woensdag 14 maart 2018

Interview: Eva Meijer wint de Halewijnprijs 2017 – de literaire prijs van Bibliorura (Bibliotheekblad)

Het ligt voor de hand: een bibliotheek die een literaire prijs uitreikt. Dat vindt in ieder geval Bibliorura in Roermond, die sinds 2015 de organisatie van de Halewijnprijs op zich heeft genomen. Eva Meijer, laureaat van dit jaar, koestert mooie herinneringen aan de openbare bibliotheek. 'Ik vind het leuk dat mijn boeken nu hier staan en lezers ze kunnen ontdekken op dezelfde manier als ik vroeger obscure schrijvers ontdekte.'

Een bestsellerauteur noemt Eva Meijer (1980) zich 'zeker niet'. Maar na twee non-fictieboeken en drie romans gaat het 'best goed' met haar schrijverschap, zegt ze aan de telefoon. Het vogelhuis, dat in 2016 verscheen, is aan zijn vijfde druk toe. De roman stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs en de ECI Literatuurprijs. Haar werk, zoals de studie Dierentalen, verscheen in het Engels en Duits. Vertalingen in het Arabisch, Fins, Frans, Pools en Turks zijn in de maak.
De bekroning van de Halewijnprijs – bestaande uit 1500 euro en een kleinplastiek in brons – past in dit patroon van groeiende erkenning. Meijer kreeg de voorkeur boven Murat Isik, David Nolens, Annel de Noré, Christine Otten en Chris de Stoop, die ook waren genomineerd voor de literaire prijs van de stad Roermond. 'Goede schrijvers, van wie sommigen al zijn gearriveerd', meent ze. 'Ik ging er niet van uit dat ik zou winnen. Maar toen werd ik gebeld in Mexico, waar ik op dat moment verbleef. Gelukkig wel nadat juryvoorzitter Pon Kranen eerst de vraag had gemaild of ze me kon bellen.'

Grote landelijke bekendheid geniet de Halewijnprijs niet, die sinds 1987 wordt uitgereikt. Maar de onderscheiding voor een relatief onbekende auteur wiens werk meer aandacht verdient, heeft in de literaire wereld een serieuze reputatie opgebouwd doordat het regelmatig auteurs bekroonde die daarna doorbraken naar een groot publiek. Denk aan Arthur Japin (1998) en Tommy Wieringa (2002). Andere winnaars waren onder andere Joke J. Hermsen (2008), ErikVlaminck (2013) en Benny Lindelauf (2016).
Sinds twee jaar verzorgt Bibliorura, de openbare bibliotheek van Roermond, de organisatie van de Halewijnprijs. Op vraag van de gemeente, vertelt Moniek Hueting, medewerker communicatie en webredactie van Bibliorura. 'Omdat wij het hart van de literatuur in Roermond zijn, is het niet meer dan logisch om de organisatie bij ons onder te brengen. Wij wilden dat graag doen, omdat we hiermee kunnen laten zien dat de bibliotheek lezen en literatuur belangrijk vindt.'
Bibliorura heeft ook de ervaring en de mensen in huis om de prijs lokaal een groter aanzien te geven. 'Wij zorgen voor een grote pr-campagne met advertenties in lokale media, flyers in de bibliotheek, driehoek-borden om lantarenpalen en aandacht op sociale media. Ook komt er een presentatie rondom het werk van Eva Meijer, van wie we al voor de bekendmaking extra titels hebben ingekocht. Wat het effect ervan is na twee jaar nog weinig over te zeggen, maar we horen wel dat het opvalt.'
Ook probeert Bibliorura de bekendheid van de prijs te vergroten met een jongerenprijs: de Reinaerttrofee. Scholieren van Bisschoppelijk College Broekhin maken sinds 2014 een keuze uit de genomineerde titels. Dit jaar viel de eer aan We hadden liefde, we hadden wapens van Christine Otten. Hueting: 'De Reinaerttrofee was al eerder ingesteld, maar wij proberen hem veel groter te maken door ook de andere twee middelbare scholen in Roermond erbij te betrokken.'

Uitreiking van de Halewijnprijs en Reinaerttrofee vond inmiddels plaats – op zondag 11 maart. Meijer kreeg toen te horen wáárom haar werk is uitverkoren. Bij de bekendmaking van de laureaat, die ook bekendstaat als dierenactivist, beperkte de jury zich tot een citaat uit haar rapport. De auteur is 'een groot literair talent met een belangrijke boodschap. (...) In een mooie natuurlijke schrijfstijl toont zij dat er een wereld te winnen valt, wanneer menselijke dieren oog krijgen voor communicatie van en met niet-menselijke dieren.'

Ben je een auteur met een boodschap?
'Ik wil graag mensen op een andere manier laten kijken. Daar gaat volgens mij alle filosofie, kunst en literatuur over: zekerheden ondergraven door te laten zien wat er zich net onder de oppervlakte van de werkelijkheid bevindt. En ja, dat gaat in mijn laatste twee romans vooral over dieren. Ik ben nu weer met heel andere thema's bezig. Ik vind dat dieren het slecht hebben, omdat ze of bij miljoenen in kleine hokjes worden opgesloten, of in hoog tempo hun leefgebied zien verdwijnen. En ik vind het belangrijk dat mensen daarom anders over dieren gaan denken.'

Maar je schrijft geen tendensromans, neem ik aan.
'Nee. Dat heeft ook geen zin. Je kunt mensen niet veranderen door hen een overtuiging door de strot te duwen. In mijn filosofische boeken als Dierentalen en De soldaat was een dolfijn schotel ik lezers daarom geen wereldbeeld voor, maar laat ik zien dat je ook op andere manieren naar dieren kunt kijken. Ik geef als het ware een aftrap om zelf te gaan denken.'

Doe je dat ook in je romans?
'Ja, maar anders. Door de ambiguïteit van het bestaan te laten zien. Het vogelhuis gaat over vogelonderzoeker Len Howard, die als eerste liet zien dat vogels individuen zijn, maar die ook minder goede dingen heeft gedaan. Zo is het leven, goed en kwaad zijn nooit eenduidig te scheiden. Dagpauwoog gaat over iemand die geweld wil gebruiken om een maatschappelijk probleem aan de kaart te zetten. Ook daarin zitten veel vragen.'

Prikkel je je lezers daadwerkelijk tot heroverweging van hun standpunten?
'Ik hoor soms dat lezers van Het vogelhuis daarna anders tegen vogels aankijken. Dat ze vogels niet langer zien als muzikaal behang, maar als wezentjes met eigen relaties en eigen projecten in het leven. Het is mooi als ze dat uit mijn boek halen. Dat maakt lezen zo relevant. Dankzij boeken kun je even in het hoofd van iemand anders verblijven. Iemand uit een ander land, iemand uit een andere sociale klasse. Of een dier.'

Zijn daarom bibliotheken relevant?
'Voor mij wel. Ik ging iedere dag naar de bibliotheek. Iedere dag haalde ik weer het maximum van drie boeken die je mee mocht nemen. De bibliotheek zat naast mijn school in Hoorn, dat maakte het makkelijk. En toen ik negen of tien was had ik alles uit en kon ik door met de boeken op de volwassenenafdeling. Mijn ouders hadden ook veel boeken, maar ik heb vooral in de bibliotheek allerlei auteurs ontdekt.'

Geldt de relevantie tegenwoordig nog steeds?
'Voor kinderen wel, denk ik. De bibliotheek stelt hele werelden aan hen ter beschikking. Dat is een enorme rijkdom. Maar toen ik een tijdje in Den Haag voor de bibliotheek werkte in de vestiging in de Schilderswijk zag ik dat die plek voor veel kinderen meer betekende dan de boeken die er lagen. Het was een plek om opgevoed te worden of om elkaar te ontmoeten. Voor hen had het sociale functie. En dat zal voor veel anderen gelden, die daar bijvoorbeeld iedere dag hun krantje komen lezen. Zeker nu mensen minder lezen en meer informatie digitaal te vinden is, is het goed dat de verschillende functies van de bibliotheek naast elkaar kunnen bestaan.'

En kom jij nog in de bibliotheek?
'Ik ben geen lid meer. Ik lees veel academische filosofie. Daarvoor log ik in bij de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Andere boeken koop ik. Dat zie ik als mijn bijdrage aan het voortbestaan van de onafhankelijke boekhandel. Ik kom eigenlijk alleen nog in de bibliotheek om er op te treden. De presentatie van Het vogelhuis was bijvoorbeeld georganiseerd door De Nieuwe Boekhandel en de vestiging van de bibliotheek die ernaast zit. En soms ga ik naar de OBA voor een afspraak.'

Is de bibliotheek ook belangrijk voor je inkomsten uit leengeld?
'Nou nee. Ik kan er nog geen maand vaste lasten van betalen. Het maakte me ook niet zoveel uit. Ik vind het leuk dat mijn boeken nu hier staan en lezers ze kunnen ontdekken op dezelfde manier als ik vroeger obscure schrijvers ontdekte. Ik zou het ook mooi vinden als mijn boeken veel langer blijven staan dan in de boekhandel, al wordt de museum- en bewaarfunctie van de bibliotheek minder belangrijk door de digitalisering.'
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl)

vrijdag 9 maart 2018

Interview Jan Terlouw over Boekenweekgeschenk en de openbare bibliotheek (Bibliotheekblad)

Voor de auteur van het Boekenweekessay 2018 zijn bibliotheken essentieel. Jan Terlouw zal er in maart graag optreden om ook daar de boodschap van Natuurlijk te verkondigen: de natuur is schitterend, laten we haar niet verwoesten.

Zeven jaar oud was Jan Terlouw toen hij bij meester Malkenhorst in de klas kwam. 'Ik weet zijn naam nog precies', zegt hij in de woonkamer van zijn villa even buiten Twello. 'Op de eerste vrijdagmiddag opende hij een deurtje. Daarachter stonden allemaal gekafte boeken, wel honderd. Dit is nu de bibliotheek van de school, zei hij, jullie mogen iedere week een boek lenen. Dan lees je het, breng je het volgende week terug en dan mag je een nieuw boek lenen. Het feit dat ik me dat nog zo levendig herinner bewijst wat voor een ongelooflijk belangrijke ervaring dat voor mij is geweest. Ik heb het jarenlang gedaan: iedere vrijdag een nieuw boek lenen.'De 86-jarige kernfysicus, politicus en jeugdboekenschrijver is daarna nooit een grootgebruiker van de openbare bibliotheek geworden. Daarvoor kwamen er in zijn leven te veel boeken in huis. 'Mijn vrouw Alexandra, die eind augustus is overleden, was een echte bibliofiel. Zij kocht vrijwel iedere dag een boek, via de boekhandel of Boekwinkeltjes.nl. Er staan hier meer boeken dan het huis verdragen kan. En dan krijg ik nog steeds boeken opgestuurd om te recenseren of een voorwoord voor te schrijven. Kijk eens naar die twee stapeltjes. Dat is wat me de afgelopen twee weken is opgestuurd. Af en toe koop ik ook nog een boek dat ik nodig heb.'

De oud-minister van Economische Zaken en voormalig Commissaris van de Koningin kent de openbare bibliotheek vooral als auteur. Honderden keren heeft hij in een vestiging opgetreden, sinds hij in 1970 debuteerde met Pjotr en daarna snel naam maakte met hedendaagse klassiekers als Koning van Katoren (1971) en Oorlogswinter (1972). Een officiële functie in de bibliotheeksector als bestuurder heeft hij nooit gehad. Hooguit bemoeide hij zich zijdelings met bibliotheekbeleid. 'Door me te verzetten tegen bezuinigingen', zegt hij. Of als lid van commissies die er indirect mee te maken hadden, zoals de commissie conceptontwikkeling Groninger Forum.
De komende Boekenweek zal het niet anders zijn. Opnieuw maakt hij als auteur zijn opwachting in bibliotheken – ditmaal van het Boekenweekessay Natuurlijk, waarin hij het belang van de natuur verdedigt en oplossingen aandraagt om de aanstaande verwoesting van de aarde te voorkomen. In welke bibliotheken hij zal zijn was bij het interview nog niet bekend. 'Dat regelen de CPNB en De Schrijverscentrale. Zij weten veel beter dan ik wat goed is. Ik ben allang blij dat ik een auto met chauffeur krijg. Dan hoef ik me niet af te vragen hoe laat ik weg moet, hoe ik moet komen, waar ik kan parkeren. Héérlijk.'
Terlouw komt liever in bibliotheken dan in boekhandels. 'In signeersessies heb ik geen zin. Dan zit je daar gehaast je handtekening te zetten, omdat de volgende alweer staat te dringen. Ik wil wat zeggen, ik wil in discussie met het publiek. Dat kan alleen in bibliotheken. Tegenwoordig treed ik vaak op met mijn dochter Sanne [met wie hij een reeks detectives heeft geschreven]. Zij vertelt wat je allemaal kunt leren over schrijven. Zij is neerlandica, zij weet daar alles van. Maar zij besluit met: "En nu komt mijn vader, die zal zeggen dat het allemaal niet waar is". Want bij mij is het schrijven zomaar gekomen, omdat mijn vrouw zo aandrong dat ik de verhalen voor mijn kinderen opschreef.'
Steeds als hij weer zo'n 'prachtig mooie bibliotheek' betreedt, 'wordt mijn hart met blijdschap vervuld. We hebben toch fantastische bibliotheken in Nederland, die de altijd enthousiaste bibliothecaris mij iedere keer terecht met trots laat zien.' Een van hen was Hans van Velzen, met wie hij in de commissie conceptontwikkeling Groninger Forum zat. 'Hij had me uitgenodigd in de OBA. Ook een geweldige bibliotheek, waar overal mensen zaten te werken. Mooi om te zien. Hoewel een bibliotheek voor mij nog altijd om boeken draait, zie ik steeds vaker zie je vergaderzalen en werkruimtes in bibliotheken. Kennelijk voorziet dat in een behoefte.'

In de Boekenweek zal Terlouw zijn publiek in de bibliotheek ervan proberen te overtuigen hoe mooi, vernuftig en schitterend de natuur is. En hoe noodzakelijk het is voor ons eigen overleven dat we die behouden. Als hij dat net zo slim doet als in Natuurlijk zal hij zijn gehoor zeker meekregen. In het even heldere als geraffineerde betoog weet hij in het 64 pagina's tellende essay zijn lezers er eerst van te doordringen dat klimaatverandering niet alleen gaat over smeltende ijskappen en krimpende oerwouden, maar óók over de natuur in de achtertuin of het bos waar je wandelt. En daarna biedt hij een bedrieglijk simpele oplossing: stop met fossiele brandstoffen.
Terlouw gaat zo verder op het thema dat hij de laatste jaren tot zijn speerpunt heeft gemaakt. Vooral dankzij zijn optreden bij De Wereld Draait Door in november 2016, waar zijn bevlogen pleidooi een snaar raakte bij 1,5 miljoen kijkers – en de uitgeschreven versie van zijn verhaal vervolgens 13 weken in de Bestseller 60 stond – is hij in korte tijd een van de bekendste voorvechters van een duurzame toekomst in Nederland geworden. 'Misschien heb ik door dat optreden wel de uitnodiging gekregen', zegt hij onomwonden. 'Maar het is een mooie kans om mijn boodschap bij een breed publiek bekend te maken.'

Sinds de mens een jaar of vijfduizend geleden de natuur naar zijn hand begon te zetten door bijvoorbeeld dieren te domesticeren, doceert Terlouw, is er altijd 'een redelijk evenwicht' met de flora en fauna om ons geweest. 'Tot de laatste vijftig tot honderd jaar. Sindsdien slaat onze grip op de natuur door en bedreigen we die enorm met onze technische verworvenheden. Maar dat zien we pas als we er ons bewust van zijn. De politiek kan er ook pas wat aan doen als mensen het willen – en die willen het pas, als ze zich bewust zijn van het gevaar. Mijn boekje is een kleine bijdrage om mensen dat te laten inzien.'
Het probleem waarop hij zich concentreert is de opwarming van de aarde. 'Dat is het meest urgent', vindt Terlouw. 'In het verleden is het op aarde ook warmer geweest dat nu. Maar de opwarming gaat in onze tijd zo snel dat het leven op aarde zich daar niet op kan aanpassen. De oplossing daarvoor is eenvoudig: haal energie niet uit olie en gas, waardoor CO2 in de lucht komt, maar uit de zon – die het equivalent aan energie levert van tien miljoen vaten olie. Per aardbewoner, per seconde. Het is ook heel goed te doen om over te stappen op deze duurzame energie met behoud van welvaart.'
Hij erkent de macht der gewoonte van veel mensen om vast te houden aan bestaande energiebronnen. Hij onderschrijft ook de grote belangen van bedrijven die enorm hebben geïnvesteerd in fossiele brandstoffen. 'Er wordt jaarlijks nog enorm geïnvesteerd in boorplatforms, die bij een overgang naar duurzame energie geen rendement meer opleveren. Maar toch ben ik hoopvol. Er zijn al landen waar duurzame energie al concurrerend is met olie, hoewel olie vijf keer zo veel wordt gesubsidieerd. En zeker bij de jeugd neemt het bewustzijn toe. Het gaat alleen niet snel genoeg. Bij ongewijzigd beleid stijgt de temperatuur deze eeuw twee graden.'

Kan ook de bibliotheek een bijdrage leveren aan de groei van bewustzijn? 'Absoluut', vindt Terlouw. Dat kan alleen al door boeken beschikbaar te stellen. 'Iedere keer als een van onze vier kinderen voor het eerst naar school ging en daar zou gaan leren lezen en schrijven, heb ik hen voorgehouden dat dat het mooist geschenk van de samenleving is. Zo'n mooi geschenk dat je verplicht bent om het aan te nemen, want Nederland kent een leerplichtwet. Door te leren lezen, kun je kennis krijgen van alles wat er is bedacht. En bibliotheken zijn daarbij essentieel. Bibliotheken zijn de sleutel tot die wereld van kennis.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

woensdag 7 maart 2018

Wim Hazeu's Lucebert-biografie mist duiding en interpretatie (Athenaeum.nl)

De opsomming van citaten en feiten in Wim Hazeus biografie van Lucebert geven een goed beeld van diens eerste jaren als dichter en schilder. Dat de biograaf zich amper waagt aan analyse is echter een gemis.

Wat voor invloed had Luceberts kortstondige flirt met het nationaalsocialisme op zijn leven en werk? Na de stortvloed van nieuwsberichten, interviews en opiniestukken die de verschijning van Wim Hazeus biografie van de schilder en dichter op gang bracht, verwacht je dat het bijna duizend pagina's tellende boek daar antwoord op geeft. Helaas. Daar is deze biograaf het type niet voor. Hazeu is een boekhouder, die feiten en citaten bij elkaar heeft gezocht. Hij doet dat voorbeeldig, maar hij is geen schrijver die in zijn biografie een verhaal over Lucebert vertelt.
Hazeu, die eerder biografieën schreef van onder meer Gerrit Achterberg, Simon Vestdijk en Marten Toonder, vertelt in zijn inleiding dat hij het levensverhaal van Lucebert al had voltooid toen hij de beschikking kreeg over de brieven die zijn hoofdpersoon midden in de oorlog schreef aan een tot dan toe voor hem onbekende Tiny Koppijn. De lof voor Nazi-Duitsland, dat kort na aankomst als vrijwilliger voor de Arbeitseinsatz in 1943 zijn Wahlheimat werd, dwong hem tot 'herschrijven' van het boek.

Herschrijven is een groot woord. Hazeu heeft weinig meer gedaan dan de nieuwe informatie op de juiste chronologische plaats in zijn verhaal monteren. En in de rest van het boek, als Lucebert het contact met Koppijn heeft verbroken, heeft hij een terzijde toegevoegd aan passages die zich in Duitsland afspelen, waarin Lucebert wordt geconfronteerd met de herinnering aan de oorlog of als zijn levenspad dat van Hans Andreus kruist - zijn jeugdvriend met wie hij de bewondering voor de nationaalsocialistische bezetter deelde. Dat gaat dan zo:
'De zomer leek als vanouds een periode van onbekommerd werken, totdat Lucebert het bericht bereikte dat in de nacht van 8 op 9 juni 1977 in zijn slaapkamer te Putten, na een zware, het lichaam totaal afbrekende ziekte, zijn eenenvijftigjarige vriend Hans Andreus was overleden. Precies een jaar na de dood van de vijfenvijftigjarige dichter en essayist Paul Rodenko. Lucebert schreef in Spanje een emotioneel gedicht. [...] Met de dood van broeder Andreus was de enige dichter met wie Lucebert het geheim van een oorlogsverleden deelde, verdwenen.'
Het is typerend voor Hazeus werkwijze. Hij heeft alle briefwisselingen gelezen, relevante vrienden, collega's en nabestaanden geïnterviewd, het primaire en secundaire werk gelezen - en dat vervolgens opgesomd. Zijn eigen inbreng als schrijver van dit levensverhaal blijft beperkt tot het met tussenzinnen aan elkaar lassen van alle bij elkaar geschraapte feiten en dat voorzien van uiterst beknopt commentaar. Daaruit blijkt veelal Hazeus bewondering voor zijn hoofdpersoon. Of zijn afkeer van de kunstpolitiek van opeenvolgende ministers of iets dergelijks.

Alle feiten geven bij elkaar wel een goed beeld van Luceberts leven en carrière in de context van zijn tijd. Zeker in de beginjaren wekken de vele citaten pro en contra de dichter van 'Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia' en 'Ik tracht op poëtische wijze' een fraai indruk van de weerstand die de experimentele dichters destijds opriepen én de direct onaantastbare positie van Lucebert als de Keizer van de Vijftigers. Je voelt tussen de regels iets van de opwindende sfeer van de vernieuwingsdrang tegen de stroom in.
Raadselachtig is alleen waarom Lucebert als beeldend kunstenaar zo laat werd erkend. Hij viel al op als assistent van zijn vader, schilder van reclameborden, toen hij nog een puber was. En toch kreeg hij pas na twintig jaar bijna onafgebroken werken zijn eerste grote tentoonstellingen - waarna hij ook gelijk internationaal een van de succesvolste Nederlandse kunstenaars van zijn tijd werd. Maar waarom? Er zijn wel getuigenissen, van bijvoorbeeld Gerrit Kouwenaar, dat Luceberts dichterlijk talent meteen werd gezien. Die ontbreken voor Lucebert de schilder.
Het zij Hazeu vergeven. Anders is dat met het ontbreken van een rode draad. Naarmate de biografie vordert wordt dat een steeds groter gemis. Zodra Luceberts leven begin jaren zestig zijn bedding heeft gevonden - zeg vanaf bladzijde 500 - begint de boekhoudkundige opsomming steeds meer te irriteren. Expositie volgt op expositie, gedicht volgt op gedicht, incident volgt op incident. En Hazeu schrijft daarbij voortdurend onberedeneerde dingen op als: Luceberts optreden was het hoogtepunt van Poetry International. Wat word je daar wijzer van?

Zeker, er is die Tweede Wereldoorlog. Hazeu poneert dat die Luceberts leven heeft bepaald. Het geweld en de angst in de beslissende jeugdjaren zadelden hem op met het donkere mensbeeld waar zijn werk zo vaak van getuigt. Zijn eigen affaire met nazisme was een loodzwaar geheim dat de herinnering nog zwaarder maakt. Maar hij maakt die stelling nauwelijks aannemelijk. Hoe werkte de oorlog precies door in zijn leven? Waarom citeert Hazeu de dichter dan instemmend als hij zegt ook licht te zijn geweest? Hoe beïnvloedde het geheim Lucebert exact?
De oppervlakkigheid van deze biografie die daar het gevolg van is, doet je van de weeromstuit zelfs vraagtekens zetten bij Hazeus grote onthulling. In navolging van de neerlandici Marc van Oostendorp en Jos Joosten op het weblog Neerlandistiek.nl vraag ik me af hoe serieus we het 'Sieg Heil en Heil Hitler' van de achttienjarige Lucebert moeten nemen. De biograaf vertelt niets over de betekenis van de brieven op dát moment. Was Koppijn misschien een overtuigd nazi bij wie Lucebert in het gevlei wilde komen? Of eerder andersom? Het is een gemiste kans.
Het beste is dan ook om deze biografie te beschouwen als een aanzet. Als een bronnenverzameling op basis waarvan iemand anders te zijner tijd een definitieve biografie kan schrijven.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 5 mrt) 

woensdag 28 februari 2018

De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) gaat terug naar de kern

De Nederlandse Letteren hoeven online niet alleen te lezen zijn op de speciaal opgerichte website van de DBNL. 'Het gaat er niet om dat dbnl.org zo veel mogelijk gebruikers heeft', aldus dienstcoördinator Ryanne Keltjens. 'Het gaat erom dat de data worden gebruikt.'

De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) is achttien jaar online. Met die leeftijd geldt een mens als volwassen. Hetzelfde kun je zeggen voor de website die – uiteindelijk – de complete Nederlandstalige literatuur van Hebban olla vogala tot Jeroen Olyslaegers Wil, dat vorig jaar de Fintro Literatuurprijs won, online wil aanbieden. Na aanvangsjaren van snel digitaliseren en een korte periode van reorganiseren, is het nu tijd voor beheerste, doordachte groei, zowel van de collectie als van de aantallen gebruikers.
Dat valt op te maken uit het Beleidsplan 2018-2020, dat eind vorig jaar is opgesteld door de Taalunie, de Koninklijke Bibliotheek en de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, samenwerkingspartners in de DBNL. Het aanbod van inmiddels 15.000 teksten, dat jaarlijks aangroeit met 800 boeken en tijdschriften, wordt scherper afgebakend tot een representatieve selectie op het gebied van letterkunde, taalkunde en cultuurgeschiedenis uit het hele taalgebied (inclusief Suriname en het Caraïbisch gebied). Ook het bereik moet weer gaan groeien. Het aantal bezoeken staat al jaren stabiel op vier miljoen per jaar.
'In de loop der jaren is er allerlei redactionele content gemaakt', vertelt dienstcoördinator Ryanne Keltjens, die vanuit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag verantwoordelijk is voor beleid en uitvoering van de DBNL. 'Er zijn cultuurhistorische teksten geschreven. Er zijn audio- en videobestanden gemaakt. Een calendarium, een atlas. Veel van dit soort dingen staat nogal verborgen. Van al die elementen gaan we bekijken of we dat moeten behouden of beter kunnen verwijderen of elders onderbrengen. En als we het behouden, of we dat moeten actualiseren. De focus moet liggen op de teksten zelf.'

De DBNL is ooit opgericht door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In die jaren dat Google naam maakte door de ene bibliotheek na de andere integraal te digitaliseren, moest er één plek op het internet komen waar de Nederlandstalige literatuur te vinden was. En liefst net zo snel als het Amerikaanse bedrijf zijn ambities wilde waarmaken. Een speciaal opgerichte stichting ging vanuit een eigen kantoortje in Leiden aan de slag met maar één parool: digitaliseren. Hoe meer, hoe beter. Hoe sneller, hoe beter.
Dat had op twee manieren gevolgen voor het aanbod. Ten eerste de kwaliteit. Hoewel Stichting DBNL inzette op verrijkte xml-bestanden die voor 99,995% foutloos zijn – nog altijd het hoogst haalbare in de markt – werden ook de scans  direct na productie online gezet. Dan waren de teksten tenminste als pdf beschikbaar voor onderzoekers, studenten en lezers. Keltjens: 'We gaan nu proberen zo veel mogelijk van deze scans om te zetten in hoogwaardige fulltext-bestanden – volledig verrijkt en gemetadateerd.'

Ten tweede kon Stichting DNBL maar zo snel digitaliseren als er geld beschikbaar was. Naast de structurele subsidie van de Taalunie werd daarom gezocht naar externe financiering voor losse projecten. In de beste jaren kwam zelfs de helft van de middelen van derden. Daar kwam bij dat iemand als René van Stipriaan, tot eind 2012 hoofdredacteur, groots durfde te denken. Regionale literatuur, strips, secundaire literatuur, detectives, liedjes – het moest allemaal in de database. In sommige gevallen werden al een selectie gedigitaliseerd en aangeboden.
Het gevolg was dat de DBNL een breed, maar soms ook wat onevenwichtig corpus aanbood. 'We gaan nu terug naar de kern', zegt Keltjens. 'De uitgangspunten van de collectievorming zijn scherper geformuleerd om de canonfunctie van de DBNL waar te maken. De huidige werkgroep content houdt als basis de onlangs voltooide achtdelige reeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur aan, die op initiatief van de Taalunie is gemaakt. Ieder boek en de meeste tijdschriften die daarin worden genoemd, moet je uiteindelijk bij ons kunnen vinden.'
Toch blijft er nog ruimte om externe financiering naast de 700.000 euro die de Taalunie jaarlijks beschikbaar stelt in de periode 2018-2020. 'Iedereen kan een digitaliseringsverzoek bij DBNL indienen via de website. Wetenschappers die teksten nodig hebben voor hun onderzoek, maar ook liefhebbers die een bepaald werk graag op DBNL zouden zien verschijnen. Daarbij vragen we ook of de indiener wil meefinancieren. De werkgroep content bekijkt vervolgens in hoeverre het digitaliseringsverzoek binnen de collectie past.'

Er wordt niet meer samengewerkt met uitgevers. In het verleden sloot DNBL overeenkomsten met WPG en MeulenhoffBoekerij om in één keer grote hoeveelheden recente titels te kunnen digitaliseren. De organisatie droomde ook van een extra inkomstenbron via het leveren van e-books voor het faciliteren van commerciële exploitatie. Ervaring werd opgedaan in een project met Friese literaire klassiekers, die per definitie niet rendabel konden worden heruitgebracht. Bestellen kon via de DBNL, een lokale uitgeverij produceerde de titel on demand.
Dat is voorbij. Deels omdat uitgevers zelf nagenoeg alle nieuwe titels als e-book aanbieden en een steeds grotere digitale backlist bezitten. En deels omdat de DBNL nu is ondergebracht binnen de KB, die in Nederland ook het e-bookplatform van de openbare bibliotheken beheert. Deze site is de plek waar gebruikers de recentste, nog commercieel interessante titels tegen een vergoeding kunnen lenen. Eerder is de toekomst andersom: de oudere DNBL-titels worden dan aan het aanbod van de openbare bibliotheken toegevoegd.
Toch verwacht Keltjens dat het aanbod recentere literatuur in de DBNL kan worden uitgebreid. Die uitbreiding is mogelijk nadat medio vorig jaar na jaren onderhandelen een collectieve auteursrechtovereenkomst is gesloten. De KB vergoedt Nederlandse schrijvers van boeken en tijdschriftartikelen waarop nog auteursrecht berust via stichting Lira. Gebruikers stuiten daarom minder vaak op de mededeling 'deze tekst kan niet worden vertoond omdat er geen toestemming voor is'. Voorwaarde blijft wel dat de DBNL normale commerciële uitbating niet in de weg zit.

Tegelijk met de collectie zelf zal ook de context waarbinnen de teksten worden gepresenteerd coherenter worden. Zo zijn de individuele auteurspagina's automatisch samengesteld op grond van wat elders in de DNBL is te vinden. De bibliografie bestaat dus uit titels die zijn gedigitaliseerd óf worden genoemd in andere teksten. Het overzicht is dus niet compleet, maar geeft evenmin een helder beeld van welke titels zijn te raadplegen. Dit gebrekkige systeem geeft aanleiding tot dé voornaamste klacht, bleek uit het gebruikersonderzoek dat alweer enige jaren geleden is uitgevoerd.
Keltjens: 'Dit moeten we dus anders inrichten. Hier biedt het een voordeel dat de DBNL tegenwoordig is ondergebracht bij de Koninklijke Bibliotheek, en dus makkelijker gebruik kan maken van andere bestanden die hier beschikbaar zijn. Zo kan de DNBL in de toekomst data genereren uit zogeheten authority files, zoals de Nederlandse Thesaurus van Auteursnamen en de (Nederlandse) Nationale Bibliografie. Dat verhoogt de betrouwbaarheid van het aanbod, zoals de auteurspagina's. Het scheelt ons bovendien redactioneel werk.'

De overgang vond plaats op 1 januari 2015. De Stichting DBNL ging toen op in de KB. De eerste beleidsplanperiode stond daarom in het teken van de integratie van processen, data en medewerkers. Keltjens noemt dat 'een complexe reorganisatie', die nog altijd niet is afgerond. Wel is de integratie zo ver gevorderd dat eindelijk werk kan worden gemaakt van het vergroten van het bereik. Dat gebeurt deels door gerichte communicatie 'en misschien wel marketing', aldus Keltjens, richting de doelgroep. Maar vooral door 'export' van de data.
Door samenwerkingen in het verleden beheert DBNL sites gewijd aan de schrijvers Menno ter Braak, E. du Perron en W.F. Hermans. Die satellietsites worden losgemaakt van dbnl.org. De KB blijft de data wel leveren, maar zal de sites niet langer faciliteren. Precies zo kan de DBNL-content via andere partnersites en KB-diensten worden ontsloten. 'Het gaat er niet om dat dbnl.org zo veel mogelijk gebruikers heeft', zegt Keltjens. 'Het gaat erom dat de data worden gebruikt.'

Een speciale vermelding verdient Vlaanderen. Hoewel de Digitale Bibliotheek expliciet is opgezet voor de hele Nederlandstalige literatuur, is het vanaf het begin meer een Nederlands project geweest. Dat zie je nog steeds terug in de gebruikscijfers: 68% van de bezoekers heeft een Nederlands IP-adres, 18% een Belgisch (de overige 14% komt uit de rest van de wereld, het meest uit Zuid-Afrika). Dat is niet in verhouding met de respectieve bevolkingsomvang van 17,2 miljoen Nederlanders tegen 6,5 miljoen Vlamingen.
Keltjens: 'Waardoor dat komt, weten we eigenlijk niet. In colleges in Nederland wordt DBNL wellicht vaker genoemd dan in Vlaanderen. In ieder geval blijft ook het aanbod achter. Dat heeft praktische redenen: het is gewoon moeilijker om aan Vlaams materiaal te komen. Maar ook juridische redenen. Vlaanderen kent een veel complexer landschap van collectieve beheersorganisaties, waardoor er – voorlopig – nog steeds individueel toestemming moet worden gevraagd aan rechthebbenden voor opname van werken in de DBNL.'
Gelukkig, zo vindt Keltjens, heeft de Vlaamse Erfgoedbibliotheek – die na de overgang naar de KB de officiële Vlaamse stem laat horen binnen de DBNL – sinds april vorig jaar een projectmedewerker die de DBNL in Vlaanderen op al deze terreinen kan aanjagen. Dit moet er toe leiden dat het aantal bezoekers in Vlaanderen naar proportie moet stijgen – en dat de Digitale Bibliotheek zal worden gepercipieerd als een Nederlands-Vlaams project. Ook dat zou een teken van volwassenheid zijn voor deze unieke collectie.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2018/1)

Zie ook:

woensdag 21 februari 2018

Ik ben een van deze mensen - 'Wormen en engelen' van Maarten van der Graaff (Ons Erfdeel)

Op de middelbare school las Bram Korteweg Terug naar Oegstgeest. Voor de telg uit een protestants milieu die is opgegroeid op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee, het westelijkste deel van de Nederlandse Biblebelt, was Wolkers’ literaire afrekening met zijn gereformeerde afkomst “een bevrijdingsverhaal”. Het vertelde hem “hoe het straks zou gaan”: als hij na de school zou gaan studeren, de echte wereld in zou trekken, en zich los kon maken van zijn milieu.
Maarten van der Graaff, gelauwerd dichter van twee bundels, vertelt het op pagina 13 van zijn prozadebuut Wormen en engelen. Hij geeft daarmee al vroeg de inzet van zijn roman prijs: hoe is het om een halve eeuw na Wolkers van je geloof te vallen? Een halve eeuw waarin Nederland verschoot van een religieus land waarin atheïsten voor het overgrote deel van de bevolking per definitie te mijden sujetten waren die hun zielenheil hadden verkwanseld voor een leven vol seks, drugs en rock-’n-roll, naar een seculier land waarin de laatste gelovigen als merkwaardige randfiguren worden gezien die de afslag hebben gemist naar moderne tijden.
Zoals Wolkers en andere auteurs na hem het beschrijven, gaat het niet meer, ontdekt Korteweg al snel. “Het is secularisatie voor seculieren verklaard”, klaagt hij over dit type romans. “[Eerst is er] verwijdering van ouders en familie, heimwee vermengd met triomf, ontluikend kunstenaarschap (onbegrepen in de oude kring). Dan dient een nieuwe familie van interessante vrienden en geliefden zich aan, seksuele emancipatie en opwaartse mobiliteit volgen, gesymboliseerd door muziek, feesten, romans, exposities, films. De ontwikkeling richting een groter individualisme is voltooid. Je kunt de markt op, creatief zijn. Met je laptop naar een flexplek.”
In plaats van zich af te zetten tegen zijn verleden en zich volledig over te geven aan een nieuw leven voelt Korteweg, die wel degelijk afscheid heeft genomen van de God uit zijn jeugd, behoefte om te begrijpen. Waarom was hij zo’n fanatieke christen dat hij een bijbaantje opzegde dat hem dwong op zondag te werken? Waarom valt iemand als zijn vader, die op zijn best een lauwe gelovige was, voor de eindtijdbeloften van een evangelisch genootschap? Waarom zijn er jongeren die in 2017 op Goeree-Overflakkee predikant willen worden?
Drie jaar nadat hij kunstgeschiedenis is gaan studeren in Utrecht, sluit Korteweg zich daarom aan bij het “theologisch werkgenootschap” Uterque. In dit dispuut van overwegend, maar niet uitsluitend jonge studenten van allerlei gezindten ontmoet hij een bont gezelschap gelovigen, die allemaal op een of andere manier in het volle leven staan. Later besluit hij twee van hen met wie hij een bijzondere band heeft te gaan interviewen: de homoseksuele, katholieke professor Wilfried en de energieke Paul, die – inderdaad – op Kortewegs eiland predikant wordt.
In Wormen en engelen beschrijft Van der Graaff al deze gebeurtenissen in korte hoofdstukken, kriskras tussen heden en verleden schietend. Zo ontstaat een caleidoscopisch portret van een maatschappij waarin iedereen op zijn manier met zingeving bezig is. Ook de mensen met een volstrekt seculiere achtergrond, zoals Kortewegs vriendin Lena. Zij zet zich af tegen de christenen in haar omgeving, maar probeert zelf via bewonderde schrijvers en kunstenaars haar plaats te bepalen in de maatschappij. Of hun gezamenlijke vriend Felix, die ogenschijnlijk een onverbeterlijke hedonist is, maar toch ook probeert iets zinvols van zijn leven te maken.
De gekozen structuur onderstreept de bedoeling om de lezer aan het denken te zetten. Er is wel sprake van een minimale plot (het gaat aan en dan uit met Lena; Bram wordt lid van Uterque, maakt vrienden en dan sterft Wilfried), maar het is onmogelijk om je te verliezen in de personages en hun lotgevallen. Je verstand moet “aan” blijven. Zodra inleving dreigt, springt de auteur naar een andere verhaallijn op een heel ander moment in de tijd, of slaat hij opeens een ander register aan. In sommige hoofdstukken zoekt hij ook het – doorgaans geslaagde – experiment, waardoor het proza opeens een heel andere toon krijgt.
Mooi is bijvoorbeeld de passage waarin Van der Graaff de clichés over de “mensen van het eiland” opsomt: “Mensen die elke zondag weer over die kale weggetjes langs het water en de akker gaan fietsen. Mensen die zeggen dat als je normaal doet, het al gek genoeg is. (...) Mensen die gigantische hoeveelheden alcohol drinken, met elkaar op de vuist gaan, maar het over de verloedering van de jeugd hebben. Mensen die joelend flitspalen uit de grond trekken en bezopen achter het stuur kruipen. Mensen die...” Enzovoorts. Om dan te besluiten met: “Ik ben een van deze mensen. Ik lijkt niet op deze mensen. De mensen zijn niet zoals ik denk dat ze zijn.”
Soms slaat Van der Graaff ook de plank mis. Deze auteur kan de milieus die hij zelf niet kent nog niet levensecht schetsen, zo lijkt het. Met name als hij zijn hoofdpersoon laat feesten, klinkt hij geforceerd en nep – alsof hij er zelf geen enkele ervaring mee heeft en daarom te makkelijk naar clichés heeft gegrepen. Ook betrekt hij soms niet ter zake doende onderwerpen bij Brams zoektocht. Hij leidt aan ASMR (overgevoeligheid voor bepaalde audiovisuele prikkels). Maar waarom? Alleen om later een link te kunnen leggen tussen de orgastische sensaties van bidden en van knisperende papiertjes en zachtaardig gefluister? Het is een overbodig zijpad.
Wel past het dat Bram uiteindelijk geen antwoorden vindt. Het enige wat je kunt doen, concludeer je met hem, is accepteren dat de werkelijkheid altijd ingewikkelder is dan je denkt – en blijven proberen die los van welke religie of ideologie ook te begrijpen. Het blijkt immers heel goed mogelijk om, zoals Wilfried, als homo bij een kerk te horen die homoseksualiteit afwijst, als je dat zelf in overeenstemming kunt brengen met je eigen levensinstelling. Niet voor niets valt Wormen en engelen uiteen in drie delen: Eiland, Overkant en Strand. Nadat je ergens bent opgegroeid en hebt gekeken hoe het er elders aan toe gaat, eindig je op een plek in het midden. Je hoort bij een kant, maar erkent het bestaan van een andere kant.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2018/1)

vrijdag 16 februari 2018

Boom voortgezet onderwijs: concurreren op kwaliteit (Inct)

Koninklijke Boom uitgevers gaat leermiddelen voor het voortgezet onderwijs op de markt brengen. In een samenwerking met de succesvolle jonge educatieve uitgeverij Staal & Roeland ziet het grote kansen. Dankzij een focus op de kwaliteit van content.

Een aanval op het monopolie van ThiemeMeulenhoff, Noordhoff en Malmberg? Zo zal directeur John Boom van Koninklijke Boom Uitgevers het nooit noemen. Het bedrijf – een van de grotere uitgeverijen van Nederland – begeeft zich op de leermiddelenmarkt voor het voortgezet onderwijs omdat het daar kansen ziet. Het gaat mooie producten lanceren en daar klanten voor proberen te winnen. 'En hoeveel marktaandeel we straks hebben, zien we dan wel', zegt Boom.
Feit is echter dat de nieuwe werkmaatschappij Boom voortgezet onderwijs dit jaar als eerste product een methode voor Nederlands lanceert en dat methodes voor Engels en wiskunde in ontwikkeling zijn. Met andere woorden: Boom richt zich niet op de kleinere vakken die de grote drie laten liggen, maar op de kernvakken. Het familiebedrijf gaat daarbij, zijn traditie indachtig, voor de lange termijn. De werkmaatschappij is niet opgericht voor een quick win, maar om 'eeuwig' te blijven bestaan.

De kans die Boom ziet, ligt in het bieden van de hoogste kwaliteit. Dat heeft het bedrijf in eerste instantie niet zelf gezien. Boom heeft de methode Kern overgenomen van de jonge educatieve uitgeverij Staal & Roeland, die sinds de oprichting in 2014 heeft laten zien met kwaliteit – juist wél in de kleinere vakken – succes te hebben. De oprichters Donald Staal en Elout Roeland worden bovendien ingehuurd om mede leiding te geven aan Boom voortgezet onderwijs.
Beide uitgevers zijn afkomstig van Noordhoff, vertelt Donald Staal. 'We hadden een zeer comfortabel salaris maar het ondernemersklimaat binnen het bedrijf werd in de loop der jaren moeilijker. Noordhoff is een mooi bedrijf, maar het was in handen van een investeringsmaatschappij. Het klimaat was daardoor eerder gericht op risicobeheersing. Het werd steeds moeilijker om de handen op elkaar te krijgen voor een nieuw idee.'
En nieuwe ideeën, die hádden ze. 'Wij geloven dat je met maximale aandacht voor content een onderscheidend product kunt maken. Bij de grote uitgeverijen ligt de nadruk soms meer op platformen en structuren en minder op de inhoud van methodes. Ik zeg het heel gechargeerd, maar daar komt het in de kern op neer: content is onderbelicht. Tegelijk hebben wij de jarenlange ervaring om het verschil te maken met andere spelers die zich volledig op één niche richten.'

De eerste methode die Staal & Roeland in de markt zette, was SPQR voor Latijn. Roeland had deze methode al ontwikkeld bij Noordhoff, maar de lancering moeten afblazen toen de directie de markt toch te klein achtte. Op zoek naar een methode die Staal & Roeland snel kond exploiteren, namen ze na de start van het bedrijf contact op met de auteurs. Die bleken SPQR in hun eigen scholen te hebben gebruikt én verbeterd. Zo kon de uitgeverij al kort na oprichting de markt benaderen.
'Nadat we het materiaal hadden vormgegeven en een redactionele slag hadden uitgevoerd, mailden we de scholen in april', herinnert Staal zich. 'Zo laat. En toch kochten twintig scholen de methode in. Er waren weliswaar vier methodes op de markt, maar daar gebeurde weinig mee. Er waren geen innovaties, nieuwe edities kwamen te traag. Er was onvrede in de markt. Dus maar liefst 20 % van de scholen reageerde op onze mailing. Dat is bizar hoog.'
Dat bewees hun gevoel dat er voor kwaliteit altijd markt is. 'Onze methode is van top-kwaliteit, in inhoud én vorm. Boeken worden steeds meer gezien als wegwerpproduct. Wij kiezen echt voor papier. De boeken hebben daarbij een volwassen en luxe uitstraling. Het zijn boeken waar docenten én leerlingen blij van worden. De digitale component is weliswaar eenvoudig, maar juist daardoor populair. Het doet wat het moet doen en iedereen snapt het onmiddellijk.'

Inmiddels gebruikt de helft van de scholen SPQR voor Latijn. Staal & Roeland ontwikkel­den ondertussen ook met succes methodes voor Grieks, Kunst en CKV – allemaal vakken waar de concurrentie matig of nagenoeg ontbrekend was. Bij de volgende stap stuitte het echter op haar grenzen. Dat was Kern voor Nederlands. 'Wij dachten: we richten ons eerst op de randen van de markt. Dus methodes voor gymnasium en vmbo-basis. Maar scholen wilden toch liever een breder pakket kunnen afnemen.'
En toen was daar Boom als ideale partner. Staal & Roeland kon niet de investering opbrengen om een methode breed in de markt te zetten. Het bedrijf dat al langer zon op uitbreiding van haar educatieve portfolio – vooral gevuld met methodes voor vmbo, mbo, en hoger onderwijs – had dat wel. Staal: 'Het is bovendien een familiebedrijf dat gaat voor de lange termijn. '
Kern wordt dit jaar in twintig scholen gebruikt. De methode wordt gestaag verder uitgerold. 'We kijken daarbij wat iedere stroom nodig heeft. Bij grote uitgevers maken de methode voor het vwo. Voor gymnasium doen ze er wat bij, voor havo er wat af en voor vmbo nog wat meer. De methode is daardoor minder geschikt voor de bovenkant en de onderkant. Wij geven iedereen precies wat ze nodig hebben. Omdat wij zélf heel erg veel op scholen komen en met iedereen praten, kunnen we dat realiseren.'
De marktverdeling is daarbij helder. Kern verschijnt onder de vlag van Boom voortgezet onderwijs. Ook andere basisvakken worden door dit bedrijf ontwikkeld. Staal & Roeland richt zich ondertussen op de kleinere vakken. Beide bedrijven gaan samen in één kantoor in Groningen zitten. 'Dat is handig, veel leuker en biedt natuurlijk ook de nodige synergetische voordelen,' aldus Staal. Een opvatting waar John Boom zich nadrukkelijk bij aansluit.
(Eerder gepubliceerd in Inct

woensdag 14 februari 2018

Interview Eppo van Nispen tot Sevenaer: afscheid van een 'prachtige ambassadeur voor het boek' (Boekblad)

Na ruim zeven en een half jaar trekt Eppo van Nispen tot Sevenaer de deur van de CPNB achter zich dicht. Het waren geweldige jaren – al heeft hij ook een keer overwogen om, samen met zijn hele team, op te stappen.

Een directeur moet hooguit vijf jaar aanblijven. Ondanks die filosofie die hij zijn hele carrière heeft aangehangen, stond Eppo van Nispen tot Sevenaer anderhalf keer zo lang aan het hoofd van de CPNB. Op 1 juni 2010 volgde hij Henk Kraima op. Op 1 februari dit jaar vertrekt hij naar het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. De reden van het verlengde directeurschap was het besluit van NBD Biblion om de subsidie aan CPNB stop te zetten.
'De bijdrage van NBD Biblion ging in twee jaar van 1,2 miljoen euro naar nul', blikt hij op een van zijn allerlaatste werkdagen terug. 'Zo'n groot bedrag haal je niet in één keer terug uit de markt. Het was echt crisis, er moesten mensen uit. Dan kun je wel zeggen: ik ga. Maar ik vind dat je er als kapitein ook moet staan als het stormt. Het is te makkelijk om alleen te varen bij mooi weer. Nu we dat bedrag bijna weer binnen hebben, kan ik gerust gaan. We zijn heel ver met nieuwe partners. En ook NBD Biblion keert terug als sponsor. Ze zien in dat de CPNB toch veel toegevoegde waarde heeft op het gebied van leesbevordering.'
Maar hij had natuurlijk ook domweg een heel mooie baan. 'Ik ga hier weg met een brok in mijn keel. De CPNB is zo'n grandioze club. De missie is geweldig, waarin ik ontzettend veel creativiteit kwijt kon. En de mensen waar ik mee te maken heb, zijn ontzettend leuk, zowel hier in huis als in het vak.'

Hoe staat het boek ervoor aan het einde van jouw tijdperk bij de CPNB?
'In al die jaren kreeg ik vaak de vraag: blijft het boek? Dan ging het over de digitalisering. Mijn antwoord was altijd helder: het papieren boek gaat absoluut niet verdwijnen. Ik zat laatst in een panel met de vrouw van Pwc die ieder jaar voor Nederland de Media Outlook maakt. Zij maakte excuses dat ze de kracht van het boek had onderschat. De vergelijking met muziek en andere producten bleek niet op te gaan. Het papieren boek blijft veel beter overeind.'

Is dat mede aan jou te danken?
'Dat moet je eigenlijk aan anderen vragen. Maar in hun reacties op mijn aangekondigde vertrek hoor ik vaak dat ze mij een prachtige ambassadeur voor het boek vonden. Niet alleen voor de literatuur, waar onder Henk de nadruk op lag, maar voor alle genres. En: niet in de eerste plaats voor de verkoop van het boek, maar voor de maatschappelijke impact ervan. Door te hameren op leesbevordering heb je een veel beter argument naar de buitenwereld.'

Waarom?
'De CPNB is toch: wij van wc-eend raden wc-eend aan. Daar kun je niet mee aankomen. Dus moet je de intrinsieke waarde van het boek aantonen. Dat hebben we gedaan door onderzoeken te initiëren, vaak met Stichting Lezen, en zo veel mogelijk te praten over het belang van lezen. Dat is bovendien ook de basis voor het vak zelf. Als we de leescultuur niet overeind houden kunnen we op termijn alle boekhandels en uitgeverijen wel opdoeken. Als vak moeten we daarom de lange bal durven spelen, en ons niet te veel concentreren op de day to day business.'

Heeft die strategie goed uitgepakt?
'Ik denk het wel. Mijn stelling was altijd: elke dag aandacht voor het boek. Dat is goed gelukt. We zijn meer campagnes gaan voeren, die ook effectief en relevant zijn. Dat zien we terug in de mediawaarde van campagnes. Die is enorm gestegen.'

Kun je daar cijfers van geven?
'De Boekenweek is bijvoorbeeld goed voor 21 miljoen euro aan aandacht in de media. Gigantisch veel. Dat is weliswaar een cijfer uit 2012, omdat die onderzoeken erg kostbaar zijn. Ieder berichtje moet worden geanalyseerd. Maar we zijn het sinds afgelopen najaar opnieuw aan het doen: een jaar lang, voor alle campagnes. De eerste voorlopige resultaten wijzen op een vergroting van de mediawaarde.'

Toch waren het economisch moeilijke jaren, zoals ook uit het besluit van NBD Biblion blijkt. Kon je wel je ambities waarmaken?
'Mijn taak is natuurlijk niet af. De ambitie uit het beleidsplan om van Nederland het meest boekbelezen land ter wereld te maken is nog niet gelukt. Maar toch: ik denk dat ik veel heb kunnen realiseren. Ik ben bijvoorbeeld heel blij dat het is gelukt om in deze jaren de collectiviteit te behouden. Als het slecht gaat, is iedereen immers meer geneigd naar zijn individuele belang te kijken. Hopelijk blijft die collectiviteit in de toekomst behouden. Neem een platform als Readr van de KBb. Elk platform kost geld, en hoe kleiner het draagvlak hoe moeilijker om een groot bereik te krijgen. Dan is het beter als het vak, iedereen vanuit zijn eigen belang, de samenwerking zoekt.'

Wat is niet gelukt?
'Als ik toch iets moet noemen, betreur ik het dat het niet is gelukt om zoiets als Manuscripta van de grond te krijgen om met een groot boekenfeest het begin van het seizoen te vieren.'

Er zijn ook campagnes gestaakt.
'Jawel. Maar niet omdat er geen geld voor was. Sommige campagnes blijken gewoon niet te werken. Dan moet je er gewoon mee ophouden, zodat je het geld kunt gebruiken om campagnes die wél werken te versterken.'

En vanuit de boekhandel klinkt nog altijd de roep om de resultaten van campagnes inzichtelijker te maken.
'Maar die vind ik wel inzichtelijk. We meten altijd of we onze doelstellingen hebben gehaald. Wat het ingewikkeld maakt, is dat niet alle boekhandels en bibliotheken op dezelfde manier op campagnes inhaakt. Als ik nog een niet gerealiseerde ambitie mag noemen: ik had graag gewild dat alle boekverkopers en bibliothecarissen met dezelfde passie en gevoel voor marketing hun beslissingen namen. Het is niet gelukt dat in de volle breedte over te brengen.'

De CPNB is een organisatie die het nooit goed kan doen. Er is altijd wel iemand die kritiek heeft. Hoe ging je daar mee om?
'Ik heb de CPNB opener gemaakt. We hebben klankbordgroepen opgericht. Daarin kunnen we zien hoe beslissingen vallen, en ook toelichten waarom we na lang nadenken vinden dat dát ons de beste beslissing lijkt. Dat werkt goed. Ook heb ik uitgedragen dat iedere boekverkoper, uitgever en bibliothecaris altijd contact kon zoeken. Natuurlijk heb je altijd individuen die blijven roepen: "CPNB, arrogante club!" Maar dat kan ik naast me neerleggen. Ik heb een dikke huid.'

Riep je onconventionele optreden, maar ook een uitspraak als: 'Ik lees geen boeken', in het begin extra veel weerstand op.
'Jawel, al heb ik die uitspraak nooit gedaan. Ik zei: "ik lees verhalen, de vorm waarin maakt me niet uit – papier of digitaal." De eindredacteur zette er toen die tekst als kop boven. Dat riep soms heftige reacties op. Maar dat geeft niet. Je kan beter de reactie oproepen: 'Die man zal wel niets kunnen brengen', dan het tegenovergestelde. Hoge verwachtingen zijn veel moeilijker om waar te maken.'

Maar wás er veel weerstand?
'O ja. Ook intern. Zeker nadat Henk er zo lang zat en ervoor had gezorgd dat de CPNB hoge kwaliteit levert, was iedereen een bepaalde manier van werken gewend. En dan wilde ik het veranderen. Ik vond bijvoorbeeld dat Gerda van Wageningen naar het Boekenbal moest. Ik was directeur van de bibliotheek in Delft, ik wist hoe ontzettend veel mensen zij bereikte met haar romantische verhalen. Zij hoorde daar gewoon thuis. Maar daar was niet iedereen meteen van overtuigd.'

En hoe is het nu?
'Intern is er geen kritiek meer. De CPNB is een verschrikkelijke leuke club, waar iedereen met hart en ziel keihard werkt. Maar – ook dat is een mislukte ambitie – de discussie over het bestaansrecht is niet verstomd. Hij speelt momenteel niet, maar bij vlagen steekt hij de kop op. De laatste keer dat dat gebeurde, beschouw ik als het dieptepunt van mijn tijd hier. Dan hoorde ik voortdurend: waar is die CPNB eigenlijk goed voor? Ik kon daar zó van balen.'

Het argument dat de CPNB tijdens de Boekenweek voor 21 miljoen euro mediawaarde creëert telde niet?
'Nee. Ze zeiden: "ach, wat maakt 21 miljoen nou uit". Alsof het boekenvak dat bedrag zo maar even kan inkopen. Het gaat dan alleen om het gevoel dat de CPNB irrelevant is. Daar kun je niet tegenop. Eigenlijk dacht ik toen: wij zouden collectief moeten opstappen. Dat heeft natuurlijk niemand gedaan.'

Om positief te eindigen: wat was dan het hoogtepunt?
'De laatste Midzomerkinderboekenborrel. Er was altijd een diner, waarop de Zilveren Griffels bekend werd gemaakt. Ik vond dat we het kinderboek veel breder moesten vieren. Natuurlijk was daar kritiek op. "Dan hebben we dat diner niet meer". Maar de afgelopen borrel, de vijfde editie inmiddels, was zwaar overtekend. Het is echt een plek geworden waar iedereen die iets met het kinderboek doet een keer per jaar bij elkaar komt. Zoiets is misschien klein vergeleken bij een Boekenweek, maar het staat symbool voor alles wat ik heb proberen open te breken.'
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, jan 2018)