Posts tonen met het label recensie literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie literatuur. Alle posts tonen

zondag 24 januari 2021

'Tekens van leven' - Frederik Willem Daem (De Lage Landen)

Met zijn debuutroman Tekens van leven bevestigt Frederik Willem Daem het beeld dat ook uit zijn verhalenbundel uit 2015 sprak: hij heeft onmiskenbaar talent, maar wil te veel tegelijk.


“Hoe het te zeggen?” Zo luidt de gewaagde openingszin van Frederik Willem Daems eerste roman Tekens van leven. Ja zeg, ben je geneigd te denken, ik lees dit boek omdat jij wel weet hoe “het’” te zeggen. Het voelt alsof de auteur zijn lezer begroet met een voorzichtige waarschuwing om niet te veel te verwachten. Misschien blijkt het lezen een teleurstellende ervaring. Hij weet het ook allemaal niet. Maar Daem is slimmer dan dat. De openingszin past – uiteraard – wonderwel bij het karakter van zijn hoofdpersoon: Andreas.

In het eerste fragment, dat functioneert als proloog, verwijst de zin naar de teloorgang van Andreas’ relatie. Hij was altijd zo dol op Hertjes sproetjes. “Ronduit schattig” waren ze. Maar: met de loop der jaren is door gewenning de betovering ervan gesleten. Hoe kan hij dat precies uitleggen? Het traditionele tellen van haar sproeten loopt uit in seks, maar met tegenzin. Hertje geeft alleen maar toe omdat dit nu eenmaal hun manier van doen is. De volgende ochtend is ze verdwenen. Hoe kan Andreas precies uitleggen wat er is gebeurd?

En hij weet het niet. Dat is de reden waarom Andreas in café De Kauw belandt. Hij voelt de intense pijn van het liefdesverdriet, maar kan er niet over praten. Niet met Hertje, niet met vrienden, niet met zijn collega’s van het reclamebureau. De enige manier waarop hij toch enige verlossing van zijn sores krijgt, is rondhangen in de kroeg. Beetje ouwehoeren over ongevaarlijke onderwerpen als sport, eten, het weer. Biertje erbij. En zo vooral nergens aan denken, tot sluitingstijd je dwingt de echte wereld onder ogen te komen.

Toch gaat Tekens van leven niet over Andreas. Niet echt. Hij is als personage in de eerste plaats een vehikel waarmee Daem zijn eigenlijke verhaal wil vertellen: de teloorgang van cafés als De Kauw, die geleidelijk aan uit het straatbeeld verdwijnen. Kroegen van om de hoek waar een toevallig mengsel van mensen uit de buurt aanspoelt omdat ze – zoals Andreas – op een of andere manier behoefte hebben aan zo’n plek, waar niemand iets van hen verwacht. Kroegen die worden verdrongen door concept bars, grand cafés en hippe tentjes.

Iedereen kent wel zo’n café. Een wat doorrookt hol waar het interieur bestaat uit aftandse meubels, verouderde posters en reclame voor biermerken aan de muur, en soms een biljart of een dartbord. Een tent ook waar alle stamgasten – de een nog verslaafder aan de drank dan de ander – elkaar van haver tot gort lijken te kennen. Het voortdurend herhalen van dezelfde gesprekken, het spelen van dezelfde spelletjes en het maken van dezelfde grappen, geeft hen de illusie deel uit te maken van een gemeenschap. Met de barvrouw als voorganger.

Daem heeft vaker de lof van zulke plekken bezongen. In zijn debuutbundel Zelfs de vogels vallen (2015) merkt de hoofdpersoon van het titelverhaal zijdelings over de Crown Victoria op: “Sommige mannen houden van [dit] soort kroegen waar lauw bier een garantie is, de aanwezigen nooit verrassen. Vaste klanten van de Vic zien zo wie er ontbreekt en laat de Vic nu enkel vaste klanten hebben. Zo’n keet waar stoelen worden opgeëist en er heringericht lijkt als hun eigenaars ontbreken. In de Vic kon je gemist worden als je nergens anders werd gemist.”

Daem zet dit type kroeg ditmaal centraal door Andreas – als snelle reclamejongen een atypische stamgast – uitgerekend hier een plek te laten veroveren. Stap voor stap wint hij het vertrouwen van de andere stamgasten en barvrouw Patricia. Hij doet fanatiek mee aan de eindeloze poolcompetitie, ook al verliest hij iedere keer. Hij springt een keer bij als Patricia hulp nodig heeft achter de tap. Hij neemt haar in vertrouwen. Tot hij het hoogste verwerft wat een stamgast kan verwerven: een uitnodiging voor het kerstfeest.

De sfeertekening van De Kauw en de mooi klein gehouden plot zijn fraai uitgewerkt. Het probleem met Tekens van leven is alleen dat Deam tegelijkertijd meer wil, zoals de proloog onbedoeld illustreert. Want Andreas is, in de tweede plaats, als personage wel degelijk opgezet als een zo realistisch en rond mogelijk psychologisch karakter, die in het reine probeert te komen met het einde van zijn relatie en de schuld die hij daar ook zelf aan heeft, door een ongelukkig slippertje met een collega van het reclamebureau.

Andreas’ verovering van De Kauw gaat daarom gepaard met uitgebreide flashbacks en zijsprongen. Hoe hij Hertje heeft leren kennen. Over de kat die vanaf het balkon naar beneden is gevallen. De webcamseks waar een collega hem wegwijs in maakt. De uitstap naar het internationale reclamefestival in Cannes. Enzovoorts. Maar het gekke is: beide verhaallijnen mengen niet met elkaar. Hoe meer je van Andreas te weten komt, hoe meer je je afvraagt wat iemand als hij in De Kauw te zoeken heeft. Het is als olie en water.

Misschien is het een gevolg van mijn vooroordelen over zulke kroegtijgers. Daem waakt ervoor om de stamgasten van De Kauw te veel achtergrond te geven. Daar praat niemand over. Het punt van vergetelheid zoeken is immers dat je niet wilt worden herinnerd aan de persoon die je bent. De enige over wie je meer te weten komt, is dan ook die ene stamgast die zijn gezicht al maanden niet meer heeft laten zien. Misschien hebben alle zatlappen daarom een vergelijkbare achtergrond als Andreas. Maar toch. Zou Daem Andreas’ aanwezigheid in de kroeg niet geloofwaardig moeten maken?

De onbalans die dat veroorzaakt, wordt versterkt door enkele korte verhalen die de auteur de afgelopen jaren in verschillende literaire tijdschriften heeft gepubliceerd en nu in zijn roman heeft gemonteerd. Ik herkende een verhaal over een zelfmoordterroriste die in het vliegtuig stapt dat ze zal opblazen. En een verhaal over twee Albanese broers die in Brussel doen alsof ze uit Italië afkomstig zijn, om hun pizzeria geloofwaardiger te maken. Geen slechte verhalen. Maar in deze context zijn het waterhoofden zonder relatie met de plot of de personages.

Tekens van leven bevestigt daarmee de indruk die Daems met de Debuutprijs bekroonde verhalenbundel al gaf: een schrijver die onmiskenbaar kan schrijven, maar zichzelf nog niet helemaal heeft gevonden. Zelfs de vogels vallen bevatte een reeks van tien verhalen – sommige intens en intrigerend (‘Kort bij de zon is het warm’), andere onevenwichtige probeersels (‘As seen on tv’) – die onderling zó anders van toon, idioom, reikwijdte en thematiek waren, dat je je afvroeg of de echte Frederik Willem Daem wilde opstaan.

Iets vergelijkbaars kun je zeggen over zijn eerste roman. Tekens van leven bevat fraaie passages. De seksscène in de proloog bijvoorbeeld, waarin mooi de subtiele aarzeling en lichte tegenzin voelbaar worden gemaakt die je ervan doen doordringen: dit is de laatste keer. Maar als geheel is de roman onevenwichtig, omdat de auteur er te veel in heeft willen stoppen: én een toogverhaal én een teloorgang van een liefde én een reeks kortverhalen Als het niet zo flauw had geklonken, zou ik hebben gezegd dat Daem nog niet weet “hoe het te zeggen”.

maandag 19 oktober 2020

Recensie: 'De nieuwe rivier' van Eva Meijer (De Lage Landen)

De vijfde roman van Eva Meijer is gebouwd op een krachtige metafoor voor onze omgang met de aarde. En haar ambitie om iets even origineels als urgents te brengen, is zonder meer te prijzen, maar Meijers taal en verbeelding zijn niet accuraat genoeg.

EEN PLUS EEN IS GEEN TWEE

De nieuwe rivier uit de titel van Eva Meijers vijfde roman verscheen uit het niets. Een paar jaar geleden was hij er opeens. Geen onaanzienlijke sloot of kalm voortkabbelend beekje. Nee, een echte rivier die de streek in het fictieve Latijns-Amerikaanse land dwars doormidden snijdt en die zo vaak van vorm verandert dat het geen zin heeft om een brug te bouwen. De rivier verwoestte iedere constructie. De sojaboer die stukken grond aan beide kanten van het bruine water bezit, restte niets anders dan omlopen.
Het is een fantastisch gegeven voor een roman. Een rivier die nergens begint en nergens eindigt, maar wel ieders leven dramatisch beïnvloedt, is een even eenvoudige als krachtige metafoor – in dit geval voor onze weinig duurzame omgang met de aarde. Alle verklaringen die Meijers personages voor de rivier geven, wijzen daarop: de wetenschappelijke van de geoloog, die wijst op boskap ten behoeve van intensieve sojateelt; de spirituele van de lokale bevolking, die denkt aan de voorspellingen van de goden; of nog andere.
Meijer heeft een thriller geschreven rond deze metafoor. De nieuwe rivier begint, heel klassiek, met de vondst van een lijk. Janet Stone, een Britse journaliste van The Guardian, ontdekt in het eerste hoofdstuk dat sojaboer Hugo Frys is vermoord. Kort daarvoor had ze hem nog gesproken voor haar reportage over het wonderlijke natuurverschijnsel. Nu hangt hij ondersteboven, met zijn enkels bij elkaar gebonden, aan een ring in het plafond die daar speciaal voor dit doeleinde lijkt te zijn bevestigd. Zijn hoofd reikt net tot de grond.
Die moord brengt alle personages bij elkaar vanuit wier perspectief Meijer alternerend het verhaal beschrijft: de journaliste natuurlijk; Frys’ huishoudster Petronella Crista-Galli; de geoloog Rafel Flores; politieagent Jor en zijn assistent Domino Muñoz; Jors dochter Maia; Beatriz Diaz, burgemeester van het dorp Koraalboom; milieuactivist Wotko, die de actiegroep Onze Aarde aanvoert; en zelfs de vermoorde Frys, via zijn gedichten die tussen zijn papieren opduiken en die meermaals een apart hoofdstuk krijgen toebedeeld.
Allemaal staan ze voor een andere visie op de nieuwe rivier. Janet Stone is bijvoorbeeld de archetypische westerling die de milieuproblematiek wel degelijk serieus neemt, maar voor wie de gevolgen van haar eigen consumentistische levensstijl uiteindelijk te ver van haar bed voelbaar zijn. Ze bekijkt haar werk dan ook in de eerste plaats in termen van wat het kan betekenen voor haar carrière. Typerend is haar reactie als ze de rivier voor het eerst ziet. “Ze verwachtte iets wilds, iets ruigs, maar het was een kalme bruine stroom.”
En zo kun je alle personages één voor één afgaan. Voor Jor is de rivier een gegeven. Als hij daardoor moet omrijden, dan zij het zo. De natuurlijke omstandigheden zijn nu eenmaal de natuurlijke omstandigheden, wat hij daarvan vindt doet er niet toe. Voor de burgemeester is het een bedreiging van haar macht. Aandacht voor haar dorp is potentieel gevaarlijk, zeker in een land dat nog maar kort geleden een dictatuur was, waarvan de aanhangers mogelijk nog altijd sleutelposities bezetten. Enzovoorts.
Meijer wilde alleen geen onderhoudende thriller schrijven die de lezer op een slimme manier ongemerkt aan het denken zet over het urgente probleem van het menselijke ingrijpen in de natuur. Het boek moest duidelijk boven alles een literaire thriller zijn. Daarom voegde ze allerlei elementen toe die van De nieuwe rivier een postmoderne variant van de magisch-realistische Latijnse-Amerikaanse roman maakt, in de traditie van Jorge Luis Borges, Julio Cortázar en Roberto Bolaño.
Dat vervreemdende zit onder meer in kleine dingen zoals niet-bestaande flora en fauna die worden opgevoerd. En het wordt het meest zichtbaar in de grote bibliotheek, ooit nog gebouwd door de Spaanse veroveraars, waar de journaliste en later anderen op zoek gaan naar informatie. Die bibliotheek lijkt rechtstreeks uit Borges’ werk te komen. De indeling is zo onoverzichtelijk dat niemand er een compleet beeld van kan krijgen. De bibliothecaris raadt Janet aan zich niet in duistere zaken te mengen. En even later blijkt niemand die man te kennen.
Het geeft de roman een nog sterkere symbolische lading. Zeker als de bibliotheek aan het einde een cruciale rol speelt in het verhaal. Wanneer de rivier overstroomt en iedereen dwingt uit zijn huis te vluchten, brengen de inwoners van Koraalboom de nacht door in de bibliotheek. En vlak daarna vangt Maia, die met haar vader is meegereisd na melding van een inbraak in de bibliotheek, hier een glimp op van de moordenaar van Frys en, tegen die tijd, een reeks andere personages.
Je zou kunnen denken: én thriller én metaforische roman, dat is in dubbel opzicht een puzzelroman. Maar helaas is in De nieuwe rivier één plus één geen twee. Het is eerder: één min één is nul. Meijers ambitie om iets even origineels als urgents te brengen, is zonder meer te prijzen, maar het unieke mengsel dat zij heeft gebrouwen, werkt niet. De whodunit liet me volstrekt koud. En er wordt zo expliciet gewezen op de aanwezigheid van een diepere laag dat het me de lust ontnam die te ontginnen.
De teleurstelling over deze roman zit hem in twee dingen. Ten eerste schiet Meijers vindingrijkheid te kort voor haar aspiratie. Het klinkt zo simpel: een wereld scheppen die net even anders is dan de bekende werkelijkheid. Maar dat vraagt de juiste dosis oorspronkelijkheid en geloofwaardigheid om lezers te kunnen meeslepen. Meijers Koraalboom doet evenwel onecht aan. Het gedrag van de personages, de leefomstandigheden in het dorp, de setting – het voelt allemaal te bedacht en te willekeurig.
In het verlengde daarvan is deze roman stilistisch op z’n best nogal vlak. Neem een – tamelijk willekeurig gekozen – dialoog als deze (op pagina 238):

“Wil je iets drinken? Of eten?”
Haar moeder kijkt verstoord op. “Wil je me wat vertellen of zo? Heb je iets goed te maken?”
“Ik wilde gewoon aardig doen”, zegt ze geïrriteerd.
“Hoeft niet.” Haar moeder draait zich weer naar de computer. De opmerking kan op het eten slaan of op het aardig doen.


Meijers kraakheldere, eenvoudige zinnen die, zoals in dit fragment, soms te weinig sjeu en te veel gemakzuchtige vaagheden (“of zo”) bevatten, kunnen prima functioneren als ze het klein houdt. Bijvoorbeeld in haar succesvolste roman, Het vogelhuis uit 2016, waarin ze inlevend het solitaire leven van muzikante en ornithologe Len Howard navertelt. Maar in een verhaal dat eerder groots, raadselachtig en exuberant wil zijn, vloekt de stijl met de inhoud. Dan is werkelijk meesterschap over de taal vereist. En dat heeft Meijer niet.

dinsdag 21 juli 2020

ONMISKENBAAR COOL – 'Volt' van Roderik Six (De Lage Landen)

De inhoudelijke vaagheid van Volt past wonderwel bij de stilistische zorgvuldigheid en helderheid. Het gaat Six puur om het plezier een eigen wereld te bouwen, met taal.

Wie is de hoofdpersoon van Volt? Waar woont hij? In welke tijd speelt deze roman zich af? Wat gebeurt er? Ik aarzel om te antwoorden op deze basale vragen. Roderik Six houdt het bewust vaag. Alles wat ik kan schrijven over plot, setting en personages van zijn derde roman – na Vloed (2012) en Val (2015) – is niet rechtstreeks uit het boek overgenomen, het is veeler mijn interpretatie van de details waaruit de roman is opgebouwd. Het is onmogelijk over Volt uit te weiden zonder zelf de beelden in te vullen.
Neem het huisdier van de verteller. “Hij” komt binnen “op hoge poten”. Een paar regels later “vang je een glimp op van zijn slagtanden”. Hij kan zijn poten majestueus uitstrekken. “Zachtjes slaat hij met zijn staart deuken in het tapijt.” En als hij op zijn rug rolt, “de gevlekte buik omhoog”, en de verteller met zijn vingers “door de vacht krauwt, kronkelt hij ronkend over de grond”. Hij heeft hoektanden “zo groot als wijsvingers en zijn klauwen zijn scherp gewette sikkels waarmee hij je vlees aan flarden rijt”.
Wat is dit voor dier? Ik zie een jachtluipaard voor me, ook al heeft dat dier geen slagtanden. Maar het stáát er niet, ook niet verderop in de roman. Het wordt nergens geëxpliciteerd. Het kan daarom net zo goed een obscuurder roofdier zijn dat wel precies aan het handvol prijsgegeven bijzonderheden voldoet. Mijn kennis van het dierenrijk schiet daarvoor te kort. Het kan zelfs een gemuteerde soort zijn die uitsluitend bestaat in de fictieve wereld die Six heeft geschapen. Ik weet het domweg niet.

