vrijdag 20 april 2018

Lannoo viert 20-jarig bestaan van Vos en Haas (Boekblad)

Twintig jaar na verschijnen van 'Vos en Haas' heeft Lannoo 650.000 exemplaren van de verschillende titels uit de reeks verkocht. En de sleet zit er niet op bij auteur Sylvia vanden Heede en tekenaar Thé Tjong-Khing, verzekert uitgever Sofie Van Sande.

De uitgeverij viert het jubileum met een nieuw boek dat toepasselijk Feestboek is getiteld – een verwijzing naar het moderne 'feesboek' én het feest dat alle personages uit de wereld van Vos en Haas, terugblikkend op hun avonturen, samen vieren. 'Het is een boek dat voor de kenners vol knipogen zit, maar ook geschikt is voor nieuwe lezers', zegt de uitgeefster. 'Door de aandacht voor het jubileum heeft de serie een boostgekregen, zodat dit boek, dat eind maart verscheen, meteen goed is gestart.'
Daarnaast heeft Lannoo voor de boekhandel een feestpakket samengesteld met onder meer 30 kleurplaten en 40 verjaardagskaarten. Vanaf juni is de allereerste Vos en Haas met korting te koop: voor 12,50 in plaats van 14,99 euro. En dan verschijnen er in het najaar weer twee nieuwe titels: een doeboek en het leesboek Het maatje van Haas. Van Sande: 'Dat gaat over de dubbele betekenis van het woord maatje. Vos hoort Haas zeggen dat ze een kleiner maatje nodig heeft. Ze paste kleding, maar hij denkt dat ze hém, haar maatje, te dik vindt.'
Dat de serie zo'n succes zou worden, lag niet voor de hand. Vanden Heede schiep het duo als tussendoortje. Ze zat vast in de tienerroman waar ze aan werkte. Haar uitgever spoorde haar toen aan om iets voor eerste lezers te schrijven. Daar had ze toch ook een idee voor? Vanden Heede vond de AVI-boekjes die haar drie dochters lazen namelijk te saai. En te dun. Kinderen lezen volgens haar liever dikke boeken. Daarom schiep zij een 'groeiboek', waarin het leesniveau gedurende het verhaal stijgt. Maar dat zou volgens sommige boekverkopers absoluut niet lopen, herinnert de auteur zich in Het Nieuwsblad.
Ten onrechte dus. 'Het was destijds een van de heel weinig léúke boeken voor eerste lezers', vertelt Van Sande. 'Weinigen verstaan de kunst om met maar een paar woorden literatuur te schrijven. En Sylvia maakte geen technisch dreunboekje, maar een spannend en grappig verhaal waar het leesplezier vanaf droop. Het succes is ook de wisselwerking tussen haar taalhumor en de tekeningen van Thé Tjong-Khing, die de karakters echt een gezicht heeft gegeven. Zo'n dik groeiboek, helemaal in kleur, was bovendien echt iets nieuws. Een huzarenstukje.'
Vos en Haaswerd meteen opgepikt – in Vlaanderen én Nederland, waar de verkopen ook nu nog ongeveer even groot zijn (naar verhouding van inwonertal). Daarop volgden tal van spin-offs: nieuwe delen, voorleesboeken, dunnere leesboeken gebonden aan één AVI-niveau. Op dit moment zijn er 25 verschillende Vos en Haas-titels op de markt. Van Sande: 'Het eerste boek is echt een blijver. Een klassieker die nog heel lang mee kan. Daarvan hebben we ieder jaar een zekere afname. Van de andere titels is dat wisselend. Sommige zijn ook niet meer los verkrijgbaar, maar enkel in een bind-up.'
Ook in het buitenland zijn Vos en Haas populair – al heeft Van Sande geen overzicht van de verkoopaantallen buiten het taalgebied. Dat wil zeggen: in sommige landen, zoals China en Polen. Van Sande: 'Er hangt veel af van de kwaliteit van de vertaling. Er zit zo veel taalhumor in, dan moet een vertaler flink beslagen ten ijs komen om dat te kunnen omzetten in een boek met een gestaag oplopende moeilijkheid. In Frankrijk heeft de serie het bijvoorbeeld moeilijk. Daar heet hij ook nog eens Bernard et Lola.'
Vanden Heede heeft inmiddels een haat-liefde verhouding met haar populairste karakters, erkent Van Sande. Op vraag hoe lang ze nog door kan gaan met Vos en Haas antwoordde de schrijfster in Het Nieuwsblad dat ze zich al tien jaar afvraagt. 'Maar aan de teksten zie je nog steeds haar plezier, de liefde en het vakmanschap', zegt Van Sande. 'En Thé heeft nog steeds veel zin.' Wel zei de schrijfster er de brui aan te geven als ook de tekenaar, die inmiddels 85 jaar oud is, ermee stopt. Tenzij misschien er dankzij animatietechniek illustraties in zijn stijl kunnen worden gemaakt.
In ieder geval komt er alvast een animatiereeks aan. Submarine maakt twee reeksen van 26 afleveringen. Dit najaar zijn de eerste vier afleveringen bij wijze van teaserte zien bij KRO in Nederland en Ketnet in Vlaanderen. Vanaf volgend voorjaar komt de hele serie, waarvan de rechten al aan negen landen zijn verkocht, op televisie. En dat is niet eens de enige manier waarop Vos en Haas voortleven buiten het boek. Dit najaar openen exposities in het Kinderboekenmuseum in Den Haag en De Wereld van Kina: De Tuin in Gent. Ook gaat een poppenvoorstelling op tournee.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 17 apr)

dinsdag 17 april 2018

Ploegsma zoekt met schrijfwedstrijd auteur voor detectiveserie (Boekblad)

Ploegsma zoekt met een schrijfwedstrijd een auteur voor een spannende detectiveserie voor kinderen van 9 tot 12 jaar. Eerdere ervaringen hiermee waren erg positief, aldus uitgever Martine Schaap.

De uitgeverij ziet in deze niche een gat in de markt. Ploegsma geeft zelf de detectiveserie Spekkie en Sproet van Vivian den Hollander uit voor kinderen vanaf een jaar of zes. Ook zijn er jeugdthrillers van auteurs als Mel Wallis de Vries beschikbaar voor kinderen van ten minste elf jaar. 'Voor de tussengroep is op dit gebied minder beschikbaar zegt Schaap. 'We krijgen regelmatig reeksen uit het buitenland aangeboden, maar die titels zijn voor Nederlandse kinderen weer niet zo herkenbaar.'
Het beste leek daarom zelf een auteur te zoeken, meende de uitgeefster. 'Auteurs uit onze stal zijn druk bezig met eigen series en onderwerpen. We zagen niet een, twee, drie één van hen dit doen. Vivian den Hollander geeft ook al haar detectivetalenten aan Sprekkie en Sproet. Daarom dachten we: laten we weer een wedstrijd uitschrijven. Dat hebben we twee keer eerder gedaan: in ik dacht 2009 en 2011. Met name de eerste keer was dat erg succesvol. We wilden toen boeken over hockey brengen, omdat zo veel meisjes hockeyen. Daar is de serie I love Hockey van Barbara Scholten uit voortgekomen. Hockeyhobbels en kunstgrasknieën was destijds de eerste titel.' 
De nieuwe wedstrijd werd eind maart aangekondigd. Tot nu toe zijn er een stuk of tien inzendingen binnen. Maar Ploegsma verwacht dat de grote bulk nog komt. Auteurs moeten er immers behoorlijk wat voor doen: een opzet maken, een synopsis van het eerste deel opstellen en de eerste 5000 woorden daarvan schrijven. Schaap: 'Maar de aandacht ervoor is groot. Het bericht op Facebook alleen al is – even kijken – 23.856 keer bekeken, 161 keer geliked, 80 keer gedeeld en heeft 112 reacties opgeleverd. Dat komt dus wel goed. Inzenden kan nog tot 1 juli.'
Hoewel een schrijfwedstrijd een goed middel is, begrijpt Schaap ook dat niet iedere uitgeverij het ieder half jaar inzet. 'Je moet het werk niet onderschatten. Je bent aardig wat tijd kwijt met jureren en iedereen feedback geven. We gaan niet corresponderen met de inzenders, maar die krijgen wel een uitgebreidere reactie dan inzenders van ongevraagde manuscripten.' Ook kost het de uitgeverij prijzengeld. Naast het voorschot van 1250 euro voor de winnaar, is er ook een tweede prijs (500 euro) en een derde prijs (boekenpakket ter waarde van 250 euro).
Toch is Ploegsma zeker niet de enige uitgeverij die schrijfwedstrijden uitschrijft. Andere werken echter samen met online schrijfcommunity Sweek, die juist zo veel mogelijk wedstrijden lanceert om haar gebruikers aan te sporen daadwerkelijk te schrijven en te publiceren. Zo zoekt momenteel uitgeverij De Crime Compagnie via Sweek een nieuwe thrillerauteur. Moon, de kinderboekenuitgeverij van Overamstel, maakt later deze maand bekend wie haar YA Contest op Sweek heeft gewonnen.
Waarom heeft Ploegsma niet voor deze weg gekozen? 'Sweek is meer een schrijf/lees community voor onderlinge feedback. En we vonden het leuk het bericht via onze eigen nieuwsbrief en FB pagina’s de wereld in te sturen. Gezien de eerdere ervaringen zijn we niet bang dat we te weinig inzendingen, of inzendingen van geringe kwaliteit zullen ontvangen', antwoordt Schaap.
Het uitbreiden van het fonds met een detectiveserie voor kinderen tussen 9 en 12 jaar is overigens niet ingegeven doordat WPG, het moederbedrijf van Ploegsma, onlangs Querido Kind aan Singel Uitgeverijen heeft verkocht. Schaap: 'Wij varen geen nieuwe koers. Het enige effect van de verkoop is dat we meer tijd hebben om nieuwe initiatieven te ontplooien. Maar wij hebben altijd van een breed aanbod aan boeken gehouden. Daar past deze serie prima in.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 12 apr)

zie ook:

maandag 16 april 2018

Waarom bibliothecarissen moeten mikken op een cultureel zo divers mogelijk publiek (Bibliotheekblad)

Waarom moeten er diverse kinderboeken zijn? Wie moeten die maken? En hoe maak je die eigenlijk? Het jaarlijkse congres van Stichting Lezen probeerde woensdag in Leeuwarden antwoord te geven op deze vragen. Dankzij de bevlogenheid van de sprekers zullen veel de aanwezigen, waaronder vele bibliothecarissen, geïnspireerd huiswaarts zijn gekeerd.

Er zullen maar weinig aanwezigen bij Lezen Centraal, het jaarlijkse congres van Stichting Lezen, het met de centrale stelling van de dag oneens zijn geweest. Het aanbod kinderboeken moet diverser worden. Opdat kinderen die thuis niet opgroeien met boerenkool, Hollandse meesters en schaatsen ook zichzelf tegen komen in boeken. En opdat het wereldbeeld van anderen wordt verbreed die wél zo'n achtergrond hebben. Bibliotheken moeten daarin voorzien, dan wel de ouders stimuleren om hun kinderen zulke boeken voor te lezen.
De eensgezindheid werd geïllustreerd door een metafoor dat bijna iedere spreker in Stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden citeerde om de stelling te onderbouwen. Dat ging over spiegels en vensters. Kinderen hebben spiegels nodig: hoofdpersonen die op hen lijken om zo een zelfbewustzijn op te bouwen. En ze hebben vensters nodig: om te leren dat hun perspectief niet het enige in de wereld is. Kinderen met niet-Westerse roots hebben echter te weinig spiegels, terwijl kinderen met Hollandse wortels juist te weinig vensters krijgen aangeboden.
Toch gaf de unanimiteit niets. Lezen Centraal was ook tijdens de editie 2018 in de eerste plaats een inspiratiedag. De betogen en getuigenissen van de verschillende sprekers waren bedoeld om de bezoekers, die voor een niet gering deel werkzaam zijn in de bibliotheek, aan te sporen werk te maken – of nóg meer werk te maken – van het thema diversiteit. En de sprekers waren stuk voor stuk zo bevlogen dat ze een gevoelige snaar wisten te raken. Zelfs de dagvoorzitter, die toch hoofdzakelijk de taak heeft om sprekers aan en af te kondigen, slaagde daarin.
Dat was Abdelkader Benali. De schrijver vertelde dat hij op de lagere school twee dozen vol boeken cadeau kreeg van zijn meester Bart. Boeken die deze zelf als kind had gelezen en dus waren geschreven in de jaren vijftig en zestig. Boeken die nu de jonge Benali een venster boden op het land waar hij als vierjarige terecht was gekomen. 'De kinderen in die boeken voetbalden allemaal. En vanaf oktober vroren alle sloten dicht, waarop iedereen heldhaftige avonturen beleefde. Ik dacht daarom dat iedereen in Nederland een teen of vinger miste, die in hun jeugd was afgevroren.'

Daarna legde Marc Dullaert, de voormalige kinderombudsman die zich als voorzitter van stichting Kidsrights nog steeds inzet voor de rechten van kinderen, uit waarom diversiteit in kinderboeken zo belangrijk is. Volgens het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties, zei hij, hebben kinderen het recht om geïnformeerd te worden. Hoewel het niet letterlijk zo wordt gespecificeerd, houdt dat in dat ze een 'breed palet' aan verhalen voorgeschoteld moeten krijgen om zo een gefundeerde mening te kunnen vormen. Verhalen over anders denken versterkt bovendien het begrip en de tolerantie voor een ander.
Helaas is de praktijk van het kinderboek anders, constateerde hij bepaald niet als enige. Rolpatronen zijn stereotype, het gezin is traditioneel en aandacht voor de diversiteit en etniciteit is ver te zoeken. Gevolg: de kinderen die de signalen oppikken en internaliseren creëren in hun hoofd een veel eenzijdiger beeld van hoe het hoort te zijn in de maatschappij dan in werkelijkheid het geval is. 'Ook op scholen worden kinderen nog veel gepest om hun anders zijn. Er zijn wel pestprotocollen, maar dat zijn dode letters. Kinderen moeten juist door te lezen andere waarden aanleren. Maar dan moeten die boeken er wel zijn.'
Diversiteit gaat niet alleen om de inhoud van kinderboeken. Er moeten ook boeken zijn in de tálen die kinderen thuis spreken. Dat betoogde Marinella Orioni, auteur van enkele boeken over meertaligheid. Het is het beste voor hun taalontwikkeling als kinderen in hun eigen woning hun thuistaal spreken en ontwikkelen, ongeacht welke dat is, en op school Nederlands. Maar dan moet ook die thuistaal blijvend worden gestimuleerd. Niets zo fnuikend immers als een kind op een gegeven moment de kennis van een achtjarige heeft, maar de woordenschat van een vierjarige.
Juist hier kunnen bibliotheken een taak hebben, bleek indirect uit haar verhaal. Zijzelf voedde haar kinderen op in het Nederlands (haar eigen taal), Italiaans (de taal van haar man) en het Frans (de taal van haar gekozen vaderland). Maar types zoals zij, expats die zich soms voor onbepaalde, maar langdurige tijd in Nederland vestigen, vormen een minderheid. De meesten zijn migranten uit culturen waarin het niet gebruikelijk is om te lezen of te praten met kinderen. Bibliotheken moeten deze ouders stimuleren om in hun eigen taal voor te lezen. Of desnoods luisterboeken aan te bieden.

Een van de aanbieders van diverse kinderboeken in Nederland is het kort geleden opgerichte, maar hard aan de weg timmerende bedrijf Rose Stories. Twee mede-oprichters vertelden over hun werkwijze. Allereerst legde sociaal-psychologe Nina Blussé op een vergelijkbare wijze als Dullaert uit waarom en hoe je blik onbewust wordt vervormd door je eigen achtergrond. En dat ingeprente stereotypen onder meer kunnen worden tegengewerkt door je er bewust van te zijn dat je automatisch een voorkeur hebt voor soortgelijke mensen als jezelf – en dan niet de zoveelste witte vrouw in de bibliotheek aan te nemen, maar iemand met een geheel andere achtergrond.
Astrid Sy vertelde vervolgens wat een divers kinderboek is aan de hand van haar jeugdroman De brieven van Mia. Aandacht voor het thema sijpelt er vanzelf in omdat zij een half-Senegalese, half-Scandinavische achtergrond heeft. Diversiteit is domweg een thema in haar leven. Maar, stelde zij nadrukkelijk, je hoeft echt niet alleen te schrijven over wat je kent. De brieven van Mia gaat over de vriendschap tussen een jong Syrisch vluchtelinge en een bejaarde Joodse Nederlander – en nee, zij is niet Joods. Iedere schrijver kan zich inleven. Belangrijk is vooral dat je niet te clichématig maakt. Niet iedere moslim heeft zes broers en een moeder die altijd een hoofddoek maakt.
Ook in een lijn van de deelsessies na de lunch kwamen schrijvers aan het woord: Sjoerd Kuyper, die met De duik een Curaçaos kinderboek schreef, en Mylo Freeman, die de donkere prinses Arabella schiep. Daaruit bleek juist hoe moeilijk het is voor een blanke auteur om een divers kinderboek te schrijven. Kuyper hoorde in 1994, bij zijn eerste bezoek aan overzees Nederland, al de wens van eilandkinderen om een boek over hún wereld te maken in plaats van over de gebruikelijk kinderboekwereld vol treinen, boterhammen met pindakaas en andere puur Hollandse gewoonten. Maar hij durfde het pas nadat hij vriendschap had gesloten met de lokale auteur Roland Colastica en het eiland echt kende.
Daarom is het belangrijk dat er kinderboekenauteurs zijn met een niet-Westerse achtergrond. Zoals Freeman, dochter van een zwarte man en blanke moeder. Toen een kennis haar vertelde dat een Surinaams meisje niet de rol van een prinses wilde spelen in een jeugdvoorstelling omdat die blank en blond zijn, begon zij nog dezelfde week aan haar eerste Prinses Arabella. Lang had ze alleen dieren getekend, omdat ze zich ongemakkelijk voelde bij haar mensen. Maar nu had ze een missie. Eentje die ze met merkbaar plezier overbracht op de aanwezige bibliothecarissen.
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl, 13 apr)

zie ook:

woensdag 11 april 2018

'Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden' (Athenaeum.nl)

Wie gedrukte porno wil kopen, heeft steeds meer moeite om een verkooppunt te vinden. En wie het toch in handen krijgt, zal teleurgesteld zijn. De toekomst van dit genre is aan semi-wetenschappelijke uitgaven als het boeiende Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden.

Zal porno slechts op internet overleven – als bewegend beeld? De bekende onderneemster Sandy Wenderhold is overtuigd van het tegendeel. 'Papier is en blijft lekker veilig: moeder de vrouw vindt er niks van terug op de apparaten', wordt zij geciteerd in Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden. 'Het is in potentie een grote markt, maar er is geen distributie. Bij alle tien tankstations waar ik langsrij op weg naar kantoor lag vroeger onze hele range. Nu liggen we nog maar bij één van de tien. Bij de AKO of Bruna kopen mannen niet, seksshops zijn er steeds minder, postorder is geen optie.'
Zou het werkelijk alleen een gebrek aan verkopers zijn die zich sterk maken voor porno: van erotische literatuur tot seksblaadjes? Het rijkgeïllustreerde overzichtsboek van de Nederlandse geschiedenis van pornografie op papier – vanaf de eerste vertalingen van Pietro Aretino's Sonetti lussuriosi ('Wellustige sonnetten') en Ragionamenti ('Discussies') tot de aangekondigde dood die zich nu voltrekt – laat zien dat de prikkelliteratuur van weleer niet meer prikkelt. Geen enkel citaat en afbeelding wekt lust op bij wie gewend is geraakt aan de filmpjes die dankzij plastische chirurgie en geavanceerde software steeds meer zijn geperfectioneerd. En bovendien in overvloed gratis te bekijken zijn.
Wat te denken van dit fragment uit Rendez-vous op 't Tulpplein van Jan Brandts, dat in 1948 door de politie werd geconfisqueerd wegens de zedenbedervende inhoud. Is dit opwindend?

Kom, mijn lieverd', fluisterde ze schor van aandoening. Zijn handen zochten en vonden, plotseling was hij zich niet meer meester, hij drong in haar. 'Mijn jongen, mijn Leo, mijn man,' haar adem ging sneller. Met verweer van al zijn geestelijke krachten wist hij een ontspanning te verhinderen, tot zij steeds begeriger en woelend tot een volkomen overgave kwam en haar zachte snikken aangaven, dat hij haar het moment van hoogste vreugde gekomen was. 'Liefste', stamelde hij, onmachtig door een intense ontroering die een mist voor zijn ogen bracht, dan zonk hij weg in een haast bewusteloze rhythmiek en plotseling was daar voor hem het koninklijke moment.

Eigenlijk is porno op papier alleen nog interessant in uitgaven als Onder de toonbank. Een semi-wetenschappelijke uitgave, uitgevoerd en vormgegeven als koffietafelboek, die inzicht verschaft in wat lang toch een verboden en wellicht daardoor ook door serieuze publicisten veronachtzaamd genre was. En dat doen het voorwoord van Peter J. Muller, in 1968 oprichter van het uiterst succesvolle tijdschrift Candy, en de negen artikelen van eminente boekhistorici als Marita Mathijsen en kenners als verzamelaar Bert Sliggers. Bij elkaar geven ze een schijnbaar compleet beeld van wat vierhonderd jaar porno voor het gedrukte woord heeft opgeleverd.
Rode draad is een reeks van vier artikelen die tezamen een historisch overzicht geven. Pornografie begint, zo betogen Han van der Vegt en Inger Leemans, door de combinatie van het ontstaan van privé-ruimte, waardoor seks iets persoonlijks wordt, en de groeiende verspreiding van het gedrukte boek. Seks verwordt van iets alledaags, waar je gerust over kunt schrijven (zoals het nu eigenlijk weer is), naar iets intiems, dat de zinnen kan kietelen. Daarmee wordt het tegelijk ook iets wat binnenskamers moet blijven. Kostte wat kost: al direct vanaf Aretino worden auteurs en uitgevers van porno door kerk en staat vervolgd.
Het is – ondanks het wat droge, opsommerige karakter van de meeste bijdragen – interessant om te lezen hoe in de loop der eeuwen het prikkelende gehalte van pornografische lectuur en de intensiteit van de strijd ertegen communicerende vaten zijn. Er kan veel in lankmoedige tijden: zie de vrijpostige gedichten van de zeventiende eeuwse Matthijs van de Merwede. De suggesties wordt uiterst subtiel in tijden van hard optreden door de autoriteiten: zie de wel erg heel zachte softporno uit de negentiende eeuw, zoals in dit gedicht van Jacob van Lennep dat hij toch niet durfde te publiceren:

O, die bron van zoetigheden
Heeft mij vrij wat pijn geteeld!
Wreede lipjes van Selinde!
O laat af, op mij te woên,
Opdat ik genezing vinden
In een minder felle zoen.

Daarnaast bevat het boek enkele thematische artikelen – onder andere over lesbische porno, de aantrekkingskracht van exotische vrouwen of pornografische strips. Het fascinerendst is de bijdrage van Ewoud Sanders over 'blanke slavinnen'. De term werd geïntroduceerd door een Britse journalist die in 1885 de illegale vrouwenhandel aan de kaak stelden. Dat leidde tot vertalingen, uitgaven over de Nederlandse situatie en zelfs een proefschrift. Maar al gauw tot uitgaven waarin lustig werd ingespeeld op de sensatiezucht en zinnenprikkelende behoeften. Dat culmineerde in het doelbewust pornografische Blanke slavinnen uit New-Orleans van Cornel dee Young (1950), hoewel de term toen al was verouderd.
Juist dit specialistische artikel doet vermoeden dat Onder de toonbank misschien een uitputtend inzicht in de geschiedenis van de gedrukte porno lijkt te verschaffen, maar dat er toch ruimte moet zijn voor een vervolg. Ik kijk ernaar uit.

Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden verscheen vorige maand tegelijk met de opening van een expositie in Museum Meermanno in Den Haag. 'Porno op papier. Taboe en tolerantie door de eeuwen heen' is daar nog tot en met 24 juni te zien.

woensdag 4 april 2018

Interview Herien Wensink over 'Kleihuid': Ik voelde me altijd al meer schrijver dan journalist (Bibliotheekblad)

De lezers dicht bij de soldaten en officieren in de loopgraven brengen. Dat probeerde Herien Wensink in haar Eerste Wereldoorlog-roman Kleihuid. Haar debuut is het resultaat van een levenslange fascinatie.

Lid van de openbare bibliotheek is Herien Wensink (40) al lang niet meer. Zo lang dat ze zich  niet eens kan herinneren sinds wanneer precies. Maar ze komt wel vaak in de OBA op het Oosterdokseiland. Sterker: de theaterredacteur van de Volkskrant heeft haar debuutroman grotendeels daar geschreven. 'Ze hebben een goede schrijfzaal, waar een heel prettige sfeer hangt om je diep te kunnen concentreren. En af en toe kon ik naar een kast lopen om bijvoorbeeld een citaat uit een bundel van Rilke op te zoeken.'Kleihuid, dat half januari verscheen, vertelt het verhaal van de soldaat Harvey Cole en de officier Rupert Atkins die elkaar tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog ontmoeten in een revalidatieoord. Ze zijn in alle opzichten elkaars tegenpool. Harvey is een boerenzoon, Rupert een kunstenaar uit een befaamd geslacht. Harvey is ernstig gewond aan zijn gezicht, Rupert lijdt aan shellshock. Harvey is bescheiden en zelfbewust, Rupert arrogant en diep onzeker. Maar gaandeweg leren ze elkaar waarderen.
Ook in een ander opzicht zou je kunnen zeggen dat deze roman zonder de bibliotheek nooit had kunnen zijn geschreven. Wensink kent de Eerste Wereldoorlog uitsluitend dankzij andere boeken. Romans van ooggetuigen als Im Westen Nichts Neues van Erich Maria Remarque en Le feu van Henri Barbusse. Dagboeken van verpleegsters Mary Borden en Ellen La Motte. Oorlogspoëzie van Wilfred Owen en Siegfried Sassoon. En talloze recentere romans: van Pat Barker tot Stefan Hertmans' Oorlog en terpentijn.
Ze noemt haar roman in het nawoord een ode aan deze boeken. Alleen: ze heeft de geschriften van wat waarschijnlijk de meest literaire oorlog uit de geschiedenis was, niet uit de bibliotheek geleend. De meeste titels bezit ze zelf. 'Ik vind het fijn om boeken te hebben. Omdat ze deel uitmaken van mijn identiteit. Omdat ik het een heerlijk idee vind dat ik er altijd even in kan bladeren.'

Kleihuid is het resultaat van een decennialange fascinatie, vertelt Wensink in een café om de hoek van haar woning in het centrum van Amsterdam. 'Voor mij was de Eerste Wereldoorlog, zoals voor de meeste Nederlanders, een heel oude oorlog waar ik wat zwart-witplaatjes bij zag, maar geen gevoel bij had. Tot ik tijdens mijn studie cultuurwetenschappen het college cultuurbeschouwing en de moderne tijd van Arnold Heumakers volgde en Lenteriten van Modris Eksteins moest lezen.'
In dat boek verklaart Eksteins de radicale vernieuwingen in de kunsten in de jaren 1910-1920 uit de verschrikkelijke verwoesting van de oorlog. 'Maar hij vertelt ook allerlei verhalen over Britse en Duitse soldaten die, op een enkele tientallen meters van elkaar, grapjes met elkaar uithaalden. Of schoolborden ophouden met de vraag of de vijand kwam eten. Geweldige verhalen, die me enorm ontroerde. Ik besefte dat zie jongens honderd jaar geleden niet anders waren dan wij nu.'
Daarna liet de oorlog Wensink nooit meer los. Ze studeerde af met een vergelijkende studie naar de oeuvres van drie meevechtende auteurs uit verschillende oorlogvoerende landen. Ze bezocht het oorlogsgebied: de 'tegenwoordig heel erg aangeharkte' loopgraven, de Menenpoort in Ieper waar nog iedere avond om acht uur de Last Post wordt geblazen ter nagedachtenis van 54.896 vermiste soldaten, de begraafplaatsen. Ze schreef er artikelen over toen ze begon als journalist. En ze las, tientallen boeken.
'Als ik één favoriet moet noemen', zegt ze, 'is dat Sturm van Ernst Junger, een van de drie schrijvers waarop ik ben afgestudeerd. Het dunne boekje is een persoonlijk verslag van de ontwikkeling die hij doormaakte in de loopgraven. In het begin was hij een estheet, die daar ook poëzie schreef en schilderijen maakte – inderdaad, zoals Rupert. Maar als zijn werk letterlijk op de brandstapel gaat, omdat er een bom op valt, vindt hij zichzelf opnieuw uit als soldaat. Heel aangrijpend.'

Het idee om zelf een roman over de Eerste Wereldoorlog te schrijven, is al bijna twintig jaar oud. Een redacteur van De Arbeiderspers – dat Kleihuid nu ook heeft gepubliceerd – plantte het zaadje in haar hoofd toen ze hem interviewde voor een artikel over Eerste Wereldoorlog-literatuur. In de loop der jaren volgden meerdere pogingen, steeds was het haar niet goed genoeg. 'Ik had te veel de neiging samenvattingen te schrijven en geen scènes', blikt ze daar op terug. 'Je moet ook leren schrijven.'
Dat deed ze in de journalistiek – vier jaar bij Elsevier, tien jaar bij NRC Handelsblad en sinds kort bij de Volkskrant. 'Ik voelde me altijd al meer schrijver dan journalist. Ik hou van smeuïge, lyrische taal. Als cultuurjournalist kan ik me gelukkig wel wat vrijheden permitteren. Die stukken gaan om meningen, vrije associaties, interpretaties. Maar ik was ook gebonden aan de feitelijkheid. En ik had altijd maar een beperkt aantal woorden. Het was geweldig om in de roman mijn eigen regels te kunnen hanteren.'
Haar baan bood weinig tijd om zich te concentreren op een bijna driehonderd pagina's tellend boek. 'Maar toen de krant almaar dunner werd, hield ik tijd over. Ik dacht ook: als het zo doorgaat, is er straks helemaal geen ruimte meer voor mijn stukken. Dan moet ik een alternatief carrièreplan hebben, ha ha.' Dat de oorlog deze jaren voortdurend wordt herdacht, was een extra stimulans. 'Mij maakte het niet veel uit, maar mijn uitgever vind het een leuke aanleiding voor mijn roman dat de oorlog dit jaar 100 jaar geleden eindigde.'

De bestaande bibliotheek vol Eerste Wereldoorlog-boeken roept ook de vraag op: wat voegt nog een roman daaraan toe? Zelf denkt de schrijfster: de nabijheid bij de soldaten en officieren aan het front. Toen de ooggetuigen hun romans en dagboeken publiceerden, was het ongebruikelijk om je psyche bloot te leggen. De teksten behouden altijd iets afstandelijks. Wensink heeft in haar uiterst beeldend en zintuigelijk geschreven debuut geprobeerd 'andermans sores voelbaar te maken', zegt ze.
Dat zit hem in de taal. 'Ik wilde bijvoorbeeld dat ze soms grofgebekt waren, zodat je iemand als Rupert kunt herkennen als een corpsstudent van nu. Soms is het bijna anachronistisch.' Maar dat zit hem ook in het verhaal. Rupert wordt behandeld met een voor die tijd nieuwe en nog omstreden methode: psychotherapie. Via de analyses van zijn arts krijgen we diep inzicht in de verhouding met zijn vader, zijn artistieke ambities of zijn seksuele ambivalentie. En indirect biedt dat ook inzicht in Harvey.
Allebei maken ze daarbij een tegengestelde ontwikkeling door. 'Rupert zit vast in een beeld van zichzelf dat niet strookt met wie hij werkelijk is. Dat beeld wordt aan het wankelen gebracht, maar hij is geestelijk niet genoeg in balans om daar goed mee om te gaan. Hij verzet zich ook voortdurend tegen zijn arts. Harvey is van eenvoudige afkomst, maar ontdekt onder invloed van Rupert zijn talent. Kan daarin groeien, en heeft ook de emotionele stabiliteit om met zijn verminking te leren leven.'
Kleihuid suggereert daarmee ook dat je beter fysiek dan psychisch kunt lijden. Maar de manier waarop Harvey en Rupert hun lot dragen, legt Wensink uit, komt omdat de eerste beter in staat is zich met zijn lot te verzoenen, ongeacht wat dat lot is. 'Misschien verklaart dat ook waarom Rupert meer aandacht krijgt in de roman. Hij is een complexer personage. Ik kon me daarom meer in hem uitleven. Ik lijk ook meer op hem, vrees ik, hoewel ik Harvey sympathieker vind.'

En nu staat ook Wensinks boek in de bibliotheek bij de Eerste Wereldoorlog-literatuur. En in de boekhandel. Hoewel de collectie van de eerste groter is dan het aanbod van de boekhandel, zeker in de haar zo bekende OBA, vindt ze dat laatste het intimiderendst. Daar ligt Kleihuid op een stapel te concurreren met al die andere nieuwe boeken die om aandacht schreeuwen. De tijd om te slagen is maar kort. De bibliotheek is dan eerder een schatkamer waar hooguit een handvol exemplaren rustig wachten op ontdekking.
'Dat is ook wat de bibliotheek voor mij was toen ik daar als kind in Bussum veel kwam', zegt ze. 'Een plek van grote rijkdom. Een plek ook van vrijheid en ontsnapping aan mijn thuissituatie. Ik kon daar wegdromen bij alle verhalen die me meenamen naar andere werelden. Ik kon daar veilig kind zijn. Daarom vind ik nog steeds de belangrijkste functie van de bibliotheek dat het een plek is waar iedereen terecht kan om boeken te ontdekken – juist diegene die het zich niet kunnen veroorloven om zelf boeken te kopen.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

woensdag 14 maart 2018

Interview: Eva Meijer wint de Halewijnprijs 2017 – de literaire prijs van Bibliorura (Bibliotheekblad)

Het ligt voor de hand: een bibliotheek die een literaire prijs uitreikt. Dat vindt in ieder geval Bibliorura in Roermond, die sinds 2015 de organisatie van de Halewijnprijs op zich heeft genomen. Eva Meijer, laureaat van dit jaar, koestert mooie herinneringen aan de openbare bibliotheek. 'Ik vind het leuk dat mijn boeken nu hier staan en lezers ze kunnen ontdekken op dezelfde manier als ik vroeger obscure schrijvers ontdekte.'

Een bestsellerauteur noemt Eva Meijer (1980) zich 'zeker niet'. Maar na twee non-fictieboeken en drie romans gaat het 'best goed' met haar schrijverschap, zegt ze aan de telefoon. Het vogelhuis, dat in 2016 verscheen, is aan zijn vijfde druk toe. De roman stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs en de ECI Literatuurprijs. Haar werk, zoals de studie Dierentalen, verscheen in het Engels en Duits. Vertalingen in het Arabisch, Fins, Frans, Pools en Turks zijn in de maak.
De bekroning van de Halewijnprijs – bestaande uit 1500 euro en een kleinplastiek in brons – past in dit patroon van groeiende erkenning. Meijer kreeg de voorkeur boven Murat Isik, David Nolens, Annel de Noré, Christine Otten en Chris de Stoop, die ook waren genomineerd voor de literaire prijs van de stad Roermond. 'Goede schrijvers, van wie sommigen al zijn gearriveerd', meent ze. 'Ik ging er niet van uit dat ik zou winnen. Maar toen werd ik gebeld in Mexico, waar ik op dat moment verbleef. Gelukkig wel nadat juryvoorzitter Pon Kranen eerst de vraag had gemaild of ze me kon bellen.'

Grote landelijke bekendheid geniet de Halewijnprijs niet, die sinds 1987 wordt uitgereikt. Maar de onderscheiding voor een relatief onbekende auteur wiens werk meer aandacht verdient, heeft in de literaire wereld een serieuze reputatie opgebouwd doordat het regelmatig auteurs bekroonde die daarna doorbraken naar een groot publiek. Denk aan Arthur Japin (1998) en Tommy Wieringa (2002). Andere winnaars waren onder andere Joke J. Hermsen (2008), ErikVlaminck (2013) en Benny Lindelauf (2016).
Sinds twee jaar verzorgt Bibliorura, de openbare bibliotheek van Roermond, de organisatie van de Halewijnprijs. Op vraag van de gemeente, vertelt Moniek Hueting, medewerker communicatie en webredactie van Bibliorura. 'Omdat wij het hart van de literatuur in Roermond zijn, is het niet meer dan logisch om de organisatie bij ons onder te brengen. Wij wilden dat graag doen, omdat we hiermee kunnen laten zien dat de bibliotheek lezen en literatuur belangrijk vindt.'
Bibliorura heeft ook de ervaring en de mensen in huis om de prijs lokaal een groter aanzien te geven. 'Wij zorgen voor een grote pr-campagne met advertenties in lokale media, flyers in de bibliotheek, driehoek-borden om lantarenpalen en aandacht op sociale media. Ook komt er een presentatie rondom het werk van Eva Meijer, van wie we al voor de bekendmaking extra titels hebben ingekocht. Wat het effect ervan is na twee jaar nog weinig over te zeggen, maar we horen wel dat het opvalt.'
Ook probeert Bibliorura de bekendheid van de prijs te vergroten met een jongerenprijs: de Reinaerttrofee. Scholieren van Bisschoppelijk College Broekhin maken sinds 2014 een keuze uit de genomineerde titels. Dit jaar viel de eer aan We hadden liefde, we hadden wapens van Christine Otten. Hueting: 'De Reinaerttrofee was al eerder ingesteld, maar wij proberen hem veel groter te maken door ook de andere twee middelbare scholen in Roermond erbij te betrokken.'

Uitreiking van de Halewijnprijs en Reinaerttrofee vond inmiddels plaats – op zondag 11 maart. Meijer kreeg toen te horen wáárom haar werk is uitverkoren. Bij de bekendmaking van de laureaat, die ook bekendstaat als dierenactivist, beperkte de jury zich tot een citaat uit haar rapport. De auteur is 'een groot literair talent met een belangrijke boodschap. (...) In een mooie natuurlijke schrijfstijl toont zij dat er een wereld te winnen valt, wanneer menselijke dieren oog krijgen voor communicatie van en met niet-menselijke dieren.'

Ben je een auteur met een boodschap?
'Ik wil graag mensen op een andere manier laten kijken. Daar gaat volgens mij alle filosofie, kunst en literatuur over: zekerheden ondergraven door te laten zien wat er zich net onder de oppervlakte van de werkelijkheid bevindt. En ja, dat gaat in mijn laatste twee romans vooral over dieren. Ik ben nu weer met heel andere thema's bezig. Ik vind dat dieren het slecht hebben, omdat ze of bij miljoenen in kleine hokjes worden opgesloten, of in hoog tempo hun leefgebied zien verdwijnen. En ik vind het belangrijk dat mensen daarom anders over dieren gaan denken.'

Maar je schrijft geen tendensromans, neem ik aan.
'Nee. Dat heeft ook geen zin. Je kunt mensen niet veranderen door hen een overtuiging door de strot te duwen. In mijn filosofische boeken als Dierentalen en De soldaat was een dolfijn schotel ik lezers daarom geen wereldbeeld voor, maar laat ik zien dat je ook op andere manieren naar dieren kunt kijken. Ik geef als het ware een aftrap om zelf te gaan denken.'

Doe je dat ook in je romans?
'Ja, maar anders. Door de ambiguïteit van het bestaan te laten zien. Het vogelhuis gaat over vogelonderzoeker Len Howard, die als eerste liet zien dat vogels individuen zijn, maar die ook minder goede dingen heeft gedaan. Zo is het leven, goed en kwaad zijn nooit eenduidig te scheiden. Dagpauwoog gaat over iemand die geweld wil gebruiken om een maatschappelijk probleem aan de kaart te zetten. Ook daarin zitten veel vragen.'

Prikkel je je lezers daadwerkelijk tot heroverweging van hun standpunten?
'Ik hoor soms dat lezers van Het vogelhuis daarna anders tegen vogels aankijken. Dat ze vogels niet langer zien als muzikaal behang, maar als wezentjes met eigen relaties en eigen projecten in het leven. Het is mooi als ze dat uit mijn boek halen. Dat maakt lezen zo relevant. Dankzij boeken kun je even in het hoofd van iemand anders verblijven. Iemand uit een ander land, iemand uit een andere sociale klasse. Of een dier.'

Zijn daarom bibliotheken relevant?
'Voor mij wel. Ik ging iedere dag naar de bibliotheek. Iedere dag haalde ik weer het maximum van drie boeken die je mee mocht nemen. De bibliotheek zat naast mijn school in Hoorn, dat maakte het makkelijk. En toen ik negen of tien was had ik alles uit en kon ik door met de boeken op de volwassenenafdeling. Mijn ouders hadden ook veel boeken, maar ik heb vooral in de bibliotheek allerlei auteurs ontdekt.'

Geldt de relevantie tegenwoordig nog steeds?
'Voor kinderen wel, denk ik. De bibliotheek stelt hele werelden aan hen ter beschikking. Dat is een enorme rijkdom. Maar toen ik een tijdje in Den Haag voor de bibliotheek werkte in de vestiging in de Schilderswijk zag ik dat die plek voor veel kinderen meer betekende dan de boeken die er lagen. Het was een plek om opgevoed te worden of om elkaar te ontmoeten. Voor hen had het sociale functie. En dat zal voor veel anderen gelden, die daar bijvoorbeeld iedere dag hun krantje komen lezen. Zeker nu mensen minder lezen en meer informatie digitaal te vinden is, is het goed dat de verschillende functies van de bibliotheek naast elkaar kunnen bestaan.'

En kom jij nog in de bibliotheek?
'Ik ben geen lid meer. Ik lees veel academische filosofie. Daarvoor log ik in bij de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Andere boeken koop ik. Dat zie ik als mijn bijdrage aan het voortbestaan van de onafhankelijke boekhandel. Ik kom eigenlijk alleen nog in de bibliotheek om er op te treden. De presentatie van Het vogelhuis was bijvoorbeeld georganiseerd door De Nieuwe Boekhandel en de vestiging van de bibliotheek die ernaast zit. En soms ga ik naar de OBA voor een afspraak.'

Is de bibliotheek ook belangrijk voor je inkomsten uit leengeld?
'Nou nee. Ik kan er nog geen maand vaste lasten van betalen. Het maakte me ook niet zoveel uit. Ik vind het leuk dat mijn boeken nu hier staan en lezers ze kunnen ontdekken op dezelfde manier als ik vroeger obscure schrijvers ontdekte. Ik zou het ook mooi vinden als mijn boeken veel langer blijven staan dan in de boekhandel, al wordt de museum- en bewaarfunctie van de bibliotheek minder belangrijk door de digitalisering.'
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl)

vrijdag 9 maart 2018

Interview Jan Terlouw over Boekenweekgeschenk en de openbare bibliotheek (Bibliotheekblad)

Voor de auteur van het Boekenweekessay 2018 zijn bibliotheken essentieel. Jan Terlouw zal er in maart graag optreden om ook daar de boodschap van Natuurlijk te verkondigen: de natuur is schitterend, laten we haar niet verwoesten.

Zeven jaar oud was Jan Terlouw toen hij bij meester Malkenhorst in de klas kwam. 'Ik weet zijn naam nog precies', zegt hij in de woonkamer van zijn villa even buiten Twello. 'Op de eerste vrijdagmiddag opende hij een deurtje. Daarachter stonden allemaal gekafte boeken, wel honderd. Dit is nu de bibliotheek van de school, zei hij, jullie mogen iedere week een boek lenen. Dan lees je het, breng je het volgende week terug en dan mag je een nieuw boek lenen. Het feit dat ik me dat nog zo levendig herinner bewijst wat voor een ongelooflijk belangrijke ervaring dat voor mij is geweest. Ik heb het jarenlang gedaan: iedere vrijdag een nieuw boek lenen.'De 86-jarige kernfysicus, politicus en jeugdboekenschrijver is daarna nooit een grootgebruiker van de openbare bibliotheek geworden. Daarvoor kwamen er in zijn leven te veel boeken in huis. 'Mijn vrouw Alexandra, die eind augustus is overleden, was een echte bibliofiel. Zij kocht vrijwel iedere dag een boek, via de boekhandel of Boekwinkeltjes.nl. Er staan hier meer boeken dan het huis verdragen kan. En dan krijg ik nog steeds boeken opgestuurd om te recenseren of een voorwoord voor te schrijven. Kijk eens naar die twee stapeltjes. Dat is wat me de afgelopen twee weken is opgestuurd. Af en toe koop ik ook nog een boek dat ik nodig heb.'

De oud-minister van Economische Zaken en voormalig Commissaris van de Koningin kent de openbare bibliotheek vooral als auteur. Honderden keren heeft hij in een vestiging opgetreden, sinds hij in 1970 debuteerde met Pjotr en daarna snel naam maakte met hedendaagse klassiekers als Koning van Katoren (1971) en Oorlogswinter (1972). Een officiële functie in de bibliotheeksector als bestuurder heeft hij nooit gehad. Hooguit bemoeide hij zich zijdelings met bibliotheekbeleid. 'Door me te verzetten tegen bezuinigingen', zegt hij. Of als lid van commissies die er indirect mee te maken hadden, zoals de commissie conceptontwikkeling Groninger Forum.
De komende Boekenweek zal het niet anders zijn. Opnieuw maakt hij als auteur zijn opwachting in bibliotheken – ditmaal van het Boekenweekessay Natuurlijk, waarin hij het belang van de natuur verdedigt en oplossingen aandraagt om de aanstaande verwoesting van de aarde te voorkomen. In welke bibliotheken hij zal zijn was bij het interview nog niet bekend. 'Dat regelen de CPNB en De Schrijverscentrale. Zij weten veel beter dan ik wat goed is. Ik ben allang blij dat ik een auto met chauffeur krijg. Dan hoef ik me niet af te vragen hoe laat ik weg moet, hoe ik moet komen, waar ik kan parkeren. Héérlijk.'
Terlouw komt liever in bibliotheken dan in boekhandels. 'In signeersessies heb ik geen zin. Dan zit je daar gehaast je handtekening te zetten, omdat de volgende alweer staat te dringen. Ik wil wat zeggen, ik wil in discussie met het publiek. Dat kan alleen in bibliotheken. Tegenwoordig treed ik vaak op met mijn dochter Sanne [met wie hij een reeks detectives heeft geschreven]. Zij vertelt wat je allemaal kunt leren over schrijven. Zij is neerlandica, zij weet daar alles van. Maar zij besluit met: "En nu komt mijn vader, die zal zeggen dat het allemaal niet waar is". Want bij mij is het schrijven zomaar gekomen, omdat mijn vrouw zo aandrong dat ik de verhalen voor mijn kinderen opschreef.'
Steeds als hij weer zo'n 'prachtig mooie bibliotheek' betreedt, 'wordt mijn hart met blijdschap vervuld. We hebben toch fantastische bibliotheken in Nederland, die de altijd enthousiaste bibliothecaris mij iedere keer terecht met trots laat zien.' Een van hen was Hans van Velzen, met wie hij in de commissie conceptontwikkeling Groninger Forum zat. 'Hij had me uitgenodigd in de OBA. Ook een geweldige bibliotheek, waar overal mensen zaten te werken. Mooi om te zien. Hoewel een bibliotheek voor mij nog altijd om boeken draait, zie ik steeds vaker zie je vergaderzalen en werkruimtes in bibliotheken. Kennelijk voorziet dat in een behoefte.'

In de Boekenweek zal Terlouw zijn publiek in de bibliotheek ervan proberen te overtuigen hoe mooi, vernuftig en schitterend de natuur is. En hoe noodzakelijk het is voor ons eigen overleven dat we die behouden. Als hij dat net zo slim doet als in Natuurlijk zal hij zijn gehoor zeker meekregen. In het even heldere als geraffineerde betoog weet hij in het 64 pagina's tellende essay zijn lezers er eerst van te doordringen dat klimaatverandering niet alleen gaat over smeltende ijskappen en krimpende oerwouden, maar óók over de natuur in de achtertuin of het bos waar je wandelt. En daarna biedt hij een bedrieglijk simpele oplossing: stop met fossiele brandstoffen.
Terlouw gaat zo verder op het thema dat hij de laatste jaren tot zijn speerpunt heeft gemaakt. Vooral dankzij zijn optreden bij De Wereld Draait Door in november 2016, waar zijn bevlogen pleidooi een snaar raakte bij 1,5 miljoen kijkers – en de uitgeschreven versie van zijn verhaal vervolgens 13 weken in de Bestseller 60 stond – is hij in korte tijd een van de bekendste voorvechters van een duurzame toekomst in Nederland geworden. 'Misschien heb ik door dat optreden wel de uitnodiging gekregen', zegt hij onomwonden. 'Maar het is een mooie kans om mijn boodschap bij een breed publiek bekend te maken.'

Sinds de mens een jaar of vijfduizend geleden de natuur naar zijn hand begon te zetten door bijvoorbeeld dieren te domesticeren, doceert Terlouw, is er altijd 'een redelijk evenwicht' met de flora en fauna om ons geweest. 'Tot de laatste vijftig tot honderd jaar. Sindsdien slaat onze grip op de natuur door en bedreigen we die enorm met onze technische verworvenheden. Maar dat zien we pas als we er ons bewust van zijn. De politiek kan er ook pas wat aan doen als mensen het willen – en die willen het pas, als ze zich bewust zijn van het gevaar. Mijn boekje is een kleine bijdrage om mensen dat te laten inzien.'
Het probleem waarop hij zich concentreert is de opwarming van de aarde. 'Dat is het meest urgent', vindt Terlouw. 'In het verleden is het op aarde ook warmer geweest dat nu. Maar de opwarming gaat in onze tijd zo snel dat het leven op aarde zich daar niet op kan aanpassen. De oplossing daarvoor is eenvoudig: haal energie niet uit olie en gas, waardoor CO2 in de lucht komt, maar uit de zon – die het equivalent aan energie levert van tien miljoen vaten olie. Per aardbewoner, per seconde. Het is ook heel goed te doen om over te stappen op deze duurzame energie met behoud van welvaart.'
Hij erkent de macht der gewoonte van veel mensen om vast te houden aan bestaande energiebronnen. Hij onderschrijft ook de grote belangen van bedrijven die enorm hebben geïnvesteerd in fossiele brandstoffen. 'Er wordt jaarlijks nog enorm geïnvesteerd in boorplatforms, die bij een overgang naar duurzame energie geen rendement meer opleveren. Maar toch ben ik hoopvol. Er zijn al landen waar duurzame energie al concurrerend is met olie, hoewel olie vijf keer zo veel wordt gesubsidieerd. En zeker bij de jeugd neemt het bewustzijn toe. Het gaat alleen niet snel genoeg. Bij ongewijzigd beleid stijgt de temperatuur deze eeuw twee graden.'

Kan ook de bibliotheek een bijdrage leveren aan de groei van bewustzijn? 'Absoluut', vindt Terlouw. Dat kan alleen al door boeken beschikbaar te stellen. 'Iedere keer als een van onze vier kinderen voor het eerst naar school ging en daar zou gaan leren lezen en schrijven, heb ik hen voorgehouden dat dat het mooist geschenk van de samenleving is. Zo'n mooi geschenk dat je verplicht bent om het aan te nemen, want Nederland kent een leerplichtwet. Door te leren lezen, kun je kennis krijgen van alles wat er is bedacht. En bibliotheken zijn daarbij essentieel. Bibliotheken zijn de sleutel tot die wereld van kennis.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

woensdag 7 maart 2018

Wim Hazeu's Lucebert-biografie mist duiding en interpretatie (Athenaeum.nl)

De opsomming van citaten en feiten in Wim Hazeus biografie van Lucebert geven een goed beeld van diens eerste jaren als dichter en schilder. Dat de biograaf zich amper waagt aan analyse is echter een gemis.

Wat voor invloed had Luceberts kortstondige flirt met het nationaalsocialisme op zijn leven en werk? Na de stortvloed van nieuwsberichten, interviews en opiniestukken die de verschijning van Wim Hazeus biografie van de schilder en dichter op gang bracht, verwacht je dat het bijna duizend pagina's tellende boek daar antwoord op geeft. Helaas. Daar is deze biograaf het type niet voor. Hazeu is een boekhouder, die feiten en citaten bij elkaar heeft gezocht. Hij doet dat voorbeeldig, maar hij is geen schrijver die in zijn biografie een verhaal over Lucebert vertelt.
Hazeu, die eerder biografieën schreef van onder meer Gerrit Achterberg, Simon Vestdijk en Marten Toonder, vertelt in zijn inleiding dat hij het levensverhaal van Lucebert al had voltooid toen hij de beschikking kreeg over de brieven die zijn hoofdpersoon midden in de oorlog schreef aan een tot dan toe voor hem onbekende Tiny Koppijn. De lof voor Nazi-Duitsland, dat kort na aankomst als vrijwilliger voor de Arbeitseinsatz in 1943 zijn Wahlheimat werd, dwong hem tot 'herschrijven' van het boek.

Herschrijven is een groot woord. Hazeu heeft weinig meer gedaan dan de nieuwe informatie op de juiste chronologische plaats in zijn verhaal monteren. En in de rest van het boek, als Lucebert het contact met Koppijn heeft verbroken, heeft hij een terzijde toegevoegd aan passages die zich in Duitsland afspelen, waarin Lucebert wordt geconfronteerd met de herinnering aan de oorlog of als zijn levenspad dat van Hans Andreus kruist - zijn jeugdvriend met wie hij de bewondering voor de nationaalsocialistische bezetter deelde. Dat gaat dan zo:
'De zomer leek als vanouds een periode van onbekommerd werken, totdat Lucebert het bericht bereikte dat in de nacht van 8 op 9 juni 1977 in zijn slaapkamer te Putten, na een zware, het lichaam totaal afbrekende ziekte, zijn eenenvijftigjarige vriend Hans Andreus was overleden. Precies een jaar na de dood van de vijfenvijftigjarige dichter en essayist Paul Rodenko. Lucebert schreef in Spanje een emotioneel gedicht. [...] Met de dood van broeder Andreus was de enige dichter met wie Lucebert het geheim van een oorlogsverleden deelde, verdwenen.'
Het is typerend voor Hazeus werkwijze. Hij heeft alle briefwisselingen gelezen, relevante vrienden, collega's en nabestaanden geïnterviewd, het primaire en secundaire werk gelezen - en dat vervolgens opgesomd. Zijn eigen inbreng als schrijver van dit levensverhaal blijft beperkt tot het met tussenzinnen aan elkaar lassen van alle bij elkaar geschraapte feiten en dat voorzien van uiterst beknopt commentaar. Daaruit blijkt veelal Hazeus bewondering voor zijn hoofdpersoon. Of zijn afkeer van de kunstpolitiek van opeenvolgende ministers of iets dergelijks.

Alle feiten geven bij elkaar wel een goed beeld van Luceberts leven en carrière in de context van zijn tijd. Zeker in de beginjaren wekken de vele citaten pro en contra de dichter van 'Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia' en 'Ik tracht op poëtische wijze' een fraai indruk van de weerstand die de experimentele dichters destijds opriepen én de direct onaantastbare positie van Lucebert als de Keizer van de Vijftigers. Je voelt tussen de regels iets van de opwindende sfeer van de vernieuwingsdrang tegen de stroom in.
Raadselachtig is alleen waarom Lucebert als beeldend kunstenaar zo laat werd erkend. Hij viel al op als assistent van zijn vader, schilder van reclameborden, toen hij nog een puber was. En toch kreeg hij pas na twintig jaar bijna onafgebroken werken zijn eerste grote tentoonstellingen - waarna hij ook gelijk internationaal een van de succesvolste Nederlandse kunstenaars van zijn tijd werd. Maar waarom? Er zijn wel getuigenissen, van bijvoorbeeld Gerrit Kouwenaar, dat Luceberts dichterlijk talent meteen werd gezien. Die ontbreken voor Lucebert de schilder.
Het zij Hazeu vergeven. Anders is dat met het ontbreken van een rode draad. Naarmate de biografie vordert wordt dat een steeds groter gemis. Zodra Luceberts leven begin jaren zestig zijn bedding heeft gevonden - zeg vanaf bladzijde 500 - begint de boekhoudkundige opsomming steeds meer te irriteren. Expositie volgt op expositie, gedicht volgt op gedicht, incident volgt op incident. En Hazeu schrijft daarbij voortdurend onberedeneerde dingen op als: Luceberts optreden was het hoogtepunt van Poetry International. Wat word je daar wijzer van?

Zeker, er is die Tweede Wereldoorlog. Hazeu poneert dat die Luceberts leven heeft bepaald. Het geweld en de angst in de beslissende jeugdjaren zadelden hem op met het donkere mensbeeld waar zijn werk zo vaak van getuigt. Zijn eigen affaire met nazisme was een loodzwaar geheim dat de herinnering nog zwaarder maakt. Maar hij maakt die stelling nauwelijks aannemelijk. Hoe werkte de oorlog precies door in zijn leven? Waarom citeert Hazeu de dichter dan instemmend als hij zegt ook licht te zijn geweest? Hoe beïnvloedde het geheim Lucebert exact?
De oppervlakkigheid van deze biografie die daar het gevolg van is, doet je van de weeromstuit zelfs vraagtekens zetten bij Hazeus grote onthulling. In navolging van de neerlandici Marc van Oostendorp en Jos Joosten op het weblog Neerlandistiek.nl vraag ik me af hoe serieus we het 'Sieg Heil en Heil Hitler' van de achttienjarige Lucebert moeten nemen. De biograaf vertelt niets over de betekenis van de brieven op dát moment. Was Koppijn misschien een overtuigd nazi bij wie Lucebert in het gevlei wilde komen? Of eerder andersom? Het is een gemiste kans.
Het beste is dan ook om deze biografie te beschouwen als een aanzet. Als een bronnenverzameling op basis waarvan iemand anders te zijner tijd een definitieve biografie kan schrijven.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 5 mrt)