Posts tonen met het label recensie vertaalde literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie vertaalde literatuur. Alle posts tonen

woensdag 27 juni 2018

Hoe je een roman met uitsluitend dialoog leest

Experimentele romans roepen angst op. Begrijp ik die wel? denken lezers. Door je eraan over te geven kun je er wel degelijk van genieten. De Ierse klassieker Onder de zoden die louter bestaat uit dialoog, blijkt dan hypnotiserend en hilarisch.

Ho. Wacht. Help. Wie is er nu weer aan het woord? De Ierse roman Onder de zoden van Máirtín Ó Cadhain bestaat volledig uit dialoog. Meer dan vierhonderd pagina's lees je uitsluitend wat de personages zeggen. En dan wekt de auteur ook nog eens de indruk dat iedereen dwars door elkaar praat zonder echt naar elkaar te luisteren. Ze ruziën. Ze berijden hun stokpaardjes. Ze klagen en mopperen. En dat zonder ook maar een moment stil te vallen. Het is één grote kakofonie. Hoe kan een lezer daar wijs uit worden?

Dat deze roman van Ó Cadhain (spreek uit: 'O Kain') uit 1949 in het Nederlands moest worden vertaald is zonneklaar. Onder de zoden is dé modernistische klassieker van de Gealic literatuur – de oorspronkelijke Ierse taal die nog door een kleine honderdduizend mensen aan de Westkust wordt gesproken – met een soortgelijke statuur als de meesterwerken van land- en tijdgenoten die in het Engels schreven: Wachten op Godot van Samuel Beckett, Op Twee-Vogel-Wad van Flann O'Brien en Ulysses van James Joyce.
De roman speelt zich af op het kerkhof van een dorpje in de regio Conamara. Alle personages zijn dood. Ze liggen in hun kist, langzaam wegrottend, te wachten op het Laatste Oordeel. Tot die tijd gaan ze door met wat ze tijdens hun leven hebben gedaan: roddelen, kleine vetes uitvechten en hun plaats in de pikorde bepalen – nu bepaald door waar je ligt: op het perceel van een pond of dat van vijftien shilling. Af en toe komt er een nieuwe dorpsbewoner bij die de laatste nieuwtjes meeneemt. Dan begint het gekakel opnieuw.
Het effect is bijzonder grappig, ook in de fraaie vertaling van Alex Hijmans. Neem de schoolmeester. Hij gold in het dorp als een bastion van beschaving, maar onder de grond kan hij alleen maar vloeken en tieren omdat zijn weduwe zo snel is hertrouwd. Of de twee anonieme doden die voortdurend beginnen over de finale van het kampioenschap Gaelic Football in 1941. De een roept steeds dat Galway heeft gewonnen. En de ander reageert: Hoe weet je dat zo zeker als je dood was? Kerry won, ík was erbij?

Maar hoe lees je zo'n experimentele roman? Temeer daar er nauwelijks sprake van een hoofdpersoon is – of het moet de kijvende Caitríona van Kleine Pádraig zijn, met wier dood Onder de zoden begint en die het meest aan het woord is. Evenmin is er veel plot – al ontdek je geleidelijk dat er op aarde iets anders is gebeurd dan wat Caitríona al die tijd bij hoog en bij laag beweert, waardoor je begint te begrijpen waarom ze zo verbitterd het graf in is gegaan: haar zus trouwde met de man op wie ze allebei verliefd waren.
Het antwoord is: je er domweg in onderdompelen. Wie deze roman leest met de wens precies te willen weten wie wat zegt, zal snel stranden. Wie bij elke nieuwe spreker even stil staat om zich af te vragen of de schoolmeester, Caitríona of een van de andere tientallen personages het woord neemt, haalt zichzelf uit dat fijne leesritme dat nodig is om in een boek te kunnen verdwijnen. Bovendien is er vaak geen antwoord mogelijk. Wie ligt daar nu weer te schelden? Het is te onduidelijk.
Maar wie zijn wil om te begrijpen negeert, wordt daarvoor beloond. Gaandeweg herken je de belangrijkste sprekers toch wel, omdat je ontdekt dat Ó Cadhain bijna iedereen een eigen stopwoordje heeft gegeven. 'Ik ontplof! – dat moet Caitríona zijn. 'Honest' – dat moet Nora van de Vieze Voeten zijn. Enzovoorts, enzovoorts. Al lezende klaart daarom vanzelf de mist op. En na enkele tientallen bladzijden heb je al de indruk voortdurend precies te weten wie er aan het woord is. Het hoeft er niet bij gezegd te worden, je vóélt het aan.

Wat voor Onder de zoden geldt, geldt voor bijna alle experimentele literatuur. Of het nu gaat om een roman zonder leestekens is (Bohumil Hrabal!), een associatieve uitwerking van een uitzinnige metafoor (Verdriet is een ding met veren van Max Porter!) of een hoogdravend, ingenieus taalspel (James Joyce!) – geef je er gewoon aan over en je ervaart vanzelf wat het boek je wil zeggen of je wilt laten beleven. In het geval van Máirtín Ó Cadhain is dat een hypnotiserende en hilarische portret van een intens provinciaal dorp.

dinsdag 6 september 2016

Elena Ferrante is de nieuwe Karl Ove Knausgard

De Napolitaanse romans van Elena Ferrante is voor mij de opvolger van Mijn strijd van Karl Ove Knausgard. Op het eerste gezicht lijkt dat gek. Is er meer overeenkomst dan dat beide romans zeer lang en meerdelig zijn? Over Ferrante is niets bekend. Zij schuwt elke publiciteit, zozeer dat zelfs wordt betwijfeld of haar boeken door een man of een vrouw zijn geschreven. Al heeft ze e-mailinterviews gegeven, er is niets, maar dan ook niets over haar bekend. Terwijl Knausgard geen gelegenheid voorbij laat gaan om te benadrukken dat zijn werk autobiografisch, authentiek en genadeloos eerlijk is. De manier waarop ze zichzelf inzetten voor hun schrijverschap kan niet meer van elkaar verschillen.
En toch. In beide boeken wordt de ziel van een mens haarscherp in alle nuances blootgelegd. In de onversneden fictie van Ferrante (als het dat inderdaad is) en in de pure non-fictie van Knausgard (al heeft hij om mensen te beschermen namen veranderd en sommige feiten verzwegen) biecht een mens in de eerste persoon enkelvoud alles op wat zij respectievelijk hij heeft gedacht en gevoeld. Dat was soms verward – soms kun je tegengestelde gevoelens tegelijk hebben. Dat was niet altijd even fraai. Dat was soms schaamtevol. Maar het wordt allemaal verteld. Alles wat de mens tot mens maakt. Er wordt niets verdoezeld. Zo krijgt de lezer de illusie dat hij de hoofdpersonen leert kennen zoals geen mens van vlees en bloed in staat zichzelf te laten kennen.
Zeker, er is meer te zeggen over De Napolitaanse romans. Het verhaal draait, meer dan om Elena zelf, om de vriendschap met Lila – twee meisjes, later vrouwen die elkaars diapositief zijn. Allebei leiden ze het leven dat de ander had kúnnen leiden. Dat roept op een intelligente en sterke manier de vraag op naar de beslissende factor waarom een mens uitgerekend het leven leidt dat hij heeft. De cyclus geeft ook een mooi tijdsbeeld van het Italië van vlak na de oorlog tot eind jaren zeventig, waar deel drie (van de vier) eindigt – ongeveer zoals de Duitse geschiedenis in de filmcyclus Heimat, hoezeer die ook op de achtergrond blijft, van doorslaggevend belang wordt gemaakt.
Zeker, het is allemaal waar. Maar het is de diepe afdaling in de menselijke ziel – datgene wat volgens Oek de Jong de roman tot een unieke kunstvorm maakt (zie hier) –  die De Napolitaanse romans voor mij zo onweerstaanbaar maakt.

Zie ook:

woensdag 24 augustus 2016

De intieme stem van Elena Ferrante

'Nog voordat de inhoud me meesleepte, trof me dat ik in het schrijven Lila's stem hoorde. En dat niet alleen. Vanaf de eerste regels moest ik aan De blauwe fee denken, de enige tekst die ik tot dan toe van haar had gelezen, behalve de opstelletjes van de lagere school dan, en ik begreep wat me indertijd zo was bevallen. De  blauwe fee had dezelfde eigenschap die mij nu zo trof: Lila wist via haar schrijfstijl te praten.'
(Elena Ferrante, De geniale vriendin, pag. 226)

Het is een cliché om een citaat uit een boek te lichten en vervolgens te zeggen dat hetzelfde geldt voor dat specifieke boek. Alsof het boek zichzelf recenseert, lekker makkelijk. En toch. Ik las deze reactie van Elena op de brief van Lila en dacht: dat is precies waarom dit eerste deel van de Napolitaanse romantetralogie mij zo snel zo dierbaar is geworden. Je hóórt haar stem, een zeldzame eigenschap van fictie.
Daarmee bedoel ik dat Elena alleen tot mij lijkt te spreken. De meeste vertellers steken hun verhaal af voor een groot gehoor, ongeacht wie er in het publiek zit. Iedereen mag het horen. Maar Elena is een vrouw van vlees en bloed die op een laat uur op bezoek is gekomen, het tijdstip waarop alleen intieme gesprekken kunnen worden gevoerd, en mij – en mij alleen – zo eerlijk mogelijk haar verhaal in het oor fluistert: intiem, persoonlijk, intelligent, scherpzinnig. Alleen als die illusie optreedt, kun je de gewaarwording hebben dat je bij het lezen een stem hoort.
Zo gaat het citaat een paar regels later verder:

'Ik las en intussen zag en hoorde ik haar. Haar in haar schrijfstijl gevatte stem sleepte me mee, bracht me nog meer in verrukking dan wanneer we onder vier ogen praatten: hij was volledig gezuiverd van de residuen van de alledaagse dialoog, van de chaos van het mondelinge.'

Precies, dacht ik opnieuw. Dat is de reden waarom ik na De geniale vriendin meteen door wilde gaan met deel twee van de Napolitaanse romans: De nieuwe achternaam – desnoods ten koste van alle afspraken met familie, vrienden en kennissen waarmee mijn agenda zich vult. Als een stem in literatuur tegen je praat zoals Elena tegen mij, hoor je zó veel liever haar verhaal dan de per definitie warrige en half gelogen verhalen van de echte mensen in je leven, hoe dierbaar ze je ook zijn.
Inmiddels ben ik verdergegaan met deel twee. Maar ik zeg erbij: ik probeer de neiging te onderdrukken om het lezen van zulke intieme literatuur voorrang te geven. Uiteindelijk heb je in het echte leven aan personages alleen troost, en zo veel meer aan het contact met familie, vrienden en kennissen.

Zie ook:

vrijdag 22 april 2016

Jenny Erpenbeck toont in 'Gaan, ging, gegaan' de grens van de medemenselijkheid (Athenaeum.nl)

De hoofdpersoon van Jenny Erpenbecks roman Gaan, ging, gegaan (vertaling Elly Schippers) geeft de lezers het goede voorbeeld. Richard probeert de asielzoekers in zijn stad werkelijk te leren kennen. Erpenbeck maakt echter duidelijk dat hij niet voorbij zijn eigen grens kan komen.

Heeft Osarobo het gedaan? Als Richard, emeritus professor in de klassieke filologie, na een nacht afwezigheid thuiskomt is zijn Berlijnse huis overhoop gehaald. Er zijn wat sieraden weg. Een portemonnee is leeggeroofd. De schade valt mee. Op de psychische schade na – door zijn koortsachtig gepieker of de West-Afrikaanse asielzoeker de dader is of niet. Richard had Osarobo een dag voor vertrek verteld dat hij in Frankfurt zou zijn. Hij moet de dader wel zijn. Het kan niet anders. Toch? Richard krijgt nooit de kans het hem op de man af te vragen. Osarobo houdt verder contact af.

Tot hij thuis is, kan hij zich nog beheersen, maar dan zit hij aan zijn bureau voor het donkere computerscherm. De ziel van Osarobo, dat weet hij, vliegt nu het heelal in, ergens heen waar geen regels meer zijn, waar je met niemand rekening hoeft te houden, maar waar je ook voorgoed en door en door en onherroepelijk alleen bent. Op aarde blijft hij, Richard, achter met zulke mensen als Monika en besnorde Jörg. Zoals de leeuwen op Osarobo’s profielfoto ziet hij hen al hun tanden ontbloten: Dat hadden we je meteen kunnen vertellen! Richard huilt zoals hij sinds de dood van zijn vrouw niet meer gehuild heeft.

Of heeft Osarobo het toch niet gedaan?

