vrijdag 26 mei 2017

Esther Gerritsens schrijflessen 3: Wat is een goede dialoog? (Schrijven magazine)

Met ieder nieuw boek verrijkt Esther Gerritsen haar inzicht in het ambacht van schrijven. Wat heeft haar eigen oeuvre haar geleerd? Een schrijfcursus in vier lessen – 3: een goede dialoog

Esther Gerritsens werk wordt geroemd om haar dialogen. Toch spreken haar personages in haar eerste werk nauwelijks met elkaar. 'Ik hield het gescheiden. Ik schreef vroeger toneel, dat is een en al dialoog. Wat mogelijk is met handeling is beperkt. Alles moet worden gezegd worden – of zogenaamd niet gezegd worden. Je krijgt hele gekke redeneringen. En ik moest rekening houden met de wensen van de regisseur, acteurs, technici. Dus toen ik met proza begon dacht ik: eindelijk mag alles wat ík wil. Dat was: de innerlijke gedachtegang van een personage volgen.'
Ondertussen was het schrijven voor theater wel een leerschool. 'Ik vond het in de eerste jaren leuk dat het zo snel ging. De een zegt dit, de ander dat. Dit, dat, dit, dat, dit, dat. Toen ik in Superduif voor het eerst dialoog in proza probeerde, voelde dat dan ook als spijbelen. Het ging net zo makkelijk, een bladzijde was binnen de kortste keren vol. In een latere periode probeerde ik in toneelstukken juist níet lekker te laten lopen. Ik probeerde alles te ontregelen. Ook leuk.'

De beste dialogen zijn gesprekken waarin geen enkele gesproken zin simpelweg informatie overdraagt. 'Er gebeurt altijd meer dan er gezegd wordt. Dat gaat verder dan dat er subtekst is. Subtekst als: een personage is boos op de serveerster, terwijl hij eigenlijk boos is op zijn vrouw. Hij zegt 'rotkoffie', maar bedoelt 'rothuwelijk'. Dat is te makkelijk, te flauw. Een invuloefening. Een echt goede dialoog is complexer. Het gaat erom dat je in het gesprek voelt wie de personages zijn.'
Haar beste dialogen, vindt ze zelf, schreef ze voor Dorst. Daarin gebeurt wat ze bedoelt. 'De regisseur Saskia Diesing, die Dorst momenteel verfilmt, typeerde het raak. Zij vertelde dat Coco – de dochter – alles zegt alsof het een uitnodiging is om verder te praten, terwijl haar moeder alles zegt alsof er een dikke punt achter staat. Zo, klaar, verder met het leven – dat idee. Er is dus niet alleen maar informatie-overdracht. Er is geen subtekst. En toch praten ze zoals alleen zij kunnen praten.'
Hoe krijg je dat voor elkaar? Dat is: goed weten wie de personages zijn. 'Je stelt je als schrijver op als een regisseur die tegen zijn acteurs zegt: dit is zijn achtergrond, dit is zijn doel, dit is de richting waarin hij beweegt – en ga je gang.'

Goed weten waarover je schrijft. Opnieuw. Het is een les waar Gerritsen iedere keer op uit komt (zie ook aflevering 1 en 2). Toch zit daar ook een gevaar in. Ze heeft daardoor ook de neiging zich te beperken tot het uiterst noodzakelijke. Beschrijvingen van de omgeving of het uiterlijk van personages? Bijvoeglijke naamwoorden tout court? Ze schrapt ze allemaal.
Maar juist met dialogen kan een schrijver maar beperkt schrappen. Voor je het weet, beperkt hij zich zo sterk dat de dialoog alsnog alleen maar informatie overdraagt. 'Ik merkte het bij de bewerking van Dorst tot script. Van de uitgebreide dialoog in het begin zijn nog maar vijf zinnen overgebleven. Dan dreigt het weinig meer te zijn dan een moeder die haar dochter vertelt dat ze doodgaat. Er moet in een roman ook geouwehoerd kunnen worden.'
(Eerder gepubliceerd in Schrijven 1, 2017)

Geen opmerkingen: