woensdag 16 november 2016

Interview met nieuwe CEO van WPG Patrick Swart: 'Eind dit jaar ligt er een plan voor de komende jaren' (Boekblad)

Na twee maanden interimdirecteur te zijn geweest is Patrick Swart benoemd tot algemeen directeur van WPG Uitgevers. Hij brengt kennis mee over het realiseren van digitale transities en heeft brede ervaring in het uitgeefvak. Een eerste kennismaking.

Waarom hebt u deze baan aangenomen?
'Als je voor zo'n fantastische baan wordt gevraagd, zeg je geen nee. Dat lijkt me niet moeilijk.'

Wat is er zo fantastisch aan WPG?
'Hoewel de afkorting WPG minder tot de verbeelding spreekt dan haar merken, is het een prachtige huis voor mooie uitgeefmerken. Ook is WPG in transitie. Logisch, we weten allemaal hoe de markt voor uitgevers in elkaar zit. Er liggen dus een aantal uitdagingen voor de komende jaren. Het zijn de uitdagingen waar alle grote uitgevers voor staan. Hoe kun je nieuwe omzet en rendementen realiseren? Welke innovaties zijn kansrijk en welke kun je ook realiseren? Hoe ga je om met nieuwe toetreders?'

U was hiervoor lange tijd partner bij GEA. Wat brengt u mee naar WPG?
'Ik heb veel ervaring met het daadwerkelijk maken van een veranderslag, met het implementeren en borgen van innovatie en het realiseren van cultuurverandering. De laatste vijftien jaar vooral in mediabedrijven. Ik was bijvoorbeeld programmamanager van Uitgeverij van de Toekomst, waar 120 uitgeverijen in samenwerking met elkaar innovatie probeerden te realiseren. Dan leer je wel hoe moeilijk het feitelijk is om succesvol te innoveren en deze ook bestendig te maken voor de toekomst. Ideeën zijn er echt genoeg. Ideeën zijn onuitputtelijk. Maar ze realiseren is een heel ander verhaal. Daarnaast heb ik mij als consultant en interim-manager binnen uitgeverijen vooral bezig gehouden met visie- en strategieontwikkeling, het begeleiden en modereren van directies bij het realiseren van verandering en heb ik brede ervaring met de bedrijfsmatige kant van het uitgeefvak. Zowel bij educatieve uitgevers als bij kranten, tijdschriften en boeken, maar ook binnen meer data- en digitaalgedreven organisaties.'

Van consultant die losse projecten doet wordt u nu zelf de eindverantwoordelijke voor een groot en divers bedrijf.
'Ja. Ik heb wellicht voor de buitenwereld een adviseursprofiel. Ik heb echter veel langlopende projecten gedaan en heb al een lange relatie met WPG. Binnen WPG heb ik mij de afgelopen zes jaar bij de verschillende werkmaatschappijen met tal van trajecten bezig gehouden. Ik heb bijvoorbeeld anderhalf jaar bij Zwijsen in Tilburg gezeten en vlak voor mijn overstap naar WPG nog zeven maanden als a.i. directeur. Maar ik heb ook voor WPG Media, toen de uitgever van veertien tijdschrifttitels, de redactieprocessen geoptimaliseerd en geïmplementeerd. Ik ken de organisatie en de mensen. Ik weet wat hier mogelijk is, met welke ambities de mensen rondlopen en hoeveel ‘drive’ er zit in de organisatie. Nogmaals, de keuze was makkelijk.'

Hoe ver staat WPG inmiddels met de transitie?
'Dat is denk ik vergelijkbaar met veel andere uitgeverijen. WPG heeft wellicht het imago van een olietanker waar je niet zomaar een speedboot van maakt. Maar ik loop hier nu in deze hoedanigheid een tweetal maanden rond en ben zeer positief verrast over de initiatieven en aanwezige dynamiek die ik bij alle werkmaatschappijen aantrof.'

Ook bij de boekenuitgeverijen?
'Ook bij hen. Het boekenvak is alleen minder innovatiegedreven dan de andere activiteiten van WPG. Een boek is een boek, of dat nu digitaal of print is, en de markt heeft een bepaalde omvang. De vernieuwing zit daarom meer in marketing- en salesgedrevenheid, de inzet en toepassing van datagedreven strategieën en het maximaliseren van de bereik en inzet van kanalen. Eigenlijk weten boekenuitgevers nog veel te weinig van hun lezers, de kopers van hun boek. In data- en channelmanagement liggen de kansen.'

Kunt u een concreet voorbeeld van een vernieuw project geven?
'Door dat nu te doen speel ik de concurrentie in de kaart. Ik maak graag de belofte binnenkort terug te komen op die vraag. Het is nu vooral zaak eind van dit jaar met een heldere strategie te komen voor de komende twee, drie jaar. Daarna praat ik graag inhoudelijk eens verder.'

In het persbericht bij uw benoeming wordt expliciet uw ervaring met digitale innovatie genoemd. Is dat de richting waar de verandering opgaat?
'Ja. Maar dat is een open deur. Wat zou dan de innovatie op papier zijn? Alle communicatie digitaliseert in snel tempo, gaat mobiel en wordt datagedreven. Dát is dus ook de route van de verandering voor uitgevers. Alle werkmaatschappijen bij WPG zijn daar al lange tijd mee bezig. In die zin: geen nieuws. Waar het vooral om gaat is de vraag: hoe richt je de organisatie daarop in? Veel digitale producten en diensten leveren weliswaar substantiële nieuwe omzet op, maar het rendement erop is lager dan we gewend zijn op onze papieren uitingen. Je compenseert je verlies aan printomzet dus niet helemaal. Dat heeft gevolgen voor de organisatie. Dat is de transitie die is ingezet.'

In het boekenvak zie je toch een herwaardering van het papieren boek?
'Zeker. Het zou ook waanzinnig zijn te denken dat het papieren boek verdwijnt. De bioscopen bijvoorbeeld hebben het het afgelopen jaar nog nooit zo goed gedaan – ondanks alle bedreigingen van video in de jaren tachtig tot Netflix nu. Het papieren boek blijft, ook in de toekomst. Alleen: de markt wordt niet groter, zelfs kleiner en er zal dus niet alleen een reshuffle plaatsvinden in de verhouding papier en digitaal. Ook in de wijze waarop we onze schaarse tijd aan lezen besteden én wie in een wereld van overcapaciteit komen bovendrijven.'

En wat bedoelt u met: in data- en channelmanagement liggen kansen?
'Datagedreven uitgeven is een buzzword. De afgelopen drie jaar heb ik mij intensief bezig gehouden met het ontwikkelen van datastrategieën voor met name boekenuitgevers. Kun je een best-seller voorspellen of een worst-seller voorkomen op basis van data-analyse? Dat kan, echt! Ik ontmoet veel scepsis als ik er met boekenuitgevers over praat, maar ik geloof er echt in. Dat gaat niet alleen over het optimaliseren van je marketing- & salesbezigheden, maar ook over het ontwikkelen van nieuwe producten. Ik voorzie daar op afzienbare termijn grote mogelijkheden en innovaties. En ook die verandering heeft gevolgen voor de uitgeeforganisatie, in dit geval voor de boekenuitgever.'

Tot slot: het directieteam is geheel vernieuwd, staat in het persbericht. Is WPG dus klaar om de komende jaren vorm te geven?
'Inderdaad. Alle directeuren zaten een jaar geleden nog niet op hun functie. Jeroen Overstijns is in oktober begonnen bij WPG België, Ludo Stroobants geeft vanaf september leiding aan Zwijsen en Johan de Koning die naast AW Bruna nu ook De Bezige Bij leidt. Alleen voor tijdschriften is er geen directeur benoemd. Maar wat niet is, kan nog komen. Structure follows strategy: het is mijn opdracht om een nieuwe strategie te ontwikkelen en vervolgens te kijken wat dat betekent voor de organisatie.'

De buitenwereld dacht wel: waarom gaat iedereen weg bij WPG?
'De wisselingen leiden tot fronzen of zelfs negatieve berichtgeving, dat klopt. Maar wat een nadeel lijkt, is zomaar een voordeel. Een nagenoeg nieuw team met een nieuw elan en dito ambitie geeft veel ruimte en energie om de uitdagingen waar we voor staan op te pakken. Een nieuw team geeft nieuwe snelheid en dat hebben we nodig in een wereld van disruptieve innovatie en continue verandering.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 10 nov)

dinsdag 15 november 2016

interview: Elisabeth Leijnse zocht bewust een uitgeverij die nooit schrijversbiografieën publiceert (Boekblad)

Hoe ervaren schrijvers boekhandels, uitgevers en de boekenvakorganisaties? Elisabeth Leijnse kreeg vorige maand de Libris Geschiedenis Prijs voor haar biografie over Cécile en Elsa de Jong van Beek en Donk. Ze roemt 'de vibes' waarmee De Geus haar boek uitgaf.

Leijnse (1961) werkt al hoogleraar letterkunde aan de Universiteit van Namen. Ze schrijft over de cultuur en literatuur van het fin de siècle. Ze werkte meer dan tien jaar aan Cécile en Elsa.Strijdbare freules – een dubbelbiografie over twee zussen die in die periode een belangrijke rol speelde. Cécile was schrijfster van onder meer de feministische roman Hilda van Suylenburg uit 1897. Elsa was de echtgenote van de componist Alphons Diepenbrock. De jury onder leiding van Henk van Os roemde het 'meeslepende' boek als 'levensgeschiedenis, cultuurgeschiedenis en maatschappijgeschiedenis ineen'.

Gefeliciteerd met de prijs. Wat betekent die voor u?
'Een grote blijk van waardering. Ik ben vreselijk blij met het juryrapport. En ik kan met het geld [20.000 euro, md] nu weer een sabbatical nemen om te schrijven.'

Hoe is uw boek tot stand gekomen?
'Ik had de brieven van Cécile de Jong van Beek en Donk gelezen in het Nederlands Muziek Instituut. Uit de Brieven en documenten van Alphons Diepenbrock wist ik hoe interessant ook Elsa was, zijn vrouw en Céciles zus. Haar dagboeken waren nog niet onderzocht. Ik schreef een brief aan Elsa’s kleindochter Odilia Vermeulen, die mij alle documenten van haar grootmoeder in bruikleen gaf, wat een vertrouwen! Gaandeweg stootte ik op steeds meer bronnen. Wonderlijk. Een vergeten kist met familiepapieren dook op. Een kleinzoon van Cécile bleek nog een archief te hebben. Wat ik nooit had gedacht bij aanvang: de volledige levens van deze vrouwen waren van geboorte tot dood gedocumenteerd. 15.000 bladzijden intieme bronnen over hun acties, motieven, gevoelens. Daar lag voor mij de essentie. Hoe bekend deze mensen waren, of ik ze door mijn boek bekender zou kunnen maken, speelde bij het schrijven geen enkele rol meer.'

Hoe heeft uw boek – inmiddels een jaar uit – verkocht? Welk effect zal de prijs daarop hebben?
'Er zijn 7000 exemplaren verkocht. Of dat veel is voor een boek uit dit genre, weet ik niet. Het is altijd een plezier om bij een boekhandel binnen te lopen en dan het boek te zien. Nu ligt het, vermoed ik, nog vaker op een in het oog springende plaats. Mijn uitgeverij De Geus vertelt me dat boekhandelaren het boek onmiddellijk na de prijs goed hebben ingekocht, en hoopt de verkoop naar 15.000 exemplaren te tillen.'

Heeft de boekhandel uw boek goed ondersteund?
'Enkele boekhandels hebben me uitgenodigd voor een lezing. Ik heb ook enthousiaste mails gekregen van boekhandelaren die het boek bij hun klanten aanbevelen. Maar behalve de Libris-boekhandels, en de boekwinkels in Amsterdam-Zuid en Den Haag (waar een deel van de biografie zich afspeelt), was het merendeel wat terughoudend in de promotie. Cécile en Elsa zijn geen bekende figuren en ik ben geen bekende auteur. Misschien dat de verkoopprijs heeft meegespeeld, hoewel 29,95 euro voor een dik, gebonden en rijk geïllustreerd boek niet te veel gevraagd is.'

Hoe bent u bij De Geus terecht gekomen – toch niet de uitgeverij die je als eerste associeert met een schrijversbiografie.
'Ik heb De Geus in 2004 een eerste hoofdstuk gestuurd juist omdat ze geen biografieën uitgaven. De Geus trok me ook aan omdat bekend staat dat ze auteurs goed begeleiden en toch vrij laten. Ik wilde inspraak in de vormgeving omdat ik mijn tekst in dialoog met het fotomateriaal schreef. Daarom wilde ik niet aankloppen bij uitgeverijen van biografieën met een vast format, zoals een katern voor foto’s. Acquirerend redacteur Sander van Vlerken schreef me onmiddellijk terug dat hij het boek wilde hebben. Dus de eerste uitgever die ik een hoofdstuk stuurde, zei ja. Ik denk dat Sander een risico nam, maar het voelde goed zei hij.'

Is de prijs op enigerlei wijze ook een verdienste van de uitgeverij?
'Tijdens het schrijfproces (twaalf jaar) is Sander uitgever geworden, Ad van den Kieboom werd mijn redacteur. Eigenlijk gaf hij me carte blanche, hij vond mijn tekst goed. Ad en ik liggen elkaar erg, stilistisch bedoel ik. In de laatste twee maanden raakte iedereen dolenthousiast over de freules, we hadden samen het gevoel dat we een topboek aan het maken waren. Eindredactrice Welmoed de Jong heeft dagen- en nachtenlang noten en register nagespeurd op foutjes. Sander heeft op de eerste dag van het drukken de persen laten stoppen om de fotokwaliteit nog te verbeteren. Wat een vibes! De opwinding van een groep vrienden die als een team de K2 beklimmen.'

Heeft De Geus u ondersteund met de pr?
'Op dit terrein is wel eens iets misgegaan. Niet op grote schaal, en alles kon weer worden hersteld. De recensie in NRC Handelsblad heeft veel betekend voor de verkoop. De uitgeverij heeft promotie gemaakt via de gebruikelijke kanalen en de boekhandel beeldmateriaal aangeboden om etalages te maken. Mijn eigen bijdrage is geweest dat ik bijna alle uitnodigingen voor lezingen en interviews heb kunnen aannemen. Maar ik weet dat het boek vooral verkoopt door mond-tot-mondreclame. Een boekhandelaar vertelde me dat op een dag één klant alle exemplaren uit zijn voorraad kwam kopen, twaalf stuks. Hij wilde het al zijn vrienden cadeau doen.'

De Geus werd na verschijnen van uw boek overgenomen door Singel Uitgeverijen en verhuisde naar Amsterdam. Maakt dat uit voor u?
'Ik heb geen verschil gemerkt, maar ik vond het heel fijn dat de overname na het uitkomen van mijn boek kwam. Het vertrek van Eric Visser en Annemie Jans, dat is wel een echt gemis. Ze hebben persoonlijk een stempel gedrukt op alle jaren dat ik met het boek bezig ben geweest. En jammer dat mooie pand in Breda te moeten missen. Daar heb ik, bijna zes jaar geleden, mijn huidige man leren kennen die ook bij De Geus publiceert.'

Welke veranderingen hebt u waargenomen door de overname?
'Tot dusverre geen.'

De uitreiking van de Libris Geschiedenisprijs was het sluitstuk van de Maand van de Geschiedenis. Hoe verklaart u de populariteit van het genre?
'Geschiedenis is, denk ik, altijd een onderwerp geweest dat een groot lezerspubliek trok. Het is waarover ik zelf het liefste lees. Waarom zou ik anders zijn dan anderen, of anderen anders dan ik? Ik vind het wel fijn dat ik schrijf over mensen uit de negentiende eeuw, die net genoeg geschiedenis zijn om een beetje vreemd te zijn (en over wie je kunt schrijven zonder hun kinderen te kwetsen), en toch nog dicht bij ons staan. Maar er is gewoonweg in elke tijd wel iets in elk onderwerp te vinden dat de interesse van het publiek wekt.'

Tot slot: u was de enige academicus op de shortlist. Wat raadt u andere academici aan om net zulke leesbare boeken voor een groter publiek te kunnen schrijven?

'Ont-academiseer. Vermijd jargon. Lees af en toe een goed geschreven detective. Je denkt beter als je eenvoudiger schrijft. Maar de grootste uitdaging voor een academicus die een mooi en goed boek wil schrijven is natuurlijk: tijdbeheer. Mijn adviezen? Choose your battles. Mijd congressen, onderzoeksgroepen, zogenaamd onmisbare netwerken, recepties. Beperk commissies en raden tot het sociaal aanvaardbare minimum. Weiger boekbesprekingen en perifere artikelen. Verover drie dagen schrijftijd per week, maar houd vooral je nabije collega’s te vriend. Ik ben echt gelukkig geworden van het schrijven van dit boek. Maar het was, op academisch niveau, wel schipperen. Eigenlijk zijn een full time academische baan en een biografie schrijven niet te combineren. Mij is het gelukt dankzij begripvolle collega's.'
(Eerder verschenen op Boekblad.nl, 7 nov)

Zie ook mijn recensie van dit boek.

maandag 14 november 2016

Interview Daniëlle Vermeulen van Rainbow: 'Een nieuwe pocketreekst zou betekenen dat er markt voor pockets is' (Boekblad)

Daniëlle Vermeulen is als uitgever van Rainbow het gezicht van de befaamde pocketreeks nu Maarten Muntinga per 1 november met pensioen is gegaan.

Hoe was de afgelopen week?
'Niet zo anders dan anders. Ik ben hartstikke druk met boeken maken. Dit is een drukke tijd voor ons. Intern was het vertrek van Maarten natuurlijk al een tijdje bekend. Alleen voor de buitenwereld kwam het onverwacht. Wij hadden vorige week vrijdag onze laatste werkdag samen. We zijn gaan lunchen en hebben teruggekeken op onze samenwerking van de laatste jaren. Het was een trotse terugblik op wat hij heeft bereikt, wat zijn mooiste momenten waren, hoe hij een echt merk heeft gebouwd. Ik vond dat een ongelooflijk mooie afsluiting van een prettige samenwerking.'

Heeft het nieuws veel reacties losgemaakt?
'Uiteraard. Er waren veel warme reacties voor Maarten. Dat hij van een welverdiende rust mag genieten. En voor mij dat er veel vertrouwen is dat het merk goed voortgezet zal gaan worden.'

Wat heeft hij voor jou betekend sinds jij in 2011 bij Rainbow begon?
'Ik kwam kort voor het faillissement [van 2012, md] en heb het allemaal meegemaakt – tot aan de doorstart onder De Harmonie. Dan leer je elkaar door dik en dun kennen. Maarten heeft met zoveel energie, doorzettingsvermogen en zijn vorm van eigenwijze koppigheid het merk neergezet en heeft daar altijd met hart en ziel aan gewerkt en straalt dat ook echt uit. Dat vond ik heel prettig. We hadden de laatste jaren een duidelijke rolverdeling. Hij richtte zich op de boekhandel en de verkoop, ik op de titelkeuze, samenwerking met andere uitgeverijen, vormgeving, de inhoud. Zo waren we mooi complementair.'

Wat verandert er nu voor jou?
'Niet veel. De werkwijze blijft hetzelfde. We blijven op dezelfde manier met uitgeverijen samenwerken en op dezelfde manier boeken distribueren. We blijven dat doen onder de vleugels van De Harmonie. Zeker omdat we met name de laatste twee jaar goed op koers zijn, is er geen reden die te verleggen. We willen alleen de site aanpakken – die lijkt nu mee te doen aan een wedstrijdje: hoe lang kun je een museum online houden? – en aanweziger zijn op de sociale media. Voor mij persoonlijk is het enige wat verandert dat Maarten altijd het gezicht van Rainbow was. Daar komt een nieuw gezicht voor in de plaats.'

Het gaat dus goed met Rainbow?
'Zeker. Elk jaar groeien we mooi. Een belangrijke reden daarvoor is dat we het vertrouwen van de boekhandel terug hebben gekregen. Wij hebben weer een goede plek, waardoor we zichtbaar zijn. Dat is volledig de verdienste van Maarten, hij is naar iedere boekhandel persoonlijk toegaan en heeft hen overtuigd Rainbow te blijven voeren. Ook het vertrouwen van de uitgeverijen waar we mee samenwerken – want het is echt sámenwerken – is groot. En vergeet Ron van Roon en b’IJ Barbara niet. Door hun heldere en opvallende vormgeving hebben ze ons echt weer op de kaart gezet.’

Niet door met extra kortingen te smijten?
'Totaal niet. Onze kortingen zijn 100% marktconform. Wel werken we nog steeds met een abonnementensysteem. Maarten had dat al in de jaren tachtig bedacht, maar voor het faillissement bestond dat alleen nog in sterk uitgedunde vorm. De boekhandel dacht toen: pockets, dat loopt niet meer, daar doen we niet meer aan. Na de doorstart twijfelde ik of abonnementen nog zouden werken, maar het blijkt een ongelooflijk fijne werkwijze. We liggen daardoor met een groter volume bij boekhandels. We zijn goed zichtbaar. Ook voor uitgeverijen maken de volumes het interessanter om met ons samen te werken.'

Is het fonds veranderd?
'Rainbow was 80% fictie en 20% non-fictie. We doen nu meer non-fictie, deels omdat ik zelf een non-fictielezer ben. Per maand is een van de vier titels non-fictie. Soms zelfs twee. Het klinkt onlogisch: non-fictie als pocket. Om pockets hangt een zweem van fictie – als snelle meepakker voor op vakantie – ook al doet de Olympusreeks het al lang goed met non-fictie. Maar het aanbod om uit te kiezen is veel breder, omdat uitgeverijen zelf minder non-fictie herexploiteren. En het verkoopt. Het verkoopt goed. Wij hebben een titel gedaan waarvan de uitgever zelf zei: doe het niet, dat boek loopt helemaal niet meer. Maar het ging als een speer. Het ging zelfs zo goed dat de uitgever de reguliere uitgave herdrukte.'

Wat is momenteel de bestlopende non-fictiepocket?
'Stil van Susan Cain. Nog maar een maand uit, maar dat loopt razendgoed. We hadden binnen een week een herdruk. In welke oplage? Nee, ik noem geen cijfers.'

Rainbow experimenteert ook met de vorm.
'Ja. We hebben à la onze Essentials voor poëzie ook zoiets voor fictie gedaan. We hebben bijvoorbeeld Het grote poezenboek van Annie M.G. Schmidt als zo’n klein gebonden boekje gebracht.  En deze week verschenen twee titels van Peter van Straaten – die wij al vanaf het allereerste begin in pocket uitgeven – met een papieren band en linnen rug: Hoezo oud? en Nog iets te vieren? We blijven ons concentreren op pocketuitgaven, maar af en toe een boek cadeauachtiger maken, experimenteren met herexploitatievormen, kijken hoe je een titel langer ‘levend’ kunt houden is alleen maar goed. En het slaat goed aan.’

Werken jullie momenteel met alle uitgeverijen samen?
'Ja. Het ene moment meer met de ene uitgeverij, het andere moment is een andere sterker vertegenwoordigd in ons aanbod.'

Want het valt op dat er eigenlijk geen concurrentie voor jullie is?
'Inderdaad. Ooit had je Salamander, Poema, Ooievaar, Zwarte Beertjes. Allemaal verdwenen. Alleen de Dwarsligger komt in de buurt van concurrentie, maar ik vind dat vooral additioneel. Het is een andere vorm van herexploitatie die heel goed naast de pocket kan bestaan. Ook verschuift het accent bij de Dwarsligger steeds meer richting gelijktijdig verschijnen met nieuw werk. Uitgevers herexploiteren natuurlijk zelf wel heel goed, er worden meer goedkope edities uitgegeven dan ooit tevoren en zo nu en dan verschijnt er ook wel weer een nieuwe reeks. Maar dat is wat anders dan een steady merk als Rainbow. Ik zou het wel toejuichen als er een nieuwe reeks komt, omdat dat aangeeft dat er markt voor is. Echt, concurrentie is alleen maar leuk.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 6 nov)

Zie ook:


zondag 13 november 2016

Des romans français: Fouad Laroui, 'Les noces fabuleuses du Polonais'

De vijf korte verhalen van Fouad Laroui, naast schrijver ook docent Frans aan de Universiteit van Amsterdam, kenmerken zich door een bepaalde lichtvoetigheid, maar raken tegelijkertijd aan essentiële waarden die ten grondslag liggen aan de omgang tussen mensen. Kun je elkaar altijd geloven of geloof je de ander ook tegen beter weten in? Is liefde te definiëren, en zo ja, moet je je dan ook aan je eigen definitie houden? Is het erg als je door een misverstand of miscommunicatie datgene verwerft wat je altijd nastreefde? Laroui geeft geen antwoord op deze vragen, maar presenteert ze op speelse wijze, bezien van uit de Marokkaanse cultuur.
Enkele verhalen spelen zich af in of rondom plekken waar verteld wordt, gediscussieerd, zoals op een school, in een restaurant of in een café. Mensen komen er samen om hun leven te delen. De lezer waant zich aan een belendend tafeltje, legt zijn oor te luisteren en geniet van de geschiedenissen die er de ronde doen, zoals in Trois mensonges de Torrès, het laatste verhaal van de bundel. Torrès, van wie iedereen weet dat hij dingen verzint, is een begenadig verteller. De luisteraars hangen aan zijn lippen, willen weten hoe het afloopt, proberen zijn verzinsels onderuit te halen. Maar steeds weer weet hij hen op het verkeerde been te zetten. Als ze er iets tegen inbrengen, zegt hij: Je me suis posé la question moi-même. Zo haal je de wind uit de zijlen van de tegenstander, je voegt je bij hem om vervolgens verder te vertellen.
Het titelverhaal handelt over een Poolse werkgever die zich op ludieke wijze in de luren laat leggen. Hij wil graag alles te weten komen van de Marokkaanse cultuur, schrijft woorden en uitdrukkingen op in een klein notitieboekje en slaat het aanbod om een typische lokale bruiloft van dichtbij mee te maken niet af. Maar dat dicht bij is wel heel dichtbij. De Pool is tandarts bij een internationaal bedrijf en heeft als een van de weinige hoger geplaatste medewerkers ook contact met de arbeiders. Een van hen belooft hem de ervaring van de bruiloft en hoewel je als lezer al snel door hebt dat het de verkeerde kant opgaat, ontspint het verhaal zich toch heel geloofwaardig. De naïeve Pool komt steeds een stapje verder in het proces. Hij koopt een mooi pak, doet aanbetalingen en hoewel hij zich verbaast over de hoogte ervan, denkt hij dat het klopt. Tot na de huwelijksnacht, dan wordt hem duidelijk waar het om ging. Maar is dat erg?
Hoe absurd het ook lijkt, juist door de cultuurverschillen, de naïviteit van de een en slinksheid van de ander, wordt het aannemelijk gemaakt. De lezer krijgt mededogen met zowel de Pool als zijn in de scène meegevoerde bruid. Het is een modern sprookje, de karakters hebben duidelijke eigenschappen en worden niet verder uitgediept.
In La toile mystérieuse eet een politiecommissaris met aanzien elke dag op hetzelfde tijdstip in hetzelfde restaurant. Zijn plekje wordt door de restauranthouder vrijgehouden, aan hetzelfde tafeltje. En dan hangt er ineens een schilderij aan de muur tegenover hem. Niet zonder bedoeling, blijkt achteraf. De commissaris wordt door slim nadenken op een spoor gezet en als een Marokkaanse Maigret ontdekt hij met een mysterieus schilderij als begin de waarheid achter een vreemde zelfmoord.
En af en toe neemt Laroui de Marokkaanse cultuur of het geloof op een vrolijke manier op de hak. Zoals in het verhaal van de Pool, die zich voor de zogenaamde bruiloft ook moet bekeren tot de islam. Hij is het er niet mee eens: Qu’est-ce que c’est cette religion ? Tu entres, on te coupe le zizi, tu sors, on te coupe la tête.
Het derde verhaal is meer een script: Géométrie de l’amour. Drie docenten op een middelbare school, twee vrouwen en een man, discussiëren in de pauze, onder andere over de liefde. Maar ook daar speelt weer de vraag: wat is waar? Zijn er universele waarheden, zoals vaak verwoord in spreekwoorden? Alain, de docent wiskunde, is het daar niet mee eens:

La sagesse populaire dit: <<Il n’y a pas de fumée sans feu.>> Or, c’est faux, c’est totalement faux : il y a des rumeurs parfaitement infondées, il y a des calomnies gratuites… Combien de malheureux ont vu leur vie, leur réputation ruinées à cause de ce genre de diction <<Il n’y a pas de fumée sans feu.>>, qui a l’air vrai, mais qui est en fait…une belle connerie.

De verhalen van Laroui zijn zeker de moeite waard en geven een interessant inkijkje in de Marokkaanse cultuur. In kleurrijk zinnen geeft hij aan dat de grens tussen waarheid en verzinsel dun is. Het is maar net wie het verhaal hoort en vooral: wat de lezer of luisteraar wil horen.

Arjen van Meijgaard 

donderdag 10 november 2016

Is een renaissance voor de Afrikaanse literatuur in Nederland mogelijk? (Boekblad)

De Afrikaanse literatuur heeft iets wat je in Nederlandse romans en verhalen zelden tegenkomt, vindt Rob van der Veer. Geen wonder dus dat de vertaler Engels er volledig door werd gegrepen toen hij besloot ook vertaler Afrikaans te worden en een tijd alleen nog literatuur in deze taal las. Hij noemt zich zelfs 'geobsedeerd'. Hij verslond alles wat het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam hem te bieden had. En dat is veel. De bibliotheek heeft de grootste collectie Afrikaanse literatuur in Europa.
'Het is een schitterend leeg land waarin de ruimte vaak een hoofdrol speelt', somt Van der Veer op. 'Zuid-Afrika heeft gezien zijn ligging ook lange tijd iets van een eiland gehad. Dat heeft geleid tot bijzondere literaire vormen en stijlen, zoals ook Nieuw-Zeeland als eiland een unieke flora en fauna heeft. En, ten derde, de talrijke conflictsituaties geven de literatuur veel dynamiek. Conflicten rond huidskleur, ook nu nog. Conflicten door de kloof tussen arm en rijk. De criminaliteit.'
Het zijn argumenten die ook andere liefhebbers van Afrikaanse literatuur noemen. 'Afrikaanse literatuur behandelt problemen als identiteit of het hebben van een dak boven je hoofd heel concreet. Nederlandse literatuur onderzoekt dat abstracter en filosofischer', zegt vertaalster en agente Ingrid Glorie. 'In een tijd van spanningen rond religie en immigratie is het verschrikkelijk relevant om te lezen hoe die onderwerpen leven in Zuid-Afrika,' meent uitgever Joost Nijsen van Podium.

Toch is de Afrikaanse literatuur weinig bekend in Nederland. André Brink, Ingrid Jonker, Elisabeth Eybers – slechts een paar grote namen uit het recente verleden doen een belletje rinkelen. Net als die van nog levende auteurs als Breyten Breytenbach, Etienne van Heerden, Marlene van Niekerk, Antjie Krog, Riana Schepers en natuurlijk thrillerauteur Deon Meyer. Maar verder? Er verschijnen hooguit tien titels in vertaling per jaar. Bestsellers zijn het zelden.
De tweejaarlijkse Week van de Afrikaanse roman moet daar verandering in brengen. Van 16 tot en met 25 september vindt de tweede editie plaats. Zes schrijvers treden in die periode op verschillende plaatsen in Nederland en Vlaanderen op. De grote ster is Marlene van Niekerk. De anderen zijn François Smith, Marita van der Vyver, Ena Jansen, Simon Bruinders en Lien Botha. Alleen de eerste twee zijn al vertaald in het Nederlands. Van Jansen en Bruinders verschijnt werk tijdens de Week.
Glorie is de motor achter het evenement. 'Het idee ontstond toen uitgeverij Mozaïek Irma Joubert naar Nederland haalde. Zij is ontzettend populair bij haar christelijke achterban. Zij is, zoals zo veel Afrikanen, een geweldige verteller en verkoopt tienduizenden exemplaren van haar werk. Alleen: buiten dat circuit heeft niemand ooit van haar gehoord. Mozaïek wilde graag een brug slaan naar de algemene boekhandel. Toen hebben we ook andere auteurs, als Van Heerden, uitgenodigd.'

Op het eerste gezicht lijkt het gebrek aan belangstelling voor de Afrikaanse literatuur vreemd. Nederland heeft toch veel nauwere banden met het land dan met, zeg, Bulgarije of IJsland? Sinds Jan van Riebeeck in 1652 een nederzetting stichtte in de Tafelbaai had Nederland anderhalve eeuw een kolonie in Zuid-Afrika. Ook daarna, tijdens de Boerenoorlogen (1880-1881 en 1899-1902) en het Apartheidsregime, werd het nieuws uit het land altijd op de voet gevolgd.
Het Afrikaans ontstond uit de taal die ooit op de VOC-schepen werd gesproken. Dat was al een verbasterd Nederlands, door de vele Duitsers en Scandinaviërs aan boord. Maar ook al is de taal sindsdien beïnvloed door de inheemse talen van de oorspronkelijke bewoners, het Maleis van slaven uit Nederlands-Indië en het Engels – de woordenschat van het Afrikaans komt nog altijd voor zeventig procent overeen met het Nederlands. Afrikaanssprekenden zijn daarom, met enige moeite, zonder tolken goed te volgen.
Glorie en Van der Veer ontkennen de banden niet. 'Maar in de praktijk is het een klein groepje dat zich door taal en geschiedenis laat leiden', zegt de laatste. 'Bovendien lees je geen literatuur om iets te leren, maar omdat de boeken je grijpen. Het moet gewoon goede literatuur zijn.' Alleen Nijsen denkt dat de taalkundige en historische verbindingen lezers prikkelen. Zeker bij poëzie. 'Bij Podium geven we tweetalige poëzie uit: Krog, Jonker, Ronelda Kamfer. Dat loopt goed omdat mensen het Nederlands met het Afrikaans kunnen en willen vergelijken.'
Daar komt bij dat promotoren van Afrikaanse literatuur de potentieel geïnteresseerden liever niet wijzen op de verwantschap. Ten tijde van de Boerenoorlogen voelde iedere Nederlander zich bloedbroeder van de voor hun eigen staat strijdende Boeren. Tegenwoordig beland je al snel in een nationalistisch kamp van iemand als PVV-politicus Martin Bosma, die zich omwille van de verwantschap al jaren inzet voor het Afrikaans. Glorie: 'In die sfeer willen we de Week niet trekken.'

In de jaren 1990 kende de Afrikaanse literatuur nog een hausse. De culturele boycot werd opgeheven, waardoor een gevoel ontstond: wat hebben we in Nederland allemaal gemist? Riet de Jong-Goossens werd na haar debuut als vertaalster in 1988 zeer actief. En ambassadeurs zetten zich in voor de taal: Gerrit Komrij met zijn bloemlezing en vertalingen van Afrikaanse poëzie, de in Zuid-Afrika opgegroeide Henk van Woerden als documentairemaker en adviseur van Winternachten.
'Alles zat mee', zegt Glorie. 'Het was ook de tijd van Nelson Mandela. Zijn regenboognatie riep heel veel positieve gevoelens op. Dat is allemaal verdwenen. Komrij en Van Woerden zijn overleden. Uitgevers die zich gretig op de markt stortten werden huiverig toen ze ontdekten dat de vertaalde romans niet zó goed verkochten. En Zuid-Afrika werd – met alle berichtgeving over criminaliteit en corruptie – langzaam een land als andere landen.'
Zo is de Afrikaanse literatuur afhankelijk geworden van een enkele uitgever 'die het weer eens probeert', zegt Van der Veer. Zoals Brevier, die kort na elkaar drie romans van Karel Schoeman uitgaf: Dit leven, Het uur van de engel en Verliesfontein – alle vertaald door Van der Veer. 'Ik vind het dapper van ze. En terecht: de magistrale Schoeman is niet voor niets Nobelprijskandidaat. Maar het risico is dat ook Brevier er snel mee ophoudt als blijkt dat het minder goed loopt dan gehoopt.'
Op steun van Zuid-Afrika hoeft niemand te rekenen. De tijd dat de overheid het Afrikaans grootschalig ondersteunde en promootte, omdat het de taal van een groot deel van de heersende blanke klasse was, is met het einde van de Apartheid voorbij. Het is nu een van de 11 officiële talen, gesproken door circa zeven miljoen mensen. Als de regering al zou overwegen vertaalsubsidies in te stellen, zou het in alle talen geld moeten steken. Alleen daarom al is het momenteel ondenkbaar dat het ooit gebeurt.

Er is maar een uitgeverij die al langere tijd structureel Afrikaanse literatuur uitgeeft: Podium. Dankzij fondsauteur Henk van Woerden raakte Nijsen geïnteresseerd. 'Hij wees me op Ingrid Jonker. Dat heb ik lange tijd niet willen doen. Tot ik haar daadwerkelijk las en we Ik herhaal je uitgaven. Langzaam kom je dan in een netwerk terecht, waardoor je weer andere dingen krijgt aangeboden. Vanuit Zuid-Afrika ervaar ik veel dankbaarheid dat ik me zo serieus voor hun literatuur inzet.'
Hij geeft toe dat Afrikaanse literatuur mondjesmaat verkoopt – op Jonker en Krog na. Een Zuid-Afrikaanse bibliotheek moest hij om die reden na vier van de geplande tien delen staken. De recente briefwisseling tussen Jonker en Brink is tot Nijsens verbazing ondanks zeer lovende recensies niet aan herdruk toe. Het publiek voor Breytenbach, ooit een icoon van de anti-Apartheidstrijd, is sterk gekrompen. Maar Podium gaat door. In 2017 volgen vertalingen van poëzie van Kamfer en Breytenbach en een roman van Willem Anker.
Nijsen: 'Eigenlijk heb je een megaseller als Honderd jaar eenzaamheid nodig, die in de jaren zeventig en tachtig als een magneet werkte voor de Latijns-Amerikaanse literatuur. Hopelijk wordt Buys van Willem Anker, onze grote titel van volgend jaar, die bestseller. Het is een soort Wieringa – door de stijl – meets Rosenboom, omdat het een historische roman is over de zeer spraakmakende Coenraad de Buys. Karina van Santen en Rob van der Veer vertalen het voor ons.'

Maar ook zonder megaseller zijn de tekenen gunstig. De Jong-Goossens heeft niet langer het monopolie als vertaalster. Er zijn nieuwe namen bijgekomen, zoals ook Martine Vosmaer en Dorien de Vries. Er zijn nog altijd prominente ambassadeurs voor het Afrikaans zoals Adriaan van Dis en Tom Lanoye, die meewerken aan de Week van de Afrikaanse roman. En Bieke van Aggelen heeft zich als agent in Johannesburg gevestigd om Zuid-Afrikaanse literatuur in al haar officiële talen onder de aandacht van uitgevers te brengen.
Bovendien heeft het einde van de Apartheid gezorgd voor een nieuwe dynamiek in de literatuur. Er ontstond ruimte voor nieuwe thema's – al blijft de verwerking van het verleden een belangrijk thema. En belangrijker: er ontstond ruimte voor andere stemmen. Afrikaans wordt ook gesproken door arme, bruine mensen die een podium voor zich opeisen. Kamfer is tot nu toe de enige representant van deze groep die is vertaald, maar er zullen onherroepelijk meer volgen.

En dan is er nog de Week van de Afrikaanse roman – die volgens Nijsen, zeker gezien het gebrek aan middelen, 'heel belangrijk missiewerk verricht, vooral dankzij Ingrid Glorie, die onvermoeibaar knokt voor Afrikaanse literatuur'. De doelstellingen zijn misschien bescheiden, dankzij de week maken toch een aantal lezers voor het eerst kennis met deze literatuur. 'Alleen al de ontdekking dat je Afrikaans kunt verstaan, kan al zo'n eyeopener zijn om eens wat te gaan lezen', aldus Glorie.
(Eerder verschenen in Boekblad magazine sep 2016)

Zie ook: