vrijdag 7 maart 2014

De opschepper Jan Cremer op het wereldwijde web

De schelmenroman Ik, Jan Cremer was in 1964 en de jaren erna een bestseller, zeker. Maar hoeveel exemplaren er in een halve eeuw zijn verkocht? Op het omslag van de 40e druk uit 1980 stond: 350.000 exemplaren verkocht. Op het omslag van de 50e druk uit 2000: 550.000 exemplaren. En bij de jubileumeditie die vandaag verschijnt staat vermeld: 55e druk, 1.150.000 exemplaren verkocht.

Pardon!?

Dat zou betekenen dat de laatste vijf drukken gemiddeld elk 100.000 exemplaren groot was. Als de claim dus ook maar ergens op is gebaseerd, is hier wel heel creatief geboekhoud. Zelfs wanneer je de verkopen erbij optelt van deel twee (verschenen in 1966) en drie (2008) én de vertalingen, dan geloof ik het nog niet. Ik, Jan Cremer 3 stond zes jaar geleden slechts twee weken in de Bestseller 60.

Hoe groot de oplage is van de nieuwe jubileumeditie weet ik niet. Erg groot kan die niet zijn. Duizend exemplaren? Vijftienhonderd? Ik, Jan Cremer wordt immers toch alleen nog gelezen door een kleine groep met literair-historische interesse? Toen Pauw & Witteman dinsdag jl. over dit boek praatte, bleek dat bijna niemand in het publiek het had gelezen. 'Ze zijn ook zo jeugdig', zei Witteman.

Literair-historische interesse was in ieder geval mijn motivatie, toen ik het eind september 1994 las. Ik vond er weinig aan. Ik, Jan Cremer bevatte een vitalistische impuls, maar de inhoud schokte me niet en de stijl was oppervlakkig. De taal is misschien niet verouderd, dat is al heel wat. Maar twintig jaar geleden dacht ik al: dit ben ik snel weer vergeten. Dat is ook gebleken.

Zo lang Cremer nog leeft – en ik gun de pocher nog vele jaren in goede gezondheid – zal hij echter aandacht krijgen van de pers. Ik stuitte de afgelopen weken al op interviews in Humo, de Volkskrant, Haarlems Dagblad (ook elders overgenomen), Tubantia – afgenomen ter gelegenheid van het jubileum uiteraard. Na zijn dood zal het afgelopen zijn met Cremers naamsbekendheid.

En dat in weerwil van de mondiale roem waarover hij zich altijd laat voorstaan. Zelfs Fidel Castro las Ik, Jan Cremer, schept hij op in Haarlems Dagblad. ,,Hoe ik dat weet? Nou, via Mulisch, een rode rakker destijds. Die had een audiëntie bij Castro. En het eerste wat die zei toen die het woord Nederland hoorde. ’Holland? Cremer!’’ Mulisch kan het toch niet meer tegenspreken.

Het grappige is dat je die wereldwijde roem tegenwoordig makkelijk kan controleren. In hoeveel talen heeft Jan Cremer een pagina op Wikipedia? Drie: in het Nederlands, Duits en Italiaans. Ter vergelijking: Harry Mulisch heeft er 63 en Arnon Grunberg 12. In hoeveel talen is Cremers werk eigenlijk vertaald? Volgens de Literaire Vertalingen database van het Nederlands Letterenfonds: Engels, Duits, Japans, Spaans en Deens.

En google voor de grap is op 'Jan Cremer site:.es'. Je krijgt wel bijna 50.000 hits, maar de kwaliteit ervan is matig. In plaats van sites waar je iets over de auteur en zijn werk te weten kan komen, krijg je bij de eerste resulaten vermeldingen op de Spaanstalige versies van Lastfm en Ebay. Ga je naar pagina 10, dan heb je al alleen maar sites waar toevallig de woorden 'cremer' en 'jan in een andere context voorkomen.


