zondag 17 november 2013

Gerwin van der Werf - 'Luchtvissers' (BOEK)


De luchtvissers op het (fictieve) Deens eilandje Lundines leven van de papegaaiduikers die ze, op een hoge klif, met een schepnet vangen. Maar de personages in de naar dit (eveneens fictive) beroep vernoemde roman van Gerwin van der Werf zijn het ook in overdrachtelijke zin: in uiterst gevaarlijke omstandigheden proberen ze met het schepnet dat hun verstand is, de zin en het nut van hun leven te vangen, zonder welke leven onmogelijk is.
Van der Werf volgt drie personages, die allemaal, zonder het van elkaar te weten, op Lundines achterblijven als het eiland wordt geëvacueerd. Een naamloze ik-verteller die de dood van een kind op zijn geweten heeft. De dominee die zijn geloof heeft verloren. En een oude man die voor zijn krankzinnig geworden vrouw moet zorgen. Het liefst willen ze sterven, maar omdat ze tegen hun verwachtingen in niet alleen op het eiland zijn, voelen ze zich – aanvankelijk – gedwongen te blijven leven.
En dan zijn er nog Jens en zijn dochter Jo-Anne. De visser Jens heeft een andere reden om achter te blijven, die hier beter verzwegen kunnen worden. Maar die reden geeft de ik-verteller, zodra hij het eindelijk snapt, wel een kans om in het reine te komen met de fouten die hij heeft gemaakt.
Het eindresultaat is een evenwichtige, spannende, sterk geschreven roman, die de existentiële vraag naar het waarom van je leven op scherp stelt. Een vraag, zo maakt de auteur ook duidelijk, die je onmogelijk kunt ontvluchten. Luchtvissers is daarmee Van der Werfs beste werk tot nu toe.

Gerwin van der Werf – Luchtvissers (256 p.) – Atlas Contact, € 19,95.
(Eerder verschenen in BOEK 6, 2013)

Zie ook: Gerwin van der Werf over zijn debuut 'Gewapende man'

zaterdag 16 november 2013

Interview: Midas Dekkers over Nederland Leest-actieboek 'Erik of Het klein insectenboek' van Godfried Bomans (Bibliotheekblad)


‘In dit werk gaan de humor en wijsheid van Bomans gelijk op’

Erik of Het klein insectenboek van Godfried Bomans zette Midas Dekkers (1946) niet op het spoor van de biologie. Integendeel. Het actieboek van Nederland Leest viel hem bij eerste kennismaking eind jaren vijftig vies tegen. ‘Ik weet niet hoe oud ik was. Zullen we er elf van maken? In ieder geval op de leeftijd dat ik me te groot voelde voor een sprookje. Ik weet niet of ik het wel uit heb gelezen.’
De kleine Erik Pinksterblom ligt in het eerste hoofdstuk in bed, denkt in zijn sluimer dat de schilderijen tot leven komen en verdwijnt dan in het zonnige landschap aan de muur, waar hij extreem verkleind tussen de insecten beland. ‘Voor een kind die denkt dat hij al een grote jongen is een enorme tegenvaller. Ik probeerde juist omhoog te lezen. Ik pakte altijd boeken voor kinderen die ouder waren dan ikzelf.’
Dekkers bevond zich in het begin van de puberteit – de leeftijd waarop een kind begint te veranderen in een volwassene. ‘Een tijd waarin je het beste in een groot gat kunt gaan zitten en hopen dat het overgaat.’ Maar ook: een periode in een mensenleven die volgens Dekkers hetzelfde biologisch verschijnsel is als het verpoppen van een rups in een vlinder, zoals hij beschreef in De larf (2002).
‘Ergens had ik blijkbaar opgevangen dat Bomans in Erik over de metamorfose schreef. Toen heb ik het boek voor De larf herlezen. Ik viel steil achterover van de scène waarin de hotelkamer zich zorgen maakt over de vraag wie de rekening gaat betalen. De rups, die de kamer boekte maar die niet meer bestaat. Of de vlinder, die er niet was toen de kamer werd geboekt. Daar had ik niets maar aan toe te voegen.’
Bomans wist niets van biologie. Maar juist daarom had hij – ‘een man met een meer dan middelmatig verstand’, zegt Dekkers – een verfrissende blik op de metamorfose. ‘En zo bondig en zo geestig neergezet. Dat was veel beter dan iemand die precies weet hoe het zit, ooit had kunnen opschrijven. Gelukkig kwam ik later bij mijn positieven en heb ik met De larf toch nog een boek van 250 pagina’s kunnen schrijven.’
Sindsdien heeft Dekkers Erik of Het klein insectenboek een paar keer gelezen – ook weer voor Nederland Leest. ‘Iedere keer moet ik er om lachen. Ieder keer ontdek ik een nieuw laagje. Erik is een van die zeldzame kinderboeken die zowel kinderen als volwassenen waarderen. En al staat het bekend als kinderboek, je kunt het beter als volwassene lezen dan als kind.’

Dekkers kent het werk van Bomans (1913-1971) goed. In de jaren vijftig en zestig was de schrijver alomtegenwoordig – op radio en televisie, in de krant. ‘Iedereen las dat. Hij hoorde bij het nationale volksgevoel.’ Als Haarlemmer was zijn plaatsgenoot helemaal heilig. ‘Wil je in Haarlem meetellen, dan moet je hem gekend hebben. Of minstens naast de werkster van zijn ouders hebben gewoond.’
Het doet hem daarom ‘een groot genoegen’ dat hij nu de kans krijgt het werk van Bomans onder de aandacht te brengen. ‘Het is een groot raadsel waarom hij – en ook Simon Carmiggelt – ogenblikkelijk na hun overlijden in een diepe vergeetput zijn gelazerd. Misschien wel omdat ze werden weggezet als humoristen. Ooit was dat het denigrerendste wat een schrijver kon overkomen.’
Bomans wordt volgens Dekkers vaak herinnerd om zijn oubolligheid. ‘Dat weerhoudt mensen ervan om zijn frisse werk te lezen. Daar behoort Erik zeker toe. In dit werk gaan de humor en wijsheid van Bomans gelijk op, waar zijn later werk wordt overwoekerd door het soort humor waarmee hij op de radio en tv succes had. Zie ook de voorwoorden die hij voor Erik maakte – elke keer lolliger, elke keer vreselijker.’
Erik is juist een van de laagdrempelige boeken waarvoor je als niet-lezer wordt beloond, zegt Dekkers. ‘Het is makkelijk te lezen. Logisch, Bomans was een voortreffelijk schrijver. Je wordt er al snel ingezogen. Het is leuk. Je wordt er wijzer van. En dan denk je al snel: kom, ik lees nog eens een boek. Het is daarom bij uitstek een boek waarvoor Nederland Leest is bedoeld.’

In deze tijd bevindt de populaire biologie zich op een hoogtepunt, merkt Dekkers op. Ook daarom is Erik of Het klein insectenboek een goede keuze als actieboek. ‘Naar al die series van David Attenborough en consorten kijken een ongekend groot aantal mensen. Ze zijn populairder dan een quiz of voetbalwedstrijd. Ik meen zelfs dat de belangstelling voor insecten, die in Bomans tijd groot was, weer aantrekt.’
Het mooie van Bomans is daarbij vergeleken zijn gebrek aan moraal. ‘Als de zoveelste krokodil de zoveelste gnoe in het water trekt, wordt er in natuurseries altijd gezegd: de natuur is mooi, maar wreed. Of andersom. En anders vervult de aanzwellende muziek wel die rol. Bij Bomans is de natuur gewoon de natuur. Een paardenvlieg wordt klaargemaakt en opgediend. Daar maakt hij verder geen woorden aan vuil.’
Erik is daarom een van de beste boeken over dieren, vindt Dekkers. ‘Al wil ik mijn liefde voor Anton Koolhaas niet verloochenen, die als een van de weinige schrijvers dieren als volwaardige personages laat optreden. Bij hem zijn dieren geen verbeeldingen van menselijke beslommeringen, maar beesten op zich. Helaas is hij in dezelfde of naburige vergeetput beland als Bomans.’
Vergeleken bij Koolhaas dierenverhalen schreef Bomans eerder een fabel. ‘Maar wel een goede. Het kenmerk van een slechte fabel is dat je erbij in slaapt valt. Het kenmerk van een goede fabel is dat je er juist door wakker wordt geschud. Het verschil wordt veroorzaakt door de moraal. Bij een slechte fabel ligt die er duimendik bovenop. Bij een goede fabel mag je zelf naar de moraal zoeken.’

In Bomans’ voorwoorden voor herdrukken van Erik, die ook in het actieboek zijn opgenomen, weerlegt hij de kritiek die hij zou hebben gekregen van biologen. Ze zouden hem voor hebben gehouden dat een duizendpoot geen duizend, maar zestien poten heeft. Dekkers denkt niet dat dat echt is gebeurd. ‘Ik ben bang dat biologen, zeker entomologen, helemaal geen literatuur lazen.’
Toch staat er een fout in het boek: de doodgraver kreeg van Bomans acht poten – twee te veel. ‘Maar ik verdenk hem ervan dat hij biologen expres over die pootjes liet struikelen. Hij maakt henwel meer belachelijk. In hun taalgebruik. Of in de in zijn ogen overdreven aandacht voor details. Anders was het misschien om aan te geven dat het hem zelf niks kon schelen.’
De bioloog Dekkers zul je niet over het boek horen klagen. ‘Bomans neemt juist verhelderende standpunten in, zelfs voor een bioloog. Zo had men in zijn tijd al bij de evolutieleer de bijgedachte dat die synoniem is met vooruitgang. Dat je van een eencellige een worm wordt, dan met pootjes een kikker, vervolgens een aap, om eindelijk uit te komen bij het allerhoogste en –mooiste: de mens.’
Maar wat doet Bomans? ‘Hij voert een worm op die aan Erik vraagt hoeveel poten hij heeft. Twee benen en twee armen, zegt Erik. Veel te veel! Want vanuit het perspectief van de worm is het hebben van aanhangsels primitief. U bent waarschijnlijk een worm op weg, zegt hij dan. Het is maar één regeltje, maar het is een omkering van het geldende wereldbeeld van jewelste. Verschrikkelijk leuk.’
(Eerder verschenen in Bibliotheekblad november 2013)

Meer Nederland Leest:

vrijdag 15 november 2013

Drie verjaardagsuitgaven voor tachtigjarige Cees Nooteboom (Knack)

Uitgeverij De Bezige Bij zet zijn voornaamste Nobelprijskandidaat Cees Nooteboom bij zijn tachtigste verjaardag in het zonnetje. Met drie bijzondere uitgaven.

Hoeveel gelegenheden resteren Cees Nooteboom voor een groot feest? ‘Theoretisch bestaat de mogelijkheid dat ik [de Nobelprijs] krijg nog zolang ik leef – en mijn moeder is zevenennegentig geworden, vertel ik er maar even bij.’ En: ‘Hugo Claus heeft een keer gezegd dat ze hem alleen al uit humanitaire overwegingen die Nobelprijs hadden moeten geven, en ik begrijp wel wat hij bedoelde. Eerst schrijven ze dat je een grote kans maakt, en als de prijs vervolgens naar iemand anders gaat, gaan ze er nog eens met veel leedvermaak overheen zeiken.’
Maar waarom op de literaire prijs der prijzen wachten als de kans ‘uitermate gering’ is, zoals Nooteboom óók zegt – ‘al scoor je nog zo hoog bij de Engelsebookmakers’? Tijdens de grote vakantie vierde de schrijver in alle stilte zijn tachtigste verjaardag. Maar zijn uitgeverij laat zich de kans niet ontnemen om zijn bijzonderste auteur te fêteren. De Bezige Bij brengt maar liefst drie gelegenheidsuitgaven op de markt. En ‘gelegenheidsuitgaven’ wil niet zeggen: wat haastig bij elkaar gepende tekstjes, kaftje eromheen, klaar. Het zijn stuk voor stuk kleinoden.
Een daarvan is de interviewbundel Met lopen nooit meer opgehouden van Piet Piryns, waaruit bovenstaande citaten afkomstig zijn. De tekst is een bewerking van verschillende interviews die de oud-medewerker van Knack de schrijver in de loop van meer dan dertig jaar afnam. Nooteboom bleek zo consistent in zijn opvattingen dat Piryns er moeiteloos een gesprek van kon maken. En inderdaad: nergens krijg je de indruk dat uitspraken bijvoorbeeld begin jaren tachtig, na verschijnen van de comeback-roman Rituelen, zijn gedaan.
In tachtig bladzijdes ontstaat zo een compleet beeld van Nooteboom zoals hij zichzelf graag presenteert. Erudiet, nieuwsgierig en openhartig zonder al te persoonlijk te worden. Hij is de bedachtzame man die van een afstandje het woelen van de wereld bekijkt. Alleen als hij zich gekleineerd voelt, bespeur je onder alle mildheid toch bitterheid. Wanneer hij uithaalt naar journalisten die schrijven dat hij de Nobelprijs wéér niet heeft gekregen. Of als weer eens wordt gememoreerd dat zijn vaderland zijn uitzonderlijke talenten pas laat op waarde wist te schatten.
De mooiste verjaardagsuitgave is van Nooteboom zelf. Van 1976 tot 1990 verzorgde de schrijver in de Nederlandse glossy Avenue de rubriek poëzie. Vijftien jaar lang had hij in het blad, waarvoor hij ook reisverhalen schreef, iedere maand twee pagina’s om gedichten uit alle hoeken van de wereld te publiceren, voorzien van een inleiding en soms ook door hemzelf vertaald. Van Paul Celan, Fernando Pessoa en Ted Hughes tot onbekend gebleven Nederlandstalige dichters als Aad Nicolaas en de huidige VFL-directeur Koen Van Bockstal. Zeven keer plaatste hij gedichten van eigen hand.
De Bezige Bij heeft al deze bijdragen nu bijeengebracht in één rijke bloemlezing die Nootebooms indrukwekkende belezenheid en internationale oriëntatie verraadt. In facsimile, waardoor de bijzondere, op de poëzie geïnspireerde vormgeving behouden is gebleven. Volgens de inleiding heeft Nooteboom in ‘Avenue’ ook veel nu beroemde dichters geïntroduceerd, maar dat is dan weer moeilijk na te gaan. De datum waarop zijn bijdragen verschenen ontbreekt. Je kan alleen afgaan op mededelingen van Nooteboom over uitgaven die zijn verschenen.
Tot slot schreef Alberto Manguel een verjaardagsbrief aan zijn goede vriend Nooteboom. De Argentijns-Canadese essayist zegt behartigenswaardige dingen en is niet zuinig met zijn lof. Maar heel diep gaat het niet. Zo verklaart hij Nootebooms aarzelende lof in eigen land uit zijn neiging ‘een royaler, allesomvattend gezichtspunt’ te kiezen in plaats van ‘de milde socioloog uit te hangen en in te spelen op couleur locale’. Hij heeft ‘altijd geweigerd met een vlak verhaal te komen over de geografische en historische identiteit van [zijn] landgenoten’. Zou er werkelijk niets meer over te zeggen zijn?
De drie uitgaven worden aanstaande zaterdag gepresenteerd tijdens het verjaardagsfeest dat De Bezige Bij voor Nooteboom geeft in het Amsterdamse Rijksmuseum. Zijn Engelse uitgever Christopher MacLehose houdt een lofrede en de Friese zangere Nynke Laverman zingt de jarige auteur toe. Afgelopen weekend sprak Nooteboom op de Nederlandse televisie al over zijn jubileum. Die uitzending is hier terug te zien.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 14 nov)

Zie ook:

donderdag 14 november 2013

VFL-directeur Koen Van Bockstal publiceert (opnieuw) poëzie (Knack)

Directeur Koen Van Bockstal van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) behartigt de belangen van auteurs. Nu worden ook – 25 jaar oude – gedichten van zijn hand gepubliceerd.

Het gaat om drie gedichten uit de cyclus 'de dingen hebben een geschiedenis die geen afwezigen kent' die medio jaren tachtig verschenen in de Nederlandse glossy Avenue. Redacteur van de poëzierubriek was Cees Nooteboom. Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag verschijnt aanstaande zaterdag een fraaie facsimile-uitgave waarin alle bijdragen die hij gedurende vijftien jaar (1976-1990) aan het tijdschrift leverde, zijn verzameld. Dus ook de poëzie van de destijds 23-jarige Koen Van Bockstal.
‘Toen ik studeerde in Gent was er een literaire avond waarop Cees Nooteboom kwam spreken,’ vertelt Van Bockstal. ‘Omdat er in die tijd geen uitgebreid literair middenveld was zoals we dat vandaag kennen, was dat heel bijzonder. Ik heb altijd een zwak voor Nooteboom gehad. Ik vind hem een ongemeen interessant en begenadigd auteur. Wellicht vanuit mijn naïviteit had ik een selectie van mijn eigen poëzie in een envelop gestopt. In de pauze trok ik mijn stoute schoenen aan en gaf hem die.’
Van Bockstal had gedacht nooit meer iets te horen. ‘Ik zei hem: u zult zo vaak werk van anderen krijgen. Maar je weet maar nooit, toch? Na een jaar of anderhalf jaar kreeg ik een brief uit Spanje, waarin hij me heel vriendelijk vroeg of hij mijn poëzie mocht publiceren. En ik zou er nog voor betaald krijgen ook. Uiteraard heb ik toestemming gegeven. Dat was veel meer dan waar ik ooit op had gehoopt. Ik voelde me zeer vereerd.’
Dat zijn werk nu in één bloemlezing staan met Nobelprijswinaars als Pablo Neruda, Tomas Tranströmer en Czeslaw Milosz stemt Van Bockstal net zo blij. ‘Maar laten we wel zijn. Het gaat niet in de eerste plaats om de literaire kwaliteiten van mijn gedichten. Ze staan er omdat de uitgeverij een geschenk aan Nooteboom wil geven en toen al zijn bijdragen voor Avenue hebben verzameld. Toevallig sta ik daar ook tussen.’
De enige reden waarom Van Bockstal aarzelde om toestemming te geven is zijn huidige functie. ‘Ik sta nog altijd achter de gedichten. Het zou belachelijk zijn als ik ze nu verloochen. Maar deze publicatie zou geïnterpreteerd kunnen worden als: de directeur van het VFL die zo nodig zélf auteur moet worden. Dat is absoluut niet het geval. Ik dicht nog wel, maar ik ben niet van plan om daarmee naar buiten te komen – zéker niet zolang ik deze functie heb.’
Behalve in Avenue publiceerde Van Bockstal in de jaren tachtig poëzie en verhalen in onder meer Poëziekrant, Dietsche Warande & Belfort en minder prestigieuze tijdschriften als Letters en Wel. ‘Dichten is voor mij een vorm van zelfexpressie. Uit de nood om in rust en stilte te reflecteren op de wereld en op jezelf. In de periode aan het eind van mijn universitaire studies was ik daar intens mee bezig. Ik rolde in het beroepsleven, werd al snel vader, maar die drang is nooit meer weggegaan.’
Van Bockstal is nooit naar een uitgeverij gestapt met zijn werk. ‘Ik zag mezelf niet als professioneel auteur en heb te veel respect voor professionele auteurs om het dichten erbij te doen. Dat is geen oordeel over amateurdichters. Iedereen moet zijn eigen keuze maken en dit was mijn keuze. Wel is het nu voor mijn huidige werk nuttig dat ik literaire ervaring heb. Ik begrijp daardoor de noden van auteurs beter.’
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 13 nov)

UPDATE Een van de gedichten uit de cyclus: '5. waar alles afbreekt'

een schaduw weegt de mens
in wat na hem zal blijven:
een vouw in tafellakens,
hoe stenen zijn gestapeld
als volstrekte eenzaamheid.

zwijgen dat geen verzwijgen is
zo is het wachten
de kracht van dingen

van de leegte
naar binnen toe

waar niets is geweest

woensdag 13 november 2013

Een vervolg op Tonio? A.F.Th. van der Heijdens 'Uitverkoren' is al ruim een jaar oud

Groot nieuws in de Republiek der Letteren gisteren: A.F.Th. van der Heijden komt met een vervolg op Tonio. De kop van dit nieuwsbericht werd in de tekst al genuanceerd: Uitverkoren is een 'zusterboek'. Maar wat er nergens bij stond is dat het in oktober van vorig jaar al verscheen in een fraaie bibliofiele uitgave. Ik schreef er hier al over. De enige toevoeging aan deze publicatie is het dankwoord voor de P.C. Hooftprijs die hij eind mei jongstleden uitsprak. Die destijds in NRC Handelsblad stond.

Zie ook:
- Bespreking Tonio
- Bespreking De helleveeg
- A.F.Th. wint de Libris

dinsdag 12 november 2013

Naar aanleiding van 'De boekenapotheek' in NRC Handelsblad: een kleine verantwoording

Vanaf 19 november aanstaande is hij dan eindelijk te krijgen: de door mij bewerkte De boekenapotheek van Ella Berthoud en Susan Elderkin. Afgelopen vrijdag schreef Pieter Steinz in NRC Handelsblad de eerste recensie waarin ook mijn werk wordt beoordeeld. Ik citeer in extenso:

“Berthoud & Elderkin gooien hun net breed uit in de wereldliteratuur; des te teleurstellender is het dat er zegge en schrijve nul (0) Nederlandstalige romans in The Novel Cure zijn opgenomen. Gelukkig komt tegelijkertijd een Nederlandse bewerking op de markt, De Boekenapotheek, met aanvullingen van Boekblad-journalist Maarten Dessing. Die heeft zich er niet met een jantje-van-leiden vanaf gemaakt. Het oorspronkelijke boek is flink door elkaar geschud (en loopt nu van Aanbranden tot Zwerflust) en veel van de bij ons minder bekende romans zijn vervangen door Nederlandse en Vlaamse titels. Dat Dessing is afgeweken van het uitgangspunt van Berthoud & Elderkin en ook toneelstukken en non-fictie heeft geselecteerd, zij hem vergeven.
Honderd boekbeschrijvingen voegde Dessing toe, soms goed gevonden (zoals Kaas, dat in het lemma Ambitie Great Expectations vervangt), soms geestig (Het boek Ont van Anton Valens bij ‘Ongeopende post, angst voor’), soms obscuur (Die honden van boven van Ton Kruisbergen).
Zoals een medicijn een testprocedure moet doorlopen voor het op de markt gebracht mag worden, zo moet een boek zichzelf ook bewezen hebben om helend genoemd te mogen worden. Dessing rekruteerde zijn suggesties vooral uit de afgelopen jaren en uit het lijstje AKO- en Librisprijswinnaars (De passievrucht van Karel Glastra van Loon wordt drie keer voorgeschreven). Dat brengt zijn keuze uit balans. Erkende novel cures als Van de koele meren des doods, Eenzaam avontuur, Mystiek lichaam en Ons mankeert niets ontbreken, terwijl ruim baan wordt gegeven aan snel vergeten boeken van Henk Rijks en Bernard Dewulf.”

Ik heb me er inderdaad niet met een jantje-van-leiden afgemaakt. Dank Pieter, dat je dat hebt opgemerkt. Tegelijk roept het stuk het verlangen op om – alsnog – een verantwoording aan de Nederlandse editie toe te voegen.
Ik heb niet ‘erkende novel cures’ uit de Nederlandse literatuur gezocht en die aan het boek toegevoegd. De basis was het Engelse origineel. Ik heb voor aandoeningen waarvan het medicijn te Brits of te onbekend was een Nederlands alternatief gezocht. Ik heb soms eindeloos moeten speuren. Hoe vaak ik niet mijn ogen langs mijn boekenkast liet gaan, in de hoop op een ingeving. Steeds weer bekeek ik lijstjes van prijswinnaars of klassiekers in literatuurgeschiedenissen. En ja, dan kwam ik soms op een naar andermans mening te obscure titel. En heb ik het uitgangspunt van het boek iets opgerekt door ook een toneelstuk mee te nemen – zij het eentje (Warenar van P.C. Hooft) die zelden wordt opgevoerd en alleen wordt gelezen.
Natuurlijk zijn er uitzonderingen op de stelregel aan te wijzen. De wereldberoemde Dickens is geschrapt ten gunste van Elsschot. Sommige onbekende balsems zijn blijven staan omdat Berthoud en Elderkin er zo’n grappig stuk over hadden geschreven. En een enkele keer heb ik een aandoening in zijn geheel laten vervallen om lijders aan andere ziektes genezing proberen te bieden.

Maar dat neemt niet weg dat ik een bewerking heb gemaakt van een boek en geen Brits idee heb toegepast op de Nederlandse literatuur.

Een sneak preview is hier te vinden.

maandag 11 november 2013

Aukelien Weverling - 'Het land' (BOEK)


Wat prijzen de dorpsbewoners zich in Het land gelukkig met hun leven. In de stad woont iedereen hutjemutje op elkaar – zij hebben rust en ruimte. In de stad is altijd gedoe en rumoer – zij hebben het rustgevend anker van de traditie. In de stad is iedereen of zelf verslaafd aan de drugs of slachtoffer van de drugsoverlast – zij hebben door iedereen onderschreven normen en waarden, krachtig uitgedragen door de dominee.
Dat ze in werkelijkheid liefdeloos en bekrompen zijn en zich wentelen in hun eigen gelijk, heb je als lezer van Aukelien Weverlings derde roman echter al snel door. De komst van een gezin van niet-westerse herkomst kan dan ook weinig goeds opleveren. En inderdaad, wat begint met flauwe, onplezierige geintjes loopt gruwelijk uit de hand. Waarbij de reactie van het dorp dáárna het gruwelijkst is.
Weverling zet de contrasten scherp aan. Te scherp. De dorpelingen zijn zo boers, oubollig en in zichzelf gekeerd dat het niet geloofwaardig meer is. In een tijdperk van televisie en internet bestaat zo’n radicale scheiding tussen stad en platteland toch niet meer? Ook de nieuwkomers zijn te archetypisch in de mate waarin ze vasthouden aan hun geïmporteerde gewoontes en gebruiken.
Het land wordt verteld door een jong meisje dat verstikt wordt door de verveling en de sociale controle. Dat biedt ruimte voor een conflict met haar omgeving – al helemaal als ze een relatie krijgt met de enige jongen die wel vriendschap sluit met de nieuwkomers. Maar Weverling speelt deze troefkaart niet uit: de jongen sterft aan een ziekte, waarna het meisje zich toch gedwee neerlegt bij de heersende mores.
Daardoor is Het land – hoewel geschreven met een mooie, effectief kale stijl – niet meer dan een al te zwart-wit uitgewerkt drama.

Aukelien Weverling – Het land (224 p.) – Meulenhoff, € 17,95
(Eerder verschenen in BOEK 6, 2013)

Zie ook: