zaterdag 11 november 2017

The Gold Edition van 'Het geheim van de meester' kost 49.034,95 euro (Boekblad)


Mark Zegeling noemt het 'het meest exclusieve boek van het jaar'. Gisteren presenteerde zijn uitgeverij MarkMedia & Art de limited edition van Het geheim van de meester. Het boek van 49.034,95 euro is gewoon te bestellen bij de boekhandel.

The Gold Edition van het door Zegeling geschreven boek is bekleed met 23 karaat bladgoud en afgewerkt met een patroon van 18 karaat goud in de vorm van de Fibonacci-krul, afgezet met druppelvormige parels en boutonparels. Alleen al voor het maken van de cover – dat verwijst naar Vermeers Meisje met de parel – is bijna een kilo goud verwerkt. De oplage is één exemplaar. Het boek is zo exclusief dat directeur Hans Willem Cortenraad van CB het aanstaande vrijdag bij aankomst in Culemborg persoonlijk in ontvangst wil nemen.
'Het geheim van de meester – naar het tv-programma van AVROTROS en de daarvan afgeleide theatertournee langs veertien schouwburgen – gaat over oude meesters en vakmanschap', vertelt Zegeling. 'En over moderne techniek: met röntgen-, infrarood-foto's en XRF-scans wordt gezocht naar nieuwe informatie onder de lagen verf en vernis van meesterwerken van onder andere Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan. De limited edition moest daarom een eerbetoon zijn aan vakmanschap én moderne techniek. Ik heb het daarom laten maken door bedrijven met een lange traditie van samen 550 jaar.'
Daarbij: voor zijn eerste boek Sterke verhalen uit 2013, over de geheimen achter de gevels van de KLM-huisje, heeft Zegeling tot twee keer toe een limited edition gemaakt met een kaft van porselein – een keer voor de Nederlandse en een keer voor de Engelse editie. 'Porselein wordt het witte goud genoemd. Dus dacht ik: laat ik nu een uitvoering van echt goud maken. Door die uitgave weet ik ook dat je altijd wel kopers vindt als je met iets bijzonders komt – en een koper daar het geld voor heeft.'
Zegeling toonde The Gold Edition gisteren voor het eerst in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag tijdens het theatercollege dat de makers van het tv-programma daar gaven. Vrijdag gaat het naar CB. 'De prijs bestaat alleen uit zo veel cijfers dat de software van CB er niet op berekend is. Eigenlijk moeten ze het systeem aanpassen, maar daarvoor moet het hele systeem plat. Dat kan natuurlijk niet. Ze proberen het op te lossen, maar bij de testfase ging al iets mis. Het boek kan wel worden gescand: achterop zit een gouden plaatje met het ISBN.'
De uitgave zal ook worden getoond op de PAN Amsterdam, die van 19 tot en met 26 november plaatsvindt. Daarna kan het naar de koper. 'Er is al belangstelling. Van iemand die zich heeft gemeld bij juwelier Steltman, die het omslag heeft afgewerkt. Maar het kan ook via de boekhandel worden verkocht. In het geval dat de boekhandel ons in contact brengt met de koper – naar wie het boek brengen om te laten zien – krijgt deze speciale korting van 2% [ofwel: 980,70 euro]. Ik heb geen folders verspreid. Ik vertrouw erop dat ze via de media-aandacht op de hoogte zullen raken van dit boek.'
Zegeling was als historisch onderzoeker betrokken bij het tv-programma van AVROTROS. Hij besloot daarop een boek te schrijven over hetzelfde onderwerp. Maar: onafhankelijk van de omroep, om niet in problemen te komen met de mediawet. 'Ik heb ook veel informatie toegevoegd. En ook voor wie het programma niet heeft gezien is het goed te volgen. De gewone editie is vorige week verschenen in een oplage van 5000 stuks. De verkoop gaat meteen goed, maar kan zeker nog wel een push gebruiken.'

Hier is een film te zien over het maken van het boek.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 7 nov)

vrijdag 10 november 2017

Studio Sesam presenteert tweede reeks 'superdiverse' kinderboeken (Boekblad)


Studio Sesam presenteerde vorige week de tweede reeks 'superdiverse' kinderboeken. De boeken ontstonden uit een ontwikkeltraject met schrijvers en illustratoren met alle mogelijke achtergronden.

De reeks bestaat uit acht verhalen gebundeld in vier prentenboeken voor kinderen van drie tot negen jaar plus een peuterboekje. De boeken zijn gemaakt door vijftien schrijvers en illustratoren die vorig jaar oktober zijn geselecteerd uit 220 aanmeldingen – plus Atilla Erdem en Olivia van Trigt. Zij volgden workshops, kregen schrijftrainingen, praatten in scholen met kinderen over verhaalideeën en werden daarna tijdens het maken gecoacht door professionele redacteuren en illustratoren.
'Omdat we nu ervaring hadden, ging dit traject veel sneller', zegt Ingrid Tiggelovend van het Vlaamse Studio Sesam. 'Ook hebben we nu een thema opgelegd om zo het aanbod diverser te maken. In de eerste reeks gingen de boeken over universele thema's als vriendschap, nu ging het directer over autisme, migratie/integratie, rolpatronen of vluchtelingen . Zo geven we kinderen die bijvoorbeeld zijn gevlucht – en er zíjn veel minderjarige asielzoekers – een verhaal over hun omstandigheden.'
De belangstelling om deel te nemen was veel groter dan bij de eerste editie, toen er 120 aanmeldingen waren. Tiggelovend: 'We werden een beetje overstroomd door wie allemaal wilde deelnemen. Tijdens een grote informatiebijeenkomst in de bibliotheek van Antwerpen was de zaal met 100 zitplaatsen heel snel de zaal volgeboekt. En ook nu worden we al gebeld en gemaild met de vraag wanneer de derde editie van start gaat. Helaas hebben we daar momenteel nog geen subsidie voor – en zonder kunnen we het intensieve traject niet aanbieden.'
Dat reflecteert zich in de groeiende interesse bij de boekhandel. 'Onze verdeler EPO heeft de boeken ook veel prominenter op zijn stand op de Boekenbeurs neergezet', vertelt Tiggelovend. 'De vorige keer waren ze een beetje in een hoekje weggestopt. De interesse is ook groter omdat we het nu uitbrengen als A-boek en niet meer als S-boek. Dat hadden we toen gedaan uit financiële vrees. Daardoor werden de boeken toen vooral afgenomen door onderwijs, bibliotheken, het jeugdwerk en dergelijke.'
Tiggelovend is ook te spreken over de groeiende belangstelling voor diversiteit in het boekenvak. Het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren stellen subsidies beschikbaar. Er is in Nederland in Rose Stories een soortgelijk initiatief opgestaan. Mylo Freeman weet ook internationaal steeds meer succes te boeken met haar Prinses Araballa-reeks. En een uitgeverij als Blossom Books organiseerde op de Boekenbeurs een debat over 'We Need Diverse Books'. 
'Ik zie echt een toenemende interesse om hier iets mee te doen', zegt Tiggelovend. 'Ook bij commerciële uitgeverijen. Floor Tinga die voor deze reeks met Ilse Hermans Stapelgek heeft gemaakt, hebben samen nu een contract getekend bij De Eenhoorn. Fatinha Ramos van de eerste reeks is ook doorgebroken en won de Excellence Award op Frankfurter Buchmesse. Pelckmans vroeg mij eerder al om naar een aantal educatieve boeken te kijken of daarin genoeg aandacht is voor diversiteit en er geen stereotypen in voorkomen.'
De vier dubbel-prentenboeken zijn gedrukt in een oplage van 1.250 exemplaren per uitgave, het peuterboekje Feest voor Ilyas van Khadija Timouzar en Mijke Coebergh in 1.000  exemplaren. De prentenboeken meten 21 bij 21 centimeter, tellen 56 pagina's en kosten 14,95 euro. Het peuterboekje, dat ook vertaalde woorden in het Arabisch, Pools, Frans, Turks, Papiaments en Sranantongo bevat, meet 21 bij 16 centimeter, telt 24 pagina's, en kost 12,95 euro. De prentenboeken zijn voor 49,95 euro ook verkrijgbaar in één Sesam-box.
Meer over het onderwerp diversiteit in kinderboeken in het eerstvolgende Boekblad magazine. De boeken worden ook gepresenteerd tijdens het Sesam-festival op 12 december in het Zuiderpershuis in Antwerpen.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 6 nov)

woensdag 8 november 2017

Interview Arjen van Meijgaard: een debutant moet gebruik maken van zijn netwerk (Boekblad)

In het najaar ontvangt de boekhandel een overstelpende hoeveelheid nieuwe titels. Hoe zorg je er als debutant bij een kleine uitgeverij voor dat ook jouw boek opvalt? Arjen van Meijgaard, auteur van de roman We hebben alles bij ons (In de Knipscheer), maakt dankbaar gebruik van het netwerk dat hij in het boekenvak heeft opgebouwd– én het netwerk van vrienden en bekenden.

Gefeliciteerd met je debuut. Is er een droom uitgekomen?
'Ja en nee. Ik was al langer bezig met dit boek en in het begin, als het voor je gevoel af is, wil je dat er natuurlijk snel iets mee gebeurt. Ik ben de afgelopen jaren weleens bij een uitgeverij uitgenodigd om over mijn manuscript te praten, maar dat liep uiteindelijk helaas om verschillende redenen op niets uit. Ik bleef schaven en schuren aan de tekst en stuurde het dan weer eens op. Ik rekende steeds minder op een uitgave en op het moment dat ik er het minst mee bezig was, kwam de vraag van hoofdredacteur Cor Gout van literair tijdschrift Extaze of ik wilde debuteren in hun debutantenreeks bij In de Knipscheer. De droom van de publicatie van We hebben alles bij ons kwam dus toch uit, maar nu begint de tweede droom: dat het verkocht en gelezen wordt en dat er nog een boek volgt. De ene droom wekt dus de volgende op.'

Hoe ben je precies bij In de Knipscheer gekomen?
'Via Extaze dus. Het is een sympathiek en mooi vormgegeven Haags tijdschrift dat naast beschouwingen en essays over verschillende onderwerpen een podium biedt aan beginnende schrijvers en dichters. Ik heb daar een paar keer een verhaal in gepubliceerd. Ook in nummer 24, dat morgen wordt gepubliceerd, staat weer een verhaal van mij. De debutantenreeks die Extaze heeft met In de Knipscheer is volgens mij vrij uniek. Mijn roman is het vierde deel in de Extaze-reeks.'

In de Knipscheer was dus niet je eerste keus. Is het toch de uitgeverij van je dromen gebleken?
'Als je een beetje thuis bent in het boekenvak, dan ken je de meeste uitgeverijen. Ik heb een paar jaar bij Broese in Utrecht en Verwijs in Den Haag gewerkt. Als ik toen nadacht over een eigen uitgave, had ik zo mijn voorkeuren: Meulenhoff omdat Patrick Modiano daar destijds werd uitgegeven, een schrijver die ik graag lees. Of Cossee omdat die uitgaves mooi zijn en ze ook wat minder gangbare schrijvers publiceren. Maar op dit moment zijn de kleinschaligheid en het idealisme van In de Knipscheer mij zeer welkom. De betrokkenheid van de redactie van Extaze en Franc Knipscheer is groot. En zonder hen was deze droom niet uitgekomen.'

Kan de uitgeverij ervoor zorgen dat het een bestseller wordt?
'Een bestseller zou leuk zijn, maar hoeft niet van mij. Dat klinkt misschien makkelijk omdat die kans ook minimaal is, maar alle aandacht en rompslomp die dat met zich meebrengen: ik kan me niet voorstellen dat ik daar ontzettend blij van word. Het is natuurlijk wel belangrijk dat het boek aandacht krijgt met bijvoorbeeld wat recensies en wie weet een nominatie. En dat het goed verkoopt is natuurlijk ook van belang, bijvoorbeeld dat de eerste druk over een jaar uitverkocht is. Dat lijkt me al een mooi streven op zich.'

Maar er verschijnen - juist in deze tijd van het jaar – zo veel nieuwe titels. Waarom zouden lezers uitgerekend jóúw boek moeten lezen?
'Omdat het te midden van die hele turbulente stroom boeken een rustige titel is en een mooie uitgave. Het is een tragikomische road novel, de stijl is luchtig, het verhaal is serieus. De hoofdpersoon – een man van een jaar of dertig – helpt zijn vader emigreren naar Portugal. Omdat zijn ouders zijn gescheiden toen hij tien was, beschouwt hij de reis als dé kans om elkaar te leren kennen. Gaandeweg wordt dan duidelijk hoeveel impact de scheiding heeft gehad op zijn leven. En dat ze meer op elkaar lijken dan hij had gehoopt. Niet alleen kinderen en ouders die een scheiding hebben meegemaakt zullen er dingen in herkennen. Ieder kind wil gezien worden door zijn vader en moeder, heeft liefde en aandacht nodig. En welke gevolgen heeft het als je die niet krijgt?'

Is je debuut wel goed ingekocht?
'Een netwerk is in elk vak belangrijk. Gelukkig ken ik dankzij mijn verleden een aantal boekhandelaren en die hebben het ingekocht, dat is erg fijn. Het was ook zeer sympathiek dat Athenaeum Boekhandel – voor wie ik Franse literatuur recenseer – een voorpublicatie op hun website heeft geplaatst. En jij wil me interviewen. Zelf ben ik ook boekhandels aan het benaderen om te vragen of ze een stapeltje ter consignatie willen neerleggen, en bekenden en collega’s helpen me daarbij. Op die manier is het dan straks in ieder geval op verschillende plekken in Nederland te krijgen, van Heemstede tot Velp en van Utrecht tot Maassluis. En dat is het belangrijkste, dat het een tijdje op tafel ligt, zodat mensen het oppakken, de achterflap lezen of de eerste bladzijde en het dan meenemen naar de kassa. Gelukkig werk ik op twee middelbare scholen waar leerlingen het op hun eindlijst mogen zetten, dat helpt natuurlijk ook. Zeker als ze dat de komende jaren blijven doen.'

Wat gaat de uitgeverij doen om je boek aan de man te brengen?
'De boekhandels informeren, het boek onder de aandacht van de pers brengen. Via sociale media is er al aandacht aan besteed, ook door tijdschrift Extaze. De boekpresentatie vorige week in boekhandel Douwes was een dubbelpresentatie met deel 5 uit de Extaze-reeks: Rotgeluk van Kristien De Wolf. Zij komt uit Vlaanderen en doet daar nog een presentatie, dus ik hoop dat ik daar ook over mijn roman kan komen vertellen.'

'In de Knipscheer is een kleine uitgeverij met weinig mankracht. De uitgever zelf is ontzettend actief met het onder de aandacht brengen en verzorgen van zijn fonds, dat toch aanzienlijk. Maar ik vind het niet meer dan logisch dat een auteur zelf ook veel aan pr doet. Het lijkt me juist niet van deze tijd om achterover te leunen en af te wachten wat er allemaal voor je geregeld wordt. Het is bovendien leuk om te doen, merk ik: aandacht voor je eigen boek genereren.'

Wat is er leuk aan?
'Het durven vertellen over je boek en dan merken dat mensen oprecht geïnteresseerd zijn. Ik merk dat je ook op een bescheiden manier effectief om aandacht kunt vragen. Opdringerigheid vind ik zelf heel vervelend, maar laten zien: "Dit ben ik en dit heb ik te bieden, wil je er wat mee?" blijkt dus ook te werken. Het is natuurlijk helemaal leuk als je bij een boekwinkel langsgaat om te vragen of ze het willen neerleggen en je ziet het al in de etalage liggen, zoals mij vorige week overkwam bij De Haagse Boekerij. Dan ga ik wel even naar binnen om te bedanken.'

Wanneer beschouw je je debuut als een succes?
'Ten eerste als er hier en daar aandacht aan besteed wordt, maar vooral als de mensen die We hebben alles bij ons lezen het waarderen. Een aantal mensen had het la direct het weekend na de presentatie uit en mailden me dat ze onder de indruk waren. Dat is fijn om te horen. Vervolgens zie ik dit debuut als een succes wanneer er nog een tweede en hopelijk derde boek op volgt. Ik houd daarbij Nescio en Elsschot in mijn achterhoofd: schrijvers van een klein maar indrukwekkend oeuvre. Maar wie weet, heb ik straks de smaak goed te pakken en volgen er nog veel meer boeken. Modiano blijft ook wat dat betreft mijn grote voorbeeld.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 1 nov) 

maandag 6 november 2017

De eerste lichting studenten over de opleiding tot community librarian (Bibliotheekblad)

Na lange voorbereiding ging half mei de post-hbo-opleiding Community Librarian van Cubiss van start. De bibliothecarissen onder de 36 die zijn toegelaten hopen te leren netwerken op te bouwen en nieuwe diensten van de bibliotheek te introduceren op basis van samenwerking met maatschappelijke partners en echte kennis over hun behoeften.

Apetrots stonden de mensen van Cubiss erbij die het allemaal mogelijk hebben gemaakt. Op deze vrijdag 12 mei was het dan zo ver. De eerste lichting van zestien studenten – veertien vrouwen, twee mannen – begon in het Tilburgse gebouw van de Provinciale Ondersteuningsinstelling voor Brabant en Limburg aan de post-hbo-opleiding Community Librarian. ’s Ochtends hadden ze de eerste van twintig bijeenkomsten gehad, ’s middags woonden ze de feestelijke opening bij in de vorm van een gastlezing van bibliotheekprofessor Frank Huysmans. Dat gold gelijk als de tweede bijeenkomst. De leidinggevenden van alle studenten waren ervoor uitgenodigd.
Hoogtepunt van de bijeenkomst was de vertoning van een korte video, nog geen drie minuten lang. Daarin kondigde David Lankes, wiens gedachtegoed de basis vormt voor de opleiding, aan in oktober naar Nederland te komen voor een masterclass. De Amerikaan, professor bibliotheek- en informatiewetenschappen aan de University of South Carolina, zal dan zelf uitleggen wat hij onder een community librarian verstaat – een bibliothecaris die niet passief afwacht tot iemand boeken komt lenen, een cursus komt volgen of een andere dienst komt afnemen, maar die midden in de maatschappij staat en actief op zoek gaat naar de vraag van zijn gebruikers. Een netwerker die erop uitgaat om overal in zijn werkgebied de collectie van nut te laten zijn.
Of zoals Cubiss de vier hoofdtaken van een community librarian in de folder van de opleiding omschrijft: een communitybuilder, een kennisdeler, een communicator en een co-creator. De communitybuilder volgt trends en maatschappelijke ontwikkelingen en maakt hier onderdeel van uit. De kennisdeler zorgt op pro-actieve wijze voor positionering, promotie en presentatie van de producten en diensten van de bibliotheek.  De communicator wisselt, via passende media, relevante informatie uit met het team en met het netwerk. En de co-creator creëert, in samenhang en in samenwerking met en voor zijn omgeving, kennis, inzichten of ontwikkelingen die niet van tevoren bedacht zijn.

Er was een lang traject aan deze start vooraf gegaan. Het begon bij een verzoek van de directeuren in het Brabantse Bibliotheeknetwerk. Er waren recent relatief veel jonge mensen in de branche aan het werk gegaan. Ze waren hoogopgeleid en netwerkvaardig en daarom echte aanwinsten voor de bibliotheek, maar ze misten kennis over de bibliotheeksector. Kon Cubiss geen opleiding voor hen opzetten? En dan het liefst een opleiding tot community librarian – omdat de bibliotheken die allemaal in de transitie zitten van klassieke bibliotheek naar maatschappelijke bibliotheek zaten te springen om mensen die deze nieuwe functie kunnen vervullen.
Vanwege het eerste criterium heeft Cubiss een leeftijdsgrens aan de opleiding gesteld: 36 jaar. 'Maar er is veel belangstelling voor de opleiding', vertelt projectleider Marieke Hezemans van Bieb Lab Brabant. 'Het is misschien zelfs het product van Cubiss waar we de meeste vragen ooit over hebben gekregen. Zelfs internationaal is er belangstelling voor. Ik ga er in augustus over vertellen op het IFLA-congres in Polen. Want al wordt er veel over de community library gesproken, er zijn nog weinig mensen die daadwerkelijk deze rol in de bibliotheek vervullen. Toen we voor onze longread (zie kader) op zoek gingen naar voorbeelden in Nederland, waren ze best moeilijk om te vinden.'
Cubiss kreeg subsidie van de provincie Brabant en een innovatiesubsidie van de KB. De organisatie koos Avans+ uit als opleider. Hezemans: 'We wilden graag een goede partij aan ons verbinden én de opleiding accrediteren, zodat we studenten echt een goed aanbod konden doen. Nu is het een echte hbo-plus-opleiding die goed staat op je CV. Je investeert echt in je eigen kwaliteiten en je inzetbaarheid. Accrediteren was een heel proces, waarvoor we onder andere een werkveldadviesraad moesten hebben. Daar zitten de bibliotheken Midden-Brabant, NOBB, Breda en Theek5 in. Zij fungeren als klankbordgroep met wie samen een beroepsprofiel hebben opgesteld, waarin haarfijn wordt uitgelegd waarvoor wij opleiden.'
Al deze moeite is niet voor niets: Cubiss wil – ook vanwege de brede belangstelling in het veld voor de nieuwe bibliotheekfunctie – de opleiding vaker aanbieden. Om te beginnen laat Cubiss al in november een tweede groep starten, waarvoor geen leeftijdsgrens is gesteld. De inschrijving daarvoor is inmiddels geopend. Op termijn wil de organisatie graag de opleiding ook in andere provincies aanbieden  'We hebben in eerste instantie in ons eigen werkgebied geworven', zegt Hezemans. 'Pas daarna kwamen mensen buiten de provincie in aanmerking. Nu komen er vijf studenten uit plaatsen als Nijmegen, Dordrecht en zelfs Winschoten.'
De studenten volgen vier modules van vijf dagdelen (van negen uur 's ochtends tot twee uur 's middags) verspreid over anderhalf jaar. De modules zijn: 1. Communitybuilden en netwerken, 2. Markt- en omgevingsonderzoek, 3. Ondernemendheid en projectmatig werken, en 4. Co-creëren van kennis. Iedere module eindigt met een afgerond eindproduct die nauw op elkaar aansluiten. Anders gezegd: de opleiding begint met het daadwerkelijk opbouwen van een community in het eigen werkgebied en eindigt met het uitvoeren van projecten voor deze community. 'Onderweg krijgen ze de handvatten aangereikt waarmee ze een complexe community kunnen onderhouden,' aldus Hezemans.

Huysmans toonde zich blij met de nieuwe opleiding. Reden: de bibliotheekopleiding is verdwenen in een almaar breder wordende informatie-opleiding. Dat gebeurt op het hbo maar ook op universitair niveau. Zo gaan bij zijn werkgever de Universiteit van Amsterdam bestaande studies informatie- en archiefweten-schappen op in het brede information studies. In het licht van afnemende studentenaantallen noemt hij dat een onvermijdelijke 'ontspecialisering'. De post-hbo-opleiding van Cubiss is in dat licht de enige opleiding die specifiek opleidt voor de (openbare) bibliotheek. 'En nog wel een geaccrediteerde opleiding. Dat geeft een kwaliteitsstempel, waarmee afgestudeerden voor de dag kunnen komen.'
Huysmans was – een jaar of tien geleden inmiddels – nota bene aanwezig bij de conceptie van het idee van de community librarian, vertelde hij. Hij woonde een bibliotheekcongres in Zweden bij waar Lankes en een andere Amerikaanse professor opeens genoeg hadden van het getheoretiseer over het bibliotheekwerk. Schoten de bibliothecarissen op de werkvloer daar iets mee op? De digitaliseringsgolf won inmiddels al enige tijd almaar aan kracht. Dat betekende dat de wereld bibliotheken nodig heeft om met een totaal veranderende maatschappij om te gaan. En dus moesten bibliotheekwetenschappers zich toeleggen op het opleiden van de bibliothecaris van morgen.
Lankes schreef daar een aantal boeken over: The Atlas of New Librarianship (2011) en Expect More: Demanding Better Libraries for Today's Complex World (2012). De eerste heeft een hoog theoretisch gehalte en is daarom door lang niet zoveel mensen gelezen als je door de invloed ervan zou denken. Dat merkte ook teamleider bibliotheekinnovatie Astrid Kraal van Cubiss die in de voorbereidingsfase van de opleiding aan iedereen in Nederland vroeg wie het heeft gelezen, zo zei ze eerder deze middag. In het tweede boek schrijft Lankes dan ook een meer pamflettistisch betoog gericht op subsidiegevers en gebruikers wat zij van een bibliotheek van de 21e eeuw mogen verwachten.
Volgens Huysmans put Lankes veel uit de communicatiewetenschap. 'Hoe gaan mensen om informatie. In een gesprek tussen dokter en patiënt, dus tussen specialist en leek, gaat het vaak fundamenteel fout. Beter is als de dokter denkt vanuit het perspectief van de leek, zodat hij diens vragen – waarvan hij vaak niet eens weet dat hij die heeft – echt kan beantwoorden. Dat is ook de taak van de community librarian: leer het perspectief van de klant kennen. Zodat je niet zegt: daar staan de boeken over het onderwerp waar u naar informeert. Nee, zodat je in gesprek gaat om zijn echte vraag te leren kennen en hem echt te helpen. Het is kenniscreatie door conversatie. Het gesprek staat centraal, zorg dat dat op gang komt.'

Na afloop van Huysmans' lezing was het moment daar om het glas te heffen op de opleiding. Maar niet voordat studenten en hun leidinggevenden op papier vastlegden wat zij verwachten te kunnen aan het einde van de opleiding. Deze beloften gingen in een dichtgeplakte envelop en zullen pas bij de diploma-uitreiking worden opengemaakt. Op deze manier zal tegen die tijd in één klap duidelijk worden of de opleiding de hoop en verwachtingen van student én leidinggevende heeft waargemaakt. Twee van de studenten die de pen ter hand namen waren Suzan van Langen (Bibliotheek de Lage Beemden) en Jeroen Bouland (Biblionet Groningen).
'Wij zien de veranderende rol van de bibliotheek', verklaart Van Langen waarom zij zich heeft aangemeld. De manager vestigingen en programmering is – 'omdat we een vrij kleine organisatie zijn' – ook verantwoordelijk voor het netwerken en samenwerken. 'Naast uitlenen steken we in op ontwikkeling en ontmoeting. De opleiding past in die transitie. Voor mij persoonlijk kan het helpen de vaardigheden te ontwikkelen die daarbij nodig zijn: het midden in de maatschappij zijn, het pakken van je rol die daarbij hoort, het zorgen dat veel contacten jóú weten te vinden omdat je continu uitstraalt dat wij er niet meer alleen voor het uitlenen zijn.'
Uit de zes kerncompetenties die een community librarian volgens de folder van Cubiss moet hebben – bronnenkennis, omgevingsbewuste en ondernemende houding, vermogen tot co-creëren, lerend vermogen, communicatief en netwerkvaardig, en plannen en organiseren – leidt ze af dat de opleiding aan de verwachtingen zal voldoen. 'Prettig is dat de opleiding het hele traject volgt: van het aangaan tot contacten tot het daadwerkelijk maken en uitvoeren van een projectplan. Je krijgt praktische opdrachten, waarmee je meteen aan de slag kunt. En dat voortdurend met interessante gastsprekers. Ik vind het fantastisch dat ik een sessie met Lankes mag meemaken.'
Marly Driessens, directeur van de Lage Beemden, stemde snel in toen Van Langen voorstelde de opleiding te volgen. 'Het is een goed initiatief om jonge mensen in de sector bij elkaar te brengen', zegt ze. 'Suzan brengt al veel energie en gedrevenheid in de organisatie in, maar hier ontmoet ze allerlei mensen om mee te sparren en samen te werken. Ook sluit de opleiding aan bij de ontwikkeling van de bibliotheek, waarin we óók dit soort mensen nodig hebben. Uiteindelijk zal Suzan met een aantal inhoudelijke projecten aan de slag kunnen. Welke, weten we nog niet. We hebben nog geen thema gekozen. Taalhuizen, preventie laaggeletterdheid, het opbouwen van een kennisomgeving. Zoiets zal het worden.'

Jeroen Bouland komt iedere keer zelfs uit Winschoten afzakken om de opleiding te volgen. Biblionet Groningen investeert in een hotel zodat de medewerker leesbevordering en informatievaardigheden van de bibliotheek Oldambt uitgerust de bijeenkomsten kan bijwonen. 'Wij zijn in transitie van een klassieke bibliotheek naar een bibliotheek met andere programmalijnen en een stevige positie in de maatschappij. De communityvorming is daarvan een belangrijk onderdeel', zegt Boulands directe leidinggevende, teamleider Alian Spelde. 'Ook geloven wij in de persoonlijke ontwikkeling van medewerkers. Deze opleiding was daarbij een mooie kans.'
De 30-jarige Bouland vindt het een 'grote eer' dat hij hiervoor is gevraagd. Hij was nog maar in dienst sinds januari van dit jaar, toen – zo legt hij uit – Biblionet Groningen zeven jonge mensen in één keer aannam om een spreekwoordelijke frisse wind te laten waaien. 'Ik ben mede gevraagd omdat wij in Winschoten zijn gevestigd in het pas vernieuwde cultuurhuis De Klinker. Daar zit de bibliotheek onder één dak met een theater, de lokale omroep, een filmzaal en een school voor muziek, dans en theater. Wij willen met hen verbindingen maken. Een community opbouwen. Het zijn nu veelal kleine organisaties die wel wat proberen maar niet genoeg slagkracht hebben. Ik zie veel mogelijkheden om in dit mooie gebied iets op te bouwen. Deze opleiding met de combinatie van theorie en praktijk geeft me die kans.'
Volgens de jonge bibliothecaris heeft hij de geschikte eigenschappen om deze droom uit te voeren. 'Ik moet het hebben van mijn creativiteit en heb niet veel moeite om contacten te leggen', zegt hij. Daarnaast verwacht hij op de opleiding dingen te leren waar hij minder goed in is: 'Ideeën op papier zetten bijvoorbeeld. Ik wil uitvoeren, maar soms is het handiger om eerst te toetsen of het idee wel goed genoeg is en om een strategie te bepalen.' Tot slot vindt hij de contacten met zijn medecursisten waardevol. 'Het zijn allemaal jongelui in het biebwerk. Het zijn gelijkgestemden die, ieder met zijn eigen achtergrond, iets dergelijks willen als ik.'
Bouland op zijn beurt moet de geleerde vaardigheden verder verspreiden binnen Biblionet Groningen, verwacht Spelde. 'Het moet als een olievlek verspreiden binnen de provincie. En dan bedoel ik niet eens alleen wat hij leert over communityvorming. De opleiding is heel breed. Wij nemen daarom aan dat hij veel meer waardevols tegenkomt wat hij kan delen met het netwerk. Jeroen wordt de trekker van een soort interne opleiding. Al denken we er ook over om binnenkort, als een nieuwe groep aan de opleiding Community Librarian begint, nog iemand te sturen. Het is de investering zeker waard – ook omdat de young potentials die we binnenhalen anders weer snel zijn uitgekeken op de bibliotheek.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

zondag 5 november 2017

Portret Arnon Grunberg: 'Ik zeg zelden nee' (Gouden Ganzenveer)

Schrijven? Zeker, dat is leuk, maar het kan heel goed dat ik over een paar jaar wat anders doe. In de eerste periode na zijn debuut deed Arnon Grunberg (1971) het graag voorkomen alsof schrijven niet zijn allergrootste levensvervulling was. Hij was het liefst acteur geworden. Zijn leven leek hem mislukt als hij geen acteur kon zijn. Maar dat had er niet ingezeten. Toen richtte hij zich op het schrijven. En als hij over tien jaar weer iets heel anders zou doen: ook goed.
Zijn debuut Blauwe maandagen zou zijn ontstaan uit een combinatie van toeval en geldnood. De destijds 20-jarige uitgever van Kasimir, gespecialiseerd in niet-arische Duitse literatuur, was in 1991 op de Frankfurter Buchmesse zijn collega Vic van de Reijt van Nijgh & van Ditmar tegengekomen. Na een avond in een Irish Pub, waarin Grunberg honderduit had verteld over zijn leven, zei deze tegen hem dat hij zijn verhalen alleen maar hoefde op te schrijven, dan zou hij die uitgeven.
Drie jaar later lag daar een roman die insloeg als een bom. Er waren 700 exemplaren van Blauwe maandagen ingekocht op aanbieding, de uitgever en auteur hoopten de eerste druk uit te kunnen verkopen. Maar direct na verschijnen publiceerden kranten de ene na de andere laaiend enthousiaste recensie. Interviews volgde, van NRC Handelsblad tot de talkshow van Sonja Barend op tv, en binnen twee weken lag een derde druk in de winkel.
Toen was Grunberg opeens een auteur die van zijn pen zou kunnen leven. Of niet, als hij dat liever niet deed.

Inmiddels weten we beter hoe belangrijk het schrijven voor hem was. Nadat Grunberg wegens ‘gebrek aan techniek’ was afgewezen door de toneelscholen van Amsterdam en Maastricht stortte hij zich maniakaal op het alternatief. Hij schreef het ene na het andere toneelstuk, slechts onderbroken door vele brieven. En hij wilde worden gelezen. Hij stuurde zijn teksten aan theatergezelschappen en gaf een hele reeks boeken in eigen beheer uit. Zo werd het prozagedicht De Machiavellist (oplage 300 exemplaren) in 1990 zijn officieuze debuut.
Hij greep de kans die Van de Reijt hem bood dan ook met beide handen aan. ‘Na dit gesprek [in Frankfurt]’, zo schreef hij hem, ‘gaf u mij uw visitekaartje en sprak daarbij de volgende woorden uit: “Als je nog eens in moeilijkheden zit, bel mij.” Nu is het heel goed mogelijk dat het een beleefdheidsfrase was. (…) [Ik] zit ook niet direct in levensnood. (…) Maar [ik] ben toch wel benieuwd naar elke mogelijkheid die bestaat om de nood ook in de toekomst buiten te houden.’
Grunberg bleek te worden gedreven door een geldingsdrang die resulteerde in een onafgebroken stroom romans, verhalen, toneelstukken, essays, columns, reportages en alle mogelijke overige genres. Amper de 45 gepasseerd heeft hij al een ontzagwekkend oeuvre geproduceerd. En dan te bedenken dat zijn officiële bibliografie, verderop in deze uitgave, alleen maar teksten vermeldt die in boekvorm zijn verschijnen en regulier verkrijgbaar waren.
Het getuigt van een mateloze ambitie die bijna dertig jaar later nog altijd niet is verflauwd. Journalist Mark Schaevers rekende uit dat Grunberg in april 2014 – allesbehalve een atypische maand – 60.553 woorden had geschreven. Inclusief zijn mails en blog, maar vooral voor werk in opdracht. Zo had hij begin 2017 hij een dagelijkse voetnoot in de Volkskrant, wekelijkse rubrieken in de Volkskrant (de Seksrabbijn), VPRO gids, Het Parool en De Standaard en maandelijkse columns in Vrij NederlandHumo en Wordt vervolgd.

De geldingsdrang zou ook het fundament zijn onder zijn aanvankelijke imago van enfant terrible. Hij schroomde niet te schoppen tegen de schenen van collega’s die hij in een eerder leven had gevraagd om naar zijn werk te kijken. Over Ronald Giphart die hem met een bewonderd stuk in NRC Handelsblad had geholpen zijn carrière te lanceren, schreef hij later: ‘Na lezing van uw Boekenweekgeschenk komt de Viva mij voor als een wonder van inhoudelijk en stilistisch vernuft.’
Het toppunt van de geregeld oplaaiende kinnesinne met collega's was de uitreiking van de AKO Literatuurprijs in 2007. A.F.Th. van der Heijden, die dat jaar de prijs zou krijgen voor Het schervengericht, weigerde in één zaal te zitten met Grunberg, genomineerd voor Tirza. Grunberg waarschuwde Van der Heijdens zoon in de door hem begonnen schriftelijke vete voor zijn vader, de gevaarlijke paranoïde gek. Dat was de laatste een brug te ver.
In werkelijkheid was het Grunberg meestal om iets anders te doen, blijkt uit Aan nederlagen geen gebrek, de in 2016 verschenen verzameling van brieven uit zijn beginjaren. Ook toen hij alleen nog naam had gemaakt bij een kleine Amsterdamse incrowd stelde hij zich herhaaldelijk op het standpunt dat eerlijkheid boven alles gaat. Anders kun je net zo goed niets schrijven, hield hij meerdere correspondenten voor. Dat hij scherpe formuleringen gebruikte doet daar niets aan af. Maar veel van zijn collega’s namen Grunberg zijn oprechtheid niet in dank af.
Bekend is ook de luid beleden woede die de auteur voelde jegens Hans Goedkoop, nadat hij Grunbergs tweede roman Figuranten had besproken in NRC Handelsblad. De recensent had beweerd dat de wanhoop van de personages niet voelbaar werd gemaakt, waardoor de bodem onder de humor wegviel. ‘Zolang Hans Goedkoop voor die krant schrijft, zal ik er niet meer voor schrijven’, dreigde hij – zonder overigens zijn woord gestand te doen.
De receptie van zijn eerste werken sluit aan bij zijn imago. Grunberg werd gezien als een cynische nihilist, die alles met de grond gelijk maakte. Schreef ook Goedkoop niet in de gewraakte recensie – tegenwoordig moeiteloos terug te vinden op de website van de schrijver zelf – dat volgens de auteur ‘de wereld is bestemd om uit te monden in een grap’? Vanuit het perspectief van journalisten gezien is het goed te begrijpen dat zij Grunberg, toch een genre op zichzelf, werd ingedeeld bij de auteurs van Generatie Nix.

Het imago begon Grunberg na enkele jaren steeds meer te knellen. Of zoals hij het zelf verwoordde: hij wilde ontsnappen aan zijn eigen geschiedenis, aan alles wat zijn naam opriep. Op 14 oktober 1998, herinnerde hij zich later exact, schiep hij een nieuwe identiteit: Marek van der Jagt. ‘In veel opzichten bevond mijn leven zich in een crisis, financieel, emotioneel en seksueel. Dat verklaart een hoop, maar niet alles’, blikte Grunberg terug in Sterker dan de waarheid.
Onder dit pseudoniem debuteerde Grunberg twee jaar later opnieuw met De geschiedenis van mijn kaalheid. Drie boeken zou Van der Jagt publiceren: twee romans en het Boekenweekessay 2001 – plus een reeks ingezonden brieven en verhalen in verschillende media. Door de overeenkomsten in stijl en thematiek begonnen journalisten Grunberg echter al snel te achtervolgen met de vraag of hij soms achter Van der Jagt schuil ging.
Dat gebeurde zeker toen De geschiedenis van mijn kaalheid de Anton Wachterprijs werd toegekend. Ging een auteur voor de tweede keer een debuutprijs winnen? Al moet daarbij worden gezegd dat Grunberg alleen de eer kreeg. Het bestuur van de Anton Wachterprijs wenste het bijbehorende geldbedrag van 2500 gulden alleen uit te keren aan iemand die kon bewijzen dat hij Marek van der Jagt was. Iets wat Grunberg onmogelijk kon.
De auteur bleef lang hardnekkig ontkennen, terwijl hij tegelijkertijd het spel meespeelde. Zo gaf juist hij de eerste Van der Jagt-lezing tijdens de presentatie van diens tweede roman Gstaad 95-98 in Wenen. Maar op dezelfde dag bekende hij. ‘Ik besluit dat het beter is mijn leugenachtig leven onder mijn eigen naam voort te zetten’, schreef hij daarover. Maar op de vraag ‘Ga je ermee door?’, antwoordde hij ook: ‘Ik ga met alles door. Ik kan niet stoppen.’
Inderdaad zou Van der Jagt drie jaar later nog een essay publiceren: Otto Weininger of Bestaat de Jood?

Tegen die tijd had Grunberg het niet meer nodig om zijn collega's hun plaats te wijzen of een pseudoniem te gebruiken. Hij is al voor zijn veertigste de meest gelauwerde schrijver van zijn generatie geworden. Zijn werk werd overladen met prijzen – inclusief oeuvreprijzen. Hij is met 23 nominaties de auteur die met afstand het vaakst op een shortlist van een van drie grote prijzen stond. En hij won de AKO/ECI, Libris en Gouden Uil het meest: vijf keer maar liefst.
Ook kreeg hij talloze eervolle opdrachten. Van het Boekenweekgeschenk (De heilige Antonio, 1998) en het Boekenweekessay (Monogaam, 2002) tot het essay van de Maand van de Filosofie onder zijn psuedoniem. Van gastschrijverschappen, zoals aan de universiteit Leiden, tot de Frans Kellendonklezing in Nijmegen. ‘Ik zeg zelden nee’, bekende hij ook in Sterker dan de waarheid. ‘Ik zeg wel eens, “Ik moet erover nadenken”, en dat betekent dan: nee.’
En niet onbelangrijk: de maatschappelijke inzet van zijn romans werd steeds zichtbaarder. Zeker sinds De asielzoeker (2003) schijnt niet langer zijn autobiografie door zijn werk, maar onderzoekt hij steeds nadrukkelijker de positie van de mens in een onbeheersbare samenleving. Zo gaat Tirza (2006) over de onzekerheid na Elf September, Huid en haar (2010) over emoties in een tijdperk van doorgedreven kapitalisme en De man zonder ziekte (2012) over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kunstenaar.

Desondanks overwoog Grunberg in 2015 te stoppen met schrijven. Na de dood van zijn moeder Hannelore Grünberg-Klein in februari van dat jaar vroeg hij zich af of het wel zin had om door te gaan, vertelde hij nog dezelfde maand in een interview tegen Nu.nl. Zijn moeder was altijd een belangrijke motivatie. Het moeder-zoonthema komt ook in bijna al zijn werk voor. En na iedere prijs die hem werd toegekend dacht hij in eerste instantie: ‘leuk voor mijn moeder’.
Toch bleek zijn werklust ongebroken. Voortgedreven door een tomeloze nieuwsgierigheid, bleek hij verslag te willen blijven doen van alle experimenten die hij zich in zijn hoofd haalt. Al voor hij debuteerde, maken de brieven uit Aan nederlagen geen gebrek duidelijk, wil hij ieder plan, hoe gek ook, daadwerkelijk uitvoeren. Het bracht hem op televisie als presentator, in Afghanistan als oorlogsverslaggever, in een gezin tijdens hun vakantie, in een slachthuis als stagiair, enzovoorts enzovoorts. Daar kon hij onmogelijk mee ophouden.
Sterker: hij maakte ook van het afscheid van zijn moeder literatuur. In Moedervlekken (2016) trekt een veertiger bij zijn aftakelende moeder in huis – zoals de auteur zelf had gedaan – waarna de angst om haar te verliezen langzaam de bodem onder zijn bestaan haalt. Grunberg biedt zo ‘een breed perspectief op existentiële thema's’, oordeelde de jury van de Libris Literatuurprijs. ‘Grunberg schetst in verschillende toonaarden de gemaskeerde eenzaamheid en de onverslijtbaarheid van trauma's.’
Dus schrijven als iets wat Grunberg een tijdje in zijn leven doet? Dat is al lang niet meer voorstelbaar. Hij zal er tot zijn laatste snik in hetzelfde duizelingwekkende tempo mee doorgaan.
(Eerder verschenen in de speciale uitgave ter gelegenheid van de uitreiking van de Gouden Ganzenveer aan Arnon Grunberg)

zie ook:

woensdag 1 november 2017

Interview Ronald Giphart over het schrijven met de Asibot (Bibliotheekblad)

Ronald Giphart liet zich als eerste literaire schrijver ter wereld leiden door tekstsuggesties van een robot. De openbare bibliotheek heeft de eer om deze primeur weg te geven tijdens Nederland Leest van dit jaar. Het ‘schrijven met hindernissen’ viel Giphart zwaar.

Het was een vraag die Ronald Giphart vaak kreeg nadat bekend werd dat hij samen met een robot een verhaal zou schrijven voor Nederland Leest. Nemen robots zijn werk over? Geenszins, antwoordde hij onomwonden. ‘De computer geeft mij brokken tekst. Ik blijf als schrijver de baas, ik bepaal wat ik met die brokken doe. Het is net als toen ik voor mijn eerste roman een stukje in het Engels nodig had en mijn zus dat liet schrijven, die Engels had gestudeerd en ook schrijver is. Zij schreef die halve pagina, maar ik besliste wat ermee gebeurde.’
Nu het verhaal af is, is hij zelfs gesterkt in zijn mening. De robot – Asibot gedoopt – gaf hem iedere keer drie opties van ongeveer tweehonderd leestekens. ‘Maar: altijd zonder overzicht van het gehele verhaal. Dus toen zich na een bladzijde of acht steeds meer een kort verhaal begon te vormen, moest ik steeds meer ingrijpen om hem een gewenste kant op te krijgen. Tegen het einde heb ik zélf het gaspedaal ingedrukt om het verhaal een passend einde te geven. En dan heb ik het niet eens over humor. De Asibot kan géén grappen maken, tenzij onbedoeld.’

Vanaf 1 november kan iedereen het eindresultaat lezen. ‘De robot van de machine is de mens’ is als tiende verhaal toegevoegd aan Isaac Asimovs klassieke science fiction-bundel Ik, robot uit 1950. Deze losjes aan elkaar gekoppelde verhalen volgen de geschiedenis van de robots van eenvoudige dommekrachten tot steeds slimmere computers die uiteindelijk beter dan de mens zelf weet wat het beste is voor het welzijn van de mensheid. In ieder verhaal zet Asimov heel slim steeds een ander dilemma op scherp.
‘De robot van de machine is de mens’ leest als een naadloos vervolg. Giphart en de Asibot drijven de groeiende macht van de robot naar zijn logische conclusie. Anders dan Asimov, die schreef in een tijd van ongebreideld geloof in de zegeningen van de techniek, geven zij hun verhaal een duistere kant. Ook als de robots onderworpen blijven aan de wetten van de robotica, die voorschrijven dat een mens geen letsel mag worden toegebracht en robots altijd moeten gehoorzamen aan de mens, blijken de gevolgen onwenselijk te kunnen zijn.
‘Mijn opdracht was helemaal vrij, maar ik vond het niet van respect getuigen om een fantasieverhaal te componeren dat een heel andere kanten op gaat. Ik wilde Asimovs lijn doortrekken. En ik wilde het gebruik van robots thematiseren. Nederland Leest is een actie waarin een boek wordt ingezet om discussie te ontlokken over een actueel thema, Maar in Ik, robot – hoewel een geweldig boek – gebeurt dat eigenlijk niet. In twee van de verhalen praten de personages wel over de inzet van robots, maar het ligt niet aan de oppervlakte.’

De CPNB was met de opdracht bij Giphart aan het juiste adres. De schrijver heeft al lange tijd een fascinatie voor wetenschap, zoals blijkt uit het non-fictieboek Mismatch dat hij in 2016 samen met Mark van Vugt schreef over het brein, en de column die hij al twintig jaar heeft in het blad Kijk. Ook is hij ‘al jaren bezig iets van het heilige maakproces af te halen’, zoals hij zegt. ‘Mensen hebben het idee dat schrijven een romantisch beroep is, terwijl er gewoon veel hard werken komt kijken bij het scheppen van een boek.’
Samen met een robot een verhaal schrijven ziet hij in de eerste plaats dan ook als het volgende experiment in een lange reeks. ‘Tijdens het schrijven van mijn roman IJsland hield ik op Youtube een videodagboek bij en ik heb voor de Volkskrant een feuilleton geschreven met behulp van lezers. Via Facebook stelde ik hen vragen: zal ik nu dit of dat doen? Af en toe kwamen een aantal lezers die zich daarvoor hadden aangemeld bij elkaar. Dus waarom zou het niet mogelijk zijn om met een robot te schrijven?’

Hoewel, een robot? De Asibot is feitelijk een computerprogramma. Gevoed met tienduizend Nederlandstalige boeken – van literaire romans tot detectiveverhalen – kan het programma letter voor letter uitrekenen wat iedere keer de meest waarschijnlijke letter is. Stel, dat is een e, wat zou dan de volgende letter zijn? In de meeste gevallen weer een e. Maar na twee e’s is de derde letter hoogstwaarschijnlijk een n. Zo ontstaat vanzelf het woord ‘een’. Daarna suggereert de Asibot vermoedelijk een spatie. En zo verder tot een reeks van 200 tekens.
Giphart kon daarbij met een zogeheten ‘creativiteitsknop’ de waarschijnlijkheid van de volgende letter variëren: van totaal waarschijnlijk (stand: 0) tot totaal onwaarschijnlijk (stand: 1). De Asibot heeft bovendien geleerd wat de vingerafdruk is van schrijvers als Gerard Reve, Nescio, Kristien Hemmerechts en Ronald Giphart zelf. In hoeverre wijkt hun stijl af van de standaard? Giphart kon daardoor ook de optie ‚schrijven als Nescio’ aan zetten en Asibot zinnen laten produceren die zo uit De uitvreter of Titaantjes hadden kunnen komen.
‘Het was mijn intentie om Asibot zo veel mogelijk zinnen te laten maken’, vertelt Giphart. ‘Ik heb de eerste zin van het verhaal geschreven om hem richting te geven, maar daarna koos ik iedere keer een van de drie zinnen die Asibot me gaf. Soms bevielen ze me geen van allen en vroeg ik drie nieuwe. Soms ook paste ik een paar woorden aan. Meestal gebruikte ik de standaardstem van Asibot zelf en liet ik de creativiteitsknop ergens in het midden staan. Dat werkte toch het beste. Hoe meer ik daarvan afweek, hoe onleesbaarder het werd.’
Dankzij arceringen van de tekst kon Giphart precies zien, wat de Asibot hem had gegeven en wat hij zelf had aangepast. Daarbij had iedere schrijver een eigen kleur – Nescio was bijvoorbeeld groen. Naarmate hij meer aan een gegeven zin morrelde, vervaagde langzaam de kleur. ‚Soms viel er gewoon echt niet met de zinnen van de robot te werken. Vroeg ik twintig keer om nieuwe zinnen, kreeg ik nog niets bruikbaars. Dan schreef ik op een gegeven moment maar mijn eigen zin. Al met al is denk ik de helft van de computer en de helft van mij.’

Giphart heeft niet langer aan ‘De robot van de machine is de mens’ gewerkt dan hij anders zou zijn hebben gedaan met een verhaal van vergelijkbare lengte. Maar ‘het schrijven met hindernissen, zoals hij zegt, viel hem wél zwaar. Het kostte me enorm veel inspanning om te duiden waar de computer mij heen stuurde. Hij kon mij soms echt verrassen. Opeens stond er bijvoorbeeld een man buiten. Interessant. Maar: wie is hij? Wat doet hij? Ik moest toen interpreteren tot welk kamp hij behoort: de mensen of de robots.’
Op zich, benadrukt de schrijver, is dat vergelijkbaar met hoe schrijven normaal werkt. Ook als Giphart in ‘een bepaalde state of mind’ is, kan hij opeens tekst produceren waarvan hij achteraf verbaasd vaststelt: heb ík dat geschreven? Maar in dat geval komen de woorden en de interpretatie ervan uit een en hetzelfde hoofd. Nu leverde Asibot de woorden en moest Giphart bepalen wat hij daarmee aan moest. ‘De Asibot is blind. Hij weet niet wat er allemaal voor zijn zin kwam en niet wat erna moet komen.’
Dat hij toch probeerde Asibot zo veel mogelijk ruimte te geven, heeft hij geweten. ‘Toen het af was en ik het aan mijn redacteur bij De Bezige Bij gaf, had ik bewust niet verteld wat ik en wat Asibot had geschreven. Maar alle passages die zij aanmerkte als: snap ik niet, of: warrig, waren stukken waarin ik de computer had laten prevaleren. Die moest ik toch meer finetunen, want de tekst moest wel zeggingskracht hebben. De Asibot is nu gewoon nog niet goed genoeg om zelfstandig creatieve teksten te maken. Maar dat is natuurlijk alleen maar een kwestie van tijd.’

Nu ‘De robot van de machine is de mens’ is voltooid, is Giphart er nog niet klaar mee. Tijdens Nederland Leest gaat hij de boer op. Een tournee langs een tiental bibliotheken voert hem naar plaatsen als Baarn, Zuidwolde, Leeuwarden en Den Helder. Hij zal daar voorlezen, samen met iemand achter de Asibot – FolgertKarsdorp of Mike Kestemont – vertellen over het proces en discussiëren over de robotsering. En vooral: een live demonstratie geven, door het aanwezige publiek een verhaal met de Asibot te laten schrijven.
‘Het zou zelfs zo maar kunnen dat een versie van de Asibot op de markt komt’, denkt Giphart hardop na. ‘Waarom niet? Ik gebruikte Twitter, toen dat net begon, al om te vragen hoe ik bepaalde woorden moest spellen. Of Google: welk woord het meeste hits krijgt, zal de juiste spelling zijn. Waarom zou je dan niet een computerprogramma kunnen hebben die je allerlei suggesties doet? Die bijvoorbeeld automatisch synoniemen voorstelt als je een bepaald woord te kort geleden al eens eerder hebt gebruikt? Dat is iets wat een computerprogramma nu al goed zou kunnen.’
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

Zie ook: