maandag 11 februari 2013

De foute minister in de literatuur is een cliché (BOEK)


Ministers en staatssecretarissen horen thuis in het rijtje moordenaars, oplichters en fraudeurs. De machtsdragers worden in de literatuur vrijwel uitsluitend negatief beschreven. Hun karakter is slecht en machtig zijn ze hooguit in hun verbeelding. Gelukkig zijn er ook romans die met dat geijkte beeld spelen.

Siem Sigerius is een geweldenaar. De hoofdpersoon van Peter Buwalda’s bestseller Bonita Avenue (2010) had een gouden medaille gewonnen in het judo op de Olympische Spelen van München als hij niet geblesseerd was geraakt. Hij is een wiskundig genie, de enige Nederlander die de Fields Medal – de Nobelprijs van de wiskunde – heeft gewonnen. En als mediagenieke rector van de Tubantia University wordt hij op handen gedragen door medewerkers en studenten.
Waarom wordt zo iemand in godsnaam minister van onderwijs? Het zijn de jaren van Paars-II. D66, Sigerius’ partij, zoekt een potentiële opvolger voor Hildo Kruidenier. Premier Wim Kok zag hem al niet zitten en nu blijkt het ook nog een brokkenpiloot eerste klas te zijn, die zijn eigen partij omlaag sleurt in de peilingen. Partijleider Thom de Graaff polst Sigerius of hij beschikbaar is. Dat is hij. En als de nood aan de man komt, stapt hij zonder aarzeling in het kabinet.
Buwalda presenteert Sigerius’ carrièreswitch als een stap vooruit. Maar als lezer ervaar je dat helemaal niet zo. Een minister – dan denk je toch al snel aan visieloze ledenpoppen die een beloning krijgen voor jarenlange loyaliteit aan de partijleider. Aan opportunistische ijdeltuiten met als voornaamste talenten vlot babbelen in talkshows en het schoonvegen van het eigen straatje. Of aan gewetenloze beroepspolitici voor wie alleen de macht en de volgende verkiezingen tellen.
Je denkt vooral aan iemand als Ronald Plasterk. Ook hij was een kwart eeuw wetenschapper, die werkte aan befaamde instituten, al jong hoogleraar was, gelauwerd werd met de Spinozapremie – de hoogste Nederlandse onderscheiding voor de wetenschap – en als columnist de term ‘ietsisme’ muntte. Hij werd alom gerespecteerd. Tot hij in 2007 minister werd, eerst van onderwijs, nu van Binnenlandse Zaken. Sindsdien valt hij vooral op vanwege zijn vrolijk beleden ijdelheid.

De werkelijkheid is dat Peter Buwalda het ministerschap nodig had om Sigerius chantabel te maken. Als rector zijn zijn gewelddadige zoon Wilbert en zijn zich op internet prostituerende dochter Joni onschadelijk. Maar als minister komt hij in een positie dat Wilbert kan hem kan bedreigen met het openbaar maken van zijn vroegere gewoonte om zich af te trekken bij pornofilmpjes van Joni. Het conflict met zijn kroost, waar Bonita Avenue om draait, wordt daarmee op de spits gedreven.
Tussen de regels merk je dat Buwalda eigenlijk niet zo positief denkt over ministers. Hij maakt er veel werk van om uit te leggen waarom Sigerius niet – als natuurkundige Robbert Dijkgraaf – naar een prestigieuze Amerikaanse universiteit verkast. En dat terwijl hij een aanbod van Princeton heeft om er universiteitshoogleraar te worden. Hij wil de kluit niet belazeren, heet het, omdat zijn wiskundige vermogens afnemen. En hij is verslingerd geraakt aan het openbare ambt – en de macht.
Typisch is ook dat de enige fictieve minister Kruidenier heet. Een kruidenier is spreekwoordelijk een man met bekrompen denkbeelden. Een krentenweger. En Sigerius zit binnen de kortste keren tot zijn nek in de politiek met kleine p. In plaats van een intellectueel eerlijk debat te kunnen voeren krijgt hij bij de minste verandering van opinie het verwijt een ‘draaikont’ te zijn. Al zijn tijd gaat op in ontmoetingen en speeches. Aan beleid maken komt hij niet toe. Hij lijkt er ook niet van te genieten.

Dit beeld van het ministerschap staat niet op zichzelf in de recente Nederlandse literatuur. Sterker: de meeste romanciers die tegenwoordig een bewindspersoon of kandidaat-minister of -staatssecretaris opvoeren, al is het maar als bijfiguur, dragen bij aan de verbazing dat zo’n intelligente en krachtige persoonlijkheid als Sigerius er ook maar over piekert minister te worden. Een bewindspersoon wordt standaard zo negatief geportretteerd dat de foute minister een cliché is geworden.
De voorbeelden zijn legio. Oom Adolf uit de gelijknamige roman van Koos van Zomeren uit 1983 is achterbaks, gemeen, opportunistisch, die achteloos kikkers en een hond vermoordt en daar achteraf krokodillentranen over plengt om goede sier te maken. Julius Hammer uit Bittere bloemen (2011) van Jeroen Brouwers is na zijn twee achtereenvolgende termijnen op Justitie vooral snel weer vergeten. Ministers maken blijkbaar geen enkele blijvende indruk. Enzovoorts, enzovoorts.
Ook de voormalige milieuactivist Michiel van Straten die in De utopisten (2007) van Louise Fresco wordt benoemd tot staatssecretaris van Technologie en Milieu, is een prototype. Hij is een allemansvriend die te veel aandacht besteedt aan zijn uiterlijk – de met zorg uitgekozen schoenen, de fijngerande goudkleurige bril, de sexy lok – en die in de ogen van een vriend met het stijgen in de pikorde steeds langer lijkt te worden. Hij is opgezwollen door zijn gevoel van belangrijkheid.
De politici om Michiel heen zijn echter veel erger. Ze worden niet gedreven door een visie op de maatschappij en een behoefte dingen ten goede te veranderen – zoals Fresco’s hoofdpersoon nadrukkelijk wel doet – maar door een lust naar macht, zorg om hun imago en verlangen naar onsterfelijkheid. Vooral Barend ter Veer, die Michiel in de politiek heeft gepiloteerd, is de kingmaker achter de schermen voor wie standpunten alleen maar middellen zijn om stemmen te trekken.
Als staatssecretaris komt Michiel er snel achter hoe machteloos hij in de praktijk is. Van zijn ambitie om met behulp van technologie het bedrijfsleven een innovatieve impuls te geven én het milieu te verbeteren, komt niets terecht. In de dagelijkse drukte van vergadering op vergadering, debat op debat, toespraak op toespraak, heeft hij simpelweg geen tijd om zijn eigen beleid te maken. Na enkele maanden is hij als een kind zo blij dat hij een onbenullig succesje heeft kunnen boeken.
Bovendien lijkt hij niet eens de baas te zijn over zijn eigen portefeuille. De coterie van voorlichters, persoonlijk medewerkers en ambtenaren om hem heen weet altijd beter hoe het werkt en heeft altijd meer informatie over welk beleidsterrein ook. Daarom voelt hij zich steeds gedwongen zich neer te leggen bij hun mening. Spreekt hij iedere keer trouw de teksten uit die anderen voor hem schrijven. Op televisie laten ze me verdorie meer uitpraten dan op het ministerie, verzucht hij een keer.
Michiel ervaart het dan ook als een bevrijding als hij uit eigen beweging opstapt. Hij onderkent dat hij in de politiek, die wordt gedomineerd door machtspolitici als Ter Veer, niets kan bereiken. Daarvoor is de politiek te veel een spel om de macht dan een middel om gezamenlijk vooruitgang te boeken. Veel effectiever is het dan om vanuit de zijlijnen uit te komen voor je overtuigingen – door een boek te schrijven, zoals Michiel gaat doen, maar vooral: door jezelf te zijn en zo oprecht te blijven.

Je zou verwachten dat een ex-minister positiever schrijft over het ambt. Maar in Ongeschreven wetten (2006) dat Winnie Sorgdrager onder het pseudoniem Victor ten Hove publiceerde, is minister van Veiligheid Evert Vergoor een zwak figuur die zonder de hulp van zijn ambtenaren nog meer zou schutteren in de Tweede Kamer. Tegelijkertijd is hij zo vervuld van zichzelf dat hij na afloop van een debat zijn medewerkers trots laten weten hoe goed hij het zelf heeft gedaan.
De oud-minister van Justitie (1994-1998) schetst haar fictieve collega als iemand die zijn functie vooral te danken heeft aan zijn jaren trouwe dienst aan de partij. Dat hij een belangrijk nieuw ministerie tot een succes moet maken, is de partij kennelijk een zorg. Sterker: hij moet ondanks zijn falen vooral aanblijven omdat anders de coalitie begint te wankelen. En ondertussen kunnen Vergoors ambtenaren doorgaan hem te manipuleren ten bate van hun eigen carrière.
Een roman die tot op zekere hoogte wel een uitzondering is, is Wende (2012) van Johan Faber. ‘Onderminister’ Lodewijk Vriend, tegenspeler van de hoofdpersoon Peter Hemel, doet niet onder voor de meeste andere bewindspersonen in dit stuk. Hij is een leider die iedereen het gevoel geeft dat je zijn beste vriend bent. Hij is een allemansvriend en voldoende met zichzelf ingenomen om zijn tweeling Adam en Eva te noemen, als symbool van het nieuwe begin dat zij zijn.
Maar anders dan Sigerius, Van Straten en Vergoor heeft hij wel echte macht. Al slaat dat gelijk door in machtsmisbruik. Vriend denkt dat hij alles kan maken. Als student al: hij schroomt niet om verstofte wetenschappelijke marxistisch-leninistische artikelen, door een hulpje licht bewerkt, als eigen werk te presenteren. En al helemaal als minister: als hij iets van Hemel moet hebben, laat hij zijn chauffeur hem oppikken. Hemel heeft maar te luisteren, of hij wil of niet.

Alle romans over de minister hebben, zoals gezegd, bijgedragen aan het geijkte beeld van de egomane bewindspersoon zonder al te veel macht, die ondanks de grote zorg om zijn imago snel weer vergeten zal zijn. Hoe ingeburgerd het cliché is, bewees Herman Koch in Het diner (2009) waarin hij knap inspeelde op de verwachting dat de democratisch gekozen machthebbers schijnheilige leugenaars zijn en de lezers zo tot op de laatste bladzijden op het verkeerde been zette.
Het diner draait om een moord op een zwerver. De daders zijn de zonen van Paul en Serge Lohman. Vanaf het begin lijkt het volkomen logisch dat kandidaat-premier Serge, de gedoodverfde winnaar van de over zeven maanden uitgeschreven verkiezingen, zijn eigen zoon de hand boven het hoofd houdt. Hij is de typische politicus: onbeschoft in privékringen, maar de goedheid zelve tegenover media en achterban. Deze man wil alles opofferen voor zijn carrière.
En dan blijkt het tegenovergestelde het geval. De verteller Paul maakte zijn broer alleen maar zwart. Hij was zelf het amorele karakter die de afschuwelijke daad van zijn zoon vergoelijkte, terwijl de raspoliticus bereid bleek af te zien van zijn glorieuze toekomst. Zelfs als die aap uit de mouw komt, duidt Paul die beslissing nog als iets negatiefs: zijn broer de politicus zou alleen maar willen voorkomen dat hij bij een openbaar schandaal betrokken raakt.
Die Serge Lohman, denk je dan, is een echte geweldenaar. Groot gelijk dat hij minister – minister-president zelfs – wil worden.
(Eerder verschenen in BOEK 1, 2013)

Zie ook:

zondag 10 februari 2013

Des romans français: Youssouf Amine Elalamy, 'De clandestienen'


In de media verschijnen nog vaak genoeg berichten over bootvluchtelingen. Hoeveel er opgepikt zijn nadat hun overvolle bootje dagen doelloos op zee heeft rondgedobberd, hoeveel er overleden zijn onderweg, of aangespoeld op het strand. De Marokkaanse schrijver Youssouf Amine Elalamy geeft de clandestienen in zijn gelijknamige boek, bekroond met de Grand Prix Atlas 2001 en vertaald door Jacco Leeuwerink, op prachtige en indringende wijze een gezicht, een naam, een leven. Hij verplicht ons stil te staan bij de vluchtige beelden die de televisie ons voorschotelt door de verhalen te vertellen van twaalf mannen en één vrouw, die zwanger is. Nadat ze gezamenlijk zijn ingescheept aan de kust van Marokko om op weg te gaan naar het geluk in Spanje, spoelen ze weer aan, op hetzelfde strand waarvandaan zij vertrokken. 
Door de ogen en met de stemmen van de drenkelingen worden in korte, fragmentarische hoofdstukken hun levens blootgelegd, en de redenen van hun vertrek. Het verhalende en vaak poëtische taalgebruik roept direct duidelijke beelden op, die daardoor des te meer indruk maken. Zoals wanneer Chama drijvend op een stuk hout midden op zee dobbert:

Maar het doet er allemaal niet meer toe, nu ligt er een eeuwigheid voor mij. Een eeuwigheid min één dag als het me lukt om deze plank nog een paar uur vast te houden en meester te blijven over de kou die in mijn benen bijt, de honger die in mijn ingewanden brandt en het schuim dat aan mijn lippen vreet.

Maar ook de achterblijvers worden gehoord. Zoals de moeder van Louafi, die niet wil geloven dat haar zoon dood is. Met de kleinst mogelijke stapjes begeeft ze zich naar het strand, om het moment van de waarheid uit te stellen, om het leven te rekken waarin zij nog samen is met haar zoon en hij in haar ogen nog niet is overleden.

Het waren stappen waarvan je zegt “zo klein waren ze” waarbij het “zo” past in de lege ruimte tussen je duim en wijsvinger; u bevindt zich in een boek, niet in een leven of in een film; wilt u zo vriendelijk zijn genoegen te nemen met woorden; “klein” is het enige woord dat er is om het mee uit te drukken, maar zelfs dat is al te groot om haar passen te beschrijven.

Het is intrigerend hoe Elalamy hier het verhaal nog indringender weet te maken. Indringender dan de beelden van een film. Hij doet een beroep op het voorstellingsvermogen van de lezer, vraagt de lezer pas op de plaats te maken en niet zomaar zijn eigen betekenis aan het woord ‘klein’ te geven. Nee, het gaat om het ‘klein’ dat Elalamy voor ogen heeft. Tenslotte is er eerst het woord, dat van de schrijver, en pas dan het beeld, dat van de lezer.
De zee speelt een belangrijke rol. Ze houdt de twaalf mannen en de vrouw gevangen maar is tegelijk de toegang tot het paradijs. Je hoeft haar alleen maar over te steken, of leeg te drinken, zoals Salah, die later hoort dat hij ook in een bootje kan stappen. De zee is bijna een personage. Ze verleidt de wanhopigen met haar rustige golfslag, strekt zich gewillig voor hen uit en zet hen aan tot dromen dat het aan de andere kant beter is. Zoals bij Laoufi: ‘Onder het spreken hield hij zijn hoofd in zijn handen, zijn hoofd dat zo klein was met die droom die zo groot was.’
De zinnen zijn soms traag, herhalen zichzelf, als de golven van de zee. Dan weer vluchtig om het gerucht te verspreiden over de doden op het strand. Elalamy speelt met de taal, hij schept beelden die je je eigenlijk niet wilt voorstellen. Van lijken op het strand, als dode vissen, met hun verminkte lichamen waar slierten zeewier overheen liggen. En dan sluit hij het doek en laat hij de lezer ontdaan achter:

En als er geen muziek en tromgeroffel bij klinkt, en er geen scherm is en geen kaartjes zijn, dan is dat omdat je over die verdronken mensen op het strand kunt zeggen wat je wilt, maar niet dat het maar een film is.

zaterdag 9 februari 2013

Britse huisartsen gaan boeken voorschrijven (Knack)


Britse huisartsen schrijven vanaf mei boeken voor aan patiënten met mentale proble-men. Een lijst linkt dertig boeken aan dertig ziektes.

De papieren recepten zijn bedoeld voor mensen met milde vormen van aandoeningen als vreetbuien, relatieproblemen, slaapproblemen, stress, angst en sociale fobieën. Het idee erachter is dat huisartsen bij dergelijke vage klachten niet direct weten hoe ze hun patiënten het best behandelen. Als die eerst een boek over hun probleem lezen, kunnen zij bij een volgend consult beter in gesprek komen over oorzaken en oplossingen.
De lijst is goedgekeurd door tal van Britse zorginstanties en bevat serieuze zelfhulpboeken zoals ‘Overcoming Relationship Problems’ van Michael Crowe, ‘How to Stop Worrying’ van Frank Tallis en ‘Feel the Fear and Do it Anyway’ van Susan Jeffers. Dat laatste boek wordt ook gelezen door – de fictieve – Bridget Jones, zo schrijft ze in haar dagboek. Daarnaast is er een secundaire leeslijst met opwekkende romans, gedichten en verhalen. Daarop prijken onder meer ‘Notes from a Small Island’ van Bill Bryson en ‘To Kill a Mockingbird’ van Harper Lee.
Patiënten die een boek krijgen voorgeschreven, kunnen deze lenen bij de plaatselijke openbare bibliotheek. De Britse Arts Council heeft bibliotheken een subsidie van 20.000 pond (23.000 euro) toegekend om alle titels op de lijst in de collectie op te nemen en gericht te presenteren. Zo kunnen mensen die worstelen met hun angsten en zorgen, zich ook op eigen initiatief verdiepen in hun aandoening zonder meteen naar de dokter te hoeven stappen.
Het idee is afkomstig van de particuliere leesbevorderingsstichting The Reading Agency en bouwt voort op lokale ervaringen in Wales. Ook in Denemarken en Nieuw-Zeeland schrijven huisartsen al langer zelfhulpboeken voor. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt ook dat het werkt: patiënten die ‘Overcoming Depression’ van Christopher Wilson lezen en bespreken met hun arts zijn significant minder depressief dan patiënten die geen enkel boek over hun ziekte lezen.
In Vlaanderen stuurt Cobra, de culturele site van de VRT, al enkele jaren een boekendokter naar de Boekenbeurs en Mind the Book. Onder meer Saskia de Coster, Bart Van Loo en Peter Holvoet-Hanssen gaven beursbezoekers een gratis leesadvies om zich beter te voelen. Thomas Blondeau gaf tot eind vorig jaar op zijn Cobra-blog bijna wekelijks een nieuw advies.
Ook voor wie thuis een literair genezing zoekt voor zijn klachten is redding nabij. Komend najaar verschijnt in vrijwel heel Europa ‘The Novel Cure’ van Susan Elderkin en Ella Berthoud. In deze luchtige gids schrijven de twee auteurs voor bijna 350 aandoeningen een roman voor die de patiënt instant verbetering biedt. Uitgeverij Podium publiceert de Nederlandse vertaling, die – door mij – wordt aangepast aan wat Nederlandse en Vlaamse lezers in hun boekenkast hebben staan.
(Eerder verschenen op Knack.be, 5 feb 2013. Een aangepaste versie stond op Bibliotheekblad.nl)

vrijdag 8 februari 2013

De kanshebbers op de AKO Literatuurprijs ook in de running voor Libris Literatuurprijs en Gouden Boekenuil


De jury van de afgelopen AKO Literatuurprijs , waar ik deel van uit maakte, kreeg opmerkelijk weinig kritiek. Het is dan ook geen verrassing dat alle boeken op de Toplijst die dit jaar in aanmerking komen voor de Libris Literatuurprijs en de Gouden Boekenuil op de longlists van die prijzen staan, die deze en vorige week bekend zijn gemaakt. Nou ja, bijna allemaal – er is één uitzondering.
De vier boeken van de zes die nog kans maken op de Libris en Gouden Boekenuil zijn Het boek Ont van Anton Valens, De man zonder ziekte van Arnon Grunberg, Dinsdag van Elvis Peeters en Post Mortem van Peter Terrin. Liefde heeft geen hersens van Mensje van Keulen staat alleen op de Libris-longlist. Het laatste boek van onze Toplijst is Grip van Stephan Enter. Dat is uit 2011 en komt dus niet meer in aanmerking voor één van de voorjaarsprijzen.
Andere boeken op de longlist van de Libris Literatuurprijs waarover ik geschreven heb, zijn: Pier en oceaan van Oek de Jong, Een kamer in Rome van Sipko Melissen, Vrij man van Nelleke Noordervliet en Euforie van Christiaan Weijts.
Andere boeken op de longlist van de Gouden Boekenuil waarover ik geschreven heb, zijn: opnieuw Oek de Jong en Christiaan Weijts – en Vader van God van Martin Michael Driessen, Geen sterveling weet van Gerard Koolschijn, Gerard Reve, deel 3 van Nop Maas en Duizend heuvels van Koen Peeters.
Tot slot: Van de achttien titels op de Libris-longlist heb ik er dertien gelezen, van de twintig titels op de Gouden Boekenuil-longlist heb ik er zestien gelezen. Dat is een fractie minder dan vorig jaar. Zie hier.

Zie ook:

donderdag 7 februari 2013

Was Willem-Alexander maar een personage


Willem-Alexander is een blinde vlek voor mij. Ik heb hem als kroonprins regelmatig niet gezien. Mijn republikeinse inborst vertroebelt blijkbaar mijn waarneming.
In het Concertgebouw haastte ik me ooit in de pauze naar de koffie – het was nog in de tijd dat de drank niet bij de entreeprijs was inbegrepen. Het viel mij wel op dat bijna niemand meeliep, terwijl de muziek toch echt was afgelopen en het applaus was ingezakt. Maar waarom? Dat snapte ik niet goed. Pas later hoorde ik dat de wandelgang was vrijgehouden voor Willem-Alexander en Maxima, die ik ook al niet in de zaal had zien zitten. Ik had hen zelfs bijna omvergelopen.
Recenter verliet de kroonprins zijn huis toen ik met mijn gezin wandelde in De Horsten. Mijn vriendin attendeerde mij erop dat Willem-Alexander in de voorbijrijdende auto zat. Ik had niets gezien. En toen hij even later weer thuiskwam, gebeurde hetzelfde: ik keek net de verkeerde kant op, mijn vriendin moest mij vertellen dat hij achterin bij een leeslampje wat papieren doornam.
Gaat dat veranderen nu Willem-Alexander koning wordt? Schrijvers als Mariëtte Nollen in Ik, Beatrix en Oscar van den Boogaard in Majesteit kropen in de huid van Beatrix. Ongetwijfeld maken anderen binnenkort ook van Willem-Alexander een literair personage. Als dat eenmaal gebeurt, bij voorkeur in betere boeken dan deze twee over zijn moeder, zal ik hopelijk eindelijk in staat zijn hem waar te nemen. Literaire personages zie ik nooit over het hoofd.

dinsdag 5 februari 2013

Simon Garfield, 'Precies mijn type'


Deze posting is een test. Nadat ik Precies mijn type van Simon Gafield (Podium, 2012) heb ik gelezen, wil ik wel eens zien hoe de zeven verschillende lettertypes die Blogger beschikbaar stelt werken. Welke werkt bij de gekozen corpsgrootte het beste?

Ik ben gewoon te werken met Times New Roman, corpsgrootte 14 en zo min mogelijk wit tussen de regels. Dat ervaar ik als overzichtelijk en prettig leesbaar. Maar die keus heb ik al zo lang geleden gemaakt dat ik géén idee heb hoe andere lettertypes er ook alweer uit zien in mijn tekstverwerkingsprogramma (het antieke Apple Works).

Die modern aandoende schreefloze lettertypes als Gill Sans, Helvetica, Universe zien er toch ook fraai uit? En die tijdloze schoonheid van de Garamond: waarom gebruik ik die niet af en toe?

Dankzij Garfield ben ik me eindelijk bewust geworden van de rijkdom op mijn computer. Precies mijn type is een prettig ongestructureerde mengeling van interviews met ontwerpers, geschiedenis van letters, anekdotes uit de wereld van het grafisch ontwerp en interessante weetjes, die mijn blik op alles wat met boeken te maken heeft nog verder heeft verruimd.

Een zekere interesse in de technische kant van drukwerk is wel vereist om dit boek te waarderen. Zo specialistisch is Garfield wel. Maar voor wie er belangstelling voor heeft, is Precies mijn type een aanrader.

Nu nog bedenken of ik de Times op dit blog inruil voor een van de fonts in dit bericht – al betwijfel ik of ik de overstap ooit maak.

NB. Van boven naar beneden heb ik gebruikt: Arial, Courier, Georiga, Helvitica, Trebuchet, Verdana

maandag 4 februari 2013

Andrea Hirata, 'De regenboogbende'


De Indonesische schrijver Andrea Hirata verbloemt in zijn debuut De regenboognatie het koloniale verleden van zijn land niet. Hij wijst op woorden met een Nederlandse etymologie. Hij vertelt dat de villa’s op Belitung, waar de rijke directeuren van het tinwinningsbedrijf wonen, nog door de Nederlanders zijn neergezet. Billiton, heette het eiland toen.
Hoe is het mogelijk, denk je bij iedere verwijzing, dat De regenboogbende is vertaald vanuit het Amerikaans-Engels? Zijn onze banden met Indonesië zo radicaal doorgesneden dat niemand het boek rechtstreeks vanuit het Bahasa kan omzetten in Nederlands? Kun je die taal soms niet meer leren aan een Nederlandse universiteit?
Waarschijnlijk zou een directe vertaling een ander boek hebben opgeleverd. In de tekst die uitgeverij Atlas Contact nu heeft gepubliceerd, legt Hirata uit wat angkot (minibusjes) en betjahs (fietstaxi’s) zijn, alsof hij een knieval heeft gemaakt naar zijn Amerikaans publiek. Voor de inheemse lezers hoeft hij die begrippen niet uit te leggen.
Persoonlijk geef ik de voorkeur aan het gebruik van zo veel mogelijk lokale woorden zonder uitleg. Zelfs een woordenboek achterin hoeft niet. Het maakt het boek Indonesischer. Echter. Alsof het boek extra gekruid is. Uit de context begrijp je toch wel wat kantjil (dwerghert) of jilbab (hoofddoek) is. En dan nog.
Ook de sentimentaliteit van De regenboogbende is te Amerikaans. Denk aan van emotie overlopende zinnen als: ‘Ik ging weer naars school, maar mijn hart was niet genezen. Ik sloot me dagenlang af, overvallen door een gevoel van leegte.’ (pagina 179). Zou Hirata zulke passages voor de Amerikaanse editie hebben aangedikt?
Ik weet het niet. Ik kan het niet vergelijken met het origineel. Ik heb zelf ook nooit Bahasa geleerd, al kun je het wel degelijk op alle mogelijke niveaus in Nederland leren. leert even snel googlen.
Toch heeft het boek iets sympathieks. De regenboogbende is een onverbloemde lofzang op onderwijs. In Indonesië is onderwijs nog een ticket naar een betere toekomst – mits je de discipline en het doorzettingsvermogen op kan brengen te blijven leren en niet valt voor de verleiding van het materialisme, zoals Hirata schrijft. Overwin er dan ook alle tegenslagen voor.
Je zou willen dat we in Nederland net zo veel waarde aan onderwijs hechten als Hirata’s verteller. Dan zou de ambitie om in de top vijf ter wereld op dit gebied te behoren moeiteloos worden gehaald.

zondag 3 februari 2013

Interview Michelle Paver over 'Hylas - Tijden van goden en gevechten'


Met de jeugdserie Torak en Wolf scoorde Michelle Paver een wereldhit. Haar nieuwe serie Tijden van goden en gevechten neemt de lezers mee naar het Griekenland van het bronzen tijdperk. In vijf delen bindt de twaalfjarige Hylas de strijd aan met de Kraaien en probeert hij met behulp van een dolfijn, een leeuwin en een valk zijn verdwenen zusje terug te vinden.

Michelle Paver over Hylas en de roep van de dolfijn:
‘Ik wilde een verhaal schrijven waar ik net zo gepassioneerd over was’

Hoe ontstond het idee voor deze nieuwe serie?
Torak en Wolf speelt zich af in de prehistorie, omdat ik al vanaf mijn jeugd zo van die periode hou. Maar de boeken die ik toen het meeste las waren de mythen van het oude Griekenland en het oude Egypte. Ik koester ze nog altijd: de hervertellingen voor kinderen van Roger Lancelyn Green. Die verhalen waren veel gewelddadiger, echter en heldhaftiger dan sprookjes. Ik bleef ze herlezen. Ooit wilde ik iets met die periode doen. Al leeft Hylas, de hoofdpersoon van de serie, eigenlijk voor het tijdperk van de mythen, in ongeveer 1500 voor Christus. Maar hij wordt een held en daarmee als het ware de leverancier van mythen. Precies zoals Torak een voorloper van de god Wodan is.’

Tijden van goden en gevechten begon dus met het besluit om een verhaal in de klassieke oudheid te situeren?
‘O nee. Ik had eerst een personage. Er is niets fijners dan tijdens het schrijven met je gedachten af te dwalen naar boeken die je nog wil maken. Zo doemde, middenin het werk aan boek vijf van Torak en Wolf, een beeld in mijn hoofd op van een jongen in een boot, zonder kleren, zonder naam, in de hete zon, die “de overlever” werd genoemd. Pas toen ik dit in mijn notitieboekje opschreef, wist ik: dit speelt zich af op de Middellandse Zee, en kwamen al snel alle onderdelen van de serie in me op. Dat ik in elk deel één van de vier elementen centraal wilde stellen – in het eerste deel is dat de zee. En dat ik, net als met Wolf, weer een dier een hoofdrol wilde geven, in wiens hoofd ik kruip zonder dat het fantasy wordt. Uiteindelijk werden dat drie dieren: een dolfijn, een leeuw en een valk. Pas daarna ging ik het plot uitwerken.’

U noemt een aantal overeenkomsten tussen Torak en Wolf en uw nieuwe serie. Er zijn er meer: net als Torak trekt Hylas bijvoorbeeld op met een even oud meisje – in dit geval Pirra. Zijn die overeenkomsten met opzet?
‘Voor een deel. Ik wilde in de prehistorie blijven en weer een avonturenboek schrijven. Ik hou ook van de mix aan elementen in Torak en Wolf. En ik zocht bewust naar een brug tussen beide series. In het begin is Hylas een arme geitenhouder die niet toegelaten wordt in de nederzetting. Daarom leeft hij zoals Torak. Ze moeten bijvoorbeeld op dezelfde manier dieren doden voor hun eten. Dat maakt het voor de fans van Torak makkelijk om Hylas’ wereld te leren kennen en van daaruit met zijn ontwikkeling mee te gaan. Maar hun karakter is duidelijk anders. Torak is opgevoed door zijn vader. Hij heeft daarom een sterke moraal. Hylas heeft zich als wees zelf moeten opvoeden. Hij moest altijd op zijn jongere zusje letten. Hij is daarom bereid om te bedriegen, te stelen, de waarheid te verzwijgen. Alles om te kunnen overleven.’

Verandert Hylas in de loop van de serie?
‘Hylas is een beter persoon dan hij zelf denkt. Door alle avonturen die hij beleeft ontdekt hij – tot zijn eigen verrassing – andere kanten van zichzelf. Hij moet de Kraaien, de strijders uit Mycene, verslaan om te voorkomen dat veel andere mensen het slachtoffer van hen worden, en ontdekt zo de spanning tussen opkomen voor jezelf en je inzetten voor het grotere geheel. Ook voelt hij de spanning tussen afhankelijk zijn van de goden en de vrije wil. Dat zijn natuurlijk thema’s uit de klassieke Griekse literatuur die daarom zeer goed bij dit tijdperk passen. Al zeg ik er gelijk bij: dat is vooral voor de ouders die hun kinderen voorlezen. Mijn hoofddoel was een avonturenboek schrijven dat een tienjarige met plezier en spanning kan lezen.’

U staat bekend om uw uitvoerige research. Hylas leeft in een recentere tijd dan Torak. Betekende dat ook: aanzienlijk meer research?
‘Tot op zekere hoogte. In Hylas’ tijd was er nog geen schrift. Dus net als in het stenen tijdperk bleef de research beperkt tot het bestuderen van artefacten, het reizen naar de gebieden waar het boek zich afspeelt en me verdiepen in het dier. In dit geval dus de dolfijn. Wat wel moeilijker was omdat er meer bekend is, was het kiezen van de exacte periode waarin het verhaal zich afspeelt. Ik wilde dat er al door paarden getrokken wagens waren, maar tegelijk moest Egypte een stabiele periode kennen zodat die geschiedenis niet in de weg van het verhaal zou zitten. Gecompliceerd, vond ik dat.’

Waarom eigenlijk al die moeite? De tienjarigen voor wie u zegt in eerste instantie te schrijven, weten toch niets van het oude Griekenland.
‘Ik wou dat ik het antwoord had op die vraag. Zeker als ik op mijn knieën door een mijn uit het bronzen tijdperk kruip – alleen maar omdat Hylas daar ook terecht komt – denk ik: wat doe ik in godsnaam? Waarschijnlijk komt het door mijn liefde voor de geschiedenis. Ik wil zelf écht weten hoe iets vroeger was. En als ik het boek realistischer maak door het vol te stoppen met echte details, geloof ik, is het verhaal ook realistischer voor mijn lezers. Zonder research zou het bronzen tijdperk een soort Disney-versie van de geschiedenis worden. Saai dus.’

Kunt u een voorbeeld geven van sprekende details die research u hebben opgeleverd?
‘Ik heb zelf op een dolfijn gezwommen, me vasthoudend aan zijn vin. Ik weet dus dat je je benen recht moet houden, omdat de staart anders de hele tijd tegen je aanstoot. Ik weet dat het echt voelt als vliegen omdat je het water zo snel over het lichaam van de dolfijn ziet schieten. Maar ook had ik zonder research nooit kunnen beschrijven waarom de jurk van Pirra paars is: omdat ze het verfden met fijngestampte zeeslakken. Dat zijn schitterende details. Wel moet je je realiseren dat een boek geen kussen is dat je eindeloos kunt volstoppen. Je research moet het verhaal nooit in de weg zitten.’

Is de hele serie van Hylas al voltooid?
‘Ik ben nu pas deel twee aan het schrijven. Ik weet wel wat de thema’s van alle boeken zijn, wat in elk boek de uitdaging is, grotendeels ook de actie: ik weet wie in welk boek zal sterven. Mensen denken dan vaak dat het schrijven saai is. Dat is zeker niet het geval. Het is een uitdaging om de personages op een goede manier door het van tevoren opgezette plot te leiden. En langzaam hun karakter beter te leren kennen, waardoor ze soms toch iets anders doen ik had bedacht.’

Wordt Tijden van goden en gevechten net zo’n succes als Torak en Wolf?
‘Ja. Echt, dat meen ik. Dat komt omdat ik dit verhaal net zo graag wil schrijven. Toen ik bijna klaar was met Torak en Wolf wilde mijn uitgever me meteen een contract geven voor wat voor boek ook dat ik zou schrijven. Ik had daar makkelijk op in kunnen gaan en voor het geld iets in elkaar kunnen gaan flansen. Maar ik wilde wachten tot ik een verhaal had waarover ik net zo gepassioneerd was. Ik zei daarom dat ik eerst een vakantie nam. In het geheim heb ik toen een griezelverhaal voor volwassenen geschreven: De Geest van Gruhuken, dat ook bij The House of Books in vertaling is verschenen. Gesitueerd in het arctische gebied rond 1937, heel anders dus. En in de tussentijd werkte ik het idee van Hylas uit. Tot ik er helemaal in geloofde.’
(Gemaakt voor uitgeverij The House of Books)

zaterdag 2 februari 2013

P.F. Thomése, 'Vladiwostok!' & Victor ten Hove (alias Winnie Sorgdrager), 'Ongeschreven wetten' (BOEK)


Wie legt de essentie van het politieke bedrijf het beste bloot? De schrijver P.F. Thomése of oud-minister Winnie Sorgdrager? De satire van de buitenstaander is uiteindelijk interessanter dan de realistische verbeelding van de insider.

De zienersblik van P.F. Thomése

Alle 150 leden van de Tweede Kamer kregen in december 2007 een gesigneerd exemplaar van P.F. Thomése’s roman Vladiwostok!. De bedoeling was dat de genadeloze aanklacht van de politieke cultuur de volksvertegenwoordigers aan het denken zette over hun functioneren. Of het cadeau meer was dan een marketingactie en ook maar één politicus het tijdens het kerstreces heeft gelezen, vertelt de geschiedenis niet. Zeker is dat een Pieter van Geel of Jacques Tichelaar – de toenmalige fractieleiders van CDA en PvdA, die met de ChristenUnie een coalitie vormden – de roman eerder amusant dan verontrustend zouden hebben gevonden.
Vladiwostok! rekent zo cynisch af met politici dat het niet geloofwaardig meer is. In Thomése’s beeld van het Binnenhof heeft niemand ook maar één overtuiging. ‘Meningen waren slechts gebruiksvoorwerpen,’ schrijft hij, ‘je had ze nodig om je sporen neer te zetten, om ze sneller en groter en beter neer te zetten dan een ander’. Overtuigingen zet je alleen in om macht te verkrijgen – en dan niet eens om iets met die macht te doen, maar omdat het je ego zo lekker streelt als je de machtigste bent. En dat je dan de lekkerste stagiaires kunt neuken. Wat de voornaamste preoccupatie is van kandidaat-Kamerlid Hans Portielje.
Wat moet een politicus hiermee? Na plichtplegingen over de ijdelheid die een volksvertegenwoordiger zeker niet vreemd is en lof voor Thomése’s stilistische brille, kan hij zich makkelijk verdedigen. Iedereen zal ermee instemmen dat een Kamerlid niet zó hol is. Ook het plot rond Portielje laat zich makkelijk afserveren. Hij wordt ter verantwoording geroepen voor de nalatigheid van de Nederlandse overheid tegenover mevrouw Benedikt wier familie in Afrika is afgeslacht. Maar hij is slechts vice-voorzitter van een overkoepelend overlegorgaan. Zouden de media niet eerder een minister aanspreken? Of de voorzitter van het orgaan?
Toch heeft Thomése een punt – zeker nu hij over een zienersblik blijkt te beschikken. De manier waarop Portielje ten onder gaat is dezelfde als die waarop Henk Bleker, vorig jaar in Pauw en Witteman, zijn doodvonnis als politicus tekende. Allebei worden ze in een talkshow geconfronteerd met een echt mens: mevrouw Benedikt respectievelijk de bijna uitgezette Mauro. En allebei blijken ze dan een hork die zijn eigen straatje schoonveegt en de popiejopie uithangt. Die gelijkenis doet je anno 2013 wél nadenken over de verhouding tussen politieke verantwoordelijkheid en echte verantwoordelijkheid, die Thomése op scherp zet.

Veel realistischer is het beeld dat Winnie Sorgdrager van de Haagse mores schetst. De oud-minister van Justitie in de jaren negentig publiceerde een jaar voor Vladiwostok! onder het pseudoniem Victor ten Hove de roman Ongeschreven wetten. Daarin beschrijft ze de machinaties van directeur-generaal Clemens van der Veer van het ministerie van Veiligheid. Hij is verantwoordelijk voor het onderzoek naar een ramp met een chloortrein, waarbij vijftig mensen zijn omgekomen, maar wil de verantwoordelijkheid voor het falen daarvan graag afschuiven. En wel zo dat hij er zelf beter van wordt – door te promoveren naar de functie van secretaris-generaal.
Ieder Kamerlid zal zich herkennen in gedetailleerde beschrijving van vergaderingen of de dynamiek tussen ambtenarij, kabinet en Tweede Kamer. Sorgdrager is zelfs zo gedetailleerd dat het je regelmatig duizelt van alle diensten en functies die je uit elkaar moet houden. Maar je beseft ook dat het noodzakelijk is om goed te kunnen laten zien hoe iedereen, onder grote publicitaire druk, worstelt met zijn eigen belangen en ambities. Hoe iedereen zich staande probeert te houden. En dan is het allemaal nog complexer geworden door de komst van blogs als GeenStijl en smartphones, die in Sorgdragers wereld nog ontbreken.
Het vlak geschreven Ongeschreven wetten, dat als roman nogal wat kansen mist om werkelijk spannend te worden, is nooit cynisch over de politiek zelf. Van der Veer, die zelfs valse dreigbrieven schrijft om zijn eigen carrière te bevorderen, is een rotte appel temidden van collega’s die niets menselijks vreemd zijn. Iedereen doet binnen zijn mogelijkheden zijn best. Alleen de ontknoping is onthutsend voor het beeld van de politiek: er wordt een ambtenaar geslachtofferd en alle ophef over een mislukt onderzoek is weer voorbij. Terug naar business as usual. Werkelijke politieke verantwoordelijkheid wordt door niemand genomen.
Zo is de roman van Sorgdrager te lezen als een illustratie van de centrale stelling van Thomése, dat politieke verantwoordelijkheid niet bestaat en niet gelukkig kan maken. Daardoor blijkt Vladiwostok! toch het interessantste boek van de twee te zijn, omdat die er veel beter in slaagt de kern van het politieke bedrijf in een bredere context te raken.

P.F. ThoméseVladiwostok! (296 p.) – Atlas-Contact, € 10,-, ISBN 978 90 2542 980 5 (Ook als e-book en dwarsligger te krijgen)
Victor ten HoveOngeschreven wetten (288 p.) – De Geus, ISBN 978 90 445 0475 4, alleen tweedehands te krijgen
(Eerder verschenen in BOEK 1, 2013)

Zie ook deze stukken over Thomése: over De weldoener, Het bamischandaal en echte literatuur

vrijdag 1 februari 2013

Zoals Ester Naomi Perquin – zó neem je een literaire prijs in ontvangst (Knack)


Ester Naomi Perquin viert vandaag Gedichtendag als schrijver van de beste poëziebundel van het jaar. Nietsontziend en teder zou ze dat willen doen.

Het was goed te merken dat alle dichters afgelopen zondag al te horen kregen of de prijs wel of niet zouden krijgen. De pas 33-jarige en toch al veel gelauwerde Perquin had zich gekleed met de wetenschap dat ze een stralend middelpunt moet zijn. Opgestoken haar, een zwarte broek met glittertop, twinkelende ogen, zelfverzekerd – zo neem je de belangrijkste poëzieprijs van het taalgebied in ontvangst.
De jury loofde haar derde bundel Celinspecties om de kennismaking ‘met een wereld die zij nietsontziend en teder ontvouwt’, zei juryvoorzitter Saskia Stuiveling. ‘Het is een wereld waarin we ons allemaal bevinden en waar we niet aan kunnen ontsnappen – met vragen over schuld en over het toeval, dat van alle mogelijkheden die we hebben levens maakt.’
Nietsontziend en teder, ‘dat zou ik als mens wel willen zijn’, reageerde Perquin. ‘Kennelijk ben ik het volgens deze jury als dichter. Het is een mooi contrast.’ Zelf zag ze weinig tederheid in haar poëzie, maar dat komt wellicht omdat ze het nog niet goed kent. ‘Ik moet nog kijken wat er eigenlijk staat. Dat duurt bij mij een jaar of twee, drie.’ En, lachend: ‘Ik ben wel met deze bundel op tournee geweest, maar dan werd er steeds gedronken. Dat vertraagt de kennismaking.’
Niet alle genomineerde dichters wilde komen om Perquins bekroning op te luisteren. H.H. ter Balkt (78) en Sybren Polet (88) bespaarde zich de moeite van een reis naar een schuilkerk in Utrecht – een toepasselijke ruimte voor een zo bedreigd genre. De gedoodverfde favoriet Menno Wigman kwam alleen omdat hij Perquin de prijs gunde. Bij hoge uitzondering, vertelde hij, mocht hij weten voor wie hij was gepasseerd.
Lacherig sloeg Wigman zich door het verplichte optreden voorafgaand aan de uitreiking. ‘Ik hoorde kort geleden dat er een vijfde druk aankomt van Mijn naam is Legioen. Dat is goed nieuws. En ik heb de Awaterprijs gekregen. Een hele eer dat ik in de ogen van alle poëziecritici [die deze prijs toekennen] de beste bundel heb geschreven. Alleen jammer dat díe prijs vijftig keer zo weinig oplevert [500 euro tegen 25000 euro].’
De enige Vlaamse genomineerde was Luuk Gruwez. Hij stelde zich in alle rust tevreden met de lof uit het juryrapport. ‘Het scabreuze en het verhevene zijn inderdaad voortdurend in wisselwerking in mijn poëzie,’ zei hij. Ook nam hij de gelegenheid te baat het publiek drie gedichten te laten horen. Niet per se de beste drie, bekende hij. ‘Ik ben opportunistisch ingesteld. Ik kies altijd gedichten die bij eerste beluistering toegankelijk zijn. Al kun je altijd vergissen in de respons van het publiek.’
Of de VSB Poëzieprijs ook betekent dat Perquin deze Gedichtendag doorbreekt naar een groot publiek, is helaas de vraag. In de top 100 van best verkochte poëzie in Vlaanderen die Boek.be gisteren bekendmaakte kwam Celinspecties (derde druk inmiddels) nog niet voor. Wel Gruwez (op 29) en Wigman (op 83). De winnaar van vorig jaar Jan Lauwereyns, nochtans een Vlaming, kwam met Hemelsblauw niet verder dan 87.
Dat stemt weinig hoopvol. Laat de aarzelaars zich dan overtuigen door – nogmaals – de woorden van de jury. ‘Op verraderlijk luchtige toon schept Perquin met onvoorspelbare wendingen een gelaagde ruimte in deze bundel. Het taalgebruik is soms soepel als spreektaal, dan weer geraffineerd en virtuoos. De dichter neemt de lezer bij de hand, maar pas op, zij laat hem net zo makkelijk struikelen als haar gedachtegang, har woorden dat nodig hebben.’
Of beter nog: door het werk van Ester Naomi Perquin zelf. Over de mannen die zij jarenlang in een gevangenis bewaakte dichtte ze: ‘Alleen slechte mannen wilde ik aanraken. Ik wilde hun schouders / onder mijn handen voelen, hun knoopjes openmaken, mezelf dan / haastig uitkleden, ze als dekens om me heen slaan, / me in hun armen te slapen leggen.’
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 31 jan 2013)