Die wereldroem, die heeft de zelden nog gelezen Jan Cremer alleen in zijn eigen taalgebied.

donderdag 6 maart 2014

Het Boekenweekgeschenk: 'Een mooie jonge vrouw' van Tommy Wieringa (BOEK)

Een mooie jonge vrouw van Tommy Wieringa is het beste Boekenweekgeschenk sinds Spitzen van Thomas Rosenboom (2004). Zo, dat is gezegd.
Een mooie jonge vrouw is een intrigerend en overweldigend verhaal. In slechts 96 pagina's – de voorgeschreven lengte van het meest geliefde cadeauboek van het jaar – beschrijft Wieringa volstrekt geloofwaardig hoe de viroloog Edward Landauer en de veel jongere Ruth Walta elkaar hebben ontmoet, de komst van het kind hen uit elkaar drijft, ze uit elkaar gaan en hoe vervolgens Edwards waanvoorstellingen en wanhoop hem over een grens duwen.
Ogenschijnlijk ligt de oorzaak van de mislukte relatie in het leeftijdsverschil. De titel legt daar de nadruk op. Edward wordt dagelijks gewezen op die vijftien jaar. Is het niet zijn schoonvader die ernaar informeert, dan schiet de gedachte hem wel te binnen omdat Ruth met heel andere dingen bezig is dan hij. Edward begint daardoor te vrezen dat hij, richting de vijftig kruipend, te oud voor haar wordt.
Maar er is iets veel belangrijkers: Edwards onvermogen zich in anderen te verplaatsen. Daarom duurt het zo lang voor hij een vaste relatie krijgt. Hij wil alleen maar iemand om bij hem te zijn op zijn oude dag. En daarom groeien hij en Ruth weer uit elkaar. Edward kan niemands pijn voelen: hij gebruikt proefdieren zonder wroeging – terwijl Ruth uit principe vegetariër is en werkt voor een non-profitorganisatie.
Hoe dat verschil Edward en Ruth uit elkaar trekt als er een kind komt, is de vondst van het Boekenweekgeschenk. Dat moet hier dan ook worden verzwegen. Maar dat Een mooie jonge vrouw tegelijk een exposé is over de vraag hoe belangrijk medeleven is, maakt van de novelle grootse literatuur.

Tommy Wieringa Een mooie jonge vrouw (96 p.) – CPNB, tussen 8 en 16 maart gratis bij aankoop van 12,50 euro aan boeken.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 1, 2013)

Zie ook:

woensdag 5 maart 2014

De Chocoladefabriek in Gouda: een bibliotheek gericht op 'maken'

Prinses Laurentien opende afgelopen vrijdag niet zomaar een nieuwe centrale van de Bibliotheek Gouda. Het nieuwe concept van De Chocoladefabriek, gericht op het maken, moet alle bibliothecarissen in Nederland inspireren.
  
De opening van een nieuw bibliotheekgebouw is altijd een feestelijk moment voor alle betrokkenen. De opening van De Chocoladefabriek, de nieuwe bibliotheek van Gouda, was meer dan dat, vonden de betrokkenen zelf. Hier opende een pand zijn deuren dat voor heel Nederland een feest behoort te zijn. Ook al zeiden de sprekers het bij de lancering van hun nieuw bibliotheekconcept afgelopen vrijdag niet met zo veel woorden, het leek hen eigenlijk niet meer dan logisch dat Dichter des Vaderlands Anne Vegter aan de plechtigheid bijdroeg met enkele gedichten en dat Prinses Laurentien, erevoorzitter van de VOB, de openingshandeling verrichtte. 
De nieuwe vestiging is een direct gevolg van de noodzaak voor de gemeente Gouda om te bezuinigen én het bibliotheekwerk te moderniseren, zei Hans Oosters, voorzitter van de Bibliotheek Gouda. Door samen te werken met het Streekarchief Midden-Holland, Drukkerswerkplaats Gouda en Horecaonderneming Kruim en uit te gaan van een heldere visie, waren alle partijen erin geslaagd 'elkaar te inspireren en hoger te komen'. Voor de bibliotheek betekende het nieuwe pand sluiting van de filialen in Bloemendaal en Goverwelle en verhuizing van de centrale uit het centrum. Wel kwamen een Plug-in Bibliotheek en twee 'kinderbibliotheken' in scholen.
Op het eerste gezicht is bezichtiging van de bibliotheek een lichtelijk teleurstellende ervaring. Het gebouw is neergezet als fabriek voor Steenland Chocolate. Schitterende tegels en ornamenten uit de jaren 1920 verwacht je dan, zoals vaak bij herontwikkeld industrieel erfgoed. Helaas. In het gebouw besef je pas goed dat overal stond vermeld dat de fabriek in 1971 is gebouwd. En dus je zie het indertijd modieuze vuilgrijze plafond boven het opengelaten leidingwerk, of de goedkope witte bakstenen waarmee sommige muren zijn gebouwd. De nieuwe toevoegingen, zoals de signing op pallethout, zijn daarbij passend goedkoop. 
Dan moet je praten met medewerkers en gebruikers. De medewerkers prijzen het licht en de ruimte die in het stokoude historische pand. En de gebruikers herinneren zich de oude functie van de fabriek op Klein Amerika 20 als stadskantoor, waar iedereen ooit wel eens moest zijn – voor een rijbewijs, aangifte van een geboorte of iets dergelijks. Dat was pas een foeilelijk pand, met zijn systeemplafonds en afstotelijke balies. 'Toen ik hoorde dat de bibliotheek hierheen ging, dacht ik echt: nee toch!', vertelde een bezoeker bij haar vertrek. 'Maar het is echt schitterend geworden. Ik wist niet dat dit eronder tevoorschijn kon komen.'
Daarna moet je je verdiepen in de opzet van de bibliotheek. Architect Jan David Hanrath heeft met hulp van Piet en Gerard Steenland tot in de kleinste details de oorspronkelijke fabriek gereconstrueerd. De inname en uitleenbalies staan op de plek waar ook vroeger werd ingeladen en gelost. 'Laden & lossen', staat er dan ook boven de terminals. De boekenkasten staan exact op de plek van de oude productielijnen. Op de vloer wordt dat in woord en beeld precies uitgelegd. De gebruikte materialen zijn knipogen naar de fabrieksbestemming. Pallethout dus (ook voor presentatiemeubelen), stellingkasten en haspels die los uit het plafond hangen voor iedereen die stroom nodig heeft. 
De reconstructie is bovendien allesbehalve een gimmick. Het 'maken' van chocoladeproducten is vertaald in het bibliotheekconcept waarin 'maken' centraal staat, legt Rob Bruijnzeels uit, die het namens Het Ministerie van Verbeelding heeft uitgewerkt. De collectie is de basis van wat alle gebruikers kunnen maken. De collectie moet hen inspireren. Die staat dus in het hart van het gebouw. Maar de collectie krijgt betrekkelijk weinig ruimte. Daaromheen staan drie werkplaatsen (de drukkers-, media- en jeugdwerkplaats) en een trap die als tribune dient. 'En alles wat gemaakt wordt, moet weer inspireren. Zo ontstaat een cyclisch proces, hopen we.'
Volgens Bruijnzeels wordt het centraal stellen van de collectie gezien als ouderwets. Hij vindt juist het alom toegepaste retailconcept 'van de vorige eeuw'. Dat reduceert de gebruiker tot consument, terwijl de bibliotheek Gouda de gebruiker aan de knoppen zet. Dat past veel meer bij deze tijd waarin er een toenemende behoefte aan delen, reflectie en context nodig is. 'De komende maanden zal dus ook pas blijken of het werkt. Maar het is een feit dat de bibliotheek nu al door veel instellingen wordt benaderd. Bovendien kunnen de partners vanuit het paradigma maken makkelijker samenwerken. Iedereen vindt automatisch zijn rol.'
Als je met al deze kennis nog eens rondkijkt, kun je de uitwerking – en zeker de vloer – wel degelijk erg waarderen. En de consequente manier waarop het concept is uitgewerkt bewonderen. Vooral in de open inrichting. Het streekarchief, de werkplaatsen, café-restaurant Kruim en het podium hebben ieder een eigen hoek in het gebouw, maar er is vrijwel geen schot aangebracht. De jeugd- en mediawerkplaats zijn wel enigszins afgeschermd, maar zeker niet onzichtbaar. Dat maakt het bij nader inzien heel goed te begrijpen dat de bestuurders, de prinses en de bezoekers opgetogen huiswaarts keren – denkend: hier moet de rest van Nederland maar eens komen kijken.
(Eerder in een langere versie gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl, 4 maart 2014)

Zie ook:

maandag 3 maart 2014

Libris Literatuurprijs 2014: de statistiek - slechts één keer waren er meer Vlamingen

Dit is de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2014:

Robbert Welagen - Het verdwijnen van Robbert

De meeste gelauwerde auteur in dit gezelschap is natuurlijk Tom Lanoye. Voor Gelukkige slaven krijgt hij zijn negende shortlistnominatie (1x AKO, 3x Libris, 5x Gouden Boekenuil). Alleen Grunberg en Van der Heijden zijn vaker genomineerd. Hertmans en Pfeijffer volgen met vijf nominaties. Voor Marente de Moor is het de tweede keer. Theunissen en Welagen zijn de debutanten in dit gezelschap.

De shortlist is opvallend Vlaams – met Hertmans, Lanoye en Theunissen is precies de helft Vlaams. Slechts één keer waren er meer genomineerden Vlaams: in 2010 – toen met Tom Lanoye, Peter Terrin, Walter Van den Broeck en winnaar Bernard Dewulf. Meestal zijn het er een of twee – en vier keer nul. In totaal is 22,2 % van de genomineerden Vlaams.

De Moor is de enige vrouw in het gezelschap. Daarmee is het aantal vrouwelijke auteurs op de shortlist van de Libris nu 24,2 %. De vrouwen doen het daarmee iets beter dan de Vlamingen.

Deze shortlist betekent ook dat twee van de vijf Gouden Boekenuil-kanshebbers ook in de race zijn voor de Libris-prijs. Dat is ook niet voor het eerst. Zie daarvoor het huidige nummer van BOEK, waarover ik over dit verschijnsel heb geschreven. Later op dit blog.

De winnaar wordt op 13 mei bekend gemaakt. Mijn persoonlijke voorkeur is (al heb ik één boek niet gelezen): Ilja Leonard Pfeijffer – die met deze nominatie bovendien de 25e auteur is geworden die voor alle drie grote prijzen de laatste selectie haalde.

Zie ook:
- De Gouden Boekenuil 2014 - de statistiek: voor de 8e keer nul vrouwen
- Tommy Wieringa wint de Libris 2013
- A.F.Th. van der Heijden wint de Libris 2012

zondag 2 maart 2014

Prijsvraag Merijn de Boer. En de winnaar van een gesigneerde exemplaar van 'De nacht' is....

De vraag was: wie kan twee zinnen schrijven met in de eerste dertien werkwoorden en twee of drie zelfstandige naamwoorden, en in de tweede het tegenovergestelde. Zoals Merijn de Boer in De nacht slecht proza typeerde. Zie voor de volledige uitleg hier.

De twee winnaars met hun inzendingen zijn:

Anja Mostertman:
Paula zou hijgend hebben willen durven blijven staan gluren als haar jonge, aantrekkelijke collega-onderzoeker niet geschrokken zou zijn gaan staan. Een paar minuten later betrad Sanne op haar slippers in een roze string met bijpassende BH de woonkamer van het hostel op loopafstand van de Bodleian Library om Paula over haar angstige ervaring met een insluiper op haar kamer te vertellen.

