Posts tonen met het label vertalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vertalen. Alle posts tonen

zaterdag 3 april 2021

Stripvertalers: Iedere vertaling móét passen (Stripgids)

Geen vertaler zo onzichtbaar als de stripvertaler. En dat terwijl het omzetten van een strip naar correct en levendig Nederlands in stripvorm nog moeilijker kan zijn dan welke type vertaling dan ook. Denk alleen aan de verplichting om iedere keer een ballon perfect te vullen. Vier stripvertalers onthullen de moeilijkheden van hun metier. "Het kan enorm puzzelen zijn. Maar er is dan ook niet leukers als je erin slaagt die puzzels op te lossen."

Het viel Mariella Manfré (56) niet mee om werk te vinden. Ze was redactiechef van de Nederlandse editie van Donald Duck en andere jeugdbladen van Sanoma, toen deze cheflaag eind 2013 werd opgeheven. "Ik dacht eerst blijmoedig: ik ga freelancen als eindredacteur. Maar in die tijd werd er veel georganiseerd bij uitgeverijen. Bijna iedereen in mijn netwerk bleek in hetzelfde schuitje te zitten. Toen moest ik echt mailen, mailen, mailen. Van alles heb ik geprobeerd."

Dankzij de Donald Duck had Manfré, die een Italiaanse vader heeft en Europese Studies heeft gestudeerd met Italiaans als hoofdtaal, ook contacten in de stripwereld. "En juist toen ik Peter van der Heijden van Strip2000 een mailtje stuurde, bleek de uitgeverij die alleen nog maar Nederlandse strips had uitgegeven, te beginnen met vertalingen: de Gorilla-avonturenstrips. Hij zocht vertalers. Ik had vroeger Donald Duck Pockets vertaald – die worden allemaal uit het Italiaans vertaald – dus ik nam die klus graag aan. Deze vertaling uit het Frans zou me ook lukken."

Daarna volgden al snel meerdere opdrachtgevers. Dark Dragon Books, Silvester, uitgeverij L – stuk voor stuk Nederlandse uitgevers. "Vlak nadat ik voor Strip 2000 een paar albums had vertaald, had Dark Dragon Books de rechten gekocht van De gouden jaren van Mickey Mouse. Vijf delen. Met mijn achtergrond was ik de ideale kandidaat om ze te vertalen. En ik vertaal nog steeds voor hen."

 

Zo wordt iemand dus stripvertaler van beroep. Bij toeval. Anders kom je domweg niet op het idee. Er is geen opleiding tot stripvertaler, op een sporadische workshop na. Binnen vertaalopleidingen is er amper aandacht voor het genre. Er zijn geen prijzen voor 'beste stripvertaling'. En in recensies wordt slechts heel zelden een woord vuil gemaakt aan de vertaling (en dan meestal als hij niet goed is). Van Kapitein Haddock tot de Joker – iedere lezer neemt al snel aan dat ze altijd al Nederlands spraken.

Ook anderen zijn er zonder vooropgezet plan ingerold. Dieter van Tilburgh (34) had bijvoorbeeld een jaar bij Ballon Media gewerkt als assistent-redacteur strips nadat hij in Leuven had gestudeerd – met masters in de Taal- en Letterkunde Nederlands en Latijn en een certificaat literair vertalen op Europees Niveau. "Ik wilde eigenlijk literair vertaler worden, maar via mijn contact bij Ballon Media werd ik getipt op kansen bij Strip2000. Daarna kreeg ik al snel de smaak te pakken. Ik zou nu zeker niet maar alléén literaire boeken willen vertalen."

Of James Vandermeersch (46), die een kleine tien jaar geleden werd getipt dat Casterman een vertaler zocht voor de vertaling van een documentaire strip over Brugge naar het Engels. "Geschiedenis is mijn ding, ik woon op een boogscheut van Brugge, dus dat leek me wel wat. Kort daarna stelde ik hen voor Kuifje naar het West-Vlaams te vertalen. Daar zei de uitgeverij meteen ja op, het gesprek duurde nog geen twee minuten. En toen kreeg ik al snel meer opdrachten."

 

Soms in één dag

En dat terwijl de behoefte aan vertalers bij uitgeverijen groot is. Strips zijn, in aantallen uitgaven, het meest vertaalde genre naar het Nederlands. Maar uitgevers moeten soms met hun handen in hun haar zitten. Waarom zou Lies Lavrijsen (42) anders in 2017 als eerste opdracht de nieuwe 'Corto Maltese' uit het Spaans mogen vertalen (Equatoria)? Niet dat zij een beginner was. Integendeel, zij heeft haar sporen verdiend als vertaler van met name jeugdboeken. Maar zou andersom een gerenommeerd stripvertaler meteen Kafka of Flaubert krijgen?

Wie eenmaal onderdeel is van de vaste pool van een uitgeverij, is dan ook al gauw verzekerd van een constante stroom opdrachten. Manfré doet tot 70 titels per jaar – naast boeken zoals jeugdboeken voor Kluitman en De Fontein. Vandermeersch schat zijn productie op vijftig à zestig titels per jaar. "De opdrachten voor strips zijn echt ontploft", zegt hij. Voor Lavrijsen, die nog altijd de meeste tijd steekt in vertalingen van jeugdboeken (waaronder een bewerking van Dante's Inferno), staat de teller inmiddels op twintig strips.

"Toch komen er langzaam meer vertalers", vermoedt Van Tilburgh. "In de tijd dat ik bij Ballon Media werkte – toch maar zes, zeven jaar geleden – maakten maar twee mensen alle vertalingen: Erwin Cavens en Frits van der Heide, in mijn ogen dé grote vertalers in deze wereld. Nu zie je steeds meer andere namen opduiken. Het zou ook kunnen dat uitgevers de laatste tijd steeds meer vertalingen brengen. Dan moeten ze wel meer mensen aantrekken."

 

Dat een vertaling van een strip niet zo veel tijd kost, blijkt al uit deze aantallen. Tot maximaal twee weken, langer duurt het nooit. Soms is de klus zelfs in één werkdag al geklaard – en blijft er nóg werktijd over. "Er zitten ook Marvel Comics van twintig pagina's tussen", relativeert Vandermeersch. "Maar ik heb ook de hele 'Lucky Luke' opnieuw vertaald. Alle 73 albums die waren verschenen sinds 1946. Daar heb ik, tot deze zomer, vijf jaar aan gewerkt."

Het hangt sterk af van het type strip, zegt Van Tilburgh. "Een album met gagstrips kan snel gaan. De grap zit vaak in de afbeelding of in de wisselwerking tussen tekst en beeld, maar nooit alleen in de tekst. Dan stelt de tekst je niet voor veel uitdagingen en heb je in een, twee dagen de vertaling wel af. Maar reeksen als 'Elfen' en 'Orks & Goblins' die ik voor Daedalus vertaal, tellen zestig paginas met veel tekst. Dan loopt het zo uit naar vier dagen."

In ieder geval kan niemand een strip 'even tussendoor' vertalen. "De afwisseling tussen boeken en strips maakt het boeiend", zegt Lavrijsen. "Het is ook aangenaam dat je met een strip relatief snel iets afhebt. Maar het is niet zo dat ik 's ochtends een uurtje strip vertaal om daarna verder te gaan met een boek. Als ik aan een strip begin, ga ik ook door tot hij af is. Anders moet ik er iedere keer opnieuw inkomen. En het is gewoon ook erg fijn om te doen. Ik wíl niet eens stoppen."

Het is eerder andersom: een boek, dat soms maanden vertaaltijd kost, doe je tussendoor – óók omdat de deadline vaak flexibeler is. "Ik vertaal elke maand vijf tot acht strips voor Dark Dragon Books", zegt Manfré. "Dat zijn vaak series waarvan op vaste momenten een nieuw deel uitkomt. Dus als ik het materiaal binnen heb, móét het over drie weken of een maand klaar zijn. Van een boekopdracht die ik begin 2020 aannam, was de deadline 1 november. Dat is zo anders plannen."

 

Móét passen

Hoe snel een vertaling ook af is, niemand moet daaruit concluderen dat het makkelijk werk is. Of dat de kwaliteit van de vertaling er minder toe doet. Helaas gebeurt dat wel. "Zelfs in de boekenwereld denken sommigen dat strips minder literair zijn", zegt Lavrijsen. "Omdat beeld zo belangrijk is, net als bij prentenboeken – waarvan de vertaling óók vaak een ondergeschoven kindje is. Of omdat sommige strips zo commercieel zijn. Alsof er niet ook flutromannetjes zijn."

Die mensen zouden ze eens een strip moeten zien als Atom Agency van Yann en Schwartz, waarvan zij twee delen heeft vertaalt voor Ballon Media. "De tekst is zó gecomprimeerd. En het bevat verschillende soorten taal: boeventaal, politiejargon, geheimtaal uit het slagersmilieu. Je hebt woordspelletjes en spraakverwarring. Er zijn Franse liedjes uit de jaren vijftig die niemand kent. Een beginnend vertaler zou daar echt zijn tanden op stuk bijten."