De scène – tegen het einde van Gaan, ging, gegaan – komt op een cruciaal moment. Erpenbecks beschrijving van de asielzoekers roept tot pagina 280 bij de lezer een toenemend ongemak op. Of het nu de intelligente Ali is die dokter wil worden, de verhitte Rashid wiens kinderen zijn verdronken bij de overtocht naar Italië of de van oorsprong Ghanese Awad die wordt vermalen in de voor hem onbegrijpelijke Libische stammenstrijd: alle asielzoekers zijn slachtoffers van oorlog en terreur. Bestaan er dan helemaal geen economische vluchtelingen? Piept niet één kwaadwillige de grens naar het rijke Westen over? Alle personages lijken uitsluitend slachtoffers van de Duitse staat die hen met haar onverbiddelijke wetten en regels vermaalt.
En dan vindt de onopgeloste inbraak plaats. Richards gepieker daarover confronteert de lezer hard met zijn eigen vooroordelen. Vluchtelingen worden door politici en journalisten uitsluitend neergezet als anonieme gevallen. Je gaat hen daarom zien als kleine onderdelen van grote getallen. Natúúrlijk, denk je op een gegeven moment, zitten er economische vluchtelingen en potentiële terroristen onder de vluchtelingen. Maar de waarheid is: je weet het niet. En net als Richard krijg je nooit de kans het vluchtelingen te vragen, omdat hun stem in de media weinig wordt gehoord. Tenzij je zelf je best doet hen, stuk voor stuk, te leren kennen.
Dat is wat Richard doet in Gaan, ging, gegaan. Als weduwnaar met pensioen gestuurd, voelt hij zich buiten de tijd gevallen. Waarvoor leeft hij nog? Alleen de dood, die alom aanwezig is in zijn omgeving, wacht hem nog. Daardoor raakt hij gefascineerd door een groep mensen die hij voorheen net als iedereen negeerde of op zijn best met een half oog op het tv-journaal voorbij zag komen. Hij herkent in hen lotgenoten. Ook asielzoekers mogen niet meedoen aan de maatschappij zolang de procedure loopt. Ze mogen hooguit een beetje Duits leren.
En dan gebeurt iets wat Erpenbeck als bijna onvermijdelijk presenteert: Richard ontwikkelt sympathie voor de groep asielzoekers die tijdelijk bij hem in de buurt in een oud bejaardenhuis zitten. Als inwoner van het voormalige nazi-Duitsland en DDR krijgt hij het gevoel dat hij geen recht heeft over hen te oordelen. Door zijn eigen slechte huwelijk en mislukte relatie met een minnares voelt hij dat hij een herkansing krijgt om wél voor mensen te zorgen. En dan dat bejaardenhuis: de vluchtelingen zitten op de plek waartoe hij zichzelf voorbestemd acht.
Dat Richard hen gaat helpen is de volgende logische stap. Hij koopt zelfs een stuk land voor de Ghanese Karon. Kost hem maar 3000 euro. Maar ook voor de emeritus professor is de onopgeloste inbraak een keerpunt. Richard beseft dat hij Osarobo nooit werkelijk kan helpen – net zomin als alle andere asielzoekers die hij op een gegeven moment in huis neemt. Hun problemen zijn te groot. De Duitse staat met zijn vuistdikke wetboeken, hun grootste tegenstander, is ook hem te sterk. Hij zal moet leven met de beperkingen van wat hij vermag.
Zo heeft Erpenbeck haar roman knap opgebouwd – door niet alleen de lezer maar ook haar hoofdpersoon met een en dezelfde scène aan het wankelen te brengen. Maar dat mag niet verbazen in een boek waarin alle elementen samenspannen om een grote boodschap te brengen: dat medemenselijkheid vereist is, maar dat die per definitie is begrensd. Of zoals Richard aan het slot beseft in relatie tot de dood van zijn vrouw: ’Toen [is me] duidelijk geworden dat wat ik kan verdragen alleen de oppervlakte is van alles wat ik niet kan verdragen.’
Tot slot. Dat citaat is weer een voorbeeld van Erpenbecks glasheldere taal die door het ritme (mooi behouden door vertaalster Elly Schippers) vol herhalingen een toepasselijke melancholieke tint heeft gekregen. Laat ook dat gezegd zijn.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 18 apr)

Zie ook:

woensdag 30 maart 2016

Joël Dicker, 'Het boek van de Baltimores'

Inderdaad, Joël Dicker lees je niet om een shot literair genot. De Zwitserse auteur gaat clichés niet uit de weg. In Het boek van de Baltimores kwam ik al snel een zin tegen als: 'Je moet wel onder een rots hebben geleefd, wil je niet weten wie Alexandra Neville is' (of zoiets, ik citeer uit het hoofd). Toen wist ik genoeg.
Toch heeft de stijl wel iets opgeruimds dat ik prettig vind om te lezen: met al die grote woorden die Dickers ook nog eens onderstreept door nooit te beweren dat een personage iets is, maar altijd 'heel erg' iets is. Bijvoorbeeld: 'Woody was heel erg goed in American football, een echte ster, waar tegenstanders verschrikkelijk veel ontzag voor hadden' (ik citeer weer uit het hoofd).
De belangrijkste reden om Dicker te lezen is – het is al vaak gezegd – zijn fantastisch vermogen om een ingewikkeld plot met perfect gevoel voor timing uit de doeken te doen. Hij geeft precies op het juiste moment nieuwe brokje informatie. Hij laat alle personages van belang zijn. In Het boek van de Baltimores werken heden en verleden daarbij mooi op elkaar in. En tot op het laatst wordt de lezer verrast terwijl de gebeurtenissen toch volkomen logisch zijn.
Maar wat ik vooral goed vind is de manier waarop hij de, noodzakelijkerwijs lange, voorgeschiedenis relevant maakt. Ik heb spannende boeken gelezen die lange tijd voortkabbelen – en dan valt er een lijk en komt de handeling eindelijk op gang. Ik denk aan een Saskia Noort die ik ooit las, de titel is me ontschoten. Wat Dicker daarentegen vertelt over Marcus' verhouding met zijn neven, de onderlinge relatie tussen die neven, de grote zorgzaamheid waarmee hun vader Saul zich over hen ontfermt et cetera. Je vóélt meteen dat Het Drama, waar je dan nog niets van weet, daarmee te maken heeft. Wat ook het geval bleek.
Daarom heb ik Het boek van de Baltimores met veel plezier gelezen.

zondag 31 januari 2016

Waarom Garth Risk Hallbergs 'Stad in brand' het verdient gelezen te worden

Al wat schittert van Eleanor Catton en Stad in brand van Garth Risk Hallberg hebben meer met elkaar gemeen dan alleen de enorme lengte. Beide auteurs gebruiken een complexe whodunnit met talloze personages om de spanning bij de lezer op te voeren en hem zo toch in korte tijd door de honderden en honderden pagina's te jagen, terwijl het hun eigenlijk om iets anders gaat. Dat merk je aan de manier waarop beide auteurs, zeker Hallberg, de clou gewoon weggeven. Bijna als een terzijde.
Catton gaat het in wezen om een diepgaande beschouwing over lot en toeval. Hallberg schetst een caleidoscopisch portret van het New York van de jaren 1970, waarmee hij laat zien hoe iedereen, ondanks alle onderlinge verschillen, juist in zo'n grote stad echt met elkaar samenleeft. Ieders lot is onderling verbonden.
Alleen de manier waarop de boeken roem vergaarden verschilt – en daarom ook de nogal verschillende waardering die ze krijgen.
Al wat schittert won in 2013 The Booker Prize. Recensenten en andere lezers dachten daarom: eens zien waarom het die prijs verdient. Misschien waren sommigen sceptisch – zo goed kan dat boek toch niet zijn? – maar de meesten zullen zich aangespoord voelen te zoeken naar argumenten om de roman te prijzen. Ze wilden het bewijs van excellentie vinden. Ze wilden net zo slim, onderlegd en belezen zijn als de jury.
Stad in brand kreeg een reputatie omdat het Amerikaanse Knopf die veiling om de uitgeefrechten won daarvoor een recordbedrag neertelde. Twee miljoen dollar! Voor een debuut! Recensenten en andere lezers dachten daarom toen het boek in oktober daadwerkelijk verscheen: dat zal het wel niet waard zijn, het kan niet anders of die roman is een commerciële pageturner zonder al te veel diepgang. Ze wilden het bewijs vinden dat het boek tegenviel. Ze wilden laten zien dat ze zich niets laten wijsmaken door een commercieel bedrijf dat een uitgeverij uiteindelijk is.
Ik moet bekennen dat dat ook voor mij geldt. Ik was na de uitreiking van de Booker erg nieuwsgierig naar Al wat schittert (al beviel Cattons debuut De repetitie me uiteindelijk meer). En ik had helemaal geen zin om Stad in brand te lezen. Integendeel, ik verlustigde me in sommige matige recensies. Als ik niet werd gevraagd om Hallberg te interviewen voor Border Kitchen was ik er nooit aan begonnen.
En dat zou jammer zijn geweest. Stad in brand bleek een meeslepende ervaring. Soepel switchend van het ene personage naar het andere weet Hallberg met zijn lange, woordrijke maar altijd heerlijk meanderende zinnen een schitterend beeld op te roepen van een stad waarin de grootste tegenstellingen naast elkaar leven. Die tussen arm en rijk, die tussen verval en opbouw, die tussen autochtone bewoners die hun positie proberen vast te houden en nieuwkomers die hun plekje proberen te veroveren.
Maar dan moet ik oppassen niet te veel over de inhoud te schrijven, daar schrijf ik dit stukje niet voor. Ik schrijf dit om iedereen die sceptisch is over een boek waar uitgevers zo veel geld voor over hebben, op te roepen: lees Stad in brand toch. Het is alle moeite waard.

zaterdag 16 januari 2016

Julian Barnes schreef zijn Sjostakovitsj-roman bij het zoemen van een IBM 196c (Knack)

'Een held kun je maar een keer zijn, een lafaard moet je een leven lang elke dag zijn.' Julian Barnes vertelde gisterenavond over zijn nieuwe roman Het tumult van de tijd – die meer is dan een vie romancée van Dmitri Sjostakovitsj.

Het stond niet in de sterren geschreven dat Julian Barnes ooit een roman zou schrijven over een componist. Klassieke muziek trok hem juist aan vanwege zijn eigen abstractie die niets te maken heeft met literatuur. Muziek met woorden – opera, liederen, oratoria – stond hem decennia zelfs tegen. Ook voor de makers toonde hij weinig belangstelling. Hij las geen componistenbiografieën. Tot hij de memoires van Dmitri Sjostakovitsj in handen kreeg. Nooit eerder, begreep hij, 'had zo'n briljante componist op zo'n dagelijkse, levenslange schaal onder druk gestaan van de machthebbers'. Dáár zat een roman in.
De inmiddels 69-jarige Barnes vertelde dit woensdagavond in een afgeladen Vondelkerk in Amsterdam. Hij was voor een bliksembezoek afgereisd om Het tumult van de tijd te presenteren, zijn eerste roman sinds het Booker Prize-winnende Alsof het voorbij is. Hij praatte als echte Brit – met voortdurend kwinkslagen en luchtige anekdotes – vrijelijk over zijn relatie met klassieke muziek en het pessimistische karakter van Sjostakovitsj die daarom de grootste moeite had te voldoen aan de eis van het regime om optimistische, opbouwende muziek te componeren.
Barnes groeide op in een huis zonder muziek. 'We hadden wel een piano in huis. Mijn moeder was ook een goede pianist. Ze had meer dan vijftien jaar piano gestudeerd tot ze – 21, 22 jaar oud – ontdekte dat ze een stuk van Aleksandr Skrjabin niet onder de knie kreeg en ook nooit onder de knie zou krijgen. Ze gaf de piano op en speelde nooit meer. Wel verhuisde de piano altijd met haar mee, meer dan zestig jaar lang nadat ze was gestopt, met bovenop de piano een stapel bladmuziek. Bovenop die stapel lag al die tijd de bladmuziek van dat ene stuk van Skrjabin.'
Zelf heeft Barnes als twintiger klassieke gitaar gespeeld: een maandje, tot hij besefte dat het niets zou worden. 'Ik ben als mijn moeder'. Hij was meer een luisteraar. 'Mijn drie jaar oudere broer raakte geïnteresseerd in klassieke muziek. Zodra hij een bepaalde plaat zat was verkocht hij die aan mij. Mijn eerste plaat was de ouvertures van Tsjaikovski. Sjostakovitsj leerde ik kennen toen ik, achttien jaar oud, zijn vijfde symfonie hoorde in de London Festival Hall. We zaten op de eerste rij. We dachten dat dat de beste plaatsen waren. En toen begon het: enorm heftig. Schitterend, dat vind ik nog steeds.' 
Interviewer Arjan Visser zoomde daarop in op de meest voor de hand liggende manier om Het tumult van de tijd te lezen: als vie romancée van Sjostakovitsj. Wat was dat voor een man? Een lafaard? 'Zo noemde hij zichzelf meerdere malen. Dat moest hij ook zijn. Was hij een held, dan had dat hem zijn leven gekost. Als iets democratisch was in Stalins Rusland was het wel in de straffen voor de bevolking. Maar hij redeneert ergens in het boek dat het moeilijker is om een lafaard te zijn. Een held kun je maar een keer zijn, een lafaard moet je een leven lang elke dag zijn. Die sarcastische kant van hem trekt me ook aan.'
En toch zocht Sjostakovitsj ruimte om de componist te zijn die hij wilde zijn. Barnes: 'Hij componeerde gemakkelijk. Hij kon ook snel filmmuziek en liedjes schrijven – de muziek die het regime wilde dat hij maakte. Daarnaast schreef hij dingen expliciet voor zichzelf, zijn kwartetten met name. En muziek die publiek én privaat was. Daarin zocht hij compromissen, zoals in het slot van de vijfde symfonie. Dat heet de triomf van het socialisme te verklanken, maar het is zo hysterisch dat het als een parodie klinkt. Je hoort de dictator die met stok slaat en roept: "verheug je!" Diep ironisch.'
De interviewer vroeg zelfs: Waarom is Het tumult van de tijd een roman en geen biografie? Barnes legde uit dat een romancier de vrijheid heeft om het leven te interpreteren zoals hij wil. 'In het eerste deel zet ik Sjostakovitsj in 1937 op de overloop. Daar wachtte hij elke nacht tot het regime hem kwam ophalen. Zo hoopte hij te voorkomen dat de geheime dienst ook zijn vrouw en pas geboren kind meenamen. Iedereen vertelt die anekdote over hem, maar toen ik er met zijn biografe over sprak zei die: dat zeiden ze over iedereen in die tijd, er is geen bewijs dat het ook waar is. Een biograaf moet daar rekening mee houden, ik niet.'
Maar er is meer: Barnes zet in zijn roman het conflict tussen kunst en macht superieur op scherp. Het tumult van de tijd – een titel die het beroemde verwijt uit de Pravda echoot dat de componist 'chaos in plaats van muziek' maakte – draait niet voor niets om drie cruciale episodes in Sjostakovitsj' leven waarin hij in aanraking kwam met de macht. Steeds weet hij zich er door geluk en totale zelfontkenning uit te redden. Maar hij weet ook dat 'the noise of time' (zoals de toepasselijker, Engelse titel luidt) zal verstommen terwijl zijn muziek blijft klinken. Muziek die eindelijk zuiver klinkt zonder de associatie met zijn maker.
Helaas werd dat thema in Amsterdam slechts aangestipt. Eerder ging het over de vraag of Barnes zijn roman had gestructureerd als een compositie van Sjostakovitsj. Quod non. 'Je hoort wel eens schrijvers zeggen dat ze muziek maken. Nee. Het ritme en de beweging van proza is fundamenteel anders dan dat van muziek. Ik heb niet eens Sjostakovitsj geluisterd tijdens het schrijven. Ja, de eerste dag: zijn preludes en fugas voor piano. Maar dat hinderde me te veel. Ik heb nog een IBM 196c. Die maakt een heerlijk zoemend geluid. Heel bevredigend, alsof het zegt: ik ben er voor je. Dat was genoeg.'
(Eerder verschenen op Knack.be, 14 jan)

vrijdag 15 januari 2016

Waarom ik niet verder kwam dan pagina 66 in 'Ik zag een man' van Owen Sheers

De eerste zin van deze roman luidt: 'De gebeurtenis die al hun levens veranderde vond plaats op een zaterdagmiddag in juni, vlak nadat Michael Turner – veronderstellend dat het huis van de Nelsons leeg was – via hun achterdeur naar binnen liep.'
Vervolgens lees je in het amper vijf bladzijden tellende eerste hoofdstuk wat Turner doet. Feitelijk niet veel. Er is niemand thuis, terwijl de achterdeur open stond. Ra ra, hoe kan dat? Hij durft het niet te onderzoeken en vertrekt naar zijn schermles. En ondertussen krijg je de nodige achtergrondinformatie: Turner is weduwnaar en dankzij het gezin-Nelson is hij er bovenop gekomen.
Maar wat de belangrijke gebeurtenis precies is? Geen woord. De lezer moet maar doorlezen om erachter te komen.
Als hij daarna de bladzijde omslaat en begint aan hoofdstuk twee, staat er: 'Met Josh had Michael het eerst kennisgemaakt, die avond zeven maanden eerder toen hij verhuisd was naar South Hill Drive.'
O nee, dacht ik meteen, nu krijgen we tientallen pagina's met: wat er allemaal is voorafgegaan. Iedere nieuwsgierigheid naar dé gebeurtenis moet ik zelf proberen levend zien te houden. De schrijver zelf zal die voorlopig niet meer prikkelen. Hij is te druk bezig met opsommen van achtergronden.
En inderdaad, op pagina 66 wist ik weinig meer van Turner en de Nelsons dan wat ik na het eerste hoofdstuk al wist. Ja, Turner is schrijver van literaire non-fictie. Hij heeft in New York gewoond. Zijn vrouw was journaliste. Et cetera et cetera. Maar het is alleen detaillering van wat je al wist, de informatie voegt niets toe.
Zo voelde het in ieder geval.
Dat is nog tot daar aan toe als de auteur, bijvoorbeeld, een schitterende stijl had of de lezer op een andere manier in het leven van zijn hoofdpersoon had gezogen. Helaas is dat niet het geval. Hij slaagt er niet in Turner neer te zetten als een mens van vlees en bloed. Integendeel, hij leek me ontzettend bedacht. Hoe meer ik van hem te weten kwam, hoe minder ik in hem geloofde.

Dus waarom doorlezen? Alleen maar om erachter te komen wat die schokkende gebeurtenis is? Dat kan ik ook wel even googlen, dan kan ik al die vrijgekomen uren tenminste besteden aan het lezen van een goed boek.

woensdag 30 december 2015

Colm Tóibín (1): 'Nora' als illustratie van Tim Parks' afkeer van de traditionele vertelvorm

Vlak voor ik Nora van Colm Tóibín las, het eerste boek dat ik ooit van deze gelauwerde Ierse schrijver ter hand nam, kwam ik zijn naam tegen in de essaybundel Waarom ik lees van Tim Parks. Tóibín wordt door hem 'momenteel een van de grootmeesters van de traditionele vertelvorm, de stervende herfst, de trieste opstapeling van pathos en wijsheid' genoemd.
Parks bedoelt daarmee dat de auteur een vertegenwoordiger is van het type dat realistische vertellingen schrijft die als 'een valkuil' zijn voor lezers. Ze worden uitgenodigd zich met de hoofdpersoon te identificeren, met hem mee te leven en dan, pats, raakt die of een of andere manier in de problemen, zodat je als lezer zélf die vaak existentiële problemen voelt. Waarna het personage en dus de lezer uiteindelijk gelouterd uit de strijd komen. Sadder and wiser.
Als dat negatief klinkt: zo is het ook bedoeld. Parks is uitgekeken op dit soort boeken. En ik heb zelf ook te veel proza gelezen dat op het niveau van het plot en de psychologische ontwikkeling de richtlijnen van de cursus creatief schrijven perfect heeft uitgewerkt. Dodelijk saai.
Maar de crux zit hem in het woordje 'grootmeester'. Tóibín schrijft zo goed dat het geen bezwaar hoeft te zijn dat hij in Nora zijn hoofdpersoon als een levensechte vrouw neerzet, dat hij haar noodgedwongen ontbolstering als ze tamelijk jong al weduwe wordt in subtiele, rijke scènes schetst, totdat zij tegen haar grenzen oploopt en er een catharsis volgt.
Ja, Nora heeft iets schematisch. In het begin is ze net weduwe geworden. Ze voelt zich opgesloten in het medeleven van iedereen in haar omgeving. En dan wint ze stap voor stap nieuw terrein. Ze gaat werken. Ze neemt zanglessen, een hobby die ze vanwege de voorkeuren van haar man onbewust had weggedrukt. Ze bevrijdt zich van de zorg om wat anderen wel niet zouden denken. Totdat ze zichzelf te veel los probeert te maken binnen de grens die ze zichzelf heeft gesteld: ze wil altijd de vrouw blijven die ze voor haar man is geweest.
Tóibín laat dat weinig subtiel zien door Nora haar eigen woonkamer te laten schilderen: Ze belast haar spieren te veel en wordt ernstig ziek. Dat gaat pas over als ze eindelijk de kleren en de brieven van haar man wegdoet.
Maar wat maakt het uit - als het goed, echt goed, is gedaan? Nora's leven wordt in zo'n detail geschetst tegen de achtergrond van het Ierland van 1970. Haar psychologische ontwikkeling wordt zo onnadrukkelijk getoond, zonder ook maar een keer iets expliciet te benoemen. Ik vond de roman een groot genoegen om te lezen en ik ben blij dat het boekhandelaarspanel van De Wereld Draait Door ervoor hebben gezorgd dat het boek een groot publiek heeft gekregen.

dinsdag 29 december 2015

Karl Ove Knausgård, 'Vrouw' en mijn top 10 van 2015

'En dan was de kunst de enige plek die overbleef waar je nog enige levensernst kon vinden. Het enige wat ik daarin zocht, was levensvervulling. Schoonheid en levensvervulling. Soms vond ik dat ook en dan nam het totaal bezit van me, maar het leidde nergens toe, leverde niets op, was misschien slechts een ontlading van een overspannen ziel, kleine lichtflitsen in het duister van het gemoed.'
(Uit: Vrouw, Karl Ove Knausgård)

Herkenbaar. Zoals zo veel (maar lang niet alles) uit de zesdelige romancyclus Mijn strijd. Soms lees ik een boek, fictie of non-fictie, dat me zo grijpt dat het me verzoent met het bestaan. Boeken zoals sommige delen van Knausgård, ja. En tegelijk vraag ik me ook af: waar leidt het toe? Met lezen produceer je niets. Je laat er niets blijvends mee achter. Over een jaar of wat kan ik me nauwelijks herinneren wat er in een boek stond. Het is dat ik met lezen een deel van mijn brood verdien. Daarmee kan ik het altijd weer rechtvaardigen als al dat lezen me opeens ijdel escapisme lijkt.
Ook als ik een jaarlijstje maak, vraag ik me weleens af wat dat lezen me doet. Zeker, ik heb veel boeken gelezen waarvan ik heb genoten. Maar wat waren nou de boeken die er echt uitsprongen? Die me zo omverbliezen dat ik niet anders kan dan er jarenlang van te getuigen? Kortom: hoe groot is het percentage boeken dat ik lees dat ik niet had kunnen missen? Dat het er niet meer zijn kan me licht bedroeven. Met nadruk op: licht. De meeste titels in het lijstje hieronder had ik dus best kunnen vervangen door een aardige handvol andere titels die ik ook goed vond.
Eerst enige statistiek. Ik heb iets meer dan 135 boeken gelezen dit jaar. Dat zijn er veel minder dan vorig jaar, maar ik heb zeker niet minder gelezen (nou ja, een fractie), dus dat kan alleen maar betekenen dat ik dikkere boeken heb gelezen. Volgens mijn gegevens was de gemiddelde dikte vorig jaar 228 bladzijden per boek. Dit jaar is dat 261. Nooit eerder las ik in een jaar gemiddeld zulke dikke boeken. Het dikste boek dat ik dit jaar las was – daar is-ie weer – Vrouw van Karl Ove Knausgård (1075 bladzijden), maar ook De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, het tweede deel van Otterspeers Hermans-biografie en het eerste deel van De Thibaults van Roger Martin du Gard tikten aan.

Mijn top 10 van dit jaar is (in alfabetische volgorde):
Jonge gasten - Colin Barrett
Donker ligt het eiland - Kevin Barry
Compassie - Stephan Enter
Een handvol sneeuw- Jenny Erpenbeck
De Thibaults (deel 1) - Roger Martin du Gard
Wat we zien als welezen - Peter Mendelsund
Een honger - Jamal Ouariachi
Muidhond - Inge Schilperoord
Dertig dagen - Annelies Verbeke

Nee, Vrouw staat er niet bij. Ik heb het met plezier gelezen, maar het komt wel over als een nogal lang uitgevallen voetnoot bij de eerste vijf delen van de cyclus. Knausgård schrijft over de reacties op zijn boeken: zijn boze oom, het hernieuwde contact met een jeugdvriend, de vijandige Noorse pers, de ineenstorting van zijn vrouw, de plotse welstand. Hij schrijft over het schrijven van dit boek. Hij overpeinst hoe zijn kinderen de romans later zullen waarderen. Ook het vierhonderd pagina's tellende essay is, welke kant op het ook uitwaaiert, in alle opzichten een reflectie op wat hij zélf heeft gedaan met dit romanproject. Alles bij elkaar mist het boek een échte focus op plotniveau. Vrouw is ook het enige deel van de cyclus dat niet los te lezen is.

Zie ook:

woensdag 9 september 2015

Jonathan Gibbs, 'Randall'

Randall van Jonathan Gibbs kreeg ik van vertaalster Lidwien Biekmann. Zij had ook Muse van Jonathan Galassi vertaald. Dat had ik het Engels gelezen. Dus toen ik erover schreef zocht ik op de site van zijn Nederlandse uitgever wie het vertaald had. Daar stond een andere naam, waardoor ik hier aanvankelijk de verkeerde informatie gaf. 'Voor straf,' mailde Biekmann mij, 'moet je een (uiteraard juichende) recensie schrijven van Randall van Jonathan Gibbs, (...) een fantastisch boek waar helaas niet zoveel aandacht voor is geweest maar dat dat wel verdient.' Het was een grap, maar ik heb de straf blijmoedig geaccepteerd.
Inmiddels heb ik Randall gelezen. Verdient deze roman een juichende recensie? Hmm. Dat weet ik eerlijk gezegd niet. Ik heb het met plezier gelezen, dat geef ik onmiddellijk toe. Gibbs geeft een inkijkje in het doen en laten van kunstenaar Damien Hirst en de Young British Artists, waar hij de informele voorman van was. In zijn roman sterft de veelbelovende Hirst als hij nog op de kunstacademie zit. Ian Randall Timkins neemt daarop zijn plaats in. Maar als je alleen maar vluchtig de Wikipedia-pagina van Hirst bekijkt vallen je direct de parallellen tussen hem en Randall op. Het resultaat is een soort alternatieve geschiedenis. Een fictieve sleutelroman, als zoiets bestaat. Dat is zonder meer fascinerend.
Maar. Mijn probleem van Randall is dat de personages nauwelijks tot leven komen. De roman vertelt het verhaal van een reeks onbekende kunstwerken van Randall die diens weduwe heeft ontdekt. Zij roept daarop Randalls vriend Vincent – een bankier uit de City – naar New York, om samen te beslissen wat ermee te doen. Het leeuwendeel van het boek bestaat echter uit lange passages uit Vincents onvoltooid gebleven boek over zijn vriendschap met de kunstenaar en dus over Randalls carrière. Dat schept een te afstandelijke toon. Randall zou, onder invloed van drank en drugs, een enfant terrible zijn geweest, je vóélt dat echter nooit.
Zo is Randall een interessant traktaat over thema's als de verhouding tussen kunst en geld en de vraag tot hoever de shock value van kunstwerken kan gaan zonder de artistieke waarde te veronachtzamen – maar onvoldoende een meeslepende roman. Ook het voor mij persoonlijk interessantste thema van de vriendschap had beter kunnen uitgewerkt. In het manuscript van Vincent voel je dat hij, ondanks zijn herhaalde verzekering van het tegendeel, niet alleen maar bewondering voor Randall koesterde. Er is ook jaloezie. Waarom zou hij anders alleen maar de negatieve recensies citeren? Helaas, als het manuscript wordt afgebroken gaat Gibbs er nauwelijks op door.
Alleen over de vertaling natuurlijk geen kwaad woord. En terecht. Randall leek me uitstekend vertaald, hoe kritisch ik ook naar Biekmanns Nederlands heb gekeken.

Zie ook:

vrijdag 26 juni 2015

Uitgever Jonathan Galassi blikt terug op carrière met fictie (Athenaeum.nl)

Geen traditionele memoires, maar een roman waarin de Amerikaanse uitgever Jonathan Galassi van Farrar, Straus and Giroux ervaringen, ontmoetingen en anekdotes oprakelt. Wat een plezier moet hij hebben gehad om zijn herinneringen te verbasteren en te vermengen met een intrige waarvan een boekenliefhebber zeker plezier aan beleeft. Muse is inmiddels op de markt (hier te koop). De Nederlandse vertaling Toen boeken nog boeken waren (vertaling Lidwien Biekmann) verschijnt medio augustus (dan hier te koop). 

Eindelijk! Een Nobelprijs voor een Nederlandse auteur! In Jonathan Galassi's roman Muse in ieder geval. Alleen krijgt niet Hendrijk David de prijs, die al jaren iedere eerste donderdag van oktober met groeiende wanhoop bij de telefoon wacht op het verlossende gerinkel, maar de obscure essayist Dries van Meegeren, die aldus wordt beloond voor zijn jarenlange promotietour in Scandinavië. De officiële bekendmaking in Stockholm, die altijd samenvalt met de grote internationale boekenbeurs in Frankfurt, leidt onmiddellijk tot de gebruikelijke hectiek.

Publishers from nearly everywhere, who before today had never heard of Van Meegeren, swarmed the normally empty Dutch hall, anxious to buy themselves a Nobel Prize winner. The booth of De Bezige Bij, The Busy Bee, van Meegeren’s lucky publisher, resembled a rebooking desk in an airline terminal after a canceled flight.

Voor Paul Dukach, hoofdpersoon van Muse, is het maar een detail. Hij denkt op de Buchmesse alleen maar aan het bezoek dat hij aansluitend zal brengen aan Ida Perkins in Venetië. De bejaarde dichteres, winnares van maar liefst vijf National Book Awards en twee Pulitzers, is de reden dat hij als onbegrepen tiener in een provinciaal gat een levenslange liefde voor de letteren opvatte, literatuur ging studeren, en in het boekenvak terechtkwam, tegenwoordig als redacteur van de onafhankelijke uitgeverij Purcell & Stern. Voor het eerst in zijn leven zal hij zijn idool ontmoeten.
Toch loont het de moeite om langer stil te staan bij de Nederlandse Nobelprijs. Het toont aan waar het Galassi in Muse om te doen is. De 66-jarige Amerikaan werkt al veertig jaar in de uitgeverij, tegenwoordig als directeur van dé literaire uitgeverij van New York: Farrar, Straus and Giroux. Hij moet ergens hebben opgevangen hoe gefrustreerd Nederland is dat onze literatuur nog nooit een Nobelprijs ten deel is gevallen, hoezeer Harry Mulisch en Cees Nooteboom concurreerden om de eer de eersten te zijn, dat Mulisch elk jaar bij de telefoon wachtte... Galassi móést dat gewoon kwijt.
Muse is geen sleutelroman, die een op een zulke feiten openbaart. Maar Galassi heeft zijn intrige van Paul Dukach en Ida Perkins zonder twijfel bedacht om een alternatieve geschiedenis te schrijven van het naoorlogse Amerikaanse boekenvak. Alles wat hij in zijn carrière heeft meegemaakt, iedere persoonlijkheid die hij ontmoette, de talrijke bizarre anekdotes die hij hoorde – hij heeft het allemaal verwerkt. Wie de mensen kent, heeft regelmatig een o ja-Erlebnis. Howard Stern, die heeft iets van uitgever Roger Straus. Dmitry Chavchavadze: de dichter Joseph Brodsky. Enzovoorts.

Dmitry was considered the most important Georgian poet of the century, and the Swedish Academy had concurred, enNobeling him unprecedented early, at the age of thirty-eight. His poems in Russian were said to be at once hypnotically lyrical and cynically disaffected, but some saw the English-language versions, which he insisted on creating himself, as an unintentional pastiche that relied on an insufficient understanding of his target language. Still, his status as a freedom fighter combined with his brilliance and take-no-prisoners implacability conferred impregnable authority on Dmitry. "Is sheet!" he'd shout, about the work of a writer he didn't rate, which was most of them. "Sheet! Sheet! Sheet!!" This turned out to be a surefire argumentative technique, since few had the temerity to disagree.

Muse heeft een fascinerende, met schwung en merkbaar plezier opgezette intrige – daar niet van. Denk: in onbegrijpelijke code geschreven notitieboekjes die een befaamd dichter en ex-echtgenoot van Ida Perkins heeft nagelaten. Een levenslange rivaliteit tussen twee literaire uitgevers, wiens karakters niet meer van elkaar hadden kunnen verschillen, over het recht om Perkins te mogen uitgeven. En een geheim manuscript met explosieve inhoud dat alleen postuum kan worden uitgegeven. Een echte boekenliefhebber zal zeker de grap en de spanning ervan begrijpen.
Maar als dit verhaal verteld is, gaat Galassi dóór. Muse bevat een veel te lange epiloog omdat de auteur kostte wat kost wil laten zien hoe het boekenvak de laatste jaren is veranderd. En dus krijgt Dukach – toepasselijk vernoemd naar de componist Paul Dukas, tegenwoordig alleen nog bekend van 'De tovenaarsleerling' – een relatie met een content editor van internetretailer Medusa. Biedt grote baas George Boutis hem daar een baan aan, die hij afwijst omdat hij alleen kan werken vanuit zijn ouderwetse liefde voor literatuur. Daarom besluit hij maar een boek te schrijven. Over Ida Perkins uiteraard.
Ondanks de wat afstotelijke sentimentele klank is de Nederlandse titel van de roman daarom toepasselijker dan het origineel. Muse, dat verwijst naar Ida Perkins en bij uitbreiding naar de schone letteren als inspiratiebron voor alles wat Paul doet. Maar Toen boeken nog boeken waren verwijst naar het gevoel dat er een goede oude tijd was die iedere pagina van deze roman ademt. De tijd dat uitgevers markante gentleman-gokkers waren, boeken een betrekkelijk schaars goed omdat de oplage per definitie beperkt was, boekhandels centra van beschaving...
Oftewel, de tijd, zoals Galassi zelf verwoordt in zijn tegelijk soepele en barokke Engels:

when books furnished many a room, and their contents, the magic words, their poetry and prose, were liquor, perfume, sex, and glory to their devotees. These loyal readers were never many but they were always engaged, always audible and visible, alive to the romance of reading. Perhaps they still exist underground somewhere, hidden fanatics of the cult of the printed word.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 18 jun)

Zie ook:
- Gokken op de Nobelprijs 2014 (toen Nooteboom op 25/1 stond)

woensdag 10 juni 2015

Een lofzang op 'Een handvol sneeuw' van Jenny Erpenbeck bij haar nominatie voor de Europese Literatuurprijs 2015

De jury onder leiding van Margot Dijkgraaf onthulde gisterenavond in Spui25 te Amsterdam de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2015. Mij was gevraagd om een laudatio te houden voor Een handvol sneeuw van de Duitse schrijfster Jenny Erpenbeck. 

****

Er was een tijd dat ik verkondigde dat het een wonder was dat ik ook vandaag weer had overleefd. Als je erover nadenkt, kun je op zo veel manieren sterven. En toch. Ik was niet geschept door een dronken bestuurder. Ik had geen hartaanval gekregen. Er was geen vliegtuig neergestort op mijn studentenkamer waar ik ze zo laag kon horen overkomen. Het was mogelijk dat de afgelopen uren de eerste fatale celdeling had plaatsgevonden, maar dat liet onverlet dat ik in ieder geval vandaag had overleefd. 
Zou Jenny Erpenbeck ooit een soortgelijke gedachte hebben gehad? vroeg ik me af toen ik Een handvol sneeuw las. In deze melancholische en poëtische roman beschrijft zij het leven van een vrouw, gebaseerd op dat van haar grootmoeder, de schrijfster Hedda Zinner – een leven dat herhaaldelijk wordt afgebroken door de dood. Ze sterft als baby van acht maanden in Galicië. Ze pleegt zelfmoord als tiener in het door hongersnood geplaagde Wenen van vlak na de Eerste Wereldoorlog. Ze graaft, ergens nabij een goelag, haar eigen graf. Ze valt van de trap als gevierd DDR-schrijfster. Ze blaast een dag na haar negentigste verjaardag haar laatste adem uit in een bejaardentehuis in het eengemaakte Duitsland. Steeds schetst Erpenbeck hoe de omgeving reageert op haar overlijden en, kort of lang, wat er daarna gebeurt, om vervolgens de levensbeschrijving te hernemen. Wat als de vrouw niet was overleden, hoe zou haar leven dan verder zijn gegaan? Wat als de ouders van de baby een handvol sneeuw van de vensterbank hadden gegrist en onder het hemd van het kind hadden gestopt, waardoor het hart weer was gaan kloppen? "Het meisje" – ik citeer de fraaie vertaling van Elly Schippers –

"zou aan de hand van haar moeder hebben leren lopen, haar eerste weg: van de kast naar de kist; haar overgrootmoeder zou haar haar hebben gevlochten en er een liedje bij hebben gezongen: over een man die van een oude lap een jas maakt, van de jas als hij versleten is een vest, van het vest als het versleten is een das, van de das als hij versleten is een pet, van de pet als hij versleten is een knoop en van de knoop niks niemendal, maar van niks niemendal tot slot dit liedje, dan zouden de vlechten klaar geweest zijn; de grootmoeder zou voor het meisje snoep uit de winkel of zelfgebakken challe hebben meegebracht."

En zo verder, tot het meisje opnieuw op een punt komt dat ze niet doorleeft, maar sterft.
Voor mij was de gedachte aan het wonder van door te gaan met leven weinig meer dan een bezwering van mijn angst voor de dood. Voor Jenny Erpenbeck is de schitterende vorm die ze voor haar verhaal heeft gevonden het startpunt van een diepgravend onderzoek naar de vraag waardoor ons leven wordt gestuurd. Iedereen wordt geboren op een te fixeren plaats en tijd in de geschiedenis. Staat onze levensloop daarmee vast? Of zijn we evengoed speelbal van het toeval? Kunnen we zelf misschien invloed uitoefenen op ons lot? In hoeverre werken de keuzes die we ooit op goede gronden maakten, door als de omstandigheden, soms vele decennia later, volkomen zijn veranderd?
"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen," luidt – naar Job 1:20-21 – de eerste zin van Een handvol sneeuw. Met andere woorden: ons leven wordt gestuurd door goddelijk ingrijpen. Maar Erpenbeck maakt duidelijk dat die visie, zo dominant aan het begin van de twintigste eeuw, wanneer een oude vrouw hem verwoordt, een te eenvoudige verklaring biedt. Het zijn voortdurend mensen die ons lot bepalen. Mensen die deelnemen aan een pogrom. Mensen die besluiten de tragische gevolgen daarvan te verzwijgen voor hun nabestaanden. Mensen die een totalitair systeem als de Sovjet-Unie in stand houden. Maar ook de mensen die wijzelf zijn. Want als de vrouw ergens in de jaren zestig van de trap valt, is dat geen noodlottig ongeval, maar een onoplettendheid van de vrouw die zich daar bovendien – in dat korte moment van haar val – een beetje voor schaamt.
Het zijn onze medemensen en wijzelf die ons leven bepalen. Maar hóé de daden van zo veel miljoenen invloed uitoefenen op dat leven, valt nooit te voorspellen. Een leven kan iedere dag een volkomen onverwachte wending krijgen. Ook dat toont Een handvol sneeuw. Er staat, na onze geboorte, maar een ding vast: er komt een moment, met een te fixeren plaats en tijdstip, dat we sterven. Erpenbeck illustreert dat heel mooi door de verschillende plekken waarop haar hoofdpersoon het leven laat, zo precies mogelijk te benoemen. Opnieuw in de vertaling van Elly Schippers:

"Op een dag in de zomer van 1941 heeft ze haar pikhouweel op een bepaalde plek in de aarde geslagen en is ze begonnen haar eigen graf te graven, natuurlijk zonder te weten dat uitgerekend die plaats op het oneindige aardoppervlak haar woning voor de eeuwige winter zou worden. 45.61404 graden noorderbreedte en 70.75195 oosterlengte zouden de mensen die verder anonieme plaats noemen waar ze op een dag in de zomer bij veertig graden hitte haar pikhouweel in het droge zand slaat, gras, kleine insecten en stof vliegen in het rond, tot op grote diepte is de aarde hier kurkdroog."

Het is slechts een van de vele ontroerende passages van deze even intelligente en diepzinnige als lyrische roman, die alleen maar kan worden omschreven als een meesterwerk dat hopelijk nog wordt gelezen als wij allemaal ten onder zijn gegaan aan een dronken bestuurder, een hartaanval of een voortwoekerende celdeling.

maandag 23 februari 2015

Colin Barrett, 'Jonge gasten' & Kevin Barry, 'Donker ligt het eiland'

Onlangs interviewde ik voor Borderkitchen de Ierse auteurs Colin Barrett en Kevin Barry over hun in het Nederlands vertaalde verhalenbundels. Toen ik ervoor werd gevraagd had ik eerlijk gezegd nooit van ze gehoord. Dat Barry de IMPAC Award had gewonnen, de hoogst gedoteerde prijs voor een boek ter wereld, was ik vergeten. Toen ik hun boeken had gelezen was ik ervan overtuigd dat ik auteurs zou spreken die wereldberoemd zullen worden. Ooit zal ik kunnen zeggen: 'toen ze nog jong en onbekend naar Den Haag kwamen...'
Barrett ligt me misschien het meeste. Zijn verhalen zijn, als Hemingway, korte schetsen uit het leven in een Iers provinciestadje. Ogenschijnlijk gebeurt er weinig. Maar onder de oppervlakte van bijvoorbeeld een relatie tussen een portier bij een nachtclub en de dochter van de eigenaar of de opschepperij van de lokale held aan de pooltafel voel je de frustratie, het verlangen, de lafheid en andere emoties. Ach, wat hij met zijn even rijke als precieze taal weet op te roepen. Erg indrukwekkend.
Barry bespeelt een groter register. Alsof zijn verhalen pogingen zijn om te zien tot hoever zijn talent reikt. Daarom telt zijn bundel ook verhalen die voor mij niet werken. Maar zijn beste verhalen hebben de unieke kwaliteit dat ze tegelijk doen lachen en huilen. Het hoogtepunt is 'Biertripje naar Llandudno'. De afdeling-Liverpool van de Real Ale Club reist op een snikhete zomerdag op en neer naar deze Welshe badplaats om de bieren te proeven. Schitterend zoals deze mannen voortdurend weglopen van de emoties die ze voelen om hun hopeloos mislukte levens en het verstrijken van de tijd, door zich te verliezen in bloedserieuze gesprekken over bier.
Barry's roman City of Bohane wordt (voorlopig) niet vertaald wegens: te moeilijk. Hij hanteert daarin een zelfbedacht dialect om de Ierse onderklasse in het midden van deze eeuw te typeren. Denk: A Clockwork Orange of Trainspotting. Ik kan me er wel iets bij voorstellen. Ik kon niet echt van deze roman genieten omdat al mijn aandacht opging aan het begrijpen van wat er nou eigenlijk stond. Aan de andere kant: genoemde vergelijkingen zijn ook in het Nederlands vertaald. Zelfs Finnegan's Wake is in het Nederlands vertaald.
Het zij zo. Barry heeft inmiddels een roman voltooid over John Lennon die ooit een Iers eiland bezat. Die komt wel uit in het Nederlands. Ik kijk ernaar uit.