Na dit voorbehoud terug naar de vragen die ik in het begin opwierp: wie, waar, wat? De hoofdpersoon van Volt is de oprichter van de geheime dienst – informatie die wél wordt prijsgegeven op de achterflap; een tekst die gefiatteerd zal zijn door de auteur. Duvall, zoals hij heet, woont samen met een elitegroep blanken op een tropisch eiland, waar ze met harde hand een groep inlanders onder de duim houden. Deze zwarten verrichten het zware werk om de samenleving en de luxueuze leefstijl van de elite in stand te houden.
De roman speelt zich in een nabije toekomst. Er is kennelijk een ramp gebeurd waarna de top van het machtige industrieel-financiële Zuid-Afrikaanse bedrijf Onyx zich heeft verschanst op zijn eiland. Een “wereldbrand” noemt de achterflap het, die vermoedelijk grotendeels is veroorzaakt door de klimaatverandering. De warmte heeft extreme vormen aangenomen. Mogelijk is de hele aarde erdoor onbewoonbaar geworden. Op het eiland, waar het slechts zéér zelden regent, is geen contact meer met de buitenwereld.
De elite en hun bijna-slaven blijven om twee redenen in leven. De uitvinding van het Hayflick-serum, waardoor de mensen het eeuwige leven hebben. Ze hebben er wel hun hart voor moeten opgeven. En, ten tweede, de beschutte plek die ze hebben gevonden. Het nieuwe kantoor van Onyx is gebouwd in een smalle nis van een rots, waarin steeds meer werkruimtes worden gehakt. Slechts drie dagen per jaar valt het zonlicht precies in de nis. Tijdens deze “wende” viert de elite dan maar zijn jaarlijkse feest.
Maar, zoals dat gaat in zulke romans, aan deze donkere idylle komt een einde. Six laat daar geen enkel misverstand over bestaan. Volt opent niet voor niets met deze zin: “Er is een storm op komst.” Gaandeweg stipt hij steeds de naderende doem aan, getuige onder meer suggestieve, tussen witregels geplaatste passages die opeens in het lopende verhaal opduiken zoals deze: “Ik denk aan het woord ‘stippellijn’. Hoeveel gaten kun je laten vallen voor je de lijn niet meer als lijn herkent?”
Het is hier niet gepast om te zeggen hóé deze samenleving volledig wordt ontwricht. Maar het slot is ontroerend door de onverwachte tederheid die Six aan zijn verhaal geeft (en hierna volgt dan toch een spoiler). Duvall, een van de mannen die ervoor koos om eeuwig te leven, wacht niet zijn ongewisse lot af, maar zoekt zelf zijn dood onder water. Hij trekt zijn duikpak aan, begeeft zich in het wonderschone gezelschap van de tropische vissen en vindt daar opeens zijn lief terug, die hij al zo lang, sinds zijn vertrek uit Zuid-Afrika, heeft moeten missen.

Het intieme einde is een passend slotakkoord van Volt. De postapocalyptische wereld die Six even subtiel en vanzelfsprekend als uitputtend schetst, kan makkelijk worden ingezet als parabel voor de hedendaagse maatschappij – zoals vaak gebeurt in literaire sciencefiction. Je zou de roman best ook kunnen interpreteren als een waarschuwing tegen groeiende ongelijkheid of het ontkennen van klimaatveranderingen. Maar het voelt op een of andere manier vergezocht om dieper te kijken dan de uiterlijke schijn.
Het gaat in Volt puur om het plezier om een eigen wereld te bouwen. En omdat Six de wereld bouwt met taal, gaat het dus om stijl. Daar heeft hij merkbaar de meeste energie in gestoken. De zinnen zijn als gebeeldhouwd: precies, afgewogen en vaak origineel. Geen woord is er achteloos tussen gepropt. Bij elkaar geven ze de tekst een elegant, af en toe retorisch ritme dat onmiskenbaar cool aandoet. Stoer, maar niet té. Puissant, maar niet té. Donker, maar niet té. Hoe verder je doorleest, hoe meer het onder je huid kruipt.
Neem alleen al de zwier waarmee zoiets eenvoudigs wordt beschreven als het zetten van koffie – met toch tamelijk alledaagse woorden. “Terwijl mijn voetzolen zich behaaglijk over het koele marmer krommen en ik slaap uit mijn ogen pulk, spuit de espressomachine een oliezwarte stroom koffie in een minuscuul kopje. Ik zal het achteroverslaan en meteen een verse maken – het knarsen van bonen, het geweld van chroom dat in chroom wordt gewikt, de weldadige daver van een glimmende machine.”
De inhoudelijke vaagheid van Volt past wonderwel bij de stilistische zorgvuldigheid en helderheid. Six dwingt de lezer zich te concentreren op wat er nu precies staat – om bijvoorbeeld te begrijpen wat voor huisdier de hoofdpersoon nu eigenlijk heeft. Je kunt nergens even snel aan voorbij lezen, als je tenminste de draad niet kwijt wil raken. Maar daarvoor beloont hij je met een optimaal genot van wát je leest. Zelfs als je noodgedwongen terugbladert en overleest, heb je dat er graag voor over.
(Eerder gepubliceerd in De Lage Landen)

Zie ook:

vrijdag 19 juni 2020

Recensie: 'Cliënt E. Busken' van Jeroen Brouwers (De Lage Landen)

ZE DEED OF ZE ME NIET KENDE
Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers

In Cliënt E. Busken schetst Jeroen Brouwers op indirecte wijze een genadeloos portret van een woest raaskallende grijsaard. Wat Brouwers’ twaalfde roman tot een meesterwerk verheft, is andermaal het verbluffend fris gebleven taalspel.

