Posts tonen met het label Gouden Ganzenveer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gouden Ganzenveer. Alle posts tonen

dinsdag 24 april 2018

Podium brengt bloemlezing van Gouden Ganzenveer-winnares Krog (Boekblad)

De Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog nam gisteren de Gouden Ganzenveer in ontvangst. Podium publiceerde ter gelegenheid daarvan een bloemlezing uit haar drie non-fictieboeken: Hoe alles hier verandert.

'Haar poëzie is goed leverbaar', licht uitgever Joost Nijsen toe. 'Maar haar non-fictie is niet langer in druk. In januari spraken we in Kaapstad over de opties en kwamen we uit op een bundeling van autobiografische stukken. Binnen tien dagen had ze ons een overzicht gestuurd, met alle paginanummers, van de fragmenten die erin moesten plus een nieuwe introductie. Toen zijn we gelijk aan de slag gegaan om het boek tijdig te kunnen leveren – voorzien van sticker met "Gouden Ganzenveer".'
Hiermee is Podium de eerste uitgever die speciaal een boek uitbrengt ter gelegenheid van het uitreiken van de Gouden Ganzenveer. De prijs was in 1955 ooit opgericht door de Koninklijke Nederlands Uitgeversbond, maar wordt sinds 2002 uitgereikt onder auspiciën van een apart stichting. Toch geldt het informeel nog altijd als de oeuvreprijs van de Nederlandse uitgevers. Dat de Gouden Ganzenveer onder de huidige formule ieder jaar aan prestige wint, wordt onderstreept door de publicatie van Hoe alles hier verandert.
Nijsen: 'Wij hebben 2.500 exemplaren gedrukt. Na een spoedmailing vorige week hebben we er daarvan al 800 aan de boekhandel verkocht. Dat is mooi. Of de prijs ook een commerciële impact heeft, zal moeten blijken. Maar er is veel aandacht voor. Wij hebben een heel programma voor haar kunnen maken met interviews met onder andere NRC Handelsblad en De Correspondent, en een optreden in Spui25. Hopelijk zien nu veel lezers ook dat zij een geweldige non-fictieauteur is.'
Krog verkoopt als dichteres goed. 'Zij is ex aequo met Ingmar Heytze mijn bestlopende levende dichter. Wij verkopen altijd wel een paar duizend exemplaren van haar bundel.' Haar non-fictie deed het ook niet slecht, maar dat werd in het verleden door anderen gedaan, dus een precies beeld daarvan heeft Nijsen niet. 'Zij debuteerde als dichteres bij Atlas. Haar boek over de Waarheids- en Verzoeningscommissie zat bij Jan Mets. Later deden wij de poëzie en kwam al haar non-fictie bij Atlas terecht.'
De uitreiking gisteren in het Amsterdamse hotel The Grand was een 'geweldige' belevenis, vond Krogs uitgever. Zoals iedere laureaat van de Gouden Ganzenveer mocht zij een programma samenstellen. Dat resulteerde in enkele bijzondere optredens van haarzelf: een duet met Tom Lanoye uit diens toneelstuk Mamma Medea en – het hoogtepunt van de middag – een gezamenlijk optreden met de Duitse voordrachtskunstenaar Christian Kesten van haar eigen werk in het Nederlands, Duits en /Xam.
Van een controverse was niets te merken. En dat terwijl de Afrikaanstalige Krog een prijs kreeg die iemand bekroont voor diens 'grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal'. Nijsen: 'In eerste instantie was me dat niet opgevallen. Ik vind haar zo goed in het rijtje laureaten passen. Pa daarna realiseerde ik me: zij schrijft niet in het Nederlands. Ik praat ook meestal Engels met haar. En toch blijf ik het een mooie en originele keuze vinden, waarmee Nederland zich stiekem de grootste dichteres van Afrika toe-eigent.'
Zelf zei Krog in haar dankwoord dat het Nederlands, Vlaams en Afrikaans 'als tektonische platen over elkaar heen schuiven'. Onder druk van het Engels zoeken ze 'dringend toenadering tot elkaar'. Dat gebeurt door elkaar te prijzen, zoals met deze bekroning. Alle drie de talen hebben daar baat bij. Dat wil zeggen: zolang de toenadering 'niet uitdraait op conservatieve behoudzucht, maar op progressieve bevrijding'. Daarom 'zal dít ons afzonderlijk voortbestaan bepalen: de bereidheid ons aan te passen aan het vreemde'.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 20 apr)

Meer Afrikaans op dit blog:

zondag 5 november 2017

Portret Arnon Grunberg: 'Ik zeg zelden nee' (Gouden Ganzenveer)

Schrijven? Zeker, dat is leuk, maar het kan heel goed dat ik over een paar jaar wat anders doe. In de eerste periode na zijn debuut deed Arnon Grunberg (1971) het graag voorkomen alsof schrijven niet zijn allergrootste levensvervulling was. Hij was het liefst acteur geworden. Zijn leven leek hem mislukt als hij geen acteur kon zijn. Maar dat had er niet ingezeten. Toen richtte hij zich op het schrijven. En als hij over tien jaar weer iets heel anders zou doen: ook goed.
Zijn debuut Blauwe maandagen zou zijn ontstaan uit een combinatie van toeval en geldnood. De destijds 20-jarige uitgever van Kasimir, gespecialiseerd in niet-arische Duitse literatuur, was in 1991 op de Frankfurter Buchmesse zijn collega Vic van de Reijt van Nijgh & van Ditmar tegengekomen. Na een avond in een Irish Pub, waarin Grunberg honderduit had verteld over zijn leven, zei deze tegen hem dat hij zijn verhalen alleen maar hoefde op te schrijven, dan zou hij die uitgeven.
Drie jaar later lag daar een roman die insloeg als een bom. Er waren 700 exemplaren van Blauwe maandagen ingekocht op aanbieding, de uitgever en auteur hoopten de eerste druk uit te kunnen verkopen. Maar direct na verschijnen publiceerden kranten de ene na de andere laaiend enthousiaste recensie. Interviews volgde, van NRC Handelsblad tot de talkshow van Sonja Barend op tv, en binnen twee weken lag een derde druk in de winkel.
Toen was Grunberg opeens een auteur die van zijn pen zou kunnen leven. Of niet, als hij dat liever niet deed.

Inmiddels weten we beter hoe belangrijk het schrijven voor hem was. Nadat Grunberg wegens ‘gebrek aan techniek’ was afgewezen door de toneelscholen van Amsterdam en Maastricht stortte hij zich maniakaal op het alternatief. Hij schreef het ene na het andere toneelstuk, slechts onderbroken door vele brieven. En hij wilde worden gelezen. Hij stuurde zijn teksten aan theatergezelschappen en gaf een hele reeks boeken in eigen beheer uit. Zo werd het prozagedicht De Machiavellist (oplage 300 exemplaren) in 1990 zijn officieuze debuut.
Hij greep de kans die Van de Reijt hem bood dan ook met beide handen aan. ‘Na dit gesprek [in Frankfurt]’, zo schreef hij hem, ‘gaf u mij uw visitekaartje en sprak daarbij de volgende woorden uit: “Als je nog eens in moeilijkheden zit, bel mij.” Nu is het heel goed mogelijk dat het een beleefdheidsfrase was. (…) [Ik] zit ook niet direct in levensnood. (…) Maar [ik] ben toch wel benieuwd naar elke mogelijkheid die bestaat om de nood ook in de toekomst buiten te houden.’
Grunberg bleek te worden gedreven door een geldingsdrang die resulteerde in een onafgebroken stroom romans, verhalen, toneelstukken, essays, columns, reportages en alle mogelijke overige genres. Amper de 45 gepasseerd heeft hij al een ontzagwekkend oeuvre geproduceerd. En dan te bedenken dat zijn officiële bibliografie, verderop in deze uitgave, alleen maar teksten vermeldt die in boekvorm zijn verschijnen en regulier verkrijgbaar waren.
Het getuigt van een mateloze ambitie die bijna dertig jaar later nog altijd niet is verflauwd. Journalist Mark Schaevers rekende uit dat Grunberg in april 2014 – allesbehalve een atypische maand – 60.553 woorden had geschreven. Inclusief zijn mails en blog, maar vooral voor werk in opdracht. Zo had hij begin 2017 hij een dagelijkse voetnoot in de Volkskrant, wekelijkse rubrieken in de Volkskrant (de Seksrabbijn), VPRO gids, Het Parool en De Standaard en maandelijkse columns in Vrij NederlandHumo en Wordt vervolgd.

De geldingsdrang zou ook het fundament zijn onder zijn aanvankelijke imago van enfant terrible. Hij schroomde niet te schoppen tegen de schenen van collega’s die hij in een eerder leven had gevraagd om naar zijn werk te kijken. Over Ronald Giphart die hem met een bewonderd stuk in NRC Handelsblad had geholpen zijn carrière te lanceren, schreef hij later: ‘Na lezing van uw Boekenweekgeschenk komt de Viva mij voor als een wonder van inhoudelijk en stilistisch vernuft.’
Het toppunt van de geregeld oplaaiende kinnesinne met collega's was de uitreiking van de AKO Literatuurprijs in 2007. A.F.Th. van der Heijden, die dat jaar de prijs zou krijgen voor Het schervengericht, weigerde in één zaal te zitten met Grunberg, genomineerd voor Tirza. Grunberg waarschuwde Van der Heijdens zoon in de door hem begonnen schriftelijke vete voor zijn vader, de gevaarlijke paranoïde gek. Dat was de laatste een brug te ver.
In werkelijkheid was het Grunberg meestal om iets anders te doen, blijkt uit Aan nederlagen geen gebrek, de in 2016 verschenen verzameling van brieven uit zijn beginjaren. Ook toen hij alleen nog naam had gemaakt bij een kleine Amsterdamse incrowd stelde hij zich herhaaldelijk op het standpunt dat eerlijkheid boven alles gaat. Anders kun je net zo goed niets schrijven, hield hij meerdere correspondenten voor. Dat hij scherpe formuleringen gebruikte doet daar niets aan af. Maar veel van zijn collega’s namen Grunberg zijn oprechtheid niet in dank af.
Bekend is ook de luid beleden woede die de auteur voelde jegens Hans Goedkoop, nadat hij Grunbergs tweede roman Figuranten had besproken in NRC Handelsblad. De recensent had beweerd dat de wanhoop van de personages niet voelbaar werd gemaakt, waardoor de bodem onder de humor wegviel. ‘Zolang Hans Goedkoop voor die krant schrijft, zal ik er niet meer voor schrijven’, dreigde hij – zonder overigens zijn woord gestand te doen.
De receptie van zijn eerste werken sluit aan bij zijn imago. Grunberg werd gezien als een cynische nihilist, die alles met de grond gelijk maakte. Schreef ook Goedkoop niet in de gewraakte recensie – tegenwoordig moeiteloos terug te vinden op de website van de schrijver zelf – dat volgens de auteur ‘de wereld is bestemd om uit te monden in een grap’? Vanuit het perspectief van journalisten gezien is het goed te begrijpen dat zij Grunberg, toch een genre op zichzelf, werd ingedeeld bij de auteurs van Generatie Nix.

Het imago begon Grunberg na enkele jaren steeds meer te knellen. Of zoals hij het zelf verwoordde: hij wilde ontsnappen aan zijn eigen geschiedenis, aan alles wat zijn naam opriep. Op 14 oktober 1998, herinnerde hij zich later exact, schiep hij een nieuwe identiteit: Marek van der Jagt. ‘In veel opzichten bevond mijn leven zich in een crisis, financieel, emotioneel en seksueel. Dat verklaart een hoop, maar niet alles’, blikte Grunberg terug in Sterker dan de waarheid.
Onder dit pseudoniem debuteerde Grunberg twee jaar later opnieuw met De geschiedenis van mijn kaalheid. Drie boeken zou Van der Jagt publiceren: twee romans en het Boekenweekessay 2001 – plus een reeks ingezonden brieven en verhalen in verschillende media. Door de overeenkomsten in stijl en thematiek begonnen journalisten Grunberg echter al snel te achtervolgen met de vraag of hij soms achter Van der Jagt schuil ging.
Dat gebeurde zeker toen De geschiedenis van mijn kaalheid de Anton Wachterprijs werd toegekend. Ging een auteur voor de tweede keer een debuutprijs winnen? Al moet daarbij worden gezegd dat Grunberg alleen de eer kreeg. Het bestuur van de Anton Wachterprijs wenste het bijbehorende geldbedrag van 2500 gulden alleen uit te keren aan iemand die kon bewijzen dat hij Marek van der Jagt was. Iets wat Grunberg onmogelijk kon.
De auteur bleef lang hardnekkig ontkennen, terwijl hij tegelijkertijd het spel meespeelde. Zo gaf juist hij de eerste Van der Jagt-lezing tijdens de presentatie van diens tweede roman Gstaad 95-98 in Wenen. Maar op dezelfde dag bekende hij. ‘Ik besluit dat het beter is mijn leugenachtig leven onder mijn eigen naam voort te zetten’, schreef hij daarover. Maar op de vraag ‘Ga je ermee door?’, antwoordde hij ook: ‘Ik ga met alles door. Ik kan niet stoppen.’
Inderdaad zou Van der Jagt drie jaar later nog een essay publiceren: Otto Weininger of Bestaat de Jood?

Tegen die tijd had Grunberg het niet meer nodig om zijn collega's hun plaats te wijzen of een pseudoniem te gebruiken. Hij is al voor zijn veertigste de meest gelauwerde schrijver van zijn generatie geworden. Zijn werk werd overladen met prijzen – inclusief oeuvreprijzen. Hij is met 23 nominaties de auteur die met afstand het vaakst op een shortlist van een van drie grote prijzen stond. En hij won de AKO/ECI, Libris en Gouden Uil het meest: vijf keer maar liefst.
Ook kreeg hij talloze eervolle opdrachten. Van het Boekenweekgeschenk (De heilige Antonio, 1998) en het Boekenweekessay (Monogaam, 2002) tot het essay van de Maand van de Filosofie onder zijn psuedoniem. Van gastschrijverschappen, zoals aan de universiteit Leiden, tot de Frans Kellendonklezing in Nijmegen. ‘Ik zeg zelden nee’, bekende hij ook in Sterker dan de waarheid. ‘Ik zeg wel eens, “Ik moet erover nadenken”, en dat betekent dan: nee.’
En niet onbelangrijk: de maatschappelijke inzet van zijn romans werd steeds zichtbaarder. Zeker sinds De asielzoeker (2003) schijnt niet langer zijn autobiografie door zijn werk, maar onderzoekt hij steeds nadrukkelijker de positie van de mens in een onbeheersbare samenleving. Zo gaat Tirza (2006) over de onzekerheid na Elf September, Huid en haar (2010) over emoties in een tijdperk van doorgedreven kapitalisme en De man zonder ziekte (2012) over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kunstenaar.

Desondanks overwoog Grunberg in 2015 te stoppen met schrijven. Na de dood van zijn moeder Hannelore Grünberg-Klein in februari van dat jaar vroeg hij zich af of het wel zin had om door te gaan, vertelde hij nog dezelfde maand in een interview tegen Nu.nl. Zijn moeder was altijd een belangrijke motivatie. Het moeder-zoonthema komt ook in bijna al zijn werk voor. En na iedere prijs die hem werd toegekend dacht hij in eerste instantie: ‘leuk voor mijn moeder’.
Toch bleek zijn werklust ongebroken. Voortgedreven door een tomeloze nieuwsgierigheid, bleek hij verslag te willen blijven doen van alle experimenten die hij zich in zijn hoofd haalt. Al voor hij debuteerde, maken de brieven uit Aan nederlagen geen gebrek duidelijk, wil hij ieder plan, hoe gek ook, daadwerkelijk uitvoeren. Het bracht hem op televisie als presentator, in Afghanistan als oorlogsverslaggever, in een gezin tijdens hun vakantie, in een slachthuis als stagiair, enzovoorts enzovoorts. Daar kon hij onmogelijk mee ophouden.
Sterker: hij maakte ook van het afscheid van zijn moeder literatuur. In Moedervlekken (2016) trekt een veertiger bij zijn aftakelende moeder in huis – zoals de auteur zelf had gedaan – waarna de angst om haar te verliezen langzaam de bodem onder zijn bestaan haalt. Grunberg biedt zo ‘een breed perspectief op existentiële thema's’, oordeelde de jury van de Libris Literatuurprijs. ‘Grunberg schetst in verschillende toonaarden de gemaskeerde eenzaamheid en de onverslijtbaarheid van trauma's.’
Dus schrijven als iets wat Grunberg een tijdje in zijn leven doet? Dat is al lang niet meer voorstelbaar. Hij zal er tot zijn laatste snik in hetzelfde duizelingwekkende tempo mee doorgaan.
(Eerder verschenen in de speciale uitgave ter gelegenheid van de uitreiking van de Gouden Ganzenveer aan Arnon Grunberg)

zie ook:

dinsdag 10 januari 2017

Gouden Ganzenveer 2017 voor Arnon Grunberg

De Academie De Gouden Ganzenveer kent de Gouden Ganzenveer 2017 per acclamatie toe aan de literaire duizendpoot Arnon Grunberg. Dat maakte Gerdi Verbeet, voorzitter van de Academie De Gouden Ganzenveer, zojuist bekend in het tv-programma Jinek.
'Arnon Grunberg wordt steeds unieker', aldus de toelichting van de Academie. 'Hij beoefent letterlijk alle literaire genres, van romans tot columnistiek, van poëzie tot reportagejournalistiek, van verhalen tot toneel. De traditionele grenzen tussen die genres lijken voor hem niet te bestaan: zijn grenzeloze creativiteit en expansieve literaire persoonlijkheid maken van de hele geschreven cultuur één groot gebied. Daarbij zijn het volume en de regelmaat van zijn jaarlijkse productie onwaarschijnlijk groot en bovenal zijn er weinig Nederlandse schrijvers van nu voor wie engagement zo’n vanzelfsprekende houding ten opzichte van de wereld is als voor Grunberg. Als embedded journalist, als betrokken romanschrijver, als kritisch ingesteld essayist is geen vluchtelingenzee hem te hoog, geen oorlogsgebied hem te gevaarlijk, geen politiek onderwerp hem te netelig. Arnon Grunberg laat als weinig andere auteurs zien hoezeer een vaardige pen geheel kan samenvallen met de persoonlijkheid van een schrijver die middenin de wereld staat. Om al die redenen is Grunberg de ideale kandidaat voor bekroning met de Gouden Ganzenveer 2017.'
De prijsuitreiking vindt plaats op donderdag 6 april a.s. in Amsterdam. Een weerslag van deze bijeenkomst wordt vastgelegd in een speciale uitgave, waarvoor ik wederom – voor de twaalfde keer – de redactie verzorg.

woensdag 7 september 2016

Gouden Ganzenveer 2002-2016 – mijn werk geëxposeerd in Amsterdam

Sinds gisteren is het zover. Bijzondere Collecties, de erfgoedbibliotheek van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, toont de vijftien publicaties die sinds 2002 jaarlijks zijn gemaakt over de laureaten van de Gouden Ganzenveer. Aanvankelijk werd ieder jaar een andere toonaangevende vormgever gevraagd. Sinds 2007 ontwierp Piet Gerards Ontwerpers de uitgave. Dat betekent dat het boekje dat is gewijd aan Xandra Schutte, de laureaat van dit jaar, de tiende is die hij heeft gemaakt.
Het dubbele jubileum van vijftien jaar Gouden Ganzenveer-boekjes en tien jaar ontwerp door Piet Gerards is aanleiding voor de expositie. Ik heb er niets mee te maken. Maar het voelt wel degelijk als een expositie van mijn werk. Ik heb elf van de vijftien boekjes geschreven en geredigeerd. En ik heb – vanzelfsprekend, zou ik zeggen – de tentoonstellingsteksten geschreven.

De kleine expositie is nog tot en met 18 september te zien op de Oude Turfmarkt 129 in Amsterdam. Zie www.bijzonderecollecties.nl.

zaterdag 2 januari 2016

Portret van Geert Mak – bij de uitreiking van de Gouden Ganzenveer 2015

HET IS UITPROBEREN, UITPROBEREN, UITPROBEREN

Het zelf gezien hebben. Dat is een belangrijke voorwaarde voor Geert Mak. Kijk naar de serie 'Ooggetuigen' die hij in de jaren negentig samenstelde – Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis (1991) en Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis (1999), de laatste samen met René van Stipriaan. Zelf aanwezig zijn bij een historische gebeurtenis, legde Mak uit in zijn inleiding van het eerste boek, geeft een verslag 'door een enkel, buiten de journalistieke orde vallend detail een bijna pijnlijke helderheid en kracht'.
Of neem de schrijvers die hem hebben beïnvloed. Joseph Roth en James Agee, somde hij op in een interviewbundel met auteurs van literaire non-fictie. Maar ook literaire auteurs als Emile Zola en Gustave Flaubert en, in het Nederlandse taalgebied, Herman Heijermans en Louis Couperus. Juist door hun manier van kijken. 'L'Education sentimentale is een roman, maar je merkt aan alles dat Flaubert niets zomaar opschreef: hij deed heel gedegen onderzoek en wist precies waar hij het over had.'
Maar hoe schrijf je het beste op wat je hebt gezien? Hoe sleep je lezers mee? Hoe wek je gebeurtenissen tot leven? En: hoe meng je een ooggetuigenverslag met historische analyses en essays zonder de lezer te verliezen? In welke vorm?

Misschien verklaren die vragen waarom Geert Ludzer Mak (Vlaardingen, 1946) een laatbloeier is. Hij is altijd brandend nieuwsgierig geweest naar de wereld om hem heen. Als jongetje van acht, opgroeiend in een pastorie in Leeuwaren en later Hardegarijp, wilde hij al journalist worden. Als student rechten en sociologie verruilde hij in de jaren zestig de Vrije Universiteit voor de Universiteit van Amsterdam, omdat hij uit wilde breken uit de afgesloten tuin van de gereformeerde gemeenschap. Maar hij had tijd nodig om zijn toon en zijn vorm te vinden.
Veel tijd. Voor Mak zijn eerste boek schreef, moet hij al miljoenen woorden hebben gepubliceerd. Aanvankelijk deed hij het erbij. Na zijn studie combineerde hij een baan als docent staatsrecht en vreemdelingenrecht aan de Universiteit Utrecht (UU) met het medewerkerschap van de PSP-fractie in de Tweede Kamer. Hij schreef talloze bijdragen namens de partij voor parlementaire debatten. Ook begon hij in die periode, begin jaren zeventig, stukken te publiceren in De Groene Amsterdammer.
In 1975 werd hij, bijna dertig jaar oud, eindelijk fulltime journalist. Zelfs meer dan dat: als redacteur van De Groene schreef hij in moordend tempo het ene stuk na het andere. 'Op maandagavond, een dag voor de deadline, moest ik altijd nog een commentaar schrijven en drie korte stukken, die ik om een uur of elf, halftwaalf af had,' blikte hij ooit terug. 'Dan ging ik eerst nog naar een snackbar om marsen te trekken, om de nacht door te komen, en dan begon ik aan mijn grote stuk te tikken.'
Tien jaar hield hij dit harde werken tegen een bescheiden salaris vol. Toen sloeg hij zijn vleugels uit. Hij ging schrijven voor de Amsterdamse stadsredactie en het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad. Hij werd buitenlandredacteur van de VPRO-radio. Hij begon langere, vaak historische verhalen te schrijven voor de losbladige uitgave Ach Lieve Tijd en het in 1991 mede door hem opgerichte literaire non-fictietijdschrift Atlas, waar auteurs als Frank Westerman in zouden debuteren.
Toen vond hij definitief zijn vorm. In de reportages uit die tijd vond Mak zíjn antwoord op de vraag hoe je een ooggetuigenverslag zo opschreef dat de lezer de illusie kreeg er zelf bij te zijn geweest. Betrokken bij de mensen over wie hij schreef. Vol details die de hoofdpersonen tot leven wekt. Met gevoel voor symbolen om kleine gebeurtenissen te verheffen tot het grote verhaal. Zo moest het. En analytische en essayistische passages zo in de tekst verweven dat het verhaal nooit uit beeld verdwijnt.
'Al duurt het dan even voordat je het boekenschrijven in de vingers hebt,' vertelde Mak later. 'Als je van langere artikelen naar een boek gaat, moet je leren dat niet alleen elk hoofdstuk een eigen spanningsboog moet hebben, maar het boek in zijn geheel ook. Een probleem waar ik in het begin maar moeilijk uitkwam waren de tijden. Wanneer moet je de verleden tijd gebruiken, wanneer de tegenwoordige tijd? Het eerste maakt een verhaal rustiger, het tweede levendiger, maar als je niet uitkijkt ook hijgerig en verwarrend.'

Eigenlijk had Mak meteen succes als auteur van boeken. The Amsterdam Dream (1986) was misschien nog taaie politieke kost, een doorwrocht betoog in plaats van verhalend proza, maar twee andere boeken met de hoofdstad in de titel – De engel van Amsterdam (1992), over de hedendaagse stad en zijn inwoners, en Een kleine geschiedenis van Amsterdam (1995), over duizend jaar leven aan het IJ – bereikten vanaf verschijning een groot publiek. Een kwart eeuw later zijn ze nog steeds in druk.
Vooral zijn twee volgende boeken maakten van Mak een bestsellerauteur zoals er hooguit één in ieder decennium opstaat. Hoe God verdween uit Jorwerd (1996), over de veranderingen op het platteland sinds de Tweede Wereldoorlog, en De eeuw van mijn vader (1999), over de geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw – het is eerder de vraag: wie heeft ze níét gelezen. Van het laatste boek werden er in Nederland binnen vijf jaar niet minder dan een half miljoen exemplaren verkocht.
De grootste kracht van beide boeken is hun ruimte om je ermee te identificeren. Mak gaf lezers de mogelijkheid om hun eigen leven in een groter verband te begrijpen. Zoals die ene lezer waar Mak graag over vertelt, hij duikt geregeld op in interviews: de boer die na zijn pensionering neerslachtig op zijn bovenkamer voor zich uit staarde, tot hij Hoe God verdween uit Jorwerd cadeau kreeg. Drie dagen zat hij onafgebroken te lezen, de stilte alleen verbrekend met af en toe een klap op tafel, terwijl hij uitriep: 'Zo is het!'.
De neerlandicus Herman Pleij heeft op deze kracht gewezen. 'De behoefte aan identiteit is heel kenmerkend voor deze tijd,' legde hij eens uit een in profiel van Mak in Vrij Nederland. 'En in het bijzonder voor Nederland, waar mensen vanouds hun identiteit ontleenden aan de zuil waartoe ze behoorden. Door de afbraak van de zuilen is een geweldig vacuüm ontstaan. Houvast en verbondenheid wordt nu gezocht in een gedeeld verleden. Mak lijkt daar bij ons de uitvinder van.'

Met het succes kwam de kinnesinne. Vooral van historici op wier terrein de journalist Mak zich sinds Een kleine geschiedenis van Amsterdam steeds meer had begeven. Ze verweten hem achter te lopen bij de nieuwste wetenschappelijke inzichten, een nostalgisch beeld te schetsen van het verleden, en een onvolledig verhaal te vertellen. Sommige historici beperkten hun zuinige lof tot het prijzen van Maks vaardige pen en zijn inzet voor de popularisatie van hun vakgebied, waar ze indirect van profiteerden.
Mak heeft de kritiek zich – in ieder geval in het openbaar – nooit aangetrokken. De feiten moeten altijd correct zijn. Hij doet de waarheid nooit meer geweld aan dan meerdere gesprekken samenvoegen tot één. Maar hij heeft een ander doel dan historici, meent hij. Hij wil niet de volledige werkelijkheid schetsen, maar een verhaal vertellen. 'Historici hebben nog wel eens de neiging om het verhaal te verwaarlozen omwille van een grote hoeveelheid feiten. Ik ben juist in die verhalen geïnteresseerd.'
Hij kon het zich veroorloven omdat de eerbewijzen de jaloezie verre overtroffen. Hij kreeg om te beginnen vele bekroningen en onderscheidingen. Van een vakjury als die van de Henriëtte Roland Holst-prijs, die sociale bewogenheid én literair niveau bekroont. Van het publiek dankzij wiens stem hij tot twee keer toe de Publieksprijs voor het beste Nederlandse boek won. Van historische journalisten die hem in 2004 verkozen tot Historicus van het jaar. Van de Open Universiteit die hem zijn eerste eredoctoraat toekende.
Ook de CPNB wist hem te vinden. Nadat hij in 1998 het Boekenweekessay had geschreven, werd hij in 2007 de eerste en tot nu toe enige non-fictieauteur van het Boekenweekgeschenk sinds begin jaren tachtig is begonnen met de traditie van literaire geschenkboeken. De brug, verschenen in een monsteroplage van 890.000 exemplaren (plus nog eens 20.000 in een Turkse vertaling), beschrijft het leven van straatverkopers op de brug over de Gouden Hoorn in Istanbul en tegelijkertijd, typisch Mak, de complexe band tussen Oost en West.
Maar het grootste eerbetoon is wellicht dat Maks succes hem de godfather van een nieuwe stroming maakte: de literaire non-fictie. In zijn spoor kregen auteurs als Jan Brokken, Annejet van der Zijl, Joris van Casteren, Judith Koelemeijer, Gerard van Westerloo en Frank Westerman – ook al waren sommigen van hen al lange tijd in dit genre actief – meer aandacht. Fantastische auteurs, vindt Mak ze, met ieder hun eigen sterke punt. Wat hemzelf onderscheidt van hen, denkt hij, is zijn gevoel voor compositie.
'Als ik een indeling heb gemaakt van het materiaal en het op volgorde heb gezet, ga ik componeren. Zo ontstaat een draaiboek waarin ik aangeef: hier ga ik ongeveer dit behandelen, daar ga ik zus en zo doen. Componeren is het leukste wat er is. Het is uitproberen, uitproberen, uitproberen. Werkt dit? Werkt dat? Je moet de lezer lokken, prikkelen. Ik denk dat ik er goed in ben. In Europa leest als een trein en onder de motorkap is het verdomd ingewikkeld boek. Daar ben ik tevreden over.'

Zoals blijkt uit De brug heeft Mak zich de laatste jaren vooral geconcentreerd op het buitenland. Voor zijn magnum opus In Europa (2004), meer dan twaalfhonderd bladzijden dik, bereisde hij het hele continent. Voor Reizen zonder John reed hij bijna in zijn geheel van Oost naar West en terug door het minstens zo grote continent Amerika. Wie bedenkt hoeveel research, reportagearbeid en schrijftijd daarin is gaan zitten, kan niet anders dan diep onder de indruk zijn dat ze toch zo snel zijn ontstaan.
Soms denk je daarbij onwillekeurig: Mak biedt alleen ons inzicht in de grote wereld. Wie struint er immers regelmatig rond in boekhandels in andere landen? Maar dan is buiten het grote aantal vertalingen gerekend dat van zijn werk is gemaakt en de lof die hij elders heeft ontvangen. Van de grote Westerse talen tot Deens, Bosnisch, Russisch, Chinees, Grieks – in al die talen is zijn werk verschenen. Het leverde hem onder meer een eredoctoraat van de Westfälischen Wilhelms-Universität in Münster op.
Het sprekendste bewijs voor zijn internationale faam, zoals Mak zelf heeft ontdekt in zijn lange leerjaren, is evenwel een detail. In de vorm van een anekdote dit keer. Toen de Noorse auteur Karl Ove Knausgård, dé schrijver die momenteel wereldwijd wordt gelezen, begin dit jaar op uitnodiging van The New York Times door Amerika reisde, had hij ter voorbereiding van de duizenden en duizenden beschikbare reisboeken, politieke analyses uitgerekend de vertaling van Reizen zonder John meegenomen.
Niet zonder reden. Ook zonder het scherpe contrast met zijn eigen onkunde als reisschrijver en gebrekkige voorbereiding was Knausgård vol bewondering voor 'de Nederlandse verslaggever'. '[Mak] had alinea's met statistieken over Amerika en Amerikanen, hij citeerde uit een groot aantal boeken, inclusief die van Alexis de Tocqueville en, niet in het minst, hij had iets te zeggen over Amerika, hij was in staat om wat hij zag in een economische, politieke en culturele context te plaatsen.'

Ware woorden. Die ongetwijfeld ook in de toekomst gezegd kunnen worden over de landen, geschiedenissen of onderwerpen waarover Mak dan zal schrijven.

donderdag 3 december 2015

Gouden Ganzenveer 2016 voor Xandra Schutte

Dat heeft Gerdi Verbeet, voorzitter van de Academie De Gouden Ganzenveer, zojuist bekend gemaakt in het tv-programma Opium. Schutte is sinds 2008 hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, maar publiceert ook essays in andere media. Over literatuur, kunst, feminisme en tal van sociologische thema's. Ook is ze vaste gast in het radioprogramma OBA Live en is ze als gastdocent verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze het college journalistiek & kritiek verzorgt.
'Door de combinatie van schrijftalent, creativiteit, eigenzinnigheid en kwaliteitsbesef met het vermogen tot faciliteren en stimuleren van jongere generaties, levert Schutte in verschillende hoedanigheden een gezaghebbende bijdrage aan de Nederlandstalige cultuur,' motiveert de Academie in het persbericht haar keuze. 'Zij wist De Groene Amsterdammer om te vormen tot een breed en bloeiend platform voor serieuze essayistiek en journalistiek en tot broedplaats voor jong journalistiek talent.'
Schutte krijgt de prijs uitgereikt op 21 april 2016. Een weerslag van de bijeenkomst in hotel The Grand in Amsterdam wordt vastgelegd in een speciale uitgave – door mij, inmiddels voor de elfde keer.

Zie ook enkele portretten van eerdere winnaars van de Gouden Ganzenveer: David van Reybrouck,Ramsey NasrAnnejet van der Zijl en Joost Zwagerman.

woensdag 1 oktober 2014

Portret van Gouden Ganzenveer-winnaar David Van Reybrouck


Alleen een schrijver heeft de volledige vrijheid om zijn fascinaties na te jagen

De wetenschap leek David Van Reybrouck (1971) als middelbare scholier een oase. Ongehinderd door de verwachtingen van de maatschappij zou hij, zoon van een spoorwegingenieur en een docente plastische opvoeding, aan de universiteit zijn leven kunnen wijden aan onderzoek en denkwerk. Voortgedreven door persoonlijke nieuwsgierigheid zou hij de grenzen van de menselijke kennis verleggen. 'Een beschutte werkplaats' noemde hij de wetenschap ooit.
Vanaf het moment dat de West-Vlaming zich op de academie meldde, verging het hem voorspoedig. Hij studeerde archeologie en wijsbegeerte in Leuven en Cambridge. Hij promoveerde in 2000 in Leiden op een geschiedenis van de invloed van studies naar mensapen op de beeldvorming van de vroegste mensen, waarna hij postdoctoraal onderzoeker werd aan het departement geschiedenis van de Katholieke Universiteit Leuven. Ook was hij redacteur van het vaktijdschrift Archaeological dialogues en had hij interessante nevenbaantjes als het coördineren van de Archives of European Archaeology.
Hij hield zich bezig met alles wat hem fascineerde. De geschiedenis van de archeologie, de architectuur van negentiende-eeuwse dierentuinen, het koloniale verleden, de cultus van opgezette dieren – de onderwerpen van zijn wetenschappelijke publicaties zijn divers. Wat kon hij zich nog meer wensen?
Toch knaagde sinds 1994 de twijfel. Toen de jonge twintiger in Cambridge met een zware griep in bed lag, las hij Het verdriet van België van Hugo Claus. 'Na een trimester academisch geneuzel in upper class Engels vind ik plots mijn taal terug', schreef hij daags na het overlijden van de grootste naoorlogse Vlaamse auteur. 'Nee, niet het Nederlands natuurlijk, maar die eerste taal, dat lijzige West-Vlaams dat gij als enige in het Nederlands wist weer te geven. (...) Drie dagen en nachten lig ik in bed, te lezen en te rillen. Als ik genezen ben, heeft de wetenschap voorgoed een deel van haar glans verloren. Er is een nieuwe koorts in me gevaren.'
Het scheppen van taal – het zoeken naar treffende metaforen, het vinden van de juiste cadans van een tekst, het in elkaar zetten van een tegelijk geraffineerde en stevige structuur. Was dat niet wat hij eigenlijk wilde?

Kort na voltooiing van zijn proefschrift stortte Van Reybrouck zich op de ontdekking die hij een paar jaar eerder had gedaan, dat de ongrijpbare Zuid-Afrikaanse dichter en natuuronderzoeker Eugène Marais was geplagieerd door Maurice Maeterlinck, de enige winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur uit de Lage Landen. Hoe zat dat precies? Hij reisde er met een beurs van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek zelfs voor naar Zuid-Afrika.
Het zou een reportage worden. Uit verlangen schrijver te worden was hij inmiddels actief als freelance journalist voor De Morgen. Het werd een boek: De plaag, dat in 2001 verscheen. Geconfronteerd met de bittere realiteit van het multiculturele land dat zo kort na het einde van de Apartheid zijn nieuwe identiteit zocht, kon hij niet over zijn ervaringen daar zwijgen. 'De wrok van de blanke gemeenschap, de verspreiding van aids, de alomtegenwoordige criminaliteit', zoals de achterflap van het boek het opsomde – Van Reybrouck moest erover schrijven.
'Voor ik aan het boek begon,' vertelde hij later in een interview aan zijn eigen krant, 'was ik een gedreven onderzoeker. Je zou kunnen zeggen dat De plaag ook over mijn metamorfose van nuchtere onderzoeker naar razende reporter gaat. De realiteit van Zuid-Afrika heeft me doen beseffen hoe futiel mijn onderzoek was. Ik wou verslag doen van die ervaring, wou de versplintering die ik ondervond in zo'n complex land zo nauwkeurig mogelijk weergeven, zonder met gemakzuchtige oplossingen aan te komen dragen.'
Het vitaal geschreven boek had succes. Van Reybrouck werd ervoor genomineerd voor de Gouden Uil. Hij won de Vlaamse Debuutprijs. Hij kon verhalen en gedichten kwijt in prominente literaire tijdschriften. Hij kreeg interessante aanbiedingen. Een column voor een veelbeluisterd programma op de Vlaamse radio 1. Een theatermonoloog voor Josse de Pauw, dat die Siel van die Mier zou gaan heten.
Kon hij soms net als Hugo Claus van de pen gaan leven?
'Ik heb het gevoel dat ik binnenkort iets moet beslissen', vertelde hij ergens tegen het einde van 2004 aan De Pauw, nadat die zijn woorden eerder die avond op het toneel tot leven had gewekt. Hij had het gevoel dat zijn handen schrijnden van het schrijven. Maar: hij wilde niet dat ze heelden. De Pauw antwoordde resoluut: 'Gij moet niet beslissen, gij. Gij hebt allang beslist, alleen weet ge dat nog niet.'
Toen hij thuisgekomen was, zag hij een documentaire over Claus op televisie. 'Ik kan niet slapen die nacht', blikte Van Reybrouck later terug. 'Ik denk aan dat congres in Washington dat ik alleen maar heb kunnen overleven doordat ik Een zachte vernieling las, uw meest miskende boek. Ik denk aan afgelopen zomer, toen die hittegolf nog erger werd doordat ik voor de zoveelste keer De Oostakkerse gedichten herlas. Ik denk aan middagen op het platteland omgeven met Metsiers en Deedees.'
En hij besluit: 'Voortaan ga ik alleen nog schrijven.'

Bovendien moet Van Reybrouck inmiddels hebben begrepen dat alleen het schrijverschap hem volledige vrijheid zou geven. De universiteit, dat is ook: eindeloos vergaderen, in colleges jaar in jaar uit hetzelfde verhaal afsteken, fondsen werven voor onderzoek. Een schrijver hoeft alleen maar een uitgever te vinden die erop vertrouwt dat zijn persoonlijke interesse leidt tot een goed boek. En als een schrijver zo goed zijn ambacht beheerst zoals Van Reybrouck, is dat vertrouwen er per definitie.
Sinds hij in 2005 afscheid nam van al zijn academische verplichtingen heeft hij uitsluitend gedaan waar hij goesting in had. Alle denkbare genres beoefenen: poëzie, romans, toneel, essays. In ieder onderwerp duiken dat zijn belangstelling wist te wekken: missionarissen in het postkoloniale tijdperk, mogelijke oplossingen voor de crisis in de democratie, de geschiedenis van Congo vanuit het perspectief van Congolezen zelf.
Nooit schreef hij een tekst omdat hij er opdracht toe kreeg of vanwege het inkomen dat het opleverde, zo lijkt het. Zelfs de teksten waarvan je dat het minst verwacht, zijn sterk gedreven door persoonlijke motieven. De bundel Waar België voor staat met toekomstscenario's voor zijn verscheurde vaderland, dat hij mede samenstelde, is ontstaan uit ongenoegen met de groeiende separatistische neigingen in Vlaanderen. Zijn Pleidooi voor populisme is ingegeven door de schaamte die hij, lid van de hoogopgeleide elite, voelde toen hij besefte neer te kijken op het klootjesvolk. Hij wilde zijn eigen blinde vlek analyseren.
Terugkeren naar de universiteit is voor hem geen optie meer – tenzij voor een tijdelijke aanstelling als de Cleveringa-leerstoel aan de Universiteit Leiden die hij in het academiejaar 2011/2012 bekleedde. Onlangs bekende hij in het tijdschrift Vooys: 'Tien jaar geleden wist ik niets over Congo, en nu ik het weet bieden ze me aan gasthoogleraar te worden, maar geen haar op mijn hoofd die eraan denkt!' Dat zou me de totale horror lijken: nog een keer hetzelfde vertellen. Geef me geen vak, geef me een vraag. Dan zal ik to the best of my understanding and knowledge proberen die vraag te beantwoorden. Heb ik hem eenmaal beantwoord, dan vind ik hem niet meer interessant.'

Toch is Van Reybroucks academische achtergrond altijd herkenbaar gebleven. Als archeoloog heeft hij leren graven en denken. Als schrijver zijn graven en denken zijn hoofdactiviteit gebleven, luidt het kernachtig op zijn eigen website. Aan al zijn werk ligt uitputtende research ten grondslag. Het toneelstuk Missie bestaat voor meer dan tachtig procent uit uitspraken van missionarissen die hij heeft geïnterviewd in het veld in Congo of in hun Belgische rusthuizen. Zelfs zijn poëzie zou ongeschreven zijn gebleven als hij, bij wijze van spreken, niet eerst in archieven en bibliotheken had gespeurd naar relevante achtergrondinformatie of op een locatie ter plekke de sfeer had geproefd.
'Research is voor mij ook een kwestie van inspiratie', zei hij. 'Waarom zou je alles uit je duim moeten zuigen als de meest onwaarschijnlijke verhalen zo klaarliggen? Je hoeft maar je deur en raam open te doen om materiaal te vinden. Schrijvers met een writer's block, ik kan me daar niets bij voorstellen. Ik vind de werkelijkheid de beste fantasie. Ik snap niet dat mensen daar zo weinig mee doen.'
Ook zijn enige roman tot op heden, het melancholiek getoonzette Slagschaduw uit 2007, vond zijn oorsprong in diepgravend onderzoek. Ten eerste was dat de speurtocht naar de vrouw die tachtig jaar geleden model stond voor het standbeeld van Gabrielle Petit, een Belgische verzetsheldin uit de Eerste Wereldoorlog. Zij beweerde dat ze reuma had gekregen van de lange dagen poseren in het tochtige atelier van de beeldhouwer. Over deze onbekende plande Van Reybrouck aanvankelijk een novelle.
Ten tweede kwam daar het onderzoek bij naar wat hem zelf voortdreef. Van Reybrouck schiep daarop een freelance journalist die het onderzoek naar het model verricht. Deze Rik, zo sterk gemodelleerd naar zichzelf dat Van Reybroucks moeder zei dat ze Slagschaduw moeilijk anders dan als autobiografisch kon lezen, worstelt met zijn verdriet – om een teloorgegane relatie, de dood van een vriend en de moeizame relatie met een vaste opdrachtgever die commerciële motieven laat prevaleren boven de inhoud. Alleen door de ontdekking hoeveel geluk er schuilt in onderzoek doen en in scheppen, zonder je druk te maken om het resultaat daarvan, slaagt Rik erin om een nieuwe balans te vinden in zijn bestaan. Zoals, ongetwijfeld, voor de schrijver zelf geldt.

Een non-fictieauteur zal Van Reybrouck zich nooit noemen. Hij is een kunstenaar voor wie de artistieke en literaire keuzes minstens zo belangrijk zijn als de inhoudelijke. Onvermoeibaar zoekt hij naar de juiste formulering. Als de monteur van een film knipt en plakt hij net zo lang tot hij het perfecte ritme van de tekst heeft. De spannende variatie van toon en stijl die zijn vaak alle kanten uitwaaierende onderwerp binnen één tekst bij elkaar houdt.
'Tijdens het schrijven zelf hanteer je geen principes, je werkt vooral op gevoel', legde hij ooit uit. 'Ik besteed wel ontzettend veel aandacht aan de structuur van mijn teksten. Bij het schrijven van Missie printte ik de tekst op een gegeven moment uit. Ik legde de bladzijden uit op de vloer van mijn atelier en begon post-its te plakken, om zo letterlijk de architectuur van die tekst te zien: waar zegt wie wat, waar komt iets terug? Dat zijn technieken die ik hanteer om een verhaal te stroomlijnen.'
Tegelijk verraadt ook zijn stijl hoe schatplichtig hij is aan zijn wetenschappelijke achtergrond. Zoals een archeoloog met kleine artefacten – een bijlpunt, een potscherf, een halfvergane schoen – een hele geschiedenis kan blootleggen, zo zoekt hij in iedere tekst opnieuw naar dat ene detail of dat ene beeld dat het hele verhaal vertelt. Van Reybrouck is een meester van de beeldspraak.

Ook na De plaag hoefde de tot het schrijven bekeerde Van Reybrouck nooit over gebrek aan erkenning te klagen. Bijna al zijn werk is bekroond of genomineerd geweest. Maar één werk steekt in waardering bij jury's en publiek boven alles uit: Congo. Een geschiedenis. Na verschijning in het voorjaar van 2010 won het vuistdikke maar meeslepende boek dat geschiedschrijving en journalistiek in één is, in het najaar binnen een maand achtereenvolgens de Libris Geschiedenis Prijs, de Jan Greshoffprijs en de AKO Literatuurprijs. Zoiets was nooit eerder vertoond.
Bij zo veel lof kon het tot het uiterste nieuwsgierig gemaakte publiek niet achterblijven. Congo – al eerder een verkoopsucces in Vlaanderen – schoot in Nederland de bestsellerlijst in. De paperbackeditie miste nipt de eerste plaats, de hardcovereditie reikte tegelijkertijd tot positie 53. Toen de jaarrekening werd opgemaakt stond het boek op 33 in de top 100 van bestverkochte boeken. En dat terwijl het de historie van een land beschrijft waar niemand in Nederland ook maar iets van wist. Of het moest half opgezogen kennis zijn over rubber, verkrachtingen en gigantische oerwouden.
Toen eenmaal vertalingen van Congo begonnen te verschijnen, volgde in met name Frankrijk een nieuwe vloedgolf van prijzen. De meest waardevolle daarvan vond Van Reybrouck de prijs die met het minste geld was gedoteerd: de Prix Mahogany – een prijs zonder traditie en dus met nog weinig prestige, dat de winnaar niet meer dan een Afrikaans schilderij oplevert, maar wél bedoeld voor het beste boek over Afrika ten zuiden van de Sahara.
'Normaal wordt die prijs alleen gegeven aan Afrikaanse auteurs, maar in dit geval aan een toch zéér blanke schrijver, dus veel mooier kan een compliment niet zijn', reageerde de winnaar van de editie 2013 in de categorie non-fictie. 'De uitreiking is zeer informeel in een café in Parijs, waar de organisatie een zaaltje afhuurt voor een veertigtal jonge Afrikaanse journalisten. Ik heb daar gewoon een aantal uren mogen praten met deze briljante Afrikanen. Het was fantastisch, één van de gelukkigste momenten van het jaar.'

Inmiddels is Van Reybrouck al zo lang wetenschapper af dat hij onbeschaamd praat over het grootste genoegen in zijn leven: het schrijven zelf. 'Ik beleef mijn gelukkigste momenten als schrijver terwijl ik aan het schrijven ben. Het vastzitten in een tekst en het helemaal niet meer weten, dat gevoel is mij vreemd, ik vind schrijven een feest. Ik heb maar zelden vastgezeten in een tekst: Congo schreef heel erg vlot. Ik heb het in elf maanden geschreven en dat waren elf buitengewoon helse, maar ook zeer gelukkige maanden. Missie heb ik in vier weken geschreven. Zodra ik echt goed weet waar ik naartoe ga is schrijven een onwaarschijnlijk prettige, intense ervaring.'
Uitsluitend schrijven, en daar research voor doen, dat lukt hem niet. Hij was voorzitter van PEN Vlaanderen en fungeerde na de landelijke Belgische verkiezingen van 2010 en de daaropvolgende slepende kabinetsformatie als boegbeeld van de G1000. Deze 'burgertop' was bedoeld om gewone burgers een stem te geven in de relevante maatschappelijke discussies. Eerst kon het publiek via internet een lijst van 25 belangrijkste thema's samenstellen. Vervolgens werden 1000 willekeurige burgers uitgenodigd erover te komen praten, waarna 32 Belgen de voorstellen hebben uitgewerkt.
Waarom kon Van Reybrouck na de publicatie van Congo niet 'een beetje lummelen, een beetje op mijn lauweren rusten, een beetje van het succes genieten'? Hij beantwoordde deze door een kennis opgeworpen vraag in het dankwoord voor de Van Acker Prijs die hij in 2012 juist voor zijn inzet voor de G1000 kreeg. 'In mijn eentje prutsen aan een tekst is het allerliefste wat ik doe. Maar het is lastig schrijven als het dak lekt. En het dak lekt – onze democratie waar wij allemaal zo veel aan te danken hebben – en nog geen klein beetje ook. Daarvoor ben ik bereid een deel van mijn geloofwaardigheid op het spel te zetten.'

Maar ook de energie kan hij kennelijk alleen voor een nobel doel opbrengen als het leidt tot een boek. In dit geval het vorig jaar verschenen Tegen verkiezingen, waarin hij alles wat hij heeft geleerd over democratie en verkiezingen heeft ingezet voor een vlammend, helder betoog over het loten als mogelijke oplossing voor het afkalvende vertrouwen in de manier waarop wij worden geregeerd. Want het schrijven – dat is de werkelijke oase waar hij altijd naar terug zal keren.
(Eerder verschenen in het onlangs verschenen boekje ter gelegenheid van de uitreiking van de Gouden Ganzenveer 2014)

Zie ook de bekendmaking van de winnaar en de portretten van andere winnaars: Ramsey Nasr, Annejet van der Zijl en Joost Zwagerman.