Posts tonen met het label boekenmusea. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boekenmusea. Alle posts tonen

woensdag 7 september 2016

Gouden Ganzenveer 2002-2016 – mijn werk geëxposeerd in Amsterdam

Sinds gisteren is het zover. Bijzondere Collecties, de erfgoedbibliotheek van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, toont de vijftien publicaties die sinds 2002 jaarlijks zijn gemaakt over de laureaten van de Gouden Ganzenveer. Aanvankelijk werd ieder jaar een andere toonaangevende vormgever gevraagd. Sinds 2007 ontwierp Piet Gerards Ontwerpers de uitgave. Dat betekent dat het boekje dat is gewijd aan Xandra Schutte, de laureaat van dit jaar, de tiende is die hij heeft gemaakt.
Het dubbele jubileum van vijftien jaar Gouden Ganzenveer-boekjes en tien jaar ontwerp door Piet Gerards is aanleiding voor de expositie. Ik heb er niets mee te maken. Maar het voelt wel degelijk als een expositie van mijn werk. Ik heb elf van de vijftien boekjes geschreven en geredigeerd. En ik heb – vanzelfsprekend, zou ik zeggen – de tentoonstellingsteksten geschreven.

De kleine expositie is nog tot en met 18 september te zien op de Oude Turfmarkt 129 in Amsterdam. Zie www.bijzonderecollecties.nl.

vrijdag 1 april 2016

Zachtjes ratelen de personages van Flaubert in Ry (BOEK)

Nergens wordt Gustave Flaubert zo geëerd als in het dorpje dat claimt model te hebben gestaan voor Madame Bovary. Maar wie de parafernalia uit zijn leven wil zien, moet naar Rouen, de stad waar hij vrijwel zijn hele leven woonde.
De groentezaak op de Grand Rue in Ry, vijfentwintig kilometer ten noordoosten van Rouen, heet Au Marché d’Emma, de Bar Tabac Le Flaubert en het restaurant, er recht tegenover, Le Bovary. Een fourniturenzaak, blijkens een klein houten bordje gevestigd in het pand waar ooit het kantoor van Homais zat – de toch echt aan de verbeelding van Flaubert ontsprongen apotheker – verkoopt parfums, babykleertjes, tassen, make-up en naaibenodigdheden onder de naam Emma.
Bijna alle middenstanders in het Normandische dorp – 687 inwoners groot – hebben voor hun inspiratie uit dezelfde bron geput. Gustave Flaubert (1821-1880) en Madame Bovary, zijn beroemdste roman. Toen uit de aantekeningen en kladversies in zijn nalatenschap bleek dat de schrijver zich had gebaseerd op het tragische levensverhaal van een van haar ingezetenen, heeft het dorp zich het boek toegeëigend.

Op de plaatselijke begraafplaats wordt ze sinds kort geëerd met een eigen gedenksteen: Delphine Delamare née Couturier. Net als Emma Bovary trouwde zij met een veel oudere dorpsdokter, had een aantal minnaars en pleegde uiteindelijk, teleurgesteld in het leven, in 1848 op 26-jarige leeftijd zelfmoord. Op dezelfde manier als Emma: door zichzelf te vergiftigen met arsenicum. Volgens tijdgenoten was ze een aantrekkelijke nymfomane met sproeten, blond haar, een zwaar accent en veel pretenties.
Zelf ontkende Flaubert zijn leven lang heftig dat dit verhaal model heeft gestaan voor zijn roman. Hij verkondigde het toen revolutionaire standpunt dat Madame Bovary een wereld op zich was. De stijl en niets dan de stijl was de drijvende kracht van het verhaal, herhaalde hij voortdurend. Als lezers zouden denken dat hij een geschiedenis navertelde, degradeerden ze de roman tot plat realisme.
Ry trekt zich daar tot op de dag van vandaag niets van aan. Steeds opnieuw heeft de gemeente manieren gevonden om hem te eren – en te onderstrepen dat Yonville l’Abbaye in werkelijkheid Ry was. Bij het office du tourisme is een plein naar hem genoemd. Er vlak naast memoreert een reliëfbeeld van Flauberts markante kop zijn bekendste werken. En in de omgeving kunnen automobilisten het zestig kilometer lange circuit Madame Bovary volgen langs de fictieve plaatsen uit de roman.
Hoogtepunt is de Galerie Bovary in het Musée d’Automates. In een oude, gerestaureerde ciderschuur staan honderden handgemaakte poppen die volautomatisch buigen, dansen, kussen, opstaan en weer gaan zitten. De hele begane grond is gewijd aan de roman. Zachtjes ratelend beelden de poppen alle cruciale scènes uit. Ook is het originele interieur van apotheek Jouanne nagebouwd, die Flaubert zijn Homais zou hebben ingegeven.
In het kleine museum kan iedere bezoeker aan Ry snel het plot van het verhaal leren kennen. Charles Bovary voert steeds opnieuw de mislukte horrelvoetoperatie uit die hem de hoon van zijn vrouw bezorgde. Emma, ook als pop bekoorlijk, danst op het bal in château La Vaubyessard dat haar deed verlangen naar de glamour. En natuurlijk de scène waarom de censor een verbod op de roman eiste: de buitenechtelijke vrijpartij in een koets. Vanachter het gordijntje steekt Emma extatische haar hand uit.

Hoe anders is de sfeer in Flauberts woonplaats. In Rouen is de schrijver maar een van de vele beroemdheden. En wat de stad betreft zeker niet de beroemdste. Langs de snelwegen naar Rouen staan, op beige borden met toeristische informatie, de getekende hoofden van Pierre Corneille en Jeanne d’Arc. Een enorm modernistisch monument op de Place du Vieux-Marché herinnert aan de plek waar zij werd verbrand.
Anders dan Ry is Flaubert weinig zichtbaar in deze stad. Een straat aan de rand van het centrum en een gloednieuwe brug over de Seine zijn naar hem vernoemd. In het centrum, op de Place des Carmes, staat een kopie van een standbeeld dat de stad vlak na Flauberts dood bij de indertijd beroemde Russische beeldhouwer Leopold Bernstamm bestelde – het origineel werd verwoest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar wie onvoorbereid naar de Normandische hoofdstad komt, ziet de schrijver makkelijk over het hoofd.
Toch telt Rouen twee – piepkleine – Flaubert-musea. Een in zijn geboortehuis en een in zijn sterfhuis.
Flaubert werd op 12 december 1821 om vier uur ’s ochtends geboren in de woning van het stedelijk ziekenhuis, waarvan zijn vader Achille-Cléophas directeur en chirurgien en chef was. Flaubert was het zesde kind van de arts, maar pas de tweede die niet stierf voor zijn eerste verjaardag. In dit rijke milieu groeide hij op tussen de lijken van de patiënten die zijn vader niet meer kon redde en honderden boeken.
Nu is één kleine vleugel van het gebouw, tegenwoordig regeringszetel van het departement Seine-Maritime, in gebruik als Musée Flaubert et d’historie de la médicine. Twee kamertjes zijn zo goed mogelijk heringericht als in Flauberts tijd. Het bed waarin hij geboren zou zijn, staat er. Een facsimile van zijn eerste publicatie in een lokale krant. En: de geliefde groene papegaai die de schrijver zelf had opgezet.

Andere memorabilia uit Flauberts leven – inktpotjes, een vergulde Boeddhabeeld,  een presse-papier van een kikker – zijn te zien in zijn sterfhuis. Althans, wat daarvan over is: een klein paviljoen aan de oever van de Seine, even buiten Rouen. Na zijn studiejaren in Parijs betrok hij in Croisset in 1844 het buitenhuis dat zijn vader een jaar eerder had aangekocht. Iedere zomer woonde en werkte hij hier aan zijn meesterwerken, zo afgezonderd dat hij al gauw ‘de kluizenaar van Croisset’ heette.
Gelegen aan een doorgaande weg en een spoorlijn maakt het wat vervallen huisje een treurige indruk. De schrijver was hier gelukkig. ‘Om één uur ’s ochtends in juli, bij het maanlicht, is dit een goede plek om naar de vissers op de Seine te kijken’, schreef hij over het paviljoen. Tegenwoordig moet de bezoeker dezelfde verbeeldingskracht hebben waarmee Flaubert Yonville-l’Abbaye tot leven wekte, om dat na te voelen.
(Eerder verschenen in BOEK 4, 2009)

Musée d’automates, Ry. Geopend dagelijks (behalve dinsdag) van 11-12 uur en 14.30-19 uur.
Musée Flaubert et d’histoire de la médicine, 51 rue Lecat, Rouen. Geopend van dinsdag tot en met zaterdag van 10-12 uur en 14-18 uur.
Musée Flaubert, Croisset. Geopend dagelijks (behalve dinsdag en woensdagochtend) van 10-12 uur en 14-18 uur.