Odile Schmidt-Nouhan:
Het roze getinte gouden lam
Heldhaftige vrouwe; bid, sta op, bezwijk, slaap niet ondertussen, streef ernaar, draai om je as, onderzoek, besnuffel; kijk en ontdek, let op mij! Kind van je moeder, vader, burcht, land, continent, aardbol, Melkweg, tunnelvisie; vlucht niet weg maar praat met mij, uitstellend stuk lafaard, koddig deugwelletje: mijn roze leerlinge.

Dat de telling niet hélemaal klopt, zij hun vergeven. Beide ontvangen een gesigneerd exemplaar van Merijn de Boers hilarische roman.


zaterdag 1 maart 2014

Drie tips voor schrijvers van Maartje Wortel (Schrijven)

Brieven aan een jonge dichter – Rainer Maria Rilke
‘Van mijn docent poëzie op de Rietveld Academie, waar ik de afdeling Beeld en Tekst deed, moesten we over dit boek een essay schrijven. Iedereen vond het boek verschrikkelijk, behalve ik en nog een meisje, dat sindsdien mijn beste vriendin is. Ik werd er helemaal opgewonden van. Rilke schreef precies over wat ik wilde: schrijven, hoeveel zweet dat ook zou kosten. De overgave die erin zit, daar heb ik veel aan gehad. Hoe pathetisch het ook klinkt: al is er maar één iemand die hetzelfde wil als jij, dan is dat zo’n steun in de rug.’

A Clockwork Orange – Anthony Burgess
‘Elke keer als ik over mijn eigen werk denk: “Is dit niet raar?”, lees ik een pagina uit A Clockwork Orange. De taal van deze roman heeft iets De Jeugd van Tegenwoordig-achtigs. Het is daardoor niet echt toegankelijk. Het schijnt dat men het eerst niet wilde uitgeven omdat lezers het niet zouden begrijpen. En toch is het heel goed. Dat leert je dat een schrijver nooit ver genoeg kan gaan in zijn vocabulaire. Het is misschien stom om te zeggen, omdat je die rijkdom nog niet in mijn taal vindt, maar Burgess is wel een stimulans bij de zoektocht naar andere stemmen.’

Turks fruit – Jan Wolkers
‘Op dit boek ben ik gewoon jaloers. Alle grote thema’s zitten erin. De taal. De beelden. En alles zonder enige schaamte opgeschreven. Hij heeft zich er helemaal ingegooid. Je voelt dat dit echt Wolkers is – zonder dat de hoofdpersoon per se met hem hoeft samen te vallen. Dat werkte als een aanmoediging bij het schrijven van mijn nieuwe roman. Misschien merkt de lezer er niets van – IJstijd heeft mijn stem behouden: vrij korte zinnetjes, beeldende taal – maar zelf heb ik het gevoel een stap te hebben gezet. Het is losser van toon en thematiek. Ik heb minder het gevoel van schaamte dat mensen mijn boeken misschien raar vinden.’


Zie ook:

woensdag 26 februari 2014

Arnon Grunberg - 'Voetnoot 2'

