Posts tonen met het label recenseren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recenseren. Alle posts tonen

zondag 25 december 2016

Interview Daan Stoffelsen over het einde van Recensieweb (Boekblad)

Daan Stoffelsen stond elf jaar geleden aan de wieg van Recensieweb. Deze week maakte de voorzitter van Stichting Recensieweb, tevens internetboekverkoper van Athenaeum Boekhandel en redacteur van de Revisor, het einde van het online recensieplatform bekend. Opluchting, spijt én trots vechten om voorrang.

Hoe was de afgelopen week?
'Het persbericht waarmee we definitief een streep zetten onder Recensieweb ging de deur uit. Dat was heel bepalend. Voor ons was het al duidelijk. Wij hadden er al vrede mee – ook omdat het archief van 2500 recensies en artikelen raadpleegbaar blijft bij De Leesclub van Alles. Maar wat zou de rest van de wereld ervan vinden? Verder was het een gewone week. Dinsdag zette ik snel een bericht over de P.C. Hooftprijs voor Bas Heijne op de Athenaeum-site, waarna ik me haastte naar een Revisor­-vergadering.'

En? Wat vond de rest van de wereld ervan?
'Veel reacties kwamen neer op: wat jammer, zo'n mooi initiatief. Dat is natuurlijk fijn om te horen. Onze recensenten zeiden dat ze het zagen aankomen, omdat de energie er een beetje uit was. Dat klopt.'

Wat zeggen die reacties over de plaats van Recensieweb in het literaire landschap?
'Ach, over de doden niets dan goeds. Het belang was vooral dát we er waren. Dat we met een redactiesysteem werkten en lieten zien dat je zo kwaliteitsvolle literaire kritiek op internet kon leveren. Zo hebben we eraan bijgedragen dat kritiek op internet een gelijkwaardige positie heeft bereikt met kritiek in gedrukte media – ook omdat boekenbijlagen kleiner zijn geworden en ze meer ruimte geven aan beeld en advertenties. Met bijvoorbeeld de Schaduwjury's van de AKO Literatuurprijs en marathoninterviews rond het Boekenweekgeschenk spraken wij af en toe zeker een woordje mee. Uitgevers haalden ook quotes bij ons voor blurbs.'

Als literaire kritiek op internet gelijkwaardig is geworden, kun je dan ook zeggen: mission accomplished?
'Zeker. Er is van alles bijgekomen. De Reactor, dat veel academisch talent trekt. Tzum publiceert steeds meer recensies. Literair Nederland bestaat al heel lang. De urgentie van Recensieweb in zijn oorspronkelijke vorm is daarom weg.'

Had de site ook invloed op de verkoop?
'Heeft literaire kritiek in het algemeen invloed op verkoop? Ik denk het niet. Literaire kritiek heeft een rol in het filteren van het aanbod, maar of positief of negatief over een boek wordt geschreven maakt niet uit. Die tijd is voorbij. En dan zijn wij geen NRC Handelsblad, laat staan De Wereld Draait Door. We zijn gewoon een site die wordt gevonden op Google en zo'n 15.000 bezoeken per maand heeft. Wat ik veel vind.'

Je noemt op Recensieweb daarnaast persoonlijke en financiële redenen om te stoppen. Wat zijn de persoonlijke redenen? De weggeëbde energie?
'Ja. En die was wel nodig – bijvoorbeeld om een plan te realiseren om meer meta-kritiek te bedrijven, door recensieoverzichten te maken of recensies te vergelijken, maar ook om geld aan te boren zodat we konden investeren in een mobiele versie van de site. De huidige hoofdredacteur kon het niet meer combineren met andere bezigheden. En ikzelf ben vooral een traditionele lezer. Het gaat mij om het analytisch lezen. Ik mis het inzicht en de ondernemerszin van een Roeland Dobbelaer van De Leesclub van Alles om er meer van te maken.'

Waren er geen opvolgers te vinden?
'We hebben natuurlijk gezocht. Maar door al die nieuwe sites kan nieuw talent zich breder verspreiden. En wij zijn geen fris studenteninitiatief meer. Er kwamen geen nieuwe studenten naar ons toe, zeker geen ondernemende.'

En er was dus ook geen geld meer. Verdiende Recensieweb subsidie van het Letterenfonds?
'We moesten er zelf geld in stoppen. Ook nadat alle kosten drastisch waren verlaagd, bleef dat een aardig bedrag. We zijn vroeger wel gesteund door het VSB-Fonds en het Prins Bernhard Cultuurfonds, maar de aanvraag bij het Letterenfonds werd afgewezen. Er was zware kritiek op de commerciële en marketingkanten van onze laatste aanvraag. Ik denk ook dat meespeelde dat Recensieweb niet uniek genoeg meer was. Om diezelfde reden zullen uitgeverijen ook niet in ons willen investeren. Zoiets is ook maar één keer gebeurd in het verleden, toen A.W. Bruna Crimezone overnam. En later weer losliet overigens.'

Zette de koppeling van recensies met de webwinkel van Athenaeum geen zoden aan de dijk?
'Dat heeft ons niet zo veel opgebracht als we wilden. En dat is een understatement. Onze bezoekers zijn vooral scholieren en studenten. Die zijn minder loyaal en hebben minder geld.'

Met welk gevoel stop je nu met Recensieweb?
'Gemengde gevoelens. Opluchting dat we na een paar jaar ons afvragen hoe het verder moet, het nu kunnen afronden – terwijl het archief behouden blijft. Spijt. Ik geef uit handen wat ik zelf heb opgebouwd. Ik weet nog dat ik in het begin, als er een nieuwe recensie bij kwam, de html van alle pagina's handmatig ververste zodat de nieuwe recensie op alle pagina's te zien was. Maar ook trots, om wat we hebben bereikt. Voor de medewerkers is Recensieweb ook een goede opstap gebleken. Sommige zijn recensent of redacteur bij een uitgeverij geworden. Ikzelf heb in gedrukte media gepubliceerd, ben redacteur geworden bij de Revisor en nu jurylid van de ECI Literatuurprijs. Dankzij Recensieweb.'

En je hebt er misschien veel geleerd dat je kunt gebruiken voor de webshop van Athenaeum?
'Zeker. De site heeft een redactionele kant. Ik heb daar opvattingen over ontwikkeld. Ik heb geleerd hoe kritiek op internet werkt. Basale dingen als: hoe expliciet moet je een boek goed of slecht vinden? Wat is de structuur van een internetrecensie? Eigenlijk blijf ik daar doen wat ik bij Recensieweb gedaan. Met een belangrijk verschil: Athenaeum kan recensenten gelukkig wél betalen.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 18 dec)

dinsdag 1 juli 2014

Kees Fens verdiende een betere biograaf (Knack)

Kees Fens (1929-2008) gold als de gezaghebbendste criticus van zijn tijd. Wiel Kusters' biografie van Fens maakt niet duidelijk waarom.

Bijna veertig jaar geleden stopte Kees Fens met het wekelijks bespreken van Nederlandstalige literatuur in de Volkskrant. Wie – zoals de meeste actieve recensenten – zijn kritieken alleen kent van de melancholische verzuchting dat Fens de laatste criticus was die de hele productie overzag en ieder belangwekkend boek volgens dezelfde vaste criteria besprak, heeft eigenlijk geen goed beeld wat hij precies deed. De biografie die Wiel Kusters over 'onze grootste lezer' schreef, is een mooie aanleiding om zijn werk in kaart te brengen.

Helaas. Kusters heeft gefaald in die opdracht. Hij volgt in Mijn versnipperd bestaan het parcours van Fens, die ook lange tijd voor De Standaard schreef, zonder dat in een context te plaatsen. Hij schrijft dat Fens overstapte naar De Tijd en later naar De Volkskrant, maar wat dat betekende voor zijn status? Geen idee. Hij vertelt dat Fens het literaire tijdschrift Merlyn (1962-1996) oprichtte, dat het begrip close reading in Nederland en Vlaanderen introduceerde. Maar hoe revolutionair dat blad werkelijk was? Geen idee. Hij noemt Fens gezaghebbend. Maar waar dat gezag op gebaseerd was? Wederom: geen idee.

Het lijkt er op alsof Kusters weinig meer gedaan heeft dan een verzameling artikelen, brieven, lezingen en andere papieren artefacten van Fens' leven op chronologische volgorde te leggen. Hij heeft vervolgens wel conclusies getrokken over de standpunten die de katholieke criticus in deze teksten innam – kort samengevat: Fens hechtte aan een traditie die werd doorgegeven aan de toekomst, waardoor iedere conclusie per definitie voorlopig was. Maar Kusters heeft geen onderzoek geraadpleegd naar het literaire klimaat waarop deze teksten invloed hadden. Laat staan onderzoek verricht.

Ook als mens blijft het beeld van Fens schimmig. Kusters zegt wel dat de vroege dood van zijn vader vormend was, maar op welke manier? Zijn familie (een vrouw en vier kinderen) en vriendschappen blijven eveneens grotendeels buiten beeld. Typerend is dat Kusters zich excuseert voor het feit dat hij schrijft over Fens' gehechtheid aan een goed inkomen. 'Pecuniaire aangelegenheden' zijn 'triviaal'. Maar ja, Fens was in zijn jeugd overgeleverd aan de sociale steun en kon door gebrek aan geld ook niet naar de universiteit. Dus Kusters móést wel over geld schrijven.

Die opmerking is des te pijnlijker omdat Kusters, naarmate hij dichterbij het heden komt, steeds trivialer wordt. Aan de laatste twaalf jaar van Fens' leven, na zijn emeritaat als hoogleraar in Nijmegen, besteedt hij meer dan honderd pagina's. Het lange decennium is niets meer dan Nachleben, maar iedere reis, een gesprekje met prinses Máxima, elk eerbetoon, een uitnodiging van Jan Wolkers – het staat er allemaal in. Iedere scheet van Fens die Kusters nog kon ruiken, meent hij te moeten vastleggen voor het nageslacht. Je slaat de biografie daardoor hogelijk geïrriteerd dicht.

De mislukking van Kusters' levensbeschrijving is juist zo spijtig omdat je weet dat er nooit een tweede zal komen. Ondanks de groei van het aantal biografieën, is het klimaat in Nederland en Vlaanderen er niet naar. Daarbij zal de herinnering van Fens snel vervagen. Dát maakt deze biografie wel duidelijk. Omdat de criticus zo gehecht was aan het inkomen dat al zijn artikelen hem bezorgde, heeft hij nooit een werk van betekenis geschreven dat kon uitgroeien tot een monument voor hemzelf. Fens' oeuvre is verdwenen in zelden bekeken archieven van kranten en tijdschriften.
(Eerder verschenen op Knack.be, 30 jun)

Wiel Kusters, Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens, 1929-2008 (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 598 pag., € 34,95)

donderdag 23 mei 2013

Heinrich Heine: Schrijven ezels geen kritieken?

De beer Atta Troll neemt het in het gelijknamige gedicht van Heinrich Heine op voor de dieren. De mensen claimen privileges. Ze stellen zich op boven de dieren. Waarom? De intelligentie van dieren is minstens zo groot. Er zijn paarden die foutloos kunnen tellen als kassiers. Er zijn hazen die heel ritmisch met hun poot slaan. Bevers zijn meester in de waterbouwkunde. De ooievaar is de ontdekker van de klysma. En dan: ezels schrijven kritieken.
De rede uit de jaren 1840 zou in deze eeuw goed kunnen dienen als een bloedserieus pleidooi van de Partij van de Dieren, maar ik heb er vooral om moeten lachen. Vooral die laatste toevoeging is amusant. Omdat je niet verwacht dat Heine opeens vanuit zijn eigen perspectief redeneert, komt de lof op de ezels onverwacht. Even later doet hij het nog een keer als hij de beer laat zeggen dat zijn collega Ferdinand Freiligrath kan dichten. Alsof die vergeten poëet ook een dier is.
Ik vroeg me wel af: sinds wanneer worden critici met ezels - of andere spreekwoordelijk domme dieren - vergeleken? Ongetwijfeld vanaf het verschijnen van de eerste kritieken. Maar wie maakte als eerste die vergelijking?

Zie ook:
- Ilja Leonard Pfeijffer over recensenten
- Joost Nijsen over het bluffen van uitgevers en juryleden

woensdag 20 februari 2013

Arjan Peters, ‘Kreten uit een urn’: hoe zou het vroeger zijn geweest?


De literair criticus is niet dood, schrijft Arjan Peters in Kreten uit een urn. Er zijn toch nog altijd boekbesprekers die voor kranten en tijdschriften de betekenis en waarde van een boek wegen? En zolang er ook maar één lezer is die op grond van zijn recensie besluit boeken te lezen of niet, behoudt de criticus zijn invloed.
Klachten dat recensenten vroeger meer invloed hadden, wuift Peters weg. Dat zeggen alleen verbitterde zeurpieten, of hopeloze nostalgici die leiden aan het syndroom dat vroeger alles beter was. Zijn er methodes om het gezag van een criticus te meten? En dus ook of dat gezag is toe- of afgenomen? Nou dan.
Zo komt Peters tot de conclusie dat een criticus moet doorgaan met wat hij altijd doet. Een literatuur die zichzelf serieus neemt heeft dat ook nodig. Lezers zouden alleen op de pr-praat van uitgevers, boekverkopers en de schrijvers zelf af kunnen gaan – en nooit weten of een boek werkelijk waarde heeft.
Dat de criticus daarvoor moet schipperen, zoals Peters dat noemt, is niet erg. Hij werkt voor een krant die wordt gemaakt voor een groot publiek – en daarom besteedt hij ook aandacht aan publieksauteurs als Kluun en Heleen van Royen. Naast die verplichte nummers blijft er voldoende ruimte over voor eigen keuzes.
Tot zover is Kreten uit een urn een zinvol betoog – even afgezien van de flauwe humor, weinig relevante persoonlijke aanvallen en opzichtelijk karikaturale weergave van de standpunten die hij bestrijdt. Maar toch laat Peters de belangrijkste vraag nadrukkelijk onbeantwoord: hoe was het vroeger?
Het gezag van een criticus is dan niet te meten, maar hij kan toch wel iets zeggen over de mate waarin het schipperen in de afgelopen twintig jaar is veranderd? Schreef zijn krant, de Volkskrant, in Peters beginjaren ook al zo vaak over de Kluuns en Heleen van Royens van destijds? Was er net zo veel ruimte voor Literatuur met een hoofdletter? Enzovoorts.
Kreten uit een urn was waardevoller geweest als Peters een poging had gedaan om de veranderingen in de status van boekbesprekingen aan te wijzen en te duiden. Want nu doet hij alsof die er niet zijn geweest, en dat geloof ik niet.

Zie ook Elsbeth Etty en Ilja Leonard Pfeijffer over recenseren.

zaterdag 3 november 2012

Is de mening van de ene recensent meer waard dan die van een ander?


Het antwoord op die vraag is natuurlijk: ja. Maar precies je vinger erop leggen lukt je nooit. Een ongrijpbaar mengsel van het medium waarin de recensent publiceert, de hoeveelheid grote namen die hij bespreekt, de diepgang van diens stukken en optredens op andere podia (waaronder jury’s) bepaalt de rangorde van de recensenten. En dan heb ik het alleen nog over de rangorde in het literaire wereldje. De rangorde kan van lezer tot lezer verschillen al naar gelang die het eens is met een recensent.
Sinds enkele maanden geeft NRC Handelsblad enig inzicht in de waarde die de krant zelf aan zijn recensenten hecht. Dankzij de introductie van de ballen – van nul tot vijf – waarin een recensent de samenvatting van zijn stuk moet uitdrukken. Door die ballen zou je zeggen: de drie boeken met de meeste ballen zijn de ‘boeken van de week’ die op de voorpagina van de boekenbijlage worden aangekondigd. Maar nee, boeken met vier ballen worden voor deze eer regelmatig gepasseerd door boeken met drie ballen. Ook in de editie van gisteren gebeurde het weer. Kennelijk zijn de vier ballen van de ene recensent minder waard dan drie ballen van een andere recensent.
Of kan de krant gewoon niet tellen?

zondag 16 september 2012

Mag de pers negatieve recensies publiceren? (Boekblad)


Of uitgever Harold Polis van De Bezige Bij Antwerpen vorige week wel of niet een recensie van Maarten Inghels’ debuut in brand stak, na de rel die hij veroorzaakte ontbrandde in Vlaanderen een discussie over de functie van boekrecensies in kranten en tijdschriften. Mogen die anno 2012 negatief zijn?

Marc Reugebrink meent van niet. De auteur redeneert in De Standaard dat literatuur, anders dan vroeger, geen rol meer speelt in de maatschappelijke discussie. Wie een roman afkraakt doet dat daarom alleen nog om esthetische en niet om ethische redenen. Hij geeft niet meer dan consumentenadvies. Dan is het volgens Reugebrink beter om uitsluitend enthousiast te spreken over boeken die je je lezers aanraadt – en over de rest te zwijgen. Zo kan het krantenpubliek met plezier literatuur gaan lezen en raakt hij vanzelf geïnteresseerd in serieuze, diepgravende esthetische kritiek, waar op internet ruimte voor is.
Reugebrink, die zelf wordt uitgegeven door Polis, had dan ook gehoopt dat de uitgever bij wijze van statement de negatieve recensie van Mark Cloostermans over De handel in emotionele goederen van Maarten Inghels daadwerkelijk had verbrand – in plaats van slechts die suggestie te wekken. En niet alleen om dit principiële punt, maar ook ‘als protest tegen de willekeur en achteloosheid van een recensent’. De recensie van Cloostermans was immers maar ‘een signalementje, doorspekt met fikse oordelen die op weinig anders gebaseerd leken dan het slechte humeur van de recensent’ – wat Reugebrink op zijn beurt weer niet beargumenteert.
De schrijver is echter de enige die zich op dit standpunt stelt. Veel Vlaamse journalisten verdedigden het recht van de criticus om afkeurend te oordelen. Zo schreef ex-filmrecensent Steven Defoer dat de mening van een kenner ‘zwaar gerelativeerd’ moet worden, maar door zijn gefundeerd oordeelsvermogen wel de moeite waard is om te lezen. Frank Hellemans schrijft in Knack [hieronder als reactie na te lezen]: ‘Alleen wie durft negatieve recensies te maken en te publiceren, heeft een kritisch oordeel dat het waard is om gelezen te worden.’
Ook Veerle van den Bosch, de chef van De Standaard der Letteren, gaat vandaag in op de recensie die onder haar verantwoordelijkheid is verschenen. Ze is opmerkelijk genoeg verbaasd dat haar werk nog altijd serieus genomen wordt blijkens de openingszin: ‘Hoogoplopende emoties over een boekrecensie, dat we dat nog mogen meemaken.’ Maar ze vindt het wel ‘de opdracht van een boekenbijlage’ om erop te wijzen dat een boek ‘dat zo vol staat met kromme zinnen en uit de hand gelopen beeldspraak’ geen ‘goede literatuur’ is. Ze geeft maar liefst achttien voorbeelden uit De handel in emotionele goederen om die stelling te onderbouwen.
Ze beantwoordt niet de vraag van Reugebrink waarom de krant dan niet gewoon zwijgt over dit boek. Of kwam dat omdat hij het antwoord daarop eigenlijk zelf al had gegeven? ‘Alleen de nieuws- en marktwaarde van boek’ telt nog voor een krant, klaagt hij. En inderdaad: de 23-jarige debutant Maarten Inghels was de afgelopen weken in verschillende media binnengehaald als een belangrijke, nieuwe literaire stem. Dan is niet meer dan vanzelfsprekend dat ook De Standaard oordeelt of dat terecht is. Zoals ook de rel rond de boekverbranding voor andere media reden kan zijn om het boek te bespreken – positief of negatief.
Ondertussen is het afwachten naar de verkoopcijfers van deze week: wat heeft de heibel gedaan voor de nieuwsgierigheid naar de roman van Maarten Inghels?
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 14 sep 2012)

Een persoonlijke toevoeging:
Zelf vind ik dat je als recensent niet per se een boek moet afkraken. Ik heb bij BOEK de vrijheid om, in overleg, te bepalen welk boek ik bespreek. Als een roman tegenvalt, kan ik me dan ook afvragen of ik de beschikbare ruimte niet beter besteed aan een boek waar ik enthousiaster over ben. Maar vaak genoeg moet je een boek wel bespreken: de nieuwe Arnon Grunberg, de nieuwe Leon de Winter of, zoals in het geval van Maarten Inghels, het boek waarover wordt gepraat. In Vlaanderen kan geen medium diens debuut nog laten liggen. Of het oordeel nu gunstig is of niet. Daarbij is het geen optie voor een krant om bij het boek een recensent te zoeken die er wél positief over schrijft. Om toch maar vooral zieltjes te winnen voor de literatuur... Bovendien: een boekenbijlage die week in week uit alle boeken de hemel in prijst, ben je geneigd al snel niet meer serieus te nemen, ook als al die recensies stuk voor stuk perfect onderbouwd zijn.

dinsdag 8 mei 2012

Joost Nijsen over het bluffen van uitgevers en juryleden


Heeft een uitgever tijd om te lezen, vraagt Joost Nijsen zich in zijn ABC van de literaire uitgeverij onder het toepasselijke lemma ‘bluffen’ af. Overdag is het te druk. ‘s Avonds ook steeds meer door de wildgroei aan literaire festivals, prijsuitreikingen en media-optredens. Dus Nijsens eerlijke antwoord is het instemmend citeren van oud-collega Maarten Asscher: ‘Overdag  lezen is er op een literaire uitgeverij nauwelijks bij. Gelukkig zijn er vele manieren om een boek te lezen, variërend van tien minuten tot een heel weekend.’ Zo probeert de uitgever toch net voldoende kennis van boeken op te doen om nieuwe auteurs te ontdekken, het contact met fondsauteurs te onderhouden en andere auteurs te verleiden – heel subtiel uiteraard – om over te stappen. Maar waar het mij nu om gaat: Nijsen constateert terecht dat niet alleen uitgevers te weinig tijd hebben om te lezen. Schrijvers, agenten, boekverkopers, minder actieve leden van leesclubjes – iedereen verdenkt hij ervan niet zo veel te lezen als zou moeten en zich daarom belezener voor te doen dan hij is. En dan komt het: ‘Wat er in de leesstoelen van de critici en juryleden aan pagina’s overgeslagen wordt weten we niet.’ Daar zou ik nog eens een boekje over willen open doen, nog eerlijker dan Nijsen over zíjn vak vertelt.

Zie ook:

maandag 2 april 2012

Ilja Leonard Pfeijffer over recensenten


‘De recensent verhoudt zich tot de schrijver als de theoloog tot God’.
(Uit: Hoe word ik een beroemd schrijver? Een literair zelfhulpboek - Ilja Leonard Pfeijffer. De Arbeiderspers, 2012)

Een merkwaardige uitspraak, dacht ik eerst. God bestaat niet. Zelfs niet voor de mensen die in hem geloven, omdat ze zijn bestaan niet kunnen bewijzen. Toch zit er wat in. Niet zoals Pfeijffer het bedoelde: neerbuigend - de anonieme recensent die wanhopig probeert de woorden van de schrijver te duiden, zoals een theoloog de woorden uit de Bijbel interpreteert en interpreteert terwijl ze hem blijven ontglippen. Wel geeft de uitspraak de manier aan waarop een recensent de schrijver zou moeten benaderen: als iemand die niet bestaat. Het gaat uitsluitend om de achtergelaten tekst.
De andere passages over recensenten in dit boek hebben dezelfde ambiguïteit. Pfeijffer is neerbuigend, zoals zo veel verbitterde auteurs die te veel negatieve en onbenullige stukjes hebben gelezen over hun jarenlange arbeid, en toch is het meer dan dat. Pfeijffer is eerlijk. Uit zijn tijd als poëzierecensent van NRC Handelsblad weet hij dat de inzet van de recensent niet alleen is gebaseerd op toewijding, oprechtheid en onafhankelijkheid, maar ook op slechte betaling , vriendjespolitiek en luiheid. Hij kon langere stukken schrijver als hij positief oordeelde, en aangezien hij per woord werd betaald, was hij geneigd vaker loft te uiten dan kritiek te spuien. Hij moest er van leven.
Zelf heb ik nog nooit een recensie geschreven waarvan de honorering per woord werd betaald. Evenmin heb ik ooit voor een dunner boek gekozen alleen omdat het minder werk is. Maar ik kan niet ontkennen dat sympathie voor een auteur of het feit dat ik hem onder ogen zou komen, bijvoorbeeld voor een openbaar interview, resoneert in mijn oordeel. En ik ben ook geen Conrad Busken Huet die voor elk geschrift de hoogste maatstaven hanteerde. Ik leg liever de nadruk op wat goed aan een boek is. Een keer heb ik dat zelfs op verzoek gedaan, omdat er in hetzelfde nummer een voorpublicatie uit deze roman stond.

woensdag 28 december 2011

Elsbeth Etty - 'ABC van de literaire kritiek'


Nog even over ABC van de literaire kritiek van Elsbeth Etty (na deze opmerking). Zoals in zo veel essays, columns of boeken over literaire kritiek, beschrijft zij de ideale situatie. Een recensent heeft respect voor de auteur, maar is uitsluitend dienstbaar aan de lezer (van zijn stuk), beargumenteert zijn oordeel, kiest passende citaten om dat aan te tonen, enzovoorts. Dat geeft niets: het is goed voor iedere recensent – ook voor mij – om een ideaalbeeld voor ogen te houden, ook al is de werkelijkheid weerbarstig. Maar wat dit ABC bij vlagen zo onverteerbaar maakt, is de zelffeliciterende ondertoon. Alle voorbeelden van hoe het moet zijn afkomstig uit haar eigen praktijk of uit de krant waarvoor zij werkt (NRC Handelsblad). Alle voorbeelden van hoe het niet moet, zijn afkomstig uit de Volkskrant, Vrij Nederland en andere media. Terwijl juist in dit ABC voldoende voorbeelden te vinden zijn dat ook Etty lang niet altijd aan het ideaalbeeld voldoet. Zo richt de boekenbijlage van de Volkskrant zich volgens haar alleen nog maar op infotainment en human interest omdat Arjan Peters het bestond Haantjes van Kluun vijf sterren te geven. Dat noem ik niet ‘goed beargumenteerd’, dat noem ik een polemische steek onder water. (Overigens gaf Peters de roman van Kluun vier, geen vijf sterren.)

Elsbeth Etty, ABC van de literaire kritiek, Balans, 2011

Zie ook:
- Arjan Peters over recenseren

dinsdag 27 december 2011

Elsbeth Etty over gratis recensie-exemplaren


‘Ik heb als criticus nooit slechte ervaringen gehad met uitgevers, behalve dan met Geert van Oorschot, die zo verschrikkelijk anticommunistisch was dat hij geen gratis recensie-exemplaren aan het communistische dagblad De Waarheid wilde verstrekken. Geen nood, als er een Van Oorschot-uitgave was die ik voor die krant wilde bespreken, vond ik altijd wel de auteur ervan bereid om mij een exemplaar ter beschikking te stellen.’
(uit: Elsbeth Etty, ABC van de literaire kritiek, Balans, 2011)

Heel merkwaardig. Alsof het gratis ter beschikking stellen van recensie-exemplaren een noodzakelijke voorwaarde is voor het bedrijven van literaire kritiek. Een criticus kan ieder boek toch ook gewoon kopen? Op kosten van de krant nog ook. Of zou Elsbeth Etty van mening zijn dat je – ten onrechte – het bedrag dat je voor een boek moet neerleggen, laat meewegen in je oordeel? In de trant van: 19,95 euro is echt te veel geld voor deze roman.
De ironie wil overigens dat dit boek een van de weinige is die ik dit jaar voor mezelf heb gekocht. Met Etty’s standpunt in mijn achterhoofd oordeel ik: 6,95 euro is te duur voor zo’n haastig neergepend abecedariumpje; als de uitgeverij er 2,50 euro voor had gevraagd was de prijs/kwaliteit-verhouding beter geweest en had ik er ook gunstiger over geoordeeld.