 

Gelukkig kijken de uitgevers van strips er niet zo naar. Anders dan uitgevers van prentenboeken, die ze soms zelf op een achternamiddag vertalen. Of uitgevers van young adult, die de opdracht rustig gunnen aan een gepensioneerde leraar Engels. Stripuitgevers weten dat het vertalen van strips gepaard gaat met specifieke uitdagingen die het vertalen juist moeilijker maken. De meest voor de hand liggende daarvan is de ruimte. De vertaling móét in de ballon passen. Punt uit.

"Je kan van een Franse zin een prachtige Nederlandse vertaling maken", vertelt Manfré. 'En dan zie je dat hij niet past. Soms moet je best veel opgeven. De kunst is om een alternatief te bedenken zonder dat je concessies doet aan de kwaliteit. Dat je met iets komt dat echt bij het personage past. Dat kan enorm puzzelen zijn. Maar er is dan ook niet leukers als je erin slaagt die puzzels op te lossen. Dat gevoel van: yes, het past, niet te lang en niet te kort."

Hoe meer vertalingen je hebt gemaakt, hoe makkelijker dat gaat. "Je leert compact vertalen", zegt Lavrijsen. "Bij het Frans is het gelukkig niet zo'n probleem. Die taal is wijdlopiger dan het Nederlands, met veel stofferende voorzetsels. Un article publié dans le journal wordt gewoon Een artikel in de krant. Maar soms wordt het dan tekort. Een ballon met Maintenant! in heel grote letters kun je niet vertalen met Nu. Dat klinkt veel te slap. Daar maak ik dan bijvoorbeeld Nu meteen! van."

Anders is dat bij het Engels, legt ze uit. "Die taal is juist compacter dan Nederlands. Dan moet je echt elementen schrappen om de tekst in de ballon te krijgen. Het is belangrijk om in dat geval te weten wat de essentiële elementen zijn en wat eventueel weg kan. Soms kun je dat wel ergens anders compenseren. Als je op de ene plek een woordspeling laat zitten, omdat die echt onvertaalbaar is, kun je elders wel een woordspeling maken die in het Nederlands juist goed werkt."

Soms luistert het echt heel nauw, zegt Van Tilburgh. "Hoe vertaal je ça va in het Nederlands? Dat is letterlijk: het gaat. Maar dat is al drie tekens meer. Dat kan al te lang zijn, zodat je het kernachtiger moet maken. Bijvoorbeeld: yep – twee tekens minder dan het Frans. Maar in het Engels is het nog erger. In Bloodhorne had ik: show me. De beste vertaling is: laat eens zien – zeven tekens langer! Dus nee, ik ben er niet rouwig om dat ik vaker uit het Frans vertaal."

Een vertaler kan soms smokkelen door een andere corpsgrootte te gebruiken voor de vertaling. Net iets kleiner, om de ballon mooi gevuld te krijgen. Of juist met net iets ruimere spaties. Ook kun je variëren met lettertypes. Sommige vertalers beletteren dan ook zelf, zoals Manfré of, sinds kort, Van Tilburgh. Toch biedt dat maar tot op zekere hoogte soelaas. Een strip met op elke pagina ander lettertypes in wisselende groottes: dat leest voor niemand prettig.

 

Visuele geletterdheid

Even uitzonderlijk aan een stripvertaling is het samenspel met beeld. De vertaalkeuzes worden gestuurd door wat er te zien is. Hetzelfde woord kan anders worden vertaald in een realistische strip vol donkere grijstinten dan in een komische strip getekend in vrolijke kleuren. "Het beeld geeft soms ook ruimte om het Nederlands vlotter te laten klinken. Je hoeft niet te benoemen wat ook te zien is", zegt Van Tilburgh.

Iedereen vertaalt dan ook de tekst met afbeeldingen erbij. Lavrijsen weet nog dat ze dat bij haar allereerste strip niet kon doen. Dat vereiste in de tweede ronde flink bijschaven. "Nu vertaal ik altijd van de originele, geletterde pdf. Maar dan nog kan het gebeuren dat je bij de tweede lezing opeens dingen ziet in de tekening waardoor je de vertaling moet aanpassen. Dan zie je de gezichtsuitdrukking van een personage en besef je opeens: hij bedoelt het ironisch!"

Dat samenspel gaat zo ver dat je gerust kunt stellen dat stripvertalers de beste kijkers zijn – analoog aan boekvertalers over wie altijd wordt gezegd dat ze de beste lezers zijn omdat zij als enige letterlijk over iedere zin zich afvragen wat er nu echt staat. Een stripvertaler moet iedere afbeelding nauwgezet bekijken om fouten te voorkomen. "Je hebt een visuele geletterdheid nodig die je alleen aanleert als je het veel doet", heeft Lavrijsen gemerkt.

Een voorbeeld van Vandermeersch geeft aan hoe scherp dat oog voor detail moet zijn afgesteld. Een voorbeeld uit de nieuwe 'Bollie en Billie'. "De vader van Bollie zegt, om uit te leggen waarom hij iets niet heeft gedaan: J'ai relu tous mes dossiers. Maar hij wijst tegelijk met zijn vinger naar één dossier. Dat moest dus worden: Ik moest dit nog nalezen. Want in het Nederlands kun je niet op die manier zo'n algemeen meervoud gebruiken. In het Nederlands neem je zo'n uitspraak letterlijker."

 

I want to break free

Ook de taal van een strip legt andere, moeilijkere zwaartepunten dan een boek. Op een enkel blokje met uitleg na is alle tekst dialoog. Personages moeten daarom niet alleen maar Nederlands praten, ze moeten dat ook geloofwaardig doen. "In het Nederlands gebruik je daarvoor modale partikels als 'hoor', 'zeg' of 'ja, nou'. Je hebt dus als vertaler snel de neiging die toe te voegen om het levendig te maken", zegt Lavrijsen. "Maar dan kom je weer in de problemen met de ruimte."

En vergeet de humor niet, een veel belangrijker kenmerk van strips dan van welk ander genre ook. Probeer maar eens een grap te vertalen. "Fransen zijn zó goed in woordspelingen", verzucht Manfré bewonderend. "Die kun je nooit één op één vertalen." Van Tilburgh vult aan: "In 'Goblins' had ik een hele pagina waarbij de grap was gebaseerd op het feit dat personages elkaar niet verstonden. Op klank dus. Het was lastig equivalenten te vinden, waarin óók de inhoud hetzelfde bleef omdat je ook kon zíén waar de grap over ging."

En wat als je een parodie krijgt? Dat overkwam Van Tilburgh toen hij 'Naguère les étoiles' van Bourhis & Spiessert voor Silvester vertaalde – een woordspeling op 'La guerre des étoiles', zoals Star Wars in het Frans heet. "In het Frans speelt de serie met de naam van de klank. Ik heb er daarom 'Sterrenwaas' van gemaakt. Maar ook in de strip moest ik én de verwijzingen naar de filmreeks behouden én goede Nederlandse woordspelingen verzinnen. Zo was Han Solo de Breton Yann Kersolo – met grappen over Bretonnen. Ik heb daar de Spanjaard Juan Camolo van gemaakt – met voor ons herkenbare grappen over Spanje.'

Humor is dan ook bij uitstek de categorie waarin vertalers de grap soms laten schieten – om op een andere pagina een soortgelijke grap te bedenken. "Ik heb bij het actualiseren van Lucky Luke ook compleet nieuwe grappen bedacht", zegt Vandermeersch. "In Dalton City uit 1969 zie je de Daltons schoonmaken. Sifflez en travaillant, fluit Joe Dalton. Daar heb ik van gemaakt: I want to break free van Queen – uit 1983. Omdat iedereen die clip kent."

 

En dan is er nóg meer. Ook de vele langlopende reeksen maakt stripvertalen bijzonder. Vandermeersch heeft onder meer 'Lefranc' en 'Alex' (inclusief spin-offs) overgenomen, Lavrijsen 'Corto Maltese'. "Dan moet je heel goed op de continuïteit letten", zegt Vandermeersch. "Personages kun je geen andere naam geven, voor bepaalde woorden kun je niet opeens een synoniem gebruiken. Stel je voor dat Haddock iets anders zegt dan 'duizend bommen en granaten'. Of Guust die niet meer 'nou moe' verzucht."

Hij vindt dat niet respectvol naar verzamelaars, die 'hun' serie niet meer zullen herkennen als hij zonder enige voorkennis een nieuwe Alex had omgezet naar het Nederlands. "Dus toen ik die series overnam, heb ik alle eerder verschenen albums gelezen – in het Frans en het Nederlands – en hele lijsten aangelegd van vaste vertalingen. Dat kost enorm veel tijd, waarvoor je niet extra wordt betaald. Maar het is een noodzakelijke investering." Voor Lavrijsen geldt hetzelfde, die deze mening dan ook onderschrijft.

Manfré noemt daarnaast het belang van algemene kennis. Niet dat boekvertalers geen kennis hoeven op te doen van het tijdvak waarin het boek zich afspeelt of het jargon dat in specifieke werelden wordt gesproken. Maar: "aan een boek ben je maanden bezig, terwijl strips korte projecten zijn, zodat je je in heel veel verschillende onderwerpen thuis moet zijn. Gelukkig weet mijn man, die mijn teksten altijd naleest, heel veel. Dat helpt me goed."

Om die reden vindt Vandermeersch het vertalen van strip niet vanzelfsprekend het prettigst. "Je moet met ieder nieuw verhaal er opnieuw inkomen. Het scheelt wel dat ik ook veel strips kan doen die dicht bij mijn hobby's liggen – zoals de serie 'De grote zeeslagen' van Glénat. Die schepen van toen waren veel mooier, er zijn fantastische platen om naar te kijken. Mooi in detail uitgewerkt. En de oorlogen hadden echt een verhaal. Dat is gewoon ontzettend leuk om te doen."

 

Beter dan boeken

Worden vertalers genoeg gehonoreerd voor de noeste arbeid? De vertalers klagen er niet over. En dat terwijl vertalers van boeken áltijd klagen over hun inkomsten. "In vergelijking met een boekvertaling valt het best mee", zegt Lavrijsen dan ook. "Voor een boekvertaling bestaat een modelcontract, dat uitgaat van 6,7 cent per woord. Geen enkele uitgever betaalt meer dan dat. Wel minder. In de stripwereld is de markt vrijer. Dat biedt ruimte, al word je er niet rijk van."

Hoe de factuur voor stripvertalers wordt opgemaakt, verschilt per uitgeverij en soms per opdracht. 'Per woord' is mogelijk, maar ook 'per plaat' komt veel voor. De laatste mogelijkheid stelt uitgeverijen in staat om goed de vertaalkosten van een uitgave te berekenen. Voor vertalers heeft dat tot gevolg dat ze nog beter zelf moeten inschatten of het werk de opbrengsten waard is. Ze kunnen geluk hebben: weinig tekst in een strip. Of juist pech.

"Het is nooit echt goed te berekenen hoeveel je uiteindelijk per uur verdient", zegt Manfré. "Ik probeer het wel een beetje in de gaten houden: als ik dit ervoor krijg, kan ik er zoveel tijd in steken. Als het wat meer is, doe ik bijvoorbeeld een extra correctieronde of denk ik langer na over oplossingen. Dat komt de kwaliteit ten goede. Liefdewerk oud papier doe ik in principe niet. In het begin misschien nog wel, uit onervarenheid. De gouden jaren van Mickey Mouse waren bijvoorbeeld slecht betaald in vergelijking met de tijd die het me kostte."

 

In ieder geval is bij stripuitgevers ruimte om te groeien, meent Lavrijsen. "Als je een tijd voor een uitgeverij hebt gewerkt, kun je over een hoger tarief onderhandelen." Dat komt omdat de vertaalkosten in absolute bedragen lager zijn. Wie voor een boek 1 cent méér per woord zou krijgen, dwingt de uitgever meteen 1000 euro extra kosten te maken – terwijl de kans dat met een boek terug te verdienen kleiner is. Van strips worden nu eenmaal meer exemplaren verkocht.

Maar het is niet alleen maar beter om strips te vertalen. Literaire vertalers kunnen hun honorarium verhogen met een beurs van Literatuur Vlaanderen of het Nederlands Letterenfonds. Dat wil zeggen: stripvertalers kunnen dat ook, maar dan moet de uitgever het modelcontract hanteren – en dát maakt het vaak ongunstig. Bovendien blijven de facturen voor strips laag. Om die reden vindt Vandermeersch boeken vertalen lucratiever. Een vertaler vangt dan een hoger bedrag ineens.

Tegelijk moet het niet alleen om geld draaien. "Een project kan ook gewoon heel mooi zijn. En de band die je opbouwt, is ook wat waard", nuanceert Van Tilburgh. "De uitgeverij heeft voor iedere uitgave intensief contact met mij. Op een gegeven moment weten ze dat ik vlot een correcte vertaling kan leveren. Dan zullen ze bij een nieuwe opdracht eerder voor mij blijven kiezen dan voor iemand die toevallig 100 euro goedkoper is. En ja, ik heb toen ook een keer te horen gekregen: vanaf nu gaan we je dit hogere bedrag per pagina geven."

 

Niet onlogisch

Blijft over de vraag naar het imago. Zou stripvertalen de reputatie moeten krijgen die het ambacht verdient zodat in de toekomst meer vertalers voor deze niche kiezen? Lavrijsen vindt nadrukkelijk van wel. "Volgens de conventie van Bern en de Auteurswet – ik heb het ooit opgezocht! – heeft de vertaler het recht overal te worden genoemd waar ook de oorspronkelijke auteur wordt genoemd. Op het omslag, in recensies. Maar het gebeurt nooit."

Zij zou graag zien dat het anders was. Maar niet iedereen is het daarmee eens. "Een stripvertaler is toch ook voor een kleiner deel verantwoordelijk voor het eindresultaat?", werpt Van Tilburgh op. "In een boek dragen auteur en vertaler ieder de helft bij. In een strip neemt de tekenaar de helft voor zijn rekening en de scenarist en de vertaler de andere helft. Ik vind het dus niet onlogisch dat de stripvertaler minder zichtbaar is."
Bovendien: als alle vertalers hoeven stripvertalers niet zo nodig op de voorgrond te staan. "Ik ben gráág onzichtbaar", zegt Manfré. "Erkenning?" vraagt Vandermeersch zich af. "Ik ben daar niet zo mee bezig. Toen ik Kuifje in het West-Vlaams had gedaan, werd ik in mijn omgeving vaak herkend. Dat was leuk, maar het gaat met toch om het album. Om die reden hoeft er voor mij ook alleen een prijs voor de beste stripvertaling te komen om die strip zélf nog eens onder de aandacht te brengen."

 

KADER Nederland-Vlaanderen

Wie een boek naar het Nederlands vertaalt, heeft zich te houden aan de Noord-Nederlandse normen. In de boekenmarkt is Nederland dominant. Dáár zitten de uitgevers, dáár zitten de meeste lezers. Dat heeft tot gevolg dat er strikt op wordt gelet dat er geen Vlaams-Nederlands in de vertaling sluipt. Maar in de stripmarkt is dat precies andersom. Betekent dat dat vertalers makkelijker typische Vlaamse woorden en uitdrukkingen kunnen gebruiken?

Lavrijsen ervaart wel een grotere tolerantie bij haar opdrachtgevers in de stripwereld. "Toen ik per ongeluk de uitdrukking 'hij stuurde zijn kat' had gebruikt, iets wat niemand in Nederland zegt, heb ik daar mijn redacteur zelf op moeten wijzen: dit is te Vlaams, dit moet anders. Hij had eroverheen gelezen. Dat zie ik bij Vlaamse jeugdboekenuitgeverijen, die het gros van hun omzet in Nederland realiseren, nooit gebeuren."

Dat neemt niet weg dat alle vertalers ernaar streven een Nederlands te gebruiken dat in het hele taalgebied wordt begrepen. "Het is een kwestie van respect", vindt Vandermeersch. 'Ik heb wel eens gehoord dat 30% van de strips in Nederland wordt verkocht. Een minderheid dus, maar niet zó klein dat je daar dan maar geen rekening mee hoeft te houden. Je moet ervoor zorgen dat zo veel mogelijk lezers niet blijven haken omdat ze een woord niet kennen."

Een verschil is wel dat een Nederlandse vertaler zoals Manfré die uitsluitend voor Nederlandse uitgevers werkt, tóch rekening houdt met Vlaamse lezers. "Deze uitgevers verkopen óók meer in Vlaanderen dan in Nederland. Een uitgeverij als Dark Dragon Books heeft ook Vlaamse meelezers. Ik let er inmiddels op dat ik woorden als "nou" niet meer te vaak gebruik. Ik heb de neiging dat wel te doen, het zit zo ingebakken in mijn taal."

Desondanks heeft ze weleens commentaar gekregen van Vlaamse lezers. "Als ik nu twijfel, werp ik de vraag daarom op in een Facebookgroep van vertalers, waar ook Vlamingen in zitten. Laatst wilde ik in een strip een puber laten zeggen: 'Ben je nou helemaal van de ratten besnuffeld.' Een mooie en toepasselijke uitdrukking, vind ik, maar die bleken Vlamingen niet te kennen. Dus dat werd: 'van de pot gerukt'. En van één stripfan heb ik een lijst gekregen van woorden die Vlamingen niet kennen – mét alternatieven. Heel handig."

(Eerder gepubliceerd in Stripgids 8, 2020)

woensdag 11 maart 2020

Interview: Hans Boland – 'Wat een abnormaal mooi boek!' (Bibliotheekblad)

Een zo goed mogelijke Nederlandse tekst schrijven. Dat is de eerste opdracht van een vertaler, vindt Hans Boland – en moeilijker dan het lijkt, omdat sommige vertalers elkaar willen bewijzen dat ze hun taal kennen. 'Dat is de kunst van vertalen: de juiste balans vinden.'

Hans Boland denkt er geregeld met plezier aan terug. Aan het einde van zomer liep hij 's avonds over straat. Een jonge twintiger, die stond te morrelen aan zijn fiets, keek hem op zo'n manier aan dat hij zich gedwongen voelde te vragen: 'Kennen wij elkaar?' Waarop de jongen antwoordde: 'U bent toch die vertaler? Ik heb net Anna Karenina gelezen. Wat een abnormaal mooi boek!'
Dáár doet Boland het voor. Gewone lezers overtuigen dat de Russen die hij heeft vertaald – Tolstoi, Poesjkin, Lermontov en anderen – zulke schitterende boeken schreven dat je er helemaal verslingerd aan kunt raken. 'Zelfs een roman in verzen als Jevgeni Onegin van Poesjkin. Mijn neef, helemaal geen lezer, pakte het een keer op een avond uit de kast en las het in één ruk uit.'
Hij bewerkstelligt dat effect door de oorspronkelijke tekst om te zetten in een Nederlands dat je doet vergeten dat het boek eigenlijk in het Russisch is geschreven. 'Iedereen weet dat de verhalen van Tsjechov zich in een ander land en in een andere tijd afspelen. Dat is genoeg. Je moet ook niet worden teruggeworpen door een Nederlands waarin een vreemde taal doorschemert.'
'Authentiek Nederlands' streeft hij na, in tegenstelling tot het Vertalersnederlands dat hij zo vaak aantreft in vertalingen uit het Russisch. 'In het buitenland is het vanzelfsprekend dat een vertaling in de eerste plaats onberispelijk Engels of Duits is. Hier niet. Hier is het alsof je bij de juf of meester de indruk wil wekken dat je weet wat er in de oorspronkelijke tekst staat.'

Het was Anna Achmatova die Boland (1951) als derdejaars student slavistiek tot vertalen aanzette. 'Dát was nog eens echte poëzie, dacht ik. Ik had er voortdurend mijn mond van vol. Maar niemand kende die gedichten. Ze waren tot het einde van de Sovjet-Unie ook taboe in Rusland. Daarom ontstond de wens ze te vertalen: om ze aan mijn vrouw en mijn vrienden te kunnen laten lezen.'
Acht jaar werkte hij aan deze teksten. Meestal tijdens lange fietstochten. 'Ik stopte eerst een gedicht in mijn hoofd: een paar keer lezen, en dan kende ik het. En onderweg dacht ik na: hoe kon ik alle elementen uit het Russisch omzetten in het Nederlands zonder een element toe te voegen of een element weg te laten? Ik wilde dus ook het rijm en metrum overbrengen.'
Dat gold in die tijd als hopeloos gedateerd. 'Rijm? Metrum? Dat was vies en achterhaald', smaalt Boland. 'Je vertaalde de inhoud – of zo nodig alleen de vorm, maar zeker niet allebei. Ik vind vorm en inhoud echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. En ik merkte: hoe meer ik die in mijn Nederlandse tekst probeerde te krijgen, hoe preciezer ik ook de inhoud kon overbrengen.'
Na Achmatova wilde Boland nooit meer iets anders dan vertalen – zó verknocht was hij geraakt aan het oppoetsen van alle schoonheid en gruwel die in de rijke klassieke romans aantrof. 'Ik denk nog iedere ochtend als ik opsta: fijn, ik mag weer. Daarom ben ik blij, nu ik de zeventig nader, dat dit werk is dat je op mijn leeftijd net zo intens kan blijven doen.'

Sinds zijn debuut heeft Boland een reputatie opgebouwd als dé vertaler van de klassieke Russische literatuur. Dat komt boven alles vanwege de titels op zijn cv en de kwaliteit van zijn werk, maar ook omdat hij onomwonden kritiek spuit op collega's. Media smullen daarvan. De vertaler zat daarom tot twee keer toe bij verschijning van een nieuwe vertaling bij De Wereld Draait Door.
Boland verwijt zijn collega's te vertalen voor elkaar. Ze willen laten zien dat ze de tekst goed begrepen hebben. 'Dan krijg je zinnen zoals ik in een nieuwe Tsjechov-vertaling vond: "Door de hele kamer loopt van hoek tot hoek een waslijn." Niemand zegt dat zo. Waarom daar niet van maken: "Dwars door de kamer was een waslijn gespannen"?'
Bijna iedereen leest bij zulke zinnen gedachteloos door. Je begrijpt immers wat er staat. 'Maar onbewust werkt het door. Want als je na afloop een boek met zin na zin zulke taal dichtslaat, denk je sceptisch: is dit nou die geweldige Tsjechov? Dan ben je als vertaler toch je doel voorbij geschoten. Het doel zou moeten zijn dat de Nederlandse tekst net zo meeslepend is als het origineel.'
Neem Dostojevski, van wie Boland begin dit jaar de vertaling van Misdaad en straf publiceerde. 'Dostojevski schrijft prachtig Russisch, waarin je wordt meegesleurd als door een lawine, maar in het Nederlands had hij vaak iets onbeholpens. Daarom was hij bij ons ook nooit zo populair als in de rest van de wereld. Hij had gewoon zijn vertaler voor het Nederlands nog niet gevonden.'

Zelf gaat Boland tamelijk ver om een tekst in onberispelijk Nederlands te scheppen. Hij schroomt niet van het origineel af te wijken als dat nodig is. 'In het Russisch kun je in één zin de woorden "maar" en "echter" gebruiken, om een extra klemtoon te leggen. Maar in het Nederlands is dat fout. Stilistisch is het ook lelijk. Dus: weg met dat overbodige "echter".'
Dat levert hem op zijn beurt kritiek op van andere vertalers. Hij geeft als voorbeeld het Russische woord voor 'slank'. 'Ik vertaal dat als 'mager' of 'dun'. Dan zou ik een fout maken. Nee. Ik maak die keuze omdat dát het gevoel is dat Russen hebben bij dat woord. Ikzelf heet in Nederland ook slank, maar in Rusland ben ik zelfs een keer "uitgeteerd" genoemd.'
Ook verbetert hij fouten, schaaft hij kleine stilistische onvolkomenheden glad en gebruikt hij woorden die zijn vaak 19e eeuwse auteurs onmogelijk hadden kunnen gebruiken. Simpele woorden als: oké. 'Ik weet heel goed dat ze dat niet zeiden in 1878, maar als dat beantwoordt aan de bedoeling van de brontekst werkt dat beter dan een zogenaamd letterlijke vertaling.'
Krijgt een 19e eeuwse Russische roman dan geen anachronistische vertaling? 'Zeker niet. Sla Dostojevski of Tolstoi maar open. Het is 's nachts donker op straat. Ze reizen per koets. En zo zijn er nog honderden details waarmee je automatisch in die tijd bent. Natuurlijk moet het ook niet aanvoelen als een hedendaagse historische roman. Maar dat is de kunst van vertalen: de juiste balans vinden.'

Hoe dan ook hebben de meeste mensen geen idee van het werk van de vertaler, merkt Boland. 'In de tijd dat ik aan de universiteit werkte, hadden we een bolletjestypemachine van IBM, waarop ook het cyrillisch alfabet zat. Soms meldde zich dan iemand: of wij een tekst even in het Russisch konden vertalen? Alsof we de Nederlandse tekst tikten en er Russisch uitkwam!'
En waarschijnlijk denken in wezen veel mensen nog steeds zo. 'Tot je hen vertelt wat vertalen eigenlijk is. Ik geef vaak lezingen aan leken. Voor je het weet, hangen ze aan je lippen – totaal gefascineerd. Dat komt omdat vertalen gaat over taal. Iedereen gebruikt taal. Zonder zouden we niet kunnen leven. Taal is als zuurstof. En daarom is iedereen onbewust geïnteresseerd in vertalen.'
Eigenlijk zouden daarom meer vertalers lezingen over hun werk moeten geven – bijvoorbeeld in de openbare bibliotheek, die hun werk vaak uitgebreider en langer aanbieden. 'Vertalers zijn erg gedreven. Maar vertalen is ook nog meer dan schrijven een solitaire bezigheid, en dat trekt al gauw wat mensenschuwe types aan. Zet er vijf bij elkaar in een colloquium en er komt nog bijna niets uit.'
En dus zal het grote belang van vertalen wellicht altijd onzichtbaar blijven. 'Vertalers zijn nu eenmaal de postpaarden van de beschaving, zei Poesjkin. Zo vanzelfsprekend dat je nooit over ze nadenkt, maar van essentieel belang voor het functioneren van de maatschappij. Iets wat de computer nu is. Daarom heeft het mij altijd het gevoel gegeven bijzonder werk te doen.'
En als dan af en toe iemand zegt dat dat leidt tot 'abnormaal mooie boeken' in het Nederlands, is dat genoeg.
(Eerder verschenen in Bibliotheekblad, november 2019)

zaterdag 23 november 2019

(Bijna) alles wat je altijd wilde weten over vertalen maar nooit durfde te vragen (Boekblad)

Voor het eerst op de markt: een handboek dat helder en bondig alle aspecten van het literair vertalen uiteen zet. Alle? Alles verandert altijd, geschreven door een grote groep vertalers, lijkt één aspect over het hoofd te hebben gezien.

Een vertaler levert zijn tekst in bij de uitgeverij, bekijkt de correcties, later ook de drukproeven en dan is het lange wachten op de presentexemplaren. Is het een verstandige houding om zich verder niet te bemoeien met de strategieën van een uitgeverij? Niet volgens Janny Middelbeek-Oortgiesen, vertaalster Zweeds-Nederlands van Marianne Fredriksson, Henning Mankell en Barbara Voors. Vanaf het aanvaarden van de opdracht tot lang nadat het boek is verschenen, moet een vertaler zich zo betrokken mogelijk opstellen. Bijna alsof hij de auteur zelf is. Alleen de toon die een vertaler daarbij moet aanslaan, verschilt daarbij.
Ze heeft daarom tips voor haar (aankomende) collega's om ervoor te zorgen dat a) een uitgever het boek niet onzorgvuldig op de markt dumpt, en b) het boek kans maakt op maximale aandacht van pers en publiek. 'Je kunt ook aanbieden de tekst van de achterflap en de aankondiging op de website te lezen voordat deze openbaar worden gemaakt om te voorkomen dat er feitelijke onjuistheden in komen te staan of dat er misschien te veel van de clou van het verhaal wordt weggegeven', meent ze bijvoorbeeld. 'Zelf heb ik zo eens kunnen voorkomen dat op de achterflap van een thriller al vermeld stond wie de moordenaar was.'

De suggesties zijn te vinden in Alles verandert altijd. Perspectieven op literaire vertalen. Dit boek, in oktober verschenen bij de Leuven University Press, is bedoeld als 'een onmisbaar instrument voor de literair vertaler in opleiding en de beginnende en gevorderde professional bij het vertalen in en uit het Nederlands', zoals het op de achterflap heet. Voor het eerst hebben de samenstellers Lieven D'hulst en Chris Van de Poel, beide verbonden aan de KU Leuven, alle aspecten van het literair vertalen in 23 hoofdstukken bij elkaar gebracht. Middelbeek-Oortgiesens stuk over de omgang met promotie, prijzen en recensies is er daar een van.
Het boek is een initiatief van het Expertisecentrum Literair Vertalen (ELV). Uiteraard, zou je bijna zeggen. Sinds het ELV in 2001 werd opgericht door de Taalunie, heeft het met steun van het Nederlands Letterenfonds, Literatuur Vlaanderen, Universiteit Utrecht en de KU Leuven tal van initiatieven genomen om – de naam zegt het al – de expertise van literair vertalers te vergroten. Denk aan het opzetten van cursussen en opleidingen, het uitwerken van een Europees referentiekader voor de competenties van deskundige vertalers, en het opzetten van een online kennisbank. Een handboek hoort daar gewoon bij.
In eerste instantie lijkt Alles verandert altijd vooral bedoeld te zijn voor studenten of anderen die van het literair vertalen hun beroep willen maken. Het valt immers moeilijk voor te stellen dat gelouterde vertalers iets opsteken van de uitleg over de zakelijke aspecten van het vak, de manier waarop je on- en offline naslagwerken gebruikt of de problemen bij het vertalen van realia (cultuurspecifieke begrippen). De opsomming van wat in een vertaalcontract hoort te staan is tamelijk basaal. Wel: een inleverdatum en het aantal gratis auteursexemplaren. Niet: verplichte afname of het verzorgen van gratis lezingen.
Aan de andere kant: door de brede scope en heldere indeling in vier overkoepelende categorieën kunnen sommige hoofdstukken een nuttige inleiding bieden. Dat geldt zeker voor de hoofdstukken over afzonderlijke genres. Wie – voor het eerst – de opdracht krijgt een kinderboek te vertalen, via via wordt benaderd om een toneelstuk om te zetten of voor de uitdaging staat om een ook in het Nederlands bekende klassieker opnieuw te vertalen, treft in dit boek goed uitgelegd wat die genres uniek maakt. Zulke teksten staan ook wel in vertalerstijdschrift Filter of de Kennisbank van het ELV. Maar vindt maar eens snel iets even algemeen en bondigs.
Ook voor buitenstaanders kan het boek interessant zijn. Dan denk ik niet zozeer aan mezelf, die het puur uit een brede liefde voor het boek en het boekenvak interessant vind om te weten dat je bij het vertalen van filosofische teksten stuit op allerlei begrippen die een vast Nederlands equivalent kennen en je dus wel moet begrijpen. Het is weer een dimensie waar ik na al die jaren nooit bij stil heb gestaan. Nee, ik denk eerder aan redacteuren en uitgevers die bijvoorbeeld in het stuk van Middelbeek-Oortgiesen op ideeën kunnen komen van het verdere nut dat vertalers voor hun kunnen hebben.

Alles verandert altijd is dus een compleet handboek voor de literair vertaler van alle rangen en standen? Dat ook niet. Er is één aspect waarvan ik het onbegrijpelijk vind dat D'hulst en Van de Poel daar geen apart hoofdstuk over hebben laten schrijven. Dat is een beschouwing over de relatie met de opdrachtgever, die in vrijwel alle gevallen een uitgeverij is – alleen wie toneelstukken vertaalt, heeft te maken met de wensen en verlangens van een theatergezelschap. Of kent die relatie zo veel dimensies dat de samenstellers hebben gedacht dat die onherroepelijk in ieder hoofdstuk vanuit een andere invalshoek zou worden belicht?
Want in de praktijk is dat gebeurd. Nicolette Hoekmeijer, vertaler Engels-Nederlands, schrijft over het contact met de auteur dat uitgevers 'steeds vaker' willen dat dat via hen en de agent verloopt: om te vaak mailende vertalers af te remmen, en zelf op de hoogte te zijn van eventuele fouten die de vertaler heeft ontdekt. Jeanne Holierhoek, vertaler Frans-Nederlands, stipt in haar stuk over het vertalen van filosofie aan dat haar uitgeverij doorgaans zorgt voor deskundige meelezers, die voor dit genre zo belangrijk zijn. Luk van Haute, vertaler Japans-Nederlands, verzucht dat een uitgever het laatste woord over de titel heeft.
En zo is er meer. Maar een overkoepelend hoofdstuk? Helaas. Twee hoofdstukken komen in de buurt. Dat is het al genoemde stuk van Middelbeek-Oortgiesen dat ondanks de bescheiden lengte een veel bredere invalshoek heeft dan de titel suggereert. En het artikel van Laura van Campenhout en Ine Willems, beide vertaler Engels-Nederlands, over (zelf)revisie. Daarin beschrijven beide het gehele redactieproces vanaf het moment dat de vertaler zijn tekst inlevert en deze zijn gang begint langs persklaarmaker, corrector en bureauredacteur, inclusief uitleg over hoeveel tijd iedere fase in beslag neemt.
Maar beide stukken schetsen in wezen een ideaalbeeld. Middelbeek-Oortgiesen door op te sommen wat een vertaler allemaal zou kúnnen doen om het resultaat van zijn arbeid optimaal de wereld in te helpen, Van Campenhout & Willems door het redactieproces te behandelen zonder rekening te houden met tijdsdruk als gevolg van te laat inleverende vertalers, blunderende persklaarmakers of de concurrentie van de oorspronkelijke Engelstalige uitgave die uitgevers dwingt de tekst nóg sneller op de markt brengen. In werkelijkheid is de relatie met uitgevers – bijna – net zo weerbarstig als die tussen auteur en uitgever.
De enige die daar een glimp van geeft is Goedele De Sterck, vertaler Nederlands-Spaans van voornamelijk kinder- en jeugdliteratuur, in haar bijdrage over het vertalen van dit genre. Zij wijst op de voortdurende strijd met uitgevers die ten onrechte denken dat kinderboeken makkelijker te vertalen zijn en de tarieven per woord dus lager kunnen zijn. Daarbij ontstaat, specifiek voor dit genre, regelmatig een spanning tussen de intentie van vertaler, die de (literaire) waarde van de tekst intact wil houden, en die van de uitgever, die soms andere, vaak educatieve doelen heeft met de vertaling. Ook dat staat garant voor op z'n minst discussie.
Het is dus maar goed dat Alles verandert altijd is bedoeld als een handboek. Zulke titels krijgen na verloop van tijd bij gebleken belangstelling of verplicht voorschrijven door een docent vaak een herziene uitgave. Laat dit hoofdstuk dan niet weer ontbreken.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, okt 2019)

zondag 20 oktober 2019

Interview: Paul Claes over vertalen (Bibliotheekblad)

Omdat Paul Claes altijd vertaalde naast zijn wetenschappelijke werk, zet hij al decennia uitsluitend auteurs naar het Nederlands om waar hij zelf van houdt. En wiens teksten iets moeilijks hebben, waardoor hij hun werk wel moet vertalen om ze echt te begrijpen.

Zelf schrijven of geschriften van anderen vertalen? Paul Claes doet het allebei even intens. Hij heeft in vier decennia een groot oeuvre bij elkaar geschreven aan proza, poëzie en essayistiek – met wellicht de roman De kameleon (2001) als bekendste werk. De lijst vertalingen van zijn hand is zo mogelijk nog omvangrijker. Daarop staat voornamelijk poëzie: van Sappho en Horatius tot Mallarmé en Pound. Maar zeker niet alleen. De vertaling van James Joyce' Ulysses die hij samen met Mon Nys maakte, geldt als zijn tour de force.
De Vlaamse oud-docent aan de Universiteit van Nijmegen kan dan ook niet zeggen dat hij het ene leuker vindt om te doen dan het andere. 'Ik wissel het graag af', zegt hij aan de telefoon. 'Voor de middag schrijf ik eigen werk, na de middag vertaal ik. Als ik vastzit met mijn eigen werk, kan ik ook altijd verder met een vertaling. Interfereert dat niet? Misschien alleen toen ik Joyce vertaalde. Hij heeft zo'n eigen stijl. Toen ik daar middenin zat, bezondigde ik me een enkele keer aan een Joyceaanse woordspeling.'
Claes vertaalt uit een groot aantal talen: Grieks, Latijn, Engels, Frans, Spaans – en soms uit het Nederlands naar deze talen, zoals recentelijk de verzamelde gedichten van Willem Elsschot naar het Frans. 'Het liefst vertaal ik uit het Frans,' zegt hij echter. 'Die taal beheers ik het best. Het is de taal waarin ik vanaf mijn vroegste jeugd in ben gegroeid. Thuis in Leuven lazen wij ook de [Brusselse krant] La Libre Belgique. Mijn vader kocht Kuifjes in de oorspronkelijke taal. Ik schrijf soms ook zelf in het Frans.'

Wat is zo aantrekkelijk aan vertalen?
'Hoe goed je een vreemde taal ook kent, bij het lezen stuit je altijd op passages die je niet helemaal begrijpt. Als gewone lezer ben je geneigd over die details heen te stappen. Als vertaler kun je je dat niet permitteren. Ook ondoorzichtige passages moet je vertalen. De vreugde om dat wat je eerst niet begrepen hebt, toch in je eigen taal weer te kunnen geven, is iedere keer groot. Soms blijkt de passage iets totaal anders te betekenen dan je dacht. Soms blijkt zelfs dat de grootste Joyce-specialisten allerlei dingen hebben beweerd over de tekst die er helemaal niet staan. Alleen als vertaler weet je echt wat er staat.'

Vertaalt u daarom uitsluitend teksten waar u zelf meer van af wil weten?
'Ik heb het voordeel dat ik nooit beroepsvertaler ben geweest. Ik doe dit werk als liefhebber: auteurs waar ik van hou, wil ik beter leren kennen. Auteurs ook die je niet in een keer begrijpt, zodat je ze wel moet vertalen. Ik zou niet snel Simenon doen, omdat zijn werk qua taal goed behapbaar is. Mijn vertalingen gaan daarom vaak gepaard met een commentaar – als introductie in het boek of als aparte uitgave. Ik zie dat als service aan lezers. Zeker als het gaat om moeilijke auteurs als Rimbaud of Catullus vind ik niet dat je hun werk zomaar aan de lezer kunt geven. Zonder toelichting zegt hun werk niet zo veel meer.'

U streeft als vertaler een didactisch doel na?
'Ja. Voor de meeste lezers geldt dat ze een tekst uit een andere taal alleen kunnen leren kennen door de vertaling te lezen. Daarom moet je hem zo goed mogelijk vertalen. Ik zoek plichtsgetrouw ieder woord op – zelfs and, dat in het Engels veel meer betekent dan alleen "en".'

Hoe bent u in het vak gerold?
'Ik was al veertig jaar, had mijn hele leven vertaald, maar niets daarvan gepubliceerd. Ik was druk bezig met een wetenschappelijke carrière. Toen leerde ik toevallig Johan Polak van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep kennen. Hij was vol van Franse symbolisten als De Nerval, Rimbaud, Mallarmé en zocht iemand die dat voor hem kon vertalen. Dat wilde ik wel doen. Daarmee zat ik ook gelijk bij een goede uitgeverij en kon ik vervolgens altijd een uitgeverij vinden die mijn vertalingen wilde publiceren. Ik werk eigenlijk nooit met contracten: ik vertaal iets en zoek er daarna pas een uitgeverij voor.'

U heeft nooit in opdracht vertaald?
'Ulysses heb ik op verzoek van De Bezige Bij vertaald. Er was een beroemde vertaling van John Vandenberg uit 1969, maar op dat moment bijna 25 jaar oud. De uitgeverij vond de taal te zeer verouderd. Bepaalde passages liepen niet zo lekker. Toen vroegen ze mij het opnieuw te doen. Aan de ene kant was het makkelijker om een boek te vertalen dat al in het Nederlands bestond: veel was al goed omgezet. Aan de andere kant moet je toch je eigen accenten leggen. En: we deden het met z'n tweeën. Je moet elkaars werk dan goed op elkaar afstemmen.'

Het lijkt me, gezien uw motivatie om te vertalen, niet voor de hand liggen dat uw teksten kiest die al eerder zijn gedaan.
'Toch gebeurt het. De sonnetten van Louise Labé waren zelfs al drie keer vertaald, maar ik vond dat het beter kon. Ook teksten van de klassieke auteurs die ik heb gedaan, zijn al heel vaak vertaald. Maar omdat die vertalingen uit het Latijn en Grieks vaak dienden om Nederlandstalige lezers te helpen bij het lezen van het origineel, waren ze onbeholpen. Ze zaten te dicht op de brontaal. Pas nu worden vertalingen gemaakt – niet alleen door mij – die voldoen aan wat voor mij de eerste eis is die je aan een vertaling moet stellen: dat hij is geschreven in idiomatisch Nederlands. En dus niet in een soort vernederlandst Latijn.'

Hoe schat u het huidige vertaalniveau in Nederland en Vlaanderen in?
'Het hangt ervan af. Vertalingen van Engelse thriller vind ik over het algemeen zwak vertaald. Ik sla er weleens één open in de boekhandel: op de eerste pagina zie je de brontaal er al doorheen schemeren. Typisch Engelse constructies zijn nagevolgd, er staan anglicismen in. Maar ook in literaire vertalingen, die vaak door professionelere vertalers worden gedaan, zie ik bijvoorbeeld nog zogeheten valse vrienden: woorden die er bedrieglijk vertrouwd uitzien, maar toch iets anders betekenen.'

En dat terwijl er, anders dan in uw begindagen, betere opleidingsmogelijkheden zijn gekomen.
'Zeker. Die bestonden vroeger niet. Er waren zelfs geen handboeken. Ik heb zelf vorig jaar Gouden vertaalregels uitgebracht, waarin onder meer algemene richtlijnen staan – raadgevingen, geen voorschriften – voor vertalen uit het Frans, Engels en Italiaans. Zoiets bestond gewoon niet. Al mijn collega's moesten zelf uitvinden wat de basisprincipes zijn voor het omzetten van hun taal naar het Nederlands. Maar er zijn ook ongunstige ontwikkelingen.'

Welke?
'Het talenonderwijs in het Frans en Engels op de middelbare scholen is hard achteruit gegaan. Mijn opleiding Frans stond op een hoger peil dan tegenwoordig in België, en in het Nederland zal het waarschijnlijk nog erger zijn. Ook de opleidingen Engels zijn ondermaats, hoewel men verwacht dat docenten op de universiteit in het Engels doceren.'

En de honorering voor vertalers is beperkt, waardoor ze vertalingen moeten afraffelen om ervan te kunnen leven.
'Inderdaad. Dat zal niet snel veranderen. Daarvoor is het taalgebied te klein. Zeker als je poëzie naar het Nederlands vertaalt, gaat het om zulke kleine oplagen dat een vertaler geen financiële eisen kan stellen. Er zijn gelukkig wel subsidiemogelijkheden, maar het blijft lang werk voor een gering loon. Dan kun je maar het beste, zoals ik, in eerste plaats vertalen voor je plezier.'

Daarbij daalt de markt voor literaire vertalingen. Merkt u daar iets van – bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van vertaalde literatuur in bibliotheken?
'De situatie in Nederland ken ik niet. In Vlaanderen is helaas wel een domme evolutie aan de gang. Een titel die niet genoeg wordt uitgeleend, wordt weggehaald, waardoor er een groot verloop is. Voor eenmalige bestsellers is dat niet erg. Er zijn veel eendagsvliegen. Maar er zijn ook klassieke werken die niet meer te krijgen zijn in de bibliotheken. Ik vind het heel kwalijk dat bibliotheken niet meer het inzicht delen dat die werken aanwezig móéten zijn. Waarom kopen ze vijf exemplaren in van Bart Van Loo, wiens werk ook in alle boekhandels in stapels ligt? Waarom besteden ze het geld niet aan het in stand houden van voor iedereen toegankelijke collectie van wat langdurig waardevol is gebleken?'

Zou u zelf, anders dan het vertalen zelf, iets kunnen doen om aandacht voor vertalingen in bibliotheken levend te houden?
'Dat weet ik niet. Ik zou op tournee kunnen gaan met de gedichten van T.S. Eliot, maar ik moet zeggen: ik krijg daarvoor weinig aanbiedingen van bibliotheken.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

dinsdag 18 juni 2019

Wie vertaalt er in de toekomst uit het Roemeens? (Taalunie:Bericht)

Dat de vertaalcultuur ook in de toekomst bloeit en groeit is allerminst vanzelfsprekend, menen ook vertalers zelf. De lage honorering blijft een pijnpunt.

David Colmer kan zich de luxe veroorloven om verzoeken af te wijzen. Nadat de vertaler Nederlands-Engels enkele prijzen won, waaronder de Impac Dublin Literary Award in 2010, weten uitgevers hem voortdurend te vinden. 'Ook Nederlandse, die bijvoorbeeld een fragment willen vertalen van een boek waarvan ze de rechten willen verkopen. Dat gebeurt eerder wekelijks dan maandelijks. Maar daar heb ik geen tijd voor. Ik vertaal liever om te publiceren.'
Voor Jan Willem Bos, laureaat van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2019, gaat het al meer dan dertig jaar op en af. Hij werkt als beëdigd tolk-vertaler Roemeens-Nederlands voor verschillende justitiële diensten. Als een uitgeverij een vertaling van Mircea Cărtărescu, Norman Manea of Mihail Sebastian bestelde, nam hij een paar maanden daarvoor vrij. 'Ik heb nooit de illusie gehad dat ik van literair vertalen alleen zou kunnen leven.'
En Lies Lavrijsen moet flink aanpoten. Sinds ze in 2004, na haar studie Italiaans en Frans, via de postuniversitaire vorming aan de KU Leuven het vertaalvak inrolde, neemt ze bijna alles aan om brood op de plank te krijgen. Strips uit het Frans, young adult uit het Engels, non-fictie voor de jeugd uit het Spaans, theaterteksten uit het Italiaans. 'Gelukkig volgen de opdrachten elkaar nu al een paar jaar op, maar ik weet nooit wat ik over een paar maanden doe.'

Zo blijkt maar: de ene vertaler is de andere niet. Iedere vertaler volgt zijn eigen pad, afhankelijk van zijn of haar taal, de concurrentie en de opgebouwde reputatie. Dat maakt het voor hen moeilijk om algemene uitspraken te doen over zoiets als dé positie van de vertaler of hét vertaalklimaat in Nederland en Vlaanderen.
Het lijkt de vertalers wel iets beter te gaan dan enkele jaren geleden. 'In de combinatie Nederlands-Spaans is er nogal wat werk,' zegt Goedele De Sterck, winnaar van de Letterenfonds Vertaalprijs 2018. Ze vertaalde meer dan een decennium Nederlandse en Vlaamse auteurs, maar nam in 2011 een baan aan de vertaalfaculteit van de Universiteit van Salamanca aan. 'Het is een aantal jaren wat stiller geweest vanwege de crisis, maar nu gaat het weer beter.'
'Dat is mede te danken aan inspanningen van instellingen als het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren. Deze stelt subsidies beschikbaar én aan vertalers naar het Nederlands én aan buitenlandse uitgevers om de vertaalkosten te dekken. Het Expertisecentrum Literair Vertalen (ELV)1 zorgt voor opleidingen en individuele begeleiding van vertalers. Ook is er een mede met financiële steun van de Taalunie opgezette transnationale master Literair Vertalen.

De inzet van de fondsen, ook in het promoten van Nederlandstalige literatuur, heeft bijvoorbeeld geleid tot een groei van vertalingen in het Engels. 'Daardoor zijn er eigenlijk niet genoeg vertalers Nederlands-Engels,’ zegt Colmer. 'Dat helpt een beetje bij het onderhandelen over contracten. Uitgevers kunnen niet zeggen: voor jou tien anderen. En dan mag ik al blij zijn dat het basistarief in Engeland hoger ligt dan in de meeste Europese landen.'
De opleidingsmogelijkheden zijn belangrijk voor nieuwe vertalers – ook uit het Nederlands, meent Colmer. 'Ik zou niet durven zeggen of vakgroepen Nederlands in Sheffield en Londen toegerust zijn om vertalers op te leiden. Ik ken de situatie onvoldoende. Maar feit is dat het vaak toeval is of iemand vertaler wordt. Je moet hart voor literatuur hebben, stilistisch vaardig zijn in je eigen taal en hard willen werken. En dan is zoiets als de zomercursus van het ELV ideaal. Zo ben ik ook op weg geholpen.'

De relatief gunstige wind neemt niet weg dat vertalers de bedreigingen voor een bloeiende vertaalcultuur herkennen die worden opgesomd in het vertaalpleidooi VerTALEN voor de toekomst dat het ELV onlangs op de Vertaaldag presenteerde (zie kader). Van de afname van het aantal studenten die een taalopleiding kiest tot de gebrekkige honorering voor vertalers – ze hebben er allemaal op een of andere manier mee te maken.
Zo heeft Bos moeten aanzien dat de vakgroep aan de Universiteit van Amsterdam waar hij ooit Roemeens studeerde, is opgeheven. Het gevolg is ernaar. 'Ik heb aan het talentontwikkelingsprogramma CELA (Connecting Emerging Literary Artists) meegedaan omdat er niemand anders was voor Roemeens. Pas aan het eind van het programma is er toch iemand opgedoken. Die volgt nu de Vertalersvakschool om via het Duits vertaalprincipes te leren.'
Hij maakt zich dan ook zorgen voor de culturele communicatie binnen Europa in de nabije toekomst. En hij niet alleen. 'De Europese Unie heeft de mond vol van meertaligheid en culturele diversiteit,' klaagt De Sterck. 'Maar universiteiten dragen bij aan het tegendeel. Ze sturen met hun focus op exacte wetenschappen en Engels onderwijs aan op een monothematische en monolinguale aanpak, wat onherroepelijk tot taalkundige en letterkundige verarming leidt.'

De bedreiging die vertalers natuurlijk het sterkst voelen is die van de gebrekkige honorering. Lies Lavrijsen heeft tot haar frustratie gemerkt dat ander vertaalwerk beter betaalt: commerciële en technische teksten. 'En zelfs filmscenario's. Die moeten in het Nederlands beschikbaar zijn voor een subsidieaanvraag bij het Vlaams Audiovisueel Fonds. Dat is een week werk, waar ik bijna net zo veel voor krijg als een boek dat me twee, drie maanden kost.'
Voor Bos geldt hetzelfde. Hij heeft zich het literair vertalen eigenlijk alleen kunnen permitteren omdat hij als tolk-vertaler wél genoeg verdiende. 'En dan heb ik gelukkig een paar keer een werkbeurs van het Letterenfonds en één NIAS-beurs voor vijf maanden gekregen. Want als je het echt moet doen voor alleen het gehanteerde woordtarief? Dan wordt het erg krap. Eigenlijk moet je dan al een andere maatstaf hanteren voor professioneel vertalen.'
Het enige wat helpt is vasthouden aan het minimumtarief dat is vastgelegd in het (alleen in Nederland bestaande) Modelcontract. De voor dit stuk gesproken vertalers naar het Nederlands proberen dat te doen. 'Een paar jaar geleden heb ik besloten niet meer onder die prijs te werken', zegt Lavrijsen. 'Desnoods zou ik een andere baan zoeken. De beslissing kostte me een opdrachtgever. In eerste instantie, want later bood hij me de opdracht opnieuw aan – nu mét Modelcontract.'
Maar weinig blijft het, verzucht ze. '6,6 cent per woord, dat eens in de twee jaar met een paar duizendsten van een euro wordt verhoogd. Wat koop je daarvoor?'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:Bericht, 11 jun)

De bedreigingen voor de vertaalcultuur
* Steeds minder studenten kiezen voor talenopleidingen.
* Er worden steeds minder talen aangeboden in de talenopleidingen, mede door financiële overwegingen.
* De afdelingen Nederlands aan universiteiten buiten het Nederlandse taalgebied zijn inhoudelijk en financieel niet altijd voldoende toegerust om vertaalonderwijs op niveau aan te bieden.
* De financiële positie van literair vertalers is kwetsbaar.

woensdag 25 juli 2018

Het vertaalbeleid van de Taalunie: Hoe vertaal je Aldi en Albert Heijn in het Russisch? (Taaluniebericht)

We kunnen alleen van Murakami, Pamuk en Ferrante genieten doordat ze perfect in het Nederlands worden vertaald. Dat is nog niet zo simpel. Het Expertisecentrum Literair Vertalen en de Taalunie zetten zich daarom al bijna twintig jaar met succes in om vertalers – uit én in het Nederlands – te professionaliseren.
Je pakt een woordenboek, zoekt de betekenis van de Franse of Russische woorden op en je hebt een vertaling. Het lijkt zo makkelijk. Niet voor niets trekt de vertaalwedstrijd die NRC Handelsblad en Bureau Verstegen & Stigter jaarlijks uitschrijven honderden deelnemers. Dit jaar waren het er 581, die in totaal 726 vertalingen maakten van gedichten.
Maar wie alleen op een woordenboek leunt, maakt hooguit een wazige Nederlandstalige reproductie van het origineel. Alsof je door een bewasemd raam staart en slechts vage contouren ziet van de echte buitenwereld. Op de Grote Vertaaldag in Utrecht, waar de winnaars onlangs werden gehuldigd en in workshops hun inzendingen bespraken, klapte een van de juryleden uit de school. Het leeuwendeel van de vertalingen was ronduit “bagger”. Waarom? Daarvoor was één woord genoeg: “Woordenboek.”

Als vertalen zo simpel was, waren er ook geen vertalers meer nodig. Vertaalcomputers zouden dan al het werk kunnen doen. Maar vijftig jaar na de eerste experimenten zijn ze nog lang niet goed genoeg, vertelde hoogleraar taal- en spraaktechnologie Antal van den Bosch tijdens zijn lezing in het centrale programma.
Iedere student vertalen heeft ooit de vertaaldriehoek van Vauquois gezien, legde hij uit. Het laagste niveau is direct vertalen: een Engelse zin wordt woord voor woord vertaald in het Nederlands. Daarboven komt een transfersysteem, waarbij ook rekening wordt gehouden met de verschillende grammaticale structuren van beide talen. Maar de droom was een interlinguasysteem. De Engelse zin wordt op zo’n abstract niveau geanalyseerd dat hij perfect wordt omgezet in het Nederlands – of welke andere taal dan ook.
“Maar dat is nooit gelukt”, zei Van den Bosch. “Ook met de nieuwste Google Translate niet. Die is goed genoeg voor veel doeleinden, maar zeker niet voor literaire vertalingen – het type vertalingen waar de hoogste eisen aan worden gesteld.”

Coördinator Gea Schelhaas van het Expertisecentrum Literair Vertalen (ELV) – dat het vertaalbeleid van de Taalunie uitvoert – vertel je daarmee niets nieuws. Een roman, gedicht of toneelstuk omzetten naar het Nederlands is verschrikkelijk moeilijk. “Je moet niet alleen de brontaal en de doeltaal perfect beheersen, je moet ook de culturele context van beide talen kennen. Een handleiding voor stofzuigers kun je een-op-een vertalen. Dat is rechttoe rechtaan. Een roman of gedicht vertalen gaat ook om interpretatie.”
Ze geeft een voorbeeld. Wie in het Nederlands zegt dat hij altijd boodschappen doet bij de Aldi of juist bij de Albert Heijn, zegt iets fundamenteels over zichzelf. Hoe zet je dat om in het Russisch als beide supermarktketens in Rusland onbekend zijn? Dat lukt je alleen goed als je de gevoelswaarde van Aldi en Albert Heijn kent. “Zo moet een vertaler een heel referentiekader hebben. Ook om kinderliedjes of een grap zó te vervangen dat ze in de doeltaal dezelfde associaties oproepen en hetzelfde effect hebben.”

Dat goed kunnen is van groot belang, vindt senior beleidsadviseur Martijn Nicolaas van de Taalunie. “Zonder literaire vertalingen heb je een beperkt zicht op de wereld. Journalisten kunnen je als correspondent ter plaatse wel vertellen wat er gebeurt in andere landen, maar literatuur laat zien hoe het is om dat mee te maken en daar te wonen. Daar kennis van kunnen nemen is essentieel in deze tijd met zoveel internationale contacten. Je zult minder angst hebben voor wat er over de grens gebeurt.”
Het hoort nadrukkelijk bij het beleid van de Taalunie om dat te ondersteunen – zowel de vertalingen in het Nederlands als de vertalingen uit het Nederlands. “Niemand wil dat het beeld van Nederland beperkt blijft tot de clichés van tulpen, molens en kaas. Of het beeld van Vlaanderen tot friet en bier”, zegt hij. “Wij willen met vertalingen, ook van kwalitatieve non-fictie en graphic novels, de volledige rijkdom van de Nederlandstalige cultuur uitdragen, zodat Nederland en Vlaanderen letterlijk toegang tot de hele wereld hebben.”

In 1995 ontwikkelde de Taalunie daarom een cursusprogramma om de professionaliteit van vertalers te vergroten. In 2001 volgde de oprichting van het ELV om dat beleid uit te voeren en verder te ontwikkelen. Dat richtte zich in eerste instantie op het opzetten van opleidingen. Er is een mentoraatsprogramma gestart, waarbij beginnende vertalers onder begeleiding van een ervaren vertaler aan hun eerste boekvertaling werken. Daarnaast is er met steun van de Taalunie een transnationale master gestart aan de KU Leuven en de Universiteit Utrecht.
Schelhaas: “We kijken daarbij steeds waar behoefte aan is. Dreigt er op termijn een tekort aan vertalers in een bepaalde taal? Of is er maar één toneelvertaler? We sluiten ook aan op het beleid van het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren, die de Nederlandstalige literatuur in het buitenland promoten. Als zij focussen op China, organiseren wij meer cursussen voor vertalers Nederlands-Chinees. En brengen we onder studenten Nederlands in China de mogelijkheid om vertaler te worden onder de aandacht.”
Dat beleid heeft goed gewerkt, verzekert ze. Er is de afgelopen jaren een duidelijke aanwas van nieuwe vertalers die steeds meer opdrachten krijgen en prijzen beginnen te winnen. Een voorbeeld is Lisa Thunnissen. Zij heeft haar vertaling van De cowboykampioen van Aura Xilonen uit het Spaans deels onder begeleiding van een mentor gemaakt, kreeg daar eerder dit jaar een nominatie voor de Filter Vertaalprijs voor – een belangrijke jaarlijkse vertaalprijs – en is nu zelf co-moderator van een online cursus Nederlands-Spaans van het ELV.

Nu er aanzienlijk meer cursussen en opleidingen zijn dan twintig jaar geleden, ook met de particuliere Vertalersvakscholen in Amsterdam en Antwerpen, richt het ELV zich meer op uitbreiding van de expertise. Er is bijvoorbeeld in Europees verband een leerlijn ontwikkeld, waardoor iedere vertaler duidelijk kan zien welke kennis of vaardigheid hij nog mist. In 2019 volgt het eerste Handboek literair vertalen. En de site van het ELV moet een verzamelpunt van kennis worden – met artikelen en een vertalersdatabase.
Het succes betekent echter niet dat er geen zorgen meer zijn. De voornaamste is het gestaag verdwijnen van talenstudies aan de universiteiten. “Vooral in Nederland”, zegt Nicolaas. “In Vlaanderen speelt dat minder. Nieuwe vertalers moeten van de universiteit komen, maar als talen niet meer worden aangeboden in het curriculum wordt dat onmogelijk gemaakt. Hoe vertaal je dan uit, zeg, het Roemeens? Via een vertaling naar het Frans of Engels. Daar gaat onherroepelijk kwaliteit verloren. Denk aan het doorfluistereffect. Ook zou het goed zijn als er op zoveel mogelijk plekken in de wereld Nederlands gestudeerd kan worden.”

De tweede zorg is de honorering. Ontvingen de winnaars van Nederland Vertaalt slechts een bos bloemen en de eer, professionele literaire vertalers krijgen ook maar 6,6 cent per woord. Dankzij de werkbeurzen van de Letterenfondsen kan daar maximaal 10,5 cent per woord bij komen. Maar weinig blijft het. Veel vertalers hebben dan ook werk ernaast. “Wij kunnen daar weinig aan doen”, zegt Schelhaas. “Wel proberen we op een studiedag vertalers ook zakelijk wijs te maken, zodat ze niet ja zeggen tegen alles wat uitgevers voorstellen.”
Al die inspanningen houden de hoop levend dat vertalers ons zulke perfecte vertalingen van Haruki Murakami, Orhan Pamuk en Elena Ferrante blijven geven dat we niet eens in de gaten hebben dat het om vertaalde boeken gaat.

Alle inzendingen van Nederland Vertaalt 2018 zijn hier te lezenHet ELV is een partnerschap van de Taalunie, de KU Leuven en de Universiteit Utrecht, in samenwerking met het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren. Voor meer informatie: www.literairvertalen.org