Wie de Volkskrant leest, kan al een paar jaar iedere ochtend Arnon Grunbergs commentaar op het nieuws lezen. Een voetnoot per keer. Wie zoals ik geen abonnement heeft en de krant hoogstens af en toe onder ogen krijgt, kan een ruime selectie voetnoten in één keer lezen in de bundelingen die uitgeverij Nijgh & van Ditmar publiceert. Onlangs las ik deel twee, met meer dan honderd teksten, binnen vierentwintig uur uit. 
Wat is de beste manier om deze teksten te waarderen? Wie elke dag een voetnoot leest, zal nooit een overdosis krijgen en alle verwijzingen naar de actualiteit begrijpen. Wie de bundel leest, krijgt daarentegen alleen de beste teksten te lezen – waarvan relatief veel persoonlijke over zijn moeder, zijn seksleven of zijn petekind – en vallen eerder de constanten of juist tegenstrijdigheden in Grunbergs opvattingen op. Ik weet het niet, ik zou eerst beide ervaringen moeten hebben.
Wat me vooral opviel aan Voetnoot 2 was zijn soms opvallend expliciet verwoordde politieke en morele oordelen. Grunberg wijst tbs af omdat levenslange opsluiting minder humaan is dan de doodstraf. Hij keert zich tegen de heksenjacht op pedoseksuelen. En hij spreekt zich herhaaldelijk uit tegen het strafbaar stellen van illegalen. Allemaal keurige standpunten die ik van harte onderschrijf. Nou ja, over tbs en doodstraf moet ik nog wat langer nadenken.
Wie Grunberg nog houdt voor een cynische of op zijn best ironische auteur die alle waarheden ondermijnt, zou daarom zijn voetnoten moeten lezen. Dan ontdek je snel dat Grunberg wel degelijk ergens in gelooft. De voetnoten sporen de lezer aan om zich niet blind te staren op het karikaturale karakter en gedrag van zijn hoofdpersonen, maar te proberen de condition humaine en de maatschappelijke misstanden bloot te leggen waar ze symbool voor staan.

Zie ook:

maandag 24 februari 2014

Gouden Boekenuil 2014: de statistiek – voor de 8e keer nul vrouwen

Dit is de shortlist van de Gouden Boekenuil 2014:

Jan Brokken - De vergelding (zie ook het interview over dit boek)
Stefan Hertmans - Oorlog en terpentijn
Ilja Leonard Pfeijffer - La Superba
Jamal Ouariachi - Vertedering
Joost de Vries - De republiek

Daarmee is de lijst een mooi mengsel van eerder genomineerde auteurs en nieuwkomers. Voor Brokken, Hertmans en Pfeijffer is het de vierde nominatie voor een van de drie grote commerciële prijzen. Slechts vijftien auteurs haalde vaker de laatste selectie. Voor de andere twee is het hun eerste nominatie.

Brokken en Pfeijffer staan voor de tweede keer op de shortlist van de Gouden Boekenuil. Voor Hertmans is het de eerste keer. Wel is hij de 24e auteur die ten minste één keer is genomineerd voor de Libris, de AKO én de Gouden Boekenuil. Na Tom Lanoye, Patricia De Martelaere, Dimitri Verhulst, Leo Pleysier en Stefan Brijs is hij de zesde Vlaamse auteur die daarin slaagt.

Hertmans is ook de enige Vlaamse auteur op de lijst. Dat is niet verrassend. Het is ondertussen al zeven jaar geleden, in 2007 dus, dat er meer dan één Vlaming de shortlist van de enige Vlaamse prijs onder de grote drie haalde. Het totaal aantal genomineerde Vlaamse auteurs voor deze prijs is 29 – ofwel 25,9 procent.

Vrouwelijke auteurs ontbreken op de lijst. Ook dat is niet verrassend. Het is in de 19e editie van deze prijs al de achtste keer dat dit gebeurd. Het totaal aantal genomineerde vrouwelijke auteurs is 13 – ofwel 11,6 procent. De Gouden Boekenuil is daarmee de grote prijs die vrouwelijke auteurs het meest over het hoofd ziet.

Zie ook:
- Uitsluitend vrouwelijke auteurs genomineerd voor Finlandia Prijs
- In Duitsland winnen vrouwen wél literaire prijzen
- De statistiek van de Gouden Boekenuil 2013

zaterdag 22 februari 2014

De boekenapotheek: actieprijs, etalagewedstrijd, lezingen

Vanaf vandaag tot en met 31 maart is De boekenapotheek tijdelijk in prijs verlaagd. Het boek kost nu 22,50 euro. Uitgeverij Podium en NRC Handelsblad voeren samen een lezersactie om het boek te promoten dat de krant 'een serieus boek' noemde, 'dat door middel van goed getroffen samenvattingen en handige lijstjes de lol en het nut van de literatuur viert.'

Tegelijk heeft de uitgeverij een etalagewedstrijd uitgeschreven. De boekhandels die de mooiste etalage maken met De boekenapotheek maken kans op een wellnessdag voor twee personen. In de jury zitten uitgever Joost Nijsen, vertegenwoordiger Gabina Veltkamp en ikzelf.

Ondertussen ben ik juist in de komende weken druk met de lezingen over bibliotherapie die ik verspreid over Nederland en Vlaanderen geef – van Baarn tot Bergen op Zoom en van Genk tot Gent. Zie voor het volledige schema hier.

Zie ook:
- een korte beschrijving van het boek
- een kleine toelichting op mijn werkwijze
- recensies en reacties
- voorpublicaties hier, hier en hier

vrijdag 21 februari 2014

Thomas Heerma van Voss, 'De allestafel' en 'Stern' (Ons Erfdeel)

De idee-fixe van een perfecte vader-zoonband

De hoofdpersonen in het nog bescheiden oeuvre van Thomas Heerma van Voss (1990) hadden familie van elkaar kunnen zijn. De bijna-dertiger Mark Oldings uit De allestafel (2009), freelance recensent van hiphopcd’s, en de op zijn pensioen afkoersende basisschoolleraar Stern uit het gelijknamige Stern (2013) zijn neurotische controlfreaks die geen normaal contact kunnen maken. Oldings omdat hij zich niet in een ander kan verplaatsen en iedereen door zijn eigen bril bekijkt. Stern omdat hij te passief en te zwijgzaam is. Mensen zien hem nauwelijks staan.
Oldings is er het ergst aan toe. Hij kan zich alleen staande houden in het leven door zich stevig vast te klampen aan zijn eigen waarheden en te leven volgens zijn vaste protocollen. Als hij besluit zijn relatie met Yvonne te redden, waarvan hij wel aanvoelt dat die betere tijden heeft gekend, kan dat alleen door een to do-lijst op te stellen. Hij hoeft de punten maar af te werken en dan komt alles in orde. Lukt het hem toch niet, dan verliest hij direct alle hoop. Tot relativeren is hij niet in staat.
Anders dan Oldings is Stern niet rijp voor opname. Door leraar te worden is hij erin geslaagd een min of meer maatschappelijk geaccepteerd bestaan op te bouwen. Voor de klas staan biedt hem een omgeving waarin hij volgens vaste en van buiten af opgelegde patronen met anderen, in dit geval zijn leerlingen, kan communiceren. Zij moeten bovendien naar hem luisteren, en niet andersom. Van ieder kind dat hij ooit les heeft gegeven, heeft hij een dossier aangelegd, waar hij jaren later nog door bladert. Alsof het zijn dierbaarste vrienden waren.

Toch vallen de verschillen tussen beide romans meer op dan de overeenkomsten. In Heerma van Voss’ debuut – gepubliceerd toen de auteur nog twintig moest worden – is de invloed van Arnon Grunberg duidelijk voelbaar. Met losse citaten valt het niet te illustreren, het zit hem vooral in de nuchtere, rationele stem die Heerma van Voss aan Mark Oldings heeft gegeven. Hij hanteert hetzelfde overdreven zelfbewustzijn waarmee hij zijn eigen gekte aangeeft als veel Grunberg-personages.
Die associatie is verdwenen in Stern. De stijl is nog zakelijker en afstandelijker geworden, zonder grote woorden of metaforen, op het vlakke af. Heerma van Voss volgt zo sec mogelijk de wederwaardigheden van zijn hoofdpersoon, waardoor hij beter dan in De allestafel versluiert dat de lezer het verhaal uitsluitend vanuit Sterns perspectief te horen krijgt. Als er staat dat hij ‘nog steeds uitermate geschikt is om les te geven’, ben je bijna geneigd het te geloven.
Ook is de tweede roman subtieler. In De allestafel ligt het er te dik op. Ja, Mark Oldings heeft ze niet allemaal op een rijtje. Dat valt na een bladzijde of tien al niet meer te ontkennen – waarna de auteur het blíjft benadrukken. Het komt dan ook niet als een verrassing dat Mark Oldings uiteindelijk doordraait. De enige vraag die tijdens het lezen blijft openstaan is die naar de mate waarin. Doet hij zichzelf geweld aan? Doet hij zijn vriendin geweld aan? Dat is te weinig.
Stern houdt wél een verrassing in zich. De leraar wordt geïntroduceerd op het moment dat zijn leven begint te kapseizen. De moderne manager van basisschool De Regenboog stuurt hem onvrijwillig op prepensioen. Zoon Bram kondigt aan voor een jaar te vertrekken naar Zuid-Korea. En de verwijdering van zijn vrouw, een semi-bekende auteur, nadert een fatale grens. Ze schrijft een roman over hem omdat dat de enige manier is waarop ze nog contact met hem kan maken.
Vooral het vertrek van Bram valt Stern zwaar. De jongen, inmiddels toe aan zijn eindexamens, wachtte hem altijd op als hij thuis van werk kwam. Ze gingen altijd samen bowlen. Al op pagina tien klaagt hij over die vaders die hij op het schoolplein hoort praten over hun papadag. ‘Alsof het vaderschap een beroep is dat je op gezette tijdstippen uitoefent. Even geïnteresseerd doen (…) en hopla, het werk zit er weer op.’ Hij staat wel altijd voor hem klaar. Voor hem is zijn zoon wel alles.
Hoewel? Heerma van Voss geeft steeds nieuwe informatie over Bram die hun relatie in een ander daglicht zet. De jongen is geadopteerd – vandaar dat Bram uitgerekend naar Zuid-Korea wil. En hij voldoet helemaal niet aan het ideaalbeeld van Stern: Bram is te klein en net zo passief en zwijgzaam, en dus net zo’n buitenbeentje, als hijzelf. Sterns liefde voor hem blijkt niet meer dan een façade te zijn. Het is vanwege zijn eigen verleden dat hij vasthoudt aan de idee-fixe van een perfecte vader-zoonband.

De subtiele, afgewogen opbouw maakt Stern duidelijk een stap vooruit voor de vier jaar jongere broer van Daan Heerma van Voss (auteur van onder andere De vergeting, 2013). De hoofdpersonen van beide romans zijn te rechtlijnig om als psychologische roman indruk te maken. De stijl is te vlak om de werken louter om het taalplezier te verorberen. De boeken moeten het van het plot hebben. En alleen Stern slaagt erin de lezer tot het einde toe nieuwsgierig te houden naar het vervolg.
De voornaamste zwakte die deze schrijver nu nog moet zien te overwinnen, is die van de geloofwaardigheid. Te vaak gebruikt hij elementen zonder zich af te vragen hoe die passen bij zijn personages of het verhaal. Waarom stelt een vriendin van Yvonne aan Mark Oldings vragen alsof ze vier weken in plaats van vier jaar bij elkaar zijn? Hoe kon Sterns vrouw verliefd op hem worden? Heeft een basisschoolleraar een inkomen waarmee hij in het chique Amsterdam Oud-Zuid kan wonen?
Het verraadt een gemakzucht of – dat zal wellicht de toekomst uitwijzen – een onvermo­gen om het plot tot in de puntjes uit te werken. Het gevolg is wel dat Heerma van Voss regelmatig de willing suspension of disbelief van zijn lezers vernietigt, waardoor die zijn romans alleen van een afstand kan analyseren en er nooit werkelijk in op kan gaan. Dat geeft in het geval van Stern het gevoel van een gemiste kans. Behalve een goede had het ook een ontroerende roman kunnen zijn.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel, 1/2014) 

Zie ook deze bespreking van Stern voor BOEK.