Posts tonen met het label bibliotheekblad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bibliotheekblad. Alle posts tonen

dinsdag 2 februari 2021

Interview: Judith Koelemeijer over Nederland Leest & de openbare bibliotheek (Bibliotheekblad)

Het is uiteraard 'ontzettend leuk' en 'een grote eer' dat Het zwijgen van Maria Zachea centraal staat tijdens Nederland Leest 2020. Maar een beetje verrast was 
Judith Koelemeijer wel. In die campagne is toch een boek uit de literatuurgeschiedenis aanleiding voor gesprekken en debatten in de bibliotheek? Zelf had ze op die manier ooit De grote zaal van Jacoba van Velde uit 1953 ontdekt. 'Ik had nooit gedacht dat mijn boek al als een klassieker zou worden gezien.'
Negentien jaar oud is de familiegeschiedenis inmiddels. Koelemeijer (1967) geeft daarin het woord aan twaalf broers en zussen die gezamenlijk jarenlang hun moeder verzorgen nadat deze een hersenbloeding heeft gehad. Een voor een vertellen ze over hun gezamenlijke jeugd, de relatie met hun ouders, de relatie met elkaar – en dat tegen de achtergrond van een snel veranderend Nederland in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Hoe dicht ze ook op elkaar woonden, ze blijken allemaal andere herinneringen te hebben.

Het zwijgen van Maria Zachea was destijds een waanzinnig succes. Het bleef tot twee jaar na verschijnen een van de best verkochte boeken van Nederland en wordt nog altijd bijna jaarlijks herdrukt. Het won in 2002 de NS Publieksprijs. En Koelemeijer trad avond aan avond op voor volle zalen – óók in bibliotheken. Haar Zaanse familie, op wiens verhalen het boek was gebaseerd, deelde in de immense belangstelling. Een keer lieten ze zich gezamenlijk interviewen op televisie.

'We hadden dat nooit verwacht', herinnert Koelemeijer zich. 'Het was mijn eerste boek, waarvoor ik mijn baan bij de Volkskrant had opgezegd. Het verscheen bij een kleine uitgeverij. De term "literaire non-fictie" was nog niet in zwang. Het voelde daarom als een gok: een waargebeurd verhaal, zonder groot drama, maar opgeschreven als een roman. Zou dat werken? Voor de zekerheid was werd op het omslag duidelijk aangekondigd wat voor boek dit was: "een ware familiegeschiedenis".'

 

Zelf heeft de schrijfster haar debuut nooit herlezen. Af en toe een stukje voorlezen, verder ging het niet. Alleen toen Hanneke Groenteman het luisterboek had ingesproken, alweer jaren geleden, heeft ze het integraal beluisterd. 'Dat deed ze zo goed, dat ik vergat dat ik het zelf had geschreven.' Ook voor Nederland Leest is niet van plan het te herlezen. Waarom zou ze? Ze heeft destijds zo intens gewerkt aan het schrijven en herschrijven, steeds weer een nieuwe versie, dat de inhoud in haar geheugen is gegrift.

Koelemeijer snapte daarom ook zonder opfriscursus onmiddellijk dat Het zwijgen van Maria Zachea goed past bij het thema van Nederland Leest: 'kleine geschiedenis, grote verhalen'. De geschiedenis van één familie staat symbool voor het verhaal van Nederland in die jaren. 'Dat bleek al gauw toen het boek succes kreeg. Zo veel mensen herkenden zich in dit verhaal', vertelt ze. 'Zij kwamen ook uit grote gezinnen. Hadden ook de veranderingen meegemaakt. Hadden hetzelfde onvermogen ervaren om het verleden te bespreken.'

Niet alleen tijdens lezingen bleek die weerklank, ze kreeg ook 'ongelooflijk veel' post. Enkele lezersreactie, die eerder al in de jubileumeditie ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het boek waren opgenomen, zijn ook opgenomen in de Nederland Leest-editie. 'Ik hoop dat ik alle brieven – e-mail was nog niet zo gewoon, zeker niet bij oudere mensen – persoonlijk heb beantwoord, maar ik weet niet of dat altijd is gelukt. Het was zo'n hectische tijd.'

 

De brieven waren vaak bijzonder openhartig en ook ontroerend, schrijft Koelemeijer in het nawoord bij de campagne-editie. Kennelijk maakte mijn boek een stroom van herinneringen los; zowel gelukkige als pijnlijke. Vooral het onderlinge zwijgen bleek een thema waarmee velen zich konden verbinden. Hard werken en niet zeuren; de mentaliteit van de wederopbouwjaren. Ik hoorde vaak dat mijn boek werd doorgegeven in families en dan op verjaardagen veel discussie losmaakte. Hoe zat dat nou, vroeger, bij henzelf thuis?

 

Zou dat bij de heruitgave in een oplage van 216.000 exemplaren (exclusief de grootletter-editie van 7.500 exemplaren) weer gebeuren? De mensen die opgroeiden in grote gezinnen, worden ouder. Ook Jo, Toos, Maarten en alle broers en zussen, die allemaal nog leven, zijn nu tussen de 67 en 86 jaar. De herkenbaarheid neemt daarmee snel af. Maar Koelemeijer koestert het verlangen dat een nieuwe generatie nieuwsgierig is naar de jeugd van hun grootouders. Zoals in haar eigen familie de jongste generatie, die Maria Zachea nooit heeft gekend, ook naar het boek grijpt.

'Ik hoop juist dat Nederland Leest ervoor kan zorgen dat het boek een nieuw publiek vindt. Een publiek dat toen nog niet zo bezig was met zijn eigen familiegeschiedenis.'

 

Een andere verklaring voor het succes begin deze eeuw is de literaire kwaliteit. Het zwijgen van Maria Zachea is allesbehalve een dorre opsomming van levensfeiten. Het zijn twaalf ontmoetingen met mensen van vlees en bloed, waardoorheen Koelemeijer subtiel de veranderingen laat zien – in de maatschappij, maar ook in het gezin die daardoor wordt meegesleurd. Gezamenlijk vertellen ze het verhaal van de ziekte van hun zwijgende moeder, waarvoor ze allemaal andere verklaringen hebben. Dat schept een zekere suspense.

De schrijfster aarzelt om dat te beamen. Zoiets zeg je niet over je eigen boek. Maar ze weet nog wel hoe ze tot de opzet kwam: dankzij haar man, de filmmaker Vuk Janic. 'Ik dacht eerst nog als een journalist: dat worden twaalf interviews. Hij dacht meteen aan een dramatische structuur: op de eerste pagina wordt moeder ziek, op de laatste gaat ze dood en tussendoor laat je zien hoe iedereen daar anders op reageert.'

Knap is ook de subtiele dosering van informatie. Wat de ene broer of zus aanstipt, wordt verderop een verhaal. En andersom. Zo worden de uiteenlopende levensverhalen van al die verschillende karakters tot een hecht geheel gesmeed. 'Mijn man wees me er ook op dat je niet meteen alle informatie moet prijsgeven. De ouderen in het gezin tippen vaak iets aan, wat pas later, bij de jongeren, wordt opgehelderd.'

 

Koelemeijers ooms en tantes waren twee decennia geleden blij met het boek. Het was spannend om mee te doen aan het project. Wat gaven ze niet prijs aan de openbaarheid? Wat zouden hun broers en zussen zeggen over wat toch ook hun jeugd was? Van tevoren kregen ze alleen hun eigen hoofdstuk te lezen, pas na publicatie lazen ze het hele boek. Mede door de respectvolle manier waarop ze iedereen behandelde, zorgde dat voor veel onderling begrip. Dus zo keek jij ertegenaan! Maar dacht jij er zo over!

Het succes konden ze natuurlijk evenmin voorspellen. 'Er waren op dat moment ook nog niet zo veel van dit soort boeken: oer-Hollandse familiegeschiedenissen bezien door de ogen van de familieleden zelf', zegt Koelemeijer. 'Daarna zijn er veel meer verschenen. Het zwijgen van Maria Zachea heeft een trend gezet. Mijn ooms en tantes dachten daarom helemaal niet aan een publiek. Een aantal vond het onmiddellijk leuk om mee te doen, anderen deden daarna mee om niet achter te blijven. Maar dat het iets bijzonders zou zijn? Geen idee.'

Wel heeft het succes bijgedragen aan hun trots op het boek. 'Tot mijn grote geluk kreeg het boek veel positieve respons. Wat zou er zijn gebeurd als de recensies vernietigend waren geweest? Dan hadden ze zich er ver van gehouden. Nu wilden ze er graag over praten. Eerst met mensen uit hun omgeving, die verrast vertelden dat het bij hun ook zo was. En al snel met heel Nederland. Ze waren bij een prijsuitreiking. Ze lieten zich een keer fêteren door de uitgeefster, die een boottocht met een lunch voor ze had georganiseerd.'

Of het boek het gezin dichter bij elkaar heeft gebracht, kan Koelemeijer twintig jaar later moeilijk zeggen. Het was al een hecht gezin zonder dat ze onafgebroken bij elkaar de deur platliepen. Dat heeft het boek niet veranderd. Na de dood van hun moeder is de band was losser geworden, maar als er iets bijzonders gebeurt – zoals de dood van Koelemeijers eigen moeder vorig jaar – merkt ze direct dat die speciale band er nog is. De vertrouwde manier van met elkaar omgaan, de eigen taal die is gegroeid uit decennia met elkaar praten.

 

Een van de redenen waarom Koelemeijer graag meewerkt aan Nederland Leest is de plek waar de actie zich afspeelt: de openbare bibliotheken. Fijne plekken, vindt ze dat. 'Er is een enorme verscheidenheid aan bibliotheken: van kleine jaren zeventig-dorpsbibliotheekjes die nodig moeten worden verbouwd, tot luxe gebouwen die grote cultuurcentra zijn geworden zoals in Almere of Gouda. Maar het is altijd prettig, door de toewijding die je er voelt.'

Door haar lezingen heeft ze veel bibliotheken van binnen gezien. 'Op zo'n avond doen bibliotheken ontzettend hun best om alles goed klaar te zetten, je het naar de zin te maken, dat er veel publiek bij is. Daar komt een hoop liefdewerk bij kijken. Niet dat ik daarmee een voorkeur heb voor bibliotheken boven boekhandels. Ook daar doen ze hun best. En vaak zijn boekhandels aanwezig bij lezingen in de bibliotheek. Dat vind ik geweldig: dat mijn boeken tenminste ook te koop zijn.'

Vanaf haar vroege jeugd in Wormer was ze lid van de bibliotheek. 'De bibliobus kwam daar een keer per week – op het plein bij de brandweer. Ik nam altijd vijf boeken mee, meer mocht niet. Toen ik groot genoeg was, mocht ik op de fiets zelf naar Wormerveer. Daar was wel een echte bibliotheek en stond dus veel meer. Maar ook daar was ik op een gegeven moment klaar met de jeugdbibliotheek en ben ik illegaal overgestoken naar de volwassencollectie. Niemand zei daar ooit iets van.' [Nu is het andersom: Wormer heeft wel een filiaal, Wormerveer niet; md]

Haar kinderen probeert Koelemijer nu dezelfde ervaring te geven. Zodra ze kinderen kreeg, maakte ze hen lid in Amsterdam – waar ze nu woont. In het filiaal-Linneaus. 'De jongste is acht. Ik moedig hen enorm aan er gebruik van te maken. Maar zelf ben ik geen lid meer. Ik heb hier al stapels liggen, en koop veel boeken via Boekwinkeltjes.nl die ik voor mijn werk nodig heb. Vaak voor langere tijd, dus dan is het prettig ze te bezitten.'

 

In de jaren tussen de bibliobus van Wormer en de OBA-Linneaus is er veel veranderd. Dat ziet Koelemijer ook wel. 'De essentie is hetzelfde, maar bibliotheken zijn meer servicegericht, leggen sterker de nadruk op activiteiten, hebben een grotere sociale functie. Vroeger zag je nooit iemand koffie drinken en een krantje lezen in de bibliotheek. Waren er ook geen activiteiten als voorlezen voor kinderen, terwijl sommige bibliotheken nu eigen theaters hebben.'

Ze juicht dat toe. 'Ik ben bang dat als bibliotheken zich niet zouden hebben verbreed, ze het niet hadden gered. Er wordt nu eenmaal minder gelezen, terwijl het ontzettend belangrijk blijft om kinderen aan het lezen te krijgen. Bibliotheken moeten creatiever zijn om hen daartoe te bewegen, en tegelijk moeten ze blijven investeren in de collectie. Volgens mij gebeurt dat ook. Het aanbod is niet minder dan vroeger. We moeten niet doen alsof de kasten vroeger uitpuilden. Ik had niet voor niets al snel de hele bibliobus uitgelezen.'

In november zal ze opnieuw veel bibliotheken bezoeken. Ze onderbreekt er met plezier haar werk aan de biografie van Etty Hillesum voor. En of het er ook van komt? 'Met allerlei aanpassingen is er weer veel mogelijk', zegt ze anderhalve maand voor aanvang van Nederland Leest. 'Ik word er niet zoals Annejet van der Zijl in de Boekenweek door overvallen. Maar niemand weet hoe het er dan voorstaat.' Maar of de campagne in het water valt of niet, de grote eer heeft ze binnen.

(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad, okt 2020)

zondag 3 januari 2021

Interview Johan Fretz over 3PAK, het schrijverschap en bibliotheken (Bibliotheekblad)

Vorig jaar brak Johan Fretz met Onder de paramariboom door naar een groter publiek. Dit jaar is hij een van de auteurs van 3PAK, het geschenk voor de Boekenweek voor Jongeren. Een gesprek over zijn schrijverschap, leesbevordering en de openbare bibliotheek.

Als het aan hem lag, was Johan Fretz al op zijn dertiende gedebuteerd als schrijver. 'Toen had ik mijn eerste boek af. Dieper duiken dan de duisternis, over twee hackende pubers. Ik dacht heel naïef: het is klaar, nu wordt het uitgegeven,' vertelt hij in zijn Amsterdamse woonkamer, vlak voor hij de stad verruilt voor Haarlem. Hij gaf het manuscript aan Wim Daniëls, die – toen vooral bekend als jeugdboekenschrijver – was uitgenodigd op zijn middelbare school in Almere. 'Superbrutaal. Maar hij heeft het wel gelezen.'
Een paar weken later kreeg hij een reactie. 'Ik had talent, schreef hij me, maar dit zou niet worden uitgegeven. Het was nog niet rijp genoeg. Daar moest ik niet verdrietig over zijn. Ik was pas dertien, dus ik moest vooral doorgaan en dan kwam het vanzelf. Hij stuurde een boek mee over taal dat hij had geschreven. Heel aardig van hem.'
Uiteindelijk duurde het tot 2012 voor het eerste boek uitkwam van de inmiddels 34-jarige Fretz. Toen verscheen Fretz 2025, waarin de naar de auteur vernoemde hoofdpersoon op het punt staat minister-president van Nederland te worden en hij terugblikt op de weg daarnaartoe. In 2018 volgde Onder de paramariboom. In deze roman reist een 'dubbelbloed', zoals de half-Nederlandse, half-Surinaamse Fretz er zelf een is, voor het eerst naar het land van zijn moeder en zo beter grip krijgt op zijn identiteit.
Lang was hij zelfs niet eens in de eerste plaats schrijver. Na zijn studie aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunst Academie, afgerond in 2010, maakte hij jarenlang avondvullende voorstellingen met Marcel Harteveld. Dat had het effect dat hij als schrijver werd gezien als 'de cabaretier die ook schrijft' en als cabaretier als 'de schrijver die ook op het podium staat.' Het deed ook hemzelf twijfelen. Tien jaar lang deed hij zeer uiteenlopende dingen. Maar wat ben ik eigenlijk? Wat wil ik precies?

Onder de paramariboom veranderde alles. Aanvankelijk was de respons beperkt. Grotendeels genegeerd in de pers, matige verkoop. Maar Fretz was zelf erg blij met het boek. Dit was het verhaal dat hij wilde vertellen. En de mensen die de roman wel lazen, werden er echt door geraakt, bleek hem uit reacties. 'Vaak van mensen die zelf dubbelbloed zijn. De mensen uit mijn eigen linksige, elitaire bubbel begrepen juist niet dat onder lichtvoetigheid een serieus verhaal over identiteit schuil gaat – een thema dat nog steeds zeer actueel is.'
En toen kreeg hij, begin vorig jaar, voor de roman de Nederlandse Boekhandelsprijs. De verkoop schoot de lucht in: naar bijna 17.000 verkochte exemplaren. Hij werd overal uitgenodigd. En de filmrechten zijn verkocht. 'Soms vertelt het leven zelf je wel welke kant je op moet. Wat ik schrijf, lijkt steeds meer vanzelf zijn publiek te vinden. Terwijl mijn shows eigenlijk al jaren niet echt lekker liepen. Cabaret wordt gezien als "lachen, gieren, brullen", terwijl het niet is wat ik wil maken. Voor mij is de humor meer de bonus bij het verhaal dat ik op het podium wil vertellen.'
Hij heeft zichzelf daarom geherdefinieerd als 'toriman': iemand die 'tori's' wil vertellen, een begrip uit de Surinaamse cultuur dat verwijst naar verhalen die worden verteld bij het kampvuur. Verhalen die zijn gestoeld op de werkelijkheid, maar tot leven zijn gewekt met de verbeelding. 'De basis is voor mij nu het schrijven, maar in wezen doet het er niet toe in welke vorm je een verhaal vertelt. Het kan ook een podcast, film, theatervoorstelling of column worden.'

Door zijn eigen ervaring met Wim Daniëls weet Fretz hoe belangrijk het is als jongeren in aanraking komen met schrijvers. Hij zegde daarom direct toe toen hij door de CPNB werd gevraagd om een bijdrage te leveren aan 3PAK van dit jaar, het geschenk van de Boekenweek voor Jongeren. 'Zo breng je jongeren in aanraking met literatuur. Je laat zien dat schrijver zijn ook een optie is als beroepskeuze. Maar ook heel simpel: hoe tof het is om je onder te dompelen in literatuur. Dat kan hele werelden voor je openen.'
Daarbij, merkt hij terecht op, 'leent mijn werk zich wel voor een jong leespubliek. Het is beweeglijk en filmisch en er zit humor in. Het heeft een bepaalde lichtheid die verleidelijk werkt voor jongere mensen, die vaak het idee hebben dat literatuur alleen maar zwaar is. Tegelijk snij ik wel degelijk serieuze thema's aan. Dat komt bij jongeren ook meer binnen. Sowieso komen veel dingen bij jongeren veel directer en puurder binnen. Hun openheid maakt ze eigenlijk het eerlijkste publiek.'
Ook zijn verhaal Naar Mancora – ondertitel: 'een tori voor 3PAK' – getuigt van deze toon. Fretz geeft het woord aan de 21-jarige Benjamin die voor het eerst in zijn leven door Zuid-Amerika backpackt. 'Of backpacken nog steeds een dingetje is voor jongeren, weet ik eigenlijk niet. Maar mij sprak reizen op die leeftijd enorm aan. Het prikkelde mijn verbeelding. Op reis, dacht ik, kan ik lol beleven, nieuwe dingen zien, maar vooral de ultieme versie van mezelf zijn. Om dan natuurlijk te ontdekken dat die niet bestaat.'

Fretz' inzet voor de Boekenweek van Jongeren wil niet zeggen dat hij zich zorgen maakt over de ontlezing. 'En dan zeker jongeren voorhouden dat lezen goed voor je is? Ik heb niet zo'n affiniteit met die redenering. Jongeren die lezen toch al zien als "iets wat moet" – zelfs, destijds, door mij, die de hele tijd met schrijven en boeken bezig was – overtuig je daar ook niet mee. En het is onoprecht. Je wordt al gauw verdacht van dezelfde commerciële motieven als wanneer een slager zich zorgen zegt te maken over de ontvlezing.'
Voor hem is het veel simpeler: 'Lezen is gewoon te gek. Alleen niet voor iedereen. Sommigen hebben nu eenmaal meer met andere vormen van kunst. Prima. Het is alleen zonde als het wél iets voor je is, maar je wordt nooit gewezen op het bestaan ervan. Daarom moet je literatuur alleen maar aanbieden en verder niets. Dat is zo aardig aan het idee achter 3PAK. Je vraagt een paar relatieve jonge auteurs om een verhaal te schrijven. Dat laat je ze lezen. En dan komen ze ook nog langs om erover te vertellen.'
Zelf bewaart hij goede herinneringen aan die ontmoetingen. 'Ik vertel vaak over de weg die ik zelf heb afgelegd. Na Fretz 2025 kwam ik veel op tv. Totdat ik er heel ongelukkig van werd, omdat het niet langer over mijn werk ging, en ik er rigoureus mee stopte. Dat spreekt tot de verbeelding van jongeren, merk ik. Ze leven in een tijd waarin succes – het aantal volgers! – allesbepalend lijkt te zijn voor wie je bent. En ik vertel dat het helemaal geen vervulling geeft om op tv te komen. Dat alleen doen wat je echt wil, je je vervulling geeft.'

Het is tegen deze achtergrond niet verrassend dat Fretz op dezelfde nuchtere toon praat over de openbare bibliotheken van zijn jeugd. Ze waren de plek waar hij vond wat hij toevallig zocht. Niets meer, niets midner. 'Ik hield van lezen en daar had je boeken. Kopen was geen optie, wij hadden niet veel geld thuis. Je kon er ook tips krijgen: probeer dit eens, lees dat is. Het is natuurlijk een briljant concept: dat je alle boeken die uitkomen gewoon kunt lenen. Maar op je tiende of elfde ben je daar niet bewust van.'
Tot zijn tiende kwam hij in de bibliotheek van Dordrecht, daarna die van Almere. 'Het waren allebei fijne plekken. Als een soort huiskamers. Ik kwam er graag en veel. Niet alleen om te lenen, ook om te bladeren en een tijdje om te typen. Ik had een typdiploma gehaald, maar wij hadden geen computer thuis. De bibliotheek wel. Zat ik daar te typen terwijl op de computer alleen maar een catalogus had.'
Die tijd hield na zijn jeugd op. Sinds hij is verhuisd is hij nooit meer lid geweest. 'Ik kwam er nog wel om te werken. De Pintobibliotheek, de OBA op het Oosterdokseiland. Het was lekker om tussen de boeken achter je laptop te zitten. Maar dat hield na enige tijd ook op. Ik kom er nu alleen nog om op te treden. Het zijn vaak leuke plekken, zeker als ik na sluitingstijd of in een afgesloten ruimte kan optreden. En meestal wordt je hartelijk ontvangen en is het goed georganiseerd. En er komen opvallend veel mensen op af.'
Fretz vermoedt dat de jeugd nu niet meer op dezelfde intensieve manier gebruik maakt als hij destijds. 'Ik ben van de laatste generatie die zich nog kapot verveelde. Niets te doen, niets op tv – en dan ging je naar de bibliotheek om prikkels te vinden. Nu hoef je niet meer van je luie reet op te staan om prikkels te krijgen. Gelukkig zijn bibliotheken heel veel meer gaan doen. Sommige zijn echt cultuurcentra. Onderschat niet dat nog steeds veel mensen weinig geld hebben en daarom geen boeken kunnen kopen. Dan is een bibliotheek voor hen nog steeds een uitkomt om echt te kunnen lezen. Toch zal de bibliotheek minder populair worden dan hij was.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

zie ook:

vrijdag 31 juli 2020

Interview Wim Daniëls over 'Quarantaine' en bibliotheken (Bibliotheekblad)

Lid van de bibliotheek is Wim Daniëls niet meer. Maar zijn oeuvre is tot zijn genoegen goed vertegenwoordigd in de collecties. Zijn nieuwste boek zal daarin zeker breed worden opgenomen. Quarantaine is de eerste coronaroman van de Nederlandse literatuur. 'Het is een liefdesverhaal, met corona als decor.'

Een halve eeuw was Wim Daniëls lid van de bibliotheek. Was, nu niet meer. Een 'dramatisch verhaal', noemt hij het zelf. 'Ik kwam om half zes 's middags bij de Witte Dame hier in Eindhoven. Bleken de luiken al dicht. In de vijfde stad van Nederland! Ik was zo boos dat je hier niet tot tien uur 's avonds in een bibliotheek terecht kunt, dat ik gelijk mijn lidmaatschap heb opgezegd. Directeur Albert Kivits heeft daarna contact met me opgenomen. Dit was toch niet nodig, vond hij.'
Hij heeft veel te danken aan bibliotheken. Sterker: zonder de bibliotheek zou de jongen uit Aarle-Rixtel nooit schrijver zijn geworden. 'Wij hadden thuis geen boeken. Een dorp van die omvang had ook geen bibliotheek. Bibliobussen bestonden nog niet in de jaren zestig. En op de lagere school werd amper tijd gemaakt om een boek te lezen. Pas op de middelbare school in Helmond ontdekte ik dankzij een docent Nederlands wat lezen voor mij kon betekenen. Toen werd de bibliotheek de grote schatkamer.'
Jarenlang was de inmiddels 65-jarige Daniëls een 'zeer zware bibliotheekloper'. Eerst in Helmond, waar hij stilzwijgend in de gelegenheid werd gesteld om meer boeken te lenen dan maximaal was toegestaan. Tijdens zijn opleiding voor leraar Nederlands en Duits volgde de universiteitsbibliotheek in Tilburg, daarna de openbare bibliotheken in zijn achtereenvolgende woonplaatsen. 'Je had vroeger mensen die je altijd tegenkwam, op welk uur je ook kwam. Mensen die er soms de hele dag zaten. Ik was er daar een van.'

En de band met de bibliotheek dan toch om zo'n akkefietje doorknippen? 'Het is zonde', geeft de auteur toe. 'Ook niet terecht. Maar ik was zó teleurgesteld. Bibliotheken zijn de afgelopen jaren enorm van functie veranderd, zoals Albert Kivits me ook uitvoerig heeft uitgelegd. Ik heb het daar moeilijk mee gehad. Het heeft me tijd gekost om dat te accepteren en te snappen. Dat de bibliotheek Eindhoven door enorme bezuinigingen was gedwongen de openingstijden aan te passen, was op dat moment de druppel.'
Hij herinnert zich nog de tijd dat je voor een boek uit, zeg, 1753 gewoon naar de openbare bibliotheek kon gaan. 'In mijn stad hadden ze vroeger een prachtige oude collectie. Daar kon het boek zomaar tussen staan, verkregen via een erfenis of zo. Nu zijn die boeken opgeruimd of gestald in het archief. De collectie is kleiner geworden. En wat er staat, is nieuwer. Als ik voor een nieuw boek informatie zoek, heeft het geen zin meer om naar de bibliotheek te gaan. Online is het ook vaak makkelijker te vinden.'
Hij behoort voor zijn gevoel daarom niet langer tot de primaire doelgroep. Maar hij begrijpt inmiddels ook dat bibliotheken net zo relevant zijn als vroeger, onderstreept Daniëls. Alleen: op een andere manier dan uitsluitend met boeken. 'Als je bedenkt wat een bibliotheek tegenwoordig doet. Er is een breed cultureel programma, waarvoor ook schrijvers worden uitgenodigd. Er zijn taalhuizen. Er zijn allerhande cursussen. Velen kunnen er terecht om er te komen studeren. Dat is zonder meer indrukwekkend.'

Ondanks het opzeggen is Daniëls' relatie met de openbare bibliotheek nooit helemaal verbroken. Daniëls treedt er regelmatig op, waardoor hij de schitterend verbouwde panden in Den Helder of Tilburg heeft kunnen bewonderen. En zijn eigen boeken – kinderboeken, taalboeken en andere non-fictie – zijn goed in de collectie vertegenwoordigd. Van de 117 die er sinds zijn debuut in 1986 van zijn hand zijn verschenen, zitten er vaak tientallen in de collectie. Toch goed voor een paar duizend euro leengeld per jaar.
Dit voorjaar verschenen vlak na elkaar boek 116 en 117: Quarantaine en De zomer van 1945. Vooral de eerste is opvallend. Het is, binnen een halfjaar na de uitbraak, de eerste coronaroman van de Nederlandse literatuur. Het luchtige en opgeruimde Quarantaine vertelt het verhaal van Karel en Julia, die allebei op een Franse camping hun proefschrift hopen te voltooien – de eerste over de kunstmatige baarmoeder, de tweede over de komma. Als ze besmet raken door het coronavirus, heeft dat onvermoede gevolgen.
De roman begon als een grap, vlak nadat het kabinet de eerste beperkende maatregelen had afgekondigd. 'We zaten met zijn vieren aan tafel. Badinerend werd tegen mij gezegd: je mag met maximaal drie bij elkaar zitten, dus het is maar het beste dat jij naar boven gaat om een roman te schrijven. Ik had er immers tijd voor. Die dag van de eerste persconferentie was ik door de ene na de andere organisatie opgebeld om mijn optreden af te zeggen, 43 keer in totaal. Ik had een compleet lege agenda.'
Maar Daniëls was wel gelijk gegrepen door het idee. Vooral omdat hij direct een situatie voor zich zag: de camping in Frankrijk waar hij iedere zomer een schrijfcursus geeft. En een zin hem intrigeerde die hij daar ooit had gehoord. 'Het ene idee vloeide daarna voort uit het andere. Na een week wist ik dat het iets ging worden en heb ik mijn uitgever benaderd. Die was enthousiast. Terwijl ik verder werkte, 1500 woorden per dag, zorgde hij ervoor dat het zo snel mogelijk kon verschijnen. Dat is helemaal niet vanzelfsprekend in de boekenwereld.'

Het was nooit Daniëls' expliciete bedoeling om de primeur te hebben. De eerste Nederlandse coronaroman, dat is hooguit een leuke bijkomstigheid. Het enige wat hij wilde was, toen hij toch de tijd had, iets schrijven over corona. 'Dat komt door de enorme heftigheid wat er gebeurde. Als ik zoiets groots meemaakt, wil ik daar gewoon bij zijn. Toen de Muur op punt van vallen stond, pakte ik ook meteen de trein naar Berlijn. En omdat ik schrijver ben, is dat de meest voor de hand liggende manier om erbij te kunnen zijn.'
Een taalboek of non-fictieboek over Covid-19 was geen optie. Het eerste kan nog niet worden gemaakt, omdat er dagelijks nieuwe coronawoorden opduiken. Bovendien is de hoofdredacteur van de Dikke Van Dale daar al mee bezig. Het tweede is al helemaal ondoenlijk. 'Ik ben ooit benaderd door een longarts die een soortgelijk boek met mij wilde maken als ik in 2017 schreef met een gynaecoloog: De baarmoeder. Moest ik hem nu bellen? Longartsen weten nog helemaal niet wat voor ziekte het precies is.'
En dus kon het alleen maar een roman worden – voor volwassen, ook al had Daniëls dat nooit eerder gedaan. 'Ik heb wel fictie geschreven: voor jongeren. Daarmee ben ik in de jaren tachtig begonnen. In die tijd ben ik zo'n beetje op alle scholen van Nederland geweest. Ik vertelde zo vaak hetzelfde verhaal dat ik een beetje een hekel aan mezelf kreeg. Ik had het op een gegeven moment te vaak gedaan. Ik wilde daar ook nu niet naar terug. Al blijft het wel mijn intentie om voor een brede doelgroep te schrijven.'

Eind april was Quarantaine af. Half mei kwam het in de winkel. De coronacrisis was nog in volle gang. Zou Daniëls' roman te snel gedateerd aanvoelen? 'Ik heb met dat risico rekening gehouden', zegt hij. 'Het boek is nadrukkelijk een liefdesverhaal, met corona als decor. Al te tijd gebonden details mocht ik daarom weglaten, terwijl ik tegelijk een aantal thema's kon aansnijden – zoals de leeftijdsdiscussie: heb je op hoge leeftijd nog recht op een plek op de ic? Of de vergelijking met de ernstige griepgolven, waar niemand over praat.'
Het valt daarbij op dat Daniëls een relativerende toon aanslaat. Zijn we in Nederland niet een beetje te veel in paniek geraakt? Is niet overdreven om een anderhalvemetersamenleving op te tuigen? Maar de auteur verzekert dat hij daarmee niet zijn eigen opinie geeft. 'Ik schrijf die mening toe aan Gijs, een bevriende longarts van Karel. Hij is een mooi figuur om die kant van de discussie in het boek te krijgen, maar Gijs geeft ook toe dat hij het uiteindelijk niet weet. En hij zet zich in het ziekenhuis volledig in als hem dat wordt gevraagd.'
Wel waagt Daniëls zich aan een voorspelling: in de zomer van 2021 is het allemaal voorbij. 'Ik denk dat dat ver genoeg in de toekomst ligt om dat nu te durven beweren', reageert hij. 'Ik schrijf ook niet voor de eeuwigheid. Ik denk echt niet dat ik in het najaar van 2021 nog 50.000 exemplaren van Quarantaine verkoop. Ik ben allang blij dat na de eerste druk van 5.000 exemplaren al snel een tweede druk werd gemaakt. Er zijn zó veel boeken die soms niet eens de boekhandel of de bibliotheek halen.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

woensdag 6 mei 2020

Paolo Giordano, 'In tijden van besmetting' (Bibliotheekblad)

De Italiaanse bestsellerauteur Paolo Giordano komt als eerste met een boek over het coronavirus. Te snel? In tijden van besmetting is een tijdloze oproep aan de mens om voorzichtig om te gaan met de planeet waarop hij woont.

Het tijdperk van besmetting is al decennia geleden begonnen

Als er een beroepsgroep gewend is om in afzondering te werken, zijn het wel schrijvers. Zij zullen zich wellicht het makkelijkst kunnen aanpassen aan de verplichte quarantaine waarin regeringen wereldwijd hun bevolking toe verplichten. Bovendien roept het coronavirus zo veel emoties op dat veel schrijvers het gevoel zullen hebben dat zij een panklaar onderwerp krijgen aangereikt.
Of zoals de Italiaanse romancier Paolo Giordano noteert: 'Ik heb besloten deze [onverwachte] leegte [in mijn agenda] te gebruiken om te schrijven. Om mijn bange voorgevoelens in bedwang te houden en een betere manier te vinden om over dit alles na te denken. Soms kan schrijven dienen als ballast om met beide benen op de grond te blijven staan.'

Bibliotheken zullen dus na heropening snel een paar kasten kunnen reserveren voor een hausse aan boeken – romans, non-fictie, kinderboeken enzovoorts – over corona, die door de wereldwijde impact van het virus de golf aan boeken over bijvoorbeeld 9/11 ver zal overtreffen. Alleen de impact van de Tweede Wereldoorlog op de boekproductie zal wel altijd onovertroffen blijven.
Er kan er echter maar één de eerste zijn. En dat is Giordano, die het afgelopen decennium wereldwijde roem vergaarde met romans als De eenzaamheid van de priemgetallenHet menselijk lichaam en De hemel verslinden. Begin april verscheen zijn korte beschouwing In tijden van besmetting, tachtig pagina's slechts, in Nederlandse vertaling bij De Bezige Bij.

De eerste vraag is natuurlijk: is dat niet te vroeg? De Italiaan schreef zijn essay, blijkens enkele zijdelingse opmerkingen, in de eerste week van maart. In die periode was Noord-Italië sinds kort een brandhaard, legde de Italiaanse regering de eerste beperkende maatregelen op en waren in Nederland slechts een handvol bevestigde gevallen bekend. De pandemie stond aan het zeer prille begin.
Het doet er niet toe, schrijft Giordano zelf. Het gaat hem om iets anders: de reden waarom een onzichtbaar virus juist nu toeslaat en waarom iets vergelijkbaars in de nabije toekomst vaker zal voorkomen. En wat dat van de samenleving vraagt – niet alleen in deze fase waarin iedereen met social distancing moet bijdragen aan het afremmen van virus, maar ook op de lange termijn.

Hij begint weliswaar met een korte uitleg van wat de meeste mensen inmiddels hebben bijgeleerd. Wat R0is bijvoorbeeld. Hoe belangrijk het is dat deze reproductieratio onder de één blijft om de verspreiding van het virus tot stilstand te brengen. Of het belang om zo veel mogelijk thuis te blijven. Ook uit de wiskundige modellen waarmee de auteur vertrouwd is, blijkt dat je daarmee de meeste mensen redt.
Maar al gauw maakt Giordano zijn centrale punt: deze pandemie is niet zo uniek als we geneigd zijn te denken. De mens, redeneert hij, heeft zo fundamenteel ingegrepen in de natuur dat nieuwe bacteriën, protozoën en schimmels veel sneller de kans krijgen om ziekte te veroorzaken. Dankzij het globale netwerk dat wij hebben opgericht, kunnen ze bovendien makkelijk met ons mee reizen.

Kijk ook verder dan alleen naar onszelf. Neem de olijfbomen in Apulië waar de auteur in zijn jeugd zo van hield. Twintig jaar later waren ze allemaal gedood door de Xylella fastidiosa, die zich dankzij de klimaatverandering steeds eenvoudiger over de wereld kan verspreiden. Ook dat is een pandemie die door de mens is veroorzaakt en even radicaal moeten worden bestreden als Covid-19.
Als Giordano een essay schrijft onder de titel In tijden van besmetting doelt hij dan ook niet op deze maanden waarin we verschanst in ons eigen huis wachten op de komst van het verlossende vaccin. Voor hem zijn deze tijden al decennia aan de gang. En zullen ze ook decennia blijven duren als we deze pandemie niet als wake up-call zien. Die boodschap is even tijdloos als helder verwoord.
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad apr 2020)

zondag 3 mei 2020

'Toen het oorlog was' - Wat vertel je kinderen van tien jaar over de oorlog? (Bibliotheekblad)

Als iemand gaten in het boekenaanbod kan aantreffen, is het wel een collectiespecialist. Maaike Landman van Probiblio spande zich ook in om het gat te vullen. Dankzij haar maakte het educatief bureau Patsboem! een schitterend boek over de Tweede Wereldoorlog voor kinderen vanaf 10 jaar.

Het is zo'n informatief jeugdboek waarvan volwassenen een hoop kunnen opsteken – óók als ze denken al het nodige van het onderwerp te weten. Toen het oorlog was behandelt alle denkbare aspecten van de Tweede Wereldoorlog: van een opsomming van de hoofdrolspelers tot een uitleg van de relevante symbolen; van een korte tijdlijn tot een schets van onze tradities om te herdenken. Het is een overzichtelijk, helder geschreven, rijk geïllustreerd en aantrekkelijk vormgegeven boek. En alles aangevuld met ervaringsverhalen.'Ik was zó blij toen ik het kreeg opgestuurd dat ik drie dagen heb lopen stuiteren', zegt Maaike Landman dan ook, collectiespecialist jeugdboeken van Probiblio. 'Meteen toen ik de envelop opendeed, dacht ik: wauw! Het is geen boek om achter elkaar door te lezen. Je bladert erin, je pikt er wat uit, je legt het weer weg. Maar het is zo prachtig geïllustreerd, door de tekeningen van Irene Goede en de keuze van de foto's, en de informatie is zo goed leesbaar, dat je het steeds opnieuw oppakt. Dat hoor ik ook van de mensen om mij heen.'

Dat Landman zo verheugd is, is niet voor niets. Zij legde de kiem voor een non-fictieboek over de Tweede Wereldoorlog als Toen het oorlog was. Omdat zij BoekToer collecties voor basisscholen in Noord- en Zuid-Holland heeft samengesteld, viel haar al langer een belangrijke lacune op. 'De pakketten over de Tweede Wereldoorlog bevatten een aantal mooie leesboeken, maar informatieve boeken waren er nauwelijks. Heel suf eigenlijk. Het is een onderwerp dat ieder jaar terugkomt en dat behandeld moet blijven worden. Een onderwerp ook waar kinderen graag werkstukken of spreekbeurten over maken. En dan is er bijna niets!'
Voor alle duidelijkheid: er bestaan wel degelijk informatieve boeken over de oorlog. Maar meestal voor een oudere doelgroep dan 10-12 jaar. 'Je hebt bijvoorbeeld de Ooggetuigen-serie, een deel uit de serie Vet Oud! of kleine Junior-boekjes. Prachtige boeken, maar de informatie is gericht op 12- tot 15-jarigen en daarom te moeilijk voor de basisschool. De Ooggetuigen-serie zijn bovendien flink verouderd en oorspronkelijk uitgegeven door een Engelse uitgeverij, waardoor de informatie vanuit de Engelse situatie wordt beschreven. Toch heel anders dan de Nederlandse situatie.'

Drie jaar geleden besloot Landman zelf het initiatief te nemen. Ze sprak tijdens een busreis naar de Frankfurter Buchmesse met Frans Meijer, oud-directeur van de Bibliotheek Rotterdam. Door Groeten van Leo, het boek dat Martine Letterie in 2013 over zijn in de oorlog vermoorde halfbroertje had gepubliceerd, kwamen ze over het gebrek aan geschikte jeugdboeken te spreken. Meijer stimuleerde haar daarop om er werk van te maken. Als ze eenmaal de juiste uitgever enthousiast had gemaakt, zou dat boek er heus wel komen.
'Ik wist een ding zeker: ik ging het niet zelf schrijven. Ik zitten middenin de kinderboeken, ik heb geen enkele illusie dat ik het beter kan dan al die fantastische schrijvers. Maar een uitgeverij vinden bleek een werk van lange adem. Ik ben niet zo thuis in die wereld. En als ik dan toch een gesprek had bij een organisatie of instelling, zei men bijvoorbeeld: goed idee, maar er is toch dat Vet Oud!-boek? En dan liep het spoor dood. Tot ik via via in contact kwam met Gottmer. Die uitgeverij was heel enthousiast.'

De schrijver werd uiteindelijk een collectief: Annemiek de Groot, Roos Jans, Juul Lelieveld en Liesbeth Rosendaal van Patsboem! – een bureau van zes medewerkers dat educatief materiaal maakt voor onder andere uitgeverijen, musea, instellingen en bibliotheken. Patsboem! denkt mee over concepten en werkt dat vervolgens uit tot lesmethodes, workshops, lesbrieven, tentoonstellingen, scheurkalenders, wat dan ook. Voor de OBA maakte het bedrijf een 'mediawijsheid tablettour', waarmee kinderen de bibliotheek kunnen ontdekken.
'Hoewel het nooit zo is bedoeld, is geschiedenis ons specialisme geworden', vertelt Rosendaal. 'Drie van ons zijn historicus. Een van onze grootste opdrachtgevers is het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Wij maken voor hen al vijf jaar ieder jaar het Denkboek voor kinderen: een boek vol verhalen over het herdenken van de oorlog en het vieren van de vrijheid, bedoeld om hen aan het denken te zetten. Daarom kwam Gottmer bij ons uit. De uitgeverij heeft natuurlijk zelf auteurs in huis, maar ik vermoed dat die hun vingers er niet aan wilden branden.'

Bijna iedereen die Toen het oorlog was in handen krijgt of erover hoort, is verbaasd. Bestond zo'n boek echt niet? Ook bij Patsboem! krabden ze zich achter de oren: wáárom hebben we dit niet eerder opgepakt? 'Wij zitten zo in het onderwerp', zegt Rosendaal. 'We hebben veel over de oorlog voor kinderen geschreven. En toch kwamen we niet op het idee.' Pas nu het boek is geschreven en verschenen, is het duidelijk geworden: het is nogal een complexe opdracht. 'Dit was een van onze moeilijkste projecten.'
Waarom? 'Probeer maar eens te omschrijven wat voor boek het is', vervolgt Rosendaal. 'Zelfs de uitgever had er moeite mee de juiste woorden te vinden voor de opdracht die ze ons gaven. "Een leuk boek over de oorlog", dat kan je niet zeggen. "Een luchtig boek over de oorlog" evenmin. Maar zoiets moest het wel worden: een boek dat duidelijk en correct is zonder iets te bagatelliseren, maar dat ook niet te zwaar is zodat je het toch wil lezen. Dat betekent dat je heel goed moet zoeken naar de juiste toon.'
En: goed weten wat je kinderen wel en niet voorschotelt. 'Het uitgangspunt was steeds: wat moet je weten?, en: wat hoort een kind om zich heen?', zegt Jans. We moesten daarom wel uitleggen wat de Holocaust is, een heel belangrijk onderdeel van de oorlog. Alleen: zonder stapels lijken laten zien. Kinderen hoeven er geen nachtmerries van te krijgen. En we maakten juist een hoofdstuk over dieren. Dat is niet het belangrijkste onderdeel van de oorlog, maar via dieren kun je goed duidelijk maken hoe groot de impact van de oorlog is zonder het meteen gruwelijk te maken.'

De structuur van het boek was even belangrijk, leggen Rosendaal en Jans uit. 'Het is zo'n groot onderwerp. Waar begin je?', vertelt de laatste. 'En niet ieder kind vindt elk onderwerp even boeiend. De een vindt techniek heel interessant, de ander juist niet. Zo kwamen we al snel uit op een boek om in te bladeren. En dan niet: hier heb je 500 lemma's, veel plezier ermee. Dan verzuip je erin. We hebben ze zo geordend dat we én de chronologie vasthielden én onderwerpen konden groeperen rond uiteindelijk tien thema's.'
De lemma's zijn verrijkt met kaders 'om over na te denken'. Zo werd het geen puur informatief boek. 'Het is bij ons ingebakken om er een educatieve draai aan te geven. Daarom zijn er ook lesbrieven', zegt Rosendaal. 'Die kaders zijn daarnaast een plek om grijze gebieden te kunnen laten zien. De tijd is voorbij dat we zwart-wit over de oorlog denken, we kunnen tegenwoordig kritisch zijn op de gebeurtenissen van destijds. Was het bijvoorbeeld wel echt nodig om een bom op Hiroshima te gooien? Kinderen stellen zich misschien dezelfde vragen.'

Met Toen het oorlog was is er nu een mooie aanvulling voor educatieve themacollecties voor scholen of presentaties in bibliotheken ter gelegenheid van 75 jaar bevrijding – al is het ten tijde van schrijven onduidelijk of de coronacrisis dat wel mogelijk maakt. 'Bibliotheken hebben het goed aangeschaft', zegt Landman. 'Dat is een goed begin. Ik heb alleen nog geen initiatieven gehoord om er ook iets mee te doen. Misschien komt dat nog. En ik zit in de commissie Tiplijst Makkelijk Lezen. Daar komt het boek op.'
Maar het sloeg zeker niet alleen aan bij bibliothecarissen. De eerste druk van het in november verschenen druk is op: 4.000 exemplaren. De tweede druk verscheen medio maart. 'Vooral leerkrachten stonden hierom te trappelen, merken we. We krijgen heel veel reacties van hen. Dat ze zelf lesmateriaal erbij maken of nu bijvoorbeeld bij vragen van kinderen kunnen verwijzen naar het boek. En we lezen ook heel graag recensies van kinderen zelf. Heel mooi, zelfs wanneer ze zeggen dat ze er niets aan vonden omdat ze de oorlog als onderwerp saai vinden.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad apr 2020)

woensdag 11 maart 2020

Interview: Hans Boland – 'Wat een abnormaal mooi boek!' (Bibliotheekblad)

Een zo goed mogelijke Nederlandse tekst schrijven. Dat is de eerste opdracht van een vertaler, vindt Hans Boland – en moeilijker dan het lijkt, omdat sommige vertalers elkaar willen bewijzen dat ze hun taal kennen. 'Dat is de kunst van vertalen: de juiste balans vinden.'

Hans Boland denkt er geregeld met plezier aan terug. Aan het einde van zomer liep hij 's avonds over straat. Een jonge twintiger, die stond te morrelen aan zijn fiets, keek hem op zo'n manier aan dat hij zich gedwongen voelde te vragen: 'Kennen wij elkaar?' Waarop de jongen antwoordde: 'U bent toch die vertaler? Ik heb net Anna Karenina gelezen. Wat een abnormaal mooi boek!'
Dáár doet Boland het voor. Gewone lezers overtuigen dat de Russen die hij heeft vertaald – Tolstoi, Poesjkin, Lermontov en anderen – zulke schitterende boeken schreven dat je er helemaal verslingerd aan kunt raken. 'Zelfs een roman in verzen als Jevgeni Onegin van Poesjkin. Mijn neef, helemaal geen lezer, pakte het een keer op een avond uit de kast en las het in één ruk uit.'
Hij bewerkstelligt dat effect door de oorspronkelijke tekst om te zetten in een Nederlands dat je doet vergeten dat het boek eigenlijk in het Russisch is geschreven. 'Iedereen weet dat de verhalen van Tsjechov zich in een ander land en in een andere tijd afspelen. Dat is genoeg. Je moet ook niet worden teruggeworpen door een Nederlands waarin een vreemde taal doorschemert.'
'Authentiek Nederlands' streeft hij na, in tegenstelling tot het Vertalersnederlands dat hij zo vaak aantreft in vertalingen uit het Russisch. 'In het buitenland is het vanzelfsprekend dat een vertaling in de eerste plaats onberispelijk Engels of Duits is. Hier niet. Hier is het alsof je bij de juf of meester de indruk wil wekken dat je weet wat er in de oorspronkelijke tekst staat.'

Het was Anna Achmatova die Boland (1951) als derdejaars student slavistiek tot vertalen aanzette. 'Dát was nog eens echte poëzie, dacht ik. Ik had er voortdurend mijn mond van vol. Maar niemand kende die gedichten. Ze waren tot het einde van de Sovjet-Unie ook taboe in Rusland. Daarom ontstond de wens ze te vertalen: om ze aan mijn vrouw en mijn vrienden te kunnen laten lezen.'
Acht jaar werkte hij aan deze teksten. Meestal tijdens lange fietstochten. 'Ik stopte eerst een gedicht in mijn hoofd: een paar keer lezen, en dan kende ik het. En onderweg dacht ik na: hoe kon ik alle elementen uit het Russisch omzetten in het Nederlands zonder een element toe te voegen of een element weg te laten? Ik wilde dus ook het rijm en metrum overbrengen.'
Dat gold in die tijd als hopeloos gedateerd. 'Rijm? Metrum? Dat was vies en achterhaald', smaalt Boland. 'Je vertaalde de inhoud – of zo nodig alleen de vorm, maar zeker niet allebei. Ik vind vorm en inhoud echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. En ik merkte: hoe meer ik die in mijn Nederlandse tekst probeerde te krijgen, hoe preciezer ik ook de inhoud kon overbrengen.'
Na Achmatova wilde Boland nooit meer iets anders dan vertalen – zó verknocht was hij geraakt aan het oppoetsen van alle schoonheid en gruwel die in de rijke klassieke romans aantrof. 'Ik denk nog iedere ochtend als ik opsta: fijn, ik mag weer. Daarom ben ik blij, nu ik de zeventig nader, dat dit werk is dat je op mijn leeftijd net zo intens kan blijven doen.'

Sinds zijn debuut heeft Boland een reputatie opgebouwd als dé vertaler van de klassieke Russische literatuur. Dat komt boven alles vanwege de titels op zijn cv en de kwaliteit van zijn werk, maar ook omdat hij onomwonden kritiek spuit op collega's. Media smullen daarvan. De vertaler zat daarom tot twee keer toe bij verschijning van een nieuwe vertaling bij De Wereld Draait Door.
Boland verwijt zijn collega's te vertalen voor elkaar. Ze willen laten zien dat ze de tekst goed begrepen hebben. 'Dan krijg je zinnen zoals ik in een nieuwe Tsjechov-vertaling vond: "Door de hele kamer loopt van hoek tot hoek een waslijn." Niemand zegt dat zo. Waarom daar niet van maken: "Dwars door de kamer was een waslijn gespannen"?'
Bijna iedereen leest bij zulke zinnen gedachteloos door. Je begrijpt immers wat er staat. 'Maar onbewust werkt het door. Want als je na afloop een boek met zin na zin zulke taal dichtslaat, denk je sceptisch: is dit nou die geweldige Tsjechov? Dan ben je als vertaler toch je doel voorbij geschoten. Het doel zou moeten zijn dat de Nederlandse tekst net zo meeslepend is als het origineel.'
Neem Dostojevski, van wie Boland begin dit jaar de vertaling van Misdaad en straf publiceerde. 'Dostojevski schrijft prachtig Russisch, waarin je wordt meegesleurd als door een lawine, maar in het Nederlands had hij vaak iets onbeholpens. Daarom was hij bij ons ook nooit zo populair als in de rest van de wereld. Hij had gewoon zijn vertaler voor het Nederlands nog niet gevonden.'

Zelf gaat Boland tamelijk ver om een tekst in onberispelijk Nederlands te scheppen. Hij schroomt niet van het origineel af te wijken als dat nodig is. 'In het Russisch kun je in één zin de woorden "maar" en "echter" gebruiken, om een extra klemtoon te leggen. Maar in het Nederlands is dat fout. Stilistisch is het ook lelijk. Dus: weg met dat overbodige "echter".'
Dat levert hem op zijn beurt kritiek op van andere vertalers. Hij geeft als voorbeeld het Russische woord voor 'slank'. 'Ik vertaal dat als 'mager' of 'dun'. Dan zou ik een fout maken. Nee. Ik maak die keuze omdat dát het gevoel is dat Russen hebben bij dat woord. Ikzelf heet in Nederland ook slank, maar in Rusland ben ik zelfs een keer "uitgeteerd" genoemd.'
Ook verbetert hij fouten, schaaft hij kleine stilistische onvolkomenheden glad en gebruikt hij woorden die zijn vaak 19e eeuwse auteurs onmogelijk hadden kunnen gebruiken. Simpele woorden als: oké. 'Ik weet heel goed dat ze dat niet zeiden in 1878, maar als dat beantwoordt aan de bedoeling van de brontekst werkt dat beter dan een zogenaamd letterlijke vertaling.'
Krijgt een 19e eeuwse Russische roman dan geen anachronistische vertaling? 'Zeker niet. Sla Dostojevski of Tolstoi maar open. Het is 's nachts donker op straat. Ze reizen per koets. En zo zijn er nog honderden details waarmee je automatisch in die tijd bent. Natuurlijk moet het ook niet aanvoelen als een hedendaagse historische roman. Maar dat is de kunst van vertalen: de juiste balans vinden.'

Hoe dan ook hebben de meeste mensen geen idee van het werk van de vertaler, merkt Boland. 'In de tijd dat ik aan de universiteit werkte, hadden we een bolletjestypemachine van IBM, waarop ook het cyrillisch alfabet zat. Soms meldde zich dan iemand: of wij een tekst even in het Russisch konden vertalen? Alsof we de Nederlandse tekst tikten en er Russisch uitkwam!'
En waarschijnlijk denken in wezen veel mensen nog steeds zo. 'Tot je hen vertelt wat vertalen eigenlijk is. Ik geef vaak lezingen aan leken. Voor je het weet, hangen ze aan je lippen – totaal gefascineerd. Dat komt omdat vertalen gaat over taal. Iedereen gebruikt taal. Zonder zouden we niet kunnen leven. Taal is als zuurstof. En daarom is iedereen onbewust geïnteresseerd in vertalen.'
Eigenlijk zouden daarom meer vertalers lezingen over hun werk moeten geven – bijvoorbeeld in de openbare bibliotheek, die hun werk vaak uitgebreider en langer aanbieden. 'Vertalers zijn erg gedreven. Maar vertalen is ook nog meer dan schrijven een solitaire bezigheid, en dat trekt al gauw wat mensenschuwe types aan. Zet er vijf bij elkaar in een colloquium en er komt nog bijna niets uit.'
En dus zal het grote belang van vertalen wellicht altijd onzichtbaar blijven. 'Vertalers zijn nu eenmaal de postpaarden van de beschaving, zei Poesjkin. Zo vanzelfsprekend dat je nooit over ze nadenkt, maar van essentieel belang voor het functioneren van de maatschappij. Iets wat de computer nu is. Daarom heeft het mij altijd het gevoel gegeven bijzonder werk te doen.'
En als dan af en toe iemand zegt dat dat leidt tot 'abnormaal mooie boeken' in het Nederlands, is dat genoeg.
(Eerder verschenen in Bibliotheekblad, november 2019)

donderdag 30 januari 2020

Interview Dean Bowen: 'In taal vangen wat niet in taal te vangen is' (Bibliotheekblad)

Een van de opvallendste dichters uit het Poëziegeschenk 2020 is Dean Bowen. Een grote eer? De stadsdichter van Rotterdam is daar nuchter over. Een geslaagde 'heksenspreuk' maken is belangrijker. 'En toch wil ik met taal iets vangen wat zich nooit in taal laat vangen.'

Dean Bowen is niet in dienst van de Bibliotheek Rotterdam. De dichter voelt zichzelf ook geen werknemer van deze instelling, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar als je hem hoort praten, zou je bijna denken dat hij wel degelijk op de loonlijst staat. Als marketeer bijvoorbeeld, zo warm praat hij over de bibliotheek. Of als naaste collega van medewerker programmering Renee van Randwijk, die het stadsdichterschap coördineert. Bowen – die deze functie in 2019 en 2020 vervult – werkt zeer nauw met haar samen.
'De bibliotheek is ongelooflijk belangrijk', zegt hij zonder enig voorbehoud. 'Vooral in een stad als Rotterdam, waar het meer dan in een kleine gemeenschap een heel specifieke functie heeft. Het is als huis van boeken, ideeën en verhalen een gemeenschappelijke plek waar heel veel mensen samen komen en waar ze van alles kunnen doen. De bibliotheek neemt volledig de verantwoordelijkheid voor de gemeenschap waarin ze zich bevindt. Ze geven ruimte aan andere instellingen, ze zoeken samenwerkingen met sociale en maatschappelijke partners en slagen er zo keer op keer in heel verschillende doelgroepen aan te spreken.'

Zelf komt Bowen al van jongs af aan in de bibliotheek. In die van Zoetermeer, waar hij opgroeide. 'Mijn moeder vond dat superbelangrijk. Als mijn zusje of ik vijf leuke boeken zagen, zei ze: "Neem je ze toch alle vijf mee"? Mijn ouders probeerden ook op alle vragen zo eerlijk mogelijk antwoord te geven. Maar als ze het niet wisten, wezen ze naar de bibliotheek. Dáár kun je de kennis en ervaringen van 10.000 verschillende mensen tot je nemen. Wees daarom bekend met de bibliotheek, voel je daar comfortabel.'
Dus toen hij in 2015 naar Rotterdam verhuisde, werd hij ook hier vanzelfsprekend lid. Niet meer om boeken te lenen. Die koopt hij wel. Bovendien: de nieuwste poëzie die hij leest, is niet altijd opgenomen in de collectie. 'Maar ik kom hier wel eens werken. Ik vind dat ook een bepaalde schoonheid hebben: al die scholieren en studenten die hier rust vinden voor hun huiswerk. Dat communale aspect daarvan. En ik drink hier soms een bakje koffie of kijk naar het schaken. Het is prettig om hier de doorsnee Rotterdammer te zien.'
En nu werkt hij zelfs samen met de bibliotheek. 'Ik ben als stadsdichter benoemd door het college van B&W, op voordracht van een externe commissie. Maar ik heb feitelijk alleen te maken met de bibliotheek. Ik heb continu gesprekken met Renee over mijn ideeën en de uitvoering ervan. Zo wilde ik een jeugdstadsdichter. Zonder haar was die er nooit gekomen. Ik vind dat heel logisch. Als stadsdichter wil ik verhalen over de stad aan de stad geven. Dat is precies wat de bibliotheek ook doet.'

Dankzij zijn stadsdichterschap is Bowen (1984) in de korte tijd dat hij in de stad woont een bekende Rotterdammer geworden. Tijdens de Poëzieweek 2020 zal zijn bekendheid in de rest van Nederland groeien. Zijn gedicht 'Apathy, de dagen' is een van de tien gedichten die de CPNB heeft opgenomen in de bloemlezing Nu, dat tijdens de actieperiode cadeau wordt gedaan aan iedereen die voor 12,50 euro aan poëzie koopt (zie kader). De oplage van de geschenkbundel is 10.000 exemplaren.
Een eer noemt Bowen het dat hij is geselecteerd bij de tien talentvolste dichters van een nieuwe generatie. Natuurlijk, 'het is altijd mooi als je werk wordt gezien en gewaardeerd'. Maar hij relativeert het ook. De bloemlezing bevat niet per se dé tien beste dichters. Het is een strategische keuze van de CPNB om een heel divers beeld van de poëzie te geven. De CPNB heeft niet voor niets het woord "propaganda" in de naam. Ik kan zo een paar jonge dichters noemen waar ik waanzinnig enthousiast over ben die er niet in staan.'
Bowen mocht zelf werk voor de bloemlezing aandragen. Dat was moeilijker dan het lijkt. 'Ik mocht er twee of drie opsturen en mijn voorkeur uitspreken. Maar het gedicht moest al zijn gepubliceerd, zodat iedereen die het mooi vindt makkelijk meer werk van dezelfde dichter kan vinden, en het mocht niet langer zijn dan een bladzijde. En dat ik maar een bundel heb gepubliceerd: Bokman, en ik de neiging heb om uitgebreider werk te maken. Dat maakte de keuze beperkt. Van mijn korte gedichten werkt deze het beste.'

'Apathy, de dagen' komt uit de derde en laatste afdeling van Bokman: Chansons van de diaspora. Het is na de ontroerende, pijnlijke, zoekende en boze gedichten uit de eerste twee afdelingen, waarin hij zijn eigen positie in de samenleving en geschiedenis probeert vast te leggen, het meest hoopvolle deel van de bundel – zoals Bowen ook zelf zegt. Het lijkt te laten zien hoe we, met vallen en opstaan, samen kunnen leven. Maar de reeks is ook moeilijk toegankelijk omdat hij zo veel andere talen door zijn Nederlands mengt. Oók in 'Apathy, de dagen', dat flarden Engels, Arabisch en Sranan bevat.
'Het Nederlands is ongelooflijk mooi,' zegt hij daarover, 'maar de taal is altijd in flux. Ik wilde daarom rommelen aan de puurheid van de taal. En de invloeden zijn nu eenmaal anderstalig, zeker in mijn stad. Rotterdam is een majority-minority stad, waar meer dan 50% van de inwoners een migratie-achtergrond heeft. Ik heb er ook bewust geen verklarende voetnoten bij gezet, omdat ik wil dat iedereen moeite doet om de gedichten te begrijpen – zoals iedereen moeite moet doen om elkaar te begrijpen, zelfs als we dezelfde taal spreken.'

Schrijven doet Bowen al sinds hij een jaar of negen was. Preciezer: sinds een dichter enkele weken in zijn klas van het Montessorischool met de kinderen kwam schrijven. 'Zo ontdekte ik hoe leuk schrijven is. Het is nog altijd het enige wat ik ooit heb gedaan zonder dat iemand zei dat ik het móést doen.' Maar dat betekende niet dat hij als vanzelf uitgroeide tot de dichter met een nominatie voor de C. Buddingh'-prijs voor beste debuutbundel op zak. Hij had geen idee hoe de literaire wereld in elkaar stak.
Zijn carrière kreeg vaart op het podium. Als rapper bij een hiphop-formatie was hij daar begin jaren 2000 mee vertrouwd geraakt. Maar belangrijker: hij voelde zich daar welkom. 'Als je kijkt naar wie wordt uitgegeven of publiceert in tijdschriften zie je daar ander soort demografie dan op het podium. Op het podium kan iedereen terecht die anders is. Het zou goed zijn als de letterensector daar het gesprek over voert, zodat ook de jongen van 15 die nu bezig is en ook de weg niet weet, op weg kan worden geholpen.'
Hijzelf is er ook alleen maar gekomen omdat, zoals hij zegt, hij geluk heeft gehad. 'Als je wil publiceren, helpt het om zichtbaar te zijn in Amsterdam. Het is een netwerk-ding. Maar dat wist ik ook niet. Ik ging daar optreden en programma's maken bij Perdu – niet als bewuste keuze, maar omdat het me interesseert wat er in de literatuur gebeurt. Ik had daarna ook steeds geluk: dat ik in gesprek raakte met een redacteur van uitgeverij Maas. Dat Bokmangoede recensies kreeg en werd de bundel genomineerd. Dat ik werd gevraagd voor de bloemlezing van de CPNB.'

Dat neemt niet weg dat het daar niet om gaat. 'Al die stappen in mijn ontwikkeling waren stippen aan de horizon', zegt Bowen. 'Het werkte als richtingaanwijzer. Maar het belangrijkst is de route die je aflegt: het werk dat je maakt.' Het ultieme doel is dan ook een gedicht te maken dat hij zelf herkent als 'heksenspreuk'. 'Een goed gedicht verandert fundamenteel iets aan de lezer of aan hoe hij de wereld waarneemt. Maar als schrijver zal ik er vrede mee moeten hebben dat ik zelf nooit weet of mijn werk dat bereikt.'
Kan 'Apathy, de dagen' dat effect hebben? Het gedicht geeft in ieder geval een indicatie van wat hem beweegt als dichter voor wie de poëzie het neefje van de filosofie is. 'Ik zoek naar de ruimte die de taal kan in nemen. Taal is een van de lastigste materialen voor een kunstenaar, omdat taal al iets betekent. Om ieder woord hangt een wolk van betekenis. En toch wil ik met taal iets vangen wat zich nooit in taal laat vangen. Daarom grijp ik op verschillende manieren in de taal in – bijvoorbeeld door woorden soms van het verkeerde lidwoord te voorzien. Ik probeer zo nieuwe betekenissen aan te boren.'
Het spijt hem dat dat aspect van zijn werk niet altijd wordt herkend. In recensies gaat het vaak over zijn achtergrond als zwarte dichter. Zeker: zijn eigen biografie resoneert in Bowens werk. En kunst van niet-blanke Nederlanders is momenteel salonfähig. 'Maar het feit dat de gedichten zijn gemaakt door iemand met een zwarte huid is niet het summum van wat je over mijn werk kan zeggen. Het gaat boven alles over taal, en de vragen die daarmee zijn verbonden: wie mag de taal claimen? Welke taal mag worden gehoord?'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

dinsdag 28 januari 2020

Samenwerking boekhandel en bibliotheek nog steeds niet zo vanzelfsprekend als het lijkt

Intensiveert de samenwerking tussen boekhandel en bibliotheek? Nieuwe initiatieven in Utrecht, Rotterdam en Harlingen wekken de indruk van wel. Een nauwkeuriger blik op de ontwikkelingen dwingt echter kanttekeningen te plaatsen.

Boekhandel Broese en Bibliotheek Utrecht zitten al decennia in hetzelfde pand aan de Oudegracht. En omdat beide organisaties volgend jaar naar het oude postkantoor aan het Neude verhuizen, zal dat de komende decennia zo blijven. Alleen: op dit moment zitten de ingangen direct naast elkaar. Wie straks van boekhandel naar bibliotheek wil, moet om het gebouw heen lopen. De afstand van anderhalf à twee meter wordt opeens honderdvijftig tot tweehonderd meter. Honderd keer zo ver.
'Het is daarom ons beider wens dat er binnen een doorgang komt', zegt directeur Erik van Doorn van Broese. 'We hebben voor het overgrote deel een overlappend publiek. We willen het hen daarom zo makkelijk mogelijk maken om zowel de bibliotheek als ons te bezoeken. Bovendien bieden we onze klanten zo een blik op die schitterende grote hal van de bibliotheek.' Ook directeur Ton van Vlimmeren van Bibliotheek Utrecht is enthousiast over het perspectief 'om van het Neude dé plek voor literair Utrecht te maken, waar leesliefhebbers straks 10.000 m2 aan boeken vinden.'
Het duurt nog even voor de doorgang is gerealiseerd. Omdat Broese eerst níét mee zou verhuizen, staat de doorgang op geen enkele bouwtekening. Dat vereist een nieuw traject van plannen, vergunning aanvragen etcetera. Mede daarom is het op dit moment ook de vraag wat het exact zal betekenen voor de samenwerking. 'Onze eerste zorg is dat de boekhandel opengaat', zegt Van Doorn. 'Daarna zullen we in gesprek gaan over wat we samen en wat we zelf willen doen.'
Maar een ding staat vast: de relatie tussen boekhandel en bibliotheek wordt hechter. 'Wij hebben in het verleden meer met Broese samen gedaan dan de laatste jaren het geval is', vertelt Van Vlimmeren. 'Toen duidelijk werd dat wij zouden verhuizen en zij niet, is de samenwerking ingezakt. Het gemeenschappelijk perspectief was verdwenen. Pas sinds juli, toen de beslissing viel dat Broese naar het Neude kwam, is dat terug. We zitten nog in de fase van bedenken wat we gaan doen, maar we hebben op de nieuwe locatie veel mogelijkheden voor gezamenlijke programmering.'

Alle openbare bibliotheken werken waarschijnlijk samen met een of meerdere lokale boekhandels. Door gezamenlijk lezingen, leesclubs en andere leesbevorderende activiteiten te organiseren, kunnen beide organisaties gebruik maken van elkaars promotiekanalen en zo het publieksbereik vergroten. Het scheelt ook in de kosten, als die gedeeld worden. En boekhandels kunnen met een boekentafel bij het evenement extra omzet maken. Waar in Nederland gebeurt dat niet?
Een mooi voorbeeld van een intense inhoudelijke samenwerking is Dordrecht. Direct bij de oprichting van kinderboekhandel De Giraf in 1994 deed eigenaar Wilma Verhoeven succesvol beroep op wat inmiddels Bibliotheek AanZet heet. Mede omdat zij zelf de Bibliotheekacademie heeft gedaan en daarna in de sector heeft gewerkt, wist zij met welke kennis en dienstverlening zij kon inspelen op de behoeftes van bibliotheken. 'Door de verbinding te zoeken, kunnen we samen optrekken naar het onderwijs en naar de stad. Dat is voor ons beider imago belangrijk, denk ik.'
In de loop van een kwart eeuw hebben De Giraf en AanZet van alles samengedaan: van de organisatie van activiteiten in de Kinderboekenweek of een informatieavond voor juffen en meesters, tot het leveren van boeken voor de Bibliotheek op School (dBos) bij een groot aantal basisscholen – een element van de samenwerking dat een 'fantastisch deel van mijn omzet uitmaakt'. De boekhandel heeft daarvoor toegang tot de ict-systemen van de bibliotheek en kan de exemplaren uitleenklaar maken.
Zeker sinds De Giraf in 2011 verhuisde naar een pand direct naast de bibliotheek werd de samenwerking intensiever. Op dat moment opende de bibliotheek zelfs een biebwinkel in De Giraf, die vijf jaar heeft bestaan. 'De naam dekte niet echt de lading', zegt collectiemanager Natascha Salvo van Bibliotheek AanZet. 'Het was bedoeld om onze onderwijsdiensten onder de aandacht van docenten te brengen. De Giraf heeft goede relaties met deze groep. Maar toen bibliotheekconsulenten voor dBos zelf veel op scholen kwamen, was de winkel niet meer nodig.'
Verhoeven en Salvo zijn allebei zo tevreden over de samenwerking dat die zeker moet worden gecontinueerd als AanZet op termijn verhuist naar het Stadskantoor van Dordrecht. 'Al is het wel jammer dat je niet meer zó makkelijk bij elkaar binnen loopt als je iets wil bespreken dat je het beste face to face kunt doen', zegt Salvo. 'Het is goed de innige relatie te behouden', zegt Verhoeven. 'Daar denk ik graag over mee. Aan de andere kant: ik zit nu op een fantastische plek in het centrum. Daar wil ik niet weg.'

In sommige gevallen is de samenwerking meer dan alleen inhoudelijk. Dan delen boekhandel en bibliotheek een gebouw. Door een doorgang, zoals straks in Utrecht. Of zelfs door de voordeur te delen, zoals bibliotheek Amstelland en boekhandel Venstra sinds 2013 in Amstelveen doen. En die vorm lijkt toe te nemen. Denk aan de gemeenschappelijke entree van boekhandel, bibliotheek en museum in Harlingen. Of aan Rotterdam, waar boekhandel Donner medio november een filiaal van 100 m2 groot opende in de centrale vestiging.
Initiatiefnemer daarvan was de Bibliotheek Rotterdam, die de begane grond een andere invulling heeft gegeven. Door ruimte te maken voor onder meer een Bieb to Go voor reserveringen, populaire en nieuwe bibliotheekboeken, een Starbucks en een boekhandel, wil de bibliotheek de inwoners beter in contact brengen met het educatieve, maatschappelijke en culturele aanbod van de stad. Anderzijds kunnen met name Starbucks en Donner nieuw publiek naar de bieb lokken.
'Wij vinden het ook heel belangrijk om het lezen en literatuur breed te bevorderen', vult unit manager bibliotheken Annerie Brenninkmeijer aan. 'En dan is het aanbod van een boekhandel complementair aan het onze. Als mensen een geleend boek zo mooi vinden dat ze het iemand cadeau willen doen, kunnen ze het bij Donner kopen. Wij kopen ook alleen boeken waar leners minstens een jaar belangstelling voor hebben. Zij kunnen boeken met hypewaarde aanbieden. Ten derde bieden zij aanvullende producten, zoals knuffels van kinderboekcharacters.'
Voor Donner was de kans 'te mooi om te laten liggen', aldus directielid Suzanne Hammecher eerder op Boekblad.nl. Zij krijgen – tegen een acceptabele huur – de beschikking over een filiaal op een commercieel interessante locatie. 'Recht tegenover de Markthal. Dat is een van de belangrijkste punten in de stad. En: een plek die enorm in ontwikkeling is. De bibliotheek is ook hard bezig om nieuwe publieksgroepen aan te trekken. Starbucks trekt altijd veel mensen. En dankzij de eigen ingang zijn we niet gebonden aan de openingstijden van de bibliotheek.'
Als gevolg hiervan, verwacht Hammecher, zal de samenwerking tussen Donner en bibliotheek op het gebied van leesbevordering en evenementen worden versterkt. 'Nu al weken wij, tijdens onze eigen verbouwing, voor grotere manifestaties al uit naar de bibliotheek of het nabijgelegen Arminius. Ook waren we tijdens evenementen in de bibliotheek al vaak aanwezig met boekentafels. Hoe het straks precies vorm krijgt, zal in de praktijk moeten blijken. De afspraken moet nog in detail worden uitgewerkt.'

Toch wordt de samenwerking tussen bibliotheek en boekhandel niet alleen maar steeds intensiever. Er zijn genoeg voorbeelden van verbroken relaties. De biebwinkel van boekhandel Wijs in de bibliotheek van Houten, waar recente bestsellers werden verkocht? Weg. De gecombineerde vestiging van bibliotheek en boekhandel in een informatiecentrum in Vlissingen? Mislukt. Het filiaal van Paagman in de centrale bibliotheek Den Haag? Een vervaagde herinnering.
Ook was er een project vanuit Libris: de catalogus van bibliotheken linkte door naar de webshop van een lokale boekhandel. Er deden al weinig bibliotheken aan mee, maar nu is er slechts één van over: de KopGroep Bibliotheken. De bibliotheekgebruikers in de kop van Noord-Holland kunnen zo online boeken aanschaffen bij Plukker in Schagen. In het verlengde daarvan biedt de bibliotheek inwoners van Den Helder de mogelijkheid om in Schagen bestelde boeken in School 7 af te halen.
Een recent voorbeeld van een afgelopen samenwerking is die tussen Bibliotheek Oost-Achterhoek en boekhandel De Kamer van Kramer in Neede. De bibliotheek deelde sinds het voorjaar van 2016 een pand met de boekhandel. Maar de eigenaren zagen zich gedwongen hun winkel per 1 november te sluiten. Directe aanleiding was het besluit van ING om 30% van haar servicepunten, waaronder in deze winkel, te sluiten. Daardoor zou de omzet onder een kritisch punt zakken.
Heel spijtig, vindt directeur Ton Mengerink van Bibliotheek Oost-Achterhoek het. Omdat de boekhandel de ingang van de bibliotheek was, kon deze 45 uur per week open zijn. Daarvan was 23 uur één bibliotheekmedewerker aanwezig, de rest van de tijd hielden de boekverkopers een oogje in het zeil – met op de achtergrond een servicebureau. De boekhandel werd daarvoor niet betaald. De enige tegenprestatie was de komst van 35.000 bibliotheekbezoekers per jaar door hun winkel.
'Zulke samenwerkingen stelt bibliotheken in staat om na bezuinigingen filialen toch langer open te houden', vertelt Mengerink. 'Ook in andere plaatsen keken we ernaar. Hier houdt het nu op. De sluis tussen boekhandel en bibliotheek is gesloten. Een al bestaande deur is nu de ingang geworden, waar we moeten investeren in elektronische beveiliging en dergelijke. En we zijn dus nog maar 23 uur open. Hopelijk komt er in het pand wel een andere winkelier, met wie we iets soortgelijks kunnen starten.'

Wat het resultaat van alle samenwerkingen ook is (geweest), het ligt voor de hand dat bibliotheek en boekhandel de mogelijkheden blijven onderzoeken. Ten eerste is er de aanhoudende druk van dreigende bezuinigingen (voor de bibliotheek) en dalende omzetten (voor de boekhandel). En ten tweede zetten beide hetzelfde product centraal. Ook al is het aantal functies van de bibliotheek uitgebreid en verkopen boekhandels steeds meer nevenproducten, beide zijn ondenkbaar zónder grote hoeveelheden boeken in huis. Dat maakt dat ze altijd als eerste naar elkaar kijken.
Een intensievere samenwerking dan alleen programmeren kan echter alleen succesvol zijn als beide organisaties daar baat bij hebben. Dat betekent dat bibliotheek en boekhandel volledig zelfstandig blijven opereren, zodat ze zich kunnen focussen op hun eigen doelen. En – als er wordt gekeken naar gezamenlijke huisvesting – dat beide een eigen ingang hebben op een voor hen beide perfecte locatie. In een bibliotheek waar net niet genoeg winkelend publiek langskomt, al ligt hij maar één straat verder van het centrum, is een boekhandel gedoemd te mislukken.
Hoe nauw het luistert, bewijst het voorbeeld Amstelveen. Directeur Daphne Janson van Bibliotheek Amstelland is ronduit positief. 'We voegen allebei iets toe. Boekhandel Venstra zit op de begane grond, wij daarboven. Al onze bezoekers moeten daarom door de winkel naar boven. Zonder dat we hebben vastgelegd wat de boekhandel inkoopt en wij in onze collectie opnemen, vult ons aanbod elkaar automatisch heel goed aan. Soms is een boek niet te koop, maar wel te leen. Soms is een geleend boek zo mooi, dat het daarna wordt gekocht om te houden of cadeau te doen.'
Maar directeur Pier Rienks van Venstra is – hoewel uiterst tevreden over gezamenlijke programmatie en de manier waarop die wordt georganiseerd – gereserveerder. 'Toen de bibliotheek moest bezuinigen en daarom in 2013 hun begane grond vrij kwam, was dat voor ons een grote kans. Waar kun je anders 800 m2 op de begane grond huren? In het winkelcentrum zaten we over drie verdiepingen. Het is heel moeilijk om mensen naar de kelder of de eerste verdieping te krijgen. Dat doen ze gewoon niet. Maar nu zitten we net náást het winkelcentrum. Dat is toch een nadeel.'
Alles bij elkaar noemt hij zijn houding 'gematigd negatief', vervolgt hij. 'De bibliotheek trekt 400.000 bezoekers per jaar. Maar die komen niet met het idee te gaan winkelen, zoals bezoekers van het winkelcentrum. Ze hebben een andere mindset. We hebben ook minder bezoekers van buiten Amstelveen. Die rijden wel naar het winkelcentrum, waar ze onder kunnen parkeren, maar zijn geen lid. Het gevolg is dat we wel een grotere winkel hebben, maar dat we niet meer boeken verkopen.'
Alleen de combinatie van alle factoren maakt dat het 'net voldoende is om met plezier boekverkoper te zijn', zegt hij. 'We hebben wel extra omzet omdat we hier wél ruimte hebben voor aanpalende producten – 30% van het aanbod is non-books – en een grand café. Vorig jaar hadden we bijna 100.000 kopjes koffie en thee geserveerd. Dat is heel veel. Ook is de huurprijs aangepast, omdat we zeven dagen per week de voordeur open houden voor de bibliotheek en het informatiecentrum van de gemeente.'

Zou de samenwerking gebaat zijn bij een nauwere commerciële relatie tussen boekhandel en bibliotheek, zoals in Noord-Friesland gebeurt? De bibliotheek koopt niet meer in bij NBD/Biblion. Dat wordt overgelaten aan Boekhandel Van der Velde, die door de nauwe relaties met uitgevers beter weet wat wanneer verschijnt. De boekhandel heeft daarvoor een extra inkomstenbron – weliswaar geen omzet op inkoop, maar provisie op service. Zouden andere bibliotheken ervoor te porren zijn meer lokaal in te kopen of een soortgelijke constructie op te zetten?
'Ik weet dat de boekhandel dat graag wil', vertelt Jacinta Krimp van KopGroep Bibliotheken. 'Ik begrijp dat ook. Maar als we dat zouden doen, verliezen we snelheid. NBD Biblion is erop ingericht om boeken in bulk uitleenklaar te maken en op te sturen. Via de selectieservice doen zij ook de aanschaf. En ze zijn de laatste jaren heel goed bezig om daarin nog verder te gaan. Zo zijn er gesprekken met uitgeverij om nog eerder – al voor verschijnen – toegang te krijgen tot digitale versies van nieuwe titels, zodat zij al kunnen beginnen met de titelbeschrijving.'
De bibliotheekdirecteuren die er voor dit stuk naar zijn gevraagd, onderschrijven deze visie. 'Zelfs als we forse korting zouden krijgen, wat vanwege de vaste boekenprijs niet mag, zou ik het liever niet doen, omdat we dan zelf alle handling moeten verrichten', zegt bijvoorbeeld Van Vlimmeren van Utrecht. 'Het zou mooi zijn als de inkoop voor bibliotheken meer wordt gebaseerd op gebruikersdata', zegt ook Janson van Amstelland. 'Maar ik zie een lokale boekhandel niet investeren in de benodigde software. Daar heb je gewoon een partij als NBD Biblion voor nodig.'
Dat neemt niet weg dat KopGroep Bibliotheken in wezen zo veel mogelijk wél lokaal bestelt. Sprinters en lokale uitgaven koopt het in bij Plukker. En ook dat geldt voor de andere bibliotheken. AanZet gaat daarin waarschijnlijk het verst, omdat de boekhandel de dBos-titels levert. 'Maar ook als de bekende ANV Debutantenprijs eraan komt, die in Dordrecht wordt georganiseerd, bestellen alle vestigingen in het werkgebied extra exemplaren van de genomineerde titels', zegt Salvo. 'Dan nemen we altijd de moeite om lokaal te bestellen.'
(Versies van dit stuk verschenen in Bibliotheekblad en Boekblad)

Zie ook: