woensdag 29 augustus 2012

Annejet van der Zijl: waar het leven van haar hoofdpersoon en de geschiedenis samenkomen, ontstaat het verhaal


Al jaren geeft Annejet van der Zijl het onomwonden toe. Ze was een slechte journalist. Ze stelt geen scherpe vragen. Gaat niet graag de confrontatie aan. En ze ontbeert een oog voor primeurs. Ooit liet ze Freddy Heineken in HP/De Tijd zonder er verder bij na te denken vertellen over de nieuwe vriendin van Willem-Alexander. De Telegraaf bracht de ontboezeming daarna groot op de voorpagina.
Van der Zijl handhaafde zich alleen op de redactie van het weekblad door de uitmuntende portretten en reconstructies die ze schreef. Verhalen zonder dringende actualiteit of schokkende scoops, maar toonbeelden van diepgravende research en psychologisch inzicht. En zeer leesbaar dankzij de levendige stijl waarmee ze haar lezers aan de hand van een of meerdere hoofdpersonen door de tekst leidt.
In de luxe feesteditie van Jagtlust, verschenen ter gelegenheid van de uitreiking van de Gouden Ganzenveer, zijn vier van zulke stukken opgenomen. Over de geschiedenis van de Lucky Star – vanaf eind jaren vijftig the place to be aan het Leidseplein voor de hippe, met drugs experimenterende avant-garde van Amsterdam. Of over het charmante rijkeluiszoontje Olivier Boelen die in de jaren zestig zijn erfenis er doorheen jaagde en zichzelf de vernieling in fuifde.
Mooie verhalen. Maar Van der Zijl zou alleen in kleine kring bewonderd worden als ze tot in lengte van jaren hiermee door was gegaan – als de verhalen en anekdotes die ze opving over het mythische landgoed Jagtlust, juist tijdens het schrijven van deze stukken over kunstenaars- en schrijverskringen in de eerste decennia na de oorlog, haar niet hadden geprikkeld om een groter verhaal te vertellen.
Jagtlust moest het onderwerp voor haar eerste boek worden. Ze liep de schrijvers, tekenaars, muzikanten, filmers en uitgevers af die tussen 1954, toen Fritzi ten Harmsen van der Beek het vervallen herenhuis betrok, en 1971 de uitbundige, dagenlange feesten bijwoonden op een kwartier rijden van Amsterdam. Het zou toch zonde zijn als alle herinneringen met de bewoners en bezoekers mee het graf in gingen?
Het werk aan Jagtlust opende haar ogen. Hoe veel meer bleek haar grondigheid, zachtzinnige aanpak en historische belangstelling geschikt voor het schrijven van boeken – ver weg van de waan van de dag, de dwang om te scoren en het cynisme en wantrouwen waarmee haar collega-journalisten de wereld bekeken. De lengte bood haar onbeperkt de ruimte om haar eigen verhaal te vertellen.
Dat wilde ze met haar leven doen. Boeken schrijven.

Achteraf leek het voorbestemd. Als kind van twee leraren vertoonde Annejet van der Zijl (1962) al de ideale karaktereigenschappen van een schrijver. Ze las veel, het liefst dikke boeken waarin ze kon verdwijnen. Ze was dromerig, op de fietstochten met haar ouders merkte ze nauwelijks waar ze geweest was. En ze bezat het concentratievermogen om geduldig, stukje voor stukje, de grootste legpuzzels te maken.
Na het gymnasium in Leeuwarden studeerde ze kunstgeschiedenis en massacommunicatie. In 1988 ging ze naar Londen voor een master International Journalism aan de City University. Daar leerde ze al snel dat ze de droom om een gereputeerde nieuwsjager te worden beter kon vergeten. ‘Ik had in Londen al heimwee naar Nederland. Stel je voor dat ik ook nog over de wereld moest gaan rondzwerven’, zei ze ooit.
Vanaf het begin zocht ze als journalist liever de luwte. Begonnen als stagiaire bij Haagse Post werd ze na de fusie met De Tijd redacteur bij HP/De Tijd. Daar richtte ze zich niet op de frontlinies van het nieuws zoals het Haagse Binnenhof, maar op tijdloze onderwerpen die veel onderzoek vergden. Ze schreef verhalende, op Angelsaksische leest geschoeide stukken over kunstenaars en misdaad.
Na haar, in eigen woorden, ‘tamelijk onopgemerkte’ debuut nam Van der Zijl in 2000 ontslag om de biografie van Annie M.G. Schmidt te schrijven. Omdat ze ooit een biografie wilde schrijven naar Engels voorbeeld: als een spannend verhaal, dat je met rode oortjes leest, ook al ken je de persoon niet. En omdat ze achter het beeld dat de kinderboekenschrijfster van zichzelf presenteerde een echt mens vermoedde.
Het ontmythologiserende portret van de nationale knuffeloma betekende haar doorbraak. Meeslepend, ontroerend, menselijk, oordeelde de pers, die unaniem het eerlijke portret van een nurkse vrouw van wie je toch bleef houden loofde. Er gingen vervolgens meer dan honderdduizend exemplaren van Anna over de toonbank. Burny Bos en Dana Nechustan bewerkten het tot een zevendelige televisieserie.
Daarna leek alles wat Van der Zijl aanraakte te veranderden in goud. Het succes van haar biografie gaf haar de ruimte om een petite histoire te vertellen. Maar de onwaarschijnlijke liefdesgeschiedenis van de Surinaamse Waldemar Nods en zijn bijna twintig jaar oudere hospita Rika, die beiden omkwamen in de oorlog, werd pas echt een megaseller. De teller van Sonny Boy staat, mede dankzij een uiterst succesvolle verfilming, inmiddels boven het half miljoen exemplaren.
Met haar biografie van prins Bernhard promoveerde zij, aangespoord door koningshuis-biograaf Cees Fasseur, aan de Universiteit van Amsterdam. Ook voor Bernhard. Een verborgen geschiedenis, dat onthult hoe een jeugdige, tweederangs prins in een tijd waarin de adel zijn glans verloor hogerop probeert te komen, regende het onderscheidingen: de M.J. Brusseprijs en nominaties voor de Libris Geschiedenis Prijs en de AKO Literatuurprijs.

De onderwerpen van Annejet van der Zijl lijken divers. Toch ligt er aan ieder boek een sterk persoonlijke vraag ten grondslag. Voor Jagtlust was dat de vraag of zo’n leven van drinken, snuiven en nachten doorhalen in hippe clubs dat haar HP/De Tijd-collega’s leidden de moeite waard was. In Anna onderzocht ze of iemand ooit kan ontsnappen aan de vorming van zijn jeugd.
Maar ook een diepe interesse in de drijfveren van mensen stuwt haar voort. What makes Sammy run, noemt ze dat vaak in interviews. Het lijkt daarbij alsof ze extra gemotiveerd wordt wanneer haar personages hun innerlijke beweegredenen met fabels, leugens en verdichtsels zo goed mogelijk probeerden te verdoezelen, zoals Annie M.G. Schmidt en prins Bernhard met veel energie deden.
Meestal riep de bravoure waarmee deze publieke bekendheden zich roerden, juist meer nieuwsgierigheid op. Met haar boeken hoopt Van der Zijl die te bevredigen, zodat er een zekere rust bij de nabestaanden kan optreden, zoals Annies enige zoon Flip van Duijn en Waldy, zoon van Waldemar en Rika, bevestigden. Het is een subtiele manier om te zeggen dat ze het definitieve boek over haar onderwerp wil schrijven.
Tegelijk gaat het Van der Zijl allerminst om de persoon alleen, maar ook om de tijd waarin deze leeft. Ze wilde meer dan boven water krijgen waarom Bernhard er alles voor over had om prins te worden, ze wilde ook het milieu van de bedreigde Duitse adel in de jaren voor en na de Eerste Wereldoorlog beschrijven waaruit hij afkomstig was. Zo kon ze Bernhards motivatie in perspectief plaatsen.

Net als de achterliggende drijfveer vertoont Van der Zijls werkwijze ongeacht het onderwerp sterke overeenkomsten. Eerst probeert ze met onbevooroordeelde nieuwsgierigheid het vertrouwen van de mensen rond haar hoofdpersoon te winnen. Intensief speurt ze de verhalen bij elkaar – op de thee bij mogelijke bronnen, op reis naar de belangrijke locaties uit het leven van haar hoofdpersoon, en in talrijke archieven.
Dat vertrouwen is essentieel, herhaalt ze vaak. Als Remco Campert zich niet zo veilig bij haar voelde, door haar kennis van zaken en haar open benadering, had hij nooit als eerste toegezegd te praten over zijn jaren in Jagtlust. Zonder Campert, zei ze daarom bij de overhandiging van het eerste exemplaar van de luxe feesteditie aan hem, had ze misschien wel nooit schrijfster kunnen worden.
Alle informatie brengt ze onder in een chronologisch factsheet – documenten die kunnen uitgroeien tot meer dan duizend pagina’s vol details, feiten en weetjes uit het leven van haar personage én de grote en kleine historische gebeurtenissen die tegelijkertijd plaatsvonden. Waar het leven van de hoofdpersoon en de geschiedenis samenvallen, ontstaat Van der Zijls verhaal.
Ze breidt haar document uit tot het moment dat ze voelt dat ze klaar is met verzamelen. Vaak merkt ze het tijdens gesprekken voor haar boek. Op een gegeven moment heeft ze de geïnterviewde meer te vertellen dan te vragen. Dan is het verhaal blijkbaar rond, dan moet het eruit. Alle overgebleven benodigde research doet ze gaandeweg het eindeloze schrijven en schrappen.
En dan draait het ook echt om het verhaal – niet om de scoops die haar boeken óók bevatten: de zelfgekozen dood van Annie M.G. Schmidt, prins Bernhards lidmaatschap van de NSDAP. Net als indertijd met de nieuwe vriendin van de kroonprins mag de pers de primeurs uit haar werk vissen en ermee pronken. Als haar honderdduizenden lezers maar genieten van een meeslepend verhaal.

(Verschenen in het boekje ter gelegenheid van de uitreiking van de Gouden Ganzenveer 2012 aan Annejet van der Zijl, dat gisteren is gepresenteerd.)

dinsdag 28 augustus 2012

Boekreviewers betaalt consumenten voor online reviews (Boekblad)


Boek weggeven aan consumenten in ruil voor online reviews op internetboekhandels. Dat is het idee achter Boekreviewers.nl dat Han Peeters, schrijver en eigenaar van een de gloednieuwe clusteruitgeverij Clustereffect, heeft opgezet.

Consumenten kunnen zich sinds vorige week maandag aanmelden op Boekreviewers.nl. Zij moeten daarbij minimaal twee favoriete genres uitkiezen, waarna ze een boek uit dat genre krijgen aangeboden. Als zij op grond van een omschrijving en het opgegeven aantal pagina’s akkoord gaan met toezending van het boek, verplichten zij zich binnen drie weken een recensie van maximaal zeventig woorden te schrijven op vijf door de uitgever uitgekozen internetboekhandels. Wie het nalaat, krijgt alsnog een factuur voor het boek. De uitgever betaalt consumenten 2,50 euro – een bedrag dat zij ook aan Villa Pardoes, een vakantieverblijf voor ernstig zieke kinderen, mogen schenken.
‘Iedereen weet dat reviews bijdragen aan de verkoop van boeken,’ zegt Peeters. ‘Als je online alleen een plaatje van het omslag en een korte omschrijving hebt, weet je niet goed wat je krijgt. Daarom ga je af op reviews. Een partij als Bol vraagt niet voor niets al een paar dagen nadat je een boek hebt besteld of je een review wilt schrijven. Zij zijn daar ook van doordrongen. Wij gaan daar nu tussen zitten door uitgevers de service te bieden zo’n review te krijgen. De 2,50 die we consumenten betalen, moet je dan zien als het muntje in een winkelwagentje: het zorgt voor de commitment om de recensie ook te plaatsen.’
Boekreviews heeft inmiddels 38 uitgevers als klant die gezamenlijk 110 titels op de markt hebben gebracht. Deze uitgevers zijn aangesloten bij Clustereffect, de clusteruitgeverij die Peeters heeft opgezet en per 1 september operationeel is. Clustereffect is een voortzetting van clusteruitgeverij Schijverspost, waar Peeters ook bij betrokken was. De grootste klant is Erya Media, die twintig e-boeken en twee fysieke boeken heeft uitgebracht. Daarnaast zijn onder meer De Verteller, Aad Vlag, Meibergen en Terrade (het label waaronder Peeters zijn eigen boeken uitgeeft) aangesloten. Ook claimt Peeters in gesprek te zijn met een grote algemene uitgeverij.
Na een week telt de pool van Boekreviewers zo’n honderd proeflezers. Nog te weinig voor Peeters om een grote campagne voor zijn service onder uitgevers te starten. Maar genoeg om nu al acht reviews te hebben binnengekregen – die dus op in totaal veertig plekken online staan. Daarvan staan er drie bij Peeters’ eigen boek Occupy de nieuwe wereldorde. Deze bewijzen ook dat consumenten geheel vrij blijven om hun eigen mening te geven: geen van de drie recensies is onverdeeld positief. ‘Een interessant thema dat op het ene moment met vaart wordt verteld en dan weer verzand in uitwijdingen en erg gedetailleerde beschrijvingen,’ schrijft Caleido.
Van de honderd proeflezers heeft zestig procent aangegeven e-boeken te willen ontvangen. Dat is interessant voor deelnemende auteurs omdat het weggeven van een e-boek aanzienlijk goedkoper is dan het cadeau doen van een fysiek boek.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 27 aug 2012)

Zie ook:

zondag 26 augustus 2012

Des romans français: Pierre Bayard, 'Comment parler des lieux où l ón n'a pas été'


Na Comment parler des livres que l’on n’a pas lus presenteert Pierre Bayard met zijn recentste boek Comment parler des lieux où l ón n’a pas été een verhandeling over het beschrijven van plekken waar de schrijver niet geweest is. Aan de hand van voorbeelden uit de literatuur laat hij niet alleen zien dat sommige auteurs minutieuze beschrijvingen gaven van plekken waar ze helemaal nooit geweest waren, maar het is bovenal een pleidooi voor de voyageur casanier, voor de wereldreiziger die achter zijn bureau blijft en zijn fantasie gebruikt.
Door afstand te nemen en te houden is het juist makkelijker een plek te beschrijven dan wanneer je er midden in zit, beweert Bayard. Hij voert auteurs op die net doen alsof ze gereisd hebben, zoals bijvoorbeeld Marco Polo door China, of recenter, een auteur die op een plek geweest is voor een belangrijk journalistiek stuk, terwijl hij in werkelijkheid zijn huis niet uit durfde. Jayson Blair beweerde de familie van een in Irak verdwenen Amerikaanse soldaat te hebben bezocht, totdat het tegendeel bleek. Hoewel Bayard beweert dat deze teksten niet onderdoen voor echte reisverslagen is natuurlijk dat natuurlijk moeilijk te bewijzen. Wat had Marco Polo opgeschreven wanneer hij werkelijk in China was geweest of wat voor emoties had Blair kunnen oproepen als hij de familie wel had gesproken?
Schrijver Édouar Glissant heeft daarentegen niemand iets voorgehouden en koos er bewust voor over de gebruiken en gewoonten van Paaseiland te schrijven zonder er heen te gaan. Om gezondheidsredenen bleef hij thuis en hij stuurde zijn vrouw om het eiland te observeren en fotograferen. Aan de hand van haar verslagen en beeldmateriaal schreef hij als voyageur casanier over alle hoeken van het eiland en leek hij er meer van te weten dan welke native dan ook.
Om een goed boek te schrijven is thuisblijven beter dan op pad gaan, betoogt Bayard. Niet allen omdat reizen gevaarlijk kan zijn en veel gedoe oplevert:

Les inconvénients des voyages ont été suffisamment étudiés pour que je ne m’attarde pas sur ce sujet. Démuni face aux animaux sauvages, aux intempéries et aux maladies, le corps humain n’est à l’évidence nullement fait pour quitter son habitat traditionnel et moins encore pour se déplacer dans des terres éloignées de celles où Dieu l’a fait vivre.
Maar vooral ook om de volgende redenen. Ten eerste is het in veel gevallen niet eens mogelijk ergens fysiek bij aanwezig te zijn (denk aan de slag bij Waterloo), ten tweede kan de aanwezigheid van de auteur/onderzoeker ter plekke juist van alles beïnvloeden doordat hij er is (zoals Georges Perec in Het leven een gebruiksaanwijzing een antropoloog opvoert die de bewegingen van een inheemse stam volgt terwijl die hem juist probeert te ontvluchten) en ten derde omdat voyageurs casaniers vaak gedegener en fantasierijker te werk gaan om verre locaties te beschrijven.
Karl May wist bijvoorbeeld duizenden lezers aan zich te binden met verhalen over indianen terwijl hij pas tegen het einde van zijn leven Amerika bezoekt. Maar doet dat af aan de geloofwaardigheid van zijn boeken?

Ainsi l’observation à distance, contrairement à ce que produit souvent l’observation participante à laquelle Karl May était farouchement opposé, permet-elle non seulement d’inventer ou de ré-inventer le monde, mais de transformer par l’ecriture en le rendant plus juste.
Bayard schrijft vermakelijk en voert zelfs gevallen op van buiten de literatuur, zoals de marathonloopster Rosie Ruiz die beschuldigt werd een deel van de marathon per metro te hebben afgelegd, omdat ze de route niet helemaal kon beschrijven. Maar zou de allereerste marathonloper Philippides ook niet de metro hebben genomen als hij de mogelijkheid had gehad?
Waarschijnlijk heeft hij gelijk dat men niet op reis hoeft om een gedegen literaire reisbeschrijving te maken of om het gevoel dat een bepaalde plek of stad oproept over te brengen op de lezer. Want die maakt van wat hij leest ook weer een fantasiewereld die uiteindelijk niet zal stroken met de werkelijkheid.
Met dat besef zal ik de volgende keer zeker op een andere manier reisliteratuur ter hand nemen of episodes in een literair werk over ‘bestaande’ locaties lezen. Maar of ik voortaan thuis zal blijven?

Relire avec prudence les auteurs les plus reconnus n’implique nullement, d’ailleurs, de constater ce qu’ils racontent, [...] mais de savoir apprécier leurs récits sous un autre éclairage, non plus dans leur seule valeur documentaire, mais avec toute la force poétique et heursitique qu’ils possèdent dans l’invention des mondes possibles.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl)

zaterdag 25 augustus 2012

Boekenmusea: Het kasteel van Belle van Zuylen (Knack)


Aflevering 8. Tientallen ruimten telt Slot Zuylen. Maar de drie vertrekken van schrijfster Belle van Zuylen verdienen meer aandacht dan alle andere bij elkaar.

Slot Zuylen ontkent niet dat ze het grootste deel van haar aantrekkingskracht dankt aan haar beroemdste bewoner: Belle van Zuylen. De schrijfster werd in 1740 als Isabelle van Tuyll van Serooskerken op het tot buitenplaats verbouwde kasteel geboren en bleef er 31 jaar wonen. Uit angst voor het verlies van haar zelfstandigheid wees ze de ene adellijke huwelijkskandidaat na de andere schatrijke pretendent af. Pas toen ze een voormalige huisleraar bereid vond om op háár voorwaarden te trouwen, stapte ze in het huwelijk. En vertrok naar Zwitserland, waar ze tot aan haar dood in 1805 bleef.
Toch draait een bezoek aan Slot Zuylen, net buiten Utrecht gelegen aan de Vecht, om het kasteel zelf. Het is alleen met een rondleiding te bezoeken. Die begint in de verrassend smalle entree – in 1752 ontstaan, toen Belle’s vader om het Middeleeuwse kasteel een nieuwe muur liet bouwen – en voert langs de keuken, de bibliotheek, de eetkamer, de kinderhoek, de balzaal en al die andere vertrekken waar een ruime woning van een gegoede familie niet zonder kan. Pas tegen het einde kom je, op de bovenste verdieping, bij de drie vertrekken van Belle zelf.
De inrichting roept niet de achttiende eeuwse wereld op van een schrijfster uit het tijdperk van de Verlichting. De baronnen Van Tuyll van Serooskerken bewoonden het kasteel tot 1952, toen de onderhoudskosten te groot waren geworden en het slot werd ondergebracht in een stichting die het openstelde voor bezichtiging en het organiseren van ontvangsten en trouwpartijen. Het interieur ademt dus vooral de luxueuze sfeer van de eerste helft van de twintigste eeuw. Zo bezit de keuken een waterkraan die de laatste baron heeft aangebracht.
Een geluk voor de lezers van Belle van Zuylen is wel dat de familie altijd spaarzaam en voorzichtig met hun eigendommen is geweest. Weggooien deden ze niets. Dat komt mooi tot uiting in de rijkgevulde bibliotheek, waar circa 5000 boeken uit alle tijdperken staan. Hoogtepunten zijn oude exemplaren van de Statenbijbel en de sprookjes van La Fontaine, die Belle allebei in handen moet hebben gehad. Maar het spreekt nog meer uit het 144-delig Chinees servies dat Belle’s vader ooit kocht. Dat is nog altijd compleet omdat de baronessen er altijd op stonden het zélf af te wassen.
De drie bescheiden kamers van Belle zijn niet origineel. Haar eigengereidheid en haar ambitie stond haar familie niet aan. Toen haar vader ontdekte dat zij de schrijfster was van Le Noble, een satire op het adellijke milieu van haar tijd, liet hij uit schaamte alle resterende exemplaren verbranden. En toen Belle naar Zwitserland vertrok liet haar broer haar kamers onmiddellijk strippen. Hij had weinig behoefte aan een herinnering aan zijn opstandige zus. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw zijn de schrijfkamer, slaapkamer en ontvangstkamer gerestaureerd in de stijl van Belle’s tijd.
De herinrichting is smaakvol gedaan. Vooral het bureau met uitzicht op de slotgracht en de toegangspoort waarop een ganzenveer ligt en enkele papieren, boeken en andere paperassen. Zo moet het eruit hebben gezien. En het kasteel bezit een aantal mooie bezittingen die in een volwaardig schrijversmuseum bepaald niet misstaan: de elegante buste in de pose van een wijsgeer die Jean-Antoine Houdon van haar maakte. Of het portret van Constant d’Hermenches en twee andere soldaten in rood uniform, met wie Belle jaren correspondeerde.
Het is alleen jammer dat je bij een rondleiding nooit ergens zo lang kan blijven staan als je zelf wilt. Voor je het weet ben je vergeten achter het Chinese kamerscherm een flard van Belle’s bad op te vangen, dat wel van haar is geweest, en sta je in de logeerkamer van de familie Van Tuyll van Serooskerken het negentiende eeuwse hemelbed te bewonderen. En is het hoogtepunt alweer voorbij.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be 24 aug 2012)

donderdag 23 augustus 2012

Unibet: Nolens en Nooteboom grote kans op Nobelprijs (Knack)


Vijfentwintig keer de inzet. Dat keert wedkantoor Unibet uit als Leonard Nolens op 1 oktober de Nobelprijs voor literatuur krijgt toegekend. Cees Nooteboom is een nog grotere kanshebber.

Daarmee gooit de Vlaamse dichter hoge ogen bij de eerste bookmaker die zijn quotering bekendmaakte. In het voorjaar maakte de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde bekend dat het Nolens samen met Nooteboom had voorgedragen – als een van de honderden namen die de Zweedse Academie ieder jaar binnenkrijgt. Volgens Unibet was dat dus helemaal geen vreemde keuze.
Nolens was nooit eerder in beeld bij wedkantoren. Met zijn quotering nu staat hij gelijk op de gedeeld twaalfde plaats in het lijstje favorieten. De grootste kanshebber is volgens Unibet de Chinese auteur Mo Yan (6,5/1), gevolgd door Haruki Murakami (8/1) en Cees Nooteboom (10/1). Ook internationale sterren als Philip Roth, Umberto Eco, Ismail Kadare en Alice Munro doen het goed, net als de verrassende Andrea Camilleri en Chimamanda Ngochi Adichie.
Ook de lage uitkering bij een Nobelprijs voor Nooteboom doet de hoop opleveren dat de Nederlandstalige literatuur voor het eerst de prestigieuste literaire prijs ter wereld kan winnen. De inmiddels 79-jarige auteur prijkt al jaren op de lijsten van bookmakers, maar nooit eerder zo hoog. Zo had Ladbrokes hem vorig jaar op twee dagen voor de bekendmaking op 33/1 staan.
De quoteringen van Unibet, die tot 1 oktober nog vaak zullen veranderen, zijn hier bij te houden.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 22 aug 2012)

UPDATE Ook Ladbrokes heeft zijn Nobelprijs-quotering bekend gemaakt. Die wijken weinig af van Unibet. Ook bij deze bookmaker Cees Nooteboom hoog: op de gedeeld tweede plaats (met 12/1) en Nolens op 25/1. Opvallend: Herman Koch staat op deze lijst, zij het dat de kans niet groot wordt ingeschat dat hij de prijs krijgt gezien zijn quotering: 66/1.

dinsdag 21 augustus 2012

Uitgevers over het beginnen van een zelfstandige uitgeverij (Boekblad)


Geen tijd meer verliezen aan het grotere geheel

Ieder jaar verlaten uitgevers en redacteuren een groot bedrijf om hun zelfstandige uitgeverij op te zetten. Sinds dit jaar geven Sander Knol (Xander Uitgevers), Marie-Anne van Wijnen (De Kring) en Pieter Rouwendal (Brevier)uit voor eigen risico. ‘Je kunt alles doen zoals jíj het wilt’, vindt Sander Knol.

‘Ik zie niet in wat het nut is van het samenvoegen van uitgeverijen’, zegt Pieter Rouwendal. ‘Als je al die bedrijven met zoveel verschillende kleuren en achtergronden bij elkaar brengt in één mega-uitgeverij, krijg je een grote grijze massa. Terwijl je als kleine zelfstandige een eigen kleur en identiteit kunt vasthouden, zodat je meer herkenbaarheid in de markt hebt. Dat is belangrijk om je uitgaven onder de aandacht te brengen. Ook lijdt een mega-uitgeverij aan omzetdwang, waardoor kleine titels voor een kleiner publiek in het gedrang komen.’
‘De setting van een concern beviel mij wel’, vertelt Sander Knol. ‘Er zijn allerlei faciliteiten en vastigheden. Als je er werkt, denk je dat uitgeven niet zonder kan. Maar als je erover nadenkt, is dat eigenlijk niet zo. Wat is de essentie van uitgeven? Acquisitie, auteursmanagement, titels in de markt zetten. Daar heb je echt geen concern voor nodig. En omdat ik zeker de laatste drie jaar eerlijk gezegd niet zo veel plezier bij concerns meer had, dacht ik nu: ik ga verder zonder.’

Een eigen uitgeverij beginnen is van alle tijden – of dat nu een principiële of pragmatische keuze is. Talrijk zijn de uitgevers die eerst het vak hebben geleerd bij een groot bedrijf en daarna voor eigen rekening en risico boeken op de markt brachten. Henricus Nijgh in 1837. Angèle Manteau in 1938. Joost Nijsen in 1997. Ook dit jaar zijn het er alweer drie. Naast Rouwendal (ex-Kok) en Knol (ex-Het Spectrum, ex-The House of Books, ex-Meulenhoff Boekerij) is dat Marie-Anne van Wijnen (ex-Veen, ex-Nieuw Amsterdam).
Niet allemaal verlieten ze uit vrije wil hun werkgever. Rouwendal moest weg bij Kok als acquirerend redacteur non-fictie toen de uitgeverij opging in VBK Media en verhuisde van Kampen naar Utrecht. Bij Knol en Van Wijnen is het onduidelijker. ‘Verschil van inzicht over het te voeren beleid’, heette het indertijd in de persberichten die hun vertrek als directeur dan wel uitgever meldden. Dat kan van alles betekenen. Feit is dat ze alle drie vrijwillig besloten voor zichzelf te beginnen in plaats van elders te solliciteren.
Vooralsnog zijn ze vooral enthousiast. Knol is nog geen half jaar geleden begonnen, Rouwendal en Van Wijnen amper een maand. Pas in het najaar verschijnen hun eerste titels – toch nog behoorlijk snel. Xander uitgevers wil veertig A-titels per jaar brengen in een breed scala aan genres, vertaald en onvertaald. Brevier mikt op 12 tot 24 boeken per jaar in het genre theologie en psychologie. En De Kring richt zich op 20 uitgaven, fictie en non-fictie, per jaar.
 ‘Ik was te veel bezig met gedoe’, zegt Knol. ‘Rond de verkoop van Meulenhoff Boekerij ben je een half jaar met niets anders bezig dan dat. Nu heb ik de abstractie van de bestuurstafel ingeruild voor de ambachtelijkheid van het uitgeven zelf. Dat is heerlijk.’
Knol geniet van de vrijheid van handelen. ‘Ik heb altijd hard gelopen, maar als je het voor jezelf doet, geeft dat een ander gevoel. Ik heb een grotere betrokkenheid. Er gaat geen tijd meer verloren aan dingen die van belang zijn voor het grotere geheel. Je tijd is alleen beperkt. In een bedrijf met 45 man is overal wel tijd voor te vinden, nu moet ik scherpe keuzes maken.’

Twee uitgevers die al langer een eigen bedrijf hebben, zijn Dirk Demuynck (ex-Standaard Uitgeverij, ex-Lannoo) en Marc van Gisbergen (ex-De Geus). Beiden begonnen in 2009 met een algemene uitgeverij. Demuynck brengt hoofdzakelijk non-fictie, in diverse genres Om beter in te spelen op de moeilijkere marktomstandigheden heeft hij het uitgaveprogramma teruggebracht van 25 naar 10. Van Gisbergen heeft juist veel succes. Momenteel staan vijf titels uit zijn fonds van thrillers, literatuur, kinderboeken en non-fictie in de Bestseller 60.
‘Ik voelde de drang de schotten tussen promotie, redactie, vormgeving te doorbreken’, zegt Demuynck van Witsand. ‘Soms werken die elkaar tegen, omdat hun ideeën niet op elkaar zijn afgestemd. Als je alles in één hand concentreert, kun je dat beter doen. En dus beter waarmaken wat je auteurs belooft.’
Van Gisbergen leidde eerst met een aantal anderen United Media Company voor hij Marmer oprichtte dat een principieel éénpersoonsbedrijf is. ‘De organisatie van een uitgeverij werkt op projectbasis’, legt hij uit. ‘Ieder project draait om de kwaliteit van de uitgaven en de positionering daarvan voor een bepaalde doelgroep. Als één persoon alles doet, ben je optimaal flexibel. Maar dan moet je wel je handen vrij hebben om uit te geven en niet leidinggevend bezig zijn.’
Daarbij denkt Van Gisbergen niet aan traditionele managerstaken. ‘Uitgeven is intuïtief en creatief. Soms neem je beslissingen vanuit je onderbuik. Als je in een team werkt, moet je altijd anderen overtuigen. Redeneren dus. En dan gaat iets soms ten onrechte niet door. Ook beheers je kosten beter als je niemand in dienst hebt. Je hoeft geen projecten te beginnen om te voorkomen dat redacteuren met hun armen over elkaar zitten. Je hoeft evenmin rekening te houden met hun specialismen. Ik kan alle genres brengen, omdat ik voor iedere uitgave een gespecialiseerde freelancer inhuur.’

Als groot voordeel van een eigen uitgeverij ten opzichte van een concern geldt bovenal de flexibiliteit. Lean and mean betekent: slagkracht. ‘Toen de NCRV in juli 2010 vroeg of wij een kookboek rond Ramon Beuk konden maken, hadden wij dat zes maanden later gepubliceerd’, zegt Van Gisbergen. ‘Fullcolour, 288 pagina’s, met 140 foto’s en 50 recepten. Sommigen verklaren je voor gek, maar het kán als je mensen scherp op een deadline zet. En Terug naar mijn Roti werd kookboek van het jaar.’
Die flexibiliteit geldt voor Demuynck op alle terreinen. ‘Het product evolueert snel. Niemand weet wat er met het e-boek precies gebeurt. Zeker is dat wij daar snel op kunnen inspelen. Ook op het vlak van retail verandert veel. Maar omdat alle contacten met belangrijke spelers zijn geconcentreerd in één persoon, kan ik sneller op hun wensen reageren. Ik ken de klanten beter. Ook kon ik in deze moeilijke tijden makkelijker terugschakelen naar een lager niveau en minder titels brengen.’
Tegelijk leidt niets een zelfstandige af van zijn kerntaak. Knol vergelijkt zijn situatie met die van collega’s bij VBK. ‘Dat dat bedrijf te koop staat, geeft veel onzekerheid. Ook voor de auteurs. Zij zeggen nu tegen mij: Xander is jouw broodwinning, dus je zult wel hard lopen, het is meer een partnership. Evenmin heb je last van bedrijfspolitiek, interne gevoeligheden of vaste gewoontes: we doen het nu eenmaal zo. Je kunt alles doen zoals jíj het wilt.’
Niemand mist echt de feedback van collega’s – ook al weten meer mensen meer dan één. En al helemaal niet de vele vergaderingen die het werken met anderen met zich meebrengt. ‘Je hebt weinig ruggespraak met ervaren collega’s’, zegt Van Gisbergen, ‘maar ik heb heel veel freelancers om me heen met wie ik veel overleg en met wie ik ook naast het werk contact heb.’
Rouwendal wijst er wel op dat de vele freelancers die hij dankzij platforms als LinkedIn makkelijk denkt te vinden, een ander belang hebben. ‘Iedereen kijkt naar een boek vanuit zijn eigen interesse en niet vanuit het belang van het boek, zoals je wel doet als je in dienst van een uitgeverij werkt.’

De mogelijke voordelen van het werken in een concern worden grotendeels weerlegd door de zelfstandige uitgevers met – op dit moment – hooguit één personeelslid. Dat een concern meer kan investeren, maakt hen weinig uit. E-boeken zijn niet duur. En geen apps uitbrengen is niet erg. Een kleine zelfstandige kan afwachten tot het echt nodig is om ze te ontwikkelen. ‘Daarbij denk ik dat de toekomst e-boeken lenen wordt’, zegt Van Gisbergen. ‘Dat kost niets.’
Knol geeft toe dat hij ‘geen ongelezen manuscript van een kinderboekauteur voor een miljoen euro’ kan kopen. ‘Maar dat geeft niet. Zo’n investering geeft schijnzekerheid, het volgende grote succes is altijd iets onverwachts. Ook kan ik niet gebruikmaken van een backlist die in 120 jaar is opgebouwd. Ik moet het fonds helemaal zelf uit de klei trekken.’
Demuynck ziet maar één financieel nadeel van zijn schaalgrootte: dat hij niet kan betalen om bij de kassa te liggen of voor een goede plek in de catalogi van boekhandels. ‘Daar staat tegenover dat de toegang tot de boekhandels me enorm is meegevallen. Daar had ik van tevoren schrik van. Voor concerns ligt de rode loper uit naar de boekhandel, maar vanaf het begin namen alle ketens mijn boeken af.’
Evenmin betreuren de kleine zelfstandigen het dat ze nu alle klusjes zelf zouden moeten doen. ‘Dat moet helemaal niet’, zegt Rouwendal. ‘Mijn taak is coördineren, niet zelf uitvoeren. Daarin is ook niet veel veranderend in vergelijking met vroeger.’ En anders is het niet erg. Van Gisbergen is zijn eigen postkamer: als er een nieuwe uitgave komt, verstuurt hij zelf vijftig pakjes naar de pers. ‘En de administratie doe ik ook zelf. Maar een nadeel? Soms is dat ook leuk werk.’
(Eerder gepubliceerd in Boekblad Magazine 11, 2012)

Zie ook:

zaterdag 18 augustus 2012

Boekenmusea: Louis Couperusmuseum in Den Haag (Knack)


Aflevering 7. Natuurlijk is het Louis Couperus Museum in Den Haag in zijn geheel gewijd aan de schrijver. Maar er is wel ieder half jaar iets anders te zien. 

Een schrijvershuis moet geen schrijn zijn, vindt de curator van het Louis Couperus Museum. Zo’n bedevaartsoort waar het interieur van de beroemde auteur voor de eeuwigheid is geconsacreerd. Met zijn originele bureau, een pluk van zijn haar, manuscripten, het oeuvre in eerste druk, schilderijen van zijn dierbaren. Zie het Multatulimuseum in Amsterdam. Hoe zeer je diens werk ook bewondert, je komt er één, hooguit twee keer in je leven en dan heb je het gezien. Hoeveel bewonderaars er dan ook zijn, in zo’n museum zal meestal stilte heersen.
Het Louis Couperusmuseum pakt het daarom dynamischer aan. Ieder half jaar wordt de statige Haagse parterre van Albert Vogel, de voordrachtskunstenaar die tot zijn dood in 1982 het oeuvre van zijn stadgenoot tot leven wekte, volledig verbouwd. Steeds worden nieuwe invalshoeken bedacht om een ander aspect van Couperus onder de aandacht te brengen. Couperus als columnist. Een hommage aan biograaf Frederic Bastet. De visies op Nederlands-Indië van Couperus en Multatuli. De verwantschap van Eline Vere met Anna Karenina en Emma Bovary. Het expositie-archief geeft een rijk overzicht.
Slechts een klein deel van de tentoonstelling is permanent. Dat is – ook hier – het verfijnde bureau dat Couperus kocht na het succes van zijn roman Eline Vere, dat hij zijn hele leven met zich meesleepte. Daarop staan een fraaie lamp en een boekenplank met enkele van zijn werken. Een facsimile van het handschrift van De stille kracht en de verweerde stoel wekken de indruk dat Couperus ieder moment thuis kan komen om verder te werken – precies zoals op de twee foto’s te zien is waaraan de schrijver achter een bureau zit.
Curieus is het wassen beeld van Couperus in rokkostuum dat in de achterkamer staat. Sjoerd Didden heeft hem goed getroffen met zijn zachte lippen, wijkende haarlijn, lange, onverzorgde nagels en knijpbrilletje op de neus. En toch is het niet goed voor te stellen dat dit Couperus is. Als wassen beeld krijg je visioenen dat deze man aanschuift in talkshows en in lange zinnen vol bijwoorden, bijvoegelijke naamwoorden en tal van hernemingen praat over Langs lijnen der geleidelijkheid. Een accuraat olieverfdoek zoals er hangt van zijn vader en grootmoeder zou beter passen.
Dat de aanpak van het Louis Couperus Museum werkt, blijkt aan de huidige expositie. Samen met vier andere Haagse musea besteed het nog tot en met 23 september aandacht aan de schilder Isaac Israëls. De link is vergezocht: voor zover bekend hebben de twee Hagenaars elkaar maar een keer ontmoet, op een een boot in Nederlands-Indië. Couperus wijdt er in zijn feuilleton voor de Haagsche Post, later gebundeld in Oostwaarts (1923), maar een regel aan: ‘aan boord niemand anders dan Isaac Israëls’. Maar het werkt wel. Ook op een gewone woensdag gaat voortdurend de bel.
De bescheiden tentoonstelling toont een aantal doeken en een tekening van Israels. Steeds is daarbij wel iets over Couperus te vertellen. Bij een portret van de actrice Fie Carelsen: dat zij in 1915 mee speelde in de uitvoering van De menaechi van Plautus in een vertaling van Coupeurs. Bij een beeltenis van componist Alexander Voormolen: dat hij zich bij enkele muziekstukken heeft laten inspireren door de schrijver, zoals zijn concert voor hobo en orkest dat niet zou bestaan zonder De boeken der kleine zielen. Zachtjes klinkt deze muziek over de tentoonstellingsruimte.
Wie de expositie gezien heeft, kan denken: dat museum heb ik ook weer gezien. Maar waarschijnlijker is de gedachte: hier kom ik terug. Want wie wil volgend jaar de grote jubileumtentoonstellingen missen die het museum organiseert ter gelegenheid van de honderdvijftigste geboortedag van de schrijver? Beide zijn gewijd aan het gezin waarin Couperus geboren en getogen is. De kinderwagen die in ieder schrijversmuseum tot de vaste collectie zou behoren, komt dan tevoorschijn. Het helaas incomplete servies van zijn ouders. En nog veel meer.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 17 aug 2012)

Zie ook:

donderdag 16 augustus 2012

Edinburgh organiseert reprise van International Writers Conference 1962 (Knack)


Vijftig jaar geleden maakte Gerard Reve furore op de International Writers Conference in Edinburgh. Het Book Festival in de Schotse hoofdstad organiseert komend weekend een heropvoering van dit beroemde symposium.

Het is dankzij Gerard Reve zelf dat de International Writers Conference nog altijd beroemd is in de Nederlandse literatuur. De eerste brief uit Op weg naar het Einde beschrijft in vijftig schitterende, heldere pagina’s zijn wederwaardigheden in Edinburgh. Het is de eerste proeve van het Reviaanse geoudehoer, toen nog ingetogen, dat zijn handelsmerk werd. En dan speelde hij ook nog een belangrijke rol tijdens de debatten in het vaak afgeladen, tweeduizend plaatsen tellende auditorium.
Opgefokt door het geklets van andere schrijvers over normale mensen en abnormale afwijkingen als homoseksualiteit, verklaarde Reve op de tweede conferentiedag woedend dat hij zich ‘tot het uiterste zal verzetten tegen elke poging om de auteur zijn onderwerp voor te schrijven en dat ik mij, als homoseksueel, zeker nooit door iemand zal laten verbieden homoseksualiteit tot onderwerp van mijn werk te kiezen.’ Vierentwintig uur later concludeert hij: ‘Ik schijn (…) de held van de dag te zijn geworden’.
Precies een halve eeuw later heeft het Edinburgh Book Festival opnieuw een International Writers Conference op het programma gezet. Vijftig auteurs over de hele wereld zijn uitgenodigd om vanaf vrijdag vier dagen te discussiëren over dezelfde thema’s die in 1962 centraal stonden. Onder hen bevinden zich de in Turnhout residerende Chika Unigwe en wereldsterren als Nathan Englander, Elif Shafak, Ben Okri en Joyce Carol Oates. Geen Nederlandstalige schrijvers.
Met de reprise wil het Book Festival het startpunt herdenken van de golf aan boekfestivals en schrijverssymposia die sindsdien over de wereld raast. De heftige ruzies, felle debatten en ordinaire jalousie de métier in Edinburgh inspireerden talloze anderen om hun eigen festival te organiseren. En schrijvers kwamen graag: zij zagen hoe William S. Burroughs dankzij Edinburgh beroemd werd. Binnen twee jaar na zijn deelname aan de conferentie was zijn werk overal ter wereld vertaald.
Ook Reve nam de spanningen waar. Zijn vriend en reisgenoot Angus Wilson maakte zich druk dat de conferentie bedoeld zou zijn om de Franse scheppers van de nouveau roman, onder aanvoering van Robbe-Grillet, te glorifiëren. Twee nachten kon hij niet slapen omdat hij steeds nieuwe invallen voor zijn verdediging moest noteren. Maar zelf haalde hij zijn schouders op. ‘We weten allemaal dat hun boeken even onleesbaar zijn als de nieuwe kleren van de keizer onzichtbaar.’
Over homoseksualiteit zal in de editie van 2012 waarschijnlijk geen woord vallen. Wie wil tegenwoordig nog discussies over de toekomst van de roman, nationale literatuur, hedendaagse censuur, het politieke gehalte van literatuur en stijl versus inhoud onderbreken met een pleidooi het taboe op homoseksualiteit te slechten? Homoseksuele personages zijn in de Westerse literatuur allang vanzelfsprekend. En als iemand er toch over begint, zal niemand er nog de held van de dag mee worden.
Misschien is het feit dat homoseksualiteit in de literatuur nauwelijks een issue is, ook de reden dat de Britse pers in hun stukken over de conferentie van 1962 niet over Reve schrijft. Terwijl hij zijn interventie nota bene plaatste tijdens de ruzie die wél steeds wordt aangehaald: tussen de Schotse schrijvers Alexander Trocchi en Hugh MacDiarmid. De eerste viel de Schotse literatuur aan om zijn provincialisme, de tweede noemde zijn opponent daarop ‘kosmopolitisch vuilnis’.
Meer informatie over de Writers Conference op het Edinbugh Book Festival hier.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 14 aug 2012)

woensdag 15 augustus 2012

Verkoop Kobo piekt tijdens vakantieperiode (Boekblad)


De verkoop van de Kobo-readers bij Libris/Blz gaat ‘buitengewoon goed’, zegt directeur Caroline Damwijk. Vooral sinds het begin van de vakantieperiode is er een piek. Alleen het gebrek aan continue voorraad is een probleem.

De tweets verraadden vorige week al de goede verkopen. Verschillende boekhandels lieten hun klanten wel heel enthousiast weten dat ze weer Kobo’s in huis hadden. Boekhandel Stevens (Hoofddorp) twitterde: ‘Zojuist hebben we 40 zwarte Kobo ereaders besteld. Dat we dat ooit nog eens zouden doen hadden we nooit voorspeld. Zo!’ En boekhandel Veenendaal (Amersfoort) liet weten: ‘Yes! Weer 30 keer de zwarte #kobo ereader besteld: vrijdag [10 aug] is hij er weer! Reserveren kan via boekhandel.veenendaal@planet.nl. Op=Op.’
‘Het gaat boven verwachting’, reageert Caroline Damwijk die van Kobo geen cijfers mag geven. ‘De meeste ondernemers verkopen echt véél meer readers dan ze hadden gedacht. Het lijkt ook wel alsof hij zichzelf verkoopt. Mensen komen binnen om twee tijdschriften te kopen en zeggen dan: doe er ook maar een Kobo bij. Van sommige ondernemers hoor ik dat ze meer moeten praten om er een accessoire bij te verkopen dan het ding zelf.’
Lisa Snijders van boekhandel Stevens noemt het ‘bizar, zo veel wij er verkopen’. In totaal al ‘een paar honderd’, maar vooral sinds 1 juli zijn het er veel: zo’n 160 stuks in vijf weken. Zelfs toen de zwarte reader tijdelijk niet meer leverbaar was, namen ze net zo makkelijk de lila reader mee. ‘Je hebt klanten die hem kopen alsof het een potje boter is en klanten die eerst vier keer kijken en lang aarzelen, maar uiteindelijk kopen ze hem allemaal. En altijd met een hoesje, lampje, oplader, een complete set. Vooral die extra’s hebben een goede marge.’
Ook Mabel van Zijl van boekhandel Veenendaal vindt de verkoop boven verwachting. ‘Toen we begonnen dachten we een stuk of drie, vier readers per maand te verkopen, maar dat is opgelopen tot twintig, vijfentwintig per maand. In vijf maanden hebben we van alle kleuren bij elkaar zo’n honderdvijftig in totaal verkocht. Nu merk je dat veel mensen voor de vakantie een reader hebben gekocht. Na de vakantie zal de verkoop wat inzakken, maar in december verwacht ik een nieuwe piek. Dat is toch de tijd van wat duurdere cadeaus. Maar misschien blijft de verkoop wel goed doorlopen als straks al die gebruikers met enthousiaste verhalen thuiskomen.’
Het enige probleem is de gebrekkige voorraad. Na de vele tweets over nieuwe leverbaarheid vorige week is de voorraad bij CB nu alweer op. ‘Het komt in kleine hapjes beschikbaar en we vechten voor elke hap,’ zegt Damwijk. ‘We hameren er in onze wekelijkse contacten met Kobo, telefonisch en per mail, continu op: voorraad! voorraad! voorraad! Dat is het enige wat je kunt doen: relatiebeheer, en zo hopen dat je vooraan staat.’ Het is volgens haar geen optie om met minder marge genoegen te nemen om zo voorrang te krijgen op andere retailers wereldwijd.
De regelmatig terugkerende periodes van niet-leverbaarheid zijn voor Libris/Blz geen reden om minder marketing te bedrijven voor Kobo. Een van de acties is het Kobo Happy Hour - al is dat vooral gericht op klanten die al een reader hebben. Zij kunnen op zaterdagochtend in de winkel een code ophalen waarmee ze met korting de titel van die week kunnen downloaden. Het succes daarvan hangt af van de bekendheid van de titel, zegt Damwijk. ‘Mensen kopen niet zonder meer een goedkope download.’ In de winkels hebben Snijders en Van Zijl wel het idee dat de actie steeds meer aansluit.
Vraag blijft wel of de winkels de klanten na het verkopen van een Kobo kwijt zijn. Libris/Blz kan dat nog niet zeggen, Damwijk en de haren zijn nog bezig zulke gegevens ‘inzichtelijk te maken voor de ondernemers’. Snijders ziet wel regelmatig Kobo-klanten een week of een maand later terugkomen om ook nog een papieren boek te kopen. ‘We hadden natuurlijk wel de angst de klant kwijt te raken, maar dat gebeurt niet.’
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 13 aug 2012)