Zie ook:

vrijdag 18 maart 2016

Museum der Letteren en Manuscripten is dus toch oplichterij

Het is dus inderdaad oplichterij, las ik gisteren bij de BBC. De Britse omroep noemt het zelfs 'one of the biggest ever art-market scams', waar 18.000 Fransen de dupe van zijn geworden.
Toen ik ooit, bijna vier jaar geleden alweer, het Museum der Letteren en Manuscripten in Brussel bezocht – een dependance van een gelijknamige museum in Parijs – vond ik het al een merkwaardig verhaal. De collectie van inmiddels 130.000 kattenbelletjes, notities, documenten en dergelijke van beroemde tot zeer beroemde mensen was bijeengebracht door de beleggingsmaatschappij annex antiquair Astrophil. Veel meer schreef ik er niet over. Herinneren wat ik precies vond toen ik de sites van museum en van Astrophil bestudeerde, weet ik niet. Maar vreemd vond ik wel. Of ik het ook niet vertrouwde, durf ik niet zeggen. Maar dat zou wel terecht zijn geweest.
Het businessmodel van Astrophil was simpel. Gerard Lheritier, de grote man achter het bedrijf, kocht manuscripten waarvan hij vervolgens aandelen in verkocht. Zo kon iedereen een stukje Proust bezitten. Of Calvijn. Of Lodewijk XIV, Markies de Sade, Jean-Baptiste Lully, wie maar je held was. En omdat de markt voor documenten steeg, werden de aandeelhouders een rendement van, zeg, 8 procent beloofd. Het stukje Proust zou binnen een jaar immers minstens zo veel in waarde stijgen.
Het probleem was: Lheritier kon die 8 procent alleen uitkeren als hij geld binnenkreeg van nieuwe investeerders. Immers, legt de BBC uit, als hij voor 50.0000 een Einstein-document kocht, verdeelde hij dat in 400 aandelen van 30.000 euro. Zo haalde hij een winst binnen van 11,5 miljoen euro waarmee hij iedereen zijn dividend kon betalen.
Daarmee is Astrophil dus een klassiek voorbeeld van een piramideschema. Ooit zou Lheritier op een grens stuiten. Gebrek aan aantrekkelijke nieuwe manuscripten om in te kopen. Een overvloed aan beleggers die hun geld terug wilden. Zoiets. En dan zou het hele systeem in elkaar klappen. Want als Lheritiet zijn Einstein-document had moeten verkopen om zijn beleggers te blijven betalen, dan zou blijken dat de waarde ervan niet was gestegen tot de 12 miljoen euro waar hij vanuit ging.
Alleen: het kwam nooit zo ver. De Franse jusititie kreeg vermoedens van de fraudeleuze aard van Astrophil en greep in, al zeker twee jaar geleden, nog voor – zegt Lheritiers advocaat – ook maar één belegger klaagde.
De musea in Brussel en Parijs zijn inmiddels gesloten.

Zie ook:
- Museum der Letteren en Manuscripten in Brussel

zaterdag 13 februari 2016

Letterkundig Museum lanceert online dependance: Literatuurmuseum.nl (Boekblad)

Het Letterkundig Museum in Den Haag heeft een online dependance geopend: op Literatuurmuseum.nl zijn bijzondere archiefstukken te zien – stuk voor stuk uitgelicht met lange achtergrondverhalen of columnachtige bespiegelingen.

'We hebben ontzettend veel archiefstukken', legt Tamara Woestenburg van het museum uit. 'Zeven kilometer of zo. Die ziet alleen nooit iemand. Het zit ook allemaal in dozen, er ís weinig leuks aan te zien. Maar als je bijvoorbeeld de scheepskoffer van Slauerhoff kan tonen, met alles wat daarin zit, heb je iets schitterends te bieden. Het museum zelf heeft beperkte ruimte, daarom tonen we het online.'
De bijzonderste verhaal gaat over de dia's die Willem Frederik Hermans maakte in Noorwegen, waar hij heen reisde met wetenschappelijk oogmerk maar waar hij vooral inspiratie opdeed voor Nooit meer slapen. Daarnaast zijn er verhalen over Remco Campert, J.J. Slauerhoff (de genoemde scheepskoffer), Charlotte Mutsaers en Fritzi Harmsen van Beek. Jongere auteurs als Christiaan Weijts, Maartje Wortel en Philip Huff schreven korte stukken bij archiefstukken.
Speciaal voor Literatuurmuseum.nl startte gisteren een experiment met Alma Mathijsen, Bregje Hofstede, Thomas Heerma van Voss en Walter van den Berg. Zij schrijven in dertig dagen een verhaal waarvan het ontstaan met tweets, video's en openbare conceptversies live te volgen is. De bedoeling is om zo in het digitale tijdperk vast te leggen hoe een schrijver werkt. De speciale laptoppen van de auteurs registeren ook alles wat zij doen.
'Wij breiden deze collectie in hoog tempo uit', zegt Woestenburg. 'Voor het eerste jaar staan twintig lange verhalen gepland plus twee columnachtige stukken per week. Juist door jonge curatoren te laten schrijven kun je aandacht genereren voor minder bekende archiefstukken – denk aan een prentenboek dat een verder weinig bekende illustratrice maakte in een kamp in Indonesië.' Ook is het bedoeling dat bezoekers zelf hun kennis inbrengen bij de getoonde documenten en objecten.
Het Letterkundig Museum probeert een koppeling te maken met het aanbod in de fysieke ruimte in Den Haag. Zo verwijst het verhaal over Fritzi Harmsen van Beek naar de expositie over deze dichteres die momenteel in het museum is te zien. Maar de bedoeling van de site is wel dat het een 'volledig zelfstandige en nieuwe manier van exposeren is', zegt directeur Aad Meinderts. Het is niet de bedoeling dat van ieder groot verhaal de objecten – zoals Hermans' dia's – tegelijk in het museum te zien zijn.
Literatuurmuseum.nl mikt op 100.000 bezoekers per jaar. De site wil dat mede halen door zich te richten op het onderwijs. Woestenburg: 'We willen educatieve stukken maken bij de stukken. Middelbare scholen moeten de site zeker kunnen vinden, dat is wel het doel. Verder zullen we via sociale media en andere kanalen zo veel mogelijk bezoek proberen te trekken. Men kan zich ook abonneren op een e-mailnieuwsbrief.'
Tegelijk moet de site het bezoek aan het museum – dat vorig jaar een recordaantal van 65.000 bezoekers trekt – stimuleren, zegt Meinderts. De combinatie moet elkaar versterken. 'Het bereik online is zo veel groter en zo veel duurzamer. Maar als je al die voorwerpen en handschriften ziet ontstaat bijna vanzelf de behoefte om, zeg, de jas van Campert in het echt te zien. Daar geloven wij echt in.
De site is een idee van het Letterkundig Museum en het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. Voor de ontwikkeling droegen het Mondriaan Fonds, het VSB Fonds en een derde fonds dat anoniem wil blijven bij. Voor het onderhoud en de aanvulling wil het Letterkundig Museum haar nieuwe dependance financieren vanuit haar lopende exploitatie. Dat staat in het beleidsplan voor de komende cultuurplanperiode 2017-2021, dat Meinderts onlangs heeft ingediend.
Tegelijk dient de digitalisering van de collectie voor Literatuurmuseum.nl een ander doel, zoals ook blijkt uit een stuk in NRC next van vandaag. Door de bezuinigingen heeft het Letterkundig Museum in 2013 de helft van haar wetenschappelijk personeel moeten ontslaan. Het archief – het enige letterkundige archief van Nederland – wordt daardoor onvoldoende beheerd en is minder toegankelijk voor onderzoekers.
Meinderts: 'Als museum moeten wij aan allerlei prestatie-eisen voldoen op het gebied van publieksbereik en percentage eigen inkomsten, wat dit jaar maar liefst bijna 40 % was. Die eisen behaal je niet met een archief. Dus wij zagen geen andere mogelijkheid dan de bezuinigingen op te vangen door op die afdeling te krimpen, ondanks dat wij een van de zes musea met een wetenschappelijk kerntaak zijn.'
Het museum vraagt nu 75.000 euro om de collectie te digitaliseren, zodat onderzoekers er toch mee aan de slag kunnen. En om het publiek er via crowdsourcing erbij te kunnen betrekken.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 9 feb)

Zie ook:

dinsdag 14 oktober 2014

Jubileumexpositie Behoud de Begeerte is een genoeglijk weerzien (Knack)

Gerrit Komrij! Hugo Claus! Tom Lanoye! Op de tentoonstelling in het Letterenhuis in Antwerpen over dertig jaar Behoud de Begeerte is hun geïnspireerde voordracht opnieuw te horen. Een waar genoegen.
  
Behoud de Begeerte is niet meer weg te denken uit het literaire landschap. De inleiding van de expositie over dertig jaar literaire programma's in het theater is helder. Wie er toch aan twijfelt, moet een paar ruimtes verder kijken. Op alle wanden, inclusief de vloer, wordt daar uitputtend verantwoord wat Behoud de Begeerte in drie decennia heeft neergezet. Alle auteurs die ooit optraden (honderden). Alle optredens in binnen- en buitenland (circa 1400). De inkomsten en uitgaven uitgesplitst naar jaar. De aantallen bezoekers die iedere voorstelling trok (gemiddeld 23.315 per jaar). Het wordt in extenso opgesomd. Het is bepaald indrukwekkend.
De in alle opzichten aantrekkelijke expositie concentreert zich op de voorstellingen die de multidisciplinaire kunstenorganisatie heeft georganiseerd. Aan de hand van posters, knipsels, reclamespotjes en natuurlijk video's wordt de herinnering aan bekende series als Geletterde mensen, Koningsblauw en Saint Amour tot leven gewekt. Hoewel de voorlezende dichters en romanciers soms wat hinderlijk door elkaar praten is het groot genoegen sommige hoogtepunten opnieuw te zien: de toespraak van Gerrit Komrij over de liefde, de voordragende Hugo Claus ('Nu nog') of het intieme optreden van Ramsey Nasr en Mauro Pawlowski.
Mooi aan de tentoonstelling is dat de grote man Luc Coorevits zichzelf niet op de voorgrond heeft gezet. Dat hij Behoud de Begeerte heeft opgericht wordt natuurlijk wel vermeld, maar je moet goed zoeken om een foto van hem te zien – en dan herken je hem alleen als je weet hoe hij eruit ziet. In de ruimte waarin de organisatie aandacht voor zichzelf vraagt, draait een video waarop iedereen over Behoud de Begeerte mag praten: de voorzitters, de kok (die naar het schijnt met alle ingrediënten ter wereld iets meer dan fatsoenlijks kan maken), de decorontwerper, de auteur Christophe Vekeman, de geluidsman, de vormgever. Maar niet Coorevits.
Helaas is het begeleidende boek van Matthijs de Ridder niet zo geslaagd als de tentoonstelling. Het idee is goed om niet te concentreren op de geschiedenis van Behoud de Begeerte, maar die in te bedden in een geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur in dezelfde periode. De organisatie opereert immers niet in een vacuüm. Coorevits en de zijnen reageren met hun programmering op wat er in de letteren gebeurt. De uitwerking is evenwel te weinig gedurfd. De Ridder stort zo'n grote hoeveelheid al te abstracte observaties en analyses over de lezer uit dat die, door de noodzakelijke beknoptheid, nauwelijks blijven hangen.
Als De Ridder zich beperkt tot een mini-essay over één boek, is hij helder. Maar zijn geschiedenis bevat te veel zinnen als deze: 'In meer of mindere mate geïnspireerd door wat de Amerikaanse auteur David Foster Wallace over de nefaste uitwerking van bepaalde vormen van ironie heeft geschreven, gingen schrijvers als Jeroen Mettes, Martijn Knol, Daniël Rovers, Christophe Van Gerrewey, Bouke Billiet, Sanneke van Hassel, Alex Boogers, Jannie Regnerus, Renée van Marissing, Aukelien Weverling en Wytske Versteeg op zoek naar een manier om op serieuze wijze een literaire vorm te geven aan het bestaan.' Wat wordt je daar wijzer van?
Daarbij zingen expositie en boek uitsluitend de loftrompet. Op de tentoonstelling maakt dat niet uit: daar ga je heen om de menukaartjes van de diners voor de optredende schrijvers te zien. De leporello waarop auteurs Coorevits bedanken voor hun deelname. Of de selfies plus geluidsfragment van een nieuwe schrijversgeneratie. Maar in het boek stoort de hagiografische toon. Steeds lees je weer over de successen van Behoud de Begeerte. Altijd waren er geweldige programma's, altijd volle zalen. Heeft de organisatie in drie decennia dan nooit een (artistieke) misser of (zakelijke) tegenvaller gekend?

* De expositie 'Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis 1984-2014' is nog tot en met 31 december te zien in het Letterenhuis, Minderbroederstraat 22, Antwerpen. Meer informatie: www.letterenhuis.be.

* Matthijs de Ridder, 'Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis 1984-2014', De Bezige Antwerpen, € 24,99.

zondag 21 september 2014

Zo lang Stefan Verwey erover tekent, blijft het boek bestaan (Knack)

Al twee decennia neemt Stefan Verwey met zijn literaire cartoons het boekenvak op de hak. De jubileumuitgave en tentoonstelling doen hopen dat de tekenaar nog twintig jaar doorgaat.

Neem deze cartoon. Een vrouw staat bij de informatiebalie in een druk warenhuis. De ene werkneemster zegt tegen de ander: 'Mevrouw vraagt naar de boekenafdeling. Hebben we die nog?' Of deze. Een sullige schrijver staat op het punt zijn handtekening in een boek te zetten. Zegt de vrouw voor wie hij het doet: 'Die botergeile passages heeft u zeker verzonnen'. Vooruit, een derde voorbeeld: Een man met een grimmige blik zit in de huiskamer achter zijn laptop. Verklaart tegen zijn vrouw: 'Mijn boek niet uitgeven... Ik leg nu hun server plat'.
De cartoons van Stefan Verwey over het literaire leven brengen je iedere keer weer aan het lachen – al zie je ze voor de zoveelste keer. Een stuk of duizend maakte hij er sinds hij er in 1994 voor de boekenbijlage van de Volkskrant mee begon (enige tijd ook overgenomen door De Standaard der Letteren). De beste zijn nu ter gelegenheid van zijn twintigjarig jubileum gebundeld in Hoe open ik een boek. In het Persmuseum in Amsterdam is nog tot 28 september onder dezelfde titel een tentoonstelling te zien over Verweys literaire cartoons.
Zelf verklaart de 68-jarige tekenaar het succes uit het feit dat zijn prenten over het leven zelf gaan. De vernederingen én het succes van de schrijver, die de ene keer lange rijen aan zijn signeertafel heeft en de andere keer voor niets komt, weerspiegelen de vernederingen en het succes van ieder mens. Daarom kon hij ook zo veel langer met deze serie doorgaan dan de vier, vijf jaar die hij aanvankelijk voor ogen had. Maar de insider van het boekenvak herkent vooral de pijnlijkste gedachten van schrijvers, uitgevers, boekverkopers en lezers die Verwey haarfijn bloot legt.
Neem de cartoons uit de eerste alinea. De vrouw in het boekloze warenhuis toont de grote vrees dat binnenkort nooit meer iemand een boek ter hand neemt. De sullige schrijver die geen geloofwaardige seksscènes heeft geschreven, speelt perfect in op de angst van vaak morsige auteurs dat ze niet serieus worden genomen - én de angst dat hun werk als te autobiografisch wordt gezien. Eigenlijk is het helemaal niet grappig. Alleen omdat het zo'n pijnlijke uitvergroting is, moet je er tóch om lachen. En vaak onbedaarlijk ook.
De kracht van de cartoons zit hem in zijn eenvoud. Heldere zwart-witte tekeningen met hooguit enkele gearceerde kledingstukken – een stijl die je onmiddellijk uit duizenden herkent. Maar ook in de anonimiteit van zijn personages. Auteurs en uitgevers zijn nooit te herleiden tot bestaande personen. Daardoor ontbreekt wellicht iets vileins dat sommige literaire tekeningen van Peter van Straaten wel hebben, maar je wordt ook niet afgeleid door overbodige informatie. De cartoons bevat niets anders dan de essentie van waar het een grap over wil maken. Dat is onvervalst vakwerk.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 19 sep)

zaterdag 26 april 2014

Daar staat hij dan: James Joyce’s handtekening (Knack)


Een wandelstok of een handtekening? Een unieke expositie over James Joyce maakt duidelijk wat een schrijver werkelijk dichtbij brengt.

Daar ligt hij dan – dankzij het felle spotlicht al van verre te zien: de wandelstok van James Joyce (1882-1941). Hij is verrassend gaaf. Zou het echt dezelfde zijn als de stok die de schrijver in zijn hand houdt op de foto’s die ernaast liggen? Is het geen reserve-exemplaar die zelden uit de bak werd gelicht? De stropdas die eronder ligt ziet er verweerder uit: een fraaie das in kleine bruine en bruin-gearceerde witte ruitjes. Stijlvol, maar vlekkerig.

Beide objecten komen uit de collectie van de James Joyce Foundation uit Zürich. Voor het eerst zijn ze – in de universiteitsbibliotheek van Utrecht – in Nederland te zien, zoals alle media vorige week meldden. Op zichzelf zijn ze niet bijzonder. Alleen het idee dat ze zijn vastgehouden door de hand die ook Ulysses en Finnegan’s Wake schreef, maakt ze uniek. Hoe nieuwer en ongebruikter de objecten eruit zien, hoe moeilijker het is om dat idee op te roepen.

De essenhouten wandelstok heeft literaire betekenis. In Ulysses roept de ashplant of ashsword (naar het Engelse ‘ash’ voor essenhout) van Stephen Dedalus zangerig de naam van zijn eigenaar. De stropdas is alleen anekdotisch aan Joyce te verbinden. Toen de schilder Patrick Touhy tegen Joyce zei dat hij diens ziel op een portret van de schrijver wilde vastleggen, schijnt die dat te hebben weggewuifd: ‘Just make sure the tie is right’. Wel is op dat doek een rode stropdas te zien.

Het hart van de Joyce-expositie is de reizende tentoonstelling over leven en werk die de Ierse National Library over de wereld stuurt. Deze panelen zijn, naast de persoonlijke artefacten, aangevuld met eerste drukken, waaronder het in Den Haag uitgegeven The Mime of Mick, Nick and the Maggies (een voorpublicatie van Finnegan’s Wake), facsimile’s van brieven en rariteiten als een Japanse manga-versie van Ulysses of het tijdschrift Tit-bits dat Dedalus in de roman leest.

Ook de handtekening is te zien die Joyce op 10 juni 1927 in het gastenboek van het Czaar Peter-huisje in Zaandam zette. Hij vierde toen een maand vakantie aan de kust van Scheveningen. Veel meer dan op het strand liggen deed hij niet. Een keer werd hij, lezend in zijn Baedeker, aangevallen door een hond. Wel vier, vijf keer moest hij hem van zich af slaan, waarbij een lens uit zijn bril viel. Gelukkig vond de eigenaresse die terug in het zand.

Eigenlijk biedt dit gastenboek een veel sterkere historische sensatie dan Joyce’s wandelstok of stropdas. Die had iedereen gebruikt kunnen hebben – zijn handtekening kan alleen de schrijver zelf, in zijn priegelige handschrift, gezet kunnen hebben.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 25 apr)

woensdag 21 augustus 2013

Boekenmusea (5): Meermanno in Den Haag (Knack)


Museum Meermanno was ooit een geheimtip. Weinigen kenden de rijke verzameling. Nu verandert het Haags museum in dé pleisterplaats van de bibliofiel.
  
Museum Meermanno-Westreenianum staat er in zo groot corps op de gevel dat het van honderden meters afstand te lezen is. Maar die vlag dekt de lading niet meer. Het museum in Den Haag is niet langer het pakhuis vol oude boeken en curiosa die Johan Meerman (1753-1815) en zijn erfgenaam, Willem Hendrik Jacob baron van Westreenen van Tiellandt (1783-1848), bij elkaar hebben gebracht. Vier jaar na de dood van de laatste werd de collectie onder zeer strenge condities voor publiek opengesteld, reden waarom Meermanno zich het oudste nog bestaande boekenmuseum ter wereld mag noemen.
Zeker, oude boeken zijn nog steeds te bewonderen in de schitterende negentiende-eeuwse bibliotheek. De oorspronkelijke ruimte is helemaal intact gebleven. Ieder moment verwacht je de eigenaar binnenkomen: even de antieke kachels oppoken, dan verder lezend in het Psalterium Benedictinum uit 1459 of de Hypnerotomachia Poliphili uit 1499. De collectie van de baron telde bij zijn dood meer dan twintigduizend handschriften en gedrukte werken. Het duurde dan ook 111 jaar – tot 1960 – voordat het boekenbezit in zijn geheel was gecatalogiseerd.
Ook curiosa zijn er nog genoeg. De brede collectie oudheden en kunstschatten heeft vooral een interessante collectie Egyptische oudheden – conform de egyptomanie die in het begin van de jaren 1800 in Europa heerste.  De baron kocht uit de nalatenschap van Vivant Denon – de beroemde archeoloog die Napoleon vergezelde op zijn veldtocht naar Egypte – een fraai ‘Boek van het ademen van Isis’. Het papyrus geeft de liturgie weer die moest worden gevolgd bij de dood van de priester Nespaoetitawi, die enkele decennia voor het begin van de jaartelling in Thebe leefde.
Toch zal het iedere bezoeker snel duidelijk zijn waarom het museum is omgedoopt in Museum Meermanno | Huis van het boek. Sinds Meermanno in 1935 door een wetswijziging de ruimte kreeg om af te wijken van de bepalingen uit Van Westreenens testament, heeft het een uitgebreide collectie boekbanden, ex-librissen, archieven van private presses en dergelijke bij elkaar gebracht. Maar dat bezit was tot voor kort alleen te zien in tijdelijke exposities. En dat is, eigenlijk pas dit jaar, veranderd. Het museum wil nu hét trefpunt van bibliofielen zijn.
Meermanno heeft daarvoor twee permanente ruimtes gewijd aan de geschiedenis van het boek sinds 1850. Een geeft onder de naam ‘van lood tot led’ in vogelvlucht een overzicht van alle veranderingen die de productie van boeken heeft ondergaan sinds de uitvinding van de met stoom aangedreven snelpers. Hoe beknopt ook, het museum vertelt een helder verhaal. En, belangrijker, het laat in een paar vitrines enkele hoogtepunten zien uit het werk van beroemde Nederlandse boekontwerpers zoals J.F. van Royen van uitgeverij De Zilverdistel en Irma Boom.
Het hoogtepunt van het nieuwe Meermanno is echter de Bibliotheca Thurkowiana Minor, waarvoor vorige maand op de tweede verdieping terecht kantoren zijn leeggemaakt. Deze Bibliotheca is een kast waarin een klassieke bibliotheek is nagebouwd met bijna tweeduizend miniatuurboekjes. De boekjes zelf staan helaas achter glas, maar in drie vitrines liggen enkele mooie exemplaren – inclusief drukproeven van Columbus’ De insulis inventis, die verzamelaar en uitgever Guus Thurkow in 1991 maakte.
De veranderingen van het museum zijn ingegeven door druk van buitenaf. Om precies te zijn: van de overheid. Hogere eisen aan bezoekersaantallen en eigen inkomsten aan de ene kant en een lagere subsidie aan de andere kant hebben Meermanno gedwongen nieuwe wegen te bewandelen. Maar voor de bibliofiele bezoeker heeft dat alleen maar gunstig uitgepakt. Meermanno heeft hen naast de vaak interessante exposities – momenteel over vijfhonderd jaar militaire boekcultuur in Nederland – veel meer te bieden dan voorheen.

Meer boekenmusea onder meer hier, hier en hier.
Meer Meermanno onder meer hier, hier en hier.
Meer over miniatuurboeken hier.