. Zeker: zijn eigen biografie resoneert in Bowens werk. En kunst van niet-blanke Nederlanders is momenteel salonfähig. 'Maar het feit dat de gedichten zijn gemaakt door iemand met een zwarte huid is niet het summum van wat je over mijn werk kan zeggen. Het gaat boven alles over taal, en de vragen die daarmee zijn verbonden: wie mag de taal claimen? Welke taal mag worden gehoord?'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

dinsdag 29 oktober 2019

BBNC start imprint voor Instagrampoëzie: Muse Poetry (Boekblad)

BBNC is een imprint gestart voor Instagrampoëzie. De Nederlandse vertalingen van Noor Unnahar (Gisteren was ik de maan) en Ruby Dhal (Herinneringen ontward) zijn begin november de eerste titels die onder het label Muse Poetry verschijnen.

Aanleiding voor de imprint, vertelt uitgever Nicole Neven van BBNC, was het succes van de twee bundels van de Canadese Rupi Kaur: Melk en honing en De zon en haar bloemen, die beide in 2018 door Orlando in het Nederlands op de markt werden gebracht. In het Engels haalden de bundels met oorspronkelijk op Instagram gepubliceerde gedichten een miljoenenoplage. Ook in ons land liepen de originele uitgaven goed: beide titels stonden tijdens de Poëzieweek 2018 in de top 10 bestverkochte bundels.
‘Op Instagram is een hele poetry movement op gang gekomen. Mensen lezen ontzettend veel gedichten op dit medium,’ zegt Neven. ‘Wij houden zulke trends altijd goed in de gaten – zo vielen Noor Unnahar en Ruby Dhal mij op Instagram ook op. En mij niet alleen: ook buitenlandse uitgeverijen beginnen deze dichters op te pikken. Unnahar zit bij Clarkson Potter [de lifestyle groep van Penguin Random House], die ik kocht via Sebes & Bisseling, Dhal geeft in eigen beheer uit. Als wij inhaken op een trend gaan we er ook 100% voor, met een aparte imprint waar we meerdere titels onderbrengen. Alleen zo kunnen we de trend optimaal onder de aandacht brengen.’
Dat uitgerekend BBNC poëzie publiceert, ligt niet meteen voor de hand, erkent de uitgever. BBNC is bekend van kleurboeken voor volwassenen en andere creatieve titels, van de Voor Dummies-reeks en kinderboekenfonds Flamingo. De uitgeverij ziet de start van de poëzie-imprint dan ook niet als de start van een literaire poot, maar eerder als een nieuw type cadeauboek.
Dat blijkt uit verschillende elementen. Zo verwijst de naam van de imprint direct naar Mus, het creatieve fonds. Ook publiceert BBNC twee bijpassende doe-het-zelftitels: het poëziewerkboek Vind je stem van Noor Unnahar (tegelijk met de twee dichtbundels) en Vers gedicht (maart 2020). De bundels hebben NUR-code 370 meegekregen: cadeauboeken algemeen. ‘Zo hopen we dat de boekhandel de boeken niet alleen bij de poëzie, maar ook bij de cadeauboeken neerlegt. We hebben de bundels zo vormgegeven dat vrouwen, op wie wij ons hiermee richten, ze graag aan hun vriendin, moeder of zus cadeau willen geven.’
Neven heeft al een andere Instapoets aangekocht: de eveneens zeer populaire Lang Leav, en de bundel Swimming lessons van de actrice Lili Reinhardt, die inmiddels aan twaalf landen is verkocht. Ze staat ook open voor Nederlandse dichters die publiceren op dit sociale medium. Behalve Tim Hofman en Lars van de Werf (beide Meulenhoff) en Martin Gijzemijter (Luitingh-Sijthoff) hebben nog weinigen van hen een uitgeverij gevonden. ‘We willen eerst voet aan de grond krijgen met de titels van deze in het buitenland al zeer populaire dichters. Daarna hopen we het verder uit te bouwen.’
Dat de boekhandel de trend wil ondersteunen blijkt uit de oplage van de eerste druk: 2.000 exemplaren per bundel. Erg hoog, voor poëzie. ‘We hopen er ook een jonge doelgroep mee te bereiken: meiden en vrouwen vanaf, zeg, 16 jaar. We hebben er ook een originele promotieactie voor bedacht, die aansluit bij Vers gedicht: een kettinggedicht. We plaatsen half november zelf een eerste regel op Instagram, waar iedereen een volgende regel op kan bedenken, zodat er – verbonden door de juiste hashtag – een groot gedicht ontstaat: #versgedicht.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 25 okt)

dinsdag 26 februari 2019

Hoe poëzieboekhandels het hoofd boven water houden (Poëziekrant)

Het Poëziecentrum en Perdu waren lange tijd de enige poëzieboekhandels in het Nederlandse taalgebied. Sinds kort is er een derde bijgekomen: Index Poetry Books in Leiden. Door de kosten laag te houden en creatief alle mogelijkheden te benutten proberen ze alle drie te overleven van uitsluitend gedichtenbundels.

Niets zo onwaarschijnlijk als een poëzieboekhandel. De markt voor poëziebundels is zo bescheiden dat de kosten voor de inkoop van de voorraad, huur van winkelruimte en inzet van personeel niet zijn terug te verdienen. Op sommige rustige dagen worden zelfs de alledaagse kosten als energie en koffie niet goedgemaakt door het handvol klanten dat een debuut aanschaft of zijn collectie Koplands completeert. Als er eens een bestsellende bloemlezing is, kopen mensen die zelden in de speciaalzaak.
Toch hebben Christiaan van Minnen en Anne ter Beek in het voorjaar van 2018 Index Poetry Books geopend. In een doorgaande straat net buiten het centrum van Leiden, waar onder andere een stomerij, een paar kappers, een pizzeria en een kleine supermarkt de buurt bedienen, huisvest hun bescheiden winkel van enkele tientallen vierkante meters groot een enorme schat aan poëzie. Duizenden bundels Nederlandstalige poëzie, zeer rijkelijk aangevuld met bij voorkeur tweetalige exemplaren van poëzie uit alle windstreken.
'Vooral onze buitenlandse collectie maakt de winkel uniek', vertelt Van Minnen. 'Alle Nederlandse poëzie heb je zo in huis: alles wat bij [distributeur] CB op voorraad ligt, bundels van kleinere uitgeverijen. En wat niet meer wordt uitgegeven – Vestdijk, Leopold – zoek je antiquarisch. Maar dankzij onze bestaande contacten in het boekenvak hebben we steeds meer buitenlandse bundels die je in de hele Benelux nergens vindt. Zuid-Afrikaanse experimentele dichters. Bloemlezingen Servische poëzie. Noem maar op.'
De inrichting, gebaseerd op Engelse plattelandsboekhandels, appelleert met zijn donkerrode kasten aan ouderwets leesgenot – zonder dat de winkel zelf ouderwets overkomt. Je ziet jezelf onmiddellijk met je nieuwe aanschaf wegzakken in een oude leunstoel. 'We hebben de kasten allemaal zelf getimmerd', zegt Ter Beek. 'Daarom hebben we deze grote kasten in het midden, die we kunnen verplaatsen als er evenementen zijn, ook pas later neergezet. Zo konden we nog meer met name Amerikaanse en Engelse poëzie kwijt.'

Een businessplan hebben de twee eigenaren nooit gemaakt voor Index Poetry Books. 'Is er markt voor? Soms moet je iets gewoon doen', zegt Van Minnen. 'Steve Jobs, Elon Musk en Richard Branson hebben ook nooit een businessplan gemaakt. De grote dingen in de wereld worden niet gedaan door mensen die een starterscursus volgen bij de Kamer van Koophandel en allerlei visieteksten over hun markt naar de bank meenemen. De grote dingen worden gedaan door mensen die iets durven.'
Van Minnen en ter Beek zijn nu eenmaal hun hele leven al verslingerd aan poëzie. Beide afgestudeerde classici lezen van jongs af aan gedichten. Ter Beek noemt Neruda en Marsman als eerste liefdes. Van Minnen beschouwt John Donne als persoonlijke favoriet. Net als zijn vader, die iedere nacht in zijn studeerkamer met poëzie zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog van zich af schreef, dicht hij ook zelf. In de jaren tachtig stond zeer regelmatig werk van hem in De Revisor. En dan is het gewoon leuk om een gespecialiseerde poëzieboekwinkel te hebben.
Maar beide geven toe dat je 'veilig moet zijn', zoals Van Minnen het noemt. Dat zijn ze dankzij hun andere bedrijf, dat enkele deuren verder is gevestigd in een soortgelijk half winkel-, half woonpand: Index Books – dat vakliteratuur levert aan universiteitsbibliotheken, overheden en dergelijke. Sinds de oprichting in 1991 maakt de library supplier een gestage groei door, die de laatste jaren alleen maar is versneld getuige de twee FD Gazelle Awards in 2016 en 2017 voor snelst groeiende bedrijven.
'We hebben uitgerekend dat we deze winkel, zelfs als er nooit iemand komt, voor jaren in de lucht kunnen houden – zolang we ons andere bedrijf maar strak en gezond weten te houden', vertelt Van Minnen. 'En als het niets wordt, hebben we in ieder geval een mooie walk-in closet voor onszelf vol poëzie', vult Ter Beek aan. 'Want dit is me toch een schatkamer', reageert Van Minnen. 'Zo vaak als ik een rondje door de winkel kan doen en wéér iets moois ontdek wat Anne heeft ingekocht.'

Dat neemt niet weg dat Index Poetry Books de kosten zo laag mogelijk houdt. De inkoop van zeker de startvoorraad is een investering. Gelukkig kreeg de winkel daar hulp bij. 'Leo Peeraer van uitgeverij P reed, zijn auto volgeladen met zijn volledige fonds, hierheen om alles ter consignatie neer te leggen. Dat hebben meer uitgeverijen gedaan. En dan ben je geneigd om voor die fondsen wat harder te lopen. Als iemand Spaanse poëzie zoekt, raad ik zijn prachtige tweetalige bloemlezingen aan', zegt Van Minnen.
Daarnaast zijn de voornaamste kosten de huur en het personeel. De eerste is relatief laag omdat ze niet op een A1-locatie zitten. 'Wat ook niet nodig is, omdat we het niet van toevallig langslopend publiek moeten hebben.' En de personeelskosten zijn beperkt: Index Poetry Books heeft een betaalde kracht die twee dagen per week in de winkel is om, naast het gebruikelijke werk in de winkel als het uitpakken van nieuwe voorraad, de volledige collectie ten behoeve van de eigen webwinkel te voorzien van metadata.
'De rest van de tijd staat ons eigen personeel er', zegt Van Minnen. 'Iedereen een dagdeel, wijzelf ook. Het is heel makkelijk om bijvoorbeeld een stapel reclameringen van bestellingen hier achter de computer te doen. Zo rustig is het wel. En als het te druk wordt, kan dat alleen maar omdat de omzet van de winkel zo aantrekt. De laatste periode hebben we dus uitsluitend mensen aangenomen die affiniteit met poëzie hebben. Voor hen is het werk in de winkel –tussen de boeken, met echt klantcontact – een soort arbeidsvitaminen.'

Ondanks het missionaire karakter van de winkel proberen Van Minnen en Ter Beek met deze lage aanloopverliezen wel degelijk in gestaag tempo een rendabele winkel neer te zetten. Om de daarvoor benodigde minimale maandelijkse omzet van vijftien- tot twintigduizend euro te halen kunnen ze niet afhankelijk zijn van het 'verrassend jonge' en, in deze stad vol expats, internationale publiek dat met een steeds grotere frequentie aanloopt en dan stuit op de vele onvermoede pareltjes op de planken.
Ook online moet de verkoop aantrekken. Internet is juist voor een speciaalzaak een vitaal kanaal, waarmee je tot ver buiten je regio liefhebbers kunt binden. 'En zelfs in het buitenland', reageert Van Minnen. 'Want hier staat meer Engelstalige poëzie dan in een goed gesorteerde boekhandel in Oxford.' De metadata moet de site daar aantrekkelijk genoeg voor maken. 'Als het klaar is, kun je de leukste dingen bij elkaar vinden. Wie in de jaren 1910 debuteerde. Wie aan absint verslaafd was. Wie feministische poëzie schreef. Enzovoorts.'
Daarnaast hebben de eigenaren tal van plannen. Van lespakketten voor het onderwijs tot stands bemensen op het groeiend aantal poëziefestivals. Van uitbouwen van de naamsbekendheid via het actief beheren van sociale media tot het trekken van publiek met evenementen in de winkel. Zo vond de presentatie van een Awater-nummer in de winkel plaats en traden er dichters op als Ingmar Heytze, Thomas Möhlmann, de Zuid-Afrikaanse Koleka Putuma en de Amerikaanse Shonda Buchanan.

En anders kan Index Poetry Books altijd inspiratie opdoen bij de twee concurrenten die het al decennia volhouden. Poëziecentrum heeft een vaste plek in het fraaie vijftiende eeuwse Toreken aan de Vrijdagmarkt van Gent, waar de liefhebbers uit het hele taalgebied naartoe trekken voor de zo compleet mogelijke collecties poëziebundels in de Lage Landen. Dat alles er ligt, zal shopmanager Lot De Smet niet beweren, maar 'gigantisch' is het wel, 'zeker voor zo'n klein oppervlak'.
Waar de Leidse winkel het regulier verkrijgbare Nederlandstalige aanbod aanvult met een breed buitenlands aanbod, doet Poëziecentrum dat met nóg meer Nederlandstalige poëzie. Dat houdt in: een kelder vol met antiquarische boeken, die mede dankzij het feit dat het centrum veel schenkingen krijgt, tegen spotprijzen te koop zijn. 'En als we oudere bundels dan nog niet hebben, zullen we altijd voor de klant op zoek gaan. Desnoods bellen we de dichter zelf op om te vragen of hij nog een exemplaar heeft.'
Ook maakt het Poëziecentrum ruim baan voor uitgaven in eigen beheer, die het in consignatie neerlegt. 'Bij elkaar kom je gemakkelijk aan zo'n honderd titels, dat tussen de rest van het aanbod staat', zegt De Smet. 'Ook al zit er weinig kwaliteitscontrole op die uitgaven, wij selecteren daar niet op. Het is niet aan ons om daarover te oordelen. Het is nu eenmaal moeilijk om poëzie uitgegeven te krijgen. Ik begrijp dat mensen er daarom voor kiezen. Door het vele administratieve werk is het van ons echt een inspanning.'
Daarbij kiest de winkel voor een zo breed mogelijk aanbod. De kinderpoëzie wordt aangevuld met bijvoorbeeld uitgaven van sprookjes op rijm. Er liggen relevante gadgets van Plint en Cossee. Alles om ook klanten die misschien zijn geïntimideerd door al die kasten vol met wat velen toch een moeilijk genre vinden, te kunnen verleiden ook eens binnen te stappen. 'Het is belangrijk dat niemand hier meteen terugschrikt, zodat we iedereen kunnen toeleiden naar poëzie. Dat is immers de hoofdtaak van het Poëziecentrum.'

Toch kan de shop van het Poëziecentrum nooit zo'n breed assortiment neerleggen dat het een doelgroep aanspreekt die groot genoeg is om zelfstandig te overleven. Als het geen onderdeel was van het Poëziecentrum, die met subsidie van onder meer het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Stad Gent de Poëziekrant en eigen bundels uitgeeft en tal van poëzieactiviteiten ontplooit, zou de winkel niet rendabel zijn, geeft De Smet toe. De omzet dekt simpelweg niet alle kosten.
Die relatie is niet alleen belangrijk om operationele verliezen te dekken. Het biedt kansen: op bijvoorbeeld boekpresentaties doet de winkel de boekverkoop. Dan kunnen er wél in een keer tot tachtig exemplaren van een titel worden verkocht. 'Anders kopen we van populaire titels hooguit drie tot vijf exemplaren in. Van de rest hebben we meestal eentjes, en dan moeten we bij iedere verkoop opnieuw afwegen: heeft het zin die titel nog een keer bij te bestellen. Twee jaar na verschijnen is het antwoord vaak nee.'
En het helpt om de kosten te dekken. Zo staan de medewerkers ook in de shop, die tegelijk een baliefunctie heeft. Zo zijn de personeelslasten beperkt: De Smet, in dienst bij het centrum, is voor 40% shopmanager – tijd die ze vooral gebruikt om de inkoop te doen of een stand te bemannen op beurzen (zoals de Boekenbeurs, waar een hoge omzet wordt gedraaid, maar de kosten navenant zijn). Daarnaast is er een door de gemeente gesubsidieerde jongere in dienst om ervaring op te doen als verkoopmedewerker.

Voor Perdu geldt een soortgelijk verhaal. Het assortiment van de poëzieboekhandel in het steeds meer door toeristen overspoelde centrum van Amsterdam beweegt zich van het model-Poëziecentrum naar het model-Index. Ofwel: de nadruk verschuift van een zo compleet mogelijk Nederlandstalig aanbod, dat net als in Gent dankzij schenkingen wordt aangevuld met een ruim antiquarisch aanbod, naar een assortiment met steeds meer Engelstalige poëzie, vertelt bureaumanager Ruben Ing.
Dat komt niet door de toeristen, maar door praktische en inhoudelijk gedreven keuzes. De winkel verkoopt geen eigen beheer-uitgaven meer omdat de administratieve last te groot werd. 'En Engelstalig doen we steeds meer omdat de nieuwe generatie die poëzie nauwer volgt,' zegt Ing. 'De inkoopprijs van Engelse titels is gunstiger, omdat de oplagen hoger zijn en de productiekosten dus lager. Via onze distributeur Ingram kunnen we, ondanks verzendkosten, Amerikaanse poëzie goedkoper aanbieden dan Nederlandse.'
Die verandering, die de laatste anderhalf jaar versneld is waar te nemen, houdt de omzet stabiel. Toch is de winkel alleen 'niet levensvatbaar', erkent Ing De boekhandel is dan ook onderdeel van een groter geheel: Stichting Perdu. Deze geeft ook twee bundels per jaar uit en exploiteert een theater, achter de winkelruimte, waar plek is voor maximaal honderd toeschouwers. Iedere vrijdagavond verzorgt Perdu zelf een programma, de rest van de week is de zaal beschikbaar voor de verhuur – zoals voor boekpresentaties.
Via de Stichting, die wordt gesubsidieerd door onder andere de Amsterdams Fonds voor de Kunst, worden de kosten laag gehouden. Zo drijft de stichting en zeker de boekhandel op de kracht van vrijwilligers, maar kunnen zij worden aangestuurd door vier betaalde medewerkers. Tegelijk zijn er voordelen van kruisbestuiving, doordat Perdu bijvoorbeeld de boekverkoop verzorgt bij boekpresentaties, waarvan er in het hoogseizoen wel zes in een maand kunnen zijn. Op de beste avonden worden er tot zestig exemplaren verkocht.

Opmerkelijk is dat zowel Poëziecentrum als Perdu weinig aan online verkoop doet. Ze hebben als schaarse speciaalzaak in principe iedere poëzieliefhebber in het taalgebied als klant, zeker nu de plek voor poëzie in algemene winkels sinds de economische crisis nog kleiner is geworden en een bedrijf als De Slegte, met zijn groot tweedehands aanbod, in veel steden (zeker in Nederland) is verdwenen. Toch richten beide winkels zich in eerste instanties op klanten die afreizen naar Gent respectievelijk Amsterdam.
Het Poëziecentrum heeft alleen een online formulier waarmee klanten een bestelling kunnen plaatsen, vertelt De Smet. 'Maar een volwaardige webshop? We hebben dat ooit onderzocht, maar we kunnen niet op tegen partijen als Bol.com en Amazon. Zij kunnen bundels goedkoper aanbieden omdat ze betere deals met uitgevers hebben. Daarboven bieden zij gratis verzending. Daarnaast heb je alle data nodig: covers, titelbeschrijvingen. Voor bijzondere dingen is er niet eens data. Dat is voor ons onmogelijk om te dragen.'
Perdu heeft wel sinds een jaar of zeven een webshop waarop alle titels verkrijgbaar zijn, vertelt Ing. Hij oogt verzorgd en Ing klaagt niet over de extra kosten. Maar in verhouding levert het maar weinig op. 'Veel webbestellingen krijgen we niet: twee à drie per week'. Vandaar dat ook Perdu zich liever concentreert op klanten in de winkel. 'Dat hebben we ook veel liever, omdat we dan persoonlijk contact hebt. Dat is toch de leukste manier om poëzie te verkopen.'
(Eerder gepubliceerd in Poëziekrant, jan-feb 2019)

Zie ook dit recente interview met Van Minnen voor Boekblad.

zondag 10 februari 2019

Interview: Christiaan van Minnen van Index Poetry Books over de poëzieboekhandel in de Poëzieweek (Boekblad)

Christiaan van Minnen en Anne ter Beek openden afgelopen voorjaar in Leiden een poëzieboekhandel. De poëzieweek 2019 is de eerste voor Index Poetry Books, die inmiddels levensvatbaar is gebleken – toch geen evidentie voor een speciaalzaak in wat iedereen een moeilijk verkoopbaar genre noemt. 'Er zijn dagen waarop we voor meer dan 1000 euro poëzie verkopen.'

Hoe was je week?
'Hard werken. Vorige week schreven we ons namens [library supplier] Index Books, ons andere bedrijf, in op twee grote aanbestedingen. Dat zijn enorme exercities. Voor een grote Hogeschool die wij beleveren, hebben we een nieuw online bestelsysteem gemaakt. Die heb ik op Gedichtendag om vijf uur 's ochtends live gezet. Erg stressvol allemaal, maar gelukkig ging er niets mis. Dan is het heerlijk om daarna tijdens een poëzielunch heerlijk aan een lange tafel, met een broodje en een drankje, te kunnen luisteren naar poëzie. Zeker als er zo veel meer ontzettend geïnteresseerde mensen op af komen als we hadden verwacht.'

Wat hadden jullie georganiseerd op Gedichtendag?
'Wij hadden Vicky Francken te gast, de dichter van het poëziegeschenk van uitgeverij crU. Zij was hier samen met debutant Peter Prins en hun uitgever Nanne Nauta. Een mooie combinatie van een jonge gearriveerde dichteres en oudere mannelijke debutant – die bovendien werkt bij onze collega-poëzieboekhandel Perdu in Amsterdam, met wie wij hopelijk gaan samenwerken. Wij willen voor hun buitenlandse bundels inkopen. Wij kunnen die bundels mee laten sturen door de importeurs waar ons andere bedrijf toch al veel boeken besteld. Het hebben er bijna geen extra kosten aan, terwijl zij dan mooiere condities kunnen krijgen. En je moet het in de poëzie toch een beetje samen doen.'

Is de Poëzieweek voor Index Poetry Books hét hoogtepunt van het jaar?
'Een van de hoogtepunten, zou ik zeggen. We gaan in Leiden ook een festival opzetten met [het artistieke collectief] Fields of Wonder rond Midzomernacht. En de Poëzieweek van volgend jaar moet nog mooier worden. We willen dan een stadsbreed poëziefestival organiseren. Dat zit nog in de verkennende fase, maar veel neuzen zijn al de goede kant op gedraaid. Mijn droom is om ooit de grote openingsavond van de Poëzieweek, die steeds in Antwerpen plaatsvindt, naar Leiden te halen.'

Is het commercieel de belangrijkste week van het jaar?
'We hadden een evenement. Dat betekent altijd: veel mensen over de vloer. En veel mensen over de vloer betekent: veel verkoop. Ook de twee geschenken – van de CPNB en van uitgeverij crU – trekt mensen. Al kregen we het geschenk van Lanoye pas vrijdag binnen.'

Het officiële poëzieweekgeschenk kwam ná Gedichtendag binnen?
'Ja. Wij raakten verstrikt in het web van formulieren om lid te kunnen worden van de Koninklijke Boekverkopersbond, wat een voorwaarde is om de geschenken van de CPNB in te kopen. We hadden daar eerder aan kunnen beginnen, maar we verkeken ons op de complexiteit van de procedure. Maar goed, die horde is nu genomen – ook belangrijk om de Boekenbon te kunnen verkopen en innemen – en voor iedereen die donderdag poëzie kocht, hebben we het geschenk van Lanoye later apart gelegd.'

Is Index Poetry Books inmiddels levensvatbaar gebleken?
'Dat was het al vanaf het begin. We hebben immers gezegd: ook al komt er vijf jaar lang niemand een bundel kopen, dan blijft de winkel open. We vinden het leuk en belangrijk dat deze poëziewinkel er is en we kunnen hem financieren met de winst uit ons andere bedrijf. Bovendien kunnen we door onderlinge relatie de kosten laag houden.'

Hoe houden jullie de kosten laag?
'Ik had het al over de distributiekosten. De vaak dunne poëziebundels kunnen mee met de leveringen die we toch al krijgen. Maar ook personeelkosten zijn beperkt. We hebben maar twee dagen een betaalde kracht, die tegelijkertijd belangrijk werk verricht om de webwinkel te verrijken en zo steeds aantrekkelijker te maken. De rest van de tijd staat het personeel van ons andere bedrijf hier per toerbeurt.Het is heel makkelijk om bijvoorbeeld een stapel reclameringen van bestellingen hier achter de computer te doen. Zo rustig is het wel. En als het te druk wordt, kan dat alleen maar omdat de omzet van de winkel zo aantrekt. Dus ook dan wordt de inzet van het personeel terugverdiend.'

En de inkomsten zijn groter dan de uitgaven?
'Ja. De cijfers over 2018 zijn echt heel mooi. Er is een duidelijk opgaande lijn. Zeker in december. Poëziebundels zijn geweldige cadeaus. Als je iemand een roman geeft, zadel je hem op met een verplichting. De volgende keer wil je immers weten wat hij of zij van het boek vond. En dan moet die persoon hem helemaal hebben gelezen. Maar een bundel kun je altijd even oppakken, hier en daar wat lezen, kijken of je het mooi vindt. En als je het mooi vindt, kun je er altijd weer naar terugkeren. Terwijl: wie gaat een roman herlezen?'

Welke concrete cijfers horen hierbij?
'Er zijn inmiddels dagen waarop we voor meer dan 1000 euro poëzie verkopen. Dat vind ik heel wat, ook omdat poëzie zelden duur is. Ook buitenlandse poëzie niet. Anders dan reguliere boekhandels reken wij precies de prijs in ponden of dollars om en verhogen die alleen met 9% btw. Andere winkels verhogen de prijs meer, lijkt het. Er is in ieder geval geen transparantie over hun verkoopprijzen. En dan kun je voor 30 euro al met drie bundeltjes naar huis gaan. Ik vind dat heel belangrijk: om poëzie zo aantrekkelijk te maken voor studenten.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 3 feb)

Zie ook:

donderdag 31 januari 2019

Interview Tom Lanoye over het Poëzieweekgeschenk en de openbare bibliotheek (Bibliotheekblad)

foto: Arthur Los
Zonder de bibliotheek was hij niet geworden wie hij was. Tom Lanoye, die dit jaar het geschenk voor de Poëzieweek schreef, is glashelder over het belang van de bibliotheek in zijn leven. Een gesprek over bibliotheken, poëzie en het thema van de Poëzieweek 2019: vrijheid.

Het absurdistische verhaal 'Het boek' uit zijn prozadebuut Een slagerszoon met een brilletje (1985) is autobiografischer dan je zou denken, vertelt Tom Lanoye. Het gaat over Achille van den Branden: de alleslezer die voor zijn vijftigste alle boeken van de wereld heeft kunnen afvinken – behalve het boek over zijn eigen leven. Als hij negen jaar oud is, heeft hij alle boeken op de jeugdafdeling van de bibliotheek gelezen. Hij vraagt dan aan de bibliothecaris of hij boeken voor volwassenen mag lezen.
'Dat vroeg ik op die leeftijd ook. Ik ben de bibliothecaris in Sint-Niklaas – een geweldig sfeervolle bibliotheek, een voormalige gevangenis – eeuwig dankbaar dat hij me toestemming gaf. We hadden thuis weinig boeken. De Feniks-reeks, een soort ECI avant la lettre met Nobelprijswinnaars, dat was het wel. Dus toen ik alle boeken voor mijn leeftijd had gelezen, was ik blij dat ik bij de afdeling voor volwassenen tenminste iets te lezen hád. Ik heb daar enorm veel aan gehad, zoals later als student ook aan de faculteitsbibliotheek van de Universiteit Gent.'

Vanzelfsprekend werd de auteur van Wij – vrij?, het geschenk van de Poëzieweek 2019, ambassadeur van de campagne #bibvooriedereen – de handtekeningenactie waarmee de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief & Documentatie (VVBAD) vorig jaar protesteerde tegen de afschaffing van de gemeentelijke verplichting om een bibliotheek te hebben. 'Mijn hart bloedt, mijn verstand staat stil en mijn lijf klapt uit elkaar van woede als ik eraan denk dat zoiets mogelijk is in Vlaanderen', fulmineert hij ook nu.
Het Vlaams-nationalisme is historisch gegroeid uit de taalstrijd, licht hij toe. Het ging hen, net als de christendemocraten en sociaaldemocraten, op hun manier om de ontvoogding en verheffing van het volk. 'En nu zegt een regering onder leiding een zich cultuurflamingant noemende minister-president: bibliotheken kunnen best verdwijnen. Omdat kunst alleen wordt gezien als entertainment. Omdat ze denken dat alle gezinnen toch voldoende geld hebben om alles te downloaden. Het is een parvenu beslissing, door en door.'
Het idee dat dreiging van sluiting bibliotheken verplicht mee te gaan met hun tijd, wijst Lanoye stellig af. 'Dat kun je toch ook afdwingen door een paar keer per jaar met de bibliothecarissen om tafel te gaan zitten, hen het beleid laten uitleggen en kritisch bevragen? En ook zonder de dreiging hebben bibliotheken meer functies gekregen dan alleen het uitlenen van boeken. Kijk naar De Krook in Gent of, in Nederland, de OBA. Er zijn zaaltjes voor lezingen, er zijn exposities, er is ruimte om te studeren.'
Nu het decreet ondanks handtekeningen van 56.841 burgers en 223 steden en gemeenten nog altijd niet van tafel is, roept Lanoye op tot hardere actie. 'Bibliotheken zijn veel te braaf. Ze zouden, als in de toekomst één bibliotheek wordt gesloten, collectief moeten besluiten dicht te gaan. Het bijltje erbij neer gooien. Misschien zullen politici blij zijn dat bibliotheken zichzelf opdoeken. Waarschijnlijker echter wordt in een keer zichtbaar wat de samenleving mist als bibliotheken niet langer informeren en opvoeden.'

In de tijd dat Een slagerszoon met een brilletje verscheen, stond Lanoye vooral bekend als dichter. Hij toerde met James Bordello door Nederland en Vlaanderen als 'de Twee Laatste Grote Poëtische Beloften Van  Net Voor De Derde Wereldoorlog'. Hij had gedichten als Gent-Wevelgem en Neon – een elegisch rockgedicht in eigen beheer en bundels als In de piste en Bagger bij reguliere uitgevers uitgegeven. Maar na zijn bundel Hanestaart (1990) concentreerde hij zich steeds meer op proza en theater.
Dus waarom deze Vlaamse schrijver vragen voor het geschenk van de Poëzieweek in plaats van een 'fulltime eerstelijnsdichter', zoals Lanoye het noemt? Dat komt door de gedachte achter de Poëzieweek: een evenement om het genre voor het voetlicht te zetten. 'En dát kan ik goed. Ik kan optreden en zo een ijsbreker zijn voor deze dichters en ze bij een groter publiek bekend te maken. Het is net als met de Boekenweek, waarvoor ik in 2012 het geschenk schreef, en dat nu naam begint te krijgen in Vlaanderen. En mijn voorgangers waren ook literaire veelvraten: Anna Enquist, Ilja Leonard Pfeijfer, Stefan Hertmans…'
Daarbij schreef Lanoye wel degelijk poëzie. Maar: 'veel toegepaste poëzie, die daarom een beetje onder de radar is gebleven'. Hij verwijst naar toneelstukken als Atropa en Hamlet versus Hamlet, die zijn geschreven in respectievelijk alexandrijnen en vijfvoetige jamben. Of zijn bewerkingen van gedichten uit de Eerste Wereldoorlog: de bundels Niemands land en Overkant met, in de eerste, klassieke gedichten en, in de tweede, modernistische gedichten. Ook was hij van 2003 tot 2005 de eerste stadsdichter van Antwerpen.
'Ik had nooit echt de lust om een bundel te maken', zegt Lanoye. 'Hanestaart was ook een grote bundel vol liefdesgedichten, geschreven toen ik net mijn man had leren kennen. Misschien ben ik sindsdien niet genoeg verliefd geweest! Maar serieus: poëzie is zo belangrijk dat je er goed voor moet gaan zitten, terwijl de kern van mijn kunst is om ook het podium op te gaan met mijn teksten. Ik ben soms te veel een acteur. Ik heb daarom een project nodig – en een deadline – om echt tot dichten te komen.'

De Poëzieweek vindt Lanoye een zeer waardevolle campagne. Van het geschenk tot alle projecten en evenementen die eind januari plaatsvinden: dat was er niet toen hij zijn entree in de letteren maakte. Grote avonden in Antwerpen, schoolprojecten rond slam poetry, gedichtenwedstrijden voor het grote publiek. Het maakt poëzie zichtbaar. 'Het is ook een mooi fenomeen dat dichters tegenwoordig weer fysiek aanwezig zijn. Juist in de tijd van Youtube en Spotify is de live-ervaring van groter belang geworden.'
Hij ging met alle plezier in op het aanbod van de CPNB om de geschenkbundel te schrijven – nota bene in het jaar waarin Lanoye zijn 60e verjaardag met speciale uitgave en een tournee viert. Ook door het thema van 2019: vrijheid. 'Als projectfucker hou ik van spelregels. Vrijheid is dan heerlijk paradoxaal. Dat begint immers bij de dichterlijke vrijheid om het begrip op alle mogelijke manieren in te vullen, maar ook een breed palet aan technieken en onderwerpen te hanteren.'
Vrij – wij? werd zo een verrassende staalkaart van Lanoye's kunnen als dichter. De bundel van zestien pagina's telt zes gedichten: van het programmatorische 'Zonder handen, zonder tanden', waar de bundel zijn titel aan ontleent, tot het zeer persoonlijke 'L'envoye de Lanoye'. Typerend bevat het ook twee bewerkingen. 'Ongegronde eigendom' is een moderne variant van William Shakespeare's sonnet 134. En 'Tooglied in tijden van #me2' is een hilarische adaptatie van boek 6 en 7 van het Hooglied.
'Ik erken daarmee het bestaan van de traditie', zegt hij, 'maar ook dat ik me de vrijheid veroorloof om daarmee te spelen – ook dat is een invulling van het thema. Ik hoop dat de lezers de moeite nemen om de werken waaraan ik refereer ter hand te nemen. Wie dat doet, zal drie keer genieten: de eerste keer door mijn gedicht te lezen, de tweede keer door de oorspronkelijke werken van Shakespeare en de Bijbel te lezen, en de derde deer door nogmaals mijn gedicht te lezen en te zien wat ik met het origineel heb gedaan.'

Lanoye lijkt kritisch te zijn op het gebruik van het begrip 'vrijheid'. Het woord 'vrij' duidt óók vaak iets aan wat er niet is. Denk aan 'smetvrij' of 'vetvrij'. En zit er ook geen negatieve connotatie aan termen als 'vrije jongen' of 'vrije handel'? 'Zonder handen, zonder tanden' krijgt daarbij ook een politieke lading: wat betekent 'gastvrij' in een tijd waarin de grenzen sluiten? Dat gevoel bekruipt je zeker als je het gedicht leest in combinatie met het volgende, waarin Zuid-Afrikaanse dichters de vrijheid écht met betekenis bezingen.
De dichter laat deze interpretatie aan de lezer. 'Ik ben wel politiek. Maar: in mijn columns en essays. Dit zijn geen teksten voor de krant. Dit zijn gedichten waarin ik, zoals in het eerste, de filosofische onmogelijkheid van vrijheid wil aantonen. En het tweede gedicht, 'Bekentenissen van een knolgewas', is vooral een heel persoonlijk gedicht. Het gaat over waar ik vandaan kom en waar ik van ben gemaakt, en dat ik me in Zuid-Afrika zo misplaatst voel, maar tegelijk ook zó thuis. Ik wilde dat dubbele gevoel oproepen.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

Zie ook: