Posts tonen met het label meningen en columns. Alle posts tonen
Posts tonen met het label meningen en columns. Alle posts tonen

zondag 29 januari 2017

In de ideale leesclub doen de leden alsof ze elkaars smaak niet kennen (De Boekensalon)

Over smaak valt inderdaad niet te twisten. Maar niemand kan zich ooit beroepen op zijn smaak om de kwaliteit van een boek te beoordelen. Wie een ander wil overtuigen om een roman te lezen of te laten liggen, zal met goede literaire argumenten moeten komen.

Joost Nijsen zit al meer dan 35 jaar in het uitgeefvak. Hij zou er niet van op moeten kijken dat NRC Handelsblad vier ballen en de Volkskrant twee sterren gaf aan Lieve van Ronald Giphart. De ene recensent oordeelt nu eenmaal anders dan de andere. Toch schoot de uitgever van deze roman in zijn wiek toen hij de negatieve recensie onder ogen kreeg. Hier werd een boek niet langs een literaire meetlat gelegd, hier oordeelde de critica uitsluitend op basis van smaak.
De recensente keurt Gipharts nieuwste roman af, aldus Nijsen, omdat ze een hekel heeft aan het archetype waarvan de hoofdpersoon in Lieve een representant is. 'Is dit anders dan een criticus die Oblomov van Gontsjarov afkraakt omdat de hoofdpersoon lui en lamlendig is? Lolita [van Vladimir Nabokov] bij het vuil zet omdat Humbert Humbert een pedofiel is? American Psycho [van Bret Easton Ellis] kraakt omdat Patrick Bateman een psychopathische neuroot is?' zo schreef hij op de site van uitgeverij Podium.
Wat is dat eigenlijk: smaak? En waarom is het niet genoeg om een boek uitsluitend op smaak te beoordelen?

Smaak is persoonlijk. De ene lezer houdt van politieke romans, de ander niet. De ene lezer prefereert een open einde, de ander wil per se weten hoe het met de personages afloopt. De ene lezer vindt het prettig om een toneeltekst te lezen, de ander raakt de kluts kwijt als hij de tekst niet als voorstelling ziet. Enzovoorts. Smaak kan ook veranderen. Wie te veel romans over de oorlog heeft gelezen, denkt bij het volgende onderduik- en verzetsverhaal meteen: get, nee.
Lange tijd bestond er een goede en een slechte smaak. Homerus, Joyce en Mulisch vielen onder goed. Streekromans, thrillers en Kluun waren slecht. In dit tijdperk waarin een elite juist sterk gewantrouwd wordt, hoor je dat nog zelden. Het verschil tussen goede en slechte smaak is ontmaskerd als een manier om social onderscheid te maken. Een voorbeeld: Streekromans waren begin twintigste eeuw een geaccepteerd literair genre, maar kregen een negatief imago omdat te veel gewone lezers ze lazen.
Toch is het nog steeds niet genoeg om een literaire discussie te beëindigen met de dooddoener dat er over smaak niet valt te twisten. Je kunt weliswaar zeggen dat je liever Kluun dan Mulisch leest. Dat is smaak. Maar dat laat de vraag onbeantwoord: wáárom vind je Kluuns Komt een vrouw bij de dokter zo geslaagd? Hoe verklaar je dat er van deze megaseller meer dan een miljoen exemplaren zijn verkocht en van honderden andere kankergeschiedenissen niet?
Niemand kan op basis van zijn individuele smaak alleen een ander overtuigen van de kracht van een boek. Er zijn altijd argumenten nodig. Literaire argumenten. Bijvoorbeeld: de manier waarop Mulisch de dobbelsteen als motief inzet om antwoord te geven op de schuldvraag in De aanslag, geeft het spannende verhaal zo'n thematische diepte. Of: omdat Kluun zijn hoofdpersoon zo onsympathiek maakt, weiger je mee te gaan in de tragiek van zijn vrouw, maar als hij toch kiest voor de liefde, komt die tragiek des te harder aan. Dát maakt zijn roman zo effectief.
Je kunt alleen op iemands smaak afgaan als je die heel goed kent. Als je partner zegt dat een roman grappig is, kun je inschatten of je het daarmee eens zult zijn. Als een onbekende in de trein hetzelfde zegt, wil je eerst weten waarom. Pas wanneer die uitlegt dat de humor schuilt in de woordgrappen en taalvondsten, bot leedvermaak om minderheidsgroepen of om de kolderieke situaties, kun je verleid worden het boek te gaan lezen. Of het aan jouw eigen smaakvoorkeuren zal beantwoorden.
In een ideale leesclub doen de leden dan ook alsof ze elkaar nooit eerder hebben ontmoet. Dat garandeert de beste, inhoudelijkste discussies.

Terug naar Lieve. Heeft Nijsen gelijk in zijn oordeel over de recensie in de Volkskrant? Het antwoord daarop is: ja. De recensente betoogt weinig meer dan dat de archetypische hoofdpersoon niet overtuigt. Zonder veel argumentatie, dus waarom? In NRC Handelsblad gaat het over het sterke plot, de slimme montage van een machtsspel-met-verrassende-wending, de invulling van het thema, de diepere laag waarop je Lieve kan lezen, de stijl. Zo kun je tenminste oordelen of de nieuwe Giphart – of hij je smaak is of niet – de moeite van het proberen waard is.
(Eerder gepubliceerd in De Boekensalon, dec 2016)

donderdag 6 oktober 2016

Wil ik weten wie Elena Ferrante is?

Het antwoord op die vraag is: nee. Het is mooi dat er in deze tijd, waarin iedere auteur wordt aangeraden zich zo veel mogelijk op social media te roeren om een fanbase op te bouwen, ook schrijvers zijn die daar radicaal mee breken. En dat zeg ik terwijl ik mijn inkomen voor deel verdien door de noodzaak van schrijvers om op alle mogelijke manieren de openbaarheid te zoeken.
Een Italiaanse krant, las ik, vindt haar anonimiteit een geslepen marketingtruc: zó onbekend zijn dat de lezers zich daarom tot haar werk aangetrokken voelen. Maar zelfs als dat waar is, blijft het mooi dat Elena Ferrante uitsluitend haar werk in de spotlights zet. Daar gaat het immers om.

Ik vind het bewijs van de Italiaanse journalist Claudio Gatti overtuigend. Andrea Raja zal de schrijfster achter Elena Ferrante zijn. Hij dolf via een anonieme bron de betalingen van de uitgeverij op. Niemand kreeg zo veel geld van Edizione e/o als Raja. Niemand zag haar inkomsten zo stijgen als zij toen Ferrante eerst een nationaal en daarna een internationaal succes werd. Dat kan inderdaad niet worden verklaard uit Raja's officiële werkzaamheden voor de uitgeverij.
Maar ik ben het niet met Gatti eens dat ik als lezer het recht heb te weten wie Ferrante is. Waarom zou ik? Hij beweert dat ze in een boek met autobiografische geschriften, met onder andere e-mailinterviews die ze heeft gegeven, leugens als non-fictie heeft verkocht. Maar waarom is dat erg? Waarom mag Raja de schijnbaar zo autobiografische romans niet presenteren als precies dat: autobiografisch? Welke wet overtreedt ze daarmee? Welk hoger belang schaadt ze?

Zelf heb ik van Ferrante alleen de drie inmiddels in het Nederlands verschenen delen van de Napolitaanse tetralogie gelezen. Die zijn zo intiem dat ik de indruk kreeg dat een auteur zijn diepste zielenroerselen blootgaf, zoals ik hier schreef. En toch heb ik die altijd beschouwd als fictie. Immers: als het boek werkelijk autobiografisch was, zou het doodsimpel zijn om te achterhalen wie de boeken heeft geschreven. Dan zou niet al jaren worden gespeculeerd over de identiteit van Ferrante. Maar wat maakt het uit? Autobiografisch of totaal verzonnen, de leeservaring dat een intieme stem tegen mij, en tegen mij alleen, alles opbiecht wat belangrijk voor haar is, blijft hetzelfde.
Ik kijk dan ook zeer uit naar verschijnen van deel 4. Nog een paar nachtjes slapen.

Zie ook:

zaterdag 11 juni 2016

De schrijver volgens Paul Verhoeven

Een scène uit Elle, de nieuwe film van Paul Verhoeven. Richard Casamayou, een schrijver, vertelt zijn ex (hoofdpersoon Michèle Leblanc) dat de affaire met Hélène voorbij is. Waarom? Hij had in bed gevraagd wat ze zijn beste boek vond. Toen noemde Hélène iets met 'populier' in de titel. Van ene Pierre Casamayou. Hij wist niet dat er nog een schrijver was met dezelfde achternaam, zei Richard. Hij schijnt nog getalenteerd te zijn ook, voegde hij eraan toe.
Het is misschien een cliché: de schrijver die zo ijdel is dat hij meteen de relatie verbreekt als zijn liefje zijn werk zó slecht kent. Maar omdat Verhoeven het ingetogen brengt, moest ik er toch om lachen. Ik vond het sowieso een goede, intrigerende film.

maandag 28 maart 2016

Jim wie is dood? (Jim Harrison dus)

Groot nieuws eerste Paasdag op Teletekst, waar ik het als eerste las, en ook op andere media die sterk leunen op persbureaus: de Amerikaanse bestsellerschrijver Jim Harrison is op 78-jarige leeftijd overleden. Bekend van het verfilmde Legends of the Fall, zeer succesvol, vertaald in meer dan 25 landen, vergeleken met Faulkner en Hemingway. Aldus pagina 128 op Teletekst.
Jim Harrison dus. Waarom deed die naam bij mij geen belletje rinkelen? Alleen de genoemde titel riep associaties op – aan de film inderdaad, die ik niet heb gezien maar waarvan ik meen dat Brad Pitt er de hoofdrol in speelt. Als hij werkelijk zo’n grootheid was, moet ik Harrison kennen. Het leek me echter waarschijnlijker dat het belang van deze dode schromelijk werd overdreven.
Ik heb eens wat gesurft. Wat blijkt uit de catalogus van de KB. In 1981 is van zijn hand Wraak en andere novellen bij De Arbeiderspers verschenen. Dat is alles wat er ooit van Harrison in het Nederland is vertaald. Via Boekwinkeltjes.nl is een exemplaar van het boek voor 4 euro te koop.
Natuurlijk telt deze obscure Nederlandse uitgave mee bij ‘vertaald in meer dan 25 landen’. Toch kan hij internationaal nooit zo’n succes zijn geweest. Op Wikipedia is er in slechts vier talen een pagina aan Harrison gewijd: Engels, Duits, Frans en Spaans. Ook in het Duits, krijg je dan de indruk, zijn maar weinig titels vertaald. In het Frans wel. Dat is een behoorlijke opsomming.
En die vergelijking met Faulkner en Hemingway? Die staat ook op Wikipedia. Met als bron een biografie van Harrison elders op internet. Daar valt de naam Faulkner in het geheel niet. En de relatie met Hemingway is zeker niet alleen positief. ‘Harrison’s first three novels resulted in many attacks by critics who saw him as a stereotype of the Hemingway myth: a writer obsessed with the macho male activities of hunting, drinking, and manly sex.’
Dus waarom was zijn dood in godsnaam groot nieuws op Eerste Paasdag? Eigenlijk schreef ik het al: een te grote afhankelijkheid van Amerikaanse persbureaus als Reuters en Associated Press. Die brachten het als groot nieuws. En redacteuren van Teletekst, Nu.nl maar ook van bekendere media hebben onvoldoende kennis van literatuur om daar de vraag bij te stellen of Harrisons dood ook voor Nederland groot nieuws is.

Zie ook:

maandag 30 november 2015

Ik kom terug: Natuurlijk legt moeder-Van Dis de uitgelezen boeken op de stapel KW

'Maar wat deed dat vele lezen met haar? Terwijl ik De bekentenissen van Zeno alleen maar rokend had kunnen lezen of me om het hoofdstuk moest afrukken bij Ik Jan Cremer, legde zij een roman na lezing onbewogen op de stapel KW – Kan Weg.'
(Uit: Ik kom terug, Adriaan van Dis, p. 72)

Adriaan van Dis' moeder, dat wil zeggen: de moeder die hij presenteert in zijn Libris-winnende roman Ik kom terug, hield van lezen. Haar hele leven lang. Drie à vier boeken per week, de een na de ander. Als moeder en zoon begin jaren zestig tegelijk in de huiskamer lazen 'haalde zij makkelijk zestig bladzijden per uur. Ik sukkelde tegen de twintig.' Maar ja – zie het bovenstaande citaat – wat deed het met haar?
De suggestie is dat de moeder, anders dan de latere schrijver zelf, alleen maar las om de tijd te doden. Of op zijn best om escapistische redenen. De voorliefde voor esoterie doet ook vermoeden dat ze het genot van een literaire sensatie niet kende. 'Als een detective te spannend werd', staat er ook nog, 'legde ze hem weg om de zenuwen met een ernstiger boek af te koelen.'
Maar Van Dis' moeder was gewoon ouder. Welke vijftigplusser voelt nog de behoefte te kettingroken bij een meeslepend boek? Om zich af te rukken bij een seksueel opwindend boek? Als je zelf nog een tiener bent snap je dat niet.
Ikzelf behoor nog niet tot die leeftijdscategorie, maar ik merk wel hoe makkelijk ik tegenwoordig een boek na lezing onbewogen op de stapel KW leg – Kan Weg. Mijn boekenkast is vol, waarom zou ik ruimte maken voor een roman die 'best aardig' was? Alleen boeken van een auteur die ik volg mogen in de kast. En boeken ja die me echt iets doen. Maar die worden steeds zeldzamer.
 Later in Ik kom terug blijkt dat deze theorie inderdaad voor Van Dis' moeder opgaat. In Indië, vertelt ze op p. 190, leende de officiersvrouwen elkaar 'gesuikerde verhalen over kleuterjuffrouwen die met rijke planters trouwden'. Een boek als Rubber van Madelon Székely-Lulofs hield ze voor zichzelf. Zulke schandalige romans, die het leven van de planters eerlijk beschreven, durfde ze niet uit te lenen.
Ze wist dus echt wel onderscheid te maken tussen goede literatuur en flutboeken.

Zie ook:
- De 'gevreesde' schrijver van Thomas Verbogt
- Niña Weijers in 'De consequenties' over literatuurliefhebbers

zondag 11 oktober 2015

Waarom boeken kopen als je ze gratis kan krijgen?

Tien tegen een dat iedereen die je deze vraag voorlegt denkt aan illegale digitale kopieën, die je overal kunt downloaden als je een beetje moeite doet ze te vinden. Of die je bij duizenden tegelijk van de USB-sticks af kunt halen die naar het schijnt door lezers onderling worden doorgegeven. (Ik heb ze nog nooit gezien.)
Maar e-boeken bedoel ik niet. Ik heb het over papieren boeken. En dan ook niet die je via de bibliotheek kunt lenen. Lidmaatschap van de bibliotheek kost al gauw een paar tientjes per jaar. Ik bedoel volledig gratis papieren boeken, die je mag houden.
Die vind je in toenemende mate in Minibiebs. Sinds deze Amerikaanse uitvinding in 2013 naar Nederland overwaaide zie je steeds meer: kleine kastjes met glazen deurtjes die particulieren kant en klaar voor maximaal 220 euro kunnen bestellen. Of in een middagje zelf hebben gebouwd.
InLeiden staan er inmiddels een stuk of dertig. Een handjevol in de buurt heb ik meer dan eens bezocht. Om er boeken in te stoppen voornamelijk, maar ook wel eens om iets mee te nemen. Het aanbod is helemaal niet zo slecht.
Daarnaast zijn er allerlei leesbevorderende initiatieven die op een of andere manier boeken onder de mensen verspreiden. In Leiden gebeurt dat sinds 2012 via De Boekenzolder. Dit project...

wil een bijdrage leveren aan de leesbevordering, aan de strijd tegen analfabetisme, de ´boekloosheid´ en de vernietiging van boeken. Op deze wijze stellen we juist mensen met een kleine beurs in staat boeken te blijven of te gaan lezen. Daarnaast wil de Boekenzolder mensen de gelegenheid geven elkaar te ontmoeten rondom ´boeken´ in de breedste zin des woords.

Kort geleden was de officiële heropening op een nieuwe locatie op een bedrijventerrein. Toen was ik er voor het eerst. Het aanbod viel me allerminst tegen. Ik vond er onder andere een biografie van C.B. Vaandrager en het befaamde 84, Charing Cross Road van Helene Hanff.
Als ik wil kan ik, zelfs met mijn leestempo, met minibiebs en Boekenzolder jaren en jaren vooruit. Ik heb een brede belangstelling: er is altijd wel iets te vinden wat mijn interesse heeft.
Dus waarom nog boeken kopen? De allernieuwste boeken. Deel zes van de Knausgard-cyclus of de Geert van Oorschot-biografie, om twee te verschijnen boeken van dit najaar te noemen. Er bestaan nu eenmaal boeken waarvan je niet wilt wachten op het moment dat je ze toevallig in handen krijgt.

donderdag 28 mei 2015

Zin en onzin in de vergelijking van tv-series en literatuur – Robert McKee en Manon Uphoff

De Amerikaan Robert McKee doceert scenarioschrijven. En niet aan amateurs met vage ambities. Hij gaf les aan de schrijvers van series als Breaking Bad en Game of Thrones (waar ik overigens respectievelijk één en nul afleveringen van heb gezien). Dat deze man – door Schrijven magazine ooit getypeerd als 'de beste schrijfdocent ter wereld' – in Nederland twee seminars geeft, is dan ook nieuws. NRC Handelsblad bracht 26 mei een stuk over hem. Ook elders werd over hem geschreven.
De kop van het stuk in NRC luidt: 'Hij [=Walter White, de hoofdpersoon van Breaking Bad] heeft meer lagen dan Hamlet'. Dat vindt McKee namelijk. Prijst hij dus de tv-serie ten koste van literatuur? Allesbehalve. In de laatste alinea valt hij de stelling van Oek de Jong bij in diens essay Wat alleen de roman kan zeggen (zie hier). 'De roman is een krachtige kunstvorm en heeft een eigen, intrinsieke waarde. Een romanschrijver kan iets in de eerste of derde persoon vertellen en het innerlijk leven van een personage beschrijven. Dat is nog steeds niet mogelijk met de camera. Je kunt een gedachte niet verfilmen.'
Ik vind het mooi dat juist zo'n man dat zegt. Geen dédain over literatuur, maar een eerlijke vergelijking van de unieke mogelijkheden van verschillende kunstvormen. Een tv-serie kan iets wat een roman niet kan, een roman kan iets wat een tv-serie niet kan. En je kunt van beide houden om wat ze uniek maakt.

Helaas lijkt Manon Uphoff dat niet te beseffen. In het pamflet De blauwe muze, vorig jaar verschenen, schrijft ze in navolging van McKee dat de gewoonte om tv-series via dvd-boxen, betaaltelevisie en online platformen in korte tijd in zijn geheel te kijken ertoe heeft geleid dat personages in diepgang en complexititeit niet meer onder doen voor literaire personage. Maar anders dan de schrijfdocent beweert ze dat dat tv-series daarom superieurs zijn. 'Waarom de beste literatuur op tv te zien is', luidt de ondertitel van haar pamflet.
Het hoeft niet te verbazen dat ze er niet in slaagt deze bewering hard te maken. Sterker nog, ze doet niet eens moeite om hem te onderbouwen. Ze presenteert de bewering als een hard feit. En iedere keer dat Uphoff in (op zich interessante) analyses van series als The Sopranos en Mad Men (die ik overigens respectievelijk helemaal niet en tot en met seizoen vijf heb gezien) naar literatuur verwijst, raak je er alleen maar meer van overtuigd dat de schrijfster onzin verkondigt.

1. Michael Kumpfmüller schreef een volgens Uphoff geslaagde roman over hetzelfde thema als een van de genoemde tv-series. Aha, denk je dan: literatuur kan dus nog steeds minstens zo goed als televisie zijn.
2. De verbeelding van vrouwelijke lust in tv-series vergelijkt Uphoff met deze verbeelding in Vijftig tinten grijs. Tja. Uiteraard zijn tv-series dan superieur. Dat is alsof je Ajax vergelijkt met de tafeltennisvereniging bij mij om de hoek en dan beweert: er wordt in Nederland beter gevoetbald dan gepingpongd. Ja, nogal wiedes.
3. Makers van tv-series hebben meer vrijheid dan literaire auteurs, beweert Uphoff. Bewijs: Hemmerechts kreeg kritiek dat zij zich, in De vrouw die de honden eten gaf, verplaatste in de seksualiteit van een andere vrouw en tv-makers krijgen zulke kritiek nooit. Maar wie kreeg Hemmerechts die kritiek dan? Ik kan me niet herinneren dat daar nu zo'n punt van wordt gemaakt.
4. Ook de bewering dat veel schrijvers schrikken dat er belangwekkende verhalen buiten de literatuur worden verteld, onderbouwt Uphoff niet. Wie schrikt er dan? Het is integendeel bon ton onder schrijvers om de lof te zingen van tv-series. Daarbij vertelt film al meer dan een eeuw lang belangwekkende verhalen. Concurrentie met verhalen-verteld-in-beelden is al heel gewoon. 

dinsdag 20 januari 2015

Is een boek een bestseller dankzij de kwaliteit?

Sociologie moet fabels kraken, vertelde hoogleraar Theoretische en Empirische Sociologie Frank van Tubergen maandag in NRC Handelsblad. Een van die fabels is dat iemands succes te danken is aan diens persoonlijke kwaliteiten – zoals het fenomenale succes van J.K. Rowling. Mensen zien sociale factoren over het hoofd – zoals geluk en positieve feedback.
Van Tubergen: 'Welke boeken verkopen goed? Veel mensen denken dat dit een kwestie is van kwaliteit, maar dat is echt een fabel. Neem het eerste boek van J.K. Rowling over Harry Potter. Dat is maar liefst twaalf keer door uitgevers afgewezen! De dertiende keer liet een redacteur het aan zijn dochtertje lezen en die riep: papa, ik vind het prachtig. Ok, dacht hij, laten we het een kans geven. Inmiddels zijn er in de wereld meer dan 400 miljoen exemplaren verkocht.'
Geluk dus. En positieve feedback: als meer mensen een boek lezen, gaan nóg meer mensen het lezen. 'Als jouw boek om wat voor redenen dan ook belandt bij de top-20, dan gaan andere mensen het ook lezen. De boekenmarkt is extreem scheef. Van 1 procent wordt alles verkocht, en de andere 99 procent moeten het met de kruimels doen.'
De vraag is: is dit wel een fabeltje? In ieder geval niet in het boekenvak. Iedere uitgever weet dat hij van een boek maar een bepaald aantal boeken moet zien te verkopen om een megabestseller te hebben. Voor de eerste tienduizend exemplaren (herinner ik me dat een uitgever ooit zei) moet je alle middelen inzetten die de marketing tot je beschikking heeft. Daarna loopt het min of meer vanzelf. Helaas lukt het maar zelden een boek over die grens te krijgen en is het volkomen onvoorspelbaar welk boek dat zal zijn.

Zie ook:
- de mond-tot-mondreclame maakte Jeff Kinney groot
- het megasucces van De Da Vinci code

zaterdag 2 augustus 2014

De incubatietijd van een literaire roman (BOEK)

Nederland trilde op zijn grondvesten in het begin van deze eeuw. Het duurde even voor de multiculturele clash een plek vond in de literatuur. Nu lijken immigratie, radicale islam en populistische politiek er niet meer uit weg te denken.

Wie denkt aan de jaren '00 schiet als eerste de aanslagen van elf september te binnen. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. De inval in Irak. Kortom: de bloedige dieptepunten in de strijd tussen het democratische westen en de fundamentalistische islam. Wie zich daarentegen literaire hoogtepunten van dit decennium voor de geest haalt, denkt aan Joe Speedboot van Tommy Wieringa of Knielen op een bed violen van Jan Siebelink. Twee romans, hoe goed geschreven ook, waarin de eigentijdse grote gebeurtenissen geen enkele rol spelen.
Het geloof, het platteland en het verlangen daaraan te ontsnappen, persoonlijk leed, de liefde – ook in dit decennium waren dat de dominante thema's in de Nederlandse literatuur. Denk ook aan Dorsvloer vol confetti van Franca Treur, Schaduwkind van P.F. Thomése of Komt een vrouw bij de dokter van Kluun. Ongeacht het literaire niveau waren het uiterst succesvolle boeken waarin de auteurs dicht bij hun eigen leven bleven en de actualiteit van de krant meden. En anders projecteerden zij hun verhaal wel op de geschiedenis. Zie: Een schitterend gebrek van Arthur Japin.
Gek eigenlijk. Heeft de Nederlandse auteur soms niets te melden over de ingrijpende verandering in de samenleving waarin hij leeft? Of hebben schrijvers meer tijd nodig om commentaar te leveren?

Er is één stukgelezen Nederlandstalige roman uit die tijd waarin de fundamentalistische islam de hoofdrol speelt: Het huis van de moskee van Kader Abdolah – in 2007, twee jaar na verschijnen, door het publiek verkozen tot beste Nederlandstalige roman aller tijden. Abdolah beschrijft daarin de lotgevallen van tapijthandelaar Aga Djan en zijn verwanten tegen de achtergrond van het Iran in de jaren zeventig en tachtig. Aanvankelijk moderniseert het land, maar de zedenloosheid die dat in de ogen van veel provincialen met zich meebrengt roept een felle tegenreactie op van de ayatollahs.
De personages in de roman vertegenwoordigen allemaal een ander standpunt in het maatschappelijk conflict van hun tijd, maar geen van hen is opgewassen tegen de simplistische rechtlijnigheid van de fundamentalisten en de nietsontziende terreur waarmee ze hun waarheid aan anderen opleggen. Abdolah heeft dan ook verklaard dat Het huis van de moskee laat zien hoe de radicale islam zich de macht toe-eigent en daarna die macht uitoefent. De roman was een waarschuwing aan zijn Westerse lezers om deze vorm van de islam te bestrijden.
Maar is Het huis van de moskee wel Nederlandstalige literatuur? Abdolah heeft de Iraanse woelingen aan den lijve ondervonden, tot hij in 1985 op 31-jarige leeftijd als linkse activist het land moest ontvluchten. In zijn literaire verwerking van zijn levensverhaal tot dat moment, kiest hij resoluut voor een Iraans standpunt: zijn alter ego Shahbal schrijft aan Aga Djan dat hij wel van schrijftaal is veranderd, maar dat hij 'uw pijn en de pijn van ons land' wil verwoorden. En anders niets. Het huis van de moskee had daarom net zo goed vertaalde literatuur kunnen zijn.

Joost Zwagerman klaagde in zijn Kellendonk-lezing van 2006 de zelfverkozen 'literaire quarantaine' van zijn collega's aan. Schrijvers sloten zich volgens hem doelbewust op in hun eigen ivoren toren, waar het dagelijks nieuws uit de krant geen vat zou krijgen op hun werk. Hij voerde een indertijd pas verschenen bloemlezing met werk van jonge auteurs aan als bewijs. In de begeleidende interviewtjes antwoordden ze op de vraag wat de moord op Van Gogh voor invloed zal hebben op hun werk: niets. Helemaal niets. En dat dat maar goed was ook.
Zwagerman telde in de drie jaar voorafgaand aan zijn lezing slechts vier romans waarin het veranderende Nederland een rol speelt. Romans van Robert Anker (Hajar en Daan), Nicolaas Matsier (Het achtenveertigste uur), Herman Franke (Wolfstonen) en Désanne van Brederode (Het opstaan). Nu zag hij een aantal romans over het hoofd – Vincent Bijlo (De woordvoerder) of Pieter Waterdrinker (Een Hollandse romance) bijvoorbeeld. Om nog te zwijgen van Het huis van de moskee en actuele thrillers van Tomas Ross, René Appel en Bert van der Veer. Maar hij had een punt.
Alleen niet de juiste verklaring. Zwagerman was, vier jaar na de moord op Fortuyn, te snel met zijn conclusies. Schrijvers zitten helemaal niet in hun ivoren toren. Nooit gedaan ook, een enkele uitzondering daargelaten. Zij laten wel degelijke de multiculturele samenleving en alle ophef waartoe de strijd daarover heeft geleid toe in hun werk. Ze reflecteren volop over de opvattingen en daden van zulke uiteenlopende figuren als Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali, Geert Wilders en Mohammed B. – en belangrijker: de manier Nederland daarop heeft gereageerd.
Schrijvers werken alleen niet zo snel als journalisten. Ze hebben romans onder handen, die eerst af moeten – om een praktische overweging te geven. En ze moeten het nieuws dat zij elke dag in de krant lezen eerst op zich in laten werken om een idee te krijgen van wat het betekent voor hun personages, hoe deze daarop dienen te reageren, en hoe dat van invloed is op de wereld waarin deze opereren. Het nieuws moet eerst gisten. En in sommige gevallen kan de incubatietijd lang duren voor onderliggende en blijvende trends van de actualiteit een plek in een roman kunnen krijgen.
Uit recent onderzoek van de Universiteit van Bristol, op grond van onderzoek naar wo-orden met een 'verdrietige lading' en woorden met een 'blije lading', bleek dat schrijvers ongeveer een decennium na een economische crisis hun zwartgalligste en treurigste boeken schreven. Maar zo is het altijd met maatschappelijke thema's geweest, hoe zeer die ook het leven van schrijvers en lezers overhoop hadden gegooid. In de literatuur in het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog speelde de bezetting en het verzet ook alleen bij een enkeling (W.F. Hermans) een belangrijke rol.

Wie nu in de boekhandel zoekt naar romans over immigratie uit niet-Westerse landen, populistische leiders of islamitisch geïnspireerde terroristische aanslagen, vindt ze in overvloed – ook al zijn het niet altijd boeken die over enkele decennia tot het collectieve geheugen behoren. In Leon deWinters VSV is te lezen hoe de politiek in de achterkamertjes potentiële aanslagen bestrijdt. In NellekeNoordervliets Snijpunt de cultuurbotsing tussen Westers humanisme en Marokkaans geweld. Of in Rob van Essens Visser hoe politiek extremisme zich kan verspreiden.
Enzovoorts, enzovoorts. Zelfs in romans die nauwelijks over multicultureel Nederland gaat, speelt de strijd daarover als motief een rol. Bijna alsof het een cliché is. Een voorbeeld is Euforie van Christiaan Weijts. De hoofdpersoon is een architect. Hij wordt voortgedreven door het winnen van een prijsvraag. Hij zoekt, als iedere kunstenaar, de euforie dat het maken van iets in alle opzichten unieks hem geeft. Maar waarom is die prijsvraag uitgeschreven? Omdat een terroristische aanslag een krater in Den Haag heeft geschapen, dat moet worden gevuld met nieuwbouw.
Dat het veranderende Nederland als thema juist na Zwagermans lezing tot bloei is gekomen, blijkt het beste uit de romans over immigratie. Hoewel gastarbeiders al sinds de jaren zestig Nederland binnenkwamen, zijn de beste romans over dit thema nog geen decennium geleden geschreven: De ontelbaren van Elvis Peeters, De wandelaar van Adriaan van Dis en La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer. Drie romans met aanzienlijke verschillen in stijl en toon, maar die gezamenlijk op een indringende en heldere manier alle aspecten van de immigratie centraal stellen.
Eerst laat de ondergangsfantasie De ontelbaren (2005) in een groteske uitvergroting de angst voor immigranten zien. Een vloed van honderdduizenden vreemdelingen ontwrichten de samenleving en de fundamentele humanistische waarden. Vervolgens doet De wandelaar (2007) een beroep op ons medelijden met immigranten die, misleid door idyllische dromen, in een nachtmerrie terecht zijn gekomen. Samen met Mulder, de hoofdpersoon, ontdekken we hun wereld. Tenslotte stelt La Superba (2013) de filosofische vragen. Wat is het verschil tussen een immigrant en een expat bijvoorbeeld?

De beste Nederlandstalige post 6 mei 2002-roman is evenwel minstens zo iconisch als de genoemde boeken van Siebelink, Wieringa of Treur. Tirza van Arnon Grunberg. Hoofdpersoon is Jörgen Hofmeester die – als symbool voor de beschaafde Westerse wereld – zich in alle opzichten in crisis bevindt. Hij is overbodig verklaard als redacteur van Oost-Europese fictie bij een uitgeverij. Dat hij wordt doorbetaald maakt de vernedering nog groter. Zijn vrouw wil bij hem terugkomen: om hem af te kraken. Hij is zijn geld kwijt na foute beleggingen. En jongste dochter Tirza gaat het huis uit.
Alles komt samen in Hofmeesters afkeer van Tirza's vriendje Choukri, met wie ze op wereldreis gaat vertrekken. In hem ziet hij Mohammed Atta terug, een van de kapers die de aanslagen van 9/11 beraamde. Hij is de bloeddorstige buitenstaander die hem bijna alles heeft afgepakt en nu is gekomen om hem de rest af te pakken. De terrorist die alles wat hem dierbaar is, komt verwoesten. Als hij ziet dat Choukri zijn dochter op brute wijze neukt, slaan dan ook alle stoppen door. Wraak op Choukri, wraak op de islam - dat is het enige wat Hofmeester nog ziet.
Grunberg maakt zo een subtiele verbinding tussen een persoonlijk drama en de grote verwarring in het Westen. Waarna hij laat zien tot welk fataal drama de verblinding bij Hofmeester én maatschappij kan leiden. Wie de jaren '00 wil begrijpen, herleest daarom het beste Tirza.
(Eerder verschenen in BOEK 2, 2014)

woensdag 16 juli 2014

De voorspellende gaven van Arie Storm

De hoofdpersoon van Luisteren hoe huizen ademen is gemodelleerd naar de auteur van deze roman: Arie Storm. Net als Storm is August Voois schrijver van een handvol romans, recensent in de krant, boekbespreker voor de radio en docent aan de universiteit. In de roman stopt Voois met de laatste twee activiteiten. Het leidt te veel af van wat hij werkelijk belangrijk vindt. In de werkelijkheid is Storm, ná publicatie van Luisteren hoe huizen ademen, ook gestopt met deze activiteiten – naar het schijnt alleen niet uit vrije wil, maar omdat hij eruit geknikkerd is. Bij de radiojuist vanwege het commentaar dat Voois heeft op het presentatieduo. Het is grappig dat Storm juist in deze roman blijk geeft van zulke voorspellende gaven: Luisteren hoe huizen ademen draait om de vraag hoe we ons moeten verhouden tot het verleden.

Meer Arie Storm:

vrijdag 7 maart 2014

De opschepper Jan Cremer op het wereldwijde web

De schelmenroman Ik, Jan Cremer was in 1964 en de jaren erna een bestseller, zeker. Maar hoeveel exemplaren er in een halve eeuw zijn verkocht? Op het omslag van de 40e druk uit 1980 stond: 350.000 exemplaren verkocht. Op het omslag van de 50e druk uit 2000: 550.000 exemplaren. En bij de jubileumeditie die vandaag verschijnt staat vermeld: 55e druk, 1.150.000 exemplaren verkocht.

Pardon!?

Dat zou betekenen dat de laatste vijf drukken gemiddeld elk 100.000 exemplaren groot was. Als de claim dus ook maar ergens op is gebaseerd, is hier wel heel creatief geboekhoud. Zelfs wanneer je de verkopen erbij optelt van deel twee (verschenen in 1966) en drie (2008) én de vertalingen, dan geloof ik het nog niet. Ik, Jan Cremer 3 stond zes jaar geleden slechts twee weken in de Bestseller 60.

Hoe groot de oplage is van de nieuwe jubileumeditie weet ik niet. Erg groot kan die niet zijn. Duizend exemplaren? Vijftienhonderd? Ik, Jan Cremer wordt immers toch alleen nog gelezen door een kleine groep met literair-historische interesse? Toen Pauw & Witteman dinsdag jl. over dit boek praatte, bleek dat bijna niemand in het publiek het had gelezen. 'Ze zijn ook zo jeugdig', zei Witteman.

Literair-historische interesse was in ieder geval mijn motivatie, toen ik het eind september 1994 las. Ik vond er weinig aan. Ik, Jan Cremer bevatte een vitalistische impuls, maar de inhoud schokte me niet en de stijl was oppervlakkig. De taal is misschien niet verouderd, dat is al heel wat. Maar twintig jaar geleden dacht ik al: dit ben ik snel weer vergeten. Dat is ook gebleken.

Zo lang Cremer nog leeft – en ik gun de pocher nog vele jaren in goede gezondheid – zal hij echter aandacht krijgen van de pers. Ik stuitte de afgelopen weken al op interviews in Humo, de Volkskrant, Haarlems Dagblad (ook elders overgenomen), Tubantia – afgenomen ter gelegenheid van het jubileum uiteraard. Na zijn dood zal het afgelopen zijn met Cremers naamsbekendheid.

En dat in weerwil van de mondiale roem waarover hij zich altijd laat voorstaan. Zelfs Fidel Castro las Ik, Jan Cremer, schept hij op in Haarlems Dagblad. ,,Hoe ik dat weet? Nou, via Mulisch, een rode rakker destijds. Die had een audiëntie bij Castro. En het eerste wat die zei toen die het woord Nederland hoorde. ’Holland? Cremer!’’ Mulisch kan het toch niet meer tegenspreken.

Het grappige is dat je die wereldwijde roem tegenwoordig makkelijk kan controleren. In hoeveel talen heeft Jan Cremer een pagina op Wikipedia? Drie: in het Nederlands, Duits en Italiaans. Ter vergelijking: Harry Mulisch heeft er 63 en Arnon Grunberg 12. In hoeveel talen is Cremers werk eigenlijk vertaald? Volgens de Literaire Vertalingen database van het Nederlands Letterenfonds: Engels, Duits, Japans, Spaans en Deens.

En google voor de grap is op 'Jan Cremer site:.es'. Je krijgt wel bijna 50.000 hits, maar de kwaliteit ervan is matig. In plaats van sites waar je iets over de auteur en zijn werk te weten kan komen, krijg je bij de eerste resulaten vermeldingen op de Spaanstalige versies van Lastfm en Ebay. Ga je naar pagina 10, dan heb je al alleen maar sites waar toevallig de woorden 'cremer' en 'jan in een andere context voorkomen.


Die wereldroem, die heeft de zelden nog gelezen Jan Cremer alleen in zijn eigen taalgebied.

donderdag 7 november 2013

Benno Barnards uitgever van 'Dagboek van een landjonker' laat zien waarom de roman zo veel toekomst heeft

Boeken die je tegelijk of vlak na elkaar leest, leggen soms wonderlijke onderlinge verbanden. Zo las ik Oek de Jongs essay over de toekomstvan de roman terwijl ik bezig was in het heerlijke Dagboek van een landjonker van Benno Barnard – elke dag hooguit dertig, veertig bladzijden, omdat ik me anders zou gaan storen aan steeds weer dezelfde deuntjes die hij op zijn orgel bespeelt.
Oek de Jong probeert vanuit verschillende invalshoeken de toekomst van de roman veilig te stellen. Uit Barnards boek dwarrelde het begeleidende persbericht van de uitgeverij dat een argument pro-roman opleverde waar De Jong in het geheel niet aan had gedacht. Want jawel, de uitgeverij presenteerde het dagboek als: een dagboekroman.
Hoe verzinnen ze het. Natuurlijk is Dagboek van een landjonker geen roman. Het is allesbehalve een roman. Maar het is tekenend voor de gretigheid waarmee uitgevers al hun producten als roman aan de consument wil verkopen. Bij de meeste verhalenbundels wordt ook verzwegen dat het geen roman is – of glashard gelogen dat het een roman-in-verhalen is.
En uitgevers doen dat natuurlijk omdat het publiek dat wil. Men leest liever een roman dan een verhalenbundel. Laat staan een dagboek.

Dat dacht ik allemaal toen ik in het dagboek las. Na afloop zag ik op de achterflap dat Barnard zélf het boek – met enig voorbehoud – een roman noemt. Maar onzin blijft het. De NUR-code 320 classificeert het boek ook gewoon als 'literaire non-fictie algemeen'.

Over Benno Barnard wel dit. Ik ben het lang niet altijd met zijn stellingname eens. Uit onwil om te nuanceren kiest hij radicale standpunten die de mijne niet zijn. Maar de hart en ziel waarmee hij zijn meningen uitvent, zijn hartverwarmend. Had ik maar zo’n passie. En dan zijn stijl. Wat staan er toch veel schitterende formuleringen in dit boek. Wat weet hij hetzelfde toch steeds weer volkomen nieuw en fris te verwoorden.

Ook al is Dagboek van een landjonker dan geen roman, léés dat boek.

Zie ook:

dinsdag 16 juli 2013

Bauke Mollema: een nieuwe kampioen van leesbevorderaars

Het maakt al niet meer uit op welke plek Bauke Mollema aanstaande zondag eindigt in de Tour de France. Zijn rijden tot nu toe, met een fraaie tweede plaats op een paar etappes van Parijs, heeft nu al zo veel losgemaakt dat zijn bekendheid immens is toegenomen. Daar moeten Stichting Lezen, CPNB, Bibliotheekorganisaties en al wie de leesbevordering is toegedaan van profiteren. Mollema leest: na een week Tour had hij al drie boeken uit. Daaronder de wielerroman-over-zo-veel-meer Mont Ventoux van Bert Wagendorp. Later las hij de nieuwe Baldacci. Aangezien er niet zo veel sporthelden zijn die bekendstaan om hun liefde voor het lezen, mag niemand deze kans voorbij laten gaan. Desnoods wordt Mollema voorzitter van de AKO- of Librisprijs? Dat is weer eens wat anders dan die politici die in vier van de vijf gevallen voor dit soort bijbaantjes worden gevraagd.