Vreemde kerel, die E. Busken. De bejaarde man zit opgesloten in Huize Madeleine. Hij is dement, zeggen zijn behandelaars, hij hoeft geen hoop te koesteren dat hij ooit levend het terrein zal verlaten. Maar zelf beweert de verteller van Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers – zelf onlangs tachtig geworden – bij hoog en bij laag dat er niets aan de hand is. Hij houdt zich uit protest doof en stom. Hij doet alleen maar alsof hij niets meer hoort, niets meer kan zeggen, niets meer begrijpt.
De Nederlandse literatuur kent wel meer dementerenden die van hun schepper het woord hebben gekregen. Denk aan Maarten Klein uit Bernlefs bekendste roman Hersenschimmen (1984), die voelt hoe hij langzaam zijn grip op de wereld verliest. Of aan Désiré Cordier uit Dimitri Verhulsts’ De laatkomer (2013), die verward en verloren rondloopt tot hij wordt ondergebracht in een tehuis voor seniele bejaarden. De eerste leed echt aan de ziekte van Alzheimer, de tweede deed alsof om te kunnen ontsnappen aan een decennia durend futloos bestaan als gekoeioneerde echtgenoot.
Maar op wie van deze twee lijkt E. Busken het meest? Is hij de man die zich zo hardnekkig kant tegen het verbrokkelen van zijn geesteskracht dat hij nog geen millimeter wil toegeven aan de gedachte dat hij misschien niet helemaal meer de oude is? Of is hij echt door een noodlottig misverstand tussen de aftakelende oudjes beland en is zijn protest, als gevolg van zijn piepende en krakende lichaam, nu eenmaal de enige mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen de gang van zaken?
Het is de onduidelijkheid van het antwoord op deze vraag die Brouwers’ twaalfde roman zo’n sterke spanning geeft.
Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat Busken – wiens nagelaten geschriften, of beter gezegd: gekrabbel, je leest – ze niet allemaal meer op een rij heeft. Hij lijdt aan een extreme vorm van grootheidswaanzin. Hij kan tijdens de roman geen terrein van kunst of wetenschap aanstippen of hij verklaart dat hij daarop heeft geëxcelleerd. Hoogleraar in een handvol disciplines, expeditieleider, geniaal componist; hij beroemt zich er even plompverloren als zelfverzekerd op.
En wie hij allemaal niet heeft gekend! “De Russische ambassadeur liep er rond”, schrijft hij over een “party” waar hij “episch dronken” is geworden. “En Beatrix. In die dictie van d’r, welke ze in haar latere staatshoofdjaren nog zou aandraaien tot bijna-kokhalzen, richtte deze zich (...) pardoes tot mij. (...) En Harry Mulisch, die was er ook.” Hij verkeerde zelfs op intieme voet met mensen die al lang en breed zijn overleden: Piet Mondriaan ( 1944) of Hermann Rorschach ( 1922).
Ondertussen hapert zijn geheugen wel degelijk. De vaak herhaalde bezwering dat de harde schijf in zijn kop geen mankementen vertoont, gaat niet zelden gepaard met een bewijs van het tegendeel. Steeds vaker crasht het programma waar hij op draait. Meestal verbastert hij een naam van een medewerker van Huize Madeleine. En ja, ook met de “Latijnse nomenclatuursels van planten en insecten” begint hij moeite te krijgen, geeft hij toe. Maar het zet je wel aan het denken. Wat is hij nog meer vergeten?
Als je eenmaal inziet dat Busken volstrekt onbetrouwbaar is, krijg je vanzelf oog voor de bekentenissen die hij zich ongewenst laat ontglippen. Hij was niet het natuurtalent dat na plotselinge ziekte van een wereldbefaamde dirigent spontaan het orkest door Mahlers ‘Symphonie der Tausend’ kon loodsen, maar een verloederde alcoholist die niets anders deed dan in zijn verwaarloosde woning op alle mogelijke paperassen warrige autobiografische aantekeningen te maken. Zoals hij nu nog steeds doet.
Busken blijkt zelfs verrassend helder. Het begint al met de reden waarom hij in het tehuis is beland. Hij is ontvoerd, briest Busken, die slechts kan gissen naar de reden daarvan. Jaloezie? Omdat hij de directrice van het verpleeghuis parafraseert, begrijpt echter iedere lezer dat hij tijdens een delirium tremens zichzelf ernstig had verwond en dat de opgetrommelde ambulancebroeders onmiddellijk begrepen dat deze man niet langer voor zichzelf kon zorgen.
Ook geeft Busken zijn grootste obsessie prijs: zijn moeder. De eerste zin van de roman luidt: “...denk ik opeens aan mijn moeder.” Direct daarop volgt: “Ik denk nooit aan mijn moeder, die al decennia dood is.” In werkelijkheid duikt de vrouw die hem baarde, voortdurend in zijn bewustzijn op. Hij kan de gedachte simpelweg niet onderdrukken. Zelfs op de party waar hij zogenaamd was, stond zij tussen Beatrix en Mulisch van de cocktails te nippen. “Maar [ze] deed of ze me niet kende.”
Dankzij al die opborrelende herinneringen begrijp je uiteindelijk waarom Busken is geworden wie hij is. Direct na de Tweede Wereldoorlog had zijn moeder een nieuwe man – een Indonesiër, van wie Busken de moeilijke naam na zo veel decennia wél precies weet: Suwarsi Pudjojono – waarna de zoon als een afgedankt huisdier werd gedumpt in allerlei pensionaten. En ondertussen kon dat joch, voor wie zij al die jaren kromlag, nooit iets goeds doen. Niet eens een opleiding afmaken!
Het tehuis waar Busken is beland, heet dan ook niet toevallig Huize Madeleine – naar het beroemde cakeje van Proust, dat hem op het spoor van de verloren tijd zette. Het tehuis roept, via de associaties met de vergelijkbare instituten voor jongeren waar hij opgesloten heeft gezeten, de eeuwig weggedrongen gedachte aan zijn jeugd op. Het verschil is alleen dat Proust de herinnering verwelkomde, waar Busken haar uit alle macht blijft verdringen. Met opschepperij en bravoure.
Het is knap hoe Brouwers het bekende instrument van de onbetrouwbare verteller inzet om op indirecte wijze een zo genadeloos portret te schetsen van deze woest raaskallende grijsaard. Het vergroot ook je deernis met hem. Want geleidelijk aan besef je dat hij altijd is gevlucht voor zijn demonen: met alcohol, tabak, schrijven, grootspraak. In zijn laatste levensfase worden deze reddingsboeien hem één voor één afgenomen. Behalve dat ostentatieve razen en tieren. Het is het laatste wat hem rest.
En tóch zijn het zorgvuldig uitgewerkt perspectief, de ingenieuze structuur en het genuanceerde portret niet de voornaamste redenen om Client E. Busken te verheffen tot meesterwerk. Dat is, andermaal, Brouwers’ taal. Het mag na een carrière van bijna zestig jaar en een oeuvre waarvoor de uitgever achterin de roman maar liefst zes pagina’s vrij moet maken om alle titels te kunnen noemen, een cliché van jewelste zijn. Maar het is een feit dat deze auteur zijn lezers opnieuw weet te verbluffen.
Ogenschijnlijk doet Brouwers niets nieuws. De roman speelt zich, zoals zo vaak in zijn werk, af op een klein oppervlak. Een paar ruimtes op één locatie, enkele dagen in aanloop naar de zomerbarbecue. De herinneringen flitsen zo kort op dat ze nooit flashbacks worden. Je bent altijd in Huize Madeleine. Dat geeft hem de gelegenheid om zijn taalspel te spelen: steeds terugkomend op dezelfde bewering, steeds variërend in woordkeus, zodat een hecht netwerk van betekenis en associatie ontstaat.
Maar het is zó fris gebleven. Je krijgt nooit het idee dat Brouwers zich herhaalt. Hooguit herken je in een bepaalde woordspeling, zoals “Buskebups”, de handtekening van de meester. Die frisheid wordt – denk ik – veroorzaakt door het gegeven dat Brouwers zich heeft ingehouden. Busken zelf heeft ze al niet allemaal op een rijtje. Hij schrijft zonder alinea’s, springt regelmatig van de hak op de tak. Dan moet je niet ook nog de taal al te ver oprekken.
Het gevolg is dat je – als je je antenne eenmaal zuiver hebt afgestemd op Buskens ruis – er even onherroepelijk als bewonderend door wordt meegesleept. En dan doet het er niet zo heel veel meer toe of deze patiënt nu een ongeneeslijk zieke dan wel een simulant is.


Jeroen Brouwers, Cliënt E. Busken, Atlas Contact, Amsterdam, 2020, 264 p.

donderdag 16 april 2020

Recensie: 'Beschavingen', Laurent Binet (Athenaeum.nl)

Dezelfde historische personages, andere historie

Wat als de Inca's in de jaren 1530 Europa hadden veroverd? In zijn nieuwe roman Beschavingen(vertaald door Liesbeth van Nes) werkt Laurent Binet dat gedachtenexperiment vernuftig uit. Je moet alleen wel behoorlijk vertrouwd zijn met de geschiedenis om het resultaat op waarde te kunnen schatten.

Koning Henry VIII van Engeland wilde scheiden van Catharina van Aragon omdat ze na meer dan twintig jaar huwelijk nog steeds geen mannelijke nakomeling produceerde. Als katholiek had hij toestemming van de paus nodig. Maar die kreeg hij niet. Dus wat deed hij? Zoals iedereen weet bekeerde hij zich daarop in 1534 tot de godsdienst van Inca's. In die religie kan men, zoals Thomas More in een beroemde brief aan Erasmus schreef, 'de echtgenotes vermenigvuldigen zoals Onze Heer met de broden en de vissen deed'. In Londen stichtte hij nog hetzelfde jaar een Zonnetempel gevuld met maagden die tot zijn beschikking stonden.

Dit keer nog radicaler
Eh... Zoals iedereen weet? In ieder geval de lezers van Laurent Binets nieuwste roman Beschavingen. De Franse auteur schetst hierin de geschiedenis van Europa in het begin van de zestiende eeuw als ons continent niet Amerika verovert, maar als het tegenovergestelde gebeurt: de Inca's duiken op een onverwacht moment op in de haven van Lissabon en weten, ondanks een gigantische numerieke minderheid, onder aanvoering van Atawalpa binnen enkele jaren de macht op het Iberische schiereiland te veroveren, waarna mede dankzij de onafgebroken stroom goud en zilver uit Zuid-Amerika binnen de kortste keren het gehele werelddeel onder invloed van de indianen komt te staan.
Zo'n onderwerp is Binet – zoon van een geschiedenisleraar – wel toevertrouwd. In HhhH (2010) en, nog meer, in De zevende functie van de taal (2016) slaagde hij erin om de historische werkelijkheid van respectievelijk de moordaanslag op Heydrich in Praag en het Franse intellectuele milieu van de jaren '60 en '70 te gebruiken voor zijn eigen fictionele wereld. Dat doet hij dit keer nog radicaler. Beschavingenis een verzameling van vier historische documenten: de saga van een IJslandse vikingdochter, het dagboek van Columbus, de kronieken van Atawalpa, en de avonturen van Cervantes. Alleen al de vorm en stijl daarvan doet zo authentiek aan dat je geneigd bent ze te interpreteren als echte archiefstukken.

Op minutieuze wijze aannemelijk
Maar Binet doet meer. Hij maakt de komst van de Inca's op minutieuze wijze aannemelijk. Daarom zijn de Vikingsaga en Columbus' dagboek zo belangrijk. Door de Vikingen verder in Amerika door te laten dringen dan Leif Erikson deed in de elfde eeuw, begrijp je waarom de Inca's al vuurwapens hadden. Door Columbus' expeditie te laten mislukken, snap je hoe ze – dankzij de boten waarmee de Genuees hoopte Indië te ontdekken – aan schepen kwamen die een Atlantische oversteek konden maken. Bovendien geeft Binet de Inca's een reden om naar Europa te vertrekken: de echtgebeurde broederstrijd tussen Waskar en Atawalpa, die de laatste verloor.
Daarbij blijft deze alternatieve geschiedenis zo dicht mogelijk bij de historische werkelijkheid. Alle personages gedragen zich zoals ze zich in het echt gedroegen. Henry VIII is dus ook in Beschavingen een narcistische erotomaan die er niet voor terugschrikt zijn hele land een nieuwe godsdienst op te dringen om zijn persoonlijke en politieke zin door te kunnen drijven. Alleen de context waarin hij dat doet, is anders. Hetzelfde geldt voor de humanisten Thomas More en Erasmus in deze specifieke episode en voor alle andere historische figuren: van Columbus en Karel V tot El Greco en Miguel de Cervantes. Iedereen is zijn karakter trouw gebleven.

Bewonderenswaardig maar één nadeel
Alles bij elkaar maakt dat Beschavingen buitengewoon bewonderenswaardig. Het vernuft en de vindingrijkheid van Binet is oneindig groot, waarmee hij zijn lezers niet zelden doet glimlachen. Van de reden voor Henry VIII zijn bekering tot de piramide die de rivaliserende Mexicanen – die na enige tijd óók Europa binnenvallen – op het plein voor het Louvre oprichten om mensenoffers te brengen: het zijn stuk voor stuk grappige vondsten. Of wat te denken van de vlag die de Inca's adopteren omdat de machthebbers in Europa nu eenmaal zo'n symbool gebruiken? De regenboogvlag, die tegenwoordig heel andere associaties oproept.
Er is alleen één groot nadeel aan Beschavingen: je moet een gedegen kennis van de oorspronkelijke geschiedenis hebben om van deze roman te kunnen genieten. De veelwijverij van Henry VIII kennen de meesten wel. Maar als je niet ziet hoe slim Binet bijvoorbeeld de ideeën van de Inca's over spreiding van de welvaart afzet tegen die van Luther om het Zonnegeloof voet aan de grond te laten krijgen in Duitsland, dan resteren slechts elementen als stijl en plot om de roman te kunnen waarderen. En dan is het jammer dat de imitatie van historische dagboeken of kronieken niet bepaald de meest elegante stijl oplevert en zulke type boeken ook nooit een zorgvuldig uitgewerkt plot hebben.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl)

donderdag 24 oktober 2019

Hoe de lezer te prikkelen – recensie van drie romans van Anne Eekhout (Ons Erfdeel)

Een avond als alle anderen. Papa is nog niet thuis van zijn werk in het ziekenhuis. Mama, zwanger van Nicolas’ zusje, kijkt naar haar favoriete soap. En Nicolas zelf bladert door zijn favoriete stripboek: De adelaar, een superheldenreeks die hij al zó vaak heeft gelezen. Dan wordt de tv-uitzending opeens onderbroken. Een bezorgd ogende minister-president komt in beeld. Ze vertelt dat een zwart gat op weg is naar ons zonnestelsel en waarschijnlijk de aarde zal verzwelgen. Later zal ze het vermoeden bevestigen en een concreet tijdstip noemen waarop in één seconde alles ophoudt te bestaan.
Hoe gaan de personages om met die verpletterende zekerheid? Dat is het even simpele als intrigerende gegeven van Anne Eekhouts roman Nicolas en de verdwijning van de wereld (2019). Gaan ze door alsof er niets aan de hand is? Houden ze tot het einde vast aan de routines die zekerheid en rust bieden? Of laten ze alles los om de laatste maanden te dansen op de vulkaan? Plegen ze zelfmoord? Of vinden ze houvast in een geloof dat het zwarte gat hen rechtstreeks naar de hemel brengt? Of dat het gat een esoterisch overgangsritueel is naar een andere dimensie?

Het is niet de eerste keer dat Eekhout een zwaar thema aansnijdt dat hevige emoties oproept bij haar karakters. Haar debuut Dogma (2013) zet het dilemma centraal hoe om te gaan met een vriend die aankondigt zelfmoord te plegen. Charlie wil zijn carrière als filmmaker een vliegende start geven door iemands zelfmoord vanaf de eerste voorbereidingen te volgen. Zijn vriend Hidde biedt zich aan. Hij heeft toch niemand meer om voor te leven. Moet je hem dan uit vriendschap helpen? Ten koste van alles tegenhouden? En wat doet Hiddes keuze met jóú?
Eekhouts tweede roman Op een nacht (2016) onderzoekt de grens tussen je kind behoeden voor de vele gevaren in het leven en je kind de vrijheid geven om daar zelf mee om te leren gaan. James is zo bezorgd over zijn dochter dat hij aan waanvoorstellingen is gaan lijden. ’s Nachts bevindt hij zich in een masochistische gevangenis die zijn tragische conditie in het werkelijke leven symboliseert. Weet hij tijdig bij zinnen te komen en zijn dochter nog iets van een normale jeugd te geven? Of draait hij definitief door en veroorzaakt hij zo de ramp die hij ten koste van alles wil voorkomen?
Het verschil tussen haar romans is evenwel dat Eekhout het schrijversambacht steeds beter beheerst en haar thema’s steeds geloofwaardiger neerzet. Haar eerste twee boekenlijden nog onder een te grote directheid. Zeker Dogma, waarin Eekhout de vijf vrienden alternerend volgt. Allemaal spreken ze rechtstreeks over hun emoties, ambities, beweegredenen. Het gevolg is dat Charlie-de-filmmaker tegen Mia-zijn-vriendin dingen zegt als “Je bent heel belangrijk voor me” en “Je inspireert me”, zonder dat je dat ook maar een moment dat kunt navoelen.
Een typisch geval van te veel telling en te weinig showing. Maar de belangstelling voor personages wordt ook gesmoord doordat hun psychologie zo doorzichtig is. Waarom wil Charlie de film maken? Uit geldingsdrang, veroorzaakt door verwaarlozing in zijn jeugd en sterk geactiveerd doordat de mentor van de filmacademie het geloof in hem verliest. Waarom biedt Simon zijn hulp aan? Uit jaloezie op Hidde, die als oudere vriend de eerste plaats bij Charlie inneemt. Enzovoort. Het is allemaal zo weinig ambigu dat je ze niet anders kunt beschouwen dan als zetstukken in een ideeënroman.
Dat wordt niet gecompenseerd doordat Eekhout zulke interessante dingen heeft te zeggen over de opgeworpen vraag. Integendeel. Je krijgt herhaaldelijk het idee slimmer te zijn dan de personages, die weinig anders kunnen bedenken over zelfmoord en alles wat daarmee samenhangt dan het meest voor de hand liggende. Ook vraag je je soms verwonderd af waarom Charlie zelf zo weinig ideeën heeft over het waarom van zijn film, anders dan dat hij controversieel zal zijn. Of waarom niemand doorheeft dat Hidde, die zegt van niemand meer te houden, verliefd is op Mia. Het lijkt alsof het allemaal onvoldoende is doordacht.

Op een nacht heeft tenminste een originelere plot. Eekhout vertelt in drie delen achtereenvolgens het verhaal van James, dat van echtgenote Ana en dat van – de tegen die tijd volwassen geworden – dochter Penelope. De roman begint in een mysterieuze droomwereld, waarna hij wakker lijkt te worden in de gewone wereld. Wat betekent dat? Het gegeven behoudt zijn intrigerende kracht omdat Eekhout die vraag nooit beantwoordt. Ook de raadselachtige vermissing die het centrale gegeven van de plot vormt, wordt nooit verhelderd. Het klópt niet, en toch is het gebeurd.
Toch kleven aan haar tweede boek soortgelijke bezwaren als aan het eerste. James, Ana en Penelope missen een zeker realisme om in hen te kunnen geloven. James wordt neergezet als een hopeloze zenuwpees, maar als via flashbacks zijn voorgeschiedenis wordt verteld, staat dat zo ver af van de man die hij is geworden dat het niet om een en dezelfde persoon lijkt te gaan. Of neem het pesten waarvan Penelope slachtoffer is. Zij heeft nog maar net leren lezen, maar haar klasgenoten maken van haar een outcast alsof ze minstens twee keer zo oud is – zó extreem vernederen ze haar.
En zo lees je andermaal een filosofisch traktaat dat te armoedig is vermomd als roman. Eekhout neiging te expliciet te beschrijven verergert dat. Dat zit in grote dingen als het gejammer van Ana om de geestelijke aftakeling van haar man en de maandenlange vermissing van haar dochter. Maar net zo goed in kleine dingen. Een gesprek gaat moeiteloos over van de vermissing op “beeldhouwkunst en de verschillen en overeenkomsten met schilderkunst”. Dat is zo weinig specifiek dat het betekenisloos en zelfs ridicuul wordt, vooral dat “verschillen en overeenkomsten”.

In Nicolas en de verdwijning van de wereld heeft Eekhout echter de gelukkige keuze gemaakt om een achtjarig kind de hoofdpersoon van haar verhaal te maken. Dat dwingt haar een perspectief te kiezen van iemand die de implicaties van het aangekondigde einde der tijden niet begrijpt. Het wordt hem ook niet verteld. Na de eerste nieuwsuitzending zegt zijn moeder dat ze ook “niet precies” weet wat een zwart gat is en dat “het allemaal wel zal meevallen. Anders zouden ze het wel geheimhouden.” Ook wanneer de wanhoop om hem heen groeit, blijft iedereen de bittere pil voor hem vergulden.
Meer dan in Op een nacht slaagt Eekhout er ook in om het jeugdige personage geloofwaardig te maken. Paste het gedrag van Penelope en haar klasgenoten niet bij hun leeftijd, bij Nicolaas is dat veel beter in balans. Hij bezit een goede mengeling van onbezorgde naïviteit, ontluikend begrip van de wereld om hem heen, minimale kennis en drieste overmoed. Slechts af en toe schiet Eekhout uit de bocht, bijvoorbeeld wanneer een klasgenoot volwassen complottheorieën spuit: “Iemand die mijn broer kent werkt bij het ministerie.” Welke achtjarige kent het woord 'ministerie'?
Daar komt bij dat Nicolas en de verdwijning van de wereld slim in elkaar zit. Net als in Dogmavertegenwoordigen alle personages een mogelijke reactie op het fatale nieuws. Het hoofd van de school hangt zich op uit pure wanhoop. Ouders van een vriendje blijven bidden, erop vertrouwend dat God hen zal redden. Een oudere buurvrouw, al enige tijd weduwe, berust erin omdat het leven voor haar toch al gedaan was. Maar omdat iedereen in de eerste plaats een logische plek in de plot heeft gekregen, is veel minder dan in haar debuut zichtbaar welke functie Eekhout hen heeft gegeven.
Op een even subtiele (maar tegelijk onmiskenbare) wijze verweeft ze ook de filosofische vragen, waar het haar steeds om te doen is, in haar vertelling. Vragen over leven en dood, in dit geval. Niet toevallig is de moeder zwanger. Later raakt het oppasmeisje van de overkant onbedoeld ook zwanger. Kun je het leven nog koesteren als het zo duidelijk niets meer zal betekenen? Moeder heeft daar moeite mee, het oppasmeisje kiest er uiteindelijk onverkort voor. En Nicolas doodt per ongeluk zijn beste vriend. Hoe erg is dat nog als je hem daarmee een in wezen erger lot bespaard?
En zo weet Eekhout in Nicolas en de verdwijning van de wereld juist wél emoties op te roepen en tot nadenken aan te zetten zonder één keer nadrukkelijk erop te wijzen dat de situatie heus heel erg is, en zonder uit te leggen dat ideeën over moraliteit onder extreme druk vloeibaar worden. Ze toont alleen maar wat er gebeurt in de kleine wereld van een achtjarige jongen vanaf de aankondiging van de minister-president. Meer niet. En toch voel je geleidelijk de spanning en de wanhoop bij jezelf toenemen, terwijl je jezelf steeds prangender de vraag stelt: hoe zou ík in deze situatie handelen?
Dat is natuurlijk waar literatuur voor is bedoeld. Anne Eekhout zal zich daar ongetwijfeld van bewust zijn, maar met haar derde roman slaagt ze er voor de eerste keer in om de theorie in praktijk te brengen.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 3/2019)

donderdag 8 augustus 2019

'Mooi doodliggen' van A.F.Th. van der Heijden (Ons Erfdeel)

Komt het door het neerhalen van vlucht MH17, waarbij 298 mensen omkwamen, en andere spectaculaire aanslagen? De Russische financiering van rechts-populistische politieke partijen in het westen en manipulatie van verkiezingen? De door het Kremlin groots opgezette dopingprogramma's? Hoe het ook zij: Rusland fascineert Nederlandse schrijvers mateloos. Kort na elkaar verschenen drie romans die in het Rijk van Poetin zijn gesitueerd en alle de bestsellerlijsten haalden: Tsjaikovskistraat 40 van Pieter Waterdrinker, Foon van Marente de Moor en Mooi doodliggen van A.F.Th. van der Heijden.
Van deze drie gaat alleen de laatste daadwerkelijk in op de politieke ontwikkelingen van de laatste jaren. Bij De Moor is Rusland slechts achtergrond bij thema's als de ontluistering van ouder worden. Waterdrinker maakt dankbaar gebruik van de radicale transformatie van het land in de afgelopen decennia en de talloze absurditeiten die hij als gevolg daarvan heeft meegemaakt om een aanstekelijke schelmenroman te schrijven. Van der Heijden staat daarentegen uitgebreid stil bij het nieuws dat iedere dag in de krant staat – tot de relatie van 'President Tsaar', zoals hij Poetin heeft gedoopt, met president Trump aan toe.
Mooi doodliggen is uiteraard geen geopolitieke roman. Het gaat over de persoonlijke implicaties van de moordaanslag op zijn eigen leven die de gevluchte Russische journalist Grigori Moerasjko – net als Arkadi Babtsjenko, op wie hij is gebaseerd – op 29 mei 2018 met de Oekraïense geheime dienst in scène heeft gezet. Hoe komt hij tot zijn ingrijpende daad? Hoe beleeft hij die uren dat hij voor de buitenwereld, op uitsluitend de direct betrokkenen na, dood was? Wat voor gevolgen heeft deze daad voor de relatie met zijn vrouw die korte tijd in de waan was de liefde van haar leven te hebben verloren?
Maar de actualiteit is nooit ver weg. Hoe kan het ook anders? Moerasjko, die in deze als memoires vormgegeven roman zelf het woord neemt, is een kritische journalist die het zijn persoonlijke missie heeft gemaakt om de waarheid boven tafel te krijgen die de criminele kliek uit het Kremlin kan verjagen. Hij heeft cruciale gebeurtenissen, zoals de inval van Rusland op de Krim, van dichtbij meegemaakt. En hij doet samen met de Nederlandse fotograaf annex journalist Natan Haandrikman onderzoek naar de ware toedracht van de ramp met de MX17. Het geeft Van der Heijden volop de gelegenheid om zijn mening over de Russische leiders en hun leugens te ventileren.

Het is bewonderenswaardig dat de auteur zo kort na de gebeurtenissen waardoor hij zich heeft laten inspireren, met een zo omvangrijke roman voor de dag komt. Toch is dat een manco aan Mooi doodliggen. Het gaat van der Heijden om de verhouding tussen liefde en dood. Als Moerasjko doet alsof hij wordt neergeknald, is iedereen woedend. Zijn vrouw omdat hij haar ten onrechte de pijn van intense rouw bezorgde. Zijn collega's omdat hij zich inliet met het verspreiden van nepnieuws. Maar als hij later écht wordt vermoord, zorgt dat voor herstel. In ieder geval bij zijn vrouw, die hem dan kan vergeven en zichzelf weer toestaat van hem te houden. Bij deze mooie opzet zitten de echte feiten danig in de weg.
Het verhaal dwingt Van der Heijden namelijk om ook het toekomstig nieuws te verzinnen. Tot aan grofweg september 2018 kon hij zijn plot larderen met alles wat hem iedere dag door de krant wordt aangereikt – en dat doet hij ook, tot opmerkingen over het optreden van de Nederlandse minister in de VN Veiligheidsraad aan toe. Voor het deel daarna moest hij zelf de ontwikkelingen uitdenken. En dat blijkt te veel gevraagd. Althans, hij heeft die moeite maar beperkt genomen. Dat betekent dat het verhaal, waarvan je sterk voelt dat het is ingebed in de grote geschiedenis, dat opeens nauwelijks meer is. Dat heeft als effect dat de roman als een nachtkaars uit lijkt te gaan.
Temeer daar Van der Heijden Moerasjko's zelfopgelegde bijna-doodervaring aanvankelijk minutieus beschrijft. De gewaarwordingen in aanloop naar de geënsceneerde aanslag, de morbide nacht als levende in een mortuarium, het gevoel waarmee hij de met holle lof geïmpregneerde necrologieën leest, de verbijstering als de omgeving niet zo blij verrast is als verwacht. Dat verhoogt het contrast met de laatste honderd pagina's. Alsof Van der Heijden daarvoor weinig meer heeft gedaan dan een schemaatje met verder plotontwikkelingen invullen met wat er in de tussentijd aan gedachten en observaties voorbijkwamen die hem toevallig interesseerden.
Hij dwaalt zelfs ver af in bijzaken. Te ver, getuige een volledig hoofdstuk over Jane Fonda – wat mij betreft het dieptepunt van Mooi doodliggen. Waarom laat Van der Heijden in godsnaam zijn Moerasjko uitwijden over Fonda's behandelingen met botox, haar vroegere activisme, en haar laatste film (Book Club)? Als dat thematische relevantie heeft, anders dan de gemakkelijk opgeworpen vraag of er nog kunstenaars zijn die protesteren tegen de Russische methoden om zijn macht uit te breiden, zie ik het niet.

Ook is het spijtig dat Van der Heijden anders dan De Moor en Waterdrinker nooit in Rusland heeft gewoond. In Foon en Tsjaikovskistraat 40 neem je het land met al je zintuigen gewaar. Je gelóóft de personages. In Mooi doodliggen krijg je nooit het idee dat Moerasjko iets anders is dan een als Rus vermomde Nederlander. Zeker: hij heeft Dostojevski en Tsjechov gelezen en gooit er af en toe een Russische uitdrukking door. Maar minstens zo vaak verwijst hij naar Nederlandse literatuur of de illusionist Hans Klok. Allemaal van zijn Hollandse vriend Natan geleerd, staat er keurig bij, maar vreemd is wel.
Van der Heijdens personages zijn door de bloemrijke taal, waarmee iedereen zich uitdrukt, toch al weinig realistisch. Dat is ook niet zijn eerste doel. Maar omdat hij zijn klassieke tragedie situeert in een voor iedereen al te herkenbare werkelijkheid, wreekt het zich dat de personages niet even herkenbaar zijn. Door hen daarentegen te stofferen met wat hemzelf in Amsterdam aan literatuur, film en filosofie te binnen is geschoten, verworden zijn Russen en Oekraïners tot zetstukken in een zorgvuldig uitgedacht drama. Ze zijngeen karakters van vlees en bloed meer, maar personificaties van filosofische standpunten.
Bij ieder ander zou je bij zoveel kritiek concluderen: matig uitgewerkt plot, overbodige zijpaden, onrealistisch decor, ongeloofwaardige personages – snel vergeten, deze roman. Maar gelukkig is Mooi doodliggen geschreven door Van der Heijden. Met zijn originele vergelijkingen en treffende beelden, en vooral zijn verbluffend associatief vermogen, waarin hij kleine details en grote mythologische verhalen vanzelfsprekend aan elkaar verbindt, weet hij wél diep in de ziel door te dringen van een journalist die iets unieks heeft meegemaakt: hoe het is om te doen alsof je bent vermoord. Dat zijn tenminste prachtige pagina's geworden.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel)

vrijdag 1 maart 2019

'Een baboesjka spreekt' – Over 'Foon' van Marente de Moor (Ons Erfdeel)

Foon? De nieuwe roman van AKO-prijswinnaar Marente de Moor heeft een merkwaardige titel. “Foon” is geen bestaand woord. Het doet denken aan een koosnaampje voor “telefoon” of “microfoon”, maar die associatie rijmt niet met het omslag: een donker getinte foto van een houten hut in een ogenschijnlijk uitgestrekt bos. Het beeld straalt afzondering en verlatenheid uit, het tegendeel van de communicatie die een telefoon mogelijk maakt. Is “Foon” dan een naam? Ook dat voelt onwaarschijnlijk, al heb je nog geen letter van het boek gelezen. Alleen in een scifiroman heten locaties of personages Foon.
De titel kan dus niet anders dan een neologisme zijn, waarvan je moet vertrouwen dat de auteur de betekenis ergens in de roman zal uitleggen. En jawel, op pagina 177 wordt het geduld beloond. Nadja, de Russische vertelster van Foon, haalt een herinnering op aan haar jeugd. Ze lag ’s nachts vaak wakker van een “zware bromtoon, die als een monster onder mijn bed lag”. Haar ouders hoorden hem niet. Toen ze verhuisden, verhuisde de bromtoon gewoon mee. En toen legde haar vader het in een dronken bui uit.
“Wat jij nog hoort, en wij allang niet meer”, zei hij, “is de foon. Het is de achtergrondruis van het leven. De hele geschiedenis zit erin, van het liefste lied tot de angstige schreeuw, maar wees niet bang. Mensen die bang zijn voor geluiden zijn bang voor hun verbeelding. Ze sluiten hun geestesoog en roepen heel hard: het is niet echt! Maar de verbeelding bestaat, Nadja, niet alleen in ons hoofd. (...) Jij hebt nog een rijke verbeelding, maar geloof me, dat gaat over. Als je ouder wordt volg je de foon niet meer omdat ze wordt overstemd door het gejengel van alledag.”
Ofwel: de foon is een geritsel dat je alleen kunt horen als je je het kunt verbeelden. Het is het mysterie van het leven dat zich als kind aan je openbaart en je interpreteert met de onvaste kaders die ouders en school je aanreiken. Het is daarom ook iets dat je als volwassene niet meer hoort, omdat alles in het leven vast lijkt te liggen en de mogelijkheid om nog over het bestaan na te denken wordt dichtgeknepen door het dagelijkse geregel en gedoe. En omdat een volwassene precies denkt te weten hoe het hoort en hoe het moet.

Hoe raadselachtiger een titel is, hoe meer je geneigd bent die als sleutel te gebruiken om de roman te duiden. Bij Foon is dat in ieder geval vruchtbaar. Want al is Nadja inmiddels veertig jaar ouder, ook in de bossen van de oblast Pskov (op 200 kilometer van de grens met Letland), waar zij en haar man Lev zich hebben teruggetrokken, hoort zij sinds enkele jaren onverklaarbare geluiden. Geen bromtoon, maar een afschuwelijke “roestige jank” die uit de hemel lijkt te komen. “De Grote Geluiden”, zoals ze ze noemen, die alles overstemmen. Zijn die soms ook een verklanking van haar verbeelding?
Het verschil tussen het zachte, geheimzinnige neuriën van de jaren zeventig en het schelle, angstaanjagende fluiten van tegenwoordig is Nadja’s levensinstelling. Ooit was ze begeesterd door de wens zoöloog te worden – net als Lev, die haar biologie gaf op de middelbare school en met wie ze in de zomer na het eindexamen op expeditie ging. Toen ze zwanger werd van deze bijna twintig jaar oudere man, kwam daar een nieuwe droom voor in de plaats: een eigen reservaat, ver weg van de beschaving, waar ze kinderen natuurles gaven en waar ze verder min of meer zelfvoorzienend waren.
Maar dat bestaan heeft iedere glans verloren. Nadja is een aftandse vrouw geworden. Een seniele baboesjka, vindt ze. Met haar bejaarde man wisselt ze amper meer dan een paar woorden. Haar zoon, die zich wél heeft aangepast aan het hyperkapitalistische, nationalistische Rusland van Poetin, is onbegrijpelijk voor haar geworden. Van haar dochter is ze vervreemd. Het dorp is uitgestorven, op hun huishouden na – “onze belachelijke bedoening”, noemt ze dat. En hun natuurcentrum ligt volkomen op zijn gat. Ook de toeristen die er na het einde van het sovjettijdperk jonge beren kwamen verzorgen, zijn al jaren weggebleven.
Het enige wat Nadja nog rest, is het apocalyptisch gekras – en, als tegenwicht, het rustgevende geluid van de langsrazende trein die elke nacht haar woning passeert. Aanvankelijk krijg je de indruk dat vooral haar man last van de geluiden heeft, maar aan het slot van de roman kun je niet anders dan concluderen: de geluiden zijn een product van haar fantasie. Ze staan symbool voor de manier waarop ze zich afsluit voor een werkelijkheid die te pijnlijk is om te aanvaarden. Ze hoort ze omdat het verdringen van de werkelijkheid er alleen maar toe leidt dat deze zich af en toe luid moet ontladen.

Waarom heeft haar leven zo’n wending genomen? Het is die vraag die Foon zijn stuwende kracht geeft. Al op pagina 12 onthult De Moor dat haar hoofdpersoon zich een bepaald jaar niet wenst te herinneren. Vervolgens voert ze de lezer, als in een steeds sneller tollende draaikolk, naar deze centrale gebeurtenis. Cirkelend langs Nadja’s herinneringen en belevenissen komt ze steeds dichterbij totdat ze, net als de hoofdpersoon zelf, die het slachtoffer van weleer op bezoek krijgt, wel móét vertellen wat er is gebeurd. En je dan ook begrijpt dat niet alles is zoals Nadja het voorwendt.
Wat de gebeurtenis is, kan onvermeld blijven. Beter is het om de lof te zingen van De Moors pen. Via Nadja geeft ze niet alleen een veelkleurig portret van de Russische maatschappij en hoe die is veranderd door de overgang van het communisme naar de moderne tijd, waardoor je sovjetnostalgie van de oudere generatie begrijpt. Ze vindt daar ook voortdurend even levendige en robuuste als originele taal voor, die je het zeldzame gevoel geven naar een volstrekt authentieke vrouw te luisteren. Met iedere zin maakt ze het portret van dit archetypische personage subtieler en rijker.
Hopelijk inspireert dat voldoende in om Foon, ondanks de merkwaardige titel, zelf op te pakken en te ontdekken wat Nadja’s trauma is.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2019/1)

donderdag 17 januari 2019

Over Jonathan Robijn, 'De stad en de tijd' en 'Congo blues' (Ons Erfdeel)

WIE IS DIE JONGE VROUW?

Congo Blues, de eerste roman van de Vlaamse auteur Jonathan Robijn, begint op de koude ochtend van nieuwjaarsdag. Morgan, een aan lager wal geraakte jazzpianist met Congolese roots, treft vlak bij zijn Brusselse huis een jonge vrouw aan. Ze lijkt te slapen, maar reageert niet op zijn vragen of op een voorzichtige tik op de schouder. Is ze dronken? Morgan heeft geen idee. Om zich niet schuldig te voelen als ze dood zou vriezen, sleept hij haar met enige moeite mee naar binnen.
Wie is deze vrouw van hooguit twintig jaar die zo lijkt op Morgans overleden lief? Waarom heeft ze in haar jaszak een envelop met een miljoen Belgische franken in gloednieuwe biljetten? Waarom doet ze, eenmaal wakker, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat zij in het bed van een vreemde man ligt? En waarom staat ze een paar dagen later opnieuw voor zijn deur? Om “een of twee nachten” te logeren, maar om daarna – zo lijkt het – nooit meer weg te gaan?
Gaandeweg neemt de vrouw, die Simona blijkt te heten, Morgan steeds meer op in haar leven. Een van de eerste dingen die ze hem vraagt, is haar te vergezellen naar het station. “Ik moet iemand zien, maar ik ben liever niet alleen”, is haar enige verklaring. Op het station neemt ze plaats op een bank. Morgan gaat een bank verderop zitten. De trein uit Luik arriveert, mensen stappen in en uit, en drie minuten later rijdt de intercity verder naar Oostende. Dat is alles. Wat is er gebeurd?

Vergelijk dat met het eerste verhaal uit Robijns debuut De stad en de tijd – een bundel van negen verhalen van elk zo’n dertig pagina's, die vier jaar eerder verscheen. Hoofdpersoon van ‘De indringer’ is een burgerlijke parfumeur met een goedlopende zaak in Brussel, die ten tijde van de wereldtentoonstelling van 1958 veel exotische bezoekers trekt. Hij heeft de grootste verwachtingen voor zijn nageslacht, een zoon en twee dochters, maar dat loopt anders.
De indringer blijkt een lid van het organisatiecomité van de wereldtentoonstelling te zijn. De man van Congolese afkomst wordt verliefd op de jongste dochter, weet het vertrouwen van de parfumeur te winnen, blijkt ook in staat te zijn geuren samen te stellen en treedt in dienst van de man die zijn schoonvader is geworden. Hij zal dat vertrouwen later misbruiken door de zoon, die niet de brave student in Londen is die zijn vader denkt dat hij is, te chanteren en zo zélf erfgenaam van de parfumerie te worden.
Het verschil tussen beide verhalen maakt precies duidelijk waarom de roman wel een aanrader is en de verhalen op zijn best vingeroefeningen zijn. In beide is sprake van een indringer die het leven van de hoofdpersoon overhoop gooit. Maar waar de geheimzinnige vrouw in Congo Blues op een intrigerende manier raadsels oproept die de lezer het verhaal in trekt, doet de buitenstaander in ‘De indringer’ dat niet. Ook als lezer blijf je een buitenstaander, en volg je onbewogen de gebeurtenissen.
‘De indringer’ begint wel met de opmerking dat de hoofdpersoon “de indruk [had] dat de wereldtentoonstelling zijn leven ondersteboven zou gooien en toch zou het nog meer dan twintig jaar duren voor hij besefte dat zijn voorgevoel hem niet had verraden”. Maar deze zin werkt als een etiket die aangeeft op welke manier de titel moet worden geïnterpreteerd. Het haalt juist eerder de verrassing uit het plot, omdat je aan het einde denkt: o ja, zo is die eerste zin dus bedoeld. Meer niet.

In beide boeken toont Robijn zich in de eerste plaats een verteller. Hij wil het niet hebben van zijn stijl of psychologisch inzicht, het draait om het verhaal zelf. Dat kan gaan over de invloed van de koloniale periode op de Belgen die deze decennia na hun vertrek uit Congo nog voelen, zoals in Congo Blues. Of het conflict tussen ambitie en liefde, de breuk binnen een familie of het verlangen naar het verleden – om wat thema’s uit de bundel te noemen. 
In de jaren tussen debuut en roman heeft hij echter geleerd hoe hij een verhaal beter kan verpakken. Niet meer als een alwetende verteller die zo rechttoe rechtaan het plot uiteenzet dat je alleen maar aan de leiband van de auteur kunt lopen, maar door te vertellen vanuit één hoofdpersoon die ook niet weet wat hem overkomt. Zo onderga je samen met Morgan het effect dat de entree van de vrouw in zijn leven heeft. Je wordt met hem nieuwsgierig naar zijn eigen verleden.
Robijn verhoogt de spanning door Morgan te laten dwalen door een onkenbare wereld zoals de Franse Nobelprijswinnaar Patrick Modiano dat altijd doet. Hij benoemt veel specifieke details: van de namen van straten en kroegen tot het gedrag van allerlei mensen op feestjes. Maar omdat Simona hem iedere uitleg over haar doen en laten onthoudt, blijft Morgan in het duister tasten over de betekenis van alles. Wat doet hij bijvoorbeeld op dat feestje van de mysterieuze Walter, bij wie Simona hem heeft geïntroduceerd?
Dit werkt alleen als je details gebruikt die het mysterie eerder vergroten dan oplossen. Dat doet Robijn. Als Simona en Morgan op genoemd feestje komen, zegt iemand: “Je bent gek, Agnes, dat betekent een verlies van driehonderdduizend.” Even later vallen plaatsnamen: Cagnes-sur-Mer, Vincennes, Sterrebeek. Het is precies genoeg om een onbestemde sfeer van rijkdom te schetsen. Nog mooier is als deze Walter uitlegt waarom er feest is: “Ik ben jarig vandaag. Blijkbaar vindt iedereen dat een drieëndertigste verjaardag gevierd moet worden.” Een zin die een hele wereld oproept.

Het sluit aan bij een ander aspect waarin Robijn beter is geworden: stijl. In zijn verhalenbundel zette hij zijn verhalen grof in de verf, waardoor ze nogal ongeloofwaardig werden. Zo gaat de zoon in ‘De indringer’ zich te buiten aan drugs. ‘Hij werd daarin bijgestaan door Bianca García Sánchez, die niet alleen onbegrijpelijk Engels sprak maar ook, dankzij haar roemruchte afkomst, het zonnige, zuiderse, opvliegende karakter van een rasechte zigeunerin had.” Kan het clichématiger?
Vergelijk dat met een typering uit het zo veel bescheidener, subtieler en daardoor levensechter geschreven Congo Blues. Als Simona onverwacht is verdwenen en Morgan naar haar op zoek gaat, staat hij voor een receptionist van een hotel waar ze verbleef. “Uit zijn mond kwamen de onverstaanbare woorden van iemand die zijn onzekerheid al een tijdje niet meer de baas is, maar die er tegelijkertijd niet in slaagt om die emotie te camoufleren.” Dat vind ik wél origineel en intrigerend.

Robijn houdt de mysterieuze sfeer van zijn roman tot het einde toe vast, ook als Morgan vanaf ongeveer de helft van het boek steeds meer over Simona komt te weten. Hij ontmoet allemaal mensen, hoofdzakelijk voormalig kolonialen (zoals zijn eigen stiefmoeder), die hem iets wijzer over haar kunnen maken. Haar relatie met Walter – die ik hier niet zal onthullen – wordt bijvoorbeeld uiteindelijk helder. Maar omdat niemand echt de waarheid weet, blijft hij aarzelen met het trekken van conclusies.
Dat is zonder meer knap gedaan. Aan het slot heb je daarom én een idee van de verwevenheid van de vermogens die ooit zijn vergaard in de Belgische kolonie, met de ontheemden die op een of andere manier uit Congo in Brussel zijn beland, én een consistente leeservaring die niet is verpest omdat de schrijver zo nodig keurig uit de doeken wil doen hoe hij alles heeft bedoeld. Robijn vertelt een boodschap zonder die zijn lezers in het gezicht te duwen.
Daarom is het des te spijtiger dat zijn uitgeverij dat wél heeft gedaan. Op de achterflap – die ik gewoontegetrouw godzijdank pas na afloop heb gelezen – schrijft Cossee onomwonden welk “weinig bekend hoofdstuk uit de koloniale geschiedenis” de auteur heeft geïnspireerd, toen hij daar tijdens zijn werk voor Artsen Zonder Grenzen over hoorde. Waarom? Het dreigt een prachtige literaire roman te reduceren tot een flauwe tendensroman of invuloefening.
Wie door deze bespreking nieuwsgierig is geworden naar Congo Blues, kan ik daarom alleen maar aanraden: vermijd de achterflap.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel)