Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen

woensdag 16 december 2020

Groepsportretten: Als er dan toch woorden voor transgender personen moeten zijn (Onze Taal)

Het zou simpel kunnen zijn. Een man, geboren met de uiterlijke kenmerken van een meisje, noem je: man. Een vrouw, geboren in het lichaam van een jongen, noem je: vrouw. Waarom zou je iemand die in transitie is geweest om hem of haar van zijn genderdysforie (het gevoel van onvrede met het eigen geslacht) af te helpen, willen betitelen als transmanof transvrouw? Wie is geopereerd aan zijn kaakbeen noem je toch ook niet zijn hele leven ‘ex-kaakpatiënt’? 
Transgender personen deden vroeger zo veel mogelijk hun best niets anders dan man of vrouw te zijn, vertelt de historicus Alex Bakker (51). Zelf hield hij zijn transitie, die hij eind jaren negentig onderging, lang geheim. Pas nadat hij in Mijn valse verleden (2014) zijn verhaal te boek had gesteld, is hij er open over geworden. Zwijgen was de norm. Je wilde jezelf niet ontmaskeren. Onder elkaar hanteerden we codewoorden om bijvoorbeeld niemand per ongeluk te ‘outen’. In het openbaar, maar ook in zelfhulpgroepen zeiden we: ‘Dat is een collega.Of voor en na de oorlogin plaats van voor en na de transitie.

 

Voor altijd online

Maar zo onzichtbaar zijn transgender personen natuurlijk niet. Sterker: ze zijn zichtbaarder dan ooit. Mede door de sterk gegroeide maatschappelijke acceptatie van de laatste jaren is de groep veel zelfbewuster en daarmee zichtbaarder geworden. Neem Beau Geraeds (19). In juni vorig jaar realiseerde hij zich man te zijn; in december maakte hij dat bekend op Instagram. Het is out there. Ik doe dat om te zorgen voor representatie. Om anderen te kunnen helpen, die nog niet zo ver zijn. En nu staat het voor altijd online. Iedereen die op mij googelt, vindt het zo.

En dus zijn er woorden nodig om de groep aan te duiden. Maar welke woorden? Transgender Netwerk Nederland (TNN) raadt journalisten in zijn mediawegwijzer aan te spreken over transgender personen–  en ook bijvoorbeeld transgender sporterof transgender UtrechterTransgender noemt TNN nadrukkelijk “geen zelfstandig naamwoord”, omdat het een omschrijving is van een van iemands kenmerken. Transman en transvrouw kunnen ook wel, maar volgens het netwerk alleen in informele context. 

 

Een lomp woord 

Individueel redeneert echter niemand zo strikt.Als iemand over mij schrijft dat ik transgender ben, laat ik dat staan, vertelt Thomas van der Meer (34), auteur van Welkom bij de club (2019), een roman over een transitie. De nuance die het Transgender Netwerk aanbrengt, is voor media te ingewikkeld. Maar transman mijd ik juist helemaal. Men denkt te vaak ten onrechte dat dat iemand is die ooit man was. Het werkt te verwarrend. Zelf zeg ik, alleen als het relevant is, dat ik een transgender achtergrond heb. Ooit was ik transgender, maar daarvoor ben ik behandeld door in transitie te gaan. Nu ben ik man, maar wel één met een transgender achtergrond.

Wat daarentegen niet kan, zijn woorden die de plank misslaan. Travestiet bijvoorbeeld: Mannen die het leuk vinden om als vrouw verkleed te gaan, dat is een wereld van verschil, zegt Nathalie van Vugt (55). Helaas wordt het vaak op één hoop gegooid, zoals in het nieuwe programma van Fred van Leer over dragqueens.Of transseksueel: dat suggereert dat het gaat over de seksuele voorkeur van transgenders in plaats van hun sekse.

Dat die woorden toch circuleren, komt door de snelle emancipatie van transgender personen én de verschillende termen die de afgelopen decennia zijn gebruikt, legt Bakker uit, die met Transgender in Nederland (2018) de geschiedenis van de groep beschreef. Een van de eerste artsen in Nederland die transgenders behandelde, bedacht het woord transseksisme. Maar dat gaat niet makkelijk over de tong. Dat werd toen transseksueel, ook al was het fout. Zelf vind ik het een lomp, onprettig woord, maar sommige ouderen noemen zichzelf nog steeds zo. Uit gewenning.

 

Omgebouwd

Daarnaast zijn er – helaas – woorden die kwetsen. Het bekendste voorbeeld is omgebouwdAlsof ik een stuk timmerwerk ben!, zegt Van Vugt fel, die veel van zulke ervaringen beschreef in Hoe ik werd wie ik altijd al was (2014). Mijn lichaam is gerepareerd, kun je hooguit zeggen. Maar ik ben geen bouwpakket, waarmee je naar eigen smaak iets kunt maken.Ik kom het online tegen in reacties, zegt ook Geraeds. Vreselijk. Wie dat gebruikt, heeft echt geen idee wat het is om transgender te zijn.

Ook onprettig zijn complimenten als Je ziet het helemaal nietof Wat ben jij goed gelukt.’ Van Vugt: Ik haak er altijd maar op in met een grap. Maar jij hebt ook geen roze aan!of zoiets.Sommige zinnen jeuken omdat ze verraden dat iemand een transman of -vrouw niet helemaal normaal vindt. Van der Meer: Vragen als: ‘Dus je bent eigenlijk een meisje?’,of: Wat is je echte naam?Is Thomas soms mijn nepnaam?

Vaak komt het voort uit onwetendheid of onhandigheid. De transgender personen hebben zelden het gevoel dat iemand erop uit is hen te kwetsen. Soms ligt de pijn ook aan hemzelf, erkent Bakker. Laatst sprak ik voor het eerst in lange tijd een kennis, die het in een bijzin had over vroeger toen je nog een meisje was. Erg vervelend, maar eerlijk gezegd komt dat omdat ik er liever niet aan word herinnerd dat ik inderdaad zo’n lichaam had.

 

Activistisch

Gelukkig groeit de kennis bij het brede publiek. En daarmee het gebruik van de juiste woorden. Bakker: Het is nog helemaal niet zo lang geleden dat media een transvrouw een hijnoemden. Ook omgebouwd kwam je vijf jaar geleden geregeld tegen.Van der Meer heeft dezelfde ervaring. Als ik met een groep mannen praat die mijn achtergrond niet kennen, zeggen ze gerust omgebouwd. Maar als een gezelschap het wel weet, hoor ik dat woord nooit. Er is dus een besef dat het een fout woord is.

Als de gevoeligheid toch ontbreekt, zijn er altijd nogactivistische transgender personen, heeft hij gemerkt. Op Scholieren.com stond een verslag van mijn roman vol foute termen. De hoofdpersoon, een man, werd bijvoorbeeld zijgenoemd. Heel vervelend, omdat zo’n verslag een educatief doel heeft. Ik heb er toen zelf alleen maar een story op Instagram over gemaakt. Mijn volgers stuurden echter allemaal mailtjes naar de site. Daarna is het aangepast.

Dat is maar goed ook. Als transmannen en -vrouwen niet uitsluitend mannen en vrouwen genoemd kunnen worden, dienen wel de juiste termen worden gehanteerd.

(Eerder gepubliceerd in Onze Taal)


Zie ook aflevering 1 en aflevering 2 van deze serie.

woensdag 8 juli 2020

Nederlandse taal en cultuur in Michigan: van 70 naar 190 studenten (Taalunie)

De vakgroep Nederlands aan de University of Michigan viert zijn vijftig jarig bestaan. Door de studie te verbinden met hedendaagse en relevante thema's staat Dutch and Flemish Studies er beter voor dan ooit. 

Er is in ieder geval nog het boek. De vakgroep Dutch and Flemish Studies aan de University of Michigan wilde het eigen vijftigjarig jubileum vieren met een speciaal semester. Er stonden voor komend najaar drie evenementen gepland met in totaal zes sprekers. Het coronavirus dwong Annemarie Toebosch, directeur van de vakgroep, tot uitstel met een semester. Mogelijk zelfs meer. 'Daarom ben ik zo blij dat we een boek hebben gemaakt. Is er toch iets,' verzucht ze. 
Dutch is Beautiful: Fifty Years of Dutch and Flemish Studies at the University of Michigan is opgezet rond een lezing die Ton Broos – Toebosch' voorganger – gaf over de eerste taal- en cultuurcursussen Nederlands, de hoogte- en dieptepunten van de vakgroep in Ann Arbor en de mogelijkheden voor de toekomst. Zijn verhaal is aangevuld met getuigenissen van alumni, publicatielijsten en enkele overzichten, zoals die van 18 gastschrijvers die de universiteit tussen 1981 (Bert Schierbeek) en 2005 (Henk van Woerden) ontving.
In de afgelopen halve eeuw, zo leert het boek, groeide vanuit de toevallige behoefte van één graduate student om Nederlandse taal te doceren gestaag een volwaardige academisch centrum. Het biedt een vier semester durende intensieve taalcursus van vier uur per week en daarnaast een breed spectrum aan cultuurcursussen, waaronder een in 1993 opgezette en sindsdien steeds populairdere cursus rond Anne Frank – tegenwoordig 'Anne Frank in Context' geheten, dat zich richt op sociale rechtvaardigheid en mensenrechten.

Extra docent
Er is dan ook echt iets te vieren. De vakgroep is, zeker sinds Toebosch in 2012 aan het hoofd kwam te staan, trekt veel meer belangstelling: van zo'n zeventig inschrijvingen per jaar destijds tot ongeveer honderdnegentig nu. De vakgroep kon daardoor uitbreiden. Het afgelopen studiejaar trad een medewerker uit Vlaanderen in dienst via Fullbright België, die onder meer een reeks cultuurcolleges over Vlaamse onderwerpen geeft. Er staan nu vier mensen op de loonlijst, waaronder twee graduate studenten.
'Het voortbestaan van de vakgroep heeft, afgezien van een enkele moeilijke periode, in de afgelopen vijftig jaar nooit echt ter discussie gestaan', zegt Toebosch. 'Niet vanwege de afstammelingen van Nederlandse immigranten in Michigan. Die wonen vooral in het Westen van de staat, op zo'n twee uur rijden van hier. Al heb je altijd wel een student met zo'n achtergrond. Maar dankzij de groei behoort Dutch and Flemish Studies nu tot de middenmoot. Al geldt de taal nog altijd als wat ze hier een LCTL noemen: een Less Commonly Taught Language.'

Geen doel, maar instrument
Het geheim van het succes is de aansluiting die de vakgroep heeft gevonden bij bredere doelen die studenten zich voor hun studie stellen. 'Dat vereist een andere manier van denken. Je moet niet uitgaan van de vraag: wat is interessant aan Nederlands? Maar: hoe kunnen je studenten iets leren over de wereld? De studie Nederlands is daarbij geen doel op zich meer, maar een instrument om bijvoorbeeld iets te leren over sociale rechtvaardigheid door de bril van een andere cultuur dan hun eigen.'
Een thema als dekolonialisme, dat Toebosch nauw aan het hart gaat, is bij uitstek geschikt voor een dergelijke aanpak. Het past bij Nederland met zijn koloniale verleden en zijn debatten over tolerantie en multiculturalisme van de afgelopen decennia. En: het sluit aan bij thema's die in Amerika, en zeker ook bij studenten in Ann Arbor, erg leven. 'Studenten leren zo niet alleen over een ander land en cultuur, maar via die andere manier van kijken ook iets over zichzelf. Ze krijgen een extra perspectief op de koloniale geschiedenis van Amerika.'

Mond-tot-mondreclame
Om dit uitgangspunt te laten slagen zocht Toebosch samenwerking. Op verschillende manieren. In de eerste plaats met andere studies die vergelijkbare thema's aan de orde stellen. Zo wordt Anne Frank in Context georganiseerd met Judaic Studies. Ook zocht Toebosch contact met kleinere gemeenschappen binnen de enorme campus. Bijvoorbeeld: de atleten of de deelnemers van het Michigan Community Scholars Program. Dat zijn groepen waarvan de leden elkaar erg goed kennen omdat ze doorgaans samenwonen.
'De studenten moeten allerlei vakken verplicht volgen', licht ze toe. 'Ze moeten bijvoorbeeld een cursus over race and etnicity volgen. Wij hebben een aantal cursussen die daarvoor meetellen. Als je in beeld bent bij bepaalde universiteitsgemeenschappen vertellen ze aan elkaar door dat die van ons interessant is. En de cultuurcursussen leiden weer naar de taalcursussen toe. Studenten moeten ook vier semesters een vreemde taal leren. Wie ons al kent, kiest soms voor Nederlands. Weinig studenten kiezen anders uit zichzelf voor Nederlands.'

Academisch activisme
De veranderde aanpak gaat ten koste van een meer traditionele focus op taal, literatuur en cultuur van afdelingen neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten. Toebosch verbloemt dat niet. 'Als je een curriculum samenstelt moet je keuzes maken. Altijd. Toen ik hoofd van het programma werd, lag het voor de hand dat ik andere dingen ging doen. Ton Broos had een letterkundige achtergrond en richtte zich meer daar op, al heeft hij ook de Anne Frank-cursus opgezet. Ik ben om te beginnen geen neerlandicus, maar taalkundige.'
Haar keuzes passen in de Amerikaanse traditie van academisch activisme. Denk aan het type Noah Chomsky, óók een taalkundige. 'Als studenten, naast de stereotypen van tulpen en kaas, al een beeld van Nederland hebben, is dat van een progressief land. Dat klopt niet. Nederland is ook een racistisch land. Ik wil studenten daar iets over leren, zodat ze met die kennis later misschien elders de wereld gaan veranderen. In Nederland rust een beetje een taboe op zo'n aanpak, maar in Amerika beseft men al lang dat je én wetenschappelijk én activistisch kan zijn.' 
Door die persoonlijke achtergrond is het succes aan de University of Michigan niet zomaar te kopiëren door vakgroepen elders in de wereld. Dutch and Flemish Studies in Ann Arbor heeft bovendien het geluk dat Toebosch interesses nauw aansluiten bij de wezenlijke verandering in het denken over haar thema's. 'Ik wil niet zeggen dat dekolonialisme hier niks bijzonders is, maar er wordt al lang les over gegeven. De universiteit heeft een lange geschiedenis in het promoten van diversiteit. Onder de huidige rector is dat versterkt.'

De gemeenschap van neerlandici
Een andere samenwerking die Toebosch koestertis die met Nederlandse financiers. Aanvankelijk was dat het Nederlandse ministerie van Onderwijs, sinds de oprichting in 1980 is dat de Taalunie. Zonder de basisfinanciering en de aanvullende subsidies voor bijvoorbeeld nascholing en gastdocenten, zou de extra docent niet hebben starten. 'Niet alleen vanwege de subsidie zelf. Binnen deze universiteit is het moeilijker om funding te krijgen als er niet ook geld van buiten komt. Zo gaan dankzij de bijdrage van de Taalunie hier deuren open.'
Minstens zo belangrijk is de gemeenschap van neerlandici extra muroswaartoe Toebosch dankzij de Taalunie behoort. 'De verantwoordelijke beleidsmedewerker komt regelmatig langs. Dat schept een band. De Taalunie stelt geen enkele inhoudelijke eis aan de subsidie. Ik heb veel autonomie om mijn programma vorm te geven zoals ik wil. Belangrijk voor mij. Maar door die band weet ik wel wat andere programma's in Amerika en de rest van de wereld inhouden. Dat is ook belangrijk.'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie.org)

dinsdag 12 mei 2020

Groepsportretten: hoe willen mensen met een donkere huidskleur worden genoemd? (Onze Taal)

Welke woorden willen leden van een minderheidsgroep liever meer horen als het over henzelf gaat? Wat zijn de alternatieven? Binnen ons jaarthema over schurende taal laten we verschillende groepen aan het woord. In de eerste aflevering: mensen met een donkere huidskleur.

Nooit meer het n-woord!
Maar welke woorden dan wel? 

In Nederland was er weinig begrip voor het ontslag van Ron Jans. De voetbaltrainer moest half februari opstappen bij FC Cincinnati omdat hij in de kleedkamer als witte man het n-woord in de mond had genomen toen hij een paar regels meezong met een rapliedje. Zo erg was dat toch niet? In Amerika, schreven de media, is het woord fel omstreden, in het Nederland kun je nog best het n-woord gebruiken.
Die conclusie vond Mitchell Esajas (31) typisch. “In Nederland kan het óók niet”, zegt de oprichter van The Black Archives. “Hier wordt alleen minder rekening gehouden met zwarte mensen. Dat media het n-woord toch gebruiken, komt voort uit een gebrek aan bewustzijn, gebrek aan empathie en gebrek aan kennis.”

Zwarte Piet
Er zijn in de loop der tijd veel termen in omloop geweest om mensen met een donkere huidskleur aan te duiden. De schrijfster Henna Goudzand Nahar (66) vulde op school bij de vraag naar afkomst nog in: “creool”. Tegenwoordig circuleren woorden als zwartof omschrijvingen als gekleurde mensenmensen van kleurof kleurling
En dus, nog altijd, het n-woord. De dichter Dean Bowen (35) hoort het zelfs steeds vaker. “Juist omdat er momenteel zo veel wordt gesproken over Zwarte Piet en racisme, is er een groep mensen die het doelbewust bezigt om schade te berokkenen. Het is een voorspelbare tegenbeweging.”
Het n-woord is met afstand het ergst – verschillende geïnterviewden weigeren het pertinent in de mond te nemen, reden waarom het ook hier verder niet voluit wordt geschreven. Daarbij lijkt te gelden: hoe jonger de persoon, hoe sterker hij zich tegen het woord verzet. “Ouderen accepteren het woord eerder, omdat het in hun jeugd gebruikelijker was, ook al had het toen evengoed een negatieve lading”, zegt Levi Ommen (21), studente International Relations en Organisations.
Soms wordt dan tegengeworpen: in rap hoor je het toch ook te pas en te onpas? “Maar rappers gebruiken het om de onderdrukking van de zwarte mens te benadrukken”, legt Esajas uit. “Ook in Nederland. Maar het is anders als een witte rapper het doet.”

Apartheid
Ook andere begrippen roepen soms wrevel op. Urwin Vyent (60), directeur van hetNationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis,herinnert zich de strijd in de jaren tachtig tegen allochtoonen de mislukte pogingen dat te vervangen door medelanderof nieuwe Nederlander.“Met allochtoonwerd je weggezet in een hoekje: de groep voor wie witte mensen beleid moesten maken.”
Mensen met een donkere huidskleur ergeren zich eveneens aan een gebrek aan historisch besef. Esajas: “Ik lees een enkele keer kleurling. Heel raar. Roept dat dan niet onmiddellijk associaties op met hét systeem van onderdrukking van ‘coloured people’: de Apartheid?”
Toch is het heel persoonlijk wat wel of niet kan. Goudzand Nahar vindt dat met zwartin praktijk iedereen die niet-wit is op een grote hoop wordt gegooid. “Ook mensen met een Arabische en Chinese achtergrond worden daaronder geschaard. Verwarrend en lastig vinden sommigen dat, merk ik.” Dan liever mensen van kleur, hoewel ze gruwt van het anglicisme. “Het Nederlands zou krachtig genoeg moeten zijn om zelf iets creatiefs te bedenken.”
Maar Bowen heeft het een precies tegenovergestelde voorkeur. Mensen van kleurvindt hij een “verzamelterm in witte samenlevingen voor iedereen die niet-wit is. Dat kun je dus alleen gebruiken als je praat over de machtsdynamiek in overwegend witte landen.” Dan liever zwart. “Dat woord raakt het meest aan de gedeelde ervaring die ik deel met andere mensen, waarbij toch een minimale mate van neutraliteit is gewaarborgd.”

Surinamer
Mensen met een donkere huidskleur hebben zelf een voorkeur voor een onbevooroordeelde term die past bij hun identiteit. Surinaamse Nederlanderbijvoorbeeld, al hangt het gebruik af van de context. “Ik doe een internationale studie”, zegt Ommen. “Dan ben ik Nederlands. Maar op straat zal niemand zeggen: ‘Daar loopt een leuk Nederlands meisje.’ Dan ben ik Surinaams-Nederlands. Prima. Ik ben óók Surinaams opgevoed – met het eten, de taal.”
“Ik vind het niet erg om Surinamer te worden genoemd”, meent ook Vyent, die anders dan Ommen in Suriname is geboren. “Het is net als iemand uit Brabant. Die vindt het evenmin een probleem als iemand hem Brabander noemt. Je kunt ook heel goed allebei zijn: Nederlands en Surinamer.”
Maar opnieuw: het luistert heel nauw. Bowen noemt zich bewust 'Nederlander'. “Het begrip opeisen helpt om duidelijk te maken dat het Nederlanderschap divers is binnen een samenleving die allang niet meer homogeen is. Maar als ik er niet aan kan ontsnappen noem ik mezelf ‘zwarte man’. Cruciaal is het bijvoeglijk gebruik van zwart. Ik ben geen ‘zwarte’, maar ik heb nu eenmaal een zwarte huidskleur.”

Wit
Ondanks de vergoelijkende berichtgeving rond het ontslag van Ron Jans is er een grotere bewustwording bij witte mensen over hun taalgebruik. De NOS heeft blankbijvoorbeeld vervangen door wit. Dat wordt toegejuicht. Goudzand Nahar: “Blankroept associaties op met zuiver, edel, nobel en met het kolonialisme.” Esajas: “Terwijl witmeteen doet denken aan begrippen als ‘white privilige’ [het sociale voordeel dat witten hebben in gemengde samenlevingen – MD]. Het roept de discussie op die gevoerd moet worden.”
Zeker in grote steden als Rotterdam, waar Bowen woont, is men zó gewend aan de bonte mengeling van mensen dat “je vanzelf nadenkt over de taal die je spreekt”, merkt hij op. “Alleen in afgelegen plattelandsdorpen kan men zich de luxe veroorloven te doen alsof het je niet aangaat. Dan voelen zulke discussies over woorden heel marginaal. Maar als je daar begrip voor toont, kun je met hen wel een open gesprek voeren.”
Toch valt er nog een wereld te winnen. “Ik spreek minstens een keer per maand iemand aan omdat die persoon bijvoorbeeld het n-woord gebruikt”, vertelt Ommen. Wat er dan gebeurt? “Ofwel ze reageren defensief:  ‘Ik bedoel het niet zo.’ Ofwel agressief: ‘Als je het niet goed vindt, ga dan maar weg hier. Hier zeggen we het nu eenmaal zo.’ Niemand maakt excuses. Soms zeggen ze dat ze het woord niet meer in mijn bijzijn zullen gebruiken.”
Het zou daarom goed zijn, hopen mensen met een donkere huidskleur, als witte mensen nog beter beseffen dat hun taalgebruik – meestal onbedoeld – kwetsend kan zijn. Wat ze wél kunnen zeggen, is lastig: deze groep is lang niet zo homogeen als het in alle argeloosheid soms lijkt. Misschien getuigt het daarom van het meeste respect om simpelweg te vragen: ‘Hoe wil je worden genoemd?’
(Eerder gepubliceerd in Onze Taal, apr 2020)

zaterdag 9 mei 2020

Interview Kris Van de Poel: 'De Taalunie is momenteel een heel aangename plek' (Taalunie)

Kris Van de Poel is op 1 maart begonnen als algemeen secretaris van de Taalunie. De Vlaamse taalkundige ziet veel ruimte om de organisatie te laten bloeien en groeien. Een kennismakingsgesprek.

Aanvankelijk voelde Kris Van de Poel geen behoefte om te solliciteren. Ze zag zichzelf Antwerpen niet verruilen voor Den Haag om er algemeen secretaris van de Taalunie te worden. 'Maar mijn thuissituatie veranderde, omdat mijn kinderen beslisten in het buitenland te gaan studeren', vertelt ze. 'En ik had een hele groep van tien promovendi begeleid, waarvan de laatsten klaar waren. Het kon dus plots wél.'
Het is een bijzondere organisatie met een cruciale rol voor het Nederlands. 'Als je alleen al kijkt naar het netwerk van neerlandici extra muros, heeft de Taalunie in veertig jaar iets moois opgebouwd. En zo is er een heel scala aan projecten, instrumenten en netwerken om het Nederlands te ondersteunen en het een levende taal in een internationale context te laten zijn. Het helpt iedere gebruiker om zich goed te voelen in het Nederlands.'

En toen werd Van de Poel, afgelopen september, gevraagd zich te kandideren. Zij is immers een van de weinige neerlandici die zo'n brede loopbaan heeft gekend dat ze zich bezig heeft gehouden met alle aandachtsgebieden waarop de Taalunie zich inzet voor het Nederlands: 1) Standaardtaal, 2) Nederlands en andere talen, 3) Taal en onderwijs in Nederland, Vlaanderen en Suriname, 4) Nederlands wereldwijd, en 5) Nederlandstalige cultuur.
'Waarom anderen mij voordroegen, moet je aan hen vragen', reageert ze. 'Ik merkte wel dat de medewerkers van de Taalunie blij verrast waren dat ik met alle aandachtsgebieden voeling heb, maar dat is gewoon zo gegroeid. Ik ging in 1984 bijvoorbeeld naar Denemarken omdat er op dat moment geen vaste, volledige baan aan een universiteit in België was. En in Aarhus kon ik Nederlands van keuzevak bij Duits uitbouwen tot een hoofdvak.'

Haar professionele leven heeft wel vaker zo'n onverwachte wending genomen. Sterker: ze is deels door een samenloop van omstandigheden neerlandicus geworden. 'Ik wilde geschiedenis studeren', glimlacht ze. 'Maar dat mocht niet van mijn ouders. Ik moest talen doen, zoals mijn vader. Welke taal dan? Nederlands? Een vriend van mijn vader adviseerde: als je slim bent, studeer je Engels en Duits. Nederlands kun je er altijd bij doen. En zo deed ik het.'
Zelfs toen ze aan de slag was gegaan in Denemarken, twijfelde ze nog serieus over een andere carrière. 'Ik heb daar conservatorium gevolgd. Ook afgemaakt. Muziek is net zo goed een vorm van communicatie, een heel emotionele vorm om iets over te brengen. Het is nog altijd een passie voor me, waar ik veel mee bezig ben – naast genieten van mooie dingen, van kunst tot meubelstukken, en van de natuur.'
Toch verkoos ze, zoals ze zegt, het taalpad boven het muziekpad. 'Mijn hart klopt toch anders als ik me bezighoud met communicatie en taal. Als ik wakker word, ben ik nog steeds blij dat ik dat mag doen. Het heeft me ook van kinds af aan gefascineerd: spelen met taal, met stemmetjes dingen doen, bezig zijn met verschillende soorten uitspraak, onderzoeken hoe je taal kunt inzetten om een ander iets mee te delen – al die dingen bij elkaar.'

Daarop volgde een mooi bestaan als taalkundige. Na terugkeer naar België zette Van de Poel het universitair talencentrum van de Universiteit Antwerpen op, waar ze zeventien jaar leiding aan gaf. Daarna werd ze hoogleraar taalkunde. Ze was er ook adviseur voor internationalisering. En ze leidde meer dan honderd internationale projecten. 'Ik moest ze tellen voor mijn sollicitatie. Ik wist ook niet dat het er zó veel waren.'
De laatste jaren heeft ze zich geconcentreerd op 'academische en professionele communicatie', vertelt ze. 'Ik vind het bijzonder belangrijk dat als mensen professioneel communiceren in een vreemde taal, zij hun identiteit niet verliezen. Ik wilde hen daarbij helpen, met taaladvies en taalonderbouwing. En dat onderbouwd door onderzoek. Bijvoorbeeld: Hoe kunnen mensen een betere uitspraak krijgen zodat ze persuasiever communiceren in een vreemde taal?'

Van de Poel ziet zich daarbij als een mengeling van onderzoeker, pedagoog en consultant. 'Ik zag mezelf altijd als de motor die mensen kon laten zijn wie ze wilden of moesten zijn. Soms was dat in een onderwijscontext, met promovendi, soms was dat in een professionele context, waar ik dan een soort projectmanager was. Zo heb ik veel Europese projecten geleid in de zorgsector, om mensen te helpen intercultureel te communiceren.'
Dienstbaar dus? 'Nee, nee, nee,' haast ze zich om die indruk te weerleggen. 'Dat klinkt zo zelfloos. Religieus bijna, als een soort opoffering. Ik heb er juist altijd erg van genoten en ook veel voor teruggekregen. Neem het begeleiden van promovendi, wat ik veel maar ook ontzettend graag heb gedaan. Je helpt een jong iemand om zichzelf te ontplooien, maar leert daar net zo goed van. Bij alles wat je geeft, neem je ook iets.'

Ook bij de Taalunie zal Van de Poel de medewerkers stimuleren om zich op alle al genoemde aandachtsgebieden – op de gloednieuwe website van de Taalunie (https://taalunie.org/ ) worden ze helder gepresenteerd – ten volle te kunnen inzetten. Dat zal zeker mogelijk zijn. Nadat haar voorganger Hans Bennis het vertrouwen in de organisatie en van het veld heeft hersteld, is de Taalunie momenteel een heel aangename plek om te werken, met veel competente mensen en mooie projecten.
Dat neemt niet weg dat er serieuze uitdagingen zijn. 'We weten allemaal dat de leesvaardigheid en het leesplezier in Vlaanderen en Nederland niet schitterend zijn. Er zijn dan ook veel organisaties die zich daarmee bezighouden. De Taalunie hoeft hun werk niet over te doen, maar kan wél een verbindende rol spelen, zodat niet overal het warme water opnieuw wordt uitgevonden. Zo kunnen alle organisaties krachtiger opereren.'
Een ander speerpunt voor haar moet de instroom van studenten Nederlands zijn, die zowel in Vlaanderen als in Nederland stokt. 'We zien ook in het buitenland een daling van het aantal inschrijvingen. Hoe komt dat? We weten dat alle moderne Europese talen hetzelfde probleem kennen. Kunnen we leren van hun ervaringen? En kunnen de opleidingen intra en extra muros elkaar ondersteunen om te groeien? De Taalunie moet daarin het voortouw nemen.'

Tegen deze achtergrond kan Van de Poel alleen maar blij zijn dat ze toch heeft gesolliciteerd. 'Als je kijkt naar het groeiend belang van taal voor de creativiteit van het individu, maar ook naar de internationalisering van taal, kan het belang van zo'n unieke instelling als de Taalunie – als de as waar alles met betrekking tot het Nederlands om draait – de komende jaren alleen maar groeien. Ik zie nog zo veel kansen en mogelijkheden.'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie.org)

donderdag 27 februari 2020

Hoe zorgen we ervoor dat Nederlandstalige literatuur de wereld over reist? (Taalunie)

Ieder jaar verschijnen honderden Nederlandstalige boeken verspreid over de hele wereld in vertaling. Hoe krijgt bijvoorbeeld een Vlaamse roman een vertaling in het Tamil, de vijfde taal van India? Dat is te danken aan een collectieve inspanning van alle betrokkenen. Ook de inzet van de Taalunie voor de kwaliteit van vertalingen is essentieel. In dit artikel wordt uitgelegd hoe dat in zijn werk gaat.

Het omslag toont een dampend kopje koffie tegen een zwarte achtergrond. Zo veel is zeker. Maar hoe het boek heet? Wie het heeft geschreven? Het schrift is onmogelijk te ontcijferen voor iemand die behalve het Nederlands hooguit een paar Europese talen kent. Pas bij nadere bestudering blijkt het MisTar juulsuTan oru naaL te heten – de vertaling in het Tamil van De buitenkant van meneer Jules van Diane Broeckhoven, dat in 2014 verscheen bij de Indiase uitgeverij Kalachuvadu Publications.
Hoe komt dit boek in de bibliotheek van beleidsorganisatie Literatuur Vlaanderen terecht? Anders gezegd: Hoe krijgt een Vlaamse roman een vertaling in de vijfde taal van India?

Ieder jaar verschijnen er honderden boeken van Nederlandstalige auteurs in alle denkbare talen. In 2018 waren dat er, voor zover bekend bij het Nederlands Letterenfonds, maar liefst 543. Het gaat om alle mogelijke genres: romans van Arnon Grunberg, kinderboeken van Bart Moeyaert, klassiekers van Willem Elsschot, poëzie van Maria Barnas, theaterteksten van Jan Fabre, strips van Typex, literaire non-fictie van Midas Dekkers. Het gaat ook om 45 verschillende talen: van Afrikaans en Amhaars tot Vietnamees en Zweeds.
De aantallen zijn zo groot dat je zou denken dat al deze boeken vanzelf op nachtkastjes van lezers wereldwijd belanden. Dat is het niet. Het Nederlands is geen wereldtaal zoals Engels, Chinees of Spaans. Zelfs het Tamil kent al 3,5 keer zo veel sprekers. Dat maakt dat als een buitenlandse uitgever al een boek in het Nederlands in handen krijgt, hij onmogelijk de kwaliteit ervan kan beoordelen. Sterker: misschien kan hij niet eens uitvogelen of het een thriller, literaire roman of non-fictie is.

Buitenlandse nieuwsgierigheid naar Nederland en Vlaanderen is er wel, maar de actualiteiten in Washington, Moskou en Beijing zijn in de ogen van de buitenwereld belangrijker dan die in Den Haag of Antwerpen. Ook de gebeurtenissen in pak hem beet Rio de Janeiro of Ankara trekken meer belangstelling. Buitenlandse uitgevers zullen daarom eerder de literatuur uit die taalgebieden willen lezen.
In wetenschappelijke termen: het Nederlands is een perifere taal. De sprekers van het Engels – de meest centrale taal – lezen daarom relatief weinig boeken in vertaling, Nederlandstaligen relatief veel. Om boeken uit het Engels vertaald te krijgen, hoeft daarom geen moeite te worden gedaan. De gretige buitenlandse uitgeverijen kopen de vertaalrechten toch wel. Maar om onze literatuur over de wereld te verspreiden, anders dan via een enkele toevalstreffer, is gericht beleid nodig.

De taak om literatuur over de grens te krijgen, berust van oudsher bij uitgeverijen. Om commerciële redenen promoten zij hun eigen uitgaven bij collega's in het buitenland. Dit deden zij altijd op boekenbeurzen: van de bekendste in Frankfurt (oktober) en Londen (april) tot de kinderboekenbeurs in Bologna (maart). Ook vertalers uit het Nederlands fungeren vaak als handelsreiziger. Zij kennen de Nederlandstalige literatuur, houden er vaak van en willen die dolgraag bekend maken in hun eigen taalgebied.
De gespecialiseerde foreign rights agents, die uitgevers steeds vaker in dienst hebben, en vertalers proberen buitenlandse uitgeverijen te overtuigen met kwaliteit. Zij kennen ook het fonds van deze bedrijven en kunnen daarom inschatten of Herman Koch, Annie M.G. Schmidt of Leonard Nolens daarin past. Maar het is niet het enige argument. Ook hoge verkoopcijfers, gewonnen literaire prijzen en een lokale link wegen door. Kochs vaste Finse uitgever wil om die laatste reden maar wat graag diens Finse dagen hebben.

Het kan echter niet alleen aan de markt worden overgelaten. Nederland kent sinds 1954 de Stichting ter Bevordering van de Vertaling van Nederlands Letterkundig Werk – tegenwoordig opgegaan in het Nederlands Letterenfonds. Vlaanderen werkt het Vlaams Fonds voor de Letteren – tegenwoordig Literatuur Vlaanderen –na incidentele inspanningen sinds 2003 structureel aan buitenlandpromotie. Beide instellingen maken zich hard voor de promotie van de Nederlandstalige literatuur in de breedte. Dus óók klassiekers of moeilijke genres.
Hoe zou anders De Avonden van Gerard Reve vier jaar geleden in het Engels zijn verschenen? En rond dezelfde tijd in nog een handvol talen, zoals Deens, Hebreeuws en Turks? Uitgevers zouden commercieel interessantere titels voorrang geven. Ze zouden misschien ook hebben gedacht: deze roman is té typisch Nederlands. Alleen door een weloverwogen inzet voor deze titel, waagde het Londense Pushkin Press toch de gok. En wat bleek? Britse recensenten lazen in de vertaling van Sam Garrett een klassieker met universele zeggingskracht.

De twee fondsen hebben een scala aan beleidsmiddelen tot hun beschikking. Zij bezoeken beurzen, zoals die van Caïro (februari) en Guadalajara (november). Zij nodigen ook buitenlandse uitgeverijen uit op publishers tours om onze lokale uitgeverijen te leren kennen. Ze maken proefvertalingen (in de taal die de meeste mensen beheersen: het Engels), stellen brochures samen, verlenen prijzen aan vertalers, sturen Nederlandstalige auteurs naar festivals of op promotietour over de hele wereld, enzovoorts.
Het belangrijkste middel is natuurlijk: geld. Beide fondsen stellen translation grants ter beschikking om het economische risico te beperken te beperken om een vaak nog onbekende auteur te vertalen. De subsidie bedraagt maximaal 60% (Vlaanderen) of 70% (Nederland) van de vertaalkosten, maar kan oplopen tot 100% als het om een klassieker gaat. Daar wordt massaal gebruik van gemaakt. Een derde van de 543 vertalingen uit 2018 is gesubsidieerd. Ook Kalachuvadu kreeg destijds steun voor Broeckhoven: 435 euro.

Belangrijk is daarbij dat de vertaling kwaliteit heeft. Hierin speelt de Taalunie een essentiële rol. Dankzij een brede ondersteuning van opleidingen Nederlands wereldwijd draagt de organisatie er in de eerste plaats aan bij dat er overal steeds weer enthousiaste vertalers opstaan. Via het Expertisecentrum Literair Vertalen (ELV), mede door de Taalunie geïnitieerd, wordt geïnvesteerd in talentontwikkeling en deskundigheidsbevordering van deze vertalers. Het ELV organiseert daarvoor onder meer cursussen en studiedagen.
Om de kwaliteit te garanderen, krijgen uitgevers alleen translation grants voor vertalers die garant staan voor een hoog niveau. Een proefvertaling moet dan zijn goedgekeurd door experts. Of ze moet ze op de lijst geaccrediteerde vertalers staan. Eind 2018 ging dat om 690 vertalers, die vertalen naar 33 verschillende talen. Om erop te komen, moeten zij een proefvertaling indienen die – anoniem – wordt beoordeeld door professionele vertalers en/of docenten vertaalwetenschap. Valt de proefvertaling die een uitgever aandraagt tegen, dan dragen de fondsen een andere, wél goedgekeurde vertaler aan.

Anandh Krishna, vertaler van Diane Broeckhoven, staat overigens niet op deze lijst. Waarom? Hij beheerst helemaal geen Nederlands. Hij vertaalde de roman bij gebrek aan vertalers Nederlands-Tamil uit het Engels. En díé vertaling is wel degelijk beoordeeld op kwaliteit. De lezers in het Tamilsprekende deel van India kunnen daarom MisTar juulsuTan oru naaL ter hand nemen in de wetenschap dat ze een getrouwe indruk kunnen krijgen van deze parel van de Nederlandstalige literatuur.

(Eerder gepubliceerd op Taalunie.org, 30 jan en – in Engelse vertaling – op the-low-countries.com)

maandag 20 januari 2020

Blinden en slechtziende tolken en vertalers kennen de oplossingen vaak niet (Taalunie:Bericht)

Ook met moderne technische hulpmiddelen lukt het blinde en slechtziende tolken en vertalers niet altijd om hun vak optimaal te beoefenen. De – blinde – Slowaakse onderzoeker Michal Homola pleit voor meer kennisoverdracht en voorlichting. Het Nederlands moet voor iedereen even toegankelijk zijn, ook in een tijd dat mensen met een beperking slechter toegang tot de maatschappij hebben.

Natuurlijk gebruiken blinden en slechtzienden computers net zo vanzelfsprekend als zienden. Toch? Michal Homola (1992) wist in ieder geval niet beter. Blind geworden op zijn elfde, na een ziekte, had hij altijd schermleessoftware gehad die iedere internetpagina of Word-document voor hem voorlas. Later kreeg hij ook een zogeheten brailleleesregel: een apparaat waarmee hij tekst van zijn scherm kan lezen en zelf invoeren. Zo kan hij respectievelijk met zijn oren én zijn vingers zijn beperking compenseren. 
Het sprak voor de Slowaak dan ook vanzelf dat hij zijn droom waar zou maken om tolk-vertaler te worden, ook al hadden meerdere mensen hem afgeraden die studie te kiezen. Op de Comenius Universiteit in Bratislava drong echter tot hem door dat professionals altijd gespecialiseerdere software hebben dan een office-pakket en een internetbrowser. En die is niet per definitie geschikt voor blinden en slechtzienden.
Het werd het onderwerp van zijn – Nederlandstalige – afstudeerscriptie in 2017, waarmee hij zijn opleiding tot tolk-vertaler Duits en Nederlands afrondde: Taaltechnologie en hulpmiddelen voor blinde/slechtziende vertalers en tolken. 'Het thema had natuurlijk persoonlijke betekenis', vertelt Homola, die inmiddels aan zijn proefschrift werkt. 'Maar het is ook een uniek thema. Er is hier nog weinig onderzoek naar gedaan. Voor het Nederlandse taalgebied zelfs helemaal nooit.'

Voortijdig stoppen
Homola vond vijf blinde en slechtziende tolk-vertalers in het taalgebied: drie uit Vlaanderen, twee uit Nederland. Een daarvan was inmiddels, na acht jaar, gestopt omdat de problemen die ze had als gevolg van haar beperking, haar te groot waren geworden. 'Het komt ook internationaal vaak voor dat blinden en slechtzienden voortijdig met hun job stoppen. Dat is zonde en onterecht. Maar zij weten vaak niet van de oplossingen die voorhanden zijn. Die informatie verspreiden was ook een motivatie voor deze scriptie.'
De problemen voor vertalers en voor tolken zijn verschillend. Het grote probleem voor vertalers is het gebruik van CAT-tools, legt hij uit: technologie voor het geautomatiseerd vertalen van elektronische documenten. 'Daarmee kun je sneller en efficiënter vertalen. Het is essentieel die te gebruiken, omdat snelheid voor een opdrachtgever tegenwoordig een van de belangrijkste criteria is in zijn keuze voor een vertaalbureau. Helaas zijn niet alle CAT-tools toegankelijk voor blinden en slechtzienden.'

Liever mooi dan inclusief
Dat geldt nota bene voor de producent van de meest gebruikte tool: SDL Trados Studio. 'Zij vinden het belangrijker dat hun software er mooi en grafisch goed uitziet dan dat iedereen ermee kan werken. Zij gebruiken bijvoorbeeld symbolen of grafische tekens die schermleessoftware en brailleleesregels niet herkennen. Ook tonen ze bepaalde informatie met een verandering van kleur. Blinden en slechtzienden zijn niet relevant voor hen. Deze groep vinden ze te klein om rekening mee te houden.'
Het grootste probleem voor tolken – wat Homola wel als een minder groot probleem beschouwt – zit hem is het maken van aantekeningen tijdens het luisteren. 'Een blinde of slechtziende tolk kan geen gebruik maken van schermleessoftware. Je kunt immers niet tegelijk luisteren naar een spreker én naar de schermleessoftware die je aantekeningen voorleest. Daarvoor heb je een brailleleesregel nodig, omdat je dan niet je oren maar je vingers gebruikt.'

Brailleleesregel
Maar: een blinde of slechtziende tolk kan met een brailleleesregel niet zo goed aantekeningen maken als een ziende tolk. 'Veel tolken hebben namelijk een heel eigen systeem van symbolen om met, zeg, één streepje een term als "financiële crisis" aan te duiden. Het is een persoonlijk steno om snel veel informatie te kunnen noteren. Als je blind bent, kun je geen vergelijkbaar individueel systeem maken. Dat werkt niet met een brailleleesregel. En dat terwijl je toch net zo snel moet tolken.'
Blinde of slechtziende tolk moeten daarom, gebruik makend van bestaande letters en leestekens, een systeem van afkortingen ontwikkelen. 'Die mogen niet te kort zijn, omdat een afkorting dan meerdere dingen kan betekenen. Maar ook niet te lang, omwille van de efficiënte van het tolken. Ik ben daar zelf bij geholpen door blinde collega's met meer ervaringen dan ik, die mij enkele nuttige adviezen hebben gegeven. Helaas kende ik maar er drie van hen, en geen van hen heeft ervaring met vertalen uit het Nederlands.'

Maatschappelijk meedoen
Natuurlijk moeten deze problemen worden verholpen. Dat vindt niet alleen Homola. De Braille Autoriteit, waarin sinds 2017 alle Vlaamse en Nederlandse niet-commerciële organisaties op het gebied van braille zijn verenigd, formuleerde vorige week bij haar jaarlijks symposium nogmaals als kernboodschap: 'Braille is maatschappelijk meedoen'. Ook de Taalunie, waar de Braille Autoriteit is ondergebracht, wil zich breder inzetten op het toegankelijk maken van het Nederlands voor mensen met een beperking.
'Eigenlijk zouden problemen met CAT-tools niet hoeven te bestaan', vertelt Homola. 'Er bestaat een Europese richtlijn waarin staat dat alle bedrijven die met Europese instellingen samenwerken hun producten en hun inhoud zó moeten aanbieden dat verschillende groepen mensen met een beperking ze kunnen gebruiken, waaronder blinden. Helaas wordt dat niet genoeg gecontroleerd of bestraft. Daarom is het in de praktijk niet altijd het geval.'

Te weinig contact
Hij denkt niet dat organisaties als de Braille Autoriteit of de Taalunie hier veel aan kunnen doen. Wel ziet hij graag dat zij meer doen aan het stimuleren en realiseren van onderlinge contacten van blinde en slechtziende tolken en vertalers. 'Van de vijf Nederlandstaligen die ik heb ondervraagd voor mijn onderzoek, had slechts één contact met een blinde of slechtziende collega.'
Want het is zo belangrijk om elkaar te helpen bij specifieke problemen. Zo was het online woordenboek van Van Dale een tijd moeilijk toegankelijk voor blinden. Met de helpdesk van de uitgeverij lukte het via een omweg om enkele instellingen te veranderen, zodat het opnieuw werkte. Die informatie moeten blinden en slechtzienden met elkaar kunnen delen. En als het probleem niet te verhelpen zou zijn geweest, werkt het beter om gezamenlijk een vuist te maken. Dus: 'Meer kennisoverdracht en voorlichting, ja graag.'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:bericht.nl)

woensdag 16 oktober 2019

'De herhaling geeft de Staat van het Nederlands zijn kracht' (Taalunie:bericht)

De Staat van het Nederlands brengt de positie van het Nederlands in het taalgebied in beeld. Door het onderzoek steeds te herhalen, wordt dat beeld almaar scherper. Dat maakt de enquête onder taalgebruikers in Nederland, Vlaanderen en Suriname van het grootste belang, vinden de drie coördinatoren van het onderzoek.

Het Nederlands blijft met afstand de belangrijkste voertaal in Nederland, Vlaanderen en Suriname. Dat blijkt uit de tweede editie van de Staat van het Nederlands: 85,2% van de Nederlanders en 90,6% van de Vlamingen spreekt altijd Nederlands met familie en vrienden. Maar dat hoeft niet altijd standaardtaal te zijn: 29% van de Nederlanders en 66% van de Vlamingen zegt daarnaast een dialect of een tussentaal te spreken. Tegelijk neemt het gebruik van Engels in het hoger onderwijs verder toe.
Voor Johan De Caluwe komen deze resultaten niet als een verrassing. 'De uitkomsten bevestigen mijn persoonlijke ervaringen', vertelt de coördinator van het onderzoek in Vlaanderen. 'Neem mijn waarnemingen aan de universiteit. Hoewel de Vlaamse decreten scherpe grenzen stellen aan de hoeveelheid Engels dat mag worden gebruikt en er op bachelor-niveau dus weinig in het Engels wordt gedoceerd, zie ik de universiteit steeds verder verengelsen. Van de marketing en documentatie, die standaard tweetalig zijn geworden, tot de fietsenberging, waarop nu een tweetalig bordje staat.'

Over twintig jaar
De professor Nederlandse taalkunde, verbonden aan de Universiteit Gent, hecht bijzonder veel waarde aan het onderzoek naar de Staat van het Nederlands. En vooral: aan de ijzeren regelmaat waarmee het gebruik van het Nederlands en andere talen in het taalgebied wordt bevraagd. 'Hoe vaker we het onderzoek herhalen, hoe waardevoller het wordt, omdat we dan de evolutie kunnen aflezen. Over twintig jaar kijken we daarom wél misschien met verbazing naar de uitkomsten van het huidige onderzoek. Spraken we nog maar zo weinig Engels? Gebruikten we nog zo vaak dialect?'
De coördinatoren van het onderzoek in Nederland en Suriname delen deze visie. Ook Frans Hinskens, onderzoeker variatielinguïstiek aan het Meertens Instituut (Amsterdam) en hoogleraar taalvariatie en taalcontact aan de Radboud Universiteit (Nijmegen), en Sita Doerga Misier, coördinator van de opleiding Nederlands aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (Paramaribo), zijn niet verbaasd over de uitkomsten, maar onderstrepen het grote belang van het onderzoek naar de Staat van het Nederlands.
'Daar zijn verschillende redenen voor', somt Hinskens op. 'Ten eerste een algemeen culturele reden. Culturele diversiteit betekent ook talige diversiteit. Dan wil je weten wat die precies inhoudt en onder welke omstandigheden al die talen worden ingezet. Ten tweede is er een maatschappelijke reden. We willen dat iedereen in het taalgebied toegang heeft tot de samenleving. Een wezenlijk instrument daarvoor is taal. Wie de standaardtaal niet beheerst, kan zichzelf niet ontplooien en niet meedoen aan de democratie. Dan wil je peilen hoe het met die standaardtaal staat.'

Van belang voor beleid
Alle harde cijfers die het onderzoek heeft opgeleverd, zijn in zijn ogen daarom zeer relevante gegevens voor beleid. 'Het is om verschillende redenen goed dat we ook hoger onderwijs in het Engels aanbieden. Maar de vraag wanneer dat nuttig is en wanneer niet, wordt amper gesteld. Het hoger onderwijs verengelst klakkeloos. Dit onderzoek, dat bijvoorbeeld ook uitwijst dat het maatschappelijk draagvlak ervoor is gedaald, draagt er mede aan bij dat onderwijsbestuurders daarover zorgvuldig nadenken.'
Het is daarbij extra waardevol dat het onderzoek met zijn vele invalshoeken zo veel nuances biedt. Zie het gebruik van regionale talen en dialect. Het onderzoek wijst uit dat 12,4% van de Nederlanders dat spreekt met zijn ouders en 4,4% met zijn kinderen. 'Als die trend doorzet, is dialect over drie generaties erg marginaal. Je ziet ook dat het amper wordt gebruikt op sociale media. Maar daarentegen zegt – en dat is nou opzienbarend veel – 40% van de Limburgers in het ziekenhuis Limburgs te spreken. Dialect speelt dus wel degelijk nog een grote rol.'

Talengebruik in Suriname
Doerga Misier benadrukt de importantie van de Staat van het Nederlands – waarin dit jaar ook het gebruik van de taal in Suriname werd onderzocht – voor het taalonderzoek. 'Dat is grotendeels onontgonnen terrein. Dit onderzoek is daarom een heel mooie aanleiding voor vervolgonderzoek. Neem het gegeven dat katholieken veel vaker altijd Nederlands als religieuze taal gebruiken dan protestanten of hindoes. Studenten op de universiteit hebben voor hun scripties zulk vooronderzoek nodig om vervolgens dieper te kunnen graven.'
Daarnaast spelen de uitkomsten een rol in de voortdurende discussie over het Nederlands. 'Welke vorm spreken wij: Surinaams-Nederlands of Europees-Nederlands? Wat willen we onze kinderen leren? En in het verlengde hiervan: is het onze taal of een ons opgelegde taal? En hoewel de uitkomst in lijn is met de verwachtingen, zie je nu ook hoe sterk het Nederlands hier is met 60% van de Surinamers dat zegt óók Nederlands te spreken. Het is nu duidelijk dat het Nederlands, samen met het Sranantongo, in het sociaal verkeer de lingua franca van Suriname is.’
Het Engels rukt weliswaar ook op in Suriname, maar – blijkt nu – dat gaat niet ten koste van het Nederlands. 'Via de media, waar films zonder ondertiteling worden vertoond. Via festivals, waar muziek en spoken word in het Engels zijn. Je ziet bij jongeren daarom ook wel codewisseling: dat ze Engels, overgenomen van tv, door hun taal mengen. Maar toch wordt het Nederlands eerder sterker. Dat blijkt uit het feit dat de generatie van 15- tot 39-jarigen vaker altijd Nederlands zegt te spreken dan de generatie daarboven.'

Verschuivingen
Deze editie van de Staat van het Nederlands laat enkele opmerkelijke verschuivingen zien ten opzichte van het eerste onderzoek. Neem de opkomst van het Fries: aanzienlijk meer respondenten zeggen deze taal altijd of ook te spreken: van 42,8% naar 59,5%. Of de afname van het Engels op sociale media: in Nederland van 27% naar 23,6%, en in Vlaanderen van 24,6% naar 22,7%. Volgens de onderzoekers past echter een nuancering bij deze cijfers.
'Er namen deze keer heel wat meer mensen uit Friesland deel aan de enquête dan de vorige keer', zegt Hinskens. 'Omdat mensen zichzelf mogen aanmelden, gebeurde het dat activisten voor het Fries, die bijvoorbeeld vinden dat de hbo-opleiding Friestalig moet worden, hem invulden. Dat is een effect dat je moet verrekenen bij de interpretatie van de uitkomsten. Voor de sociale media weten we dat de gebruikers van Facebook gemiddeld ouder zijn geworden, en juist zij schrijven online minder Engels.'

Ook daarom is herhaling van het onderzoek van groot gewicht. Pas als een verschuiving meerdere onderzoeken achter elkaar te zien is, weet je dat het taalgebruik werkelijk is veranderd. 'En door het onderzoek steeds uit te breiden, krijg je ook een steeds beter beeld', vult De Caluwe aan. 'Pas als je nog meer mensen met een immigratie-achtergrond ondervraagt, voor wie het Nederlands de tweede of derde taal is, zie je goed hoe het Nederlands functioneert als – dominante – taal in een veeltalige omgeving.'
(Eerder gepubliceerd op Taaluniebericht.org)