Posts tonen met het label citaten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label citaten. Alle posts tonen

dinsdag 3 december 2019

Ook toen al. Godfried Bomans over de mening van BNers

'Wat mij altijd weer verbaast, is de veronderstelling dat iemand die een zekere bekendheid geniet, over mijn aalles een mening moet hebben. Het feit dat ik een liefhebberij heb om met woorden te spelen, wettigt blijkbaar het vermoeden dat ik over zaken als rassendiscriminatie en de buitenlandse politiek van De Gaulle iets zinnigs te vertellen heb. De mensen vragen je dat rustig. Waarom? Omdat men schrijft. Hier schijnt iets magisch van uit te gaan.'
(uit: Godfried Bomans, De brandmeester, Van Oorschot, 2019)

Wanneer hij dit schreef, weet ik niet. De verantwoording in de recent verschenen bloemlezing eh... schiet wat tekort. Laat ik het daarop houden. Het zal ergens in de jaren 1960 zijn geweest. Nederland had nog maar twee televisienetten. Tot 1964 zelfs nog maar één. Er waren nog geen tientallen talkshows per dag. Ook waren er minder radiostations. Wel waren er aanzienlijk meer kranten dan tegenwoordig. En ook toen al gold de wet: een scheet van een BN-er is interessanter dan een doordachte opinie van een terzake deskundige specialist. Het enige verschil is dat in de tijd van Bomans schrijvers blijkbaar BN-er konden zijn. Dat is niet meer zo. Of gold Bomans in zijn tijd ook als de uitzondering: de schrijver die wél op tv mocht komen omdat hij niet saai over zoiets als 'literaire verbeelding' wil praten?

vrijdag 9 september 2016

Wordt Viktor Frölke binnenkort ontslagen om wat hij schrijft over Arie Storm?

'De gesp van de flap van mijn fietstas komt tussen de ketting, als ik hem eruit trek, zitten mijn handen onder het smeer. Ik denk: ha, een mooie smoes om bij Arie Storm aan te bellen, de meest gevreesde criticus van Amsterdam en omstreken, of ik mijn handjes mag wassen. Kan ik mooi Storm heiligdommetje checken. Misschien dat ik dan toch even over de rand van de wc-bril pies, omdat hij mijn laatste roman heeft genegeerd.
Maar als ik voor zijn huis sta, trek ik een roze briefje uit mijn tas met daarop Arie Storm schrijver).
Op de achterkant: Paps en mans.
Poststempel Zwolle.
Ik ben geroerd.'
(Uit: Viktor Frölke, Dagboek van een postbode, p. 36)

Wat een eerlijk verslag. Dat dacht ik toen ik Viktor Frölkes Dagboek van een postbode las. Hij schaamt zich voor zijn falen als romanschrijver waarmee hij iedere dag dat hij in PostNL-tenue over straat loopt, te koop loopt. Hij schroomt niet om over de bekende namen te schrijven bij wie hij post bezorgt – onder wie auteur Arie Storm en 'happy hooker' Xaviera Hollander. Maar ook bekent hij weleens post te ontvreemden. En niet altijd alles te bezorgen. Hij spaart niemand en zeker zichzelf niet. Het kon dus niet anders, dacht ik, of het dagboek zou eindigen met zijn afscheid als postbode. Quod non. Hij kan ondanks het niet-terugvorderbaar voorschot dat hij voor dit dagboek kreeg niet zonder de schamele inkomsten, schrijft hij in zijn nawoord. Ik ben dus benieuwd of hij binnenkort ontslagen wordt, als zijn bazen dit boek lezen. En dat zullen ze zeker doen.

UPDATE 3 oktober: De postbode is op non-actief gesteld, schrijft hij hier.

dinsdag 29 december 2015

Karl Ove Knausgård, 'Vrouw' en mijn top 10 van 2015

'En dan was de kunst de enige plek die overbleef waar je nog enige levensernst kon vinden. Het enige wat ik daarin zocht, was levensvervulling. Schoonheid en levensvervulling. Soms vond ik dat ook en dan nam het totaal bezit van me, maar het leidde nergens toe, leverde niets op, was misschien slechts een ontlading van een overspannen ziel, kleine lichtflitsen in het duister van het gemoed.'
(Uit: Vrouw, Karl Ove Knausgård)

Herkenbaar. Zoals zo veel (maar lang niet alles) uit de zesdelige romancyclus Mijn strijd. Soms lees ik een boek, fictie of non-fictie, dat me zo grijpt dat het me verzoent met het bestaan. Boeken zoals sommige delen van Knausgård, ja. En tegelijk vraag ik me ook af: waar leidt het toe? Met lezen produceer je niets. Je laat er niets blijvends mee achter. Over een jaar of wat kan ik me nauwelijks herinneren wat er in een boek stond. Het is dat ik met lezen een deel van mijn brood verdien. Daarmee kan ik het altijd weer rechtvaardigen als al dat lezen me opeens ijdel escapisme lijkt.
Ook als ik een jaarlijstje maak, vraag ik me weleens af wat dat lezen me doet. Zeker, ik heb veel boeken gelezen waarvan ik heb genoten. Maar wat waren nou de boeken die er echt uitsprongen? Die me zo omverbliezen dat ik niet anders kan dan er jarenlang van te getuigen? Kortom: hoe groot is het percentage boeken dat ik lees dat ik niet had kunnen missen? Dat het er niet meer zijn kan me licht bedroeven. Met nadruk op: licht. De meeste titels in het lijstje hieronder had ik dus best kunnen vervangen door een aardige handvol andere titels die ik ook goed vond.
Eerst enige statistiek. Ik heb iets meer dan 135 boeken gelezen dit jaar. Dat zijn er veel minder dan vorig jaar, maar ik heb zeker niet minder gelezen (nou ja, een fractie), dus dat kan alleen maar betekenen dat ik dikkere boeken heb gelezen. Volgens mijn gegevens was de gemiddelde dikte vorig jaar 228 bladzijden per boek. Dit jaar is dat 261. Nooit eerder las ik in een jaar gemiddeld zulke dikke boeken. Het dikste boek dat ik dit jaar las was – daar is-ie weer – Vrouw van Karl Ove Knausgård (1075 bladzijden), maar ook De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, het tweede deel van Otterspeers Hermans-biografie en het eerste deel van De Thibaults van Roger Martin du Gard tikten aan.

Mijn top 10 van dit jaar is (in alfabetische volgorde):
Jonge gasten - Colin Barrett
Donker ligt het eiland - Kevin Barry
Compassie - Stephan Enter
Een handvol sneeuw- Jenny Erpenbeck
De Thibaults (deel 1) - Roger Martin du Gard
Wat we zien als welezen - Peter Mendelsund
Een honger - Jamal Ouariachi
Muidhond - Inge Schilperoord
Dertig dagen - Annelies Verbeke

Nee, Vrouw staat er niet bij. Ik heb het met plezier gelezen, maar het komt wel over als een nogal lang uitgevallen voetnoot bij de eerste vijf delen van de cyclus. Knausgård schrijft over de reacties op zijn boeken: zijn boze oom, het hernieuwde contact met een jeugdvriend, de vijandige Noorse pers, de ineenstorting van zijn vrouw, de plotse welstand. Hij schrijft over het schrijven van dit boek. Hij overpeinst hoe zijn kinderen de romans later zullen waarderen. Ook het vierhonderd pagina's tellende essay is, welke kant op het ook uitwaaiert, in alle opzichten een reflectie op wat hij zélf heeft gedaan met dit romanproject. Alles bij elkaar mist het boek een échte focus op plotniveau. Vrouw is ook het enige deel van de cyclus dat niet los te lezen is.

Zie ook:

maandag 30 november 2015

Ik kom terug: Natuurlijk legt moeder-Van Dis de uitgelezen boeken op de stapel KW

'Maar wat deed dat vele lezen met haar? Terwijl ik De bekentenissen van Zeno alleen maar rokend had kunnen lezen of me om het hoofdstuk moest afrukken bij Ik Jan Cremer, legde zij een roman na lezing onbewogen op de stapel KW – Kan Weg.'
(Uit: Ik kom terug, Adriaan van Dis, p. 72)

Adriaan van Dis' moeder, dat wil zeggen: de moeder die hij presenteert in zijn Libris-winnende roman Ik kom terug, hield van lezen. Haar hele leven lang. Drie à vier boeken per week, de een na de ander. Als moeder en zoon begin jaren zestig tegelijk in de huiskamer lazen 'haalde zij makkelijk zestig bladzijden per uur. Ik sukkelde tegen de twintig.' Maar ja – zie het bovenstaande citaat – wat deed het met haar?
De suggestie is dat de moeder, anders dan de latere schrijver zelf, alleen maar las om de tijd te doden. Of op zijn best om escapistische redenen. De voorliefde voor esoterie doet ook vermoeden dat ze het genot van een literaire sensatie niet kende. 'Als een detective te spannend werd', staat er ook nog, 'legde ze hem weg om de zenuwen met een ernstiger boek af te koelen.'
Maar Van Dis' moeder was gewoon ouder. Welke vijftigplusser voelt nog de behoefte te kettingroken bij een meeslepend boek? Om zich af te rukken bij een seksueel opwindend boek? Als je zelf nog een tiener bent snap je dat niet.
Ikzelf behoor nog niet tot die leeftijdscategorie, maar ik merk wel hoe makkelijk ik tegenwoordig een boek na lezing onbewogen op de stapel KW leg – Kan Weg. Mijn boekenkast is vol, waarom zou ik ruimte maken voor een roman die 'best aardig' was? Alleen boeken van een auteur die ik volg mogen in de kast. En boeken ja die me echt iets doen. Maar die worden steeds zeldzamer.
 Later in Ik kom terug blijkt dat deze theorie inderdaad voor Van Dis' moeder opgaat. In Indië, vertelt ze op p. 190, leende de officiersvrouwen elkaar 'gesuikerde verhalen over kleuterjuffrouwen die met rijke planters trouwden'. Een boek als Rubber van Madelon Székely-Lulofs hield ze voor zichzelf. Zulke schandalige romans, die het leven van de planters eerlijk beschreven, durfde ze niet uit te lenen.
Ze wist dus echt wel onderscheid te maken tussen goede literatuur en flutboeken.

Zie ook:
- De 'gevreesde' schrijver van Thomas Verbogt
- Niña Weijers in 'De consequenties' over literatuurliefhebbers

donderdag 15 oktober 2015

De 'gevreesde' schrijver van Thomas Verbogt

In Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt herinnert de hoofdpersoon zich tijdens een wandeling door Nijmegen een opmerking van zijn beste vriend. Hij wacht buiten voor de etalage van een boekhandel op zijn vriendin, de etalage is bijna geheel gevuld met exemplaren van een nieuw boek van 'een Nederlandse auteur die bijna iedereen "gevreesd" noemt'. Het is dat 'gevreesd', waar het om gaat.

...een woord waar ik met Bart hartelijk om kan lachen. 'Meneer is gevreesd. Je zult dat maar als doel in je leven hebben. En iedereen praat elkaar plechtig na als het over hem gaat. O, o, wat is hij gevreesd.'

In eerste instantie – merkte ik – ben je geneigd daarmee in te stemmen. Natuurlijk, wie zou willen schrijven om gevreesd te zijn, besteed toch je energie aan een goed boek. Later dacht ik: waarom niet? Zeker als een schrijver polemisch van aard is – een soort dat met W.F. Hermans, want om hem gaat het vermoedelijk, allerminst is uitgestorven. Dan moet 'gevreesd' zijn het hoogste doel zijn.
Waarom? Alleen als je aanvallen doel treffen, kun je gevreesd zijn. En hoe kwaadaardig en venijnig je ook bent, alleen als je aanvallen echt spitsvondig, treffend, kortom goed opgeschreven zijn, zijn ze doeltreffend. Wie slecht schrijft, kan polemiseren en beledigen wat hij wil, hij zal worden genegeerd of worden weggezet als een gefrustreerd mannetje dat denkt het nodig te hebben zich tegen iedereen af te zetten om gezien te worden. Wie slecht schrijft, wordt genegeerd.
Kortom: 'gevreesd' genoemd worden kan voor sommige schrijvers wel degelijk gelden als de kroon op hun werk.

Ik zal Verbogt er niet op aanvallen. Zijn personages zijn tenslotte bijna of net twintig als deze scène zich afspeelt. Wat weten zij ervan? Al denk ik niet dat Verbogt er inmiddels anders over is gaan denken. Dat valt gemakkelijk af te leiden uit Als de winter voorbij is, waarin de sterk op de auteur lijkende hoofdpersoon op zijn zestigste eindelijk ontdekt hoe hij zich blijvend kan verbinden met een ander mens. Lees het maar. 

zondag 15 februari 2015

De link tussen 'Achternamiddagen' en 'De linkshandigen' van Christiaan Weijts

'In Logboek van Harry Mulisch staat terloops deze anekdote: je raakt je linker handschoen kwijt, gooit dan de rechter ook maar weg, maar dan vind je even later alsnog die linker terug, een vondst die juist een veel pijnlijker verlies is.'

Dit citaat vond ik terug in de essaybundel Achternamiddagen van Christiaan Weijts, die de anekdote geeft als voorbeeld van een moment van onverwacht ongeluk. Hij moet inspirerend hebben gewerkt. Want wat gebeurt er in De linkshandigen, Weijts' vijfde roman die een half jaar later verscheen? Dit zijn de eerste zinnen:
'Simon Sinkelberg vindt zijn schoen terug op de zondag dat hij ontslag neemt bij de krant. Het is de rechterhelft van een veel te duur paar, Italiaans kalfsleer, dat hij ooit voor het huwelijk van zijn zus kocht (...). Een jaar geleden was de schoen ineens verdwenen. Op het rekje onder de kapstok stond het linker exemplaar in zijn eentje te glimmen, elke dag opnieuw, steeds vileiner.'
Weijts interpretatie van Mulisch' anekdote zet de lezer op het spoor van wat hij in zijn roman wil zeggen: het 'pijnlijker verlies'. De linkerschoen is Simons zus, waar de opening expliciet naar verwijst. Hij heeft haar verloren omdat haar werkgever haar de dood indreef. Maar in een poging haar terug te krijgen door wraak te nemen verliest Simon uiteindelijk de rechterhelft van het broer-zuspaar. Zichzelf, dus.

In Ons Erfdeel 2/2015 zal een bespreking van mijn staan van Achternamiddagen en De linkshandigen. Daar leg ik een fundamentelere link tussen beide boeken.

Zie ook:

maandag 15 december 2014

De invloed van zetters op de literatuur

'Zoals te zien is in een met de hand geschreven vroege versie van de bundel (…) was de slotregel [van Ida Gerhardts gedicht Psychè] oorspronkelijk niet voorzien van een afsluitende punt. Zo wilde zij de eindeloosheid van het luchtruim en van de vrijheid van vlinder en ziel aanschouwelijk maken. Maar omdat in de drukproeven steeds opnieuw een punt aan de regel werd toegevoegd door een zetter die op de automatische piloot handelde of dacht dat hij een fout moest herstellen, zag Ida zich genoodzaakt af te zien van dit open einde.'
(Uit: Mieke Koenen, Dwars tegen de keer. Het leven van Ida Gerhardt, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2014)

Zou een dergelijke opgedrongen fout in het digitale tijdperk nog mogelijk zijn?

Meer naar aanleiding van de Gerhardt-biografie: hier.

donderdag 11 december 2014

Schrijven is schrappen, kill your darlings

Mijn zoon, zo ge dichter wilt worden,
gewen uw pen om te delgen.

Hebt ge zeven woorden geschreven,
gij zult er zes met de ban slaan.

(Uit: 'Dichterspreuken I', Het sterreschip, Ida Gerhardt)

Schrijven is schrappen, zegt men kernachtig. Kill your darlings, om hedendaags te klinken. Maar je kunt deze clichés ook formuleren zoals Ida Gerhardt. Het nogal ouderwets aandoend gedicht, waarvan dit het begin is, laat zich niet makkelijk citeren als een welluidend gezegde. Toch gaat er een ongrijpbare magie van uit. Misschien wel door de strengheid: niet minder dan zes op zeven woorden dient met de ban te worden geslagen. Dus wie de pasklare schrijfwaarheid eens anders wil verwoorden, onthoude het.

PS. Ik kwam dit citaat tegen in de Gerhardt-biografie van Mieke Koenen die ik momenteel met veel plezier lees: Dwars tegen de keer. Op een zeldzaam afgewogen en genuanceerde manier brengt ze leven en werk met elkaar in een zinvol verband. En prettig geschreven bovendien.

Zie ook:

vrijdag 14 november 2014

Niña Weijers in 'De consequenties' over literatuurliefhebbers

'Haar agent, die een groot literatuurliefhebber was, had het boekje eens uit de kast getrokken en uitgeroepen dat het een zeldzame eerste druk was.'
(uit: Niña Weijers, De consequenties)

Deze opmerking gaat over Slaughterhouse-Five van Kurt Vonnegut, maar dat doet er in dit verband niet toe. Het gaat erom dat het personage van literatuur houdt en dús waarde hecht aan het feit dat een roman een eerste druk is. Sterker nog: dat die eerste druk – uit 1969 – zeldzaam is. Hij is zo opgewonden dat hij dat niet vertelt aan de hoofdpersoon, nee: hij 'roept het uit'.
Zo iemand zou ik geen literatuurliefhebber noemen. Een literatuurliefhebber gaat het om de tekst – die even ontregelend, ontroerend, indrukwekkend, balsemend etc. is in de 23e druk. Zo iemand zou ik eerder een bibliofiel noemen: iemand die in de eerste plaats hecht aan het fysieke object – en dan niet eens aan de fraaie vormgeving ervan, maar aan de zeldzaamheid en de verzamelwaarde. Een literatuurliefhebber heeft een bibliotheek omdat de teksten hem dierbaar zijn, een bibliofiel om ermee te pronken. Een literatuurliefhebber leest – zo veel als zijn dagelijkse verplichtingen hem toelaten. Een bibliofiel leest niet. Hij voelt er althans weinig noodzaak toe.
Er zullen ongetwijfeld mensen bestaan die literatuurliefhebber en bibliofiel tegelijk zijn. Voor mij geldt dat niet, dat laat zich na bovenstaande makkelijk raden. Ik vind het leuk om enkele bijzondere en waardevolle edities te hebben: Het zesde jaar van Gerard Reve, Figuranten en Tirza van Arnon Grunberg met handtekening op de dag van verschijnen. Maar het kan me niet echt schelen. Ik voel geen drang om bibliofiele uitgaven te verzamelen. Het woord zegt het al. Ik bezit net zo lief boeken die met honderdduizend exemplaren tegelijk gedrukt zijn, maar die ik toevallig zeer de moeite van het lezen waard vond.
En zo bijzonder kan de eerste druk van Slaughterhouse-Five trouwens niet zijn. Bij Abebooks had ik hem kunnen krijgen voor 22,50 dollar. Exclusief verzendkosten.

PS. Dit neemt niet weg dat De consequenties een goede roman is die ik met groot genoegen heb gelezen. Weijers krijgt een plaats in mijn boekenkast. Toepasselijk naast Christiaan Weijts. Ze deelt zijn levendige, soepele, idiomatisch rijke stijl die niet de nadruk op zichzelf legt, maar erg prettig leest. Ook heeft hun werk allebei een essayistischer inslag. Weijts is kaleidoscopiser, Weijers focust meer op een thema – in het geval van haar debuutroman: identiteit, de verhouding tussen vrije wil en voorbestemming, kunst. Het maakt De consequenties ook tot een roman die uitnodigt tot diepgravende essays en studies. De vraag naar de betekenis van de herhaalde verwijzing naar Slaughterhouse-Five zou bijvoorbeeld in essay kunnen worden beantwoord.

Zie ook:

maandag 24 maart 2014

Coetzee over de toon van een boek

'In je laatste brief borduur je voort op de discussie over fictieve ruimten en vraag je wat ik voor mijn innerlijk oog zie als ik in een boek lees dat er een oude vrouw was die met haar dochter in een hut aan de rand van het bos woonde. Vergeleken met jou lijk ik over een nogal schamele visuele verbeelding te beschikken. Tijdens het normale leesproces "zie" ik volgens mij helemaal niets. Pas wanneer jij langskomt en een verslag eist, begin ik voor mijn geestesoog retrospectief een rudimentaire oude vrouw, en een dochter, en een hut, een bos in elkaar te knutselen.
Waar ik over lijk te beschikken, in plaats van een visueel voorstellingsvermogen, is iets wat ik vagelijk een aura of tonaliteit noem. Als mijn gedachten teruggaan naar een bepaald boek dat ik ken, lijk ik een uniek aura op te roepen, dat ik natuurlijk niet onder woorden kan brengen zonder het boek in feite te herschrijven.'
(J.M. Coetzee aan Paul Auster in hun correspondentie Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011)

Ik ben dus niet de enige. Ik zou niet durven beweren dat ik het lezen van een boek op dezelfde manier onderga als Coetzee. Maar: een toon – dat is wat ik ervaar, dat is wat me van een boek het meest blijf hangen.

Zie ook hier wat ik schreef naar aanleiding van Trein met vertraging van Christophe van Gerrewey.

donderdag 13 februari 2014

Uitgeverspraktijken: Over het uitgeven van verzamelbundels

Het is goed te begrijpen dat Campert zijn columns bundelt. Niet iedereen leest de Volkskrant, waar ze in staan. Ik niet tenminste. En ze zijn fascinerend genoeg om langer mee te gaan dan dat ene weekend voor de krant in de oud-papierbak verdwijnt. Maar waarom worden die columns onbewerkt op de markt gebracht? Kaftje ertussen en klaar?
In een column uit Te vroeg in het seizoen schreef Campert over zijn herinneringen aan een reis naar Java, waarin hij kennismaakte met 'de omvangrijkste toneelspeler uit mijn heugenis'. De volgende aflevering besloot met dit ps:

Ik veroorloof mij een kleine correctie. Het onderschrift bij de foto in de column van vorige week moet luiden: 'Campert, Ida en Rendra. Uiterst rechts de vadsige auteur'

Waarom is dat niet geschrapt? In de bundeling staan geen foto's. Ook deze niet. Dus dat ps slaat nergens meer op. Dat het er toch staat is storend. En – denk je dan al snel – een teken van de liefdeloosheid waarmee uitgevers sommige boekjes op de markt brengen. Al ben ik de eerste om dat tegen te spreken, mocht dat niet het geval zijn.

Nog meer uitgeverspraktijken:
- De uitgevers van Jannah Loontjes
- Mondriaan is niet zo moeilijk te vinden
- Over het lezen van ongecorrigeerde drukproeven
- Luis Fernando Verissimo: afgewezen auteur neemt wraak

woensdag 12 februari 2014

Waarom raken schrijvers over hun hoogtepunt? Aldus Remco Campert

In zijn columns bekent Remco Campert wel vaker dat hij niet altijd weet wat hij moet schrijven. In de nieuwe bundeling van columns, Te vroeg in het seizoen, doet hij dat ook. Zo schrijft hij in 'Zomaar':

Waarom hechtte ik er eigenlijk zo'n waarde aan om 'zomaar iets' te kunnen opschrijven? Is het niet veel beter om van tevoren heel goed te weten wat je op wilt schrijven? Ja, maar ik wilde mezelf altijd zo graag verrassen. Waar haalde ik het vandaan? De bron leek onuitputtelijk en is dat misschien nog. Ik schrijf al erg lang en mogelijk is de bron daardoor verstopt geraakt met wat ik al eerder schreef. Die massa drukt het frisse zomaar schrijven naar de bodem.

Dat is een interessante verklaring voor het feit dat schrijvers, meestal al na hun vijfveertigste, over hun top zijn. Tot nu toe hield ik het bij de verklaring van Orhan Pamuk dat schrijvers op een gegeven moment te zelfverzekerd zijn en ze daarom slechter luisteren naar hun interne criticus (hem ooit horen vertellen in een tv-interview), maar die van Campert is natuurlijk veel poëtischer en mooier.

Zie ook:
- interview met Remco Campert
- Campert over zijn eenmanszaak

zaterdag 25 januari 2014

Het slechte proza van Merijn de Boer

In De nacht van Merijn de Boer krijgt de verteller een slecht boek in handen.

‘Ik las de achterflap. Het ging om twee lesbische literatuuronderzoekers, de een zestig, de ander achttien, die in de Bodleian Library op een geheimzinnig manuscript stuitten, dat hen in conflict bracht met een malafide mensenrechtenorganisatie in Guatemala. "Raiders of the Lost Ark meets The Brontë Sisters" stond er in vette rode letters boven de inhoudsbeschrijving. Het boek was slecht en liefdevol geschreven, was mijn indruk, en de twee zinnen die ik onder ogen nam waren nagenoeg onleesbaar. In de ene stonden meer dan dertien werkwoorden en slechts twee of drie zelfstandige naamwoorden, in de andere was het andersom.’

Schitterend gevonden: dat voorbeeld van slecht proza. Maar wat zou ik graag die twee zinnen lezen. Omdat Merijn ze zelf niet heeft geschreven, hebben we – Merijn en ik dus – er een prijsvraag over uit geschreven. Wie o wie schrijft de twee mooie, goed leesbare en grammaticaal correcte zinnen? Mail je oplossingen voor 1 maart naar mdessing@yahoo.com en maak kans op een gesigneerd exemplaar van De nacht. De prijsuitreiking vindt op 9 maart plaats bij boekhandel Blokker in Heemstede, waar Merijn en ik die dag allebei optreden tijdens de Boekenweekmiddag.

Zie hier een bespreking van De nacht – ofwel: het goede proze van Merijn de Boer.

dinsdag 21 januari 2014

Maartje Wortel, 'IJstijd' - wat is het ware verhaal?

‘[De redactrice] heeft me eens gezegd dat schrijvers die opschrijven wat ze zelf willen zichzelf in de vingers snijden. Ze heeft gezegd dat een schrijver niet moet opschrijven wat hij zelf wil, maar wat de mensen willen, en de mensen willen de waarheid. Met de waarheid bedoelt ze: waargebeurde verhalen.’
(uit: IJstijd van Maartje Wortel)

James Dillard is de hoofdpersoon van IJstijd, de tweede roman van Maartje Wortel. Op een dag wordt hij in zijn hotel gebeld door een redactrice van een uitgeverij. Of hij een boek wil schrijven? Hij heeft nooit literatuur geschreven. Hij heeft ook nooit de aandrang gevoeld. Hij consumeert alleen maar literatuur. Maar de redactrice vraagt of alle verhalen over hem waar zijn. En ja, die verhalen zijn waar. Dus moet James Dillard ze van haar opschrijven.
Dit gegeven is voor Wortel aanleiding om de spot te drijven met het uitgeefvak, dat volgens haar boven alles commercieel is. Het is een vak dat wordt bevolkt door types die het slijmen en likken – van auteurs en boekhandelaren tot critici en wie ze nog meer voor hun karretje moeten spannen – tot hoogste kunst hebben verheven, maar die ondertussen genadeloos de hoogst mogelijke omzet najagen. Wat nou cultureel belang.
Daar zit een kern van waarheid in. Uitgevers hebben altijd het hoogste woord over het belang van de auteur, het maken van mooie boeken, etc. Daar zit óók een kern van waarheid in. Maar de andere kant, zoals belicht door Wortel, vertellen ze niet. Zeker als het om een B- of C-auteur gaat zullen ze alles doen om diens werk zo te kneden dat de potentie ervan wordt gemaximaliseerd. De uitgeverij moet tenslotte ook blijven voortbestaan.
Het loopt dan ook spaak tussen James Dillard en zijn redactrice. Als hij twee verhalen heeft geschreven, die Wortels literaire held Chuck Palahniuk geweldig vind, wijst de redactrice ze af. Zij wil liever teksten zoals Dillard in de begeleidende e-mail schreef. Daar ging hij wél in op zijn mislukte relatie met aan eetstoornissen lijdende Marie. Dat is Dillards ‘ware verhaal’, geschreven met een authentieke pen, waar de redactrice op uit is.
Maar geprikkeld door het onverwachte aanbod van de redactrice komt Dillard tenminste tot schrijven. Zo ontdekt hij dat het opschrijven van wat voor hemzelf het ‘ware verhaal’ is – ook al is dat volledig verzonnen – hem in staat stelt om zich uit de lethargie te werken, waarin hij door zijn afwezige vader, zakelijke moeder, immense rijkdom én mislukte relatie met Marie steeds dieper in is gezakt. Schrijven doet hem beseffen dat hij iets kan.
Graag zou ik dan ook de twee verhalen van Dillard lezen. In IJstijd noemt Wortel alleen de titels: ‘Het flatgebouw’ en ‘Zwarte koffie’. Wie weet publiceert ze die twee ooit nog.

Zie ook:
- Interview: Maartje Wortel over haar debuut

dinsdag 5 november 2013

Lezen of leven – Cees Nooteboom geeft zijn visie


Lezen of leven? Een tijdje terug beweerde ik in een sms-discussie met een vriend, enigszins koket, dat het eerste verreweg te prefereren was. Bovendien, als je zoals ik niets liever doet dan lezen, dan is zo veel mogelijk lezen vanzelfsprekend de beste manier om te leven. De vriend vond het onzin: hoewel ook hij graag leest, gaat zijn voorkeur uit naar zelf leven. Gechargeerd gezegd: hoe goed iemand als Patrick Modiano ook schrijft, je kind helpen zijn billen af te vegen, dát is het waardevolst.
Toen las ik onlangs in Met lopen nooit meer opgehouden, het interviewboek van Piet Piryns met Cees Nooteboom, de schrijver het volgende vertellen:

“Mijn droom is toch ergens een huis buiten, met een knapperend haardvuur, en dan achter elkaar de hele Proust herlezen en ook de negen delen Saint-Simon, en Chateaubriand – om maar eens ergens te beginnen. Aan de andere kant is er de angstaanjagende gedachte om tijd van jezelf te stelen en het leven alleen maar te consumeren. In de buurt van mijn Amsterdamse huis ken ik zo’n oude man, die altijd op de sofa zit te lezen, met twee of drie boeken om zich heen. Kom ik na zes maanden weer langs, zit hij daar nog. Hij doet mij op de een of andere manier denken aan de kat in ons huis op Menorca. Als wij op het einde van de zomer als verraders afscheid nemen, laten we tweehonderd blikken kattenvoer achter, die door de buurvrouw keurig zullen worden verstrekt. Die gaan er allemaal van voren in en komen er van achteren weer uit. Zo is het met boeken ook een beetje.”

Ja, dacht ik. Lezen is één ding, maar als je alleen maar leest om het lezen, voelt het weinig zinvol. Zeker als je bedenkt hoe weinig je, al na twee jaar, van een boek hebt onthouden. Je moet iets met het lezen doen. De auteur ervan interviewen. Een recensie erover schrijven. Als lector voor een uitgeverij je mening erover geven. Een boek als De boekenapotheek maken. In een jury van een literaire prijs je oordeel vellen. Alleen dan geeft lezen de indruk van een welbesteed leven. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik dat tot op heden heb kunnen doen.

donderdag 13 juni 2013

De dames van Renate Dorresteins leesclub ontmoeten hun favoriete schrijver

'Voor elke nieuwe roman schafte hij zoals bekend een half dozijn nieuwe Italiaanse schoenen aan. Hij liet de muren van zijn werkkamer met vers dik, donkergroen vilt bekleden. Hij sleep zijn befaamde dartpijltjes, waarmee hij zijn bierviltjes met aantekeningen aan de muur nagelde, per roman achtennegentig stuks, niet meer en niet minder, want van helder denken krijg je heldere boeken. En in het geval van een naderend writer's block gewoon rustig door de neus blijven ademhalen, met hoofd tussen de knieën. Daar kon menig debutant nog wat van opsteken.'
(Uit: De leesclub, Renate Dorrestein, 2010)

De leesclub kreeg drie jaar geleden een minder dan juichende ontvangst, als ik het me wel herinner. Toch vond (vind) ik het verhaal over een leesclub van zeven 'middelbare mutsen' die een cruis boekt geleid door hun favoriete auteur, een aardige satire, juist omdat het over schrijvers en literatuur gaat. Dorrestein heeft haar successchrijver gemodelleerd naar tal van bekende auteurs. Dat prikkelt mij om alle verwijzingen te raden. Helaas niet altijd met succes: naar welke auteur verwijst bovenstaande? Geen idee. In ieder geval is duidelijk dat als het naar Dorrestein zelf verwijst - wat ik overigens niet denk - ze nu niet meer zo luchtig zal doen over een writer's block. Zie hier.

Ook een mooie uitspraak uit De leesclub is deze: 'Al Gods schepselen moet sterven. Maar we waren pas halverwege de Russische Bibliotheek.' Kan iedere fervente lezer herhalen op zijn sterfbed (moge dat moment nog lang op zich laten wachten).

Zie ook:
- Benali Boekt toont aan hoe moeilijk literatuur op tv is

donderdag 23 mei 2013

Heinrich Heine: Schrijven ezels geen kritieken?

De beer Atta Troll neemt het in het gelijknamige gedicht van Heinrich Heine op voor de dieren. De mensen claimen privileges. Ze stellen zich op boven de dieren. Waarom? De intelligentie van dieren is minstens zo groot. Er zijn paarden die foutloos kunnen tellen als kassiers. Er zijn hazen die heel ritmisch met hun poot slaan. Bevers zijn meester in de waterbouwkunde. De ooievaar is de ontdekker van de klysma. En dan: ezels schrijven kritieken.
De rede uit de jaren 1840 zou in deze eeuw goed kunnen dienen als een bloedserieus pleidooi van de Partij van de Dieren, maar ik heb er vooral om moeten lachen. Vooral die laatste toevoeging is amusant. Omdat je niet verwacht dat Heine opeens vanuit zijn eigen perspectief redeneert, komt de lof op de ezels onverwacht. Even later doet hij het nog een keer als hij de beer laat zeggen dat zijn collega Ferdinand Freiligrath kan dichten. Alsof die vergeten poëet ook een dier is.
Ik vroeg me wel af: sinds wanneer worden critici met ezels - of andere spreekwoordelijk domme dieren - vergeleken? Ongetwijfeld vanaf het verschijnen van de eerste kritieken. Maar wie maakte als eerste die vergelijking?

Zie ook:
- Ilja Leonard Pfeijffer over recensenten
- Joost Nijsen over het bluffen van uitgevers en juryleden

woensdag 13 maart 2013

Kees van Kooten prijst Peter Buwalda aan


Kees van Kooten beklaagt zich in het Boekenweekgeschenk De verrekijker erover dat iedereen in de trein tegenwoordig van een scherm leest. Dan schrijft hij (op pagina 24/25):

Nooit meer [heeft u] die opwindende constatering dat een leuk mens tegenover u in de trein hetzelfde boek openslaat als waar u thuis in bezig bent, zodat u na een beleefd kuchje kunt opmerken dat het de eerste vijftig bladzijden even doorbijten is, maar wacht maar tot Siem Sigerius via zijn laptop op een pornosite zijn dochter Joni denkt te herkennen, want daarna kunt u dat meesterwerk niet meer wegleggen.

Wat zal het effect zijn van een dergelijke aanbeveling in een boek dat vanaf aanstaande zaterdag in circa 750.000 exemplaren wordt verspreid en, neem ik aan, door tenminste tien- en tienduizenden mensen wordt gelezen in de komende weken?
Toen De Wereld Draait Door ooit tien minuten fans liet uitleggen wat er zo geweldig is aan Bonita Avenue van Peter Buwalda, schoot het boek omhoog in de Bestseller 60. Is het Boekenweekgeschenk net zo invloedrijk?
Het is slim van Van Kooten dat hij wel iets over de inhoud zegt, maar titel noch auteur van het boek noemt, zodat de lezer die Buwalda nog niet kent, geprikkeld wordt die informatie te achterhalen. En als hij eenmaal die moeite heeft genomen, is beginnen aan het boek nog maar een kleine stap.

donderdag 14 februari 2013

Vanavond ben ik net een notaris (Hugo Claus)

Geloof het of niet, lief, maar vanavond
ben ik net een notaris
die door liefde aangeraakt
zich de pleuris schrikt.

(Uit: Je buik van pimpelmees. Een bloemlezing uit de liefdesgedichten van Hugo Claus door zijn weduwe Veerle Claus, De Bezige Bij, 2013)

Zie ook hier.

donderdag 6 december 2012

De Bad Sex Award 2012 gaat naar... Roel Smits

In Engeland ging de 20e Bad Sex Award deze week naar de Canadese Nancy Huston. In Nederland zou ik de prijs graag uitreiken aan Roel Smits voor de eerste pagina van hoofdstuk 7 uit zijn roman Ik ben de zoon van John Lennon. De hele pagina citeren gaat wat ver, omdat ik dan meer van het verhaal moet uitleggen en een hoop overbodige details moet overtikken, maar als ik de zinnen eruit licht die de daad zelf beschrijven, moge duidelijk zijn dat Smits zó plastisch en feitelijk is dat je vol walging je hoofd schudt. Hoe wanhopig moeten personages zijn willen ze op deze manier de liefde bedrijven?

'Ik sta op het punt mijn hospita binnen te glijden. In technische zin is er nog geen sprake van overspel – de gebeurtenissen tot nu toe kunnen worden afgedaan als een misverstand.'

'Terwijl mijn pik zoekt naar Maggies opening (ik lig bovenop, zij kijkt me aan en herhaalt mijn naam (...)) vraag ik me af hoe bewust deze vrouw was van haar verleidingsstrategieën.'

'Hij zit erin. Ik ben erin geslaagd Maggies ingang te vinden en mijn geslachtsdeel naar binnen te schuiven, en ik realiseer me heel scherp dat ik nu officieel overspel pleeg.'