zondag 10 november 2013

Des romans français: Emmanuel Bove, ‘De liefde van Pierre Neuhart’


Na tien jaar verschijnt er met De liefde van Pierre Neuhart weer een boek van Emmanuel Bove in het Nederlands, prachtig vertaald door Mirjam de Veth. In haar nawoord typeert ze treffend personages uit Boves werk:  ‘Ze dwalen door de straten en over de boulevards [...]. Ze hebben hun vaste gewoonten, eten in goedkope eethuisjes en warmen zich aan de menigte, waar ze graag bij willen horen. Ze zijn aandoenlijk, maar niet per se sympathiek.’ Zo is Pierre Neuhart, de verliefde grindhandelaar die zich naïef en onderdanig laat leiden door de veel jongere Éliane.
Hoewel De liefde van Pierre Neuhart verscheen in 1928, is het verhaal geenszins gedateerd. Misschien het decor en de attributen die erin voorkomen, maar dat valt niet op. Het thema van de eindeloze zoektocht naar de ander is van altijd. Dat is wat Oek de Jong onlangs ook betoogde op een lezing in de Balie. ‘Die vernieuwing van het genre zit hem voor De Jong in het steeds verder uitdiepen van de binnenwereld. Van het exploreren en openbreken van de menselijke intimiteit, omdat dat het fundamentele onderscheid is tussen een roman en de journalistiek. Alleen een roman kan laten zien en beleven wat een mens, in al zijn subtiliteit en tegenstrijdigheid, werkelijk denkt en voelt,’ vatte Maarten Dessing De Jongs woorden samen.
Emmanuel Bove was in dat licht zijn tijd ver vooruit. Hij legt nauwgezet en gedetailleerd bloot wat de liefde voor Éliane met Pierre doet, hoe hij er volledig in op- en uiteindelijk bijna aan onderdoor gaat. Bove laat zien hoezeer een mens zich laat meevoeren door zijn gevoelens, tegen alle redelijkheid in. Tijdens het lezen zou je Pierre meermalen erop willen wijzen wat voor verwend nest Éliane eigenlijk is, hem de ogen willen openen, hem waarschuwen voor de gevolgen. Want dat het misgaat, wordt gaandeweg duidelijk. Pierre wordt bijvoorbeeld uitgelachen wanneer ze samen naar de film gaan, maar dat voelt hij niet, zij wel.

Als de film uitging, profiteerde hij van het gedrang om haar tegen zich aan te drukken en haar handen te kussen. Jongelui die hij niet opmerkte, maar zij wel, lachten hem uit. Ze waren nog niet buiten of ze liep van hem weg. Hij voelde zich beteuterd, alsof zijn liefde zich ineens nergens meer op kon richten. Hij ging vlug naast haar lopen en vroeg of ze niet boos op hem was, viste naar de redenen van haar afwijzing, verontschuldigde zich en pakte haar handen weer, of sloeg een arm om haar middel, maar liet meteen weer los uit angst dat ze er iets van zou zeggen.

Bove geeft hier subtiel weer hoe de gevoelens van een oververliefde man hem als een elastiek heen en weer laat veren,  dan weer wint de onzekerheid het, dan weer de liefde.
Pierre Neuhart is tegen de veertig en handelaar in grind. Zijn handel gaat voorspoedig en hij heeft financieel niet te klagen. Éliane is een meisje van net zeventien dat bij haar moeder woont en graag een groot actrice wil worden. Ze ontmoeten elkaar, zoals dat wel vaker gaat, op een feestje van een wederzijdse kennis. Hun blikken kruisen elkaar, maar het is vooral Pierre die Éliane in de gaten houdt.  Als hij weggaat, wacht hij beneden bij de voordeur net zo lang tot ook zij huiswaarts keert. En dan loopt hij met haar mee. Dit is tekenend voor de rest van hun relatie, waarin zij steeds bepaalt en hij haar volgt. Ze gaan een aantal keer uit en wanneer Éliane ruzie krijgt met haar moeder, trekt ze bij Pierre in. Ze blijkt wispelturig, soms vertroetelt ze hem, dan weer moet ze niks van hem weten. Ze buit hem uit, pruilt om nog meer en nog duurdere cadeaus, die ze vervolgens niet meer bekijkt.

Maar hoe meer hij voelde dat ze afstand van hem nam, hoe intenser zijn liefde voor haar werd.

Het wordt daarna alleen maar heviger. Zowel de verwijdering als de liefde van Pierre voor Éliane. Het knappe is dat Bove beschrijft, weergeeft en openlegt wat liefde met een mens kan doen, maar niet oordeelt. Zelfs Éliane begrijp je nog als lezer. Ook laat hij niemand plotseling de afgrond in donderen, maar wordt het leven uitgediept, zonder superlatieven, zonder grootse gebeurtenissen. Geleidelijk verliezen beide personages de grip op hun leven.
Bove lijkt zelf een elastische relatie te hebben met zijn lezers. Tijdens zijn leven kende hij grote successen, na zijn door werd hij vrijwel direct vergeten, om in de jaren zeventig weer ontdekt te worden. In 1994 verschijnt er in Frankrijk uiteindelijk een biografie. In Nederland begint de Bove-golf begin jaren tachtig en verschijnt er daarna ongeveer om het decennium een vertaling. Dat zou frequenter mogen, want zijn boeken en verhalen bieden troost. Wat hij schrijft is herkenbaar, en we zien de harde werkelijkheid liever anderen treffen dan ons zelf.

zaterdag 9 november 2013

Interview: Claudia Schreiber over 'Haar vaste begeleider'

Het onderwerp van Haar vaste begeleider, de nieuwe roman van Claudia Schreiber, is verrassend. Na de succesvolle komedie Emma’s geluk, over een opstandige plattelandsvrouw die de liefde vindt als een terminaal zieke man per ongeluk op haar boerderij terecht komt, vertelt de Duitse schrijfster nu het verhaal van een vrouw die zich in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontworstelt aan het verstikkende milieu van een strenge evangelische gemeenschap.
Wat beide romans uit een en dezelfde pen doet komen, is de aangename, opwekkende toon. Zo lichtvoetige als haar debuutroman is, zo treffend eenvoudig weet Schreiber in Haar vaste begeleider de moeilijke dilemma’s van Johanna Becher in woorden te vatten. De voormalige radio- en televisiejournalist bereikt dat effect door een mooie vondst: Johanna ervaart haar persoonlijke band met God letterlijk. God is voor haar een onopvallend mannetje met een wollen muts.
De eerste keer dat Johanna Hem ontmoet, is ze verrukt. Op het drukke station van Keulen is het kleine meisje haar vader kwijt. Opeens pakt Hij haar bij de hand. Als een vriendelijke helper brengt hij haar naar haar vader. Maar zo blijft Hij niet. Hoe ouder Johanna wordt, hoe dwingender haar begeleider. Hij was als een vriendelijke beschermengel, maar blijkt een dictator die haar oplegt hoe ze moet leven. Het kost Johanna uiteindelijk de grootste moeite zich weer van Hem te bevrijden.

Hoe komt het dat ondanks de lichte toon Haar vaste begeleider een zo veel serieuzer boek is geworden?
‘Emma’s geluk speelt op een boerderij, in een landelijk milieu. Daar mag het taalgebruik boers en grof zijn en de humor krachtig, het liefst over de grens van de goede smaak. De lichtheid van de taal moest de dood verjagen, tot hij niet meer te verjagen viel. Door mijn grappen vergeet je soms dat het in Emma’s geluk over leven en dood gaat. Maar aan het einde wordt de humor schaars. In Haar vaste begeleider is het andersom. Johanna’s wereld is aan het begin bitterernstig en verschrikkelijk benauwend. De lach blijft de lezer in de keel steken. Maar naar mate Johanna’s leven voortschrijdt, rekt haar wereld zich uit, en ontvouwt de humor zich: eerst opent hij slechts deuren, daarna hele ramen, om de benauwdheid van haar vrome wereld te luchten.’

U vindt beide boeken dus wel nauw verwant?
‘Ik schrijf graag over vrouwen die zich ondanks ongunstige omstandigheden ontwikkelen, die hun zelfstandigheid niet alleen moeizaam zoeken, maar ook op eigen kracht vinden. En ik schrijf graag over relaties, liefde, verlangen, om het leven te begrijpen. In geen geval zijn mijn verhalen van dit slag: vrouw ontmoet man op kantoor, tralala, dan spreken ze af, kussen, en dan komt er iets tussen, lost het misverstand zich op, blablabla. Ik wil volkomen ongewone verhalen schrijven, waarbij de lezeres of lezer zich in de ogen wrijft en afvraagt: wat gebeurt hier? Daarin zijn beide romans gelijk. Hoop ik.’

Wat zit er in het verhaal van Haar vaste begeleider dat u dacht: dít verhaal moet door mij worden verteld?
‘Ik kan deze begeleider goed, hij bleef mijn halve leven aan mijn zijde. Meer dan twintig jaar geleden heb ik een einde aan zijn aanwezigheid gemaakt. Toch achtervolgde deze scheiding mij lang. Men kan het zelfs liefdesverdriet noemen. Omdat ik dat allemaal weet, de Bijbel zo goed ken en zo lang daarover heb nagedacht, moest ik hier over schrijven. Op mijn manier.’

En net als Johanna gelooft u nog steeds in God?
‘Ja. Een geloofsleven, met bijbelstudie, gebed en kerkbezoek, heb ik niet meer. Maar in een prachtige kerk of in een mooi stuk natuur een lied aanheffen of zelfs in tweegesprek gaan, met wie dan ook, dat doe ik nu en dan wel.’

In Johanna's jeugd is God een behulpzame oom. Later wordt Hij een strenge man. Pas als Johanna Hem, voor een bijna-fataal ongeluk, aanroept, is het mogelijk om als twee
gelijken met Hem te praten. Moest Johanna Hem ‘doden’ om Hem te leren kennen zoals hij werkelijk is?
‘Hoe is Hij dan werkelijk? Niemand weet het, ieder maakt dat voor zichzelf uit. Hoe intiem is toch deze vraag van mensen naar God, niet? En ze kan nooit in zijn algemeenheid beantwoord worden. Ik weet niet, of het doodslag moet zijn, maar Johanna had geen andere mogelijkheid om zich van Hem te ontdoen. De pauze van Hem heeft haar hoe dan ook goed gedaan, vind ik.’

Gedraagt Hij zich dan vooral naar het beeld dat Johanna van Hem heeft geschapen?
‘Inderdaad. In mijn roman is Hij telkens wat Johanna zich van Hem voorstelt. Hij krijgt in iedere afzonderlijke levensfase een andere gedaante. Zo is hij beschermer, spelbederver, geliefde, stalker, maar ook eenmaal haar slachtoffer.’

Toch lijkt het alsof Johanna Hem op het laatst ziet zoals hij werkelijk is. Vermoeid. Als een God die afstand van de aarde neemt. Ziet u Hem zo?
‘Naar mijn idee wil Hij de gebruikelijke vader-kindrelatie niet meer laten voortbestaan, omdat Johanna zich daarom onzelfstandig gedraagt en zo veel angst voor Hem heeft. Hij wil geen offers meer, maar alleen liefde. En een gezonde liefde heeft afstand nodig. Deze mogelijkheid om enkel liefde te geven biedt Hij haar aan.’

In de Nederlandse context doet het verhaal van deze roman denken aan de literatuur van de jaren zestig. Auteurs als Maarten ‘t Hart en Jan Wolkers schreven hun gelovige opvoeding van zich af. Hoe plaatst u dit verhaal in de Duitse context?
‘In 1974 verscheen Gottesvergiftung (Godsvergiftiging) van Tilman Moser, die later door hemzelf ingekort en uiteindelijk teruggetrokken werd. Later volgden bevrijdingsverhalen van slachtoffers van andere fascistoïde systemen of hermetisch gesloten genootschappen (DDR-inwoners, Maoïsten, Jehova’s getuigen, enzovoorts) en altijd waren ze van het type: vroeger-later-nooit meer. Dat was mij – en ik hoop dat de lezer dat merkt – te weinig. Johanna stapt niet simpelweg uit de groep. Zij ontwikkelt zich en hoeft dat dan niet meer te doen. Ze heeft zich geëmancipeerd, ze kan afwegen, nu ze haar fundamentalistisch denken niet meer nodig heeft, of ze ervoor of ertegen is. Ze kan allebei. En: Hij ook.’

Haar vaste begeleider speelt in de jaren zestig tot tachtig. Hoe actueel is het verhaal van Johanna nu? Laten nog steeds kinderen hun jeugd verpesten door al te gelovige ouders?
‘Zeker, maar niet meer zo veel als vroeger. Maar: aangezien de in hun jeugd verpeste ouders zo graag géén regels, houvast en richting willen geven, verlangen zo veel van hun kinderen – als tegenreactie – daarnaar. Veel jonge mensen treden toe tot strenge gemeentes of splinterbewegingen, bidden als razenden, plaatsen zich weer aan een of andere ‘goede’ kant, vinden anderen weer ‘ongelovig’, enzovoorts enzovoorts. En in onze maatschappij gebeurt het weer: een strijd om culturen en geloven. Religieus fundamentalisme was zelden zo actueel als nu. Wie had dat twintig jaar geleden gedacht.’

U wilt, in het huidige moslimdebat, uw Westerse lezers een spiegel voorhouden?
‘We moeten niet uitsluitend andere aanklagen, maar moeten ons ook bekommeren om wat voor onze eigen deur gebeurt. Christelijk fundamentalistisch denken is alsof het tijdperk van de Verlichting nooit heeft plaatsgevonden. Als ik het theater bekijk, waarmee Amerikaanse evangelisten die evolutie loochenen of anderen hun preutse levenswijze opdringen, dan zijn hun hoofddoekjes onzichtbaar, maar wel aanwezig. Gelukkig zijn er maar zeer weinig christelijke strijders voor God of haatpredikers in kerken, en hopelijk blijft het bij deze weinigen. Alleen wie het onderscheid tussen een fundamentalistische koppigheid en een spirituele zoektocht erkent, kan andersgelovigen respecteren.’

Het einde van de roman is positief. Zonder te verklappen wat, doet Johanna een goede daad. Waarom? Voelde u niet de behoefte namens uw personages wraak te
nemen op Johanna’s vader? Of is het slot juist de cruciale scène van de roman: daar blijkt wat echte liefde is?
‘Allebei. Ja.’

Ligt hierin nog een verband met Emma’s geluk? Ook het slot van deze roman leest, ondanks de gruwelijke dood van Emma’s geliefde, als een pleidooi voor het goede.
‘Zou het anders moeten zijn? Kan ik een pleidooi voor het kwaad afsteken? Nee. Mijn romans zijn geen vergif, maar, zo goed als ik kan, een geneesmiddel of tenminste goed amusement.’

Johanna heeft een voorliefde voor Nederland nadat ze, tijdens het WK voetbal van 1974, Rob heeft ontmoet. U portretteert Nederland als het tegendeel van de strenge opvoeding die Johanna's vader haar geeft. Vrij en los. Waarom?
‘Johanna leeft in Keulen. Nederland is haar onmiddellijke buurland. Het land was voor haar eenvoudig om ‘over de grens te gaan’, de andere kant van de wereld te leren kennen. Het is een speelwei waarop zij te keer kan te gaan.’

U spreekt goed Nederlands. Kent u het land ook goed?
‘Ik heb in Nederland een afstudeerscriptie geschreven en toen de taal geleerd. Specifiek: ik heb het jeugdjournaal van de NOS bestudeerd en mijn bevindingen later voor de Duitse televisie toegepast. Sindsdien heeft de ZDF een eigen kinderjournaal. En naar Nederland ben ik altijd terug blijven komen. Ik bezoek vrienden of vermaak me heerlijk aan zee.’

Maar zo vrij en los als in uw boek is Nederland sinds enkele jaren niet meer. Het is niet meer het tolerante land waarvoor het zichzelf zo lang hield.
‘Voor mij is het nog altijd tolerant genoeg.’

U volgt ook nog steeds het Nederlandse voetbalelftal? U heeft hen ook gezien tijdens het laatste WK in Duitsland?
‘Natuurlijk heb ik Nederland op het WK gezien, helaas niet vaak.’

Wanneer zal Nederland eindelijk wereldkampioen worden? Johanna wil dat Hij Nederland de titel schenkt. Maar op de vraag wanneer wil Hij geen antwoord geven. Daarmee suggereert u: nooit.
‘Nee. De roman suggereert iets anders. Hij biedt Johanna, voor Hij vertrekt, een wonder aan. Een eenmalig wonder. En wat wenst zij? ‘Laat hen toch eenmaal wereldkampioen worden, die Hollanders’. Hij heeft dat niet tegengesproken, maar slechts vastgesteld dat dat zeer moeilijk zal zijn. Waarmee hij ondubbelzinnig gelijk heeft, toch? Het is tot nu toe nooit gebeurd. En wanneer het wel gebeurt, weet ik zelf helaas ook niet precies. Ik kan alleen aanmoedigen: hé bondscoach, jongens! Ik zal onvoorwaardelijk als talisman bij Nederland op de bank zitten, mocht het in 2010 de finale halen, goed? Vergeet mij niet.’
(2007)

Zie ook:

vrijdag 8 november 2013

Met luistertaal begrijp je anderstaligen sneller (De Standaard)

Vreemdelingen begrijpen elkaar soms beter wanneer ze allebei hun moedertaal spreken dan wanneer ze overstappen op Engels. Luistertaal hanteren ze dan.

Een schrijver in het Duits interviewen? Ik zou wel gek zijn. Zo goed is mijn Duits niet. Maar Claudia Schreiber, bekend van Emma’s geluk, overtuigde me. Ik zou in het Nederlands vragen stellen, zij in het Duits antwoorden en we zouden elkaar heus wel begrijpen. Dat bleek maar al te waar. Binnen een paar minuten vergat ik dat we allebei onze moedertaal spraken en voerden we een levendig gesprek.
Zonder het te weten maakte ik gebruik van luistertaal. De Nederlandse taalkundige Jan ten Thije heeft die term gemunt voor het verschijnsel dat iedereen kent: een taal niet spreken, maar er genoeg van weten om hem te verstaan. Het verschijnsel bestaat zelfs al zo lang meertaligheid bestaat. Ten Thije wijst op de Hanzesteden. De handelaren volgden in de late middeleeuwen geen taalcursus voor ze op reis gingen. Iedereen verstond elkaars dialect goed genoeg.
In het veeltalige Europa, waarin iedereen privé of zakelijk steeds meer contacten heeft over de grens, kan luistertaal een uitstekend hulpmiddel zijn. ‘Als een Nederlander met een Duitser praat, kan geen van beiden in het Engels goed alle nuances weergeven,’ legt Ten Thije uit. ‘Integendeel: in zijn moedertaal kan men zijn bedoelingen vaak beter uitleggen. Bovendien ontslaat luistertaal de sprekers van de psychische belasting een taal te moeten spreken die je niet goed beheerst.’
Luistertaal werkt niet in alle gevallen. In een vergadering waarin sprekers van de 23 officiële EU-talen bij elkaar zijn, zijn er simpelweg te veel verschillende talen. Ook in onderhandelingen waar een juridisch contract moet worden vastgelegd kan beter een tolk of vertaler worden ingeschakeld.
Ten Thije: ‘In Scandinavië, zijn de talen zo verwant dat iedereen bijna automatisch luistertaal gebruikt. Tussen andere talen is een minimale basiskennis nodig. Hoe groot die kennis is, hangt af van de situatie. Dat kan heel weinig zijn. Als een Est een Rus – sprekers uit verschillende taalfamilies – op de kaart wil aanwijzen hoe hij moet lopen, kan een paar steekwoorden al voldoende zijn.’
Om luistertaal optimaal te kunnen inzetten is nog veel onderzoek nodig. ‘Ook moeten we nog nagaan hoe we een cursus voor onderwijs in luistertaal moeten opzetten. Welke strategieën moet je mensen aanleren? Hoe kunnen ze controleren dat de ander hen echt begrijpt? Voor leesvaardigheid in vreemde talen is daar wel al een stap in gezet: er is een methode bedacht waarbij je met behulp van zeven filters door vergelijking van verwante talen sneller een nieuwe taal kunt leren begrijpen. ’
Lang had Europa geen oog voor luistertaal. Volgens het taalbeleid moet iedereen in contact met Europese instellingen zijn eigen taal kunnen spreken. Ten Thije bespeurt nu meer openheid voor effectievere vorm van meertalige communicatie tussen burgers en organisaties . Mede om financiële redenen: grootschalige toepassing van luistertaal binnen Europa kan een forse besparing opleveren op kosten voor tolken en vertalers. Er is daardoor meer interesse en budget voor nader onderzoek.
In België kijken velen met een ideologische blik naar luistertaal. Niet iedereen accepteert het als mogelijkheid voor contacten tussen Frans- en Nederlandstaligen, heeft Ten Thije gemerkt. ‘Vanuit de geschiedenis is goed het belang te begrijpen dat Vlamingen en Walen aan hun eigen taal hechten. Maar luistertaal wordt wél gebruikt. Di Rupo verstond bij de regeringsonderhandelingen de Nederlandstaligen best. De tijd die de tolk nodig had, kon hij gebruiken om na te denken over zijn antwoord.’
(Eerder gepubliceerd in De Standaard, 5 nov 2013) 

Zie ook:

donderdag 7 november 2013

Benno Barnards uitgever van 'Dagboek van een landjonker' laat zien waarom de roman zo veel toekomst heeft

Boeken die je tegelijk of vlak na elkaar leest, leggen soms wonderlijke onderlinge verbanden. Zo las ik Oek de Jongs essay over de toekomstvan de roman terwijl ik bezig was in het heerlijke Dagboek van een landjonker van Benno Barnard – elke dag hooguit dertig, veertig bladzijden, omdat ik me anders zou gaan storen aan steeds weer dezelfde deuntjes die hij op zijn orgel bespeelt.
Oek de Jong probeert vanuit verschillende invalshoeken de toekomst van de roman veilig te stellen. Uit Barnards boek dwarrelde het begeleidende persbericht van de uitgeverij dat een argument pro-roman opleverde waar De Jong in het geheel niet aan had gedacht. Want jawel, de uitgeverij presenteerde het dagboek als: een dagboekroman.
Hoe verzinnen ze het. Natuurlijk is Dagboek van een landjonker geen roman. Het is allesbehalve een roman. Maar het is tekenend voor de gretigheid waarmee uitgevers al hun producten als roman aan de consument wil verkopen. Bij de meeste verhalenbundels wordt ook verzwegen dat het geen roman is – of glashard gelogen dat het een roman-in-verhalen is.
En uitgevers doen dat natuurlijk omdat het publiek dat wil. Men leest liever een roman dan een verhalenbundel. Laat staan een dagboek.

Dat dacht ik allemaal toen ik in het dagboek las. Na afloop zag ik op de achterflap dat Barnard zélf het boek – met enig voorbehoud – een roman noemt. Maar onzin blijft het. De NUR-code 320 classificeert het boek ook gewoon als 'literaire non-fictie algemeen'.

Over Benno Barnard wel dit. Ik ben het lang niet altijd met zijn stellingname eens. Uit onwil om te nuanceren kiest hij radicale standpunten die de mijne niet zijn. Maar de hart en ziel waarmee hij zijn meningen uitvent, zijn hartverwarmend. Had ik maar zo’n passie. En dan zijn stijl. Wat staan er toch veel schitterende formuleringen in dit boek. Wat weet hij hetzelfde toch steeds weer volkomen nieuw en fris te verwoorden.

Ook al is Dagboek van een landjonker dan geen roman, léés dat boek.

Zie ook:

woensdag 6 november 2013

Oek de Jong: Alleen een roman verplaatst je in het hoofd en hart van mensen (Knack)

Natuurlijk heeft de roman toekomst. Oek de Jong sprak zich al tijdens een lezing in het voorjaar optimistisch uit over de perspectieven van het genre dat hij beoefent. Nu heeft hij die stelling nader uitgewerkt in het essay ‘Wat alleen de roman zeggen kan’. Het is het vijfde deel in de reeks ‘Over de roman’, waar eerder A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen, Bas Heijne en Marcel Möring een bijdrage aan leverden.
De titel van het essay, ontleend aan Milan Kundera, is programmatisch. Er zijn dingen die film of televisiedrama in de dominante beeldcultuur nooit kunnen laten zien: de binnenwereld van de mens. Of zoals De Jong het noemt: het intieme. Een camera kan nooit in het hoofd kruipen van mensen en hun tastende gedachtegang of de draaikolk van hun emoties tonen. Daarom blijft de roman noodzakelijk.
Van het grootse belang is volgens De Jong de stijl die auteurs hanteren. Zintuigelijk proza, dat zijn kracht ontleent aan helderheid, precisie en beeldend vermogen, kan een personage zo levensecht maken dat een lezer daadwerkelijk in zijn hoofd en hart kan kruipen. Zeker in een tijd van grote concurrentie met andere media moet een schrijver proberen met een zintuigelijke stijl zijn lezers te betoveren.
Minder belangrijk zijn nieuwe vormen. Binnen het traditionele, nog altijd dominante negentiende-eeuwse concept van de realistische roman is voldoende ruimte om nieuwe dingen te ontdekken en te laten zien. De roman past zich wel aan door technieken van nieuwe genres over te nemen, zoals recentelijk van de soap, maar het is niet nodig om te experimenten om het experiment alleen.
Tot zover is ‘Wat alleen de roman zeggen kan’ overtuigend. Op de vraag of er voldoende lezers overblijven voor de unieke mogelijkheden van het genre, moet ook De Jong terugvallen op een slecht beredeneerd vertrouwen dat dat inderdaad het geval zal zijn.
De Jong citeert de inmiddels befaamde uitspraak van Philip Roth. ‘Ik geloof niet […] dat de roman stervende is,’ verklaarde de Amerikaan bij de aankondiging van zijn besluit te stoppen met schrijven. ‘Ik heb gezegd dat de lezers uitsterven. […] Ik heb gezegd dat het scherm de lezer de das omdoet, en dat is ook gebeurd. Eerst het bioscoopscherm, toen het televisiescherm en nu, als genadeklap, het computerscherm.’
 De Jong beaamt dat er in de nabije toekomst minder lezers zijn. Maar er zullen er wel genoeg zijn. In Europa althans. ‘De Europese beschaving is zeer veel ouder dan de Amerikaanse en beschaving is hier dan ook zeer veel dieper verankerd in de samenleving. De Amerikaanse cultuur is bovendien veel meer dan de Europese een televisiecultuur.’ Een redenering die me zeer discutabel lijkt.
 Hij lijkt er bovendien vanuit te gaan dat alle romanlezers veellezers zijn. De Jong weigert te geloven dat het type kind dat in zijn jeugd verslingerd raakt aan lezen zal uitsterven. Nee, natuurlijk niet. Maar dat type, voor wie lezen een eerste levensbehoefte is, is altijd in de minderheid geweest. Om te overleven als genre heeft de roman bovenal de massa aan incidentele lezers nodig.
 Om de groep mensen die intuïtief aanvoelen dat een roman interessant of verheffend kan zijn, op peil te houden, is de inzet van het onderwijs bijvoorbeeld van groot belang. Juist middelbare scholen hebben, volgens de veel bespiegelaars over de toekomst van de roman, iedere vorm van gedegen literatuuronderwijs uitgebannen. Maar over de rol van het onderwijs zegt De Jong helaas niets.
Alleen de toekomst kan uitwijzen wie gelijk heeft – Philip Roth of Oek de Jong. Maar wat de toekomst ook brengt, het is in ieder geval goed om optimistisch te blijven. Daarom is Roth gestopt met schrijven en De Jong niet. Hij blijft lezers proberen te winnen voor de roman. Uiteindelijk is De Jongs Pier en oceaan (2012) misschien wel het beste bewijs van zijn eigen stellingen over de kracht van het genre.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 5 nov 2013)


Zie ook:

dinsdag 5 november 2013

Lezen of leven – Cees Nooteboom geeft zijn visie


Lezen of leven? Een tijdje terug beweerde ik in een sms-discussie met een vriend, enigszins koket, dat het eerste verreweg te prefereren was. Bovendien, als je zoals ik niets liever doet dan lezen, dan is zo veel mogelijk lezen vanzelfsprekend de beste manier om te leven. De vriend vond het onzin: hoewel ook hij graag leest, gaat zijn voorkeur uit naar zelf leven. Gechargeerd gezegd: hoe goed iemand als Patrick Modiano ook schrijft, je kind helpen zijn billen af te vegen, dát is het waardevolst.
Toen las ik onlangs in Met lopen nooit meer opgehouden, het interviewboek van Piet Piryns met Cees Nooteboom, de schrijver het volgende vertellen:

“Mijn droom is toch ergens een huis buiten, met een knapperend haardvuur, en dan achter elkaar de hele Proust herlezen en ook de negen delen Saint-Simon, en Chateaubriand – om maar eens ergens te beginnen. Aan de andere kant is er de angstaanjagende gedachte om tijd van jezelf te stelen en het leven alleen maar te consumeren. In de buurt van mijn Amsterdamse huis ken ik zo’n oude man, die altijd op de sofa zit te lezen, met twee of drie boeken om zich heen. Kom ik na zes maanden weer langs, zit hij daar nog. Hij doet mij op de een of andere manier denken aan de kat in ons huis op Menorca. Als wij op het einde van de zomer als verraders afscheid nemen, laten we tweehonderd blikken kattenvoer achter, die door de buurvrouw keurig zullen worden verstrekt. Die gaan er allemaal van voren in en komen er van achteren weer uit. Zo is het met boeken ook een beetje.”

Ja, dacht ik. Lezen is één ding, maar als je alleen maar leest om het lezen, voelt het weinig zinvol. Zeker als je bedenkt hoe weinig je, al na twee jaar, van een boek hebt onthouden. Je moet iets met het lezen doen. De auteur ervan interviewen. Een recensie erover schrijven. Als lector voor een uitgeverij je mening erover geven. Een boek als De boekenapotheek maken. In een jury van een literaire prijs je oordeel vellen. Alleen dan geeft lezen de indruk van een welbesteed leven. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik dat tot op heden heb kunnen doen.

maandag 4 november 2013

Nieuwe Leidse kunstboekhandel Babooka boekt direct succes (Boekblad)

De nieuwe Leidse kunstboekhandel Babooka maakt na precies een maand al winst. ‘Je kunt deze koffietafelboeken nergens anders in de stad krijgen,’ zegt eigenaar Niels Vreeling.

Het strak ingerichte Babooka voert zo’n 260 tot 280 titels op het gebied van architectuur, design, mode, fotografie en automotive. ‘Andere boekwinkels in Leiden hebben nog maar hooguit drie Taschen-titels liggen. Wij veel meer. Van TeNeues hebben ze helemaal niets. Daarnaast kopen we veel in van Phaidon en Gestalten – een opkomende Duitse uitgeverij, met een heel creatief fonds.’
Een eigen boekhandel is langgekoesterde wens van Vreeling. Toen het pand aan het Gangetje – een centrale locatie met veel passanten – vrijkwam, dacht hij: nu of nooit. De ene helft van het pand is voor zijn grafisch ontwerpbureau Azeta, de andere helft voor Babooka. ‘Het ontwerpbureau waar ik ooit voor werkte, breidde ook uit met een boekhandel. Nadat ik er wegging weliswaar, maar daar heb ik het idee van.’
Een glazen muur verbindt ontwerpbureau en boekhandel. ‘De winkel is het visitekaartje van het bureau,’ zegt Vreeling. ‘Ik merk nu al dat er naar gevraagd wordt: wat gebeurt daar?’ De boekhandel moet zichzelf wel kunnen bedruipen. Meer nog: een acceptabel salaris moet opleveren. ‘Break-even draaien is niet genoeg.’
Vandaag maakte Vreeling voor het eerst maandcijfers op. Het positieve resultaat stemde hem zeer tevreden. Vooral omdat er nog steeds stijgers om het pand staan, die het winkel grotendeels aan het zicht onttrekken en de indruk wekken dat Babooka nog open moet gaan. Het is een teken dat de Leidse boekhandels inderdaad een kansrijk genre hebben laten lopen.
Vreeling denkt bovendien dat dit assortiment minder gevoelig is voor de crisis. ‘Het zijn, tussen aanhalingstekens, verzamelobjecten. Er zijn altijd liefhebbers voor deze boeken, die ze niet online willen doorbladeren, maar tastbaar in handen willen hebben. Die ze willen bezitten, en dus ook niet na lezen naar de kringloop brengen.’
Dat de speciaalzaken op kunstgebied dit jaar een boost hebben gekregen door de opening van nieuwe museumboekhandels rond het Museumplein, is Vreeling niet ontgaan. Maar het staat los van zijn initiatief. ‘Ik ben bijvoorbeeld nooit bij Taschen in Amsterdam geweest. Ik zie grafisch ontwerpbureau en boekhandel als een logische combinatie, en heb voor de winkel een bepaalde sfeer proberen te creëren waardoor mensen hier graag een half uurtje blijven neuzen.’
Om het werk voor beide bedrijven te kunnen combineren, accepteerde Vreeling aan het eind van de zomer het aanbod van Sanne Witkamp, een freelance marketingdeskundige, om partner van de boekhandel te worden. Hijzelf is het gezicht van Babooka. Hij staat alle openingsuren in de winkel. Witkamp concentreert zich op de marketing en het uitbouwen van een webshop, die eind deze maand online moet gaan.
Uiteindelijk moet de helft van de inkomsten uit de boekhandel komen en de helft uit de business-to-businessmarkt. ‘Na twaalf jaar ken ik veel ondernemers in Leiden en omstreken. Ik denk dat het voor hen veel interessanter is om een keer geen flesje wijn als relatiegeschenk of afscheidscadeau te geven, maar een mooi boek. Een boek behoudt zijn waarde, een fles wijn is na twee dagen op.’
Op 7 november organiseert Babooka voor het eerst een evenement. In samenwerking met uitgeverij Phaidon komt die avond topkok René Redzepi van restaurant NOMA naar Leiden voor de presentatie van zijn boek A work in Progress. Vreeling: ‘En in december komt de fotograaf Jimmy Nelson, van Before They Pass Away over bijna uitgestorven volken, voor een signeersessie. Zo willen we zes keer per jaar iets doen – altijd gerelateerd aan een boek.’
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 1 nov 2013)

Zie ook: