zondag 21 april 2013

Des romans français: David Foenkinos, ‘Les souvenirs’


Herinneringen zijn zelden chronologisch. Alles loopt door elkaar: je associeert, van het een kom je op het ander en dan weer terug op het een. Voor jezelf kan het logisch en begrijpelijk zijn, maar voor de toehoorder moet er een lijn in zitten. En die lijn weet David Foenkinos in Les Souvenirs prachtig strak te spannen. Hij hangt er allerhande gebeurtenissen aan die hij soms alleen aanstipt, soms ook gedetailleerd beschrijft, zoals als hij de mensen observeert in het bejaardentehuis waar zijn oma gaat wonen na het overlijden van haar man.

Au fil de mes visites, j’avais pris l’habitude de regarder les pensionnaires. De vraiment les regarder. De les considérer non pas comme des figurants de la maison de retraite, mais comme des hommes et des femmes qui avaient eu des vies. Des hommes et des femmes qui avaient reçu du courrier dans leur boîte aux lettres, [...] qui avaient été ebahis par le premier homme sur la lune. [...] Je ne pensais qu’à une chose: ils avaient eu mon âge un jour. Et un jour, j’aurais leur âge. Ice, je marchais à travers qui je serais.

Foenkinos toont aan dat het leven niet meer is dan een aaneenschakeling van herinneringen. Sommige zijn mooi, bijvoorbeeld wanneer je op het punt staat te gaan trouwen, andere zijn droevig, zoals de herinnering aan de begrafenis van opa. Maar hoe triest ook, de verteller lijkt ze allemaal te koesteren en als kralen aan een draad te rijgen.
Hij werkt als nachtportier in een hotel om de tijd en rust te hebben een boek te schrijven. Alleen lukt dat niet. Er is de afleiding van de eigenaar van het hotel die hem graag gezelschap houdt, en het ontbreekt hem aan inspiratie: Je ne vivais pas assez pour devenir romancier.
Toch krijgen we als lezer het leven van deze verteller voorgeschoteld, op een luchtige en humoristisch wijze, te beginnen met de bezoeken aan het poppentheater in Jardin du Luxembourg met zijn grootvader en eindigend bij hetzelfde poppentheater wanneer zijn eigen zoontje een jaar of acht is. Daartussen speelt zijn leven zich af. Er is de verhouding met zijn ouders die meer met zichzelf bezig zijn dan met hem, de zoektocht naar oma die ineens het bejaardentehuis verlaat om terug te gaan naar de plek waar ze als kind woonde, de ontmoeting met zijn toekomstige vrouw, en steeds maar die verder ondergesneeuwde wens om schrijver te worden.
De verhaallijn wordt onderbroken door herinneringen van allerlei mensen, in cursieve alinea's weergegeven. Bekende schrijvers (Patrick Modiano, die zijn eigen herinneringen tot voor zijn geboorte terug laat gaan), muzikanten (Serge Gainsbourg), aan wie de verteller moet denken, maar ook herinneringen van mensen die in het verhaal zijn pad kruisen. Zoals de maker van het oerlelijke schilderij van een koe in het bejaardentehuis van oma, dat door zijn lelijkheid oma en de verteller juist opvrolijkt. De man herinnert zich hoe hij koste wat het kost schilder wilde worden. Maar niemand kocht zijn schilderijen, en om zijn huurschuld te compenseren schonk hij de huisbazin het schilderij van de koe, dat zij vele jaren later op haar beurt achterliet in het bejaardentehuis.
En dan zijn er nog van tijd tot tijd de voetnoten: relativerende opmerkingen van de verteller over zijn eigen leven of kanttekeningen bij voor de hand liggende zaken, zoals:

Au passage, je me’arrête sure une question qui me obsède : pourqoui ne se souvient-on pas de l’enfance? Certes, le cerveau n’est pas encore formé, et il ya tant d’explications physiologiques à ce phénomène. Mais je ne veux pas croire à la gratuité de cette donnée; il y a forcément une raison. L’enfance est souvent le terrain des plaisirs primaires, c’est pour beaucoup le paradis des joies simples et faciles à assouvir. Il y aurait sûrement un risque à se souvenir de tout cela. Je me dis qu’on ne pourrait jamais devenir adulte si on était parasité par la consience de ce bonheur-là. On vivrait en permanence avec une nostalgie béate complètement paralysante.

Aan het einde lijkt de verteller alle herinneringen te kunnen plaatsen en eindelijk alles zo op orde te hebben dat hij kan gaan schrijven. De kralen zijn geregen, het verhaal kan worden verteld. Een verhaal dat de lezer zich hopelijk nog lang zal herinneren.

zaterdag 20 april 2013

Uitgeverspraktijken: De uitgevers van Jannah Loontjens

Jannah Loontjes wordt sinds dit jaar uitgegeven door Ambo|Anthos. Eerst verscheen een dichtbundel, kort daarop gevolgd door 'een kleine filosofie van het schrijverschap', zoals de ondertitel luidt van Mijn leven is mooier dan literatuur.
In het voorwerk van het boek staan haar eerder verschenen titels gemeld. Niets bijzonders, ook al zijn die bij andere uitgeverijen uitgekomen. Opmerkelijk is wél dat de namen van die uitgeverijen worden genoemd. Waarom?
Het gaat om vijf verschillende uitgeverijen: Bert Bakker, Prometheus, De Beuk, Onomatopee en dus Ambo|Anthos. Ik weet dat de eerste twee samen een bedrijf vormen en dat Onomatopee bibliofiele uitgaven maakt, maar de lijst wekt toch de indruk dat Loontjes wel erg vaak van uitgeverij is gewisseld.
Een lijst met uitsluitend titels en genre-aanduiding had mij doen denken: zo, die is aardig productief geweest. Nu denk ik iets als: waarom is Loontjens nergens opgebloeid? Schrijft ze soms niet zo goed?
En het wordt nog uitzonderlijker: achterin Mijn leven is mooier dan literatuur maakt de uitgeverij reclame voor Loontjes' meest recente roman, Hoe laat eigenlijk. Met een afbeelding van het omslag, waarop duidelijk de naam 'Prometheus' is te lezen.
Heel genereus natuurlijk van Ambo|Anthos, maar zoiets gebeurt eigenlijk nooit.

Nog meer uitgeverspraktijken:
- Mondriaan is niet zo moeilijk te vinden
- Over het lezen van ongecorrigeerde drukproeven
- Luis Fernando Verissimo: afgewezen auteur neemt wraak

vrijdag 19 april 2013

Over het uitgeven van vertaalde literaire fictie in 2013: eindelijk dalende voorschotten (Boekblad)


Ook als Het onzichtbare geluk van andere mensen van Manu Joseph niet was verkozen tot DWDD-Boek van de Maand, was het naar een herdruk ‘gewandeld’. Zo optimistisch is zijn uitgever Joost Nijsen (Podium) wel dat kwaliteit tot succes leidt. Maar de verkoop op aanbieding was matig, moet hij toegeven: 224 exemplaren. ‘Plus 511 in Vlaanderen. Al zolang ik in het vak zit, is daar meer interesse in literatuur in vertaling. Het wordt uitvoeriger gerecenseerd, het ligt beter in de winkel.’
En dan nog is Nijsen niet ontevreden over de interesse die zijn vertegenwoordiger wist los te maken. ‘Het was natuurlijk een gevecht. Slimme mensen, het eerste boek van Manu Joseph, had echt niet goed verkocht. Als je dan met een tweede boek komt, zijn dat de eerste titels waar de boekhandel op de rem gaat staan. Maar het omslag was lekker, de titel aansprekend en het heilige vuur was bij lezing overgeslagen op onze vertegenwoordiger. De inkoop kon echt veel slechter.’

Het succes van Manu Joseph ten spijt – vijfde druk binnen een maand – gaat het niet goed met de markt voor vertaalde literaire fictie. Over GfK-cijfers kan Boekblad niet beschikken, maar er zijn wel indicatoren die deze stelling onderbouwen. Naar het inzicht van de literaire uitgevers en de Vereniging van Letterkundigen (VvL) was de omzetontwikkeling van het genre te slecht om het gangbare woordtarief van 6,3 cent te indexeren. En dat voor twee jaar.
Ook het aantal verschenen titels loopt terug. De VvL hoort van vertalers dat ze minder opdrachten krijgen, merkt coördinator Janne Rijkers. En het Nederlands Letterenfonds krijgt minder aanvragen voor een vertaalsubsidie. Na een piek van 320 aanvragen in 2008 waren dat er in 2012 nog maar 228. Vooral de teruggang van aanvragen voor vertalingen uit het Engels en Frans liep fors terug. Het aantal aanvragen voor vertalingen uit Duits, Spaans en Scandinavisch bleef stabiel.
Eva Cossée (Cossee) heeft die teruggang gemerkt: ‘Tijdens de London Book Fair vorig jaar kregen wij maar liefst 17 auteurs aangeboden waarvoor wij ooit interesse hadden getoond, maar waarvoor wij destijds waren overboden. Wij hebben er niet één gecontracteerd. Zo’n auteur is vaak een soort verbrand kind. Boekhandels weten heel goed dat hij of zij bij uitgeverij x eerst is mislukt – waarom denken jullie dat je het beter kunt, zeggen ze dan. Dan moet je een heel goed verhaal hebben.’
Het gebeurt zelfs dat dat titels waarvoor het Nederlands Letterenfonds een vertaalsubsidie heeft gegeven, toch niet verschijnen omdat de boekhandel ze niet inkoopt. Om hoeveel titels het gaat is onduidelijk. Bij een steekproef over de in 2010 verleende subsidies laat het fonds weten dat ‘vrijwel alles’ is verschenen: 99 procent. Een uitzondering is een groot project als Het verhaal van Genji dat Jos Vos uit het Japans vertaalt. Dat boek is zo omvangrijk dat de vertaling nog uit moet komen.

Joost Nijsen durft niet te beweren dat de markt voor vertaalde literaire fictie slechter presteert dan de markt als geheel. ‘Het is altijd al de moeilijkste markt die er is,’ zegt hij. ‘De investering is het hoogst: voor het voorschot en de vertaling. En de productie: vertalingen zijn gemiddeld dikker. Tegelijk is het makkelijker om te vinden dan talent uit eigen land, waardoor het verleidelijk is aan te kopen. Het is het meest overgeproduceerde genre in de boekhandel. Maar de doorbraakkans is gering.’
Ook Eva Cossée en Jessica Nash (Atlas Contact) willen niet zeggen dat vertaalde literaire fictie ongunstig afsteekt bij de totale markt. Zijn oplages van alle genres niet omlaag gegaan? Hebben uitgevers niet voor hun gehele fonds besloten minder titels te publiceren? En hangt maar net af van wat je uitgeeft. Cossee wijst op ‘het goede verhaal’ dat ze rondom al haar vertaalde uitgaven in de catalogus heeft. Nash noemt een aantal recente successen: van Ben Lerner tot Julian Barnes.
Eric Visser (De Geus) ziet de markt wel teruglopen. ‘Op aanbieding gaat het goed genoeg. De verkoop in de eerste tijd ook. Maar de looptijd is minder lang. Boekhandels bestellen niet na. Dit jaar hadden we de ene fantastische recensie na de andere. We hadden winnaars van belangrijke prijzen: van de Nobelprijs (Mo Yan) tot de Prix Goncourt (Alexis Jenni). Sommige titels waren ontzettend succesvol. Maar dan verkoop je er 6.000 en valt het stil, terwijl het vroeger doorliep tot 20.000.’
Dat gebrek aan nabestellingen is vooral lastig omdat De Geus de vaak dikke tot heel dikke vertalingen niet zo hoog kan prijzen als zou moeten – waardoor de uitgeverij meer exemplaren moet verkopen om de investering terug te verdienen. ‘Twintig jaar geleden kon je boek 90 gulden prijzen, nu is het maximum 25 of 29,95 euro. Dat wringt zich bij hele dikke boeken. In de breedte doen we het nog goed met vertalingen, maar het is ongelooflijk veel werk dat onvoldoende oplevert.’

Tegelijk met een krimpende markt neemt het aantal subsidies van buitenlandse instituten af. In landen als Spanje, Italië en Hongarije is die geschrapt of zijn de voorwaarden strenger geworden. Hoe prettig een bijdrage ook is, het is nooit reden om een boek aan te kopen of niet. Maar minder subsidie betekent wel een ander uitgangspunt bij de onderhandelingen, zegt Visser. Het voorschot moet dan omlaag. ‘Vaak kiezen agenten in dat geval eieren voor hun geld.’
Gelukkig voor de uitgevers dalen de voorschotten nu eindelijk – na jarenlang alleen maar te zijn gestegen. Nederland behoorde met Duitsland en Italië tot de landen waar tegen elkaar opbiedende uitgeverijen de voorschotten hoog hielden. ‘Je betaalt zo 10.000 euro als een schrijver een beetje beloftevol is’, zegt Nijsen.  Maar de opwaartse trend is voorbij ‘Logisch,’ vindt Cossee. ‘Er wordt minder tegen elkaar op geboden. Dat haalt de druk van de ketel.’
In de loop van vorig jaar begonnen voorschotten te dalen, merkte Nijsen. ‘Internationaal was het opeens de vraag waarom de Nederlandse markt was ingestort. Zo’n welvarend land, daarvoor wilde niemand geloven dat het kon. Met als gevolg dat agenten blijer werden als je toch een boek inkoopt.’ Desalniettemin zegt hij dat hij samen met collega’s heeft afgesproken ‘tegenover de agenten te beklemtonen dat de markt gewoon niet goed meer is en voorschotten verder omlaag moeten.’

Uitgevers beperken zich niet tot klaagzangen over ten onrechte onopgemerkte literaire vertalingen. Ze doen, zoals voor al hun titels in de huidige markt, meer moeite om de aandacht op werk van buitenlandse auteurs te vestigen. Door minder te vertrouwen op recensies alleen, maar de auteurs vaker uit te nodigen, fanatieker te pluggen bij literaire festivals en desnoods door ze nog een keer uit te nodigen. En daarna nog eens, zoals Laurent Binet die herhaaldelijk in Nederland is geweest.
Visser: ‘Als je alleen het moment van verschijnen hebt om een boek te verkopen, zorgen wij ervoor dat er heel snel aandacht is. Als je het vier maanden later doet, heeft het nauwelijks nog invloed. Daarom maken we drie, vier maanden van tevoren pod-exemplaren voor de pers en boekhandel. Zetten we alle goede recensies in voor posters, sociale media en dergelijke. Adverteren doen we niet, dat is te duur. En een auteur als Karl Ove Knausgard nodigen we bij ieder nieuw deel weer uit.’
Het Nederlands Letterenfonds ondersteunt uitgevers daarbij. Ten eerste door vertalers te ontzien bij de opgelegde bezuinigingsoperatie en daarentegen te investeren in behoud van kwaliteit (via een professionele vertalersopleiding) en de zichtbaarheid van vertalers (denk aan de vertalersgeluktournee en de instelling van de Europese Literatuurprijs). Ook het uitgekeerde bedrag aan werkbeurzen is ondanks een dalend aantal aanvragen nagenoeg gelijk gebleven.
Daarnaast helpt het Letterenfonds uitgevers door de Schwob-regeling voor bijzondere literaire uitgaven te verruimen, hen op andere subsidiemogelijkheden te wijzen (zoals die van het Europees cultuurprogramma) en na te denken over manieren om de markt voor vertaalde literatuur te vergroten. Net als bij oorspronkelijke literatuur lijkt ook hier het middensegment te verdwijnen, denkt het fonds, en verschijnen zelfs klassiekers vaak in relatief kleine oplages. Via het Schwob-netwerk heeft het fonds daar een aantal keer met uitgeverijen over nagedacht.

Maar marketing en ondersteuning zijn natuurlijk nooit doorslaggevend. Zolang auteurs als Manu Joseph onverwacht blijven doorbreken, laten uitgevers  – zoals Nijsen het omschrijft – ‘het enthousiasme over de inhoud prevaleren’ boven de levensgrote kans dat de kosten niet worden terugverdiend. Zolang het met de uitgeverij als geheel maar goed gaat. Daar zijn het tenslotte uitgevers voor.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad, mrt 2013)

Zie ook:

donderdag 18 april 2013

Hanna Bervoets, 'Alles wat er was' (BOEK)


Een driehoeksverhouding tijdens de apocalyps

Buiten heerst een ondoordringbare mist. Binnen, in een klein schoolgebouw, zitten acht mensen opgesloten. Ze waren bij elkaar gekomen voor de opnames van een tv-programma toen er opeens een grote klap te horen was. De autoriteiten adviseerden via de televisie om ieder contact met te buitenwereld te mijden en te wachten. Dus dat doen de personages van Hanna Bervoets’ derde roman Alles wat er was – dagen, weken, maanden, terwijl alles langzaam uitvalt en de voorraden op raken.
Er is al een bibliotheek volgeschreven met verhalen over een groep mensen die lange tijd gedwongen in afzondering doorbrengen. Fictie: Lord of the Flies van William Golding. En non-fictie: De ondergang van de Batavia van Mike Dash. Zelden loopt het goed af.
Bervoets variant op het subgenre heeft een gewiekst plot. Ze geeft precies genoeg informatie om de lezer razendnieuwsgierig te houden. Haar vertelster Merel blijkt zwanger. Ze vindt een leeg doosje Halopax, dat alleen mensen slikken die ernstig in de war zijn. En Bervoets geeft Merels dagboek niet in chronologische volgorde prijs. De flashforwards werken versterkend voor de vraag: hoe loopt dit af?
Toch is Alles wat er was licht teleurstellend. Bervoets concentreert zich op de driehoeksverhouding tussen Merel, haar collega Barry en presentator Leo (gemodelleerd naar Arie Boomsma), met alle jaloezie, misverstanden en wantrouwen die daarbij hoort. In het licht van de zeer extreme omstandigheden heeft dat iets triviaals. Met als dieptepunt de brief van Barry aan Leo. Het popiejopie-taaltje past misschien bij Barry, maar vloekt met het apocalyptische drama op de achtergrond.

Hanna Bervoets - Alles wat er was (284 p.) – Atlas Contact, € 19,95, ISBN 978 90 25440374
(Eerder gepubliceerd in BOEK 2, 2013)

Zie ook:

woensdag 17 april 2013

Bibliotheek DOK (Delft) laat gebruikers readers en tablets testen (Bibliotheekblad)


Hoe prettig is digitaal lezen eigenlijk? Welk apparaat moet je gebruiken? En wat kun je er allemaal op lezen? De leden van DOK en andere Delftenaren kunnen sinds zaterdag het antwoord op deze vragen vinden aan de e-bar. Op deze bar met vijf krukken, gebouwd op de overgang tussen de romanafdeling en het leescafé, liggen drie e-readers en twee tablets. Om te testen. Om ervaring mee op te doen. Of om je te laten inspireren de overstap naar het digitaal lezen te maken.
‘De medewerkers krijgen veel vragen over readers en e-boeken,’ vertelt Ruud Brok van de afdeling service & informatie. ‘Veel mensen komen als eerste naar de bibliotheek voor informatie daarover. Maar de gekke spagaat waarin de bibliotheken zitten, is dat wij nog geen e-boeken kunnen uitlenen en er daarom weinig aan kunnen doen. Het hele onderwerp digitaal lezen is daardoor een beetje blijven hangen. Door de e-bar kunnen mensen nu gerichter vragen stellen en kunnen wij hen ook beter helpen.’
Brok is lid van het e-team dat DOK vorig jaar heeft geformeerd. Het team bestaat uit vijf medewerkers van alle afdelingen binnen de bibliotheek – van marketing & communicatie tot educatie – en heeft als taak de vernieuwingen binnen de organisatie aan te jagen. Het team wordt geadviseerd door Doklab. Na zich vorig jaar te hebben geconcentreerd op het verbeteren en vervangen van het bestaande digitale aanbod is de e-bar de eerste concrete vernieuwing die het e-team presenteert. 

De e-bar, die vergelijkbaar is met de mediabar van Probiblio, is door de medewerkers van DOK zelf ontworpen en samen met bouwers en ontwerpers tot stand gekomen. ‘Wij vinden hem persoonlijk dan ook mooier dan die van Probiblio,’ zegt Brok trots. ‘De bar sluit mooi aan bij het interieur van DOK.’ Onder de grote glazen plaat die de bar afdekt is één doorlopende illustratie te zien die de geschiedenis van de boekdrukkunst laat zien. 
Op de e-bar liggen de iPad mini, de Samsung Galaxy Tab 2.0, de Sony e-Reader, de Kobo Glo en de Amazon Kindle Paperwhite. Naast iedere tablet en reader ligt een scheurblokje waarop alle informatie en specificaties staan. Gebruikers die zo enthousiast zijn geworden dat ze de overstap naar digitaal lezen willen maken, kunnen dan een blaadje afscheuren en dit naar een winkel meenemen. DOK werkt nog niet samen met een commerciële partner om mogelijk tegen een provisie zelf readers te verkopen, maar sluit dat voor de toekomst niet uit.
Op de tablets en readers staat al het beschikbare bibliotheek-aanbod. Dat wil zeggen: de e-boeken die zijn te downloaden of lezen in de Eregalerij, via Lees Meer, het streaming-aanbod via de Public Library Online en Bereslim. Daarnaast heeft DOK een aantal apps geïnstalleerd, zoals prentenboeken voor de jeugd (Nijntje) en kranten en tijdschriften. Zodra er interessant nieuw aanbod is, zal DOK dat snel aanschaffen – wat overigens ook geldt voor toekomstige tablets en readers.
‘We staan nu in de startblokken voor het moment dat bibliotheken eindelijk e-boeken kunnen uitlenen,’ zegt Brok. ‘We hopen dat het snel rondkomt. Ik ben zelf een jaar geleden overgestapt van de architectuur naar de bibliotheek en vind het heel raar dat er nog geen model is ontwikkeld. Wat ik aan voorstellen voorbij zie komen, vind ik gekunsteld. Er wordt bij uitgevers zó gezocht naar inkomsten. Hebben ze niets geleerd van de muziekwereld, denk ik dan.’
Vooralsnog kunnen gebruikers van de e-bar ‘zo lang ze willen op de tablets en readers lezen– desnoods een hele middag, zoals sommige mensen doen in het leescafé,’ zegt Valérie de Boer van marketing & communicatie en lid van het e-team. ‘Het zou mooi zijn als we uiteindelijk een maximale tijd moeten instellen. Dat zou betekenen dat de e-bar een succes is.’

De medewerkers van DOK zijn door het e-team nadrukkelijk betrokken bij het opzetten van de e-bar. Een aantal hielp ons bij het testen van de tablets en readers en iedereen uit de frontoffice is getraind in het gebruik van de readers. ‘Wij zijn echter geen helpdesk,’ zegt Brok. ‘Wij kunnen geen technische vragen  beantwoorden van het type: hoe zet ik een boek op mijn Sony e-reader. Maar wel op vragen als: welke reader moet ik kopen? Daarop zijn alle collega’s geschoold.’ 
In de eerste twee weken na de feestelijke opening door Clasien de Graaf, hoofd service & informatie van DOK, bemant iemand van het e-team op gezette tijden de e-bar. Daarna wordt het publiek volledig vrijgelaten om alle tablets en readers te proberen. Voor wie nog vragen heeft: de informatiebalie van de romanafdeling is heel dichtbij. Een half jaar begeleidt het e-team de e-bar dan nog, daarna moeten de medewerkers hem zelfstandig kunnen runnen en kan het e-team andere vernieuwingen voor DOK uitwerken.
‘De inventaris van plannen die we eind vorig jaar hebben gemaakt, is een uitvoerige lijst geworden,’ zegt Brok. ‘Zo willen we de collectie luisterboeken aantrekkelijker presenteren. Het entreegebied moet op de schop – daar moet meer met digitale content worden gedaan. En we willen digitale content meer integreren met de “papieren content”. Nu staat het nog apart, dat moet door elkaar kunnen worden geplaatst. We hebben nog genoeg te doen.’
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl, 12 april 2013)

maandag 15 april 2013

De vorige crisis: het boekenvak in de jaren 1980 (Boekblad)


De vorige keer dat het boekenvak een ernstige crisis doormaakte was in de jaren tachtig. Jaar in jaar uit kocht de consument minder boeken. Toch zeggen betrokkenen van toen in meerderheid: de huidige crisis is erger, omdat die niet alleen conjunctureel maar ook structureel is.

De grote klap kwam in 1983. Particulieren kochten dat jaar volgens Stichting Speurwerk betreffende het boek 3,1 miljoen minder boeken dan het jaar ervoor: 31,9 miljoen tegen 35,0 miljoen. De omzet zakte met circa tien procent: van 653 miljoen naar 592 miljoen gulden. De boekverkoop bleef daarna zakken: tot 26,8 miljoen in 1988. Wel steeg de gemiddelde verkoopprijs van 18,55 (1982) naar 22,45 gulden (1988), waardoor de omzet rond de 600 miljoen gulden bleef schommelen.
De crisis die deze cijfers illusteren was ‘heel erg’, herinnert uitgever Maarten Muntinga zich. ‘Ik was in 1982 uit Hollandia gestapt [de uitgeverij van zijn vader], maar wilde in het vak blijven. In mijn herinnering stond er een heel jaar geen enkele vacature in Boekblad. De arbeidsmarkt was veel slechter dan nu. Ik ben van 1946. Ik moest concurreren met een hele groep babyboomers, de eerste generatie die massaal ging studeren en nu allemaal met een academisch diploma een baan zochten.’
‘Ik weet nog dat ik in 1984 de boekhandel van mijn ouders overnam,’ zegt boekverkoper Joost Polak. ‘Die stap werd me al afgeraden. Ik kreeg de financiering nauwelijks rond. Het is dat ik dankzij de crisis goedkoop aan huisvesting kon komen voor het nieuwe pand waar ik samen met Evert Nawijn verder ging. Toen we eindelijk openging in een prachtig pand op het Marktplein van Apeldoorn, kwam er geen mens. Niemand. Om 11 uur zaten we met al het personeel aan de leestafel koffie te drinken.’
Maar er zijn ook andere geluiden. ‘Volgens mij was het helemaal niet zo erg,’ zegt Ari Doeser, die in 1983 bij de Boekverkopersbond begon. ‘Zeker in vergelijking met nu, anders had ik spontaan gezegd hoe heftig het was. Ik ken de feiten niet uit mijn hoofd, maar er schiet me geen dramatische gebeurtenis te binnen. Een bekende boekhandel die sloot. Een drastisch afgenomen titelproductie. Op microniveau kan het heel pijnlijk en droevig zijn geweest, maar op macroniveau waren de gebeurtenissen kinderspel in vergelijking met nu.’
‘Door de samenloop van omstandigheden waren de jaren tachtig een positieve tijd,’ zegt ook uitgever Bert de Groot. ‘Ik weet dat het geen goede tijd was. De uitleningen in de bibliotheek schoten omhoog van 100 naar 175 miljoen per jaar. Niet goed voor de branche. Auteur en uitgeverij kregen er ook nog geen vergoeding voor. Maar wij begonnen in die tijd vanaf nul met uitgeverij Veen, die we stap voor stap uitbouwden. Tot 1987 heb ik alle losse onderdelen van Kluwer verzameld. Die, zoals Zomer & Keuning, inderdaad vaak in lastige papieren zaten.’

Het waren in de jaren tachtig ogenschijnlijk vooral de uitgeverijen die de grote klap opvingen. Dat begon al in 1982 – dus een jaar vóór de afzet en omzet kelderden. Singel 262, Het Spectrum, Unieboek, boekenclub NBC – overal gingen mensen eruit. Soms met tientallen tegelijk, zoals bij Het Spectrum dat drie jaar wilde afslanken van 310 naar 188 medewerkers. Directeur Gerlag van Gendt voorspelde toen dat 70 procent van de uitgeverijen binnen korte termijn helemaal niet meer zouden bestaan.
De jaren erna kenmerkten zich door het langzame terugtrekken van de grote concerns Elsevier en Kluwer uit de A-boekenmarkt. Elsevier hakte definitief de knoop door in 1986, toen deze markt nog maar goed was voor 4 procent van de concernomzet. Kluwer volgde een jaar later. Daarnaast verdwenen maar weinig uitgeverijen. Boekblad meldde faillissementen van Heuff (1982), Tiebosch, het Vlaamse Orbis-Orion (1983) en Stabo-All Round (1986). Niet meer.
Boekhandels die ten onder gingen, waren er helemaal niet. Althans, volgens de officiële berichten van de KVB waren er in 1982 84 opheffingen en faillisementen (tegen 70 nieuwe vestigingen). Maar geen daarvan was blijkbaar een bericht in het vakblad waard. Alleen de reorganisatie van Bruna, dat toen nog geen franchise-organisatie was, trok de aandacht. Daar gingen dat jaar 140 mensen weg, 6 procent van het totaal. Pas in 1985 was de boekhandelsketen weer winstgevend.
Joost Polak heeft wel een verklaring voor het gebrek aan bankroete boekhandels. ‘In de jaren zeventig waren winkelcentra met aparte voetgangersgebieden ontstaan. Winkels wilden toen naar het centrum. Warenhuizen als V&D wilde graag uitbreiden met het pandje ernaast. Als boekhandelaar kon je daarom gunstig liquideren door je pand te verkopen. Dat is nu helemaal omgekeerd: winkelcentra lopen leeg en boekverkopers moeten stoppen omdat de huren te hoog zijn.’

De belangrijkste oorzaak van de crisis van de jaren tachtig was conjunctureel. De consument had minder te besteden en kocht dus ook minder boeken: 132 gulden per huishouden in 1981 tegen 115 gulden per huishouden in 1985. Maar zodra de koopkracht weer steeg, keerde het publiek terug naar de boekhandel. En al snel in grotere getalen dan ooit tevoren.
In de jaren dat ondernemers de broekriem moesten aanhalen, wisten ze wel nieuwe markten te ontginnen. De bekendste is de pocket. Het eerste crisisjaar 1982 bestempelde Boekblad al tot het jaar van de pocket: West-Friesland, Gottmer, Elsevier, De Bezige Bij, Tiebosch – allemaal zette ze een nieuwe reeks in de markt. Pas een jaar later startte Maarten Muntinga met de Rainbowpocket, wat nu de naam heeft als dé gebeurtenis van het boekenvak in die jaren.
‘In de jaren zeventig groeide de bomen tot de hemel,’ zegt Muntinga. ‘Boeken werden duurder en mooier, en iedereen vergat de pockets. Toen mensen met een hoog opleidingsniveau maar zonder geld iets passend om te lezen zochten, hadden ze alleen keuze uit ramsj of buitenlandse pockets. Uitgevers zagen het gat in de markt wel, maar brachten eenmalige, goedkope herdrukken. Boekhandels konden niet nabestellen. Zo bouwden ze geen fonds op, zoals we bij Rainbow als eerste wel deden.’
Ook de ramsj nam in die jaren een grote vlucht. Restantenopkopers als ICOB, Rob van Gennep en De Slegte boerden goed. Tot grote ergernis van veel boekenvakkers. Regelmatig terugkerend waren de klachten in het vak dat ramsj de markt verpeste. Het is slecht voor de prijs- én kwaliteitsimago van het boekenvak, zei bijvoorbeeld directeur Hans Mons van non-fictieuitgeverij Zomer & Keuning in een interview. Gingen collega’s maar net zo zorgvuldig om met de backlist als hij, verzuchtte hij.
Tenslotte zorgde de crisis voor een professionaliseringsslag. In de boekhandel uitte zich dat bijvoorbeeld in nauwere samenwerking. Libris is in die dagen opgericht – omdat Evert Nawijn een van de oprichters was, zat Nawijn & Polak er ook snel bij. Maar ook sloten boekhandels zich aan bij AKO en Bruna. Vanuit bracheorganisaties werd gehamerd op het belang van marketing. Iets wat in de uitgeverij ook steeds belangrijker werd, herinnert Bert de Groot zich. ‘De uitgevers die overleefden besteden daar nadrukkelijk meer aandacht aan.’

De situatie anno 2013 is heel anders dan dertig jaar geleden. Naast het simpele feit dat de consument ook nu minder te besteden heeft, is de maatschappij en het vak drastisch veranderd. In de jaren tachtig kwam er een grote groep afgestudeerden aan die, eenmaal aan het werk en dus kapitaalkrachtig genoeg, zijn behoefte aan boeken zou gaan bevredigen, zoals Muntinga vertelt. Dat is nu zeer de vraag. Is de ontlezing onder jongeren, die slecht onderwijs hebben genoten en liever met hun smartphone spelen, niet te groot?
‘Ontlezing en concurrentie van andere vrijetijdsbestedingen had je toen ook al,’ zegt Doeser. ‘Maar de ontwikkeling heeft zich versterkt. Zozeer dat nu ook de nieuwe minister van onderwijs zich zorgen maakt om de weinige aandacht voor lezen en de gebrekkige leesvaardigheid. Daarnaast spelen andere sociologische veranderingen een rol, zoals de individualisering. Buiten het vak: klantentrouw is minder dan vroeger. En binnen het vak: kijk maar naar wat er straks gebeurt als Amazon naar Nederland komt. Daartegen wordt geen collectieve vuist gemaakt.’
Maar de belangrijkste verandering is natuurlijk de digitalisering. Dat kost boekhandels omzet die ze nooit meer terugzien, maken Muntinga en De Groot duidelijk. Eerst verloren ze een slag aan webwinkels die konden thuisbezorgen en nu zullen ze hooguit een marginale rol spelen in de verkoop van e-boeken. Dat daardoor boekhandels verdwijnen heeft weer onmiskenbaar effect op de uitgeverij. ‘Die verkoopt steeds minder op aanbieding en loopt meer risico, of moet andere businessmodellen bedenken,’ zegt Muntinga.

Toch is er ook iets te leren van de crisis van de jaren tachtig. Dat is de geruststellende zekerheid dat de economie ooit weer opveert. ‘Iedere crisis gaat voorbij,’ zegt Muntinga. ‘En: dingen komen terug. De pocket was dood in de jaren zeventig, maar bloeide weer op. Ook nu zal de pocket ooit weer terugkomen. Daarnaast past de branche zich altijd aan nieuwe mogelijkheden aan. Zie de uitgevers van de VZU: zij kunnen hun doelgroep – vaak een kleine niche – via het internet perfect rechtstreeks bedienen. Vroeger kon dat niet.’
‘Je moet nuchter blijven,’ zegt ook Polak. ‘Zorg dat je de kosten in de hand houdt en weet: er kómen betere tijden. Waarom niet? Nederland is een van de grootste economieën van Europa. We hebben goede inkomens. Ik denk wel dat we daarbij moeten zorgen voor een grotere schaalgrootte, zoals ook toen gebeurde met de start van Libris. Een boekhandel in zijn eentje op een hoek van de straat maakt het zichzelf erg lastig.’
(Eerder verschenen in Boekblad Magazine 3, 2012)

zaterdag 13 april 2013

De boekenapotheek: Christiaan Weijts bestrijdt gevoelens van onrechtvaardigheid


Leid je aan verveling, nostalgie of wanhoop? Het lezen van literatuur kan iedere klacht genezen. Aflevering 1 in een serie voorpublicaties uit De boekenapotheek.

Onrechtvaardigheid, gevoelens van
Art 285b – Christiaan Weijts

Niets gedaan en toch veroordeeld. Wat frustreert meer? Wat roept meer woede op? Wat zet meer aan om iets te gaan doen waar je mogelijk wél voor veroordeeld wordt?
Voor je iets onherstelbaars aanricht – een steen door een ruit, je gevoelens van onrechtvaardigheid afreageren op je partner, de rechter iets aandoen – lees de roman waarmee Christiaan Weijts in 2006 in één keer een van de prominentste schrijvers van de Nederlandse literatuur werd.
De pianoleraar Sebastiaan Steijn wordt in Art 285b veroordeeld voor stalking. Ten onrechte. Nou ja, hij had een paar sms-jes gestuurd aan zijn ex Victoria. Een paar keer de voicemail ingesproken. En ja, soms had hij wat heftige dingen gezegd.
‘Ik zal je leven tot een hel maken. En boen je kut uit als je weer bij me aanklopt’. Dat soort teksten.
Maar het staat in geen verhouding tot wat Victoria hém heeft aangedaan. Hopeloos in de ban van haar was hij. Alles deed hij om aan haar vluchtige verlangens tegemoet te komen. En nooit mocht hij met haar naar bed.
Al die tijd speelde Victoria met hem. Ze verleidde andere mannen – voor zijn ogen. Hij moest haar begeleiden terwijl zij oefende voor het toelatingsexamen van de dansopleiding. Ze wekte zijn medelijden op met leugens over een anale verkrachting. Enzovoorts.
En dan zou hij haar lastig hebben gevallen? Verwerd deze wet niet heel makkelijk tot instrument voor een wraakoefening? Hadden agenten, officieren van justitie en rechters niet bij voorbaat te veel sympathie voor het slachtoffer?
Weijts laat de lezer intens meeleven met zijn Sebastiaan – in het christendom de bekendste mannelijke martelaar. Je voelt zijn intense woede almaar toenemen, tot hij voor de rechter tevergeefs een dramatische pleidooi houdt over een samenleving die zijn soort liefde voor Victoria niet tolereert.
Maar hij laat je ook nadenken: Is Sebastiaan wel zo onschuldig? Heeft hij niet op zijn minst aanleiding gegeven om te worden veroordeeld tot een taakstraf?
Dat is een wijze les voor iedereen die leidt onder zijn gevoelens van een onrechtvaardige behandeling. Kalmeer. Denk eerst rustig na of je echt onschuldig bent. En pak het dan rationeler aan dan Sebastiaan. Word geen martelaar in je eigen strijd voor rechtvaardigheid.

De boekenapotheek verschijnt najaar 2003 bij Uitgeverij Podium.
(Voorpublicatie uit BOEK 2, 2013)

Zie ook deze recensies van Weijts' werk: Via Cappello 23 en Euforie.

donderdag 11 april 2013

Erik Menkveld - 'Het grote zwijgen' (BOEK)


Op de dag van het 125-jarig jubileum van het Concertgebouw, waar ik graag kom, aandacht voor een van de interessantste muziekboeken van de laatste jaren - ondanks de kritiek die ik ook heb op deze roman van Erik Menkveld.

De noviteit van een geschoren oksel

Gustav Mahler steunde de jonge componist Arnold Schönberg. Hij begreep niets van diens atonale muziek, maar Mahler wist: hij componeert de klanken van de nieuwe tijd. Zo wilde Alphons Diepenbrock (1862-1921) ook de mentor en mecenas zijn van zijn protegé Matthijs Vermeulen (1888-1967). Hij herkende in hem de passie en het verlangen naar het hogere van zijn eigen jeugd. Maar zijn droom komt niet uit. Zo grootmoedig als Mahler kon Diepenbrock niet zijn over muziek die vloekte met zijn eigen principes. Al helemaal niet toen zijn vrouw Elisabeth wraak op hem nam voor een buitenechtelijke affaire door een relatie te beginnen met Vermeulen.
De dichter Erik Menkveld schreef een mooi ingehouden historische roman over deze gecompliceerde driehoeksverhouding die Diepenbrock, Vermeulen en Elisabeth alle drie gedesillusioneerd achterlaat. Het grote zwijgen laat de verwoestende werking zien van het stilhouden – van geheimen, van emoties. Van het zwijgen dat een wig drijft tussen mensen en hen uiteindelijk van elkaar verwijdert. Urenlang wordt je heerlijk ondergedompeld in de vroege jaren van de twintigste eeuw. De kruiers op het station, de gaslampen op hotelkamers, de noviteit van een geschoren oksel. Menkveld gebruikt alles om het Nederland van toen levensecht te schilderen.
Toch mist Het grote zwijgen een spanning om bijna vierhonderd pagina’s te boeien. Misschien is dat een gevolg van Menkvelds poging zo dicht mogelijk bij de werkelijke gebeurtenissen te blijven. ‘Iedere overeenkomst tussen de personages en hun historische modellen is opzettelijk,’ schrijft hij in zijn verantwoording. Als hij meer de nadruk had gelegd op de driehoeksverhouding en bijvoorbeeld de onderdrukte homoseksualiteit van Vermeulen, die als seminarist door een pater werd verleid, buiten beschouwing had gelaten – al is dat ook een voorbeeld van verzwegen emoties – had de roman aan focus en kracht gewonnen. Echt gebeurd is geen excuus, zei Gerard Reve al.

Het grote zwijgen (390 p.) Erik Menkveld - Van Oorschot (9789028241589, € 20,00)
(Eerder gepubliceerd in BOEK 3, 2011)