Posts tonen met het label De Standaard. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Standaard. Alle posts tonen

maandag 25 mei 2015

Interview Stephan Enter over 'Compassie' (De Standaard)

Hoe kan een relatie ontsporen als je elkaar hebt leren kennen via internet? Stephan Enter onderzoekt die vraag in zijn nieuwe roman. 'Ik heb misschien wel de langste cunnilingusscène uit de Nederlandse literatuur geschreven.'

Echte lezers bestaan nog

Mensen ontmoeten hun geliefde niet meer op dezelfde manier als twintig jaar geleden. 'Toen kwam je iemand tegen op een sportvereniging, via vrienden of op je werk. Je wist meteen hoe die ander bewoog, hoe die rook, wat voor stem die heeft. Tegenwoordig ontmoeten veel mensen elkaar via internet. Dan heb je al die informatie niet. Je ziet een foto van iemand, leest de informatie van zijn of haar profiel, correspondeert per e-mail. Je hebt al een beeld van de ander voor je die ontmoet.'
Dat leidt tot de vreemdste situaties, weet Stephan Enter. 'Mensen blijken bijvoorbeeld van alles te verzinnen. Een vriend van mij datete al drie maanden een vrouw toen bleek dat ze man en kinderen thuis had. Of je hebt bij voorbaat een positief en leuk gevoel bij iemand waardoor je totaal verrast bent als ze bij de vierde ontmoeting opbiecht aan de antidepressiva te zitten. Als je iemand op een sportveld ontmoet, sta je nog blanco tegenover de ander en vallen de voortekenen je eerder op.'
De 41-jarige schrijver werkte al jaren aan een social comedy à la Jane Austen. Maar dit gegeven hield hem zo bezig dat hij dat project tijdelijk liet liggen – temeer omdat hij nog nooit een roman had gelezen die de effecten van internetdating onderzoekt. 'De online datingbureaus zwijgen er al helemaal over. Die schilderen internetdaten af als normaal of zelfs ideaal. Maar het is toch vreemd om bij de eerste ontmoeting meteen te weten dat je allebei actief op zoek bent naar een relatie?'
Het resultaat van een jaar broeden en schrijven verscheen vorige maand. Compassie beschrijft de korte relatie tussen de geborneerde Frank en de Nederlands-Duitse promovenda Jessica. Hij beschouwt zichzelf als een getalenteerde minnaar. De bijna-veertiger is gewend van vriendin naar vriendin te fladderen. Zij heeft daarentegen op haar 32e geen enkele ervaring in de liefde. Al snel denkt Frank te weten waarom: ze heeft een onaantrekkelijk lichaam en is daardoor te onzeker geworden.
'Maar hij vindt Jessica al té leuk voor hij daar achter komt. Door haar foto. Door haar profieltekst, die afwijkt van de gebruikelijke onzin over hoe funloving iedereen is. En in de e-mail zegt ze te twijfelen of hij bij haar past. Dat is juist wat bij een blasé persoon als Frank werkt. En dan ontstaat de situatie dat hij zich zo goed bij haar voelt dat hij, ondanks dat hij haar totaal niet aantrekkelijk vindt, besluit tot haar promotie bij haar te blijven, zodat ze tenminste een goede herinnering aan haar eerste relatie heeft.'

Er zullen meer lezers nieuwsgierig zijn naar een nieuwe Enter dan ooit tevoren. Met zijn vierde roman Grip brak de voortreffelijk stilist door naar een groter publiek. Sinds het verschijnen drieëneenhalf jaar geleden zijn er 50.000 exemplaren van verkocht in Nederland en Vlaanderen. Het boek over de vraag hoe om te gaan met vergankelijkheid aan de hand van een reünie won de Prijs van de Lezersjury van de Gouden Boekenuil. En het werd vertaald in het Duits, Noors, Italiaans, Frans en Hongaars.
'Grip heeft me veel gebracht', vertelt Enter in zijn Utrechtse bovenwoning. 'Financieel in de eerste plaats. Ik kan een aantal jaren vooruit zonder dat ik me druk hoef te maken over de vraag of ik een baantje moet zoeken. Dat is het prettigst, de vrijheid die succes geeft. En ik kreeg opeens uitnodigingen als voor de Avond van Wetenschap en Maatschappij. Een avond voor ministers en allerlei notabelen in de Ridderzaal in Den Haag waar ze dan ook een schrijver bij willen hebben.'
Het leukste waren de reisjes die hij – op kosten van buitenlandse uitgevers – kon maken om het verschijnen van vertalingen op te luisteren. 'Behalve dat het een luxe is als een week lang alles voor je wordt betaald, krijg je een mooi inkijkje in hoe het er in andere landen in de literatuur aan toegaat. Ik kan je vertellen dat een schrijver in elk land met meer egards wordt behandeld dan in Nederland. In Duitsland ben je meteen de zeer geëerde heer de schrijver.'
Toch verandert het succes wat hem betreft niets. Enter gaat onverminderd door met het enige wat hij werkelijk wil doen: romans schrijven. 'Ik ben na Grip veel gevraagd voor bijdragen aan bundels of stukken in tijdschriften, maar ik ga daar bijna nooit op in. Alleen als ik iets klaar heb liggen, anders leidt het maar af van mijn werk aan een roman. Ik wil iedere keer een zo goed mogelijk boek maken. Dat kost tijd. Iedere keer ook meer tijd dan ik me voorneem.'

Het mooie aan Enters doorbraak is dat het uitsluitend aan de kwaliteit van zijn werk is te danken. Hij is nog nooit op televisie geweest. Hij won nog nooit een grote prijs. 'Grip werd goed gerecenseerd en een paar keer genomineerd, maar het succes komt echt door mond-tot-mondreclame. Dat zag je aan de verkoopcijfers: vanaf het begin vertoonden die een langzaam opgaande lijn, met af en toe een piekje zoals toen ik de Prijs van de Lezersjury kreeg – waar ik overigens erg blij mee was.'
De schrijver houdt strikt vast aan zijn privacy. Je hoeft hem niet te vragen in hoeverre Franks ervaringen met internetdaten autobiografisch zijn. 'Laten we zeggen dat ik veel research heb gepleegd.' Je hoeft zelfs niets te vragen over iets anders dan zijn werk. 'Als ik over mijn boek kan praten, sla ik een uitnodiging van De Wereld Draait Door niet af. Zeker niet. Maar waarom zou ik opdraven om bijvoorbeeld over de Tour de France te praten? Dan ben je eerder je schrijverschap aan het prostitueren.'
Dat Grip desondanks zo veel lezers vond is voor hem dan ook een bewijs dat ze nog bestaan: 'echte lezers, die niet op basis van sensatie lezen', zoals Enter ze noemt. 'Ik ben natuurlijk hartstikke blij met 50.000 lezers, maar ik doe het niet voor zo veel mogelijk mensen. Lang dacht ik zelfs dat ik precies dezelfde boeken zou schrijven als ik na een kernramp de enige overlevende zou zijn. Nu ben ik daar van teruggekomen. Ik heb toch de uitdaging nodig: slikt het publiek wat ik bedenk?'

De eerste reacties op Compassie vielen Enter tegen. Drie sterren – op vijf – in De Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij proefde in beide besprekingen een verlangen van de recensent naar een nieuwe Grip. Dat heeft hij juist niet willen maken. 'Waarom zou ik? Een boek schrijven moet geen maakwerk worden. Ik wil iedere keer iets schrijven dat kan mislukken. Dat is het mooiste van het avontuur van schrijven. Dat je met ieder boek ontdekt wat je mogelijkheden zijn. Dat je léért schrijven.'
Compassie is misschien zelfs het tegenovergestelde van zijn succesboek. Waar Grip een complex verhaal is dat zich op veel manieren laat duiden, is Compassie zeer helder. Boy meets girl en daarna gaat het fout. Het motto uit een sprookje van de gebroeders Grimm geeft bovendien meteen de plot weg: Jessica draagt haar schijnbaar uitzichtloze verdriet in hun korte relatie door aan Frank. Door te besluiten met een coda dat de moraal van het verhaal bevat, lijkt Compassie zelf ook op een sprookje.
Een van de uitdagingen die Enter zich in dit verhaal stelde was expliciet schrijven over seks. 'De recensent van Knack schreef destijds in zijn stuk over Grip dat ik waarschijnlijk in driedelig pak achter mijn computer zat te schrijven omdat er in mijn boeken nooit seks voorkwam. Nu heb ik misschien wel de langste cunnilingusscène uit de Nederlandse literatuur geschreven. Nou ja, misschien heeft Herman Brusselmans een langere geschreven. Dat weet ik niet.'
Belangrijker was echter de uitdaging om de balans te vinden tussen Franks liefde voor Jessica en zijn afkeer voor haar lichaam. Het moest geloofwaardig zijn hoe goed hij zich bij haar voelt omdat hij zich dankzij haar opgewektheid, warmte en de liefde van haar naasten voor het eerst wezenlijk voelt. En dat hij zich desondanks alleen met zelfopoffering toe kan zetten om met Jessica te vrijen. 'Scènes waar je om kunt lachen, maar waarbij je ook kunt denken: oei, pijnlijk.'
Zo hoopt Enter dat de lezer na afloop niet weet met wie hij compassie moet voelen. Met Jessica die onder de oppervlakte getormenteerd is en wordt belazerd. Of met Frank die voor het eerst beseft dat hij zich nooit heeft kunnen verbinden met een ander. 'Ik wil het niet benadrukken. Het woord "compassie" komt niet voor in het boek. Ik wil dat de vraag bij de lezer blijft hangen. Dat zie ik ook als het mooiste compliment dat ik kan krijgen: dat een lezer nog een paar dagen over het boek blijft nadenken.'
(Eerder gepubliceerd in De Standaard)

Zie ook:

zondag 15 maart 2015

Niemand anders begint een uitgeverij in Nieuw-Zeeland (Standaard)

Nederlandstalige boeken uitgeven vanaf de andere kant van de wereld? Greet Pauwelijn doet het. Tegelijk publiceert haar Nieuw-Zeelandse uitgeverij Vlaamse kinderboeken in Engelse vertaling. 'Vergeleken bij het Nederlandse taalgebied liggen ze op de Engelstalige markt minstens een generatie achter.'

Een vredig dorpje in Nieuw-Zeeland, vijftig kilometer boven Wellington, direct aan de heldere zee. De vrijstaande huizen stralen kalmte uit in de zomerse warmte. Veel bedrijvigheid lijkt er in Raumati South niet te zijn. Twee cafés op een kruispunt en, richting State Highway 1, een uitgeverij. Een kleurrijke vlag aan de balustrade van een woonhuis dient als adresbord: 'Book Island', staat er groot op.
Greet Pauwelijn streek hier in 2009 neer toen haar echtgenoot meer dan genoeg had van het grijze, gestreste Vlaanderen en naar zijn geboorteland terug wilde. Zelf was ze vertaalster uit het Pools (o.a. van Kapuściński-biograaf Artur Domosławski), dat beroep kon ze overal uitoefenen. Ter plekke begon ze ook uit het Engels te vertalen: The Travelling Restaurant van de Nieuw-Zeelandse Barbara Else.
'Ik had de vertaling aan Lannoo aangeboden,' vertelt Pauwelijn in haar woonkamer. 'Toen het verscheen, realiseerde ik me opeens dat ik het boek ook zelf had kunnen uitgeven. Ik was compleet onervaren maar ik dacht: dat is een makkie. Daarop ben ik gewoon begonnen. Ik ben een West-Vlaming.'
Kansen zag ze genoeg. 'Ik dacht te kunnen putten uit de Nieuw-Zeelandse literatuur – al bleek hier weinig echt interessants te verschijnen. En uit de Poolse literatuur, die vaak wordt genegeerd. Vorig jaar verscheen bij ons Meneer Minuscuul en de walvis van Julian Tuwim en Bohdan Butenko. Dat zijn de Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp van Polen, maar nooit eerder vertaald.'
De afstand van twintigduizend kilometer en een tijdsverschil van 12 uur is geen probleem – dankzij sociale media, internet en lokale partners voor marketing, sales en distributie kan ze de markt prima bewerken. 'Ik kan alleen niet zo vaak evenementen in Nederland en Vlaanderen organiseren of boekhandels bezoeken.'

Al snel besloot Pauwelijn ook in het Engels te gaan uitgeven: 'Het Walvis-boek was evenmin in het Engels verschenen. Als ik het boek in twee talen publiceer, redeneerde ik, kan ik een hogere oplage maken en dus goedkoper produceren per exemplaar. Kansen zijn er in Nieuw-Zeeland zeker. Bovendien konden we de boeken dan ook brengen op de Australische en Britse markt. Het aanbod kinder- en jeugdboeken is er buitengewoon teleurstellend. Vergeleken bij het Nederlandse taalgebied liggen ze in die landen minstens een generatie achter.'
Gecko Press is de enige Nieuw-Zeelandse uitgeverij die Europese kinderboeken in vertaling brengt – van onder meer Leo Timmers en Sylvia Vanden Heede. Een tijdje gaf Pauwelijn de uitgeefster adviezen. Daardoor ontdekte ze dat Gecko Press te moeilijke boeken als Mare en de dingen van Tine Mortier en Kaatje Vermeire, over de hersenbloeding van een oma, niet aandurfde. Díe titels aan de bovenkant van de markt zou Book Island brengen.
'Ik kies mijn boeken op de symbiose van verhaal en illustraties, de universaliteit van het thema, vertaalbaarheid, gelaagdheid, het vermogen om te worden blijven herlezen. Maar ook op: boeken die een beetje buiten de lijntjes kleuren. Dat heb je hier nauwelijks. Van zeker 90 procent van de kinderboeken weet je van tevoren hoe ze aflopen. In Nederland en Vlaanderen is dat misschien 50 procent.'
Bovendien test ze nieuwe titels door op jaarmarkten die Nieuw-Zeelandse plaatsen overal hebben, boeken neer te leggen. 'Ongeacht in welke taal ze zijn verschenen. Door gewoon te kijken wat ze oppakken, krijg ik een indruk of een titel kan aanslaan.'

Begin 2012 ging Book Island van start. Sindsdien zijn vijftien boeken verschenen. Zes Nederlandstalige, waaronder Azizi en de kleine blauwe vogel van Laïla Koubaa en Mattias De Leeuw. Negen Engelstalige: vertalingen van onder andere Lorraine Francis en Pieter Gaudesaboos (Tommie en de torenhoge boterham) en Dirk Nielandt en Marjolein Pottie (Help! Help!). Drie daarvan verschenen tegelijk in het Nederlands en Engels, het recentst Nooit meer bang van de Brusselse Mélanie Rutten.
Het Nieuw-Zeelandse klimaat werkte zeer stimulerend. 'Hier zegt iedereen meteen: go for it! Terwijl men in Vlaanderen zich vooral afvraagt: weet je waar je aan begint? Hier kán je ook een uitgeverij beginnen. Het kostte me zestig euro en tien minuten. Toen was ik vertrokken. In Vlaanderen moet je overal diploma's voor hebben, startkapitaal inleggen, eindeloos papieren invullen. '
Aan de andere kant nekte het positivisme Pauwelijn bijna. Want zo makkelijk bleek uitgeven niet. 'Ik had het compleet onderschat. Door het tijdverschil werkte ik altijd: 's ochtends en 's avonds deed ik Nederland en Vlaanderen, daartussen Nieuw-Zeeland en Australië. En elke stap was een nieuwe uitdaging. Ik kreeg na een tijdje lichamelijke klachten, maar ik kon niet meer stoppen. Ik had zes boeken in productie. Dat doe ik niet meer. Ik werk nu van project naar project.'

Op de Nederlandstalige markt vonden haar boeken hun weg naar de onafhankelijke boekhandels, museumwinkels maar ook Standaard Boekhandel. Dankzij mogelijkheden om samen te werken zag ze altijd wel een manier om een titel te promoten. Zo gingen D.E.S.I.G.N. van Ewa Solarz en het Walvis-boek gepaard met expo's in het Designmuseum (Gent) en het Nationaal Visserijmuseum (Oostduinkerke). 'Omdat ik geen budget heb voor evenementen, moet ik altijd zulke partners vinden.'
In Nieuw-Zeeland binnenkomen in de boekhandel was moeilijker. De do it yourself-mentaliteit leidt ertoe dat veel auteurs in eigen beheer uitgeven. Een uitgeverij beginnen voor andermans werk doet niemand. 'Ook al staan er auteursnamen op mijn boeken, men vraagt tóch of ik ze zelf heb geschreven. Men begrijpt het vaak niet.' Gelukkig plaveide een goede ontvangst van de boeken toegang tot boekhandels.
'Onze titels zijn relatief duur,' vertelt Pauwelijn. 'In Nieuw-Zeeland heerst een wegwerpcultuur. Men koopt liever iets van 1 dollar dat na een week moet worden vervangen dan in één keer iets voor 52 dollar waar je een heel jaar mee doet. Kinderboeken zijn dus vaak paperbacks. Vreselijk. Na een keer lezen heb je krullen, na een jaar kun je het weggooien. Ik wil juist hardcovers, al heb ik ook paperbacks – maar dan wel met flappen.'
Toch hoeft de uitgeverij niet te klagen. Drie jaar na de start heeft Book Island 'een keerpunt' bereikt. Dankzij de erkenning – goede recensies, nominaties voor de Jenny Smelik-IBBY prijs, selecties voor de Jeugdboekenweekpakketten – maakt de uitgeverij inmiddels winst. 'Het mooiste nieuws is wellicht de nominatie van Nooit meer bang voor de Boekenpauw.'

(Eerder gepubliceerd in De Standaard, 13 maart. Een andere versie verscheen in januari 2014 in Boekblad.) 

donderdag 4 december 2014

De nalatenschap van boekendokter Thomas Blondeau (De Standaard)

In De boekendokter bedde Roderik Six de beste literair-medische adviezen van Thomas Blondeau (1978-2013) in een doorlopend verhaal. Daardoor besef je pas goed dat het de boekendokter menens was.

U denkt aan zelfmoord, maar wil er vanaf gehouden worden. Hoe? Na enig googlen vindt u het advies dat Thomas Blondeau in augustus 2010 op Cobra.be gaf. Doe het niet, maar lees het gedicht The Laughing Heart van Charles Bukowski. Het is 'een gedicht dat niets oplost maar een klein beetje [helpt] de neus net boven de drab te houden. Een paar millimeters kunnen genoeg zijn.' Het had hem zelf ook geholpen om de twintig regels tellende tekst uit het hoofd te leren.
De romancier Blondeau – een jaar geleden, amper 35 jaar oud, plotseling overleden aan een hartslagaderbreuk – bedacht De Boekendokter een jaar of vijf geleden. Hij schreef, gekleed in een witte doktersjas, literaire medicijnen voor aan ieder die zich in zijn ouderwets dokterskabinet meldde op de Boekenbeurs of andere literaire festivals. Hij gaf op thomasblondaeu.cobra.be gerichte leesadviezen aan al die het volgens hem nodig had. Maar werd hij ook serieus genomen?
Waarschijnlijk niet. Er zijn maar heel weinig mensen die bij overgewicht, weerzin om belastingformulieren in te vullen of na een scheiding denken aan literatuur ter demping van hun leed – al helemaal niet wanneer hun pijn en twijfel zo groot is dat zelfdoding een optie is geworden. De bibliotherapie die Blondeau op internet praktiseerde, was toch niets meer dan een mooie aanleiding tot het schrijven van een prikkelende en lezenswaardige column?

Uit de pas verschenen bundeling van zijn beste recepten blijkt echter hoe serieus Blondeau zijn werk als Boekendokter nam. Dat is te danken aan Roderik Six, die de adviezen in een context plaatste. Hij schreef een bombastische in- en uitleiding waarin met veel omhaal weinig origineels wordt gezegd – sla die teksten gerust over. Maar hij bedacht ook een uitvoerig en fraai verhaal over streekgenoot en mislukte auteur Victor Watt, die door Blondeau wordt ingehuurd als assistent.
Six schetst een beeld van de schrijver als een strenge man met een licht sardonische inslag die zijn taak zeer serieus neemt. In een half-Dickensiaans, half-modern Amsterdam waar nog diligences rondrijden, ontvangt hij op zijn drukbezochte praktijk aan de chique gracht de hele dag patiënten die hij, minzaam wrijvend over zijn baard, probeert te helpen door zich zo goed mogelijk in hen in te leven. 's Nachts brengt hij studerend en schrijvend in stilte door.
Als je dán, goed uitgekiend in het verhaal, Blondeau's literair-medische adviezen herleest, denk je werkelijk: ja, die vriend bij wie de kilo's eraan blijven komen, moet ik De geheugenloper van Ron McLarty cadeau doen. Als ik geld aan de belasting overmaak, heb ik The Electric Kool-Aid Acid Test van Thomas Wolfe bij de hand. En voor mijn vrouw mij onverhoopt verlaat, haal ik alvast Leven in eenzaamheid van Petrarca in huis. Voor de zekerheid leer ik zelfs Bukowski uit mijn hoofd.

Door deze originele aanpak besef je ook hoe belangrijk Blondeau is geweest voor de promotie van bibliotherapie. In de tijd dat hij zijn praktijk opende, maakte het begrip alleen opgang in medische kring. Wie een serieus zelfhulpboek las over zijn psychische kwaal, voelde zich beter dan wanneer een huisarts hem doorverwees naar een psychotherapeut, zo bleek uit allerlei onderzoeken. Maar je beter in je vel voelen door romans of poëzie te lezen? Die goede raad hoorde je nooit.
Geïnspireerd door Blondeau zijn inmiddels meerdere boekendokters actief in het Nederlandse taalgebied – zij het dit jaar niet meer op de Boekenbeurs. De boekendok­ter is ook niet de eerste literair-medische encyclopedie. Vorig jaar verscheen De boekenapotheek van Susan Elderkin en Ella Berthoud, verbonden aan Alain de Bottons The School of Life in Londen, waarvoor ondergetekende pillen en balsems uit de Nederlandse en Vlaamse literatuur heeft aangedragen.
In essentie gaan de recepten in beide boeken uit van dezelfde principes. Of een patiënt herkent zich in een personage en wordt zo een uitweg gewezen. Wie liefdesverdriet heeft, zo suggereert Blondeau, leze een boek waarin iedereen aan de problemen des levens leidt. Of een patiënt krijgt een uitvergroting van zijn kwaal te lezen, waardoor hij in één keer wakker schrikt. Blondeau verwoordt het alleen stelliger. Hij is 'aanhanger van de methode om een probleem op te lossen door het te vergroten.'
Een nadeel van De boekendokter is wel dat Blondeau de zieke medeburgers vaak specifiek benoemt en daarbij heeft geput uit actualiteit. Jan-Luc Dehaene, Evy Gruyaert en Lernout & Hauspie – de boekendokter heeft hen allen getracht te genezen. Anderen op zoek naar verlichting zullen zelf moeten bedenken waar deze personen symbool staan. Zo moet niet alleen Evy Gruyaert Factotum van Charles Bukowksi – weer hij – lezen, maar iedereen met een 'onstuimige can do-mentaliteit'.
(Eerder gepubliceerd in De Standaard, 28 nov)

THOMAS BLONDEAU & RODERIK SIX
De boekendokter
De Bezige Bij, 240 blz., € 17,90

vrijdag 8 november 2013

Met luistertaal begrijp je anderstaligen sneller (De Standaard)

Vreemdelingen begrijpen elkaar soms beter wanneer ze allebei hun moedertaal spreken dan wanneer ze overstappen op Engels. Luistertaal hanteren ze dan.

Een schrijver in het Duits interviewen? Ik zou wel gek zijn. Zo goed is mijn Duits niet. Maar Claudia Schreiber, bekend van Emma’s geluk, overtuigde me. Ik zou in het Nederlands vragen stellen, zij in het Duits antwoorden en we zouden elkaar heus wel begrijpen. Dat bleek maar al te waar. Binnen een paar minuten vergat ik dat we allebei onze moedertaal spraken en voerden we een levendig gesprek.
Zonder het te weten maakte ik gebruik van luistertaal. De Nederlandse taalkundige Jan ten Thije heeft die term gemunt voor het verschijnsel dat iedereen kent: een taal niet spreken, maar er genoeg van weten om hem te verstaan. Het verschijnsel bestaat zelfs al zo lang meertaligheid bestaat. Ten Thije wijst op de Hanzesteden. De handelaren volgden in de late middeleeuwen geen taalcursus voor ze op reis gingen. Iedereen verstond elkaars dialect goed genoeg.
In het veeltalige Europa, waarin iedereen privé of zakelijk steeds meer contacten heeft over de grens, kan luistertaal een uitstekend hulpmiddel zijn. ‘Als een Nederlander met een Duitser praat, kan geen van beiden in het Engels goed alle nuances weergeven,’ legt Ten Thije uit. ‘Integendeel: in zijn moedertaal kan men zijn bedoelingen vaak beter uitleggen. Bovendien ontslaat luistertaal de sprekers van de psychische belasting een taal te moeten spreken die je niet goed beheerst.’
Luistertaal werkt niet in alle gevallen. In een vergadering waarin sprekers van de 23 officiële EU-talen bij elkaar zijn, zijn er simpelweg te veel verschillende talen. Ook in onderhandelingen waar een juridisch contract moet worden vastgelegd kan beter een tolk of vertaler worden ingeschakeld.
Ten Thije: ‘In Scandinavië, zijn de talen zo verwant dat iedereen bijna automatisch luistertaal gebruikt. Tussen andere talen is een minimale basiskennis nodig. Hoe groot die kennis is, hangt af van de situatie. Dat kan heel weinig zijn. Als een Est een Rus – sprekers uit verschillende taalfamilies – op de kaart wil aanwijzen hoe hij moet lopen, kan een paar steekwoorden al voldoende zijn.’
Om luistertaal optimaal te kunnen inzetten is nog veel onderzoek nodig. ‘Ook moeten we nog nagaan hoe we een cursus voor onderwijs in luistertaal moeten opzetten. Welke strategieën moet je mensen aanleren? Hoe kunnen ze controleren dat de ander hen echt begrijpt? Voor leesvaardigheid in vreemde talen is daar wel al een stap in gezet: er is een methode bedacht waarbij je met behulp van zeven filters door vergelijking van verwante talen sneller een nieuwe taal kunt leren begrijpen. ’
Lang had Europa geen oog voor luistertaal. Volgens het taalbeleid moet iedereen in contact met Europese instellingen zijn eigen taal kunnen spreken. Ten Thije bespeurt nu meer openheid voor effectievere vorm van meertalige communicatie tussen burgers en organisaties . Mede om financiële redenen: grootschalige toepassing van luistertaal binnen Europa kan een forse besparing opleveren op kosten voor tolken en vertalers. Er is daardoor meer interesse en budget voor nader onderzoek.
In België kijken velen met een ideologische blik naar luistertaal. Niet iedereen accepteert het als mogelijkheid voor contacten tussen Frans- en Nederlandstaligen, heeft Ten Thije gemerkt. ‘Vanuit de geschiedenis is goed het belang te begrijpen dat Vlamingen en Walen aan hun eigen taal hechten. Maar luistertaal wordt wél gebruikt. Di Rupo verstond bij de regeringsonderhandelingen de Nederlandstaligen best. De tijd die de tolk nodig had, kon hij gebruiken om na te denken over zijn antwoord.’
(Eerder gepubliceerd in De Standaard, 5 nov 2013) 

Zie ook:

maandag 18 maart 2013

Interview: Renate Dorrestein over 'De blokkade' en haar writer's block (De Standaard)


Schrijvers praten niet over hun writer’s block. Renate Dorrestein doorbrak het taboe. In De blokkade onderzoekt ze wat de beroepsziekte precies is en wat schrijvers eraan kunnen doen.

Renate Dorrestein: ‘Ik wilde niet ook nog een liegende mislukkeling zijn’

Wie vage hoofdpijn heeft, zoekt eerst op internet naar informatie – en voelt zich daarna meestal een stuk beroerder. Toen Renate Dorrestein een writer’s block kreeg, surfte ze ook direct het internet op. Hoewel de schrijfster van Een hart van steen (1998) en De stiefmoeder (2011) onnoemelijk veel hits kreeg, vond ze bijna niets wat haar kon helpen om het probleem te bestrijden.
Dorrestein liep begin vorig jaar vast na zes maanden vruchteloos ploeteren aan een nieuwe roman. Het vooruitzicht om wéér tien versies te schrijven voor ze een soepel lezend, subtiel uitgewerkt, goed gedoseerd verhaal had, maakte haar kotsmisselijk. Letterlijk. Alleen al de aanblik van haar werkkamer, waar ze dagelijks met zo veel plezier naartoe ging, deed haar wanhopig terugdeinzen.
Uniek is die ervaring allerminst. Honderden schrijvers voor haar hadden een ernstig writer’s block. Maar Dorrestein is wel de eerste die besloot er een informatief boek over te maken. Als een auteur al over de gevreesde beroepsziekte schrijft, is het fictie. De blokkade is een persoonlijke verslag van haar eigen gang door de hel én een journalistiek onderzoek naar oorzaken en mogelijke oplossingen.

Wist u meteen: ik ga het boek schrijven over writer’s block dat nog niet bestond?
‘Nee. Aanvankelijk was ik in paniek. Mijn toekomstperspectief was in elkaar geklapt. Ik had altijd gedacht dat er na iedere roman een nieuwe zou komen. Pas toen ik me erin ging verdiepen en ontdekte dat er zo weinig informatie te vinden is waar je wat aan hebt als je met de rug tegen de muur staat, werd writer’s block ook een onderzoeksobject. De enige zinnige informatie op internet is toegespitst op milde gevallen. Trucjes die je kunt leren om het schrijven vlot te trekken. Trucjes die ik allang toepas.’

Waarom zwijgen uw collega’s het liefst over hun onvermogen om te schrijven?
‘Uit gêne. Je voelt je zo’n loser als iets wat je vanzelfsprekend afging, niet meer gaat, zonder dat je daar een verklaring voor hebt. Vergelijk het met mensen die jarenlang voor hun partner verborgen houden dat ze zijn ontslagen. Iedere dag gaan ze naar hun werk en vervolgens zitten ze in het park te wachten tot ze weer naar huis kunnen. Writer’s block wordt ook gezien als gebrek aan wilskracht. Als iets voor watjes. Ook daarom wilden de meeste collega’s niet met mij over het onderwerp praten. Nee, ik noem geen namen.’

En dat terwijl veel literatuur gaat over mislukken.
‘Inderdaad. Dat is een interessante paradox. Fictie exploreert de schaduwzijde van het leven, maar als het onszelf betreft, doen schrijvers er besmuikt over. Zelf vond ik het een opluchting om het desgevraagd te vertellen. Lezers vragen mij vaak: gaat het goed met uw nieuwe roman? Het voelde ongemakkelijk om dan te mompelen: ja, ja. Als ik al een mislukkeling was, wilde ik niet ook nog een liegende mislukkeling zijn.’

Het verbaasde me te lezen dat u uw writer’s block zo fysiek onderging.
‘Het was ook toen ik tegen mijn zus zei dat ik kotsmisselijk werd bij het idee om een roman te moeten schrijven, dat ik voor het eerst besefte dat ik een writer’s block had. Dat was toen al niet meer overdrachtelijk bedoeld.’

Uw blokkade ontstond toen u een roman schreef waarin een zelfmoord voorkwam. Was er niets aan de hand geweest als u aan een ander verhaal had gewerkt?
‘Dat denk ik niet. Ik had ook plots het gevoel dat ik verantwoording moest afleggen over mijn werkwijze toen journalisten ernaar vroegen. Dat heb ik nooit eerder gehad. Ook speelde mee dat ik dit jaar dertig jaar besta als auteur. Onbewust hield ik mijn hele oeuvre tegen het licht en ontdekte ik dat ik de grote roman over het effect van zelfmoord op nabestaanden niet heb geschreven. Dat ik de roman die ik had moeten schrijven, niet durfde te schrijven.’

Vanwege uw jongste zusje dat zelfmoord pleegde toen ze twintig was. Had u zonder haar nooit een writer’s block gehad?
‘Wie weet wat voor andere monsters me dan hadden achterna gezeten. In ieder mensenleven gebeuren dingen die je probeert te verdringen. Ik wil daar geen hiërarchie in aanbrengen.’

Voor u die ontdekking deed, onderzocht u veel theorieën en therapieën. U schrijft daar mild over. Toch lijkt het meeste me onzin.
‘Maar niet alles. Jan Derksen legde uit dat iedereen risico loopt tot stilstand te komen als hij te weinig in het hier en nu leeft en dat schrijvers meer risico lopen omdat ze altijd maar bezig zijn met de toekomst: met het boek dat af moet. En Alice Flaherty gaf inzicht in wat er breinmatig gebeurt. Ze legt uit dat het falen in het systeem zichtbaar en aantoonbaar blijkt. Dat troost mij.’

Gelooft u ook in haar toekomstige oplossing van writer’s block: transcranial magnetic stimulation?
‘Ik weet het niet. Er moet meer onderzoek naar worden verricht, zegt Flaherty. Het risico is dat je writer’s block medicaliseert. Dat je de symptomen bestrijdt, terwijl je de oorzaak blijft verdringen. In de long run is het beter als je de ziekte echt verwerkt. Mij heeft de zoektocht in ieder geval verrijkt. Het heeft me weer dichter bij mezelf gebracht.’

Aan het slot van De blokkade heeft u uw geloof in het schrijven terug. Maar schrijft u ook?
‘Voorlopig zit ik tot het einde van de Boekenweek vol met afspraken. Daarna heb ik weer de benodigde tijd en rust. Plannen heb ik niet. Ik wacht tot me iets te binnen schiet, zoals het altijd is gegaan. Ik vind dat ook heel spannend.’

Bent u niet vastbesloten om de grote roman over het effect van zelfmoord op nabestaanden te gaan schrijven?
‘Ik laat het gewoon open. Ik ken geen andere manier van schrijven dan wachten op wat er komt. In ieder geval maakt De blokkade dat effect ook zichtbaar. Ik krijg nu al tientallen mails per dag van lezers die me daar dankbaar voor zijn. Daar ben ik heel blij mee.’
(Eerder gepubliceerd in De Standaard, 15 maart 2013)

woensdag 28 november 2012

Mannentaal is informatief, vrouwentaal betrokken (De Standaard)


Mannen- en vrouwentaal is niet dezelfde. Nieuw onderzoek heeft dat nogmaals aangetoond. Maar de verschillen worden mogelijk wel kleiner.

Opleiding maakt uit. Leeftijd. Regionale afkomst. Maar niets is zo bepalend voor het taalgebruik als het geslacht. Dat ontdekte Karen Keune, die onlangs aan de Radboud Universiteit Nijmegen promoveerde op de analyse van het Corpus van Gesproken Nederlands, een databank van acht miljoen woorden. Mannen- en vrouwentaal vertonen een fundamenteel verschil.
Een Nederlander gebruikt andere woorden dan een Vlaming, legt Keune uit, ‘maar als je die geografisch-specifieke woorden eruit haalt, spreken beiden eigenlijk hetzelfde.’ Dat is anders bij mannen en vrouwen: hoe je de samples uit de databank ook bewerkt, steeds komen dezelfde verschillen naar voren.
Mannen gebruiken meer zelfstandige naamwoorden, vrouwen meer werkwoorden. Mannen hanteren meer weinig voorkomende woorden. ‘De meeste woorden die maar één keer in het Corpus voorkomen, zijn uitgesproken door een man,’ zegt Keune. ‘Vrouwen gebruiken weer vaker de tachtig meest frequente woorden. Vooral de woorden met weinig inhoud, woorden die de zin bijeenhouden of op communicatie zijn gericht, zoals “oh”’.
De verklaring hiervoor is dat mannen informatiever spreken. Zij praten om informatie over te dragen. Vrouwen houden meer rekening met hun gesprekspartner. Zij hanteren een meer betrokken taal.

De conclusies van Keune sluiten aan bij eerder onderzoek naar het verschil tussen mannen- en vrouwentaal. Agnes Verbiest heeft daar als hoofddocent taalbeheersing aan de Universiteit Leiden veel pionierswerk in verricht. Zij legde in haar werk een vergelijkbaar onderscheid bloot.
Juist Verbiest is sinds haar pensionering in 1999 gaan twijfelen over de verschillen. Onderzoek heeft ze er niet naar verricht, maar als ze de krant leest en televisie kijkt, krijgt ze sterk de indruk dat vrouwen en mannen steeds meer elkaars register kunnen bespelen.
‘Vrouwen wordt het toegestaan om de stereotypen van mannelijk taalgebruik over te nemen,’ legt ze uit. ‘Zij mogen stoer, kort, zakelijk, weinig empathisch praten. En andersom gebeurt het net zo goed. Mannen mogen invoelend en complimenteus zijn.’
De oorzaak is volgens haar simpel: vrouwen emanciperen. ‘Het taalgebruik was toegespitst op de toenmalige wereld. Vrouwen hadden de privéwereld, mannen de openbare wereld. Nu de beroepen zich mengen – mannen worden verpleegkundigen, vrouwen zitten in de Raad van bestuur – breidt hun repertoire zich uit.’
Alleen: de verwachtingen blijven daarbij achter. Een vrouwelijke directeur die niet praat als stereotype vrouw wordt in de media omschreven als bits of strak. En andersom: een man die een vergadering verlaat om zijn kleuters op te halen wordt niet meer bewonderd om zijn emancipatoire houding, maar bespot.
‘Verwachtingen lopen altijd achter bij de werkelijkheid. Maar ook dat verandert. Toen de dochter van Hanja Maij-Weggen bij haar installatie in de Tweede Kamer werd gevraagd wat ze van haar moeder had geleerd, zei ze: “dat ik er altijd netjes uit moet zien”. Twintig jaar geleden had een vrouw zo’n grapje niet durven maken.’
Mannen en vrouwen zijn zich ook bewuster geworden van de verschillen in taalgebruik. ‘Vrouwen zetten hun stereotype taalgebruik soms bewust in als dat nuttig is. In de verzorgingssector is hun meevoelende stem heel belangrijk. Maar als ze directeur willen worden, passen ze hun taalgebruik daarop aan. En mannen geven andere complimenten dan vrouwen, maar hebben inmiddels geleerd op het juiste moment ook empathische complimenten te maken: wat zit je haar leuk.’

Keune kan Verbiests redering goed volgen. ‘Als vrouwen minder thuiszitten en meer werken, leren ze het lexicon van de werksfeer aan. Ze zullen informatiever spreken dan bij een gesprek met de buurvrouw,’ zegt ze. ‘Hun spraak zal meer zelfstandige naamwoorden en weinig voorkomende woorden bevatten. ’
Toch denkt ze niet dat mannen- en vrouwentaal ooit exact hetzelfde zal zijn. ‘Ik denk dat het verschil ook genetisch is. Waarom hebben vrouwen anders in alle culturen dezelfde taak gekregen? Waarom is daar geen verschil in ontstaan? Daar moet een biologische verklaring voor zijn. Het is speculatief, maar dat lijkt me logisch.’
(Eerder gepubliceerd in De Standaard, 20 nov 2012. Gemaakt voor hetzelfde project als dit en dit artikel.)

zaterdag 24 november 2012

Een sollicitatiebrief kan nog altijd het best goed gespeld zijn (NRC Handelsblad / De Standaard)


Niet iedereen gebruikt een spellingchecker,’ zegt Bianca Elshout, recruiter van het Diaconessenziekenhuis in Leiden, met gevoel voor understatement. ‘Voor sommige mensen die solliciteren naar facilitaire functies is het schrijven van een brief al een uitdaging. Laat staat dat die goed gespeld is.’
De ervaring van Elshout staat niet op zichzelf. Iedereen in Nederland en Vlaanderen die brieven van werkzoekenden onder ogen krijgt, verbaast zich regelmatig over de blunders. Flagrante d/t-missers. Woorden met drie medeklinkers achter elkaar. De elementairste spellingregels worden regelmatig overtreden.
Voor zover wervers het kunnen inschatten is het niveau alleen maar beroerder geworden. ‘In de leeftijd tot 24 jaar is de kwaliteit echt slechter’, meent Rick Kessels, accountmanager van uitzendbureau Pro Industry in Breda.
Mogelijk komt dat door de oprukkende gewoonte om via Twitter op een vacature te reageren, veronderstelt Elshout. ‘Als je snel reageert, neemt het aantal spelfouten ook snel toe. Zelfs in een kort bericht van 140 tekens.’
En dan is het misschien nog erger dan recruiters denken. De meesten nemen niet de moeite te controleren of ieder woord correct is geschreven. Electrabel is een uitzondering. De Vlaamse energieleverancier grijpt bij twijfel wél naar het Groene Boekje.
Doorslaggevend zijn spelfouten alleen echter als foutloos schrijven belangrijk is voor de functie. ‘Voor functies waarbij iemand veel verslagen moeten maken, nodigen we een slechte speller niet uit,’ zegt Ine Seyen, medewerker werving & selectie van het Jessa Ziekenhuis in Hasselt. Electrabel nodigt bij gelijkwaardige cv’s de beste speller uit.
Toch weegt het spellingsniveau altijd mee, denkt Kessels. ‘Onze klanten in de technische sector vragen absoluut niet om spellingsvaardigheden. Maar zelf let ik er altijd op, omdat de mensen die wij bemiddelen later een meer administratieve functie kunnen krijgen. En omdat hun niveau in het algemeen slechter is. Ik nodig de slechtste briefschrijvers nog uit, maar regelmatig blijkt dat ze dan ook mondeling slecht communiceren.’
(Eerder in ingekorte versie gepubliceerd in NRC Handelsblad en De Standaard, beide op 21 nov 2012. Het stuk is voor dezelfde serie bijlagen gemaakt als deze.)

donderdag 22 november 2012

Een Vlaming blijft herkenbaar als hij in Nederland woont (NRC Handelsblad / De Standaard)


De Vlaamse schrijver Ivo Victoria maakt zich geen illusies. Na tien jaar Amsterdam hoort iedereen nog altijd direct dat hij geen Nederlander is. ‘In het slechtste geval houden ze me voor een Brabander.’  Toch is zijn taalgebruik verhollandst. ‘In 2002  wilde ik principieel Vlaams blijven praten. Dat was onmogelijk vol te houden. Op mijn werk begrepen ze me gewoon niet. Daarna begon het Hollands er in te sluipen: je en jij in plaats van ge en gij, “nou”, uitdrukkingen. En nu vragen vrienden in Vlaanderen of ik al een Nederlands paspoort heb aangevraagd.’

Voormalig televisiemaker en schrijver Jef Rademakers weet niet beter of hij krijgt commentaar op zijn uitspraak. In Hilversum ‘lachte de technicus me uit om mijn zachte g’, in Brasschaat – waar de geboren Brabander ruim twintig jaar woont – blijft hij eeuwig de Nederlander. ‘Ik bestel twee schelletjes hesp in plaats van twee plakken ham, maar iedereen hoort dat ik geen Vlaming ben. Mijn dochters die hier op de lagere schoolleeftijd kwamen met hun Gooise r, hebben perfect Vlaamse leren praten. Maar vanaf een bepaalde leeftijd lukt dat niet meer.’

Directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest en Vlaming Jan Raes hoort het ‘meer dan honderd keer per jaar’: dat Nederlands zo graag Vlaams horen praten. ‘Ik ben het beu dat te horen, maar je kan het een ander niet kwalijk nemen dat hij dat graag hoort. Het is ook zachter.  Zelf hoor ik van mijn persoonlijk assistente dat ik directer en strakker ben gaan praten, maar ik ga geen harde g gebruiken. Ik kan het wel, om mijn kinderen aan het lachen te krijgen, maar in het openbaar doe ik het niet. Dan hoor ik dat ik niet mezelf ben. Wel vermijd ik automatisch zo veel mogelijk Vlaamse uitdrukkingen. Dat is efficiënter.’

Directeur Hans Willem Cortenraad van Centraal Boekhuis is in Nederland blijven werken, maar zijn collega’s ontgaat het niet dat hij al een decennium even boven Antwerpen woont. ‘Tijdens teamvergaderingen wordt er af en toe hardop gelachen omdat ik een Vlaams woord gebruik of iets met een Vlaamse tongval zeg. Dat is er onbewust ingeslopen. Andersom bestel ik in België een pintje in plaats van een biertje, om het onderscheid te maken met een toerist uit Nederland, maar ik waag me niet aan een Vlaams accent. Dat zou eerder vreemd overkomen dan authentiek.’

(Eerder - nog verder ingekort - gepubliceerd in De Standaard, 19 nov 2012, en NRC Handelsblad, 20 nov 2012, in het kader van hun gezamenlijk project 'Mijn taal & ik')