Posts tonen met het label BOEK. Alle posts tonen
Posts tonen met het label BOEK. Alle posts tonen

woensdag 20 augustus 2014

Sascha Arango, 'De waarheid en andere leugens' (BOEK)

Sascha Arango (1959) heeft in Duitsland vooral naam gemaakt met scenario's voor misdaadseries als Tatort. Het is dan ook niet verrassend dat zijn eerder dit jaar in het Duits verschenen debuutroman geen literaire roman is, zoals zijn Nederlandse uitgeverij wil doen geloven, maar een spannend boek.
De waarheid en andere leugens onthult niet wie het gedaan heeft. Het is meteen duidelijk dat de schrijver Henry Hayden zijn vrouw Martha van de klif duwt – en dat hij ook alle andere slachtoffers op zijn geweten heeft. Het boek draait evenmin om de vraag waarom hij het heeft gedaan. Over Henry's motieven komen we weinig te weten. Hij heeft een duister verleden: zijn ouders stierven op dezelfde dag, waarbij zijn vader omkwam tijdens een woedeaanval omdat de jonge Henry weer in zijn broek had geplast. Daarna was hij een onaangepast kind in allerlei tehuizen. Maar hoe dat zijn gevoelloosheid en het gemak waarmee hij besluit over leven en dood zou kunnen verklaren, blijft onduidelijk.
Nee, De waarheid en andere leugens laat vooral zien hoe Henry met de keten aan misdaden, gepleegd omdat zijn minnares zwanger blijkt te zijn, weet weg te komen. Hoe het toeval en zijn leugens hem daarbij gunstig gezind zijn. En dat als hij een enkele keer de waarheid spreekt, hij doorgaans niet wordt geloofd.
Dat verhaal heeft Arango vaardig en amusant verteld. De lezer wordt herhaaldelijk op het verkeerde been gezet. De auteur dwingt bewondering af met de manier waarop alle gegevens van het complexe verhaal op elkaar in werken. Maar meer ook niet. Alle personages – Henry voorop – zijn holle vaten. Geen moment krijgen ze inhoud. Ook het thema is niet meer dan een excuus om een mooi verhaal te kunnen vertellen.

Sascha Arango De waarheid en andere leugens (240 p.) – Signatuur, € 19,95 (e-boek € 9,99).
(Eerder gepubliceerd in BOEK 3, 2014)

zondag 10 augustus 2014

Daniel Rovers, 'De zon is het probleem niet' (BOEK)

Hypotheses toetsen aan de werkelijkheid

Waarom koos Brabant in 2010 massaal voor Wilders? Die vraag kun je beantwoorden met 'een complete santenkraam van sociologische, politicologische en historische verklaringen', zoals Daniël Rovers schrijft in 'Reis naar Someren-Eind'. Of je doet als Rovers zelf: naar Brabant afreizen en een willekeurige kiezer intensief te ondervragen. Die vervolgens tamelijk verrassend Partij voor de Dieren blijkt te stemmen, alleen omdat haar dochter zich voor die partij inzet.
Het tekent de inzet van de reisverhalenbundel De zon is het probleem niet. Rovers, gepromoveerde literatuurwetenschapper, heeft een intellectueel profiel, maar hij wil geen genoegen nemen met de kennis die hij van papier opdoet. Hij legt zijn boekenwijsheid naast wat hij meemaakt op vakantie (in Afrika), wat vrienden hem kunnen vertellen (over grote multinationals) of inzichten opgedaan tijdens vakantiebaantjes (bij Australische en Zeeuwse fruittelers).
Rovers zoekt geen avontuur. Hij mist daarvoor de benodigde onverschrokkenheid en doorzettingsvermogen. Een plan om naar Lampedusa te liften laat hij bij de eerste tegenslag al varen. Maar het gaat hem ook niet om de reis. Hij hoeft niet te imponeren met zijn belevenissen. Hij wil hypotheses toetsen aan de werkelijkheid – al spreekt hij die vooronderstellingen meestal niet uit: de wederwaardigheden die hij noteert moeten voor zichzelf kunnen spreken.
Rovers geeft de lezer daardoor het gevoel, zeldzaam voor reisboeken, dat die de beschreven reizen zelf ook had kunnen maken. Dat versterkt de kracht van zijn scherpe waarnemingen, die hij kalm en helder in vaak lange zinnen beschrijft. Inderdaad, denk je dan bijvoorbeeld na het lezen van ‘Reis naar Someren-Eind’: de werkelijkheid is veel te complex om zich te laten vangen in eenduidige verklaringen, het is niet te zeggen waarom Wilders uitgerekend in Brabant zo veel aanhang heeft.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 3, 2014)

Daniël Rovers De zon is het probleem niet (288 p.) – Wereldbibliotheek, € 19,95

Zie ook het vervolg: is dit boek wel non-fictie?

donderdag 7 augustus 2014

Auke Hulst, 'Buitenwereld, binnenzee' (BOEK)

Waarom reist een reiziger

Met professionele reizigers is iets mis, schrijft Auke Hulst in het laatste stuk van zijn reisboek Buitenwereld, binnenzee. Maar erover spreken? Of zich zelfs maar bewust zijn van 'het zoekende, de onrust, de ontevredenheid' in henzelf? Dat niet. Liever concentreren ze zich op hun reizen, hun ontmoetingen, hun belevenissen. Zichzelf stoppen ze ver weg.
Hulst (1975) doet dat juist niet. Buitenwereld, binnenzee wil geen reisboek zijn, maar een onderzoek naar zijn motieven om over de wereld te trekken. Tot zijn dertigste durfde hij de grens nauwelijks over. Waarom nu wel? En waarom het liefst naar plekken waar films zijn opgenomen, auteurs liggen begraven of beroemde doeken zijn geschilderd? Meer dan eens verwijst hij naar zijn ouderloze jeugd, waarover hij schreef in de roman Kinderen van hetRuige Land, dat hem zich deed verschansen in literatuur. Die reizen in zijn hoofd is hij later in het echt gaan maken – om zich te verbinden met zijn vroegere zelf, zijn eigen fascinaties of andere mensen die hij op reis ontmoet.
De prettig bedachtzaam geschreven bundel bevat ook pure reisverhalen: naar het Harar (Ethiopië) van Rimbaud of het Japan van Murakami. Maar deze lijken vooral te dienen als illustratie van Hulst' stellingen. Ze versterken zo de belangrijkste impuls die van Buitenwereld, binnenzee uitgaat: je eigen redenen bevragen waarom je je huis verlaat. Of juist thuisblijft.
Dat maakt ook de echte reisverhalen interessanter dan het doorsnee variant, dat je hoofdzakelijk leest uit interesse voor een bepaald land.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 3, 2014)

Auke Hulst Buitenwereld, binnenzee (152 p.) – Ambo|Anthos, € 16,99 (e-boek € 9,99).

Zie ook;

dinsdag 5 augustus 2014

Ida Simons, 'Een dwaze maagd' (BOEK)

Die onbetrouwbare volwassenen

Een dwaze maagd van Ida Simons raakte in de vergetelheid toen de schrijfster in 1960, kort na verschijnen van haar debuut, op 49-jarige leeftijd overleed. Toen de heruitgave eerder dit jaar verscheen, haalde de literaire pers de betrekkelijk korte roman (bijna tweehonderd pagina's) binnen als een nieuw meesterwerk dat op hetzelfde niveau staat als De avonden of Oeroeg.
Is dat overdreven? Als je begint te lezen met het vooropgezette idee een parel in handen te hebben: ja. Alles valt tegen waar je te veel van verwacht. De roman is bovendien tot 1989 vijf keer herdrukt, mopper je dan – dus hoezo vergeten? Als je daarentegen onbevooroordeeld leest: nee.
Aanvankelijk lijkt de roman weinig meer te behelzen dan jeugdherinneringen van het joods meisje Gittel tijdens het interbellum, die ook door de opbouw in losse scènes doet denken aan Dorsvloer vol confetti. Het zijn wel prettig luchtig genoteerde herinneringen aan mensen die zo treffend worden getypeerd dat alle personages werkelijk tot leven komen. Dat is al uitzonderlijk genoeg.
Pas later dringt door hoe alles om dezelfde gruwelijke ontdekking draait: volwassenen zijn onbetrouwbare leugenaars die zich altijd anders voordoen. Als ze Gittels naïviteit niet misbruiken – zoals de welgestelde Lucie en haar vrijer Gabriel, waar het verhaal zich op concentreert – dan vóélt ze zich wel misbruikt. Zelfs de pianoleraar complimenteerde haar alleen maar omdat ze zo jong was.
Dat maakt Een dwaze maagd tot de schitterende bittere komedie. Gittel heeft niet alleen oog voor de lachwekkende poeha waarmee mensen zich belachelijk maken, ze is ook werkelijk de verbitterde dwaze maagd uit de titel – de maagd die in de Bijbel in haar onnozelheid wel een lamp meeneemt maar geen olie om hem aan te steken, en die alleen daardoor wreed door God wordt verstoten.
(Eerder verschenen in BOEK 3, 2014)

Ida Simons Een dwaze maagd (206 p.) – Cossee, € 19,90.

zaterdag 2 augustus 2014

De incubatietijd van een literaire roman (BOEK)

Nederland trilde op zijn grondvesten in het begin van deze eeuw. Het duurde even voor de multiculturele clash een plek vond in de literatuur. Nu lijken immigratie, radicale islam en populistische politiek er niet meer uit weg te denken.

Wie denkt aan de jaren '00 schiet als eerste de aanslagen van elf september te binnen. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. De inval in Irak. Kortom: de bloedige dieptepunten in de strijd tussen het democratische westen en de fundamentalistische islam. Wie zich daarentegen literaire hoogtepunten van dit decennium voor de geest haalt, denkt aan Joe Speedboot van Tommy Wieringa of Knielen op een bed violen van Jan Siebelink. Twee romans, hoe goed geschreven ook, waarin de eigentijdse grote gebeurtenissen geen enkele rol spelen.
Het geloof, het platteland en het verlangen daaraan te ontsnappen, persoonlijk leed, de liefde – ook in dit decennium waren dat de dominante thema's in de Nederlandse literatuur. Denk ook aan Dorsvloer vol confetti van Franca Treur, Schaduwkind van P.F. Thomése of Komt een vrouw bij de dokter van Kluun. Ongeacht het literaire niveau waren het uiterst succesvolle boeken waarin de auteurs dicht bij hun eigen leven bleven en de actualiteit van de krant meden. En anders projecteerden zij hun verhaal wel op de geschiedenis. Zie: Een schitterend gebrek van Arthur Japin.
Gek eigenlijk. Heeft de Nederlandse auteur soms niets te melden over de ingrijpende verandering in de samenleving waarin hij leeft? Of hebben schrijvers meer tijd nodig om commentaar te leveren?

Er is één stukgelezen Nederlandstalige roman uit die tijd waarin de fundamentalistische islam de hoofdrol speelt: Het huis van de moskee van Kader Abdolah – in 2007, twee jaar na verschijnen, door het publiek verkozen tot beste Nederlandstalige roman aller tijden. Abdolah beschrijft daarin de lotgevallen van tapijthandelaar Aga Djan en zijn verwanten tegen de achtergrond van het Iran in de jaren zeventig en tachtig. Aanvankelijk moderniseert het land, maar de zedenloosheid die dat in de ogen van veel provincialen met zich meebrengt roept een felle tegenreactie op van de ayatollahs.
De personages in de roman vertegenwoordigen allemaal een ander standpunt in het maatschappelijk conflict van hun tijd, maar geen van hen is opgewassen tegen de simplistische rechtlijnigheid van de fundamentalisten en de nietsontziende terreur waarmee ze hun waarheid aan anderen opleggen. Abdolah heeft dan ook verklaard dat Het huis van de moskee laat zien hoe de radicale islam zich de macht toe-eigent en daarna die macht uitoefent. De roman was een waarschuwing aan zijn Westerse lezers om deze vorm van de islam te bestrijden.
Maar is Het huis van de moskee wel Nederlandstalige literatuur? Abdolah heeft de Iraanse woelingen aan den lijve ondervonden, tot hij in 1985 op 31-jarige leeftijd als linkse activist het land moest ontvluchten. In zijn literaire verwerking van zijn levensverhaal tot dat moment, kiest hij resoluut voor een Iraans standpunt: zijn alter ego Shahbal schrijft aan Aga Djan dat hij wel van schrijftaal is veranderd, maar dat hij 'uw pijn en de pijn van ons land' wil verwoorden. En anders niets. Het huis van de moskee had daarom net zo goed vertaalde literatuur kunnen zijn.

Joost Zwagerman klaagde in zijn Kellendonk-lezing van 2006 de zelfverkozen 'literaire quarantaine' van zijn collega's aan. Schrijvers sloten zich volgens hem doelbewust op in hun eigen ivoren toren, waar het dagelijks nieuws uit de krant geen vat zou krijgen op hun werk. Hij voerde een indertijd pas verschenen bloemlezing met werk van jonge auteurs aan als bewijs. In de begeleidende interviewtjes antwoordden ze op de vraag wat de moord op Van Gogh voor invloed zal hebben op hun werk: niets. Helemaal niets. En dat dat maar goed was ook.
Zwagerman telde in de drie jaar voorafgaand aan zijn lezing slechts vier romans waarin het veranderende Nederland een rol speelt. Romans van Robert Anker (Hajar en Daan), Nicolaas Matsier (Het achtenveertigste uur), Herman Franke (Wolfstonen) en Désanne van Brederode (Het opstaan). Nu zag hij een aantal romans over het hoofd – Vincent Bijlo (De woordvoerder) of Pieter Waterdrinker (Een Hollandse romance) bijvoorbeeld. Om nog te zwijgen van Het huis van de moskee en actuele thrillers van Tomas Ross, René Appel en Bert van der Veer. Maar hij had een punt.
Alleen niet de juiste verklaring. Zwagerman was, vier jaar na de moord op Fortuyn, te snel met zijn conclusies. Schrijvers zitten helemaal niet in hun ivoren toren. Nooit gedaan ook, een enkele uitzondering daargelaten. Zij laten wel degelijke de multiculturele samenleving en alle ophef waartoe de strijd daarover heeft geleid toe in hun werk. Ze reflecteren volop over de opvattingen en daden van zulke uiteenlopende figuren als Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali, Geert Wilders en Mohammed B. – en belangrijker: de manier Nederland daarop heeft gereageerd.
Schrijvers werken alleen niet zo snel als journalisten. Ze hebben romans onder handen, die eerst af moeten – om een praktische overweging te geven. En ze moeten het nieuws dat zij elke dag in de krant lezen eerst op zich in laten werken om een idee te krijgen van wat het betekent voor hun personages, hoe deze daarop dienen te reageren, en hoe dat van invloed is op de wereld waarin deze opereren. Het nieuws moet eerst gisten. En in sommige gevallen kan de incubatietijd lang duren voor onderliggende en blijvende trends van de actualiteit een plek in een roman kunnen krijgen.
Uit recent onderzoek van de Universiteit van Bristol, op grond van onderzoek naar wo-orden met een 'verdrietige lading' en woorden met een 'blije lading', bleek dat schrijvers ongeveer een decennium na een economische crisis hun zwartgalligste en treurigste boeken schreven. Maar zo is het altijd met maatschappelijke thema's geweest, hoe zeer die ook het leven van schrijvers en lezers overhoop hadden gegooid. In de literatuur in het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog speelde de bezetting en het verzet ook alleen bij een enkeling (W.F. Hermans) een belangrijke rol.

Wie nu in de boekhandel zoekt naar romans over immigratie uit niet-Westerse landen, populistische leiders of islamitisch geïnspireerde terroristische aanslagen, vindt ze in overvloed – ook al zijn het niet altijd boeken die over enkele decennia tot het collectieve geheugen behoren. In Leon deWinters VSV is te lezen hoe de politiek in de achterkamertjes potentiële aanslagen bestrijdt. In NellekeNoordervliets Snijpunt de cultuurbotsing tussen Westers humanisme en Marokkaans geweld. Of in Rob van Essens Visser hoe politiek extremisme zich kan verspreiden.
Enzovoorts, enzovoorts. Zelfs in romans die nauwelijks over multicultureel Nederland gaat, speelt de strijd daarover als motief een rol. Bijna alsof het een cliché is. Een voorbeeld is Euforie van Christiaan Weijts. De hoofdpersoon is een architect. Hij wordt voortgedreven door het winnen van een prijsvraag. Hij zoekt, als iedere kunstenaar, de euforie dat het maken van iets in alle opzichten unieks hem geeft. Maar waarom is die prijsvraag uitgeschreven? Omdat een terroristische aanslag een krater in Den Haag heeft geschapen, dat moet worden gevuld met nieuwbouw.
Dat het veranderende Nederland als thema juist na Zwagermans lezing tot bloei is gekomen, blijkt het beste uit de romans over immigratie. Hoewel gastarbeiders al sinds de jaren zestig Nederland binnenkwamen, zijn de beste romans over dit thema nog geen decennium geleden geschreven: De ontelbaren van Elvis Peeters, De wandelaar van Adriaan van Dis en La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer. Drie romans met aanzienlijke verschillen in stijl en toon, maar die gezamenlijk op een indringende en heldere manier alle aspecten van de immigratie centraal stellen.
Eerst laat de ondergangsfantasie De ontelbaren (2005) in een groteske uitvergroting de angst voor immigranten zien. Een vloed van honderdduizenden vreemdelingen ontwrichten de samenleving en de fundamentele humanistische waarden. Vervolgens doet De wandelaar (2007) een beroep op ons medelijden met immigranten die, misleid door idyllische dromen, in een nachtmerrie terecht zijn gekomen. Samen met Mulder, de hoofdpersoon, ontdekken we hun wereld. Tenslotte stelt La Superba (2013) de filosofische vragen. Wat is het verschil tussen een immigrant en een expat bijvoorbeeld?

De beste Nederlandstalige post 6 mei 2002-roman is evenwel minstens zo iconisch als de genoemde boeken van Siebelink, Wieringa of Treur. Tirza van Arnon Grunberg. Hoofdpersoon is Jörgen Hofmeester die – als symbool voor de beschaafde Westerse wereld – zich in alle opzichten in crisis bevindt. Hij is overbodig verklaard als redacteur van Oost-Europese fictie bij een uitgeverij. Dat hij wordt doorbetaald maakt de vernedering nog groter. Zijn vrouw wil bij hem terugkomen: om hem af te kraken. Hij is zijn geld kwijt na foute beleggingen. En jongste dochter Tirza gaat het huis uit.
Alles komt samen in Hofmeesters afkeer van Tirza's vriendje Choukri, met wie ze op wereldreis gaat vertrekken. In hem ziet hij Mohammed Atta terug, een van de kapers die de aanslagen van 9/11 beraamde. Hij is de bloeddorstige buitenstaander die hem bijna alles heeft afgepakt en nu is gekomen om hem de rest af te pakken. De terrorist die alles wat hem dierbaar is, komt verwoesten. Als hij ziet dat Choukri zijn dochter op brute wijze neukt, slaan dan ook alle stoppen door. Wraak op Choukri, wraak op de islam - dat is het enige wat Hofmeester nog ziet.
Grunberg maakt zo een subtiele verbinding tussen een persoonlijk drama en de grote verwarring in het Westen. Waarna hij laat zien tot welk fataal drama de verblinding bij Hofmeester én maatschappij kan leiden. Wie de jaren '00 wil begrijpen, herleest daarom het beste Tirza.
(Eerder verschenen in BOEK 2, 2014)

donderdag 24 juli 2014

Herlezen debuten: bij het twintigjarig jubileum van 'Blauwe maandagen' van Arnon Grunberg (BOEK)

Grote schrijvers waren ooit onbekende debutanten. Had de eerste roman direct een unieke stem? Verraadde het debuut originaliteit en lef? Had de auteur al meesterschap over de taal? Aflevering 3: Blauwe maandagen van Arnon Grunberg.

Een oefening in stijl

De eerste zin van Arnon Grunbergs eerste roman, die dit voorjaar precies twintig jaar geleden is verschenen, is een van de mooiste openingszinnen van de Nederlandse literatuur. 'Mijn vader handelde in postzegels, in ieder geval dat dachten mijn moeder en ik.' De verwrongen jeugd, de moeizame verhouding met zijn ouders, het wanhopige levensgevoel – de belangrijkste motieven van Blauwe maandagen zitten er meteen in. De zin intrigeert, roept de lust op verder te lezen. Maar belangrijker nog: de zin bevat de magische schwung die alleen de allergrootsten hebben. Er lijkt geen woord te veel in te staan, ieder woord staat op de juiste plek.
Het moet ook de kracht van Grunbergs taal zijn waardoor critici hem inhaalden als groot talent en zijn debuut onmiddellijk veel lezers vond – binnen vijf jaar volgden twintig drukken. Het verhaal heeft weinig om het lijf: Blauwe maandagen bevat scènes uit de jeugd en het leven van een jonge twintiger genaamd Arnon Grunberg, onderverdeeld in vijf delen van ongelijke lengte. Hij vertelt over zijn mysterieuze overleden vader, de joodse nukken van zijn familieleden, zijn middelbare schooltijd, zijn eerste liefde en zijn verslaving aan prostituees. En dat alles zonder dat Grunberg iets met al die anekdotes, herinneringen en terzijdes lijkt te willen.
Maar wat is de roman – aanvankelijk – verpletterend. Grunbergs scherpe oog voor absurdistische situaties. De montage van totaal verschillende mededelingen binnen één alinea. Het nihilisme waarmee de hoofdpersoon afstand probeert te nemen van alles wat hem wordt opgedrongen: 'Ik wantrouw mensen die over later begonnen. Dat doe ik nog steeds, want ze willen je omkopen met dat later. Terwijl ze daar geen moer van weten. Net zomin als ik. Er is helemaal geen tijd om te wachten op later.' Het heeft, ook nu nog, het effect dat je de wanhoop van de hoofdpersoon rauwer dan ooit krijgt opgediend. Je denkt diep in de ziel van een verlorene door te dringen.
Pas in de tweede helft verliest de roman zijn bezwerende greep. Als de hoofdpersoon vertelt over de meisjes die hij betaalt voor seks, steeds weer nieuwe meisjes, krijgt zijn monoloog iets eindeloos. Het gaat maar door: het drankgelag in kroegen, het chaotisch huishouden dat wordt voortgedreven door geldgebrek, de ontmoetingen met idioten die alleen worden opgevoerd om hun vreemde stokpaardjes te berijden. De monoloog wordt bovendien onevenwichtig doordat Grunberg regelmatig teruggrijpt op zijn vader of zijn schooltijd, zonder daar nog iets nieuws aan toe te voegen. Blauwe maandagen had best tachtig bladzijden korter gemogen.
Grunberg schreef het boek ook zonder duidelijke opzet, als je de ontstaansgeschiedenis van zijn debuut mag geloven. Hij was als uitgever van zijn eigen Kasimir (voor niet-Arische Duitse literatuur) toen hij in 1991 naar de Frankfurter Buchmesse reisde. Daar zakte hij door met Fred Spek (hoofdredacteur van Boekblad) en Vic van de Reijt (uitgever van Nijgh & van Ditmar). Hij bleek zo'n begenadigd verteller dat de eerste hem een column aanbod en de tweede zei: schrijf die verhalen toch op – in plaats van die geheel verzonnen verhalen en toneelstukken die hij tot dan in eigen beheer had uitgegeven. Vervolgens leverde Grunberg een enorm pak papier in, dat hij met Van de Reijt enigszins tot een geheel componeerde.
Ook na het succes van zijn debuut presenteerde Grunberg zich niet als de schrijver die niets anders kan en wil, zoals zo veel anderen doen. Hij flirtte met het schrijverschap als iets tijdelijks. Misschien kon hij alsnog zijn jeugddroom waarmaken: acteur worden. Tegen die achtergrond is het des te wonderlijker dat Grunberg geen gimmick is geworden à la Herman Brusselmans: een schrijver die steeds tandelozer voortdurend zijn eigen leven tot slapstick maakt. Nee, hij bleek het schrijverschap wel degelijk serieus te nemen. Hij ontwikkelde zich tot een auteur die zich probeert te verhouden tot grote maatschappelijke problemen en zichzelf elke keer wil vernieuwen.
Daardoor herlees je Blauwe maandagen twintig jaar na dato niet als het wondersucces van een one trick pony, dat inmiddels in zestien talen is vertaald, maar als een oefening in stijl. Later heeft Grunberg die stijl ingezet voor echte meesterwerken als Tirza en De man zonder ziekte.
(Eerder verschenen in BOEK 3, 2014)


Zie ook:

woensdag 9 juli 2014

Tien jaar later: De Da Vinci Code van Dan Brown (BOEK)

De Da Vinci Code van Dan Brown was dé hype van de jaren '00. De Nederlandse uitgeverij kocht de uitgeefrechten ooit voor een paar duizend euro. Inmiddels zijn er 1,3 miljoen exemplaren van verkocht.

Is de belangstelling voor De Da Vinci Code getaand? Fans die met eigen ogen de plaatsen willen zien waar de thriller zich afspeelt, kunnen nog steeds terecht in Parijs. Op internet zijn verschillende wandelroutes te vinden. Er is een privérondleiding te boeken langs de kunstwerken in het Louvre waaraan Brown zijn boek heeft opgehangen. Prijs: 113 dollar per persoon. Ook het Da Vinci Code Reisdagboek is onverminderd leverbaar. Dus nee, de belangstelling is zeker niet getaand.
'Toen hij begin dit jaar in Nederland was, hebben we gemerkt wat voor een grote naam hij is,' vertelt zijn uitgever Tom Harmsen van Luitingh-Sijthoff. 'Het Rijksmuseum ging voor hem open. Hij kreeg er een privérondleiding. Alle tv-programma's wilden hem. Iedereen wilde iets van hem. We hebben vaak auteurs naar Nederland gehaald, maar op deze schaal hebben we het nog nooit meegemaakt. Het lijkt wel een staatsbezoek, zeiden we tegen elkaar. En dat komt allemaal door dat ene boek.'
Dankzij het verschijnen van Inferno, bijna een jaar geleden, zwol ook de interesse voor De Da Vinci Code weer aan. 'Er zijn nieuwe lezers bijgekomen die het nog niet hadden,' zegt Harmsen. 'Ook waren recensies overwegend positief. Bijvoorbeeld de opvallend positieve in NRC Handelsblad, waardoor mensen werden overgehaald Dan Brown te gaan lezen die vroeger dachten: niets voor mij. Al verkocht Het verloren symbool vorig jaar beter. Kennelijk hadden veel mensen die in 2009 overgeslagen.'

Sinds De Da Vinci Code in januari 2004 voor het eerst in Nederlandse vertaling verscheen, gingen in totaal 1,3 miljoen exemplaren over de toonbank – als paperback, gebonden uitgave, geïllustreerde editie, pocket, dwarsligger of filmeditie. Het luisterboek is niet eens meegeteld. De thriller haalde na de eerste verkoopweek meteen de top 10 en bleef daar 89 weken onafgebroken staan – om er tot het voorjaar 2006 regelmatig in terug te keren. In totaal stond het boek 135 weken in de Bestseller 60.
Ondanks de vliegende start duurde het even voor Dan Brown echt de auteur werd die iedereen gelezen moest hebben. Pas na een half jaar bereikte zijn thriller de nummer 1-positie. Dankzij de mond-tot-mondreclame was De Da Vinci Code in een steeds sneller tempo gaan lopen. 'We verkopen er elke week honderd meer dan de week ervoor', zei de manager boeken van AKO in augustus 2004 in Boekblad, het vakblad voor de boekenbranche. 'Heel atypisch.'
In de slipstream vonden ook boeken over de religieuze geheimen die Dan Brown had gebruikt een gretig lezerspubliek: De geheimen van De Da Vinci Code van Simon Cox (29 weken in de Bestseller 60), Geheimen van de code van Dan Burstein, aangevuld met teksten van Nederlandse wetenschappers over het vroege Christendom (8 weken in de Bestseller 60), en het oorspronkelijk Nederlandstalige De Da Vinci Code ontcijferd van Filip Coppens (niet in de Bestseller 60).
'Het mooiste van dit succes is dat het laat zien wat nog altijd de culturele impact van een boek kan zijn,' blikt Rienk Tychon terug, die destijds namens Luitingh-Sijthoff de vertaalrechten aankocht. 'Als medium is het boek al weet ik veel hoeveel keer afgeschreven en toch zie je om de twee, drie jaar een boek vanuit het niets de hele wereld veroveren. Dat gold voor Dan Brown, maar ook bijvoorbeeld voor Vijftig tinten grijs of Khaled Hosseini.'

Tychon was er indertijd vroeg bij. Net als Dan Browns Amerikaanse, Engelse en Duitse uitgever kocht hij de uitgeefrechten toen de onbekende auteur niet meer van De Da Vinci Code had dan enkele hoofdstukken en een samenvatting van de rest. Daar gingen wel aarzelingen aan vooraf. Kon de investering in een schrijver van weinig succesvolle thrillers als Digital Fortress (Het Juvenalis Dilemma) en Angels & Demons (Het Bernini Mysterie), het eerste boek met Robert Langdon in de hoofdrol, wel lonen?
De Amerikaan had geen indrukwekkend trackrecord. Van zijn drie gepubliceerde boe­ken had geen in eigen land meer dan 10.000 exemplaren verkocht. Dan Brown was dan ook al aan zijn derde uitgeverij toe – de eerste dumpte hem, de tweede had geen belangstelling meer. Vertaald was zijn werk ook nog nooit. En Angels & Demons leek weinig origineel. 'Ik vond het wel een pageturner, maar door de intrige in het Vaticaan ook een beetje ouderwets', aldus Tychon.
Pas toen de echtgenoot van de uitgeefassistente zijn exemplaar, dat hij op de uitgeverij had laten liggen, verslonden had, bekeek hij het boek met andere ogen. 'Het gevaar in mijn vak is dat je als uitgever veel leest – en daarom snel denkt: Dat ken ik wel. Gewone lezer hebben dat niet. Dus toen mijn collega zei dat haar man nog nooit zo enthousiast was, lette ik op de kwaliteiten die Dan Brown wél heeft. Omdat Angels & Demons het begin van een serie was, durfde ik het aan.'
Uitgeverij Luitingh-Sijthoff kocht de vertaalrechten van twee boeken over Robert Langdon voor een paar duizend euro per boek plus een kleine bonus voor het geval het voorschot binnen korte tijd zou zijn terugverdiend. Achteraf is dat spotgoedkoop – de uitgeverij heeft inmiddels veel en veel meer aan royalty's aan Brown overgemaakt. Indertijd vond Tychon het duur. 'Ik kocht een twee jaar oud boek en toonde vertrouwen door het tweede op proposal te kopen. Ik verdiende daar eigenlijk een medaille voor.'
Toen Het Bernini Mysterie in juli 2003 eindelijk verscheen, kreeg Tychon snel de potentie van Dan Brown in de gaten. Sommige boekhandels, waar een medewerker de thriller had gelezen en het aan zijn klanten begon aan te raden, verkochten er honderden exemplaren van. Zonder dat de uitgeverij één advertentie had geplaatst, kon het al een tweede druk opleggen. Tegelijk begon De Da Vinci Code die zomer in Amerika aan zijn zegetocht.
De verschijnen van De Da Vinci Code werd toen naar voren gehaald. Tychon: 'Het moest in januari verschijnen zodat het weinig concurrentie in de boekhandel had. Er verschenen, zeker toen, weinig grote titels in die maand. Een grote folder moest duidelijk maken hoe groot dit boek precies was in Amerika. En uiteraard zorgden we voor duizend leesexemplaren voor de boekhandel, al was er geen tijd meer om die apart te maken. Die kwamen dus gewoon uit de eerste druk van 15.000 stuks.'

Tien jaar later is de hype rond de 'culturele thriller', zoals Dan Browns genre binnen het spannende boek heet, gaan liggen. De meeste thrillers met een flinke scheut geloof en kunst zijn niet meer te krijgen - 'ik vond er hier ook een aantal in het archief, toen ik anderhalf jaar geleden bij Luitingh-Sijthoff begon', zegt Harmsen. Maar de meester van het genre lijkt populairder dan ooit. Inferno was met afstand het bestverkochte boek van 2013. Inmiddels staat de teller al boven het half miljoen.
Dan Brown heeft zowel uitgeverij Luitingh-Sijthoff en Tychon persoonlijk veel opgeleverd. Het heeft de uitgeverij, die dit jaar zijn 25 jarig jubileum viert, op de kaart gezet. Brown is, naast onder andere Stephen King, een van de pijlers waar het bedrijf op drijft. En Tychon geldt in het uitgeefvak in binnen- en buitenland nog altijd als 'de man die Nederland Dan Brown bracht'. 'Mede daarom heb ik Een goede raad van J.K. Rowling binnen kunnen halen voor uitgeverij De Boekerij waar ik nu werk,' vertelt hij.
Vorig jaar heeft Tychon De Da Vinci Code nog eens herlezen. 'Men zei mij dat Inferno weer vintage Dan Brown was. Toen heb ik eerst het oude succesboek gelezen en meteen daarna Inferno. Ja, goed, dacht ik, van hetzelfde niveau. En knap hoe de uitgeverij Inferno in de markt heeft gezet.'
(Eerder gepubliceerd in verkorte vorm in BOEK 2, 2014)

Zie ook:

zaterdag 31 mei 2014

Erwin Mortier, 'De spiegelingen' (BOEK)

De spiegelingen van Erwin Mortier bevat de bespiegelingen van Edgard Demont over zijn aardse bestaan dat is getekend door de ernstige heupwond die hij als soldaat opliep in de Eerste Wereldoorlog. Aan het eind van zijn leven stuurt hij zijn aantekeningen met begeleidende brief naar de Brit Paul, een van zijn vele minnaars. Maar je kunt de titel ook letterlijk nemen: deze roman is de spiegel van Mortiers Godenslaap, waarin Edgards zuster Hélène Demont op háár leven terugblikt.
De 'spiegeling' van beide levensverhalen gaat ver. Beiden hielden van dezelfde man: Matthew. Maar waar Hélène een monogaam heteroseksueel leven heeft geleid, heeft Edgard voortdurend homoseksuele avonturen – alle vrouwen in zijn verhaal zetten hem afschuwelijk eten en drinken voor, zo ver gaat zijn afkeer van het andere geslacht. En Hélène leert dankzij Matthew de wereld en zichzelf kennen, terwijl Edgard zichzelf juist iedere keer tevergeefs in een ander zoekt.
Het is knap hoe Mortier beide romans thematisch op elkaar heeft afgestemd én ook binnen Edgards levensverhaal spiegels aanbrengt. De Eerste Wereldoorlog spiegelt in de Tweede. In zijn geschiedenis met zijn minnaars – de belangrijke althans, die hij met naam en toenaam noemt – speelt de oorlog een rol. En de mond van zijn minnaar beschouwt hij als zijn belangrijkste lichaamsdeel, terwijl hij op het moment van zijn fatale verwonding de mond van zijn moeder in de wolken ziet.
De zuivere constructie, ondanks de voor Mortier gebruikelijke springerige en indirecte verteltrant, maakt dat je ook De spiegelingen met bewondering leest – een bewondering die dankzij enkele fraaie beelden al erg groot was. 'Hij komt voor mijn bank staan, vlak voor mijn ogen het kruis van zijn pantalon, waarachter, zo stel ik me voor, zijn geslacht hangt te beschimmelen als een vleermuis die in haar winterslaap is gestorven.' Heel mooi.

Erwin Mortier De spiegelingen (300 p.) – De Bezige Bij, € 18,90 (e-book € 14,99)
(Eerder gepubliceerd in BOEK 2014, 2)

Zie ook:

donderdag 29 mei 2014

Roman Helinski, 'Bloemkool uit Tsjernobyl' (BOEK)

Viktors vader bouwde een voetbaldoel op ware grootte voor zijn zoon. Hij palmde een oud vrouwtje in en nam zijn gezin mee naar China van het geld dat zij hem naliet. Hij verkocht een kapotte auto aan kampers. Een keer nam hij zijn eigen sperma in een potje mee van een zakenreis om te bewijzen dat hij niet vreemd was gegaan. Later bekende hij dat er shampoo in had gezeten.
Zoveel is zeker: De hoofdpersoon van Roman Helinski's debuutroman Bloemkool uit Tsjernobyl wil het leven tot de laatste druppel opzuigen. Ook al komt weinig van zijn plannen terecht. De eeuwig optimistische dromer, gezegend met een Pools temperament, conformeert zich niet aan de gewoonten en gebruiken van het burgerlijke Nederland. Hij wil zijn dromen waarmaken. Tot verdriet van zijn Hollandse vrouw, want onbetrouwbaar en drankzuchtig is hij ook. Op hem bouwen kun je niet.
Dit larger than life karakter is bepaald aanstekelijk. De verteller mag dan twijfelen of hij boos moet zijn op zijn vader, als lezer wil je hem alleen maar op de voet blijven volgen. Het is daarom jammer dat de vader in de tweede helft van de roman zijn gezin verruilt voor een onzeker bestaan in Afrika en hij enigszins buiten beeld raakt. Hij belt onregelmatig. Zijn zoon zoekt hem een keer op in Caïro. Maar echt zicht op zijn hoofdzakelijk verzonnen avonturen krijg je niet meer.
Je slaat Bloemkool uit Tsjernobyl daarom licht teleurgesteld dicht – de inhoudelijk en thematisch consistente uitwerking en soepele pen van de auteur ten spijt. Naar verluidt is het verhaal gebaseerd op Helinski's echte familiegeschiedenis. Dan had hij beter kunnen bedenken hoe hij de lezer tot op het laatst betovert dan zich tot het einde toe op de waarheid te verlaten. Echt gebeurd is geen excuus.

Roman Helinski Bloemkool uit Tsjernobyl (240 p.) – Prometheus, € 19,95 (e-book € 11,99)
(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2014)

zondag 18 mei 2014

Herlezen debuten: Joseph Roths 'Hotel Savoy' (BOEK)

Grote schrijvers waren ooit onbekende debutanten. Had de eerste roman direct een unieke stem? Verraadde het debuut originaliteit en lef? Had de auteur al meesterschap over de taal? Aflevering 2: Hotel Savoy van Joseph Roth. [Aflevering was, in een andere vorm, dit stuk over Charles Bukowski.]

Wat is dat voor een merkwaardig hotel op de grens van Oost- en West-Europa waar Gabriel Dan na drie jaar krijgsgevangenschap in Siberië zijn intrek neemt? Hoe meer trappen hij bestijgt, hoe sjofeler de gangen en kamers. Helemaal bovenin woont de droevige clown Santschin zelfs in de hete stoom van de waskeuken. Als de gasten hun rekening niet kunnen betalen, kunnen ze hun koffers ongeopend in pand geven. Hebben ze zelfs geen koffers, dan kunnen ze – mits vrouw – hun schuld vereffenen door naakt te dansen voor de industriëlen die op de benedenverdiepingen wonen.
De groteske personages en ontwikkelingen in Hotel Savoy zijn dan ook allegorisch bedoeld. Joseph Roth maakt daar geen geheim van. 'Dit Hotel Savoy was als de wereld,' schrijft hij in hoofdstuk 6, 'naar buiten toe straalde het een en al luister uit, zeven verdiepingen die sprankelden van pracht en praal, maar binnen huisde armoede in de nabijheid van God.' Die wereld is het uiteengespatte Oostenrijks-Hongaarse imperium direct na de Eerste Wereldoorlog, waarin iedereen een veilig heenkomen probeert te zoeken maar niemand het hotel kan ontvluchten.
Joseph Roth (1894-1939) schreef Hotel Savoy als feuilleton voor de gerenommeerde kwaliteitskrant Frankfurter Zeitung, dat het tussen 9 februari en 16 maart 1924 afdruk-te. Zijn eerste roman was het niet. Een paar maanden daarvoor stond Het spinnenweb in afleveringen in een Oostenrijkse krant. Maar dat verhaal heeft Roth nooit voltooid, pas in 1967 verscheen het in boekvorm. Ook eerdere novellen en korte verhalen kregen pas na Roths dood een tweede leven bij een uitgeverij. Daarom geldt de maatschappelijke satire die Hotel Savoy is als Roths debuut.
De in het huidige Oekraïne geboren Roth was destijds beroemd als journalist. Als jong Oostenrijks soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij al stukjes in kranten. Na het uitbreken van de vrede werd hij voltijds journalist, waarna zijn ster dankzij zijn opmerkingsgave, zwierige stijl en aforistische kracht snel steeg. Deze cursiefjes, reportages en kritieken zijn nog altijd fris en lezenswaardig (een mooie selectie teksten over hotels is net verschenen onder de titel Hotelmens). De helft van het zesdelig Verzameld Werk bestaat dan ook uit journalistiek werk.
Vanaf het moment dat Roth aan fictie begon, had hij een hoge productie. Maar toen de romanschrijver echt succes kreeg met Job (1930) en Radetzkymars (1932) kwamen de nazi's aan de macht. Roth zelf verliet uit principe Duitsland onmiddellijk, maar het verbod op zijn werk kostte hem wel zijn publiek. Latere uitgaven bij Nederlandse Exil-uitgevers als Querido en Allert de Lange kenden lage oplagen. Pas decennia na zijn vroege dood, als gevolg van jarenlang alcoholmisbruik, kreeg de Oostenrijker de grote lezersschare die hij verdiende. Ook in Nederland.
Hotel Savoy werd meegenomen in de herontdekking van Joseph Roth. Het werd zelfs twee keer vertaald: in 1994 door Huib van Krimpen, in 2003 door Wilfred Oranje. Maar een hoogtepunt uit het oeuvre is het niet. Daarvoor dwingt de auteur de lezers te expliciet het boek als een parabel te lezen. De personages zijn treffend geschetst, maar geen moment mensen van vlees en bloed. In plaats van op te gaan in een verhaal dat vergezichten biedt op een chaotische naoorlogse politieke realiteit denk je bij voorbaat al: waar staat dit karakter of deze wending symbool voor.
Toch heeft ook Hotel Savoy zijn fans. Tommy Wieringa heeft het herhaaldelijk, met citaten strooiend als bewijs, een van zijn favoriete boeken genoemd. Dat is heel goed te begrijpen als je die citaten uit de context licht. Neem deze zinnen: 'Het ging slecht met hen, met de mensen. Ze bewerkstelligden hun lot en geloofden dat het van God kwam. Ze zaten in tradities gevangen, hun hart hing aan duizend draden en hun handen sponnen die draden zelf. Op alle wegen van hun leven stonden de verbodsborden van hun God, hun politie, hun koningen, hun stand.' Schitterend.

NB! Op 19 mei, acht dagen voor Roths 75e sterfdag, vindt in Amsterdam een grote manifestatie plaats. Met medewerking van Arnon Grunberg, Joke van Leeuwen, Geert Mak, Tommy Wieringa e.v.a. Zie voor details: www.slaa.nl.


dinsdag 13 mei 2014

Hans Boland, 'De zachte held' (BOEK)

Soms maken schrijvers iets zo bijzonders mee dat ze de werkelijkheid één op één willen vastleggen. Literaire trucs om de lezer te verleiden worden slechts spaarzaam gebruikt. Vaak lopen zulke romans mank. De balans in de opbouw is zoek. De zachte held van Hans Boland, vooral bekend als vertaler van Anna Achmatova en Alexander Poesjkin, vormt daarop geen uitzondering. Het eindresultaat is té hybride.
Bolands debuutroman beschrijft zijn eigen relatie met Indonesië. Eenmaal zestig geworden reist de slavist voor het eerst terug naar zijn geboorteland, dat hij als achtjarige moest verlaten. Aan het eind van zijn verblijf, bijna halverwege het boek, wordt hij verliefd op Teguh. Om die reden vliegt hij zo snel mogelijk terug – aanvankelijk met de bedoeling samen met de jonge armoedzaaier oud te worden, maar als de relatie niet uitpakt zoals gehoopt, trekt hij opnieuw rond over de archipel.
De zachte held hinkt zo tussen reisboek en liefdesgeschiedenis in. Het ontbeert een puls die je van begin tot eind meesleurt. Dat je toch doorleest is te danken aan Bolands taal. Hij beschrijft zijn ervaringen helder en precies, met een mooie weemoedige ondertoon. De reisbeschrijvingen roepen het verlangen op zelf naar Indonesië te gaan. Van de liefde maakt hij het soevereine geluk en het peilloze verdriet voelbaar.
De grootste kracht van De zachte held is dat Boland zich nooit verliest in zijn emoties. Hij jammert of schmiert niet, maar blijft rationeel en lucide. Hij is een man die zijn illusies voorbij is en daarom in staat lijkt om grip te houden op zijn leven als hij zich, de risico's kennend, willens en wetens in een avontuur stort. Dat maakt de roman uiteindelijk tot een origineel, eerlijk en diepgravend zelfportret.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2014)

Hans Boland De zachte held (256 p.) – Athenaeum-Polak & Van Gennep, € 17,50

Zie ook:

donderdag 8 mei 2014

Peter Terrin, 'Monte Carlo' (BOEK)

Iedereen is willoos slachtoffer van het toeval. Maar wat er ook gebeurt, alles heeft óók positieve gevolgen. Je moet daar oog voor hebben om niet ten onder te gaan aan de grillen van het lot. Dat is de boodschap van Peter Terrins Monte Carlo.

Wie krijgt wat hem toekomt?

De Formule 1 tegen het eind van de jaren zestig. Dat is: coole coureurs met halflange haren en bakkebaarden. Strak gestroomlijnde wagens, nog niet ontsierd door reclame of door snelheidverhogende, maar lelijke vleugels. Onbekommerde, sexy pitspoezen. Het is de visueel aantrekkelijke wereld waarin Peter Terrin zijn nieuwe roman heeft gesitueerd – al verliest hij zich gelukkig niet in eindeloze beschrijvingen; hij hint alleen op de archetypische beelden die iedereen in zijn achterhoofd heeft, en op de beginnende veranderingen die de schoonheid uit de sport zullen halen.
Hoofdpersoon van Monte Carlo is de monteur Jack Preston van Team Lotus, dat de Formule 1 in die jaren domineert. Vlak voor de start van de Grand Prix van Monaco '68 krijgt hij de opdracht om de reclame van een sigarettenmerk op hun wagens te bedekken. Advertenties op de auto zijn op het laatste moment verboden. Als hij daarmee bezig is, ziet hij de hoofdgast van Prins Rainier van Monaco langs het startveld lopen: de actrice Deedee. Onverwacht doorbreekt ze het protocol. Ze koerst kriskras door de wagens naar de overkant. Precies als ze bij Jack is schiet een steekvlam uit een auto. Hij duikt onmiddellijk op haar. Deedee is ongedeerd, hijzelf voorgoed verminkt.
Terrin beschrijft het voorval heel fraai als in een film. Er zijn close-ups van het vuur dat langzaam tot ontbranding komt. Camera's volgen vanuit alle hoeken de opmaat naar het ongeluk – Terrin kijkt vanuit een vrouw op de tribune, Prince Rainier en Deedee. Er zijn korte flashbacks op het leven van Preston, wiens vader sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog en die zijn verdriet verdrong door te sleutelen aan auto's en zo vertrouwen, zelfrespect én een mooie carrière verkreeg. Maar het gaat Terrin om wat daarna gebeurt: hoe Preston met het voorval omgaat.
Aanvankelijk is de monteur opgetogen. Hij heeft iemand van de dood gered. En niet zomaar iemand: de begeerlijkste vrouw op aarde. Maar geleidelijk aan slaat zijn stemming om. De wereld heeft de gebeurtenissen niet goed geregistreerd: niet Jack wordt als de held gezien, maar de lijfwacht die Deedee én hem zou hebben gered. Jack lag in het ziekenhuis en kon journalisten dus niet de waarheid vertellen. Terug in zijn geboortedorp wordt hij wel onthaald als 'de redder van Deedee'. Alleen een seizoens-arbeiders gelooft hem niet. Maar bij gebrek aan bewijs voor Jacks verhaal krijgt die steeds meer dorpsgenoten aan zijn kant.
Hoe krijgt Jack dan wat hem toekomt? De gelovige monteur is overtuigd van een uitgebalanceerd leven. God geeft en God neemt. Er is altijd een 'evenwicht', het woord dat Jack daarvoor gebruikt. Zoals hij voor zijn te vroeg gestorven vader een internationale carrière terugkreeg, zo moet de verminking die hij zijn leven lang met zich mee moet dragen en die hem zijn contract bij Team Lotus heeft gekost op de een of andere manier worden gecompenseerd.
De monteur zet al zijn hoop op Deedee. Zij weet wat er echt is gebeurd, zij zal zijn rol erkennen en hem zo zijn verdiende heldenstatus geven, al is het maar in zijn eigen dorp. Met z'n allen kijken ze in de lokale pub naar een tv-interview met Deedee. Zij zegt niets over het ongeluk. Dag in dag uit rijdt hij later naar een paardenracebaan waar zij een film opneemt. Hij kijkt naar de legendarische tv-serie De wrekers, waar zij de rol van Emma Peel speelt, in de hoop op een teken. Dat uiteraard niet komt. Jack is een zielige stalker geworden, die een bijzondere relatie koestert die uitsluitend in zijn eigen hoofd bestaat.
Terrin laat hiermee op pijnlijke wijze zien dat niemand krijgt wat hem toekomt. Een mens heeft pech of geluk, meer niet. Zijn leven wordt niet bestuurd door God, zijn leven hangt aan elkaar van toeval. Hij is onderworpen aan moedwil en misverstand, om een term te gebruiken van Willem Frederik Hermans, Terrins grote voorbeeld. Jacks leven had dan ook heel anders kunnen lopen. Want een toeschouwer had de werkelijke toedracht van het incident toch vastgelegd op de foto? Als die foto vlak na het ongeluk tevoorschijn had kunnen komen...
Tegelijkertijd – en dat maakt Monte Carlo tot meer dan een eenduidige roman met een al te vaak verwoordde zwartgallige visie op het menselijk bestaan – is er wel degelijk evenwicht. Jack krijgt iets terug voor zijn pech, omdat iedere gebeurtenis nu eenmaal ook positieve effecten heeft. Hij krijgt een nog grotere liefde van zijn vrouw Maureen, die hevig opgewonden raakt van zijn littekens. En een nog grotere bewondering van de zwakzinnige Ronny, die hem vaak helpt in de garage. Bovendien loopt het slecht af met de vrouw die weigert te erkennen dat ze haar leven aan hem te danken heeft.
Jack probleem is alleen dat hij dat niet ziet of niet kan erkennen.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2014)

Peter Terrin Monte Carlo (176 p.) – De Bezige Bij, € 16,90 (e-book € 12,99)

Zie ook:

donderdag 24 april 2014

Nederlandse en Vlaamse jury's hebben vaak dezelfde smaak (Knack)

Wint Ilja Leonard Pfeiffer of Stefan Hertmans beide grote commerciële prijzen voor het boek van het jaar? Gezien de traditionele overeenstemming tussen de jury's is het verwonderlijk dat dat pas één keer is gebeurd.

Ilja Leonard Pfeijffer en Stefan Hertmans maken allebei kans op de Gouden Boekenuil (24 april) én de Libris Literatuurprijs (13 mei). Vorig jaar was de overlap van de shortlists van beide prijzen nog groter: beide jury’s hadden Oek de Jong, Tommy Wieringa en Arnon Grunberg genomineerd. De Gouden Boekenuil wordt toegekend door een jury die overwegend bestaat uit Vlamingen, de Libris Literatuurprijs door een jury die overwegend bestaat uit Nederlanders. Maar het verschil in smaak lijkt gering.

De Gouden Boekenuil (sinds 1995) en de Libris Literatuurprijs (sinds 1994) bekronen allebei het boekenaanbod van het afgelopen kalenderjaar. De Gouden Boekenuil beoordeelt naast romans ook verhalenbundels en literaire non-fictie, de Libris alleen fictie en sinds enkele jaren alleen nog maar romans. Dat is terug te zien in het aantal inzendingen: De Gouden Boekenuil beoordeelde dit jaar meer dan het dubbele aantal boeken: 395 tegen 192 voor de Libris-prijs.

In totaal stonden 29 boeken op beide shortlists. Dat is 25,4 procent van de 114 Libris-nominaties in de negentien jaar dat beide prijzen zijn uitgereikt. Andersom is het zelfs hoger: 31,9 procent – dit omdat de Gouden Boekenuil-shortlist over het algemeen kleiner is. Na aanvankelijk experimenten van aparte shortlists voor fictie en non-fictie, heeft de prijs sinds 2000 één shortlist met vijf titels. Als je de aparte non-fictielijsten buiten beschouwing laat, gaat het om 29 op 91 nominaties.

Slechts een keer won hetzelfde boek de Libris en de Gouden Boekenuil: Tirza van Arnon Grunberg in 2007. Vier keer is het gebeurd dat de shortlist geen enkele doublure kende – voor het laatst in 2004. In de beginjaren was de overlap groot: in 1998 maakten twee van de drie nominaties voor de Gouden Uil-fictie ook kans op de Libris. Tussen 1999 en 2004 was de overeenstemming tussen beide jury's minimaal, maar de laatste jaren is die weer flink gestegen.

De percentages lijken mee te vallen. Maar ze zijn wel degelijk hoog – als je de verschillen in te jureren boeken meeneemt. Zo mocht Frank Westerman, Boekenuil-winnaar in 2005 met El Negro en ik, al drie keer op komen draven bij de uitreiking van deze prijs. Voor de Libris mag hij nooit werk inzenden. Dit jaar waren maar liefst 11 van de 20 titels op de longlist van de Gouden Boekenuil niet ingezonden voor de Libris. Van de resterende 9 stonden er 5 – dus 55 procent – ook op de Libris-longlist.

Dan waren er nog incidenten die de mogelijkheid op overlap verkleinen. Henk van Woerden won in 2006 de Gouden Boekenuil voor Ultramarijn, maar hij kwam niet in aanmerking voor de Librisprijs omdat hij was overleden. Dode auteurs mogen de Libris niet winnen. En drie jaar later vergaten verschillende prominente uitgeverijen titels in te zenden voor de Librisprijs. Zo dong Christiaan Weijts, shortlisted voor de Gouden Uil, niet mee naar de andere grote commerciële prijs.

Eigenlijk is nader onderzoek nodig naar de percentages overlap bij de inzendingen en de longlists om beter te kunnen beoordelen hoe groot de overeenstemming tussen beide jury's feitelijk is. Maar zijn die gegevens wel beschikbaar? Van de Librisprijs zijn de overzichten met ingezonden titels van 1995 en 2006 kwijt. En het is maar de vraag of de organisatie achter de Gouden Uil, die tot 2010 een andere was (Standaard Boekhandel) dan tegenwoordig (Boek.be), zijn archieven beter heeft bewaard.

(Eerder gepubliceerd op Knack.be. Een langere versie stond in BOEK 1, 2014)

Zie ook:

zaterdag 29 maart 2014

Interview: Arno Camenisch over de Sez Ner-trilogie (BOEK)

Rijmend bij een biertje vond Arno Camenisch het plezier in spelen met taal. Nu debuteert de Zwitser in het Nederlands met een betoverende trilogie over het universeel menselijke van zijn dorpsgenoten.

Wat kan het heerlijk zijn om je eigen werk in zo veel verschillende talen terug te horen. Zeker als ritme en klank van de taal zo'n belangrijke rol spelen als in de novelles van Arno Camenisch. 'In het Hongaars klinkt het als een champagnefles die je flink schudt en daarna laat exploderen', zegt hij lachend – zoals hij bijna alles zegt een gulle glimlach. 'Ook in het Nederlands bevalt de toon me wel.'
Zelf kan de Zwitserse auteur Camenisch bedwelmend voorlezen. Of hij dat nu doet in het Surselvisch, het dialect van het Reto-Romaans waarin hij is opgegroeid, of het Zwitsers-Duits van zijn woonplaats Biel – hij klinkt als een sjamaan die zijn gehoor in hoger sferen brengt. Afgelopen najaar deed hij dat twee keer in Nederland. Wie het gemist heeft, kan filmpjes van hem terugvinden op Youtube.
'Met voordagen heb ik ook het plezier in taal ontdekt,' vertelt hij. 'In het dorp waar ik op-groeide, was niets te doen. Dus begonnen we, een jaar of achttien, na een paar biertjes in het café te rijmen. De een, de ander, nog een biertje, de volgende, nog een biertje. Steeds grappiger en uitzinniger. Het was een soort spoken word. Misschien had ik een rapper moeten zijn, maar kennelijk heb ik iets verkeerd gedaan.'

Het is nog maar kort dat Arno Camenisch (1978) zijn werk in het Nederlands kan horen. Een kleine twintig landen waren het Nederlands voorgegaan toen De Bezige Bij afgelopen najaar zijn werk, in een vertaling van Miek Zwamborn, publiceerde. Maar hier kwam wél in een keer de volledige Sez Ner-trilogie op de markt: drie fraai vormgegeven boekjes, bijeengehouden door een buikbandje.
De boeken evoceren het leven in een afgelegen dal in het kanton Graubünden. Sez Ner volgt een seizoen lang het dagelijks bestaan van de alpenknechten, die hoog in de bergen het vee hoeden. Achter het station toont de jeugd van een jongen in een dorp waar iedereen elkaar van haver tot gort kent. En De laatste beschrijft een avond in restaurant-café Helvezia, dat voor het laatst open is.
Het leven in het dal is er rauw, liefdevol, maar bovenal geïsoleerd. Over grotere plaatsen als Ilanz en Chur wordt gepraat als een ver buitenland. Amerika lijkt een andere planeet. En de toeristen die in Sez Ner af en toe over de alp wandelen, komen over als merkwaar-dige freaks. Begrijpelijk: het harde bestaan tussen de hoge pieken vloekt nogal met het ontspannen sportieve prestatie van wandelaars.
Camenisch groeide zelf op in dit dorp. Tavanasa, heet het. Het heeft een station, twee straten, en nog geen vijftig inwoners. Hij heeft zelf vier keer een zomer als alpenknecht gewerkt: 's ochtends om vier uur op, tot diep in de avond doorwerken, zeven dagen per week, onder de barste omstandigheden. Een keer moest hij midden in de nacht met zijn blote handen schikdraad herstellen.
Boeken hadden ze er thuis nauwelijks. Ja, drie: eentje over paddenstoelen, eentje over wilde dieren in Afrika en een Lucky Luke. 'De literaire traditie is eerder oraal. We vertel-den elkaar verhalen, waarvan je niet weet of ze waar zijn of niet. Die grens zoek ik ook als schrijver. En in plaats van lezen keek ik veel tv. Heel veel tv. Misschien dat schrijven daarom voor mij bovenal het vertalen van beelden op papier is.'
Camenisch is blij er weg te zijn. 'Er is daar, door de hoge bergen, drie, vier maanden per jaar geen zon. Ik kon daar niet leven: ik heb lucht nodig, de levendigheid van een stad. Er heerst een zekere droefheid in het dorp waar iedereen op den duur weggaat. Ik denk dat ik daarom ook de humor ervan probeer te beschrijven. Dat is het beste wat je kunt doen met droeve plaatsen.'
Toen hij het eerste boek over Tavanasa had geschreven, waren de inwoners verbaasd. 'Maar na het tweede waren ze trots, al denk ik dat niemand het echt heeft gelezen. Ze vroegen me of ze zelf in het volgende zouden staan. Misschien vernoemen ze ooit een straat naar me. Hoewel? Er zijn er maar twee: de stationsstraat en de hoofdstraat.'

Je zou de Sez Ner-trilogie tekort doen als je alleen de inhoud navertelt. Het belangrijkst is de kale stijl. Camenisch schrijft uitsluitend losse scènes, van twee tot twintig regels lang, en blijft aan de buitenkant van zijn personages. Hij mijdt metaforen of psychologie. Maar het werkt. Zijn uiterste precies taalgebruik en de kracht van zijn beelden geven het gevoel dat je de personages indringend leert kennen.
'De boeken zijn ook alleen maar gesitueerd in het dorp,' zegt Camenisch. 'Het gaat mij in mijn werk altijd om mensen. Hoe reageren ze in bepaalde situaties? Sez Ner gaat over macht en onmacht. De laatste over het einde als fenomeen. Dat zijn universele thema's. Maar iedereen heeft een plek waar hij vandaan komt. Ik ook. En ik schrijf daar over omdat ik die plek het beste ken. Weet hoe het er voelt.'
Je kunt de trilogie ook op linguistisch niveau lezen – dat wil zeggen: in de oorspronkelijke uitgave. 'Het eerste deel is geschreven in het Retoromaans en het Duits, het tweede bevat veel Romaans, maar het derde nog maar een paar woorden. Dat symboliseert hoe die taal verdwijnt uit het leven. Er spreken maar 60.000 mensen Romaans. Het Surselvisch door maar 10.000 mensen.'
Hoe fataal dat ook klinkt, zelf heeft Camenisch vooral baat gehad bij de smeltkroes van talen waarin hij opgroeide. 'Het was een polyfonie in het dorp. Een vallei verder sprak men Italiaans, een moeder van een vriend Frans. Je hoorde er Balkantalen en Portugees. Ik schrijf alleen in het Retoromaans en Duits, maar ik speel met de tonaliteiten van al die talen. Een tekst is voor mij als een partituur.'

Zelf heeft hij een lichte voorkeur voor het Duits. 'Het Retoromaans is de taal van mijn hart. Mijn literaire taal is daarom Duits, omdat ik dan meer afstand heb. Die heb ik nodig om te kunnen schrijven. Maar het hangt van mijn stemming af. Of het sneeuwt of niet', lacht hij. 'Retoromaans klinkt levendiger, met al die diftogen en korte woorden eindigend met een vocaal, maar is morbide. Duits ligt dichter bij de realiteit. Is ruwer.'
(Eerder gepubliceerd in BOEK 1, 2014)