zaterdag 14 april 2012

Interview: Tim Krabbé over 'Wij zijn maar wij zijn niet geschift' (BOEK)

De onbegrijpelijke schietpartij op Columbine Highschool, die in 1999 het leven kostte aan vijftien mensen, heeft al talloze filmmakers, schrijvers en journalisten geïnspireerd. Ook Tim Krabbé raakte in de ban van de daders Eric Harris en Dylan Klebold. Hij schreef de nauwgezette feitelijke reconstructie die er nog altijd niet was. ‘Misschien had niemand er het werk voor over. Moest ik het boek schrijven omdat ik het vermogen tot obsessie combineer met het vermogen om hard te werken en het vermogen om het op papier te zetten.’


‘Een Amerikaanse uitgeverij voor mijn boek over Columbine is er nog niet’, zegt Tim Krabbé met een mengeling van frustratie en gelatenheid. ‘Mijn uitgever heeft wel een poging gedaan hen te interesseren. Maar dat stuit op het idee dat er al een goed boek over die schietpartij bestaat. Hoe kan een Nederlandse auteur nu een beter boek schrijven? Ik ben bezig met een epistel voor buitenlandse uitgevers waarin ik uitleg waarom dat goede boek in werkelijkheid slecht is. Hopelijk helpt het.’

Het boek met de reputatie van standaardwerk is Columbine van Dave Cullen, die als journalist van een lokale krant vanaf het begin bij de schietpartij betrokken was en wereldwijd geldt als de expert van de op dat moment grootse schoolschietpartij ter wereld. ‘Hij heeft het onderwerp heel handig weten te claimen. Ook toen Tristan van der Vlis vorig jaar in Alphen aan den Rijn zes mensen, exclusief hemzelf, doodschoot, rechtstreeks geïnspireerd op de moordpartij van Columbine, belden Nederlandse journalisten hem om commentaar.’

Het boek won prijzen ‘en kreeg, in zijn recensie, zelfs lof van iemand als Bas Heijne’, schudt Krabbé niet-begrijpend zijn hoofd. ‘Waarschijnlijk heeft hij de vergissing begaan dat de zaak zélf boeiend is. Hij zou Cullen eigenlijk moeten herlezen om te zien hoe slecht het is. Als niet-ingewijde besef je niet hoeveel fouten hij maakt. Maar iedereen kan wel zijn toon beoordelen. Readers Digest-niveau. Tweederangs provinciale journalistiek. Cullen is constant snerend. Zoals alle slechte schrijvers vertelt hij zijn publiek wat ze moeten vinden.’

Krabbé schreef een neutraler en eerlijker boek. Wij zijn maar wij zijn niet geschift is een gedetailleerde reconstructie van de schietpartij en de voorgeschiedenis, gebaseerd op uitgebreid bronnenonderzoek. Niet om psychiatrische etiketten te kunnen plakken, wat Krabbé een ‘inzicht verminderend’ werkwijze vindt, maar om te proberen te begrijpen hoe en waarom Eric Harris en Dylan Klebold tot hun daad kwamen. ‘Daarom zeg ik: zelfs als Wij zijn... geen goed boek is, dan is het nog wel het beste boek over Columbine. Zo’n boek als dit bestond nog niet.’


Columbine vond plaats op 20 april 1999. Aan het eind van de ochtend liepen de 18-jarige Eric Harris en 17-jarige Dylan Klebold, beladen met wapens en zelfgemaakte explosieven, hun middelbare school in Littleton binnen. Ze schoten willekeurig twaalf leerlingen en één docent dood. Ze hoopten dat de bommen honderden slachtoffers zouden maken, het schieten was bedoeld als bijzaak om nog meer mensen te doden maar draaide uit op de hoofdzaak. Drie kwartier na het eerste schot pleegden ze zelfmoord in de bibliotheek.

De opwinding die de daad veroorzaakte is zoveel jaar later nog altijd niet gaan liggen. Iedere keer als de politie materiaal vrijgeeft, is dat nog steeds groot nieuws in Amerika. En overal ter wereld verschijnen regelmatig nieuwe boeken en films over de zaak. De bekendste zijn in Nederland de documentaire Bowling for Columbine van Michael Moore, waarin hij de aanslag gebruikt om een punt te maken tegen het vrije wapenbezit in Amerika, en de speelfilm Elephant van Gus van Sant.

‘De magische aantrekkingskracht van Columbine is dat het een aanslag vanuit Pleasantville zelf was,’ probeert Krabbé te verklaren. ‘Pearl Harbor en 9/11 kun je duiden als aanslagen van buiten. Eric en Dylan waren twee intelligente jongens uit intacte gezinnen die leefden in de vredige suburbs. Er zijn miljoenen jongens zoals zij. Bovendien waren ze met zijn tweeën. Je kon niet denken: een eenzame gek. Er moesten rationele overwegingen aan vooraf zijn gegaan. Dat bleek later ook, Eric en Dylan zagen het zelf als een filosofische daad.’

Ook het aantal doden was onbevattelijk – al hebben latere schietpartijen in Amerika en Duitsland meer slachtoffers gemaakt. ‘En de naam en plek van de school speelt een rol’, zegt Krabbé. ‘Columbine, dat doet denken aan duifjes. De plek past daarbij. Rond de school is het stil en rustig. En heel vaak schijnt de zon. Hoe kon zoiets gebeuren waar zo’n vredige sfeer heerst?’


Zelf was Krabbé in 1999 bezig met andere dingen. De verfilming van zijn roman De grot stond op stapel. Pas in 2007 raakte hij gefascineerd toen een student op een Amerikaanse universiteit 32 mensen doodschoot en hij in een nagelaten videoboodschap zei te zijn geïnspireerd door Columbine. Hoe zat het ook alweer? vroeg Krabbé zich af en hij surfte naar de Wikipedia-pagina over de schietpartij.

Waarom hij vervolgens al snel alles over Columbine wilde weten, kan de schrijver niet verklaren. ‘Ik was op dat moment gewoon meteen gefascineerd en voor ik het wist, was ik simpelweg hooked. De enige ben ik in ieder geval niet. De belangrijkste website over de aanslag haalt nog altijd een miljoen hits per maand.’

Wat zeker bijgedragen heeft aan zijn verlangen in het verhaal te duiken, zijn de vele onjuiste mythen die steeds weer opduiken. Dat Eric en Dylan de ochtend van de aanslag gingen bowlen. Dat ze een meisje hebben neergeschoten omdat ze op hun vraag of ze in God geloofde, ja had gezegd. Al bij de eerste keer dat hij zich over Columbine boog, werd het Krabbé duidelijk dat deze verhalen gebaseerd zijn op leugens. Hoe zat het dan echt? wilde hij weten.

‘Op een gegeven moment was ik bezig zelf de schietpartij te construeren,’ zegt Krabbé. ‘Maakte ik lijsten van alles wat Eric en Dylan tijdens de schietpartij zeiden op basis van getuigenverklaringen en de opname van een 911-telefoongesprek vanuit de bibliotheek. “Sayings”, noemde ik dat eerste WordPerfect-document dat ik aanmaakte. Daarmee was ik eigenlijk politiewerk aan het doen, dat vond ik gewoon leuk. Ook omdat ik merkte dat ik zelfs de politie kon corrigeren. In het officiële politierapport staat Eric en Dylan terug gingen naar de auto nadat ze bommen hadden geplaatst, maar dat kan onmogelijk het geval zijn.’

Aan een boek dacht hij toen nog niet. Dat ‘definitieve’ boek van Dave Cullen kwam er immers aan. ‘Ik zei tegen mijn uitgever dat Cullens boek misschien iets voor hen was. Hij heeft toen een pdf van de tekst opgevraagd – het was nog niet verschenen. Ik heb het toen gelezen en gezegd dat het een prul was. Pas toen besefte ik het boek dat mij voor ogen stond, een open en nauwkeurige reconstructie, nog niet bestond en heb ik me opgeworpen als boekstaver en begrijper van Eric en Dylan.’

Waarom niemand hem voor was, vindt Krabbé vreemd. ‘Misschien houdt de angst om als exploitatief te worden gezien Amerikaanse auteurs tegen. Douglas Coupland bijvoorbeeld zegt letterlijk in het voorwoord van de roman die hij geïnspireerd door Columbine schreef, dat hij niet moet worden gezien als exploitative. Misschien had niemand er ook het werk voor over. Moest ik het boek schrijven omdat ik het vermogen tot obsessie combineer met het vermogen om hard te werken en het vermogen om het op papier te zetten.’


Een paar jaar heeft Krabbé in het geheim maniakaal gewerkt aan Wij zijn maar wij zijn niet geschift. Hij vertelde alleen een paar intimi over zijn plan. ‘Ik wilde niet ontmoedigd worden omdat mensen schouderophalend zeggen: O, Columbine. In Nederland weet men er weinig van. Er is ook geen noodzaak om er iets van af te weten. Tegelijk vond ik het een leuk idee om te verrassen. De naam Tim Krabbé is bekend van behoorlijk korte romans. En dan nu bijna vijfhonderd pagina’s non-fictie.’

Het boek is uitsluitend gebaseerd op bronnenonderzoek. Het volledige dossier: 26.859 pagina’s dik. En alle mogelijk relevante boeken, artikelen, documentaires en ander materiaal. ‘Interviews heb ik niet afgenomen. Ik zou niet weten wat dat zou toevoegen. Iedereen heeft alles al gezegd: in getuigenverklaringen of in boeken. Dichtbije vrienden die misschien iets kunnen toevoegen, hebben tot nu toe contact met journalisten altijd afgewezen. Bewonderenswaardig eigenlijk, ze hadden waarschijnlijk contracten voor boeken van tienduizenden dollars kunnen tekenen.’

Iemand benaderen zou daarom verspilde moeite zijn. ‘Natuurlijk zou ik best een aantal betrokkenen willen spreken. De familie Harris. Of Marla Foust, de schoolgenote voor wie Dylan een religieuze aanbidding koesterde en met wie hij het hiernamaals – de halcyon, zoals hij het noemde – wilde betreden. Maar van haar is bekend dat ze uitermate geïrriteerd reageert op toenaderingspogingen. Waarom zou ze wel met iemand uit Nederland willen praten? Nou ja, misschien juist. Dat is dan een gemiste kans.’

Wel is Krabbé vorig jaar oktober naar Littleton afgereisd. ‘Toen alles af was, wilde ik het toch met eigen ogen zien. Ook als afscheid van het project waar ik zo lang aan had gewerkt. Ik heb wel kleine fouten kunnen herstellen. Maar eigenlijk had ik alles al gezien. En beter ook. Hun huizen, de school, er zijn miljoenen foto’s op internet van, vanuit alle mogelijke hoeken. En op Google Streetview kun je langer voor het huis van de Klebolds stilstaan dan in het echt, waar je je toch gegeneerd voelt als de zoveelste gek die hun privacy stoort.’


Aanvankelijk sloot Krabbé zich aan bij de algemene mening over Columbine. Eric was de gevaarlijke gek, Dylan de gedweeë volger. Gaandeweg, na herhaaldelijke herlezing van hun dagboeken, opstellen en andere bronnen, begon Krabbés beeld te kantelen. Eric was juist een gefrustreerde puber waar er zo veel van zijn. Zonder liefde en in zijn ogen omgeven door belachelijke volwassenen, bralde hij over de haat die hij zei te voelen en de moorden die hij ging plegen. Dylan was de ijskoude romanticus, die Eric erin luisde.

‘Ik had geen aha-moment’, zegt Krabbé. ‘Het besef kwam gradueel. Ik stelde het laatste hoofdstuk, waarin ik mijn eigen analyse geef, zo lang mogelijk uit. Eerst wilde ik de andere hoofdstukken goed hebben: de reconstructie van de schietpartij, het commentaar daarop, de voorgeschiedenis en de aftermath. Pas toen ik kon verklaren waarom Dylan tegelijk zo liefdeloos tegenover Eric stond, wat uit zijn dagboeken blijkt, én tot op het allerlaatst indruk op hem wilde maken, zoals ook een getuigen zei, zag ik steeds meer details die deze theorie ondersteunden.’

Krabbé ziet de schietpartij als gevolg van een toevallige ontmoeting van twee jongens die een fatale combinatie vormden. Een ‘freak accident’. Eric was de snoever die voortdurend bralde dat hij mensen wilde vermoorden. Dylan koesterde hysterische religieuze fantasieën: hij wilde samen met iemand gaan moorden, zoals in de film Natural Born Killers van Oliver Stone, en dan samen sterven. De vernedering en schaamte van de straf, nadat ze waren betrapt bij een auto-inbraak, bracht hen voorgoed bij elkaar. Ze bekenden hun verlangens en ideeën aan elkaar en besloten de massamoord daadwerkelijk te plegen.

‘Eric was een kruitvat zoals er velen zijn, Dylan een lont waarvan er maar één is’, zegt Krabbé. ‘Eric moet in zijn achterhoofd hebben gedacht dat de schietpartij nooit echt zou gebeuren, maar hij had zich in een situatie gemanoeuvreerd waarin hij niet meer terug kon. Hij had eindelijk een vriend gevonden die zo iets vergaands met hem wilden doen. Die wilde hij niet kwijt raken. Misschien moordde hij daarom lachend: om zijn afschuw en gêne te overschreeuwen. Hij moest zich een houding geven.’

Dylan heeft volgens Krabbé nooit getwijfeld. Maar zoals Eric met zijn voorgewende vastberadenheid hem bedroog, zo overdreef Dylan zijn gretigheid om schoolgenoten neer te schieten om Eric te misleiden. ‘Hij wilde dit eigenlijk met Marla doen. Zoals in Natural Born Killers ook een man een vrouw samen al die moorden plegen. Voor hem was Eric tweede keus. Hij gaf niets om Eric. Waar Eric hem heel vaak noemt in zijn dagboek, noemt hij Eric nauwelijks. Onthullend is wat ze over elkaar schreven toen ze gepakt waren. Voor Eric is Dylan zijn beste vriend in heden en verleden, Dylan noemt hem gewoon een goede vriend.’

Voorkomen had Columbine dan ook niet kunnen worden volgens Krabbé. ‘Ja, door de politie. Als die de informatie bij elkaar had weten te krijgen. Een licht criminele jongen die op het internet schreef over het leggen van bommen. Misschien had dat ze op het idee gebracht om de huiszoeking bij de familie Harris die ze van plan waren ook echt te doen. Maar Eric en Dylan leefden in een cultuur die geweld verheerlijkte. Iedereen riep in die tijd dat ze de school gingen opblazen. En ze konden makkelijk aan wapens komen.’


Wie het werk van Krabbé kent, zal verrast zijn door Wij zijn maar wij zijn niet geschift. Geen spannend plot met verassende einde en een ondertoon van melancholie en levenswijsheid, maar een lang uitgesponnen studie, waarin hij de ruimte neemt om zijn materiaal ten toon te spreiden. De uitgebreide voorgeschiedenis is daarom – hoe helder Krabbés pen ook is – bij vlagen taai. De lange citaten uit de gewelddadige opstellen of dagboeken van een van de hoofdpersonen, ben je soms geneigd te scannen.

Krabbé zelf ziet zijn nieuwe boek niet als een anomalie in zijn oeuvre. ‘Dat is nogal ongelijksoortig. Ik heb ook een Engelstalig schaakboek geschreven: Chess curiosities. De vergelijking is misschien ontmoedigend, maar daarin zie je dezelfde volledigheidsdrang, werklust en onderzoeksvermogen waaruit ook dit boek over Columbine is voortgekomen. Ook binnen mijn fictie is veel ongelijksoortigheid. Het gouden ei is een heel ander boek dan De renner.’

Even heeft hij wel overwogen om een roman over de schietpartij te schrijven. ‘Ik wilde die vanuit de vader van Dylan schrijven: Tom Klebold. Dat was toen ik nog dacht dat Dylan een zielige meeloper was. Maar al snel zag ik in dat het onderwerp te interessant was om een roman over te schrijven. Een roman is te vrijblijvend. Wel heb ik het thema van de vader/zoon-relatie gebruikt in het Boekenweekgeschenk Een Tafel vol Vlinders, dat ik schreef in 2008, toen ik me al erg had verdiept in Columbine.’

Dat Dylan en Eric adolescenten waren legt een sterk verband met Krabbés oeuvre. ‘Daar heb ik veel over geschreven,’ erkent hij. ‘Marte Jacobs uit Marte Jacobs is 14. Egon en Axel uit De grot zijn 14. Het niet zo opgemerkte Een goede dag voor de ezel gaat ook vooral over de relatie van een vader met een kind van 14. Tegelijk zijn Dylan en Eric volkomen nieuwe figuren voor me. Eric heeft misschien iets van Axel door zijn vermogen mensen in te palmen, maar iemand als Dylan – die ik hoofdzakelijk beschrijf als gestoord – is nooit eerder voorgekomen in mijn werk.’

De opbouw van Wij zijn maar wij zijn niet geschift is erop gericht dat de lezer Dylan en Eric echt leert kennen. ‘Ik heb wel wat overgeslagen, maar niet vreselijk veel. Ik wilde de lezer zo veel mogelijk materiaal geven om zelf de onbekende wereld van de suburbs, de highschool en hun denken te ontdekken en eventueel een andere conclusie te trekken. Ik wilde de jongens ook niet censureren of zelf hun vertolker zijn. Als het goed is voel je dan aankomen dat niet Eric maar Dylan de gestoorde genius is.’


Of het boek in Nederland aanslaat, zal volgens Krabbé moeten blijken. Wie de zaak niet tot in de kleine details kent – en dat geldt voor bijna alle lezers, op vijf uitzonderingen na die de schrijver op de Columbine-fora tegenkwam waar hij zijn eigen ideeën toetste – kan ook niet verrast zijn door de nieuwe visie van Krabbé op de schietpartij. Natuurlijk hoopt hij wel dat de combinatie van zijn populaire naam en de even dwingende als boeiende beschrijving van de aanslag, leidt tot een verkoopsucces. Dat zou weer helpen bij toekomstige vertalingen.

‘Het zou lullig zijn als het boek beperkt bleef tot Nederland,’ zegt Krabbé. ‘Ook al betekent dat veel extra werk voor mij. Al die citaten van Dylan en Eric moeten natuurlijk niet uit het Nederlands worden vertaald. Daar moeten in de Amerikaanse uitgave de originele teksten staan. En voor bijvoorbeeld de Duitse uitgave moeten die rechtstreeks uit het Amerikaans schoolengels worden vertaald. Helaas heb ik geen apart document bijgehouden waarin alle citaten onvertaald bij elkaar staan.’


(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2012)


Geen opmerkingen: