maandag 2 januari 2012

Marita Mathijsen - 'Vroeger is ook mooi'


Vroeger is ook mooi van Marita Mathijsen bevat een aantal lezingen, redes en toespraken die de emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde van de Universiteit van Amsterdam de afgelopen jaren heeft gehouden, aangevuld met enkele niet eerder gepubliceerde teksten.
Je kunt goed merken dat de ene uitnodiging prestigieuzer is dan de andere. De Huizinga-lezing 2009 over historische sensatiezucht is een doorwrocht betoog., terwijl een aantal andere referaten niet veel meer behelzen dan een opsomming van wat historische feiten rondom thema’s als vrouwen in de literatuur of de honorering van de auteur.
De bronvermelding ondersteunt deze bewering: bij de Huizinga-lezing is die tweeëneenhalve pagina lang, bij ‘De echte boekwinkel’ – een causerie over boekhandels ter gelegenheid van het afscheid van Guus Schut als directeur van Athenaeum Boekhandel – staan slechts twee titels vermeld.
Het hoogtepunt van de bundel vond ik de uiteenzetting op de Dag van het Essay in 2008, waarin ze aan de veranderingen in de supermarkt in de afgelopen veertig jaar laat zien hoe de maatschappij is veranderd. Vindingrijk, doordacht en daardoor een eye-opener.
Ook de wat gemakzuchtiger stukken heb ik met genoegen gelezen. Mathijsen schrijft helder en behandelt, met veel kennis van zaken, onderwerpen die me zonder uitzondering interesseren: over literatuur, geschiedenis en de geesteswetenschappen.
Wie weet, bedacht ik me, kan ik de feiten die Mathijsen aandraagt nog eens gebruiken als ik zelf ooit een artikel schrijf over, zeg, de honorering van auteurs. In Vroeger is ook mooi heb ik ze bij de hand. Zo krijgt het stuk enige historische diepgang en voldoe ik aan de wens die Mathijsen herhaaldelijk uit, om het verleden meer te waarderen.

zondag 1 januari 2012

Des romans français: Maurice Pons, 'De seizoenen'


Laat een ezel je ontstoken voet opknabbelen

Hoe zwaar kan het leven van een schrijver zijn? Hoeveel ontberingen moet hij trotseren om zijn wens, het schrijven van een verhaal, in vervulling te laten gaan? Bij de een gaat het misschien wat makkelijker dan bij de ander, maar Maurice Pons schetst in De seizoenen ('Les saisons', vertaald door Mirjam de Veth) het schrijverschap als een heuse hellevaart. Niet alleen de leefomstandigheden van de hoofdpersoon zijn erbarmelijk, maar ook de inspiratie laat het pijnlijk afweten en wordt door van alles naar de achtergrond verdreven.

Siméon komt na een barre tocht door de bergen aan in een kil en nat dorp. Kil door de bewoners die hem vijandig ontvangen en nat doordat het onophoudelijk regent. Ze leven er in oude tochtige huizen en voeden zich enkel met linzen. Hij betrekt de zolder boven de enige herberg en wordt door iedereen met de grootste achterdocht bekeken. En juist in die vijandige omgeving houdt Siméon halsstarrig vast aan zijn roeping. Hij bezit het rotsvaste geloof dat een schrijver moet hebben om door te gaan. In de aanloop naar zijn roman, die vooral moet gaan over zijn zus die de vreselijkste dingen is overkomen in een kamp in de woestijn waar ook Siméon gevangen zat, begint hij een dagboek:

‘Ik zou me willen bevrijden van het verschrikkelijke geschreeuw dat mijn zusje uitstootte toen de hogepriesters haar kooi binnengingen en dat in het hele kamp weerklonk, een geluid dat ik herkende tussen alle andere geschreeuw. […] Mijn boek moet zich vullen met die kreten, dat weet ik zeker, maar hoe moet ik ze weergeven, met welke woorden?’

Maar van de roman komt het niet, vooral omdat hij niet meer rustig op zijn zolder kan zitten omdat hij een taak heeft gekregen. En een schrijver met een taak, dat werkt niet. Op een bijeenkomst van de dorpsraad, waarin alle 26 inwoners zitting hebben, wil men een beslissing nemen of de vreemdeling mag blijven. Siméon neemt het woord en probeert de waarde van zijn aanwezigheid duidelijk te maken door uit te leggen wat hij doet: ‘Ik werk met mijn blote handen. Ik fabriceer mijn woorden met klinkers en medeklinkers die ik aaneenvlecht als een mandenmaker. Met mijn mandjes en korfjes probeer ik schoonheid te vangen.’
Mooi gezegd, schoonheid vangen met woorden. Maar kan dat in een wereld waar geen schoonheid is, slechts druilerigheid, grijze luchten en onsympathieke mensen?
De raad beslist: hij mag blijven, maar de dorpelingen gaan geheel voorbij aan zijn schrijverschap, hij wordt benoemd tot beheerder van de regenmeter bij de ingang van het dorp. Drie keer per dag moet hij erheen om de hoeveelheid water te meten.
Langzaam zet het verval in. De overal aanwezige vochtigheid begint aan hem te vreten, zijn voet rot letterlijk weg, de dokter heeft een aparte manier van genezen: hij laat zijn ezel de voet van Siméon opknabbelen.
Het lijkt absurd, surrealistisch bijna, maar in de lijn van het verhaal is het niet onlogisch. De manier van werken van de arts verbaast Siméon slechts in het begin, maar al snel accepteert hij de etende ezel en merkt dat het werkt. Zijn ontsteking en de pijn verdwijnen en daarmee klopt het binnen het verhaal. Zo verwoordt Pons het ook in het nawoord van vertaalster Mirjam de Veth: ‘In het onlogische moet strenge logica zitten en in het fantastische een minutieus realisme.’
Wat Siméon niet lukt, lukt Pons uitermate goed: met woorden een andere wereld creëren die de lezer niet snel zal vergeten. De seizoenen is een indringende roman over een schrijver die er niet in slaagt woorden te vinden om zijn roman mee te vullen.

(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl op 29 aug 2011)

zaterdag 31 december 2011

Japanse e-boekmarkt staat op punt van openbreken (Boekblad)



In Japan is de e-boekmarkt opmerkelijk klein. Niet alleen zijn Japanners ontevreden over de kwaliteit, het conservatieve boekenvak houdt innovatie tegen. Iedere speler wil zijn plaats in de keten behouden. Maar verandering is op komst.
Denk Japan en je denkt: digitale innovatie, voorliefde voor gadgets, wereldwijd actieve technologische bedrijven. Maar op het gebied van het digitaal lezen loopt Japan zeker niet voorop. De totale uitgeefmarkt in Japan heeft in 2011 een geschatte omvang van 1,8 triljoen yen (17 miljard euro) – 1 triljoen zijn tijdschriften, 0,8 triljoen is boeken. De digitale markt is slechts 65 miljard yen (619 miljoen euro) groot. Ofwel: 3,6 procent. En dan is 75 tot 80 procent daarvan manga-comics. Het aandeel van genres als literatuur, kinderboeken en non-fictie is verwaarloosbaar.
Een rapport van het onderzoeksbureau Net Mile, die de attitude ten opzichte van e-boeken vergeleek in Japan en China, bevestigt de geringe interesse van Japanners in digitaal lezen. Ruim de helft (57,7 procent) zei ‘nooit’ een e-boek gaan lezen, tegen slechts 4,5 procent van de Chinezen. Slechts tien procent van de Japanners had ook al tenminste één keer een digitaal boek gedownload, tegen zeven op de tien ondervraagde Chinezen. Bovendien prefereren Japanse e-boeklezers een onpraktisch apparaat als de PC, terwijl Chinezen het liefst op een smartphone lezen.
Volgens Robin Birtle, algemeen directeur van de digitale uitgever Sakkam Press die Engelstalige e-boeken uitgeeft in Japan, is de aarzelende houding te verklaren uit een voorliefde voor kwaliteit. ‘Japanse consumenten zijn pro-technologie, maar nog meer pro-kwaliteit’, aldus Birtle in The Bookseller. De leeservaring van de beschikbare e-readers en het gemak van e-boeken kopen en downloaden is simpelweg nog te laag. Ook worden gebruikers onvoldoende verleid e-boeken te proberen door het geringe aanbod (circa 30.000 titels).
Daarmee raakt Birtle aan misschien wel het belangrijkste obstakel voor een bloei van de Japanse e-boekmarkt: het conservatisme van het boekenvak. Het Japanse boekenvak heeft nog altijd het karakter van de ‘za’, legde Hiroki Kamata van het Japanse E-book 2.0 magazine in augustus uit op Publishing Perspectives: het middeleeuwse gildensysteem, waarin ieder lid zijn eigen vaste plaats in de keten heeft en buitenstaanders weinig tot geen ruimte krijgen om de markt te betreden. Daardoor dreigt de overgang van papier naar digitaal de bestaande verhoudingen door elkaar te gooien.
In Japan laten vrijwel alle grote uitgeverijen hun boeken drukken door Dai Nippon Printing en Toppan Printing en distribueren door Tohan en Nippan – allemaal bedrijven waar de uitgeverijen ook aandelen in hebben. Die intense wervenheid weerhoudt de uitgeverijen om te innoveren. Ook al krimpt de markt al jaren: zo’n vijftien tot twintig procent in de afgelopen vijftien jaar. Ook al kent de markt grote structurele problemen: omdat boekhandels hun voorraad niet inkopen, maar tegen commissie verkopen is het aantal retouren 40 procent. Bovendien kent Japan een vaste prijs die alleen voor papieren boeken geldt.
Toch hangt verandering in de lucht, schrijft The Nikkei Weekly. Onlangs kondigen de grootste uitgeefhuizen zoals Kodansha, Shinchosha en Gakken aan vanaf 2012 alle nieuwe titels automatisch ook als e-boek uit te geven. Ook hebben de twintig grootste uitgeverijen aangekondigd deze winter een grote promotiecampagne voor digitaal lezen te starten. En zij richten binnenkort een gezamenlijk bedrijf op dat een uniforme manier van digitaliseren en distributie naar e-boekverkopers (zoals het onlangs door het Japanse bedrijf Rakuten gekochte Kobo) moet garanderen.
Ook krijgen buitenlandse meer kansen. Ten eerste uitgevers. De Japanse techologiefabrikant Sharp is gestopt met zijn tablet gebaseerd op het XMDF-formaat. Lang gold dit formaat als de standaard voor Japanse digitale uitgaven, maar nu Sharp onlangs een enorme reclamecampagne heeft gefaald, is de weg vrij voor ePUB om ook in Japan het standaardformaat te worden. Ten tweede boekhandels, zoals Amazon die vorige maand aankondigde de Kindle in Japan te introduceren. Volgens The Nikkei Weekly hebben Amazon en de uitgevers een akkoord gesloten over de termijnen waarna Amazon boeken met korting gaat aanbieden.
Als die ontwikkeling doorzet, kan de omzetverhouding papier en digitaal er in 2012 wel eens heel anders uitzien.


(Gepubliceerd in Boekblad 20, 23 dec 2011)

vrijdag 30 december 2011

De schoolboekenmarkt in 2011 (Boekblad)


Ogenschijnlijk was het op de schoolboekenmarkt een rustig jaar. Na de turbulentie die de invoering van gratis schoolboeken veroorzaakte, hebben nagenoeg alle scholen de afgelopen jaren hun leermiddelen Europees aanbesteed. Nu constateerde minister van onderwijs Marja van Bijsterveldt (CDA) in de evaluatie van haar maatregel onlangs dat ouders niet meer hoeven te betalen. Zelfs de marktwerking was, ondanks afname van het aantal marktpartijen, verbeterd. Bewijs: de prijzen waren gedaald en scholen krijgen meer diensten voor hun geld.
De missie was dus geslaagd, stelde ze tevreden vast. En de rust kan wat Van Bijsterveldt nog jaren voortduren. Scholen moet alleen nog een integraal leermiddelenbeleid vaststellen zodat ze niet in de eerste plaats op de centen letten, maar op de kwaliteit van het onderwijs. Dan komt het met die marktwerking ook wel goed.
Zo simpel is het echter niet. Het afgelopen jaar vond één aanbesteding plaats die voor veel belangstelling zorgde in de sector – inclusief de minister. Dat was de aanbesteding van Landstede. De onderwijsinstelling met elf middelbare scholen zocht geen leverancier van leermiddelen, maar een partner die kon garanderen dat de school altijd de nieuwste methodes heeft. Winnaar was uitgeverij Noordhoff, en daarmee de eerste schoolboekenuitgever die een aanbesteding won.
Zelfs adviseur Herman Berendsen van Landstede verwachtte niet dat dit licentiemodel op heel korte termijn brede navolging krijgt. Maar de toekomst is het wel. Zo zit Landstede in dit contract niet vier jaar vast aan dezelfde leermiddelen, maar kan het ieder jaar nieuwe – veelal digitale – leermiddelen introduceren. Gezien het aanhoudende snelle tempo waarin lesmaterialen digitaliseren en ook dit jaar weer meer scholen met iPads of laptops voor iedere leerling gingen werken, is dat voor veel scholen zeer aantrekkelijk.
Zo staat de schoolboekensector mogelijk opnieuw voor een opschudding van de markt. Kunnen distributeurs Van Dijk en Iddink mee? Hoe gaan uitgevers de concurrentie aan? De toekomst zal het uitwijzen.

(Gepubliceerd in Boekblad magazine 20, 23 december 2011)

woensdag 28 december 2011

Elsbeth Etty - 'ABC van de literaire kritiek'


Nog even over ABC van de literaire kritiek van Elsbeth Etty (na deze opmerking). Zoals in zo veel essays, columns of boeken over literaire kritiek, beschrijft zij de ideale situatie. Een recensent heeft respect voor de auteur, maar is uitsluitend dienstbaar aan de lezer (van zijn stuk), beargumenteert zijn oordeel, kiest passende citaten om dat aan te tonen, enzovoorts. Dat geeft niets: het is goed voor iedere recensent – ook voor mij – om een ideaalbeeld voor ogen te houden, ook al is de werkelijkheid weerbarstig. Maar wat dit ABC bij vlagen zo onverteerbaar maakt, is de zelffeliciterende ondertoon. Alle voorbeelden van hoe het moet zijn afkomstig uit haar eigen praktijk of uit de krant waarvoor zij werkt (NRC Handelsblad). Alle voorbeelden van hoe het niet moet, zijn afkomstig uit de Volkskrant, Vrij Nederland en andere media. Terwijl juist in dit ABC voldoende voorbeelden te vinden zijn dat ook Etty lang niet altijd aan het ideaalbeeld voldoet. Zo richt de boekenbijlage van de Volkskrant zich volgens haar alleen nog maar op infotainment en human interest omdat Arjan Peters het bestond Haantjes van Kluun vijf sterren te geven. Dat noem ik niet ‘goed beargumenteerd’, dat noem ik een polemische steek onder water. (Overigens gaf Peters de roman van Kluun vier, geen vijf sterren.)

Elsbeth Etty, ABC van de literaire kritiek, Balans, 2011

Zie ook:
- Arjan Peters over recenseren

dinsdag 27 december 2011

Elsbeth Etty over gratis recensie-exemplaren


‘Ik heb als criticus nooit slechte ervaringen gehad met uitgevers, behalve dan met Geert van Oorschot, die zo verschrikkelijk anticommunistisch was dat hij geen gratis recensie-exemplaren aan het communistische dagblad De Waarheid wilde verstrekken. Geen nood, als er een Van Oorschot-uitgave was die ik voor die krant wilde bespreken, vond ik altijd wel de auteur ervan bereid om mij een exemplaar ter beschikking te stellen.’
(uit: Elsbeth Etty, ABC van de literaire kritiek, Balans, 2011)

Heel merkwaardig. Alsof het gratis ter beschikking stellen van recensie-exemplaren een noodzakelijke voorwaarde is voor het bedrijven van literaire kritiek. Een criticus kan ieder boek toch ook gewoon kopen? Op kosten van de krant nog ook. Of zou Elsbeth Etty van mening zijn dat je – ten onrechte – het bedrag dat je voor een boek moet neerleggen, laat meewegen in je oordeel? In de trant van: 19,95 euro is echt te veel geld voor deze roman.
De ironie wil overigens dat dit boek een van de weinige is die ik dit jaar voor mezelf heb gekocht. Met Etty’s standpunt in mijn achterhoofd oordeel ik: 6,95 euro is te duur voor zo’n haastig neergepend abecedariumpje; als de uitgeverij er 2,50 euro voor had gevraagd was de prijs/kwaliteit-verhouding beter geweest en had ik er ook gunstiger over geoordeeld.

maandag 26 december 2011

Uitgeverspraktijken: Mondriaan is niet zo moeilijk te vinden


‘De afbeeldingen in dit boek zijn voor zover mogelijk opgenomen in overleg met de rechthebbenden; wie verder rechten kan doen gelden wordt verzocht contact op te nemen met de uitgeverij.’

Deze standaardzin staat ook in het colofon van Komrijs Kunstwonderen. Maar de waarheid is het niet. Kan het onmogelijk zijn. Direct onderaan het colofon, op de allerlaatste pagina, staat de illustratieverantwoording. Elf regeltjes, in klein corps. Daar ontbreekt Mondriaan, wiens Compositie nr. 3 uit 1922 is afgedrukt op pagina 160. Zouden de rechthebbenden van Mondriaan echt niet te vinden zijn? Of was het te duur om een afbeelding van zijn werk op te nemen? En heeft De Bezige Bij het dan maar gewoon gedaan zonder toestemming te vragen in de hoop dat de Amerikaanse stichting die Mondriaans werk beheert er nooit achter komen? De vraag stellen is hem beantwoorden.
Overigens is de Mondrian/Holtzman Trust inderdaad streng en duur. Zo eist de stichting dat de copyright-vermelding niet achterin wordt weggemoffeld, maar op de pagina zelf wordt afgedrukt. Ook dat is in Kunstwonderen niet gebeurd.

(Derde deel en slot van een kersttrilogie)

zondag 25 december 2011

Interview: Gerrit Komrij en Joost Zwagerman - schrijven over kunst (Knack)


Joost Zwagerman en Gerrit Komrij brachten vrijwel tegelijk een bundel beschouwingen over kunst uit. Op het eerste gezicht hebben beide boeken meer verschillen dan overeenkomsten. Dat is schijn. Over te dure kunst, het jargon van kunstcritici en zelfs hun inzet om voor waardevolle kunst enthousiasme te kweken – Zwagerman en Komrij zitten vaak op één lijn.

Volledig van de werkelijkheid losgezongen kunstkoeterwaals
Deel twee van een kersttrilogie

Interesse. Toeval. Daarom schrijven Gerrit Komrij en Joost Zwagerman over beeldende kunst. Daar zijn misschien wel de beste twee essayisten in het Nederlandse taalgebied het snel over eens.
‘Toen ik mijn eerste schreden zette in de literatuur, heb ik tien jaar lang geprobeerd schrijvers te vermijden,’ vertelt Komrij. ‘Totdat dat niet meer lukte. Veel liever ging ik in die tijd om met beeldend kunstenaars. Mijn vriend komt ook uit een schildersfamilie. Op mijn twintigste heeft hij me geleerd te kijken. Naar vormen, kleuren, verschijningsvormen, verhoudingen. Op die leeftijd kun je een visuele instelling blijkbaar nog aanleren. En als je die eenmaal hebt, behoort de kunst gewoon tot je onderwerpen. Als iedereen met een demente moeder daarover mag schrijven, dan mag ik toch ook wel over kunst schrijven?’
‘Bij mij ging het ongeveer hetzelfde,’ reageert Zwagerman. ‘Toen ik vijfentwintig jaar geleden in Amsterdam aankwam, leerde ik eerder mensen van het beeld kennen dan mensen van het woord. Misschien ook omdat ik een blauwe maandag dacht: wat zou het fantastisch zijn als ik zelf kunstenaar kon worden. Ik wilde dicht bij het vuur zitten. Die vrienden van toen – nog steeds mijn vrienden trouwens – hadden carrières als rocksterren. Het ene jaar zaten ze op de Rietveld Academie, het andere jaar werden ze tot hun eigen verwondering uitgenodigd voor biënnales van São Paulo en zelfs Venetië. Aan het effect dat dat had op hun levens en hun karakter heb ik mijn roman Gimmick! uit 1989 aan te danken.’

Komrij en Zwagerman zitten in het restaurant van een Amsterdams hotel. De een over uit Portugal, de ander wat grieperig. Maar alle twee goedgemutst. Van beiden is net een nieuwe bundel essays uit over beeldende kunst. In Kunstwonderen maakt Komrij zich vrolijk over de uitwassen van de opgeblazen kunstkritiek, de van de mensen losgeraakte museumwereld en de overspannen kunstmarkt. In Alles is gekleurd wijdt Zwagerman een groot aantal enthousiasmerende stukken aan zijn geliefde kunstenaars. Van Edward Hopper en Jackson Pollock tot Daniel Richter en Marlene Dumas.
Ogenschijnlijk verschillen de bundels hemelsbreed. Tegenover de vileine humor van Komrij die, naar eigen zeggen, ‘geniet van humbug en bedrog’ staat de heldere uitleg van Zwagerman die haarscherp onder woorden brengt wat hij ziet en ervaart. Maar dat verschil is alleen maar een verschil in inzet. Ook Zwagerman heeft weinig op met de nonsens die kunstkritiek heet of de poeha van kunstenaars die honderd keer hetzelfde flauwe trucje uithalen. Alleen voelt hij niet de behoefte dat van de daken te schreeuwen. In zijn essays en artikelen gaat het uitsluitend om wat hij, oog in oog met het kunstwerk, zelf ziet en ervaart.
‘Mijn grootste drijfveer voor het schrijven is altijd ergernis geweest,’ erkent Komrij. ‘Ik heb ook geestdrift voor kunst. Maar je moet een gave hebben om geestdriftig te schrijven. Over die gave beschik ik niet. Ik vrees voor de saaiheid van zulke teksten. “Dat is zo mooi.” Het angstzweet breekt me uit als ik dat moet opschrijven. Ik richt mijn blik liever op het rare, het lelijke, het gekke. Niet uit negativisme. Geenszins. Maar om dat te separeren ter bescherming van de kunst waar ik warm voor loop. Zelfs als ik een stuk schrijf over kunst die ik waardeer, kan ik het niet nalaten dat ene wratje of puistje te verdoemen. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar.’
‘Andersom heb ik wel degelijk satirisch geschreven over kunst,’ zegt Zwagerman. ‘Dat heb ik gedaan in fictie. Gimmick! moest een amusante maar ook een tikje een ontluisterende kijk op de kunstwereld worden. Of in Duel, het Boekenweekgeschenk van vorig jaar. Daarin klaagt mijn hoofdpersoon, een museumdirecteur, over hedendaagse kunstenaars: het zijn installerende installateurs die installaties maken. In mijn essays is de grondtoon juist fascinatie. Waarom ben ik zo geïntrigeerd door bijvoorbeeld de kunst uit het Parijs en New York van vlak na de Tweede Wereldoorlog? Op zulke vragen zoek ik in mijn stukken antwoord.’
In dit geval geeft hij het direct. ‘Ik vrees: omdat ik een onverbeterlijke romanticus ben. Ik had graag in het New York van de jaren vijftig en zestig geleefd. Schrijven over de kunst en kunstenaars uit die jaren verguldt dat verlangen.’

Allebei volgen ze de kunstwereld met grote passie. Komrij van een afstandje: hij woont in Portugal te ver van de centra die er toe doen. ‘Ik ga wel eens naar een kleine galerie, maar ik hou het niet systematisch bij. Deze maand bezoek ik wel de Gérôme-tentoonstelling in Madrid, dat is lekker dichtbij.’
Zwagerman gaat ‘graag en vaak’ naar musea. ‘Ik moet mezelf echt in toom houden’, zegt hij. ‘Al moet ik er wel de stad voor uit. In Amsterdam is alles al jaren dicht of gedeeltelijk gesloten vanwege een verbouwing. Het Rijks, het Stedelijk. Maar Rotterdam, Den Haag, Düsseldorf, Keulen – met de trein is het niet zo ver. En als me ’s avonds bij een lezing in Zeeland of Brabant een overnachting wordt aangeboden, ga ik daar graag op in. Kan ik de volgende dag naar Antwerpen, Gent of Luik. Naar openingen ga ik nooit. Ik ga altijd op gewone mensen-tijden, het liefst ’s ochtends vroeg als het rustig is.’
Belangrijk voor Zwagerman is ook atelierbezoek. Magisch, vind hij dat. ‘Een schrijver in zijn werkkamer is maar een schrijver in zijn werkkamer. Maar een kunstenaar in zijn atelier. Daar zie je hoe een kunstenaar uit niets iets volkomen nieuws maakt. De woorden van een schrijver zijn maar de afgeleide, terwijl de kunstenaar het ding zelf ter hand neemt. Dat te zien, verwondert en verbaast me iedere keer weer.’
Hij vertelt over het atelier van de Duitse kunstenaar Imi Knoebel. ‘Het is als een laboratorium. In de eerste ruimte zoekt hij als een hedendaagse Rembrandt nieuwe kleuren. Daarachter is een ruimte waar hij zijn conceptuele kunst maakt. En daarachter heeft hij nog een ruimte voor zijn wilde abstracte werk. De kunstenaar als een halve alchimist: Dat appelleert sterk aan de romanticus in mij.’

In al die jaren is het niet makkelijker geworden van kunst te genieten, vindt Komrij. Kunst draait uitsluitend nog om geld. ‘Design was vroeger bedoeld om mensen smaak bij te brengen. Gooi die Mechelse kasten eruit, zet er mooie, strakke dingen voor in de plaats. Nu is design en kunst alleen bedoeld voor jongens die de beurs hebben getild en iets thuis willen hebben staan dat nog duurder is dan wat een collega heeft. En de journalistiek doet daar aan mee. Ze berichten alleen over kunst als een werk een recordbedrag heeft opgebracht.’
Weerzinwekkend, noemt hij het: deze kunst waar hij helemaal buiten staat. ‘Ik wil kunst die ik, als ik even spaar, ook kan aanschaffen. Geen kunst waar ik alleen een polaroidje van aan de muur kan hangen – als de kunstenaar tenminste geen polaroids maakt en verkoopt voor anderhalf miljoen.’
‘En dan is het nog apocalyptischer dan jij en ik denken,’ reageert Zwagerman. ‘Lees mijn stuk “De haai die ging rotten” – dat absoluut niet uit bewondering is geschreven – over Shock Art van Don Thompson, een boek dat mij de schellen van de ogen deed vallen. Hij legt daarin uit hoe musea aan de leiband lopen van dertig, veertig collectioneurs, die soms kunstwerken doneren om de kunstenaar het stempel “museaal” te geven en de rest van diens werk in hun bezit vervolgens voor het twintigvoudige te kunnen verkopen.’
‘Maar hoor je musea daartegen protesteren?’ vraagt Komrij zich af. ‘Kunst is heilig. Als kunstenaars snobdingen maken, halen ze die massaal in huis. Opgezette haaien die gaan rotten, inderdaad. Installaties van planten en bloemen. En o wee, als je daar om lacht. Op lachen staat een verbod. Maar bij mij komt onmiddellijk de sadistische gedachte op dat de musea al die prullen tot in de eeuwigheid in originele staat moeten bewaren. Daar moeten ze aparte, dure restauratieateliers voor inrichten. Die gedachte doet mij groot genoegen. Hun verdiende straf.’
‘Ook dat is erger dan je denkt,’ zegt Zwagerman. ‘Vorig jaar was er in Amsterdam een serieus congres over precies dit onderwerp. Hoe houd je de klompen vet van Joseph Beuys goed? Hoe kun je een Jean Tinguely zó restaureren dat je exact hetzelfde getinkel en getokkel blijft horen? Sommige puristen vinden: repareer de installatie met dezelfde bouten en moeren uit de jaren vijftig, maar laat het oorspronkelijke geluid horen vanuit een speaker onder de grond. Het fetisjisme ten top.’

De grootste ergernis roept bij allebei het onverteerbare jargon van de kunstkritiek op. ‘Laatst zag ik in het SMAK een expositie waarin James Ensor werd gekoppeld aan hedendaagse kunstenaars als Marlene Dumas, Damien Hirst en Cy Twombly,’ zegt Zwagerman. ‘Allemaal hadden ze wel iets met Ensor te maken. Heel creatief gedaan. Maar als je dan de inleiding van de catalogus leest. Volledig van de werkelijkheid losgezongen kunstkoeterwaals. Ik begin aan zo’n inleiding, maar als ik op die taal stuit, ben ik klaar. Was ik maar niet zo nieuwsgierig dat ik er kennis van had willen nemen.’
Helaas is het makkelijker om ergens overheen te kijken dan overheen te lezen, verzucht Zwagerman. Je kunt het jargon niet negeren en alleen lezen wat er in de kern staat. ‘Je hoeft je ook nooit door een kunstwerk te worstelen zoals je je door een tekst moet worstelen,’ vult Komrij aan.
En waarom kunstcritici iedere keer op die quasi-filosofische quatsch terugvallen? ‘Waarschijnlijk is het intimiderend bedoeld,’ denkt Zwagerman. ‘Je ziet datzelfde effect in de high fashion. Als je een modeshow in Milaan op tv ziet en de volgende dag in de krant leest wat de modecriticus schrijft over de creaties die soms meer op vliegdekschepen dan op jurken lijken, denk je – niet deskundig als je bent: o, zó moest ik het zien. Of het jargon moet verhullen dat critici nooit op een expositie zijn geweest die ze recenseren. Dan hebben ze alleen de catalogus opgestuurd gekregen en kunnen ze nooit opschrijven wat een werk echt met hen zelf heeft gedaan.’
‘Het gaat helemaal niet om de betekenis,’ zegt Komrij. ‘Die teksten zijn alleen maar signalen die uitzenden: wij horen erbij, wij weten waarover we het hebben.’ En waarschijnlijk is het vooral zo storend omdat het hun vak is dat de kunsthistorici en de curatoren bezoedelen, denkt hij. ‘Ze zitten aan onze taal. Aan ons materiaal. Daar moeten ze vanaf blijven. Dat moeten ze aan een vakman overlaten. Ze reageren arrogant als jij aan de kunst zit en zelf verkrachten ze de literatuur.’

Maar wat kunnen twee schrijvers, opgesloten in hun schrijfkamer, eraan doen? Komrij maakt zich geen illusies. ‘In Nederland komt nooit enige discussie los over wat dan ook. Er zijn altijd mensen die iets aankaarten. Die, verschanst in een vaktijdschrift, wat mopperen. Maar invloed? Die krijg je nooit in Nederland omdat je geen invloed mág hebben. Het enige wat je kunt hopen is dat je met je stukjes mensen een steuntje in de rug geeft die hetzelfde denken als jij. De kleine gideonsbende die de kunstofficials de laatste vierkante centimeter ontzegt die ze ook willen hebben.’
De critici en curatoren zijn dan ook niet blij met Komrij’s stukken in Kunstwonderen die oorspronkelijk in NRC Handelsblad stonden. Hij zou niets van kunst snappen, niet van kunst houden, alleen maar kunnen schelden. ‘O ja, ze menen dat je een zuurpruim bent. Een laudator temporis acti – een verheerlijker van tijden die voorbij zijn. Wel: allesbehalve. Ik verwijt juist die officials een gebrek aan enthousiasme. Ze doen wel enthousiast, maar het is nep. Hun enthousiasme blijft doods. Alleen een buitenstaander als Joost kan enthousiasme overbrengen.’
Zeker sinds de publicatie van Alles is gekleurd heeft Zwagerman naam gemaakt als kunstevangelist. Door de talkshow De Wereld Draait Door werd hij gevraagd eens in de maand langs te komen om een kunstwerk aan te prijzen. Niemand schrijft zo toegankelijk en geestdriftig over kunst dat hij de ogen van zijn lezers opent voor iets waarvan ze de behoefte en het belang niet begrijpen, vond presentator Matthijs van Nieuwkerk. Zwagerman ging op de uitnodiging in. Eén keer zat hij er al, met een gloedvol betoog over de Britse kunstenares Bridget Riley.
‘Nog even en ik sta folders uit te delen voor de eerste de beste galerie,’ lacht Zwagerman. ‘Maar serieus. Voor je het weet sta ik eeuwig bekend als de kunstevangelist zoals Gerrit als de zuurpruim. Dat wil ik niet. Ik schrijf alleen om mezelf iets uit te leggen. Om daar een goed stuk van te maken. Aan invloed wijd ik geen enkele gedachte. Het is mooi dat er witte raven zijn als Luc Tuymans – een kunstenaar die niet mee wil doen aan de ratrace, die wil weten wie zijn kunst koopt en naar welk museum het kan gaan. Maar ik schrijf niet om bij andere kunstenaars zo’n bewustzijn te scheppen.’

Het enige wat de twee auteurs niet willen met hun soms felle kritiek op de officiële kunstwereld is de ‘vijanden van de kunst in de kaart spelen’, zegt Komrij. Dat de politici die het liefst zo veel mogelijk op de kunst willen bezuinigen zeggen: ‘Zie je wel, Komrij vindt zelf dat het belachelijk is. Terwijl ik dat doe omdat de kunst me dierbaar is. Omdat ik zou willen dat de kunstwereld niet meer zo gesloten is en de officials er meer mensen aan laten deelnemen. Anders gebeurt hetzelfde als met het toneel. Het moderne toneel heeft mensen de schouwburg uit gejaagd, Van den Ende heeft ze met zijn musicals weer binnengehaald. De kunst moet opletten dat ze een groep wezenlijk geïnteresseerde liefhebbers niet naar Van de Ende-kunst jagen.’
Natuurlijk heeft het tussen de kunstwereld en de politiek altijd gerommeld, maar nu maakt de verhouding een wel erg ‘ongelukkige periode’ door. ‘En in de kunst geldt: weg is weg,’ zegt Komrij. ‘Als je iets eenmaal afschaft, komt het nooit meer terug.’
‘Het anti-klimaat in de politiek tegen kunst en vooral kunstenaars is nu wel heel guur,’ stelt Zwagerman. ‘Vroeger schaamden politici zich als ze zeiden niet van kunst te houden. Dat is helemaal weg. Een politicus heeft een goed cv als hij zich zijn hele leven ver van de kunst heeft gehouden.’
‘Ook het idee dat je kind naar school gaat en professor moet worden, is niet meer bon ton,’ zegt Komrij. ‘Vroeger was dat wat iedereen hoorde te willen. Nu is die deugd een misdaad geworden. Er wordt op school zeker ook niet meer zo veel informatie over kunst aangeboden. Dat weet jij beter dan ik, Joost. Jij hebt schoolgaande kinderen.’
‘Bitter weinig,’ antwoordt Zwagerman. ‘Alleen gortdroge dingen. Dat er drie soorten abstracte kunst zijn, meer niet. In het Amerikaanse onderwijs mogen kinderen in abstracte kunst alles zien wat ze willen. Zeg het maar, het stelt alles voor wat je wilt. Dat is het andere uiterste. Maar zo kweek je misschien wel een levenslange liefde voor de kunst. Misschien, bij drie van de dertig leerlingen.’
‘Kunst is het meest ideale handvat om een volledig mens van iemand te maken,’ zegt Komrij. ‘Als drie van de dertig dat beseffen, vind ik het nog veel. Ik dacht dat ik in mijn klas de enige was. Misschien is onderwijs in kunst daarom zinloos. Maar het ontzeggen van dat onderwijs is misdadig.’

Joost Zwagerman
* Op 18 november 1963 geboren in Alkmaar.
* Debuteerde in 1986 met de roman De houdgreep.
* Brak door naar het grote publiek met romans als Gimmick! (1989), Vals licht (1991) en De buitenvrouw (1994).
* Is de laatste jaren vooral actief als essayist over kunst, moderne cultuur en politiek.
* Schreef vorig jaar het Nederlandse boekenweekgeschenk Duel.

Gerrit Komrij
* Op 30 maart 1944 geboren in Winterswijk.
* Debuteerde als dichter in 1968 met de bundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten.
* Maakt daarna snel naam als polemicus. In de jaren zeventig joeg hij iedereen in de gordijnen: tv-sterren, architecten en feministen.
* Verhuisde in 1984 naar Portugal.
* Bemoeit zich sindsdien even intensief met het Nederlandse cultuurleven. Als bloemlezer, poëziepromotor en natuurlijk als essayist en dichter.

(Gepubliceerd in Knack, 15 juni 2011)

zaterdag 24 december 2011

Gerrit Komrij - 'Kunstwonderen', Joost Zwagerman - 'Alles is gekleurd' (BOEK)


Uit liefde voor kunst
Deel één van een kersttrilogie

Ter gelegenheid van het verschijnen van Alles is gekleurd, de nieuwe essaybundel van Joost Zwagerman over kunst en literatuur, was de schrijver te gast bij De Wereld Draait Door. Kon hij niet de opvolger worden van Pierre Janssen en Henk van Os, vroeg presentator Matthijs van Nieuwkerk zich af: de man die op televisie zo helder, toegankelijk en geestdriftig over een kunstwerk vertelt dat hij de ogen van de kijkers opent voor iets waarvan ze de schoonheid en het belang niet begrepen.
Zo’n baan zal Gerrit Komrij niet snel worden aangeboden – zeker niet na het lezen van Kunstwonderen, waarin hij zijn columns in NRC Handelsblad over de hedendaagse kunstwereld heeft gebundeld. Sinds hij twee jaar geleden begon met deze serie kreeg hij regelmatig te horen dat hij geen verstand van kunst heeft, niet van kunst houdt, alleen maar kan schelden. ‘Kunst is bedoeld voor mensen die er iets mee kunnen,’ beet een kunsthistoricus hem toe. Zo iemand vond hij Komrij duidelijk niet.
Toch hebben beide schrijvers meer gemeen dan je op het eerste gezicht zou denken. Alle twee koesteren ze een gezonde afkeer tegen de nonsens die kunstkritiek heet, de poeha van kunstenaars die honderd keer hetzelfde trucje uithalen en de uitwassen van een kunstwereld waarin musea, galeries en kunstenaars samenspannen om de waarde van kunstwerken de hoogte in te praten tot de bedragen die ervoor worden neergelegd in geen enkele verhouding meer staan tot de geleverde inspanning.
Komrij en Zwagerman tonen hun afkeer alleen anders. Komrij is de auteur die, zoals hij zelf bekent, ‘geniet van humbug en bedrog’. Hij maakt zich met vilein plezier vrolijk om installaties van bederfelijke waar die miljoenen kosten maar niet kunnen worden bewaard voor de eeuwigheid. Of om een kunstenaar als Christo die alleen dankzij zijn advocaat unieke inpak-kunst maakt: iedereen die het waagt dezelfde grap uit te halen krijgt een proces aan zijn broek.
Af en toe hebben zijn stukken iets vermoeiends als hij weer hetzelfde stokpaardje berijdt. Gaat hij wéér te keer tegen designers die stoelen maken waarop je niet kunt zitten. Deelt hij de zoveelste sneer uit aan kunstenaars die met filosofische quatsch een armoedig beeld van diepgang proberen te voorzien. Maar Komrij is natuurlijk een begenadigd stilist. De originaliteit van zijn vondsten – op een enkele herhaling na – maken ieder stuk toch een plezier om te lezen.
Bij Zwagerman is het tevergeefs zoeken naar luidkeels verwoorde polemiek of venijnige satire. Hij heeft wel degelijk kritiek. Maar hij formuleert het vaak als terzijde: door instemmend Don Thompson te citeren die een boek schreef over het mechanisaties die van moderne kunstenaars als Jeff Koons en Tracey Emin uiterst lucratief ‘merken’ maakt. Of indirect: als het ook hem duizelt bij de onnavolgbare stroom associaties die Marlene Dumas op haar eigen werk loslaat.
Het is Zwagerman dan ook om iets anders te doen. De internationale kunstwereld is zoals die is, daar kan hij vanuit zijn kleine werkkamer in Amsterdam toch niets aan veranderen. Maar hij kan wel zó enthousiast schrijven over bijvoorbeeld de inzet van Cy Twombly en de overdonderende stilte die zijn werk oproept, dat hij je en passant laat zien hoe je óók een blik op zijn Bolsena-reeks kan werpen. Hij brengt zijn liefde voor het werk over – gewoon door helder te formuleren.
In Alles is gekleurd behandelt Zwagerman zo veel oude helden. Veel Amerikaanse grootheden uit de twintigste eeuw als Edward Hopper, Jackson Pollock en natuurlijk Andy Warhol, maar ook een leeftijdgenoot als Daniel Richter. Het enige bezwaar dat je er kunt hebben is dat Zwagerman vaak zo beknopt is. Daar wreekt zich dat de meeste essays oorspronkelijk krantenstukken waren. De per definitie beperkte ruimte die hij had verhindert hem om iets meer de diepte in te gaan.
Wie beide bundelingen kunstbeschouwingen aanschaft, moet eerst Komrij lezen en dan Zwagerman. Dat laat zich mooi illustreren aan hun bespreking van For the Love of God. Oftewel: de met duizenden diamanten versierde schedel van Damien Hirst. Komrij gebruikt de verkoopprijs van 17 miljoen euro en de hype voor een hilarische uitleg van wat tegenwoordig ‘kunst’ is. Zwagerman beschrijft vervolgens wat je ziet en voelt als je alle heisa eromheen vergeet en alleen naar het werk kijkt.

Kunstwonderen (240 p.), Gerrit Komrij, De Bezige Bij (9789023459347, € 29,90)
Alles is gekleurd (390 p.), Joost Zwagerman, De Arbeiderspers (9789029573825, € 24,95)
(Gepubliceerd in BOEK nr. 2, 2011)

Zie ook deel twee en drie.

vrijdag 23 december 2011

Lichte plus voor Vlaamse boekenmarkt in 2011 (Boekblad)


De Vlaamse boekenmarkt eindigt 2011 met een lichte omzetgroei van 0,6 procent. De stijging is voornamelijk te danken aan de tv-koks en het onlinekanaal.
Dat blijkt uit cijfers van GfK Vlaanderen tot en met november van dit jaar. De bestverkochte genres zijn strips, kookboeken en thrillers. Vooral tv-koks hielden de markt gezond. Zonder de top 5 van 2011 zou de omzet 2,4 procent zijn gedaald – de vier bestverkochte boeken van dit jaar zijn allemaal van tv-koks: Jeroen Meus (Dagelijkse kost 1 en Dagelijkse kost 2, Van Halewyck), Piet Huysentruyt (SOS Piet 5, Lannoo) en Sofie Dumont (Goe Gebakken, Linkeroever). Deel 127 van De Kiekeboe-serie maakt de top vijf vol.
Het onlinekanaal steeg 111 procent (voor de verkoop van fysieke boeken). In 2010 was de stijging al 34 procent. In totaal is het marktaandeel van online nu 7 procent, aldus Cindy van Mulders van GfK Vlaanderen. ‘Proxis en Axur hebben na de fusie hun positie versterkt. Bol is klein maar groeiend. Naast de marketing van de marktpartijen en de publiciteit in de kranten stijgt het kanaal omdat Vlamingen meer en meer vertrouwd zijn geraakt online kopen. Ook voor games, speelgoed en huishoudartikelen stijgt online.’
Van de overige verkoopkanalen deden de ketenboekhandels, goed voor een marktaandeel van 71 procent, het nog redelijk: -2 procent. Zelfstandige boekhandels (marktaandeel 6 procent) verloren dit jaar 10 procent omzet. De supermarkten (marktaandeel 11 procent) daalden 4 procent en de entertainmentwinkels (marktaandeel 5 procent) gingen met 9 procent achteruit. De speelgoedwinkels wonnen marktaandeel dankzij hun investeringen in schapruimte voor boeken.
Het marktaandeel van e-boeken is verdubbeld van 0,3 procent naar 0,7 procent. De verkoop loopt via e-boek.org, Bol.com en schaduwsites van onder meer Fnac en een aantal zelfstandige boekhandels. Het aanbod is echter nog steeds gering.
Van de verschillende genres groeide non-fictie. Maar ook hier geldt: zonder tv-koks zou de omzet zijn gedaald. Strips bleven stabiel dankzij de aanhoudende populariteit van langlopende series als Suske & Wiske en Kiekeboe. En kinderboeken kende na de sterke opleving in 2009 en 2010 dankzij Geronimo Stilton een terugval. Fictie deed het evenmin best. Van Mulders: ‘Locale fictie als Pieter Aspe deed het wel goed, maar er ontbrak dit jaar een knaller als Stieg Larsson of Dan Brown.’

(Gepubliceerd op Boekblad.nl, 22 